Vandaag mijn laatste bericht over de tentoonstelling Apocalys, vrees en hoop in het Huis van het Boek.
Huis van het Boek, Apocalyps, Müge Yilmaz, The adventures of Umay Ixa Kayakizi (with Elibelinde, Apkallu, Hecate and Pitrak), 2021 – 2026, verschillende materialen.
Les Epistres de St Paul, Mons, 1697.
Hartmann Schedel, Liber Chronicarum, Neurenberg, Anton Koberger voor Sebald Schreyer en Sebastiaan Kammermeister, 23 december 1493.
De hoop: de hemelpoort met Petrus die daarvan de sleutel vasthoudt.
Interessant bladnummer boven aan de pagina.
Een bijzonder beeld…
Christus met zwaard en lelie
In de Liber Chronicarum van 1493 verschijnt een opmerkelijk en zeldzaam beeld: het hoofd van Christus met een zwaard aan de ene kant en een lelietak aan de andere. Deze combinatie komt nauwelijks voor in de christelijke iconografie. Het zwaard staat voor gerechtigheid en oordeel, de lelie voor zuiverheid en genade. Samen vormen ze een visuele spanning die de dubbele aard van Christus samenvat: rechter én verlosser.
De Neurenbergse werkplaats van Wolgemut en Pleydenwurff lijkt hier een eigen, theologisch geladen vondst te hebben gedaan —een beeld dat binnen de apocalyptische context van Schedels kroniek een uitzonderlijke, bijna emblematische kracht krijgt.
Afbeeldinge en beschrijvinge van de drie aenmerckens-waerdige wonderen in den jare 1664 ’t Amsterdam en daer ontrent voorgevallen, Amsterdam, Marcus Doornick, 1664.
Het wonder van de ‘vuurighe staert-ster’.
Simon de Vries, Algemeene historische gedenk-boeken der voornaemste uytgeleesenste weereldlycke en kercklycke geschiedenissen, Leiden, Pieter vander Aa, 1698.
De aardbeving in Ragusa (huidige Dubrovnik, Kroatië).
Augustinus, La Cité de Dieu, handschrift, Parijs, circa 1410 – 1412.
Johannes Mashego Segogela, Transformation of the Devil, 1990 – 1994, hout, verf, glas, draad en metaal.
Deze drie titels lieten even op zich wachten. Niet dat ik ze niet al een paar dagen geleden had uitgelezen. Maar de warmte gaf me onvoldoende energie om ze te beschrijven. Ik las liever nog even door in het volgende boekje.
Het zijn drie titels:
Het wilgenpatroon (The willow pattern)
Moord in Canton (Murder in Canton)
Nacht van de tijger (The night of the tiger)
Maar eigenlijk zijn het vier boeken: Het wilgenpatroon en Moord in Canton zijn volledige Rechter Tie-romans. Elk met drie verhalen die kunstig in elkaar verweven zijn. Dat zijn twee boeken. Nacht van de tijger is slechts één kort Rechter Tie-verhaal. Daar is de tekst Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk aan toegevoegd. Deze tekst van Janwillem van de Wetering is ook als zelfstandige titel verkrijgbaar. Nacht van de tijger bestaat dus uit nog eens 2 boekjes.
Het Wilgenpatroon
Van Gulik gaat in zijn nawoord nog even in op het wilgenpatroon. Hij kiest bewust voor dit patroon als een thema in zijn roman. Hij geeft aan dat te doen vanwege de hoge herkenbaarheid ervan in het westen als “Chinees”. Dit porseleinmotief werd pas in de 18e eeuw ontworpen in Engeland. Een Engels bedacht motief in ouder en modern Europees porselein dat voor het westen het idee van China oproept. Terwijl het in China het verhaal vertelt, van motieven afkomstig uit het westen die een plaats krijgen in Chinese porseleinproductie voor de westerse markt.
Rechter Tie is in dit boek president van het hooggerechtshof. In de hoofdstad heerst een dodelijke epidemie. Alle mensen die kunnen hebben de stad verlaten en zijn de bergen ingegaan. De keizer en het hof ook. Rechter Tie is tijdelijk aangesteld tot gouverneur van de stad. Hij moet het opruimen van de doden organiseren en de rust handhaven. Met Ma Joeng en Tsjao Tai lost hij ook nog drie zaken op.
Moord in Canton
Dit is de roman die het dichtst bij keizerlijke paleisintriges komt. Daar had ik wel naar uitgezien. Maar in deze roman verplaatst het plot zich naar Canton (Guangzhou). Het geeft Van Gulik de kans om de lezers bekend te maken met de handel tussen het Midden Oosten en China. Een soort parallel met de handel tussen het westen en China die voor een groot deel ook via Canton verliep.
Van Gulik begrijpt mijn interesse in de paleisintriges wel want hij verwijst in zijn nawoord naar de historische roman van Lin Yutang: Lady Wu, keizerin zonder geweten. Tot nu toe heb ik van deze titel nog geen leverbaar exemplaar kunnen vinden. Overigens lijkt Lin Yutang nog meer interessante titels te hebben geschreven: The wisdom of India (net gekocht).
In het begin leest de detectiveroman haast als een reisgids met de kaart, de waterklok en de bloemenpagode. Maar al snel neemt Rechter Tie je mee aan de hand. Nou ja, aan de hand, het is voor het eerst in de serie Rechter Tie-verhalen dat de rechter bijna radeloos is. Ook de scherpe tegenstellingen tussen de Arabische handelaren, de originele lokale bevolking en de Chinese overheersers uit het noorden van China, nemen bij vlagen veel aandacht weg van het plot. Voeg daar aan toe dat Tsjao Tai een van de slachtoffers is in dit boek. Dat alles maakt dat het vervlechten van de verhalen minder slaagt. Het boek voelt onevenwichtiger dan veel van de andere titels.
Nacht van de tijger
De titel lijkt me ongelukkig gekozen. Er komt geen levende tijger voor in het verhaal. Ik vraag me ook af of het beeldje op de omslag (ontwerp Nico Dresmé) wel een tijger is. Het lijkt me meer een leeuw. Met regelmaat wordt het kunstvoorwerp dat als illustratie wordt gebruikt op de omslag ook benoemd in het colofon. Vaak lees je dan ook tot welke collectie het behoort. Maar dat ontbreekt in dit deeltje.
Het verhaal speelt zich af in één nacht, tegen een onheilspellend decor van een aanval op een fort waarin Rechter Tie zich bevindt. Tie lost alles op, zelfs de belegering, maar niet met de scherpte die we zo gewend zijn.
Het verhaal lijkt me te snel geschreven, er zijn teveel thema’s die wel worden genoemd maar niet tot volledige ontplooiing komen. Van de Wetering en de uitgeverij plaatsen de titel als laatste in de reeks terwijl in het nawoord Van Gulik expliciet aangeeft dat deze titel direct volgt op Nagels in Ning-tsjo. Alles om een extra titel te kunnen slijten. Jammer.
Met deze drie boeken komt een einde aan een hele periode van leesplezier. Half april begon ik met Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk. Vandaag rond ik het af door kort stil te staan bij de laatste drie deeltjes. Ik heb de deeltjes met veel plezier gelezen. De komende tijd zal ik proberen Lady Wu te bemachtigen maar in de tussentijd zullen er wel andere titels zijn waar ik me mee vermaak.
Ik ben het boek Anatomie van het atelier aan het lezen. Het is een weergave van een serie lezingen die de kunstenaar William Kentridge in het kader van de Slade Lectures, begin 2024 gaf aan de Universiteit van Oxford. William Kentridge is een witte Zuid-Afrikaan. Hij heeft zijn ateliers in Johannesburg.
Tip: Als je het boek wilt lezen helpt het als je werk van William Kentridge gezien hebt. Het boek is ruim voorzien van afbeeldingen, maar de relatie tekst - afbeelding is door de lezer zelf in te vullen. Dan helpt het een beetje vertrouwd te zijn met zijn werk.
Zijn schrijfstijl is erg prettig: voor een kunstenaar redelijk eenvoudige taal, redelijk praktisch, in een bij vlagen poëtisch jasje:
Als je een tekening hebt, een landschap, bijvoorbeeld een landschap van Constable, kijken we er misschien drie seconden naar, of tien seconden, of zelfs een minuut. Maar dat zijn onze drie of tien seconden; dat is onze minuut. Maar zodra de tekening in beweging komt – het bewegen van gebladerte, een vogel die door de lucht vliegt – vindt er een verschuiving plaats. De zes seconden waarin de vogel voorbijkomt, behoren toe aan het beeld.
Pagina 38-39.
De titel van dit bericht is uit het voorwoord door Alfred Schaffer. Het is nog een voorbeeld van de sfeer van het boek. De vertaling van het boek door Anna Helmers-Dieleman draagt ook zeker bij aan de leesbaarheid.
Ik heb nu het eerste hoofdstuk gelezen: Dat wat ik getekend heb. Daarbij heb ik wel hulp nodig gehad om alles te begrijpen wat Kentridge wil zeggen. Ik los dat op door met Copilot ‘in gesprek’ te gaan over het boek. Zo heb ik gisteravond nog lang vragen gesteld rond de laatste zin van het hoofdstuk:
Maar de tekeningen en films die ontstaan, zijn niet het tegendeel of het gevilde skelet, maar eerder een fragment ervan, dat wordt geprojecteerd door zijn verlichte schaduw.
Pagina 42.
Tip: Het boek lijkt me bij uitstek geschikt om als groep studenten of kunstgeïnteresseerden te lezen. Dan kun je elkaar ondersteunen bij het vinden van de kapstokken in de tekst die voor jouw verduidelijking nodig zijn. Soms zul je zo'n kapstok helemaal niet snappen en soms denk je dat je het snapt, maar dan blijkt het toch anders te kunnen. Bij uitstek geschikt voor dialoog.
Het is zeker niet alleen verhelderend voor mensen met een beroep in de beeldende kunsten. Het is interessant voor iedereen die zich soms vragen stelt over kunst in de meest brede zin van het woord.
Tijd om weer verder te gaan met lezen. Mocht je besluiten het boek ook op te pakken dan veel plezier ermee en misschien kun je laten weten hoe je het ervaart.
William Kentridge, Anatomie van het atelier. Uitgeverij Cossee.
Huis van het Boek, Apocalyps, Hal Lindsey, The late great planet earth, 1970.
Frans Masereel, Debout les Morts, Geneve, Albert Kundig, 1917.
Yubin Lee, Being of Saerang-i, 2023 – 2026, gouache en octopusinkt op hanjipapier.
Huis van het Boek, Apocalyps, Susanne Inglada, Way Out IV, 2025, houtskool, acrylverf en pastel op papier.
Hans Feibusch, The revelation of Saint John the Divine, Londen, Collins, 1946.
Kort beworp vande dry teghenwoordighe aenmerckens-weerdighe wonderheden des wereldts, Keulen, Jan van Souffenborgh, 1656.
Warachtighe beschrijvinghe ende levendighe afbeeldinghe van de meer dan onmenschelijcke ende barbarische tyrannije bedreven by de Spaengiaerden inde Nederlanden, 1621.
Tieleman Jansz. van Braght, Het bloedig tooneel of martelaers spiegel der Doops-gesinde of weereloose Christenen, Amsterdam, H. Sweerts, 1685.
Herinneringscentrum Kamp Westerbork, De 102.000 namen, Den Haag, Boom Uitgevers, 2018.
Lana Mesiĉ, Fainah and Camille uit de serie ‘Anatomy of Forgiveness, 2014, Hahnemühle Photorag Print.
Robert van Gulik, …, schreef Nagels in Ning-Tsjo in Beiroet, gedurende de zomer van 1958. De Libanon was weer eens in rep en roep en de burgeroorlog had zich tot de voorsteden van Beiroet verspreid maar Van Gulik was onze gevolmachtigde minister voor het Midden-Oosten en er werd van hem verwacht dat hij op zijn post zou blijven. Alleen, zijn familie was al enige tijd geëvacueerd, woonde hij in zijn met zandzakken gebarricadeerde huis en amuseerde zich met het op schrift stellen van de lotgevallen van zijn held, Rechter Tie.
Helaas is de inleiding van Nagels in Ning-Tsjo van een ongepaste luchtigheid die je vaker tegenkomt als er in het westen gesproken wordt over gewelddadige conflicten ergens in de wereld. Een soort van neokoloniale houding.
Robert van Gulik, Nagels in Ning-Tsjo. De omslag valt een beetje uit de toon omdat er deze keer geen mooi, oud, Chinees voorwerp te zien is.
Het is intussen 2026, achtenzestig jaar later, en er vallen nog iedere dag slachtoffers in Libanon. Dit jaar door Israël.
Iemand (LV?) tekende aan, het boek gelezen te hebben in 1981. Ik heb me aangesloten bij de gewoonte dit te vermelden.
Ook in deze Rechter Tie-roman lost Tie meerdere moorden op. Het boek in zijn geheel eindigt in een enorme climax waarbij de carrière van Rechter Tie zowel op het spel staat als nieuwe hoogtes bereikt.
In veel deeltjes heeft Van Gulik een stadsplattegrond opgenomen om het voor de lezer eenvoudiger te maken de verwikkelingen te volgen. Iedere keer moet ik naar het stadscentrum van Xi’an denken dat nog steeds een ommuurd, rechthoekig plan heeft.
Helaas is Het Onthoofde Lijk een complex verhaal dat tegelijk elementen bevat die wel erg onwaarschijnlijk zijn. We zien dat ook bij De Vermoorde Koopman maar daar zet Van Gulik deze zwakte om in een heel sterk slot. De nieuwe benoeming wordt dan de kers op de taart.
30/06/2026 Ik ben helemaal vergeten te vermelden dat in Nagels in Ning-Tsjo wachtmeester Hoeng Liang vermoord wordt. Deze oudste en trouwe raadgever van Rechter Tie. Hoeng werkte al voor de familie van Rechter Tie toen Tie nog een klein kind was. Zijn overlijden krijgt maar een mager plaatsje in deze detectiveroman.
Er lag iets op de rand van de oude put waar ze zwijgend naar bleef staren. Geen zuchtje wind bewoog in de bomen en de vochtige, hete lucht in de donkere tempeltuin was benauwend. Een paar amandelbloesems dwarrelden neer van de uitstekende takken boven hun hoofd. Ze leken heel wit in het licht van de lantaarn, en nog witter toen ze in de bloedplas op de verweerde stenen vielen.
Nou, dat is een manier om een detective te beginnen. Het spook in de tempel is wederom een complex verhaal. Een hele reeks moorden en verdwijningen die in het begin niets met elkaar te maken lijken te hebben. Maar naar het einde toe blijken de verdwijningen ook moorden. Er worden zelfs moordenaars vermoord.
Toch is het verhaal op zijn best een middenmoter. Het verhaal lijkt vertrokken van een heel goed plan maar bij het uitschrijven zijn sommige delen te weinig tot zijn recht gekomen. In het voorlaatste hoofdstuk brengt de rechter alle mogelijke betrokkenen bij elkaar. Dat doet hij buiten de rechtbank, meestal kiest Van Gulik voor de rechtbank als decor voor de oplossing. Voor de mogelijke hoofdrolspelers verloopt dat hoofdstuk naar tevredenheid (in zoverre je daarvan kunt spreken als je slachtoffer bent van een misdrijf). Maar voor de lezer staan nog wel wat punten open. Die worden in het laatste hoofdstuk opgelost. Maar het gevoel bij deze werkwijze is er een van haast.
In het Naschrift schrijft Van Gulik:
‘De nieuwe esoterische secte van het Boeddhisme waar in dit boek herhaaldelijk over gesproken wordt, is het Tantrisme, dat destijds in India en daarbuiten heeft gebloeid’
Teleurstellend is de manier waarop Van Gulik die belofte van ‘herhaaldelijk bespreken’ probeert in te vullen.
Hoewel Van Gulik in Het spook in de tempel nadrukkelijk verwijst naar het tantrisme als een “uit India afkomstige esoterische sekte”, is dat beeld inmiddels door de moderne sinologie sterk bijgesteld. Waar hij het tantrisme vooral inzet als exotisch element — een manier om een tempel, een monnik of een ritueel een zweem van vreemdheid te geven — laten recente studies zien dat de werkelijkheid in de Tang‑tijd veel complexer en vooral veel Chinees‑eigener was dan zijn naschrift suggereert. Het esoterisch boeddhisme kwam weliswaar via Indiase meesters naar China, maar het wortelde er snel en diep, en ontwikkelde zich tot een hybride traditie waarin Indiase rituele methodes en Chinese religieuze praktijken elkaar beïnvloedden. Het was geen geïsoleerde, uitheemse stroming, maar een levendige mengvorm die zich aanpaste aan Chinese rituele logica, staatsceremonies en lokale culten.
Ook het beeld van “Indiase architectuur” dat Van Gulik herhaaldelijk oproept, blijkt bij nader inzien vooral een echo van oudere westerse sinologie. Chinese tantrische tempels waren in hun bouwstijl vrijwel altijd Chinees, met houten constructies, daklijnen en plattegronden die passen binnen de eigen architectonische traditie. Alleen de iconografie en rituele inrichting droegen sporen van Indiase oorsprong. De nadruk die Van Gulik legt op het uitheemse karakter van de tempel — alsof de hele structuur uit India is overgewaaid — weerspiegelt eerder een negentiende‑eeuws idee van “oosterse mystiek” dan de historische werkelijkheid.
Daarmee hangt samen dat tantrisme in de Tang‑tijd allerminst een marginale of verdachte randreligie was. Integendeel: het speelde een centrale rol aan het hof, waar figuren als Amoghavajra politieke invloed uitoefenden en rituelen uitvoerden voor staatsbescherming, diplomatie en militaire doeleinden. Het esoterisch boeddhisme was geen geheimzinnige sekte, maar een vorm van religieuze machtspolitiek die nauw verweven was met de elitecultuur. Dat Van Gulik het in zijn verhaal vooral koppelt aan bedrog, gevaar en misleiding, zegt meer over zijn literaire voorkeuren dan over de historische positie van deze traditie.
De moderne sinologie benadrukt bovendien dat China niet slechts een ontvanger was van Indiase ideeën, maar ook een producent van nieuwe tantrische vormen. Chinese monniken schreven eigen esoterische teksten, ontwikkelden rituelen die in India onbekend waren en combineerden tantrische concepten met yin‑yang‑denken, vijf‑fasenleer en daoïstische rituele magie. Het tantrisme werd zo een Chinese innovatie, niet alleen een importproduct. In dat licht krijgt Van Guliks herhaalde verwijzing naar India iets eenzijdigs: hij ziet vooral de oorsprong, niet de transformatie.
Dat alles maakt duidelijk waarom zijn naschrift vandaag de dag wat vreemd aanvoelt. Hij presenteert het tantrisme als een exotisch element dat “herhaaldelijk” in het verhaal voorkomt, maar in de roman zelf blijft het vooral decor. De verwijzingen naar India versterken dat exotische effect, maar sluiten niet aan bij wat we nu weten over de manier waarop esoterisch boeddhisme in China functioneerde. Het is een beeld dat inmiddels is ingehaald door onderzoek: historisch begrijpelijk vanuit zijn tijd, literair effectief, maar wetenschappelijk te smal.
Robert van Gulik, Het spook in de tempel.
Hoewel de Nederlandse titel Het spook in de tempel inmiddels vertrouwd klinkt binnen de Tie‑reeks, blijft het eigenlijk een merkwaardige vertaling van The Phantom of the Temple. Het Engelse phantom suggereert iets ongrijpbaars, een verschijning die even goed illusie als werkelijkheid kan zijn, terwijl spook in het Nederlands veel concreter en bijna kinderlijk aandoet. Een titel als De tempelverschijning zou dichter bij de sfeer van het origineel liggen: subtieler, minder folkloristisch, en beter passend bij de ambiguïteit die Van Gulik in het verhaal zelf probeert op te roepen. Want, spoiler, het spook is geen geest.
De Openbaring van Johannes heeft schrijvers door de eeuwen heen op vreemde gedachten gebracht. Het lijkt wel of Hegseth, Rubio en Vance, dit soort gedachten nog iedere nacht hebben. De originele tekst is niet heel duidelijk en laat veel ruimte voor interpretatie. Ook de auteur staat niet vast. Daar maken mensen grif gebruik van. Het kan niet bloederig genoeg en er wordt niet op een moord meer of minder gekeken. Zelfs de onschuld zelve, de maagd Maria, gaat er op uit om te doden.
Is het lam wel zo onschuldig?
Huis van het Boek, Apocalyps, Afbeeldingen van de Meester van Catharina van Kleef, getijden- en gebedenboek, handschrift, Utrecht, circa 1438.
Bijbel, Nederduits, Keulen, Bartholomaeus de Unkel en Heinrich Quentell voor Johann Helman en Arnold Salmonster in Keulen en Anton Koberger in Neurenberg, circa 1478 – 1479.
Speculum humanae salvationis, handschrift, Keulen, circa 1450 – Maria verplettert de duivel.
Judith en Holofernes.
Jaël vermoordt Sisera.
Carolein Smit, Lam op het boek met zeven zegels, 2026, keramiek met glazuur en goudluster.
— over hoe drie kleine verwijzingen naar Khotan mijn lezing van Labyrinth in Lan‑Fang verdiepen —
Khotan wordt een paar keer genoemd in Labyrint in Lan-Fang. Vermoedelijk is dat een poging om deze standplaats van Rechter Tie geografisch te duiden. Lan-Fang is geen historische plaatsnaam van een Chinese grensplaats in het westen van China rond 650 na Christus.
Er bestond wel een Republiek Lanfang (蘭芳共和國 Lánfāng Gònghéguó) van 1777 tot 1884 in het huidige West‑Kalimantan (Indonesië). Dat was een Chinese gemeenschap van mijnwerkers en handelaren buiten China. Een historisch opmerkelijke situatie.
Waarschijnlijk gebruikt Van Gulik die naam omdat het een echte historische naam was, bekend bij sinologen van zijn tijd. Ook omdat die authentiek Chinees klinkt, maar vrij inzetbaar is voor fictie. Het gaf hem de gelegenheid vanuit een Chinees perspectief een sfeer te creëren, typisch voor een betwiste grensstreek zonder de historische ballast van de naam van een bestaande plaats.
Robert van Gulik, Labyrinth in Lan-Fang, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.
Khotan wordt al genoemd op pagina 26
Nog tot voor enkele jaren liep de weg naar Khotan en de andere schatplichtige koninkrijken in het westen door Lan-fang en deze stad was toen een belangrijke stapelmarkt. Maar toen zijn drie oasen langs de woestijnweg opgedroogd en de handelsweg verlegde zich een honderd mijl naar het noorden.
Van Gulik verwijst hier duidelijk naar de Zijderoute.
Hoe liep de zuidelijke Zijderoute
Langs de zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn volgden karavanen die China verlieten een reeks oases die als veilige rustpunten door de woestijn slingerden. Vanuit het oostelijke Miran, met zijn Kushan‑invloeden en kleurrijke muurschilderingen, trokken reizigers westwaarts langs kleinere nederzettingen als Karadong en Endere, plaatsen die bloeiden zolang hun rivieren water voerden en die even snel weer verdwenen wanneer de bedding verschoof. Verderop lag Niya, ooit een levendige gemeenschap waarvan houten documenten en huisraad nu de stille sporen vormen van een oase die door uitdroging werd verlaten. Daarna bereikte men Keriya, een oase die afhankelijk was van een grillige rivier die periodes van voorspoed en verval afwisselde. De route voerde vervolgens naar Yotkan, de oude hoofdstad van het koninkrijk Khotan, waar handelaren en ambachtslieden samenkwamen. Uiteindelijk eindigde de zuidelijke route in het machtige Khotan zelf, beroemd om zijn jade‑rivieren en boeddhistische kloosters, en eeuwenlang het belangrijkste knooppunt voor wie verder wilde reizen naar de oases en steden voorbij de Pamirs, richting het gebied van Samarkand en Buchara.
Khotan wordt ook genoemd op pagina 82 en toont meteen dat ook Rechter Tie zo zijn blinde vlekken heeft:
Woe keek naar zijn schilderijen op de muur. ‘Vijf jaar geleden,’ antwoordde hij, ‘deed ik het eerste kandidaatsexamen. Tot teleurstelling van mijn vader besloot ik mijn studie af te breken en mij geheel aan het schilderen te wijden. Ik werkte onder twee beroemde meesters in de hoofdstad, maar hun stijl lag mij niet.
Twee jaar geleden ontmoette ik toevallig een monnik die helemaal uit Khotan afkomstig was, het schatplichtig koninkrijk in het verre westen. Die man liet mij zijn stijl van schilderen zien, vol leven en felle kleuren. Ik besefte toen, dat onze Chinese kunstenaars die stijl moesten bestuderen om onze nationale kunst te vernieuwen. Ik dacht dat ik misschien een baanbreker kon worden en besloot zelf naar Khotan te trekken.’
‘Persoonlijk ben ik van mening,’merkte de rechter droog op, ‘dat onze nationale kunst volkomen bevredigend is en het ontgaat me wat een barbaars en vreemd volk ons nog kan leren. Maar ik wil niet beweren dat ik een kenner ben. Gaat u door!’
In deze korte dialoog tussen Woe en Rechter Tie laat Van Gulik mooi zien hoe de Tang‑wereld niet alleen een Chinees decor is, maar een kruispunt van culturen. De jonge schilder die zich laat inspireren door een Khotanese monnik staat voor de openheid en nieuwsgierigheid die de Zijderoute mogelijk maakte: ideeën, kleuren en stijlen reisden net zo goed mee als zijde en jade.
Tie’s droge afwijzing — half ironisch, half oprecht — weerspiegelt juist de zelfverzekerde blik van een Confuciaanse magistraat die de Chinese kunst als maat der dingen ziet. Precies in dat spanningsveld, tussen vernieuwing van buiten en de zekerheid van binnen, situeert Van Gulik zijn wereld: historisch geloofwaardig, licht gefictionaliseerd, en altijd gevoed door de stille bewegingen van uitwisseling langs de randen van het rijk.
Dan komt Khotan nog een derde keer in beeld, op pagina 123:
Vele jaren geleden, toen de weg naar het westen nog door deze stad leidde, hebben monniken uit Khotan die tempel gebouwd. Later hebben ze die weer verlaten. De tempel raakte in verval, bewoners uit de buurt haalden de deuren en ander houtwerk weg als brandhout. Maar de prachtige muurschilderingen, door de monniken gemaakt, zijn gebleven.
In de derde passage duikt Khotan opnieuw op, ditmaal als de herkomst van een vervallen tempel waarvan alleen de muurschilderingen nog getuigen van een vroegere bloeitijd. Van Gulik gebruikt dit soort details om de Zijderoute een voelbare diepte te geven: monniken die ooit tot hier reisden, een tempel die gebouwd werd toen de handelsweg nog door de stad liep, en kunst die de tand des tijds beter doorstaat dan de mensen die haar maakten. Het is dezelfde beweging als in de eerdere scènes: Khotan verschijnt telkens als een verre bron van kleur, geloof en vakmanschap, een plek die ooit invloed uitoefende op het Chinese rijk maar nu vooral als echo aanwezig is. Zo verweeft Van Gulik fictie met historische resonantie en laat hij zien hoe culturele uitwisseling langs de randen van het rijk niet alleen handel bracht, maar ook kunst die blijft hangen, zelfs wanneer de route zelf allang is verschoven.
Het is vooral omdat ik de afgelopen tijd zelf bezig ben geweest met Khotan (Yotkan) door het werk van Aurél Stein, dat deze fragmenten me opvielen. Voor een andere lezer zal Labyrinth in Lan-Fang een spannende detective zijn. Tao Gan en Rechter Tie bespreken alle gebeurtenissen met elkaar:
Tao Gan schudde verbijsterd het hoofd. Met een diepe zucht zei hij: ‘Edelachtbare, het komt mij voor dat wij nog nooit tevoren met zo’n groot aantal ingewikkelde problemen tegelijk te maken hebben gehad!’
‘Oppervlakkig gezien lijkt dat zo,’ antwoordde de rechter, ‘Maar feitelijk waren het de plaatselijke omstandigheden die ons zo verward maakten. Nu de verstrikte draden geleidelijk aan ontknoopt raken, komt er een duidelijk patroon tevoorschijn. We hebben ten slotte maar drie werkelijke zaken. Ten eerste, de moord op Generaal Ting. Ten tweede, de zaak Yü contra Yü. Ten derde, de verdwijning van de dochter van Fang, Onze maatregelen tegen Tsjièn Mo, onze ontdekking van het plan van Yü Tsjie en de verklaring van de moord op bestuurder Pan vormen tenslotte d lokale achtergrond…’
Hoe je de zaken ook indeelt, voor mij zes complexe zaken, mooi door Van Gulik tot één verhaallijn geweven. Aan het eind vind Rechter Tie ook nog de richting die hij moet nemen uit zijn midlife-crises. Een verrassende afronding van een van de beste Rechter Tie-romans.
Nu heb ik nog vier titels te gaan in de reeks. Dan heb ik alle Rechter Tie-romans (opnieuw) gelezen.
Huis van het Boek, Apocalyps, Augustinus, La Cité de Dieu, handschrift, Parijs, circa 1475 – 1480.
De marges van het boek zijn ook mooi.
Hartmann Schedel, Liber Chronicarum, Neurenberg, Anton Koberger voor Sebald Schreyer en Sebastian Kammermeister, 12 juli 1493.
Het boek lag een beetje ingewikkeld om er mooi foto’s van te maken.
Het onderste deel van deze foto heb ik ‘schoongemaakt’ zodat de klauw goed zichtbaar is.
Jan van Raadt, Nieuwe Testament ofte alle boeken des Nieuwen Verbonds onses Heeren Jesu Christi, handschrift, 1695.
Gemaakt door een schoolmeester uit Terheijden, vlak bij Breda. Daar moest ik plaats voor maken.
Carolein Smit, De gevallen engel, 2025, keramiek met glazuur.
Stake Out, Daisy Madden-Wells, 2025, aquarel, beits en vernis op hout.
De parel van de Keizer is een van de beste Rechter Tie- verhalen.
Het is niet alleen een complexe detective met drie zaken,
het zet je er ook toe aan opnieuw na te denken over
hoelang je doorgaat met het verzamelen van feiten,
hoe snel je kunt overgaan tot het formuleren van theorieën
en hoe je vervolgens met de theorieën omgaat.
Het zijn overwegingen voor iedere rechercheur en politieagent
maar ook voor iedereen die een spreekbeurt moet houden,
een werkstuk moet maken, een project gaat realiseren
of een artikel wil schrijven.
Rechter Tie geeft in De parel van de Keizer
een inkijkje in dat proces bij hem.
Ik moet eerlijk bekennen dat een paar pagina’s voor het einde
van dit boek dit bericht in mijn hoofd er nog anders uitzag.
Maar zoals vaak heeft Van Gulik op het einde
nog een verrassing voor de lezer.
Wat ik op het laatste moment nog gewijzigd heb
kan ik niet vertellen zonder een deel van het verhaal te onthullen.
Dat ga ik natuurlijk niet doen.
Blijft over dat ik nog wil bewijzen hoe Rechter Tie (Van Gulik)
ons nog eens uitdaagt op het vlak van het verzamelen van feiten
en formuleren van mogelijke scenario’s.
Het komt heel duidelijk aan bod op pagina 125 en 126:
Rechter Tie at zijn middagrijst achter zijn schrijftafel gezeten. Hij proefde het eten nauwelijks, hij werd geheel in beslag genomen door de drie moorden. Ja, het onderzoek was nu op het beslissende keerpunt, eindelijk was dan de beweegreden van de moordenaar komen vast te staan. Hij overzag nog eens het snelle verloop van deze zaak. Hij was begonnen met aan te nemen, dat de drijfveer gelddorst was en dat de misdadiger uit was geweest op de parel en het goud. Daarna had hij gelddorst verworpen, omdat hij, jaloezie voor het voornaamste motief houdend, tot de slotsom was gekomen, dat het verhaal van de parel van de keizer alleen een verzinsel was geweest. En thans moet hij ook jaloezie schrappen – althans als voornaamste drijfveer – want nu was komen vast te staan, dat de drijfveer vóór alles was vrouwen te kwellen, onverschillig welke vrouw. Toch nam dat niet weg, dat daarnaast de secundaire elementen ook van belang bleven ter identificatie van de moordenaar; de gelddorst was gebleken uit het stelen van het goud en het knoeien met de weddenschappen, en evenzeer was er jaloezie in het spel.
Maar de voornaamste aanwijzing was de perverse drang van de misdadiger. Dat maakte het een lelijk geval. Want werden personen door die drang bezeten in hun plannen gedwarsboomd, dan zouden ze niet aarzelen tot geweldplegingen over te gaan en zich daarbij niet om de gevolgen bekommeren. Jet aantal verdachten was nu beperkt tot drie hem bekende personen en misschien nog een vierde, vooralsnog onbekende. Hij zuchtte.
Op pagina 145 zijn de ontwikkelingen alweer verder
en dan lezen we:
Na een lange tijd ging hij rechtop zitten en mompelde: “Ja, dat zou wel eens de oplossing kunnen zijn. Alles klopt. Behalve de hoofdzaak: een goede beweegreden!”
Hij leunde achterover in zijn stoel en overdacht de maatregelen, die hij nu zou moeten nemen. De verklaring die hem zo juist was ingevallen, scheen zeer aannemelijk, maar mocht hij handelen alleen op grond van een vaag gevoel? Moest een theorie gebaseerd op logische overwegingen niet de voorrang hebben op wat per slot van rekening slechts een ingeving was? Of kon hij misschien een plan opstellen, dat hem in staat zou stellen, zowel die ingeving als zijn logische gevolgtrekkingen te verifiëren, beide tegelijk? Diep in gedachten bleef hij zitten, werktuigelijk langs zijn lange zwarte baard strijkend.
Op pagina 196 komt dan de vaak twijfelende Confucianist Tie
nog even om de hoek:
Uit het bronzen wierookvat op het altaar stegen blauwe wolken op, hun scherpe geur vulde de kleine hal. Door de rook heen zag de rechter het gelaat van de godin, de lippen geplooid in een vage glimlach.
Hij vouwde zijn armen in zijn wijde mouwen en bleef daar staan, opziend naar het stille gelaat. Hij let de gebeurtenissen van de laatste twee dagen nog eens aan zijn geestesoog voorbijgaan. Er waren vreemde toevalligheden geweest. Maar mocht men eigenlijk ooit van een toeval spreken? Hoe bitter weinig wist hij van wat er in zijn medemensen omging. Hoe zou hij dan ooit aandurven te trachten de Hemelse Machten te begrijpen, die over hun lot beschikten? Hij sprak zacht: “Ge zijt slechts een beeld door mensenhand gemaakt. Maar ge zijt toch een symbool van alles wat wij niet weten, ons niet beschikt is te weten. En daarom buig ik me ootmoedig voor u neer.”
De taal is ouderwets maar de boodschap lijkt me nog springlevend.
Robert van Gulik, De Parel van de Keizer, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.
Huis van het Boek, Apocalyps, Getijdenboek, Parijs, Philippe Pigouchet voor Simon Vostre, 16 september 1498.
Ars moriendi, Leipzig, Conrad Kachelofen, circa 1495.
De vier uterste, Delft, Jacob Jacobszoon van der Meer, 25 maart 1486: De doot en spaert niemant.
Toen ik op de tentoonstelling was heb ik een tijdje gezocht naar de naam van de maker van deze schedel. Maar ik kn geen naam vinden. Copilot denkt dat het om een werk van Carolien Smit gaat net als de eerdere Witjeswand (The Warrior the Dog and the Goat). Maar hiervoor kon ik op de website van Carolien Smit geen bevestiging vinden.
Op de website van Drukwerk in de Marge
zag ik een aankondiging van een nieuw boekje.
Drukwerk in de Marge is een groep margedrukkers
in de meest brede zin van het woord.
Je ziet er mensen die de rol van uitgever vervullen,
die zoeken teksten, zorgen eventueel voor de vertaling,
voorzien het werk van een voorwoord of toelichting,
zoeken een drukker en binder en verkopen het resultaat.
Maar er zijn ook kunstenaars die graag met de hand
een of meerdere druktechnieken beheersen of onderzoeken,
die een onderwerp en een tekst bedenken en maken
en die een boek realiseren met oude persen
of een eenvoudige pers thuis in het atelier.
Tussen de uitgevers en drukkers zitten vele verschillende
beoefenaren van het ambacht van de boekdruk.
Sommigen verkopen hun resultaten via de website van
Drukwerk in de Marge, waar ook veel kennis te vinden is
over het vak.
Lies Prins is een van die mensen en haar boek
Zeepaardjes en wieren verscheen onlangs in een oplage
van zes exemplaren.
Ze legt zelf uit in dit briefje welke technieken ze gebruikt heeft
en wat de papiersoort van de omslag is.
Ik heb het al een paar keer in de hand gehad
en ik zie steeds weer nieuwe dingen.
Als Lies er net zo veel plezier heeft gehad bij het maken
als ik bij het lezen en doorbladeren,
dan hoop ik dat er nog veel projecten volgen.
Met Het Rode Paviljoen begint de tweede reeks van de Tie‑romans.
Na een eerste serie boeken bleef er onder lezers
een vraag naar meer titels.
Robert van Gulik ging daarop in met boeken waarin Tie
veel meer de centrale figuur is.
Robert van Gulik, Het Rode Paviljoen (The red paviljon).
Bij het oplossen van de zaken schakelt Tie
minder vaak al zijn helpers tegelijk in.
In het Rode Paviljoen bijvoorbeeld alleen Ma Joeng.
Hoewel dat gecompenseerd wordt door het opvoeren
van twee rechercheurs van de eilandbeheerder:
Krab en Sprot.
Van Gulik laat de hoofdstuktitels en ondertitels weg.
Dat is een element dat ik wel mis.
Het vooruit kunnen kijken
werkt voor mij motiverend om door te lezen.
In dit specifieke geval zijn er wel erg veel toevalligheden
en onwaarschijnlijkheden die het verloop bepalen.
Natuurlijk: als iets theoretisch kan gebeuren
zal het in de praktijk ook gebeuren.
Maar het wordt in dit boek wel erg theoretisch.
— over oefenen met restauratie voordat ik Serindia aanraak —
De kozo (restauratiepapier) heb ik al gekocht.
Maar ik wil niet meteen gaan knutselen aan Serindia.
Eerst wil ik ervaring opdoen met het herstellen en behouden
van stofomslagen en met het werken met kozo.
Pas als de eerste poging genoeg zelfvertrouwen geeft
ga ik de stofomslagen van Serindia herstellen.
Het heeft een paar dagen geduurd,
maar ik heb een set van drie boeken gevonden
die qua onderwerp en uitvoering heel bruikbaar voor me zijn.
Het gaat om:
Reginald Heber, Narrative of a Journey through the Upper Provinces of India from Calcutta to Bombay 1824–1825 with Notes upon Ceylon;
An Account of a Journey to Madras and the Southern Provinces 1826 and Letters written in India,
De boeken heb ik jaren geleden gekocht omdat Heber,
als bisschop van Calcutta
een aantal plaatsen in India bezocht heeft,
die ik ook wilde gaan bezoeken.
Korte stukken tekst van Heber heb ik toen,
samen met stukken uit de Lonely Planet,
verwerkt in het aantekenboek dat ik voor mezelf maakte.
Reginald Heber (21 April 1783 – 3 April 1826) was an English Anglican bishop, a man of letters, and hymn-writer. After 16 years as a country parson, he served as Bishop of Calcutta (Kolkata) until his death at the age of 42. The son of a rich landowner and cleric, Heber gained fame at the University of Oxford as a poet. After graduation he made an extended tour of Scandinavia, Russia and Central Europe. Ordained in 1807, he took over his father’s old parish, Hodnet, Shropshire. He also wrote hymns and general literature, including a study of the works of the 17th-century cleric Jeremy Taylor.
He was consecrated Bishop of Calcutta in October 1823.
The see of Calcutta had been established in 1814. It covered much of the Indian subcontinent and Ceylon (Sri Lanka), together with Australia and parts of southern Africa.
Stofomslagen in drie kleuren. Op iedere omslag stond het nummer van het boek in de serie. Op de omslag staat op een abstracte manier het noorden van India en met voetstapjes de route die Heber aflegde.
Mijn exemplaar bestaat uit 3 boeken, een reprint uit 1985.
Elk van de boeken heeft een stofomslag met eigen kleur.
De stofomslag vermeldt ook welk deel het boek is van de drie.
Eén van de omslagen is beschadigd en met plakband hersteld.
De stofomslagen bestaan uit een laagje papier en daarop
tekst en afbeelding en een soort folie ter bescherming.
Die folie wordt aan de randen zichtbaar
wanneer het afsnijden niet nauwkeurig is gebeurd.
Gelukkig zit het plakband aan de achterkant.
Het plakband heb ik voorzichtig weggehaald.
Ik heb de scheuren terug aan elkaar gelijmd met
kleine beetjes PVA (boekbinderslijm).
Dat is geen definitieve oplossing.
Het zorgt er hopelijk voor dat het papier niet verder inscheurt
terwijl ik met de stofomslag bezig ben.
Ik wil de stofomslag verstevigen met kozo
door die tegen de achterkant aan te brengen.
De scheuren moeten dan zoveel mogelijk
terug op hun oude plaats komen.
Druk op het papier van de stofomslag moet dan worden opgevangen
door de kozo.
De stofomslagen van delen 1 en 3 zijn niet gescheurd. Je ziet wel gebruikssporen. De boekbanden zijn niet echt stevig dus daar zit beweging in. Die beweging vertaalt zich naar stofomslag.Hopelijk zit daar voldoende ruimte zodat de versteviging die ik wil aanbrengen er niet voor zorgt dat de stofomslag niet meer past.
De plakband haal ik voorzichtig weg, stukje voor stukje. Dit is de kleine scheur in de stofomslag.
Dit is de grote scheur waar vouwen om ontstaan zijn. Vermoedelijk zijn de scheuren het gevolg van het verplaatsen en vervoeren van boeken.
Als je goed naar de randen van de scheur kijkt zie je wel waar die betreffende kant onder of boven de andere kant hoort te zitten.
Er is een stukje papier met kleur dat helemaal los is geraakt. Misschien kan ik dat nog gebruiken.
Randen met witte uiteindes horen aan de onderkant terecht te komen. Als een soort tussenoplossing lijm ik de randen, daar waar dat mogelijk is, weer aan elkaar.
De boeken zonder stofomslag. Je ziet ook dat de ruggen van de boeken niet heel sterk zijn.
Na de lijmpoging.
De kozo die ik kocht weegt 6 gram/m2, dat is heel licht.
De beschrijving van de website van Papier Royaal is:
Zeer dun papier voor restauratie.
Speciaal getint om te matchen met oude papieren.
De reden waarom ik dit papier gekozen heb,
is ook omdat het dun is,
en dus weinig ruimte vraagt in de stofomslag. Hopelijk.
— over het boek Moord op het Maanfeest van Robert van Gulik —
Opnieuw reiken de implicaties tot in de hoofdstad zelf.
Tijdens een bezoek aan zijn collega helpt Rechter Tie mee
een reeks duistere kwesties op te helderen.
Een deel van de motieven ligt in gebeurtenissen
achttien jaar eerder.
Aansluiten op een traditie.
Spitten in archieven.
Trotseren van volkswijsheden.
Laveren tussen notabelen.
Niets wordt Rechter Tie bespaard.
En dan toch nog geen overtuigend, sluitend bewijs.
Het komt uiteindelijk aan op psychologie
en op de samenloop — of juist de botsing — van karakters.
Het venijn zit hem deze keer in de vossenstaart.
De vertaling is deze keer niet van Robert van Gulik zelf maar van Ton Vervoort. De detective natuurlijk wel. Moord op het Maanfeest (Engels: Poets and Murder) met een inleiding van Janwillem van de Wetering.
De tentoonstelling in het Huis van het Boek
begint bij het boek Genesis: de schepping.
Maar het boek Genesis is een deel van een groter geheel
waar bijvoorbeeld ook de Openbaring van Johannes bij hoort.
De tentoonstelling neemt je aan de hand van boeken,
hun teksten en illustraties, en kunstwerken door het verhaal
van de Apocalyps.
Het neemt je mee van vrees naar hoop en omgekeerd.
Huis van het Boek, Apocalyps, Openbaring van Johannes, blokboek, tussen 1450 – 1465.
Bijbel, Antwerpen, Jacob van Liesvelt, 1542.
Getijdenboek, handschrift, Brugge, circa 1420 – 1430.
Ondermarge.
Brunon Podjaski, Koszmary w Bukowcu (Nachtmerries in Bukowiec), 1972, olieverf op doek. Collectie Willem en Ludmilla Otten-Owsiejczuk.
Afgelopen week liep ik door het centrum van Utrecht.
In de buurt van de Domtoren liep ik een boekenwinkel binnen
met Rechter Tie in mijn rugzak.
Terwijl ik de ramsj bekeek, zag ik een boek zonder
de bekende tekeningen van Marten Toonder.
Een detective.
Nooit geweten dat Argus, de rat die schrijft voor de Rommelbode,
een voorganger heeft gekend.
Tim MacNab is journalist voor de Chicago Daily News en
een van de passagiers op de S.S. Wega.
Als er moorden onderweg worden gepleegd, treedt hij op
als detective, de man met ervaring.
Zoals in Murder on the Orient Express (1934)
en Death on the Nile (1937)
zijn alle slachtoffers en verdachten aan boord.
Ze kunnen geen kant op.
Marten Toonder, Tim MacNab zoekt kopij.
Het is een aardig verhaal met een ingewikkeld complot
maar met karakters die net niet tot leven komen.
De titel? Tim MacNab zoekt kopij.
Een heel herkenbaar probleem…
Verrast Rechter Tie bijna altijd?
Nou, in ieder geval vaak genoeg dat het me ook nu weer opviel.
Op mijn blog was al te zien dat ik Klokken van Kao-Yang las.
Intussen is dat verhaal uitgelezen.
Een goed verhaal, maar niet het sterkste.
Ook Robert van Gulik trapt in de val waar veel schrijvers inlopen.
Laat in het verhaal worden er feiten aangevoerd
die voor de lezer tot dan toe onbekend waren.
In Klokken van Kao-Yang gaat het niet om beslissende informatie
maar in een van de zijplots wordt halverwege het verhaal ineens informatie verstrekt over staatseigendom van landerijen.
Die informatie was eerder onbekend en ontbreekt ook
op de meegeleverde plattegrond.
Maar in De Klokken van Kao‑Yang toont Tie zich ook
een moderne profiler:
hij vindt de dader niet door harde feiten alleen,
maar door een psychologisch profiel op te stellen
— en legt zijn methode rustig uit aan zijn volgers.
Robert van Gulik, Halssnoer en Kalebas met een inleiding van Janwillem van de Wetering. Een uitgave van Elsevier.
Volgens Janwillem van de Wetering is Halssnoer en Kalebas
een bijzonder verhaal. Dat blijkt te kloppen.
Rechter Tie is alleen op pad;
zijn helpers zijn druk met andere zaken.
Van Gulik grijpt de kans aan om de lezer meer
te informeren over de superspeurder dan hij doorgaans doet.
Er kan zo een hechtere band tussen Tie en de lezers groeien.
Terwijl Tie voor zijn omstanders in Rivierstad anoniem moet blijven.
De rivier komt steeds terug in het verhaal maar
het geeft zijn geheimen moeilijk prijs.
Terwijl men op de rivier meer dan alleen vis aan de haak
probeert te slaan.
Tegelijk zien we dat Rechter Tie steeds hogerop
in de staatshiërarchie zichtbaar wordt.
Er zijn loopbaankansen.
Als Rechter Tie na het oplossen van de misdrijven
naar huis gaat, blijkt er nog een geheim te zijn
dat hij kan ontrafelen.
En die ontrafeling is essentieel om de plot
rond het keizerlijk gezin volledig te begrijpen.
Surprise!