Ik ben enige tijd geleden begonnen aan een boek met als werktitel Schors. Het idee ontstond toen ik tijdens een wandeling foto’s begon te maken van de bomen waar ik langs liep. Bij de foto’s concentreerde ik me op de schors van de bomen, vooral de structuren en de kleuren. De foto’s liet ik afdrukken en ik schreef er een tekst over. Alle reden om tekst en foto samen te brengen in een boek.
Ongeveer in dezelfde periode was ik in de gelegenheid een proefpers te kopen. In het verleden had ik er al een, maar die is bij de verhuis gesneuveld. De inkt, de loden letters en het gereedschap heb ik nog allemaal.
De eerste stap was om een dummy te maken van het boekje. Het formaat wordt A5 zodat ik A4-papier kan bedrukken en vervolgens eenvoudig kan vouwen tot het formaat van het boekje.
Het idee ontstond om een soort schutblad te bedrukken met affiche- of houten letters. De letters heb ik in het verleden in drie verschillende aankopen gekocht. Een aankoop bevatte alle letters van het alfabet, onder- en bovenkast (kleine en hoofdletters). Die drie partijen letters zijn van wisselende kwaliteit. Ik heb een paar drukgangen gemaakt en vooral bij de eerste afdrukken waren sommige letters incompleet. Dat is niet abnormaal in het drukproces. Vandaag heb ik een aantal van die letters een nabewerking gegeven. De resultaten van bewerken met houtskool, pastelkrijt, potlood, wasco of ecoline laat ik hieronder zien. Pastelkrijt en wasco brengen veel extra structuur, waarbij pastelkrijt eenvoudiger te gebruiken lijkt bij fijner werk. Houtskool werkt ook prima, al ben je dan vanzelfsprekend beperkt tot zwart.
Zwaert en rood zijn van de drukinkt. Groen, bruin en oker van het pastelkrijt. Pastelkrijt en wasco kun je een beetje corrigeren met een mesje.
Bovenste letter ‘M’ is nabewerkt met wasco en pastelkrijt. De onderste ‘m’ met potlood.
De bovenste ‘m’ is nabewerkt met ecoline. Werkt fijn maar kan gauw zichtbaar worden aan de achterkant. Dat ligt aan het papier. De onderste ‘M’ is voorzien van rood wasco.
Hier is houtskool gebruikt. Houtskool laat zich mooi uitwrijven. Moet waarschijnlijk wel gefixeerd worden na afloop. Dat is ook een goed idee bij pastelkrijt en wasco.
Deze week kreeg ik vier boeken met de post toegestuurd. Ik wil kort bij de boeken stilstaan omdat er uiteenlopende redenen waren om ze te kopen. Een boek kocht ik vanwege de schrijver Armando en de uitvoering: de speciale doos voor het boek is uitgevoerd in half leer, en gedrukt op Hahnemühle Bütten-papier. De graphic novel werd aangeprezen door Adriaan van Dis in zijn podcast. Als de Statenhofpers een nieuw deeltje in de reeks Saldencahier uitbrengt, koop ik dat meteen. Een nobelprijswinnares die uitlegt hoe je een schrijver wordt leek me een niet te missen kans. Hieronder volgen de vier boeken.
Statenhofpers, Heere Heeresma, De draf van een eigen heimer, Anton de Goede. het 23ste deeltje in de reeks Saldencahiers. De omslag is geïnspireerd door het beroemde lettertype van Helmut Salden.
Het colofon staat stil bij de terugkerende medewerking bij de realisatie van het boek van Chang Chi Lan-Ying en Jan de Jong.
Dit boek heb ik intussen gelezen en wat een heerlijke zwarte humor. Heere Heeresma schrijft dit verhaal in decors die geleend kunnen zijn uit een Kronkel van Carmiggelt. De herkenbare wereld van cafés, kleine lieden en alledaagse misère krijgt bij hem echter een veel absurdere en grimmigere wending.
Het ontregelen van de gebeurtenissen lijkt een van zijn doelen te zijn. Daar slaagt hij overtuigend in met zijn donkere humor.
Zo raakt de hoofdpersoon verzeild in een kroeg. Hij neemt plaats aan een tafel waar nog iemand zit. Iemand voor wie het leven nog moeilijker is dan dat van de ik-figuur. Het takje dat de man gebruikt als oor van zijn brilmontuur, is daar getuige van. De ik-figuur bestelt twee gehaktballen, één voor zijn tafelgenoot. Die gaf de voorkeur aan een gehaktbal boven iets te drinken. De ik-figuur drinkt zijn koffie en eet zijn gehaktbal. Daarna verlaat hij op een draf het etablissement zonder te betalen. Het enige wat hem lijkt dwars te zitten, is dat zijn tafelgenoot hem niet heeft bedankt voor de gehaktbal.
In dit boek ben ik begonnen en je verwondert je over de manier waarop mensen de krant benaderen terwijl ze advies willen ontvangen. De reacties van Szymborska zijn kostelijk. Wislawa Szymborska, Brievenpost – Hoe word je (geen) schrijver. De vertaling is van Karol Lesman.
Mikado Pers, Armando, Gelders, als letterlypes dienden Dante en Bodoni op Hahnemühle Bütten-papier. Gebonden in halfleer, Frans geitenleer om precies te zijn: Chèvre Krispati. De schutbladen zijn van Japans papier: Shin Inbe. Hier zie je de prachtig gemaakte doos.
Met het boek.
Ook hier ben ik aan begonnen en humor staat hier minder op de voorgrond. Maar Armando.
Aan de randen en de watermerken en de manier waarop het papier in de hand ligt is te zien dat het een mooie kwaliteit papier is. Altijd prettig om te voelen.
Tobi Dahmen, Columbusstraat – Een familiegeschiedenis 1933 – 1945.
Een dikke graphic novel over een Duitse familie in aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Op pagina 63 gaat de vader van de schrijver en tekenaar naar school en is getuige van weer een nieuwe actie van de nazi’s: hij ziet de scherven die resultaat zijn van de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938. Bij deze actie worden onder andere synagogen, woningen en bedrijven vernield, Joden gearresteerd en afgevoerd naar de kampen. In Düsseldorf, waar het verhaal zich afspeelt, worden bij deze centraal georganiseerde actie (Goebbels) 141 Joden gearresteerd waarvan er 87 naar Dachau worden afgevoerd.
Eerst las ik ‘Het verboden rijk’ en nu lees ik de tweede roman van Slauerhoff over China: Het leven op aarde (1934).
Tijdens het lezen kom ik soms passages tegen die mij opvallen. Die wil ik graag delen met de bezoekers van mijn blog.
Vandaag een eerste aantekening.
Bij de eerste zin, de eerste alinea zet Slauerhoff meteen de toon, zijn toon:
Een oude zomerdag aan de Chinese kust die al zoveel eeuwen zijn grauwe gesteenten en klippen en bruine oevers door de golven van de stille Zuidzee heeft laten bespoelen en uithollen. Maar de kustlijn is bijna niet teruggeweken. Er is behalve de trage deining weinig beweging, om vooruitspringende rotsen kolkt het water, de vissersvloten bewegen zich in stille zwermen langs de kust, eenzame vrachtjonken gaan traag als in zichzelve gekeerd van haven tot haven. De stoomschepen der Europeanen gaan gehaast in en uit, maar worden bijna niet opgemerkt. Evengoed blijft alles hetzelfde.
J. Slauerhoff, bezorgd door Hein Aalders en Menno Voskuil, Het leven op aarde, pagina 155.
Zijn taal is zichtbaar in elkaar gezet, niet gekunsteld, wel af en toe gedateerd, vooral goed bedacht.
‘een oude zomerdag’ waarom oud?
de gedeeltelijke herhaling: grauwe gesteenten, klippen en bruine oevers
‘stille Zuidzee’ kleine letter ‘s’ en hoofdletter ‘Z’ zijn geen toeval
Het gebruik van schijnbare tegenstellingen die toch samen een zin of gedachte vormen:
‘teruggeweken’ en ‘vooruitspringende’
‘bespoelen’ (een goed maar opvallend woord) en ‘uithollen’
‘trage deining’ en ‘kolkt het water’
‘vooruitspringende rotsen’, mooie actieve vondst in een situatie van ‘weinig beweging’
’vissersvloten’ en ‘eenzame jonken’; ’in stille zwermen’ en ‘in zichzelve gekeerd’
‘traag van haven tot haven’ en ‘gehaast in en uit’
Om dan af te sluiten met ‘Evengoed blijft alles hetzelfde.’
Wat ik daarnaast opvallend vind, als ik er nog eens over nadenk, is hoe zorgvuldig de alinea als geheel is opgebouwd.
De openingszin is niet eens een volledige zin, maar eerder een beeld dat voor de lezer wordt neergezet: een oude zomerdag aan een kust die al eeuwenlang door de zee wordt bespoeld en uitgehold.
Daarbij krijgt die kust bijna iets menselijks; zij ondergaat niet alleen de werking van het water, maar heeft die als het ware eeuwenlang laten gebeuren.
Vervolgens verschuift Slauerhoff voortdurend van schaal. Hij begint bij eeuwen en een kustlandschap, kijkt daarna naar de beweging van water, vissersvloten, jonken en stoomschepen, om aan het slot weer uit te zoomen naar een algemene conclusie. Die beweging is echter merkwaardig cirkelvormig. Overal is activiteit zichtbaar: het water kolkt, schepen varen langs de kust, stoomschepen gaan gehaast in en uit. Toch leidt geen van die bewegingen tot werkelijke verandering. Zelfs de moderne Europese stoomschepen blijken uiteindelijk van ondergeschikt belang, want zij worden „bijna niet opgemerkt”. Daardoor krijgt het slotwoord „Evengoed” extra gewicht: het erkent alle voorafgaande beweging en bedrijvigheid, maar verklaart die tegelijk onbelangrijk tegenover de grote continuïteit van landschap en tijd. De alinea eindigt daardoor precies waar zij begon: in een wereld die lijkt te bewegen, maar die in wezen altijd dezelfde blijft.
