Verso – lijden en geloof in de logica van het drieluik
Er zijn twee panelen die vermoedelijk ooit één drieluik vormden in Sierentz.
Er wordt aangenomen dat ze gemaakt zijn door één maker.
Die wordt daarom de Meester van Sierentz genoemd.
Op het schilderij met de heilige Joris die de draak verslaat
staan verschillende taferelen:
- op de voorgrond: Joris die de draak doorboort;
- rechts erachter: nog eens twee draken en hun nest? met een eerdere prooi
en de botten van eerdere maaltijden; - de laag daarachter, links: een prinses die een lam aan een lijn houdt
— geen huisdier, maar een verwijzing naar Christus als het Lam Gods.
Het kapelletje naast haar bevat vermoedelijk een Mariabeeld,
waardoor de scène nog meer Christelijke diepte krijgt.
De prinses was het geplande offer voor de draak totdat Joris kwam; - Bijna achteraan: een burcht
- Achteraan: de zee
Tegelijk verloopt de hoofdkleur van verschillende tinten groen naar blauw.
We kijken weer niet naar een foto.
Het schilderij is een complexe compositie.
Zorgvuldig uitgedacht.
Net als St Joris van wie wordt aangenomen dat hij niet heeft bestaan.
Deze heilige is geen universele goeddoener.
Het is een ridder die een jonkvrouw redt.
Iemand die meer thuishoort in een ridderroman dan in een kerk.
St George (Sint Joris) is een tegenhanger van St. Martin (Sint Maarten).
Over St Maarten schreef een tijdgenoot een boek.
Maarten zat in het leger maar wilde geen soldaat worden.
Hij wilde mensen helpen, gaf een bedelaar de helft van zijn mantel.
Het kleurverloop van groen naar blauw zien we ook op dit paneel.
De compositie is minder complex, het delen van de mantel staat centraal.
Zouden de voorstellingen op de twee vleugels ook samenhang vertonen?
Op beide achterkanten staat Christus centraal:
- men neemt aan dat de bijna verloren achterkant
de hulp bij het dragen van het kruis weergeeft.
Dat is de achterkant van het St Maarten-schilderij. - de tweede achterkant toont de kruisafname en het treuren bij het kruis.
Christus staat wel centraal op die panelen maar zijn rol is passief.
Het zijn de omstanders die acties ondernemen.
Ze nemen zijn lichaam van het kruis en bewenen hem
en Simon van Cyrene werd gedwongen het kruis te dragen.
De middeleeuwse heiligen vervullen eenzelfde rol
als de historische omstanders rond Christus.
Ze helpen Christus bij het uitdragen van het geloof en hebben aandacht voor lijden.
Wat zou de centrale voorstelling van dit drieluik kunnen zijn geweest?
India 24/25: Varanasi, dag 3 – Archaeological Museum Sarnath 01
– over hoe steen zich opent: drie Sarnath‑fragmenten over vorm en betekenis –
Terwijl ik de archeologische site van Sarnath bezocht
ben ik ook gaan kijken in het museum dat er vlak bij ligt.
Dat vraagt om wat achtergrondinformatie over dat museum
omdat ik wat voorwerpen daarvan wil laten zien:
Het Archaeological Museum Sarnath is vrijwel volledig gewijd
aan vondsten uit Sarnath zelf.
De instelling werd in de Britse tijd opgericht door
de Archaeological Survey of India (ASI)
om de resultaten van opgravingen op die ene site te bewaren.
De collectie omvat:
- Sculpturen, reliëfs en fragmenten uit de Dhamekh‑stupa, Dharmarajika‑stupa, en omliggende kloostercomplexen.
- Objecten uit latere periodes (Gupta, post‑Gupta, Pāla) die in dezelfde zone zijn gevonden.
- Enkele stukken uit de directe omgeving van Varanasi, maar altijd binnen het bredere Sarnath‑veld.
Kort gezegd:
het is geen regionaal museum van heel Varanasi, maar een site‑museum
— alles wat er staat komt uit of rond de archeologische zone van Sarnath.
Als een object in dat museum staat zonder verdere herkomstvermelding,
mag je er met redelijke zekerheid van uitgaan dat het uit Sarnath komt.
Alleen bij uitzonderingen (bijv. vergelijkingsstukken uit andere plaatsen)
wordt dat expliciet vermeld op het label.
Dat laatste woord, label, is de aanleiding voor deze inleiding op het museum.
De labels bij de objecten zijn heel summier.
Dat laat ik bij het eerste object even zien:
- geen vermelding van de plaats waar het object gevonden is;
- geen aanduiding van het materiaal waaruit het gemaakt is;
- geen beschrijving van de voorstelling;
- en geen beschrijving van de omstandigheden waaronder het gevonden is.
Misschien is al die informatie er wel maar is die (nog) niet online beschikbaar.
Face stone
Wat we hier zien is een mogelijke Boeddha,
zittend op een lotus‑basis binnen een architectonische nis.
De nis is omlijst met kralenranden en florale ornamenten,
en bovenaan bevindt zich een boogvorm met een centraal kopmotief.
Dat hoofd lijkt op een gestileerde slang of een ander mythisch wezen.
Het fragment is te beperkt om het motief met zekerheid te identificeren,
maar de combinatie van kralenranden, florale details en de boogvorm
plaatst de Boeddha duidelijk binnen een architectonisch kader
dat bedoeld was om hem te omlijsten en te markeren.
De houding is overwegend rustig en symmetrisch,
in lijn met de idealen van innerlijke kalmte die zo kenmerkend zijn
voor de Sarnath‑stijl.
De steen — waarschijnlijk Chunar‑zandsteen —
toont slijtage en kleine beschadigingen,
sporen van een lange geschiedenis van blootstelling en gebruik.
Alles samen geeft het fragment de indruk ooit deel te zijn geweest
van een grotere sculpturale structuur,
mogelijk een stupa‑bekleding of een tempelwand met meerdere nissen.
Wanneer je een Boeddha ziet die rustig en symmetrisch zit,
is de eerste reflex om te denken aan de dhyāna‑mudrā,
de klassieke meditatiehouding waarin beide handen in de schoot liggen,
palmen naar boven, duimen licht tegen elkaar.
Veel Sarnath‑beelden uit de 7e eeuw tonen precies deze mudrā,
en de serene compositie van het fragment
lijkt die interpretatie te ondersteunen.
De rechterarm is afgebroken, wat de gedachte voedt dat de rechterhand
ooit boven de linkerhand lag
en dat het gebaar door de breuk verloren is gegaan.
Maar zodra je naar de linkerhand kijkt, ontstaat frictie.
Die hand ligt laag, op de enkel van de linkervoet,
en toont geen spoor van een tweede hand die er ooit bovenop lag.
Een beeldhouwer werkt in één blok: als er iets bovenop had gelegen,
zou de linkerhand zelf beschadigd zijn of een afdruk tonen.
Dat is hier niet het geval.
De dhyāna‑mudrā blijft dus mogelijk, maar niet zonder spanning
— en die spanning is precies het punt waarop een fragment ons uitnodigt
om verder te kijken dan de canon.
Wanneer je de iconografische verwachting loslaat
en puur kijkt naar de plastische logica van het fragment,
ontstaat een tweede, minstens even plausibele interpretatie.
De rechterarm stopt abrupt, maar de breuklijn
en de positie van de schouders suggereren
dat de arm niet naar de schoot liep, maar eerder diagonaal naar voren,
met de elleboog rustend op het rechterbeen.
In dat scenario zou de rechterhand licht naar voren hebben gestoken
— een uitstekende vorm die bij breuk als eerste verdwijnt.
De linkerhand, laag op de enkel, vormt dan geen deel van een mudrā
maar van een natuurlijke rusthouding.
Zulke informele, ontspannen poses komen in Sarnath‑sculptuur vaker voor,
vooral in architectonische nissen waar de doctrinaire gebaren
minder strikt worden toegepast.
Door beide lezingen als mogelijkheden open te laten,
wordt het fragment zelf een dialoog tussen iconografie en steen:
tussen de canon die een meditatiehouding suggereert
en de materiële aanwijzingen
die op een meer ontspannen, natuurlijke pose wijzen.
Hoeksteen
Deze hoeksteen maakt deel uit van een architectonische omlijsting
waarin decoratie en diermotief naadloos in elkaar overvloeien.
Het wezen dat hier verschijnt heeft duidelijke leeuwentrekken
— de krachtige houding, de manen die in ornament overgaan,
de kop die zich naar een verticale guirlande buigt —
maar het is geen natuurgetrouwe leeuw.
Het grijpt het decoratieve element met een klauw
en lijkt het bijna te “verslinden”,
een beweging die eerder symbolisch is dan realistisch:
een manier om levenskracht, bescherming
en spanning in het steenwerk te brengen.
Dat past binnen een bredere Indiase fascinatie voor de leeuw,
toen en nu nog.
In Sarnath is de leeuw zelfs een centraal symbool,
van de Ashoka‑kapiteel tot de vele bewaker‑wezens in nissen en friezen.
Tegen die achtergrond krijgt ook deze hoeksteen betekenis:
als een gestileerd, hybride leeuwwezen
dat de architectuur bezielt en het heiligdom visueel bewaakt.
Drie eeuwen Sarnath in drie fragmenten
Samen tonen deze drie fragmenten – de leeuw, de Boeddha, de Bodhisattva –
hoe de beeldhouwkunst van Sarnath
zich tussen de 6e, 7e en 8e eeuw ontwikkelt.
In de 6e eeuw overheerst het architectonische reliëf:
de hoeksteen met zijn gestileerde leeuwwezen
is nog volledig onderdeel van de bouwstructuur,
een decoratief motief dat kracht en bescherming uitdrukt
maar gebonden blijft aan het vlak.
In de 7e eeuw verschijnt een ander ideaal:
de verfijnde, serene Boeddha‑stijl van Sarnath,
waarin het gezicht zacht gemodelleerd is
en de figuur zich al iets losmaakt van de achtergrond
— een overgang van ornament naar icoon.
In de 8e eeuw krijgt de sculptuur een nieuwe ruimtelijkheid:
de Bodhisattva in de pilaster heeft volume, sieraden,
een duidelijke houding en een bijna driedimensionale aanwezigheid,
een voorbode van de expressieve Pāla‑stijl.
Zo vormen deze drie stenen samen een kleine tijdlijn:
van reliëf naar beeld,
van architectonische functie naar spirituele aanwezigheid,
van decoratieve kracht naar persoonlijke expressie.
Deur van hoop?
Op de eerste niet-reisdag van deze vakantie,
liep ik de Basílica de Nuestra Señora de la Soledad binnen.
De grote basiliek is niet over het hoofd te zien.
Hij ligt aan de zócalo (centrale plein) en de kerken van de Spaanse koloniale bezetters
hebben een sfeer die je niet snel in Europa zult zien.
De kerk is eind 17e eeuw gebouwd en de barokke sfeer
van eindeloos lijden, smachten en onderwerping aan de Kerk
komt je tegemoet.
De zon zorgde voor extra dramatische beelden.
Geheimzinnig fruit of groente?
Banksy in Breda
Een eerste wandeling in Oaxaca: een andere wereld
Op 29 november 2025 ben ik naar Mexico gevlogen.
Op 30 november was ik op mijn eerste bestemming: Oaxaca.
Later ben ik met de bus naar Puebla gereisd en met de taxi naar Mexico-city.
Op 20 december ben ik weer terug naar Amsterdam gevlogen.
Natuurlijk een vakantie waar veel gezien en gefotografeerd is.
De foto’s ga ik hier delen.
Verso – tussen techniek en geloof
Het gebeurt niet vaak dat ik een blogbericht maak
over een kunstwerk dat ik niet zo mooi vind.
Nu is mooi een erg subjectief gegeven,
maar kijk eens naar de compositie van beide zijden van het werk:
Aan de ene kant zie je de kerststal.
De verhouding tussen het gebouwtje
en het enorm grote blauwe gewaad van Maria, klopt niet;
Aan de andere kant zie je een vreemde compositie.
Misschien is die theologisch nog wel te verklaren.
Christus als bemiddelaar tussen de ongelovige mens en God.
Een Christus die er veel aan wil doen om de mens te overtuigen
Terwijl Maria naast hem dezelfde bemiddelende rol vervult.
Maar dat maakt het voor mij nog geen mooi beeld.
Links, enigszins opzij geduwd, staan Christus en de ongelovige Thomas.
Rechts God met de geknielde Maria die lijkt te bemiddelen,
terwijl ze in haar linkerhand een kleine figuur de hand geeft.
Ze houdt ook haar borst vast (mogelijk als verwijzing naar moederschap)
terwijl Christus aan haar rechterzijde zit.
Er zit ook nog een geknield figuur op de voorgrond.
Alles bij elkaar wringt de compositie door gebrek aan evenwicht
en daarbij is de rechter helft heel complex.
Wat me wel aanspreekt zijn twee zaken:
- Het gebouwtje aan de ene kant mag dan niet in verhouding zijn met de figuren,
het is wel een mooi ontwerp en perspectief.
Bovendien is er een interessante combinatie van schilderwerk met reliëf.
- Dan de gotische rand aan de bovenkant van de Thomas-kant van het werk.
Het is een poging om een ‘oud’ verhaal naar het nu van 1450 te halen.
Het werkt als een decoratieve rand, bijna als de kanten strook van een glasgordijn.
Voor een kijker van nu is het alles bij elkaar een erg ‘technisch’ werk.
Daar waar het natuurlijk probeert over te komen (the Nativity)
wringt het beeld.
Daar waar het theologisch probeert te zijn (Thomas)
is het complex en vormt het geen eenheid.
Juist dat spanningsveld tussen techniek en betekenis maakt het werk interessant,
al blijft het moeilijk om erdoor geraakt te worden.
Allerlei ogen
Soms lijken wandelingen niets meer dan een reeks toevallige indrukken,
maar op sommige dagen kijkt de wereld terug.
Een huis met vreemde kleur planten naast de deur,
een lantaarn met een gele boog die nergens thuishoort,
een huisnummer in een lettertype dat uit een andere tijd lijkt te zijn weggelopen.
Het zijn kleine afwijkingen, dingen die je normaal niet ziet,
maar die zich ineens melden alsof ze willen zeggen: let op, hier gebeurt iets.
Verderop valt de schaduw van een boom over een muur,
en die schaduw is meer boom dan de boom zelf.
Een hoofd dat als bloembak dient, met planten die als haar naar beneden vallen,
alsof gedachten zijn gaan groeien — of verdorren ze misschien tijdelijk?
Een stam waarin ogen zijn uitgesneden of ontstaan,
ogen die niet alleen kijken maar ook bewaren wat voorbijgaat.
En dan het meisje: zittend, stil, met bloemen op haar schoot.
Het is Hein Koremans Bloemenmeisje uit 1952, zandsteen,
ooit geplaatst in het Valkenberg en later
— na de tentoonstelling ter gelegenheid van 700 jaar Breda —
verplaatst naar de Irenestraat/Balfortstraat, waar het nog steeds staat.
Als kind, achterop de fiets, groette ik haar;
mijn ouders moedigde me altijd aan om Dag meisje te zeggen.
In deze reeks beelden lijkt alles een vorm van aandacht te dragen.
Niet alleen jij kijkt, maar de dingen kijken terug.
Ze overwegen, ze bewaren, ze fluisteren iets dat je niet meteen kunt horen.
Misschien is dat waarom je even blijft staan.
Waarom je denkt: ga ik verder, of blijf ik hier?
En dan valt de beslissing, zacht en zonder nadruk.
Ogen of zonder ogen — toch maar te gaan.
Allerlei ogen
Beneden en boven
Ook in de bomen
Kijken me aan
Ik heb overwogen
Of ik ga lopen
Of ik blijf staan
En nu besloten
Ogen of zonder ogen
Toch maar te gaan
Voor een uitgebreidere beschrijving
van het bovenstaand beeld: zie website Kunst in Breda.
Wat ontstaat terwijl we kijken
Gisteren zat ik ergens waar ik een half uur moest wachten.
Ik wist dat het een half uur zou duren en dus had ik een boek meegenomen:
Anatomie van het atelier van William Kentridge.
Aanvankelijk leek de tekst heel toegankelijk.
Kentridge gebruikt weinig academische termen en soms juist poëtische taal.
De titel suggereert dat het boek een analyse geeft
van hoe Kentridge werkt in zijn atelier.
Maar de tekst is veel minder richtinggevend dan ik verwachtte.
De tekst is opvallend open en gelaagd.
Met ‘open’ bedoel ik dat er veel ruimte is voor interpretatie.
Sterker nog: je wordt als lezer uitgedaagd jouw interpretatie
naast die van Kentridge te leggen.
Daarbij heb je voor de visie van Kentridge wel wat kennis nodig
van (kunst)filosofie en van zijn werk.
Tussen het lezen door keek ik ook naar buiten.
Ik zat op de begane grond, met gedeeltelijk zicht op een grote binnentuin.
Daar is ook een kinderdagopvang gevestigd.
Er kwamen vier mensen langs het raam lopen,
een juf en drie kleuters van de opvang.
In hun rechterhand hadden ze een fel gekleurde ring vast.
De ringen waren aan elkaar verbonden met een lang blauw plastic lint.
Voorop liepen twee kinderen, gevolgd door de juf
en daarna nog een laatste peuter.
De kinderen liepen nog een beetje onzeker, druk pratend met de juf
– soms geconcentreerd maar ook af en toe afgeleid.
In hun linkerhand droegen de kinderen een open, leeg kartonnen eierrekje.
Voor het raam hielden ze even in,
ze stonden stil en de juf vertelde denk ik iets.
Ik zag de juf naar het dichtstbijzijnde perk wijzen
en daarna haalde ze iets tussen de planten uit – voor ieder kind twee voorwerpen.
Waarschijnlijk waren het houtsnippers
die in onderhoudsvriendelijke tuinen wel vaker gebruikt worden.
De snippers liggen op de bodem tussen de planten
om het onkruid moeilijk te maken te groeien.
Even later liepen ze weer door en verdwenen uit mijn zicht.
Later zag ik nog een groepje langskomen.
Terwijl ik daar naar keek, dacht ik na over het bewustzijn van jonge kinderen.
In hoeverre zijn wij als jonge kinderen bewust van onszelf en onze omgeving?
Ik vroeg me dat af omdat ik net de volgende passage gelezen had
van Kentridge (pagina 51):
Bewustzijn komt voort uit emotie, verlangen of afkeer. Eerst een tekening en dan pas de vraag: ‘Wat vertelt deze tekening?’ Een impuls om te maken, die voorafgaat aan het ‘wat’ dat wordt gemaakt, aan wat het onderwerp is. De aantrekkingskracht van het atelier staat centraal, het ‘wat’ veel minder.
Kentridge legt uit hoe zijn werkproces in elkaar zit.
Blijkbaar begint hij aan zijn werk niet altijd met een uitgedokterd plan.
Sterker nog, vaak begint hij zelfs zonder plan;
zijn proces is veel intuïtiever.
Hij creëert in zijn atelier een omgeving waarin nieuw werk kan ontstaan
— door eerst materiaal en indrukken te verzamelen.
Hij creëert die sfeer door woorden en zinnen op te schrijven die hem eerder troffen.
Nog zonder te weten of en hoe hij die teksten ooit zal gebruiken.
Tekeningen zijn niet alleen eindresultaat, ze zijn ook vastlegging.
Mogelijke bron voor toekomstig werk.
Ze vormen daarmee ook een onderdeel van het atelier.
Hoewel de vertaalster het woord bewustzijn gebruikt,
lees ik Kentridge’s beschrijving eerder als een vorm van bewustworden:
een proces dat niet uit één moment bestaat, maar uit vele stappen.
Soms lineair, soms herhalend, soms zoekend.
Een ontwikkeling die ontstaat
door te doen,
door materiaal te verzamelen,
door te tekenen zonder vooraf te weten wat het zal worden.
In dat opzicht is zijn bewustzijn minder een toestand dan een beweging.
Maar het citaat begint niet met
‘Het bewustzijn van Kentridge komt voort uit emotie,
verlangen of afkeer.’
Het begint veel opener – als een bewering over iedereen.
Daarom vroeg ik me af hoe dat bij die peuters werkt.
En natuurlijk ook bij mezelf.
India 24/25: Varanasi, dag 3 – Sarnath
– Deer Park by the Hill of the Fallen Sages, outside of Varanasi –
De historische Boeddha leefde en onderwees in de brede Gangesvlakte,
in het gebied dat nu Bihar en Uttar Pradesh heet:
een dichtbevolkte streek van kleine republieken,
handelsroutes en spirituele scholen waar nieuwe ideeën snel konden reizen.
In datzelfde landschap ligt Sarnath
— het Deer Park by the Hill of the Fallen Sages, just outside of Varanasi —
een plek die al in oudere tradities werd geassocieerd
met rondtrekkende asceten en wijze leraren.
De ondertitel van dit bericht is een citaat uit de Lalitavistara sutra,
een klassieke biografische tekst over het leven van de Boeddha.
Zoals in veel religies gebeurt, wordt de centrale figuur zo geplaatst
binnen een bestaande lijn van vroegere ‘wijzen’,
waardoor zijn aanwezigheid op die plek extra betekenis krijgt.
Het is daarom logisch dat juist hier een van de vroegste
en meest bepalende momenten van het boeddhisme plaatsvond.
Rond 528 v.Chr. gaf de Boeddha in Sarnath zijn Eerste Leerrede
en overtuigde hij zijn vijf vroegere asceten om zijn volgelingen te worden,
waarmee hij ‘het Dharma‑wiel in beweging zette’
— een traditionele metafoor voor het begin van zijn onderricht
en de verspreiding van de leer.
Ruim twee eeuwen later, omstreeks 250 v.Chr., liet keizer Ashoka
op dezelfde plek een monumentale zuil — de Ashoka‑pillar — oprichten
als eerste formele, keizerlijke erkenning van deze heilige plaats.
Tegenwoordig is er in Sarnath niet veel meer te zien
dan één groot stupa‑complex en lage muurresten,
maar juist die schijnbare eenvoud maakt duidelijk
waarom ik erheen ging:
het is een plek waar de spirituele oorsprong van het boeddhisme
en de politieke bevestiging ervan
— Boeddha en Ashoka —
letterlijk naast elkaar staan.
Dharmarajika Stupa
Volgens de overlevering liet keizer Ashoka in de derde eeuw v.Chr.
de Dharmarajika‑stupa bouwen om relieken van de Boeddha te bewaren.
Archeologisch onderzoek bevestigt dat het inderdaad een reliekstupa was,
maar niet met zekerheid dat de relieken
van de Boeddha zelf afkomstig waren.
Veel latere stupa’s bevatten symbolische of gedeelde relieken,
en het is aannemelijk dat Ashoka met deze bouw
vooral de verspreiding van het boeddhisme wilde markeren.
Zo blijft de Dharmarajika‑stupa een plaats van herinnering
aan die vroege devotie,
meer dan een letterlijk graf.
Goudfolie
Het bordje verbaasde me eerst,
maar later zag ik waarom het er stond:
pelgrims brengen hier dunne goudfolie aan op de stenen
als teken van eerbied.
Dat gebaar hoort bij een levende traditie, maar in Sarnath
— waar de ruïnes archeologisch beschermd zijn —
probeert men die devotie te begrenzen om de monumenten te behouden.
Zo botsen hier geloof en behoud op een heel tastbare manier.
Boeddha’s woorden
De Dhamekh‑stupa markeert de plek waar de Boeddha, rond 528 v.Chr.,
zijn Eerste Leerrede gaf
— het moment waarop hij ‘het Dharma‑wiel in beweging zette’.
De huidige stupa, een massieve cilindervorm van steen en baksteen,
werd in latere eeuwen vergroot en versierd.
Langs de onderste zone loopt een brede band
van fijn bewerkte reliëfs:
geometrische patronen, swastika‑motieven, bladeren en bloemen,
afgewisseld met vogels en menselijke figuren.
Deze ornamenten verbeelden de kringloop van leven en leer,
en herinneren eraan dat de Boeddha’s woorden
hier voor het eerst klonken in de wereld.
Panchytan tempel
De Panchayatana‑tempel in Sarnath stamt
uit de Gupta‑periode (4e–6e eeuw n.Chr.)
en vormt een stille getuige van de overgang
van vroege boeddhistische eenvoud
naar de verfijnde klassieke kunst van India.
Het tempelplan — één hoofdheiligdom omringd door vier kleinere —
is ontleend aan hindoeïstische architectuur,
maar hier toegepast in een boeddhistische context.
Dat maakt de tempel bijzonder:
hij laat zien hoe religieuze tradities in die tijd niet scherp gescheiden waren,
maar elkaar beïnvloedden en verrijkten.
De overgebleven sokkels en zuilen tonen nog fragmenten
van sierlijke reliëfs en vormen een echo van die gedeelde devotie.
Vandaag is de plek grotendeels een archeologische ruïne,
maar de verering leeft voort.
Op sommige stenen zie je dunne goudfolie
— aangebracht door pelgrims, vaak uit Japan, als teken van eerbied.
Die glanzende restjes verbinden het verleden met het heden:
oude steen en levende devotie raken elkaar,
precies zoals de tempel ooit verschillende geloofstradities samenbracht.
Boeddha’s Gupta aanwezigheid
Mulagandha Kuti wordt in de overlevering genoemd
als de plek waar de Boeddha in Sarnath in meditatie zat.
Van de oorspronkelijke tempel is nu vooral de structuur nog zichtbaar:
een zware, uit rots gehouwen basis,
daarboven lagen van baksteen die ooit een hoge bovenbouw droegen.
Die combinatie van massieve steen en verfijnder metselwerk
is kenmerkend voor de Gupta‑periode,
waarin boeddhistische architectuur zich ontwikkelde
van eenvoudige heiligdommen naar meer uitgewerkte tempels.
Volgens de Chinese pelgrim Hiuen‑Tsang was Mulagandha Kuti ooit
een indrukwekkend bouwwerk van grote hoogte,
maar vandaag blijft vooral de stilte van de stenen over.
Juist die soberheid maakt voelbaar hoe de plek ooit werd ervaren:
niet door monumentale vorm,
maar door de concentratie en rust
die men aan de Boeddha’s aanwezigheid verbond.
Keizerlijke steun voor de Dharma
In Sarnath zijn de sporen van keizer Ashoka’s aanwezigheid nog tastbaar
— niet in paleizen of trofeeën, maar in ondersteunende stenen.
Tijdens de Maurya‑dynastie (4e–3e eeuw v.Chr.),
het eerste grote rijk van het Indiase subcontinent,
kreeg het boeddhisme voor het eerst koninklijke bescherming.
Dat zie je terug in de gladgepolijste Chunar‑zandsteen
van de Maurya‑balustrade en in de fragmenten van de Ashoka‑pilaar:
beide dragen de kenmerkende “Mauryan polish”,
een glans die zuiverheid en keizerlijke zorg voor de Dharma uitdrukte.
Ashoka liet zuilen oprichten op plaatsen waar hij
een morele of religieuze boodschap wilde verankeren
— soms langs wegen, soms bij administratieve centra,
en op enkele plekken die verbonden waren met het leven van de Boeddha.
De pilaar in Sarnath, ooit bekroond met de vier leeuwen
die nu het nationale symbool van India vormen,
stond naast de reliekstupa — geloof en macht in één gebaar van steen.
Samen tonen de zuil en de balustrade hoe het boeddhisme
in de derde eeuw v.Chr. niet alleen een spirituele leer was,
maar ook een keizerlijk project:
een boodschap van eenheid, gevat in gepolijste zandsteen.
Een boeket aardewerk bij de thee en nog een paar dingen
Dit is het derde en laatste bericht over de Collectie Anders
Die ik zag in het Groninger Museum.
De beschrijvingen van het aardewerk neemt aspecten als
decoratie of gebruik vaak niet mee.
Gevolg is dat veel beschrijvingen, ondanks hun lengte, identiek zijn.
Dat maakt het, zelfs met de bijgeleverde plattegrond,
moeilijk met zekerheid te zeggen of de stukken Japans of Chinees zijn.
Dat geldt dus ook voor de andere gegevens.
Ik heb wel twee foto’s van de opstelling gemaakt
omdat ik de vijvervorm voor de vissen grappig vond.
Verso – de filosofie achter het drieluik
De twee eerdere berichten over de tentoonstelling
Verso, Tales from the Other Side in Kunstmuseum Basel
draaiden vooral om mijn foto’s van kunstwerken.
Drieluiken om precies te zijn.
De ‘achterzijdes’ van de vleugels waren niet zomaar onbelangrijke panelen.
Ze waren voor de gelovigen in de kerk voor het grootste deel van het jaar
de enige voorstelling die men kon zien van het drieluik.
Dat ervaar je niet iedere keer als je een drieluik ziet.
Niet ieder museum vertelt dat verhaal bij hun drieluiken.
Op de tentoonstelling werd de filosofie achter de opbouw
van een drieluik nog eens helder opgeschreven.
Helaas was er bij de tentoonstelling geen catalogus.
We moeten het doen met mijn foto’s en de website van Kunstmuseum Basel.
Daarom bevat dit bericht vooral zaalteksten.
Het vervolg van de tentoonstelling gaat in op de samenwerking
tussen schilders en andere handwerklieden
en hoe schilders probeerden de oude verhalen naar de eigen tijd te halen.
India 24/25: Varanasi, dag 2 – Ganga Aarti
– over een ceremonie aan de Ganges en de toeschouwers –
Indrukwekkend.
Al die mensen, Hindoebedevaartgangers en westerse toeristen,
verkopers van offers, gidsen, priesters, verhuurders van boten en
verkopers van souvenirs.
Mensen op trappen, in boten en aan de kant; in een stoel of op de stenen.
Een bruidspaar.
Geluid, muziek, gepraat, geroezemoes, wierook, zingen, licht.
Allemaal door elkaar, maar ook allemaal geconcentreerd op het ritueel.
De Ganga Aarti in Varanasi.
Collectie Anders, deel 2
Binnenkort het derde en laatste deel van de tentoonstelling in het Groninger Museum: Draken & Demonen – 5000 jaar Aziatische keramiek uit de Collectie Anders.
Platte peterselie
Platter peterselie is wel het soepkruid bij uitstek.
Het was dan ook de basis voor de soep van afgelopen week:
kikkererwten-tomaat-soep.
De soep is snel te maken, de tonaat en kippererwten komen uit blik.
De smaak is super.
Pindakaasvloer
De weekendkranten (donderdag, vrijdag en zaterdag)
lees ik altijd een paar weken later.
Dan kun je veel achterhaald nieuws meteen overslaan
en zijn veel andere berichten beter te plaatsen.
Zo las ik afgelopen weekend nog het volgende eerbetoon.
Collectie Anders (Collection Different)
Als je de titel zo leest, zonder verdere achtergrond,
dan klinkt het als een titel bedacht door een curator die het gevoel heeft
dat het hoog tijd is dat alles anders moet.
Weg met de gevestigde gewoontes,
alles moet fris, transparant, nieuw en open.
Het klinkt haast als een strijdkreet.
In werkelijkheid gaat het om de verzameling Aziatisch keramiek
van het echtpaar Georges Anders en Netty Bucher.
Een hele mooie, uitgebreide verzameling Chinees porselein
en aardewerk aangevuld met voorwerpen uit Japan en overig Azië.
De tentoonstelling begon in 2024 en loopt nog tot eind van deze maand.
Dus als je een gevoel wilt krijgen bij deze brede collectie
dan kun je nu nog naar het Groninger Museum.
Ze tonen ongeveer 250 stukken keramiek.
Soms probeer ik hier het verhaal van de curator te herhalen.
Ik doe dat dan met mijn selectie uit de aangeboden voorwerpen.
Voor de Collectie Anders doe ik het …anders.
Ik laat gewoon zien wat ik er mooi vond of mij opviel.
Soms vraag ik me af of de standaardisatie van objectbeschrijvingen
niet zijn doel voorbij schiet.
De standaardisatie heeft waarschijnlijk tot doel om een aantal kerngegevens
te verzamelen rond een object.
Die eigenschappen plaats je vervolgens in een afgesproken volgorde
en met min of meer vaste omschrijvingen.
Dus je legt de maker vast en als je die niet weet de cultuur of het land
waaruit het voorwerp afkomstig is,
de functie van het voorwerp,
wanneer het voorwerp gemaakt is,
en bijvoorbeeld waar het gevonden is of van wie je het verworven hebt.
Dat doe je dan bij voorkeur op zo’n manier dat je de methode kunt gebruiken bij
aardewerk, porselein, schilderijen, beelden en gebruiksvoorwerpen.
Maar het eerste doel lijkt me om het voorwerp te kunnen identificeren.
Binnen je collectie maar ook binnen het vakgebied.
Daar gaat het toch vaak mis.
In de collectie Anders zitten tenminste 3 keer 2 voorwerpen met dezelfde omschrijving:
Kom, Majiayao-cultuur en type, laat 4e of vroeg 3e millennium v. Chr. aardewerk, Gansu of Qinghai Provincie, China.
Verderop zag ik het nog een keer bij de Kendi
en bij porselein uit de Jingdezhen-ovens.
Moeten collecties zich niet verplichten om altijd
tot een samengestelde beschrijving te komen die uniek is?
Modern letterorgel
Het boekje van Nico Keuning gaat over de polemiek
in het schrijven van Jeroen Brouwers.
Laat ik maar meteen bekennen dat ik niet eerder iets
bewust gelezen heb van Jeroen Brouwers of Nico Keuning.
Maar een boekje over – plat gezegd – schelden op papier,
sprak me wel aan.
Keuning begint met een briefwisseling met Geert van Oorschot.
Brouwers staat dan nog aan het begin van de ontwikkeling van zijn schrijfstijl
waarin de ‘woordkunst, woordromantiek en woordwellust’ centraal staan.
Na Van Oorschot volgen nog een paar ‘slachtoffers’,
onder andere Rudy Kousbroek en Ronald Plasterk.
Aan het eind van het boek passeert Cliënt E. Busken als voorbeeld
van de richting waarin zijn schrijfstijl zich zou ontwikkelen.
Wat mij betreft is Nico Keuning erin geslaagd te beargumenteren
dat Brouwers de schrijver in evenwicht is gekomen
met Brouwers de polemist.
Het boekje heb ik met veel plezier gelezen en de scherpte
van een aantal boektitels wordt heel duidelijk:
Hamerstukken – met een foto van een pen vermomd als moker;
Restletsels – ‘op een taalrijke manier’;
Bezonken rood – ‘rood de kleur van de dood’.
En de foto op de omslag is daarbij opvallend goed getroffen.
In het boek wordt een film besproken waarop te zien is
dat Kousbroek werkt aan zijn antiek letterorgel.
U heeft hier het resultaat gelezen van mijn moderne letterorgel.
Hopelijk kunt u er iets mee…
Verso: Een drieluik zonder hart
Dat het centrale paneel ontbreekt
is natuurlijk het eerste wat je opvalt bij dit werk.
Zou het in de collectie-opstelling ook altijd worden opgesteld
zoals dat in de tentoonstelling gebeurde?
Maar los van het ontbrekende deel
— en de poging om op basis van de vleugels, hun voorstellingen
en de eerder getoonde drieluiken het programma van het centrale paneel
te reconstrueren —
vielen me nog wat dingen op:
De plooien in de kleding lijken door techniek
en minder door waarneming tot stand gekomen te zijn.
Op sommige plaatsen leidt dat tot vreemde kronkels in de stof.
Terwijl op andere plaatsen, zoals de rode doek om de hals van Jozef
bij de Flight into Egypt, het effect best het idee van een windvlaag oproept.
Op de Adoration of the shepherds was ik op zoek naar Jozef.
De verdwaald aandoende, kabouterachtige figuur op de achtergrond
lijkt nog het meest op de Jozef op de Flight into Egypt.
Op vlucht naar Egypte lopen Jozef en Maria op dit drieluik het drieluik uit (naar rechts).
Op het eerste drieluik in deze serie liepen ze juist de andere kant op,
het schilderij in.
Maria staat drie keer afgebeeld op deze vleugels:
als de verbaasde (?) aanstaande moeder
als trotse moeder die haar kind toont aan de herders
als vluchtende moeder onderweg naar Egypte (de scene is schrijnend actueel).
Maar de aanstaande moeder lijkt me een heel andere vrouw.
Ik heb een fotografische reconstructie gemaakt van de gesloten vleugels
om zo de Annunciation volledig te zien.
Maria en de engel Gabriel lijken elkaar wel aan te kijken.
Maar het interieur van de twee panelen lijkt niet op elkaar afgestemd,
hoewel de tegelvloer wel kan aansluiten.
Kijk zelf ook eens naar deze twee vleugels.
Ooit waren ze één drieluik met het nu verdwenen of onbekende centrale deel.
Je kunt ze gemakkelijk voorbij lopen maar Verso scheen, in ieder geval voor mij,
een heel nieuw licht op de begeleiders van de centrale voorstelling.























































































































































































