Langzaam schoof de boot van de wrakke steiger, de machine knarste, de stoomfluit gilde, de mensenmassa’s aan boord en op de wal krijsten tegen elkaar. Langzaam voelde ik ook iets van mij afglijden, die dromen zou ik niet meer hebben, misschien had die nachtelijke vechtpartij mij goedgedaan. (…) Ik dacht over mijn angst van vroeger, ik verbaasde mij, ik vroeg mij af: hoe is het mogelijk? Maar opeens werd ik treurig, ik was zelf bevrijd, maar een ander die toevlucht bij mij had gezocht, had die niet gevonden. Was ik te laat gekomen? Misschien hadden wij elkaar afgelost, was ik hem geworden en hij mij? (…) Het was voorbij, ik ging terug op een schip in het oude bestaan, maar meer gehard tegen de ontberingen, de hitte, de plagerijen, vast voornemens de verdere ontmoetingen met die andere af te slaan, mijzelf te blijven. (…) Ik ging terug. Maar ik zou niet lang op een schip blijven en dit land intrekken, waarvan ik nog niets had gehad dan een tocht door een dorre steppe, een paar suffe, half dronken dagen in een verlaten stad, dan kustlijnen, lange en rotsige, brokkelige en effene, maar altijd wijkende, dan havensteden, waar de afscheidingsproducten van Europa en Azië plaatsheeft en de mensen niets zijn dan fermenten, die het proces bespoedigen. (…) Als het geluk op aarde nog ergens te vinden was, dan moest het daar zijn, bij de oudste wijsheid, de verhevenste natuur en het zuiverste genot. In het heden gelukzalig, door de vele littekens uit het verleden gepantserd, zou ik zonder vrees alle schimmen en demonen kunnen ontmoeten, zonder in hen op te gaan, hun gastvrijheid bieden zonder een haar, een cel te veranderen. (…) Een der nimmer bewusten van de miljoenen te zijn – welk een geluk; of als dat onbereikbaar is, een die alles weet, alles achter zich heeft en toch voortleeft.
J. Slauerhoff, bezorgd door Hein Aalders en Menno Voskuil, Het verboden rijk, pagina 147-149.
Er is nog een andere in dit zelfde leven, die mij redden kan. (…) Laat ik in de boot springen, wegroeien en leven zoals ik geworden ben, nooit meer zoals ik was. En alleen denken, dat zij daar in de verte leeft, onvergankelijk en ongenaakbaar!
J. Slauerhoff, bezorgd door Hein Aalders en Menno Voskuil, Het verboden rijk, pagina 117.
… liet mij aan boord roeien en kwam eerst in mijn hut weer bij. Vreemd, dat ik van de aarde af moest zijn, om mij weer zeker van mijzelf te voelen.
Mijzelf. Ik ben nog niet oud, en heb al verleerd te leven. Ik wilde mij eenzaam bewaren en ben in aanraking gekomen met al het vuil dat de wereld opbrengt.
Ik voel mij grauw en klam, ik kan die neerslag nooit meer van mij afspoelen. Zal ik ooit weer van het leven kunnen drinken zonder weerzijn, en een wind – niet verpest door de walmen van rottend schip of mensenbarende stad – uit zee, uit het zuivere, als een streling langs mijn huid voelen gaan? En lopen door een pijnboomwoud, alleen mijn schaduw bij mij. Mij laten omvloeien door een koude beek, mij laten voorlichten door de bloemen…
J. Slauerhoff, bezorgd door Hein Aalders en Menno Voskuil, Het verboden rijk, pagina 117.
De afgelopen dagen werk ik niet in mijn reguliere blogritme. Dat geeft me de gelegenheid om te lezen in een boek waar ik al een tijd geleden in begonnen ben. Nu kom ik op een pagina met een paar geweldige zinnen. De komende dagen deel ik er een paar van. Ik waarschuw vast: de zinnen zijn niet altijd even optimistisch.
Ik had nog maar een stap te doen, de tijd zou splijten, ikzelf zou een ander zijn, met ander gelaat, andere handen, ogen, bloed, toch ik, maar zelfvergeten.
J. Slauerhoff, bezorgd door Hein Aalders en Menno Voskuil, Het verboden rijk, pagina 117.
Gisteren zat ik ergens waar ik een half uur moest wachten. Ik wist dat het een half uur zou duren en dus had ik een boek meegenomen: Anatomie van het atelier van William Kentridge.
Aanvankelijk leek de tekst heel toegankelijk. Kentridge gebruikt weinig academische termen en soms juist poëtische taal. De titel suggereert dat het boek een analyse geeft van hoe Kentridge werkt in zijn atelier. Maar de tekst is veel minder richtinggevend dan ik verwachtte. De tekst is opvallend open en gelaagd. Met ‘open’ bedoel ik dat er veel ruimte is voor interpretatie. Sterker nog: je wordt als lezer uitgedaagd jouw interpretatie naast die van Kentridge te leggen. Daarbij heb je voor de visie van Kentridge wel wat kennis nodig van (kunst)filosofie en van zijn werk.
Tussen het lezen door keek ik ook naar buiten. Ik zat op de begane grond, met gedeeltelijk zicht op een grote binnentuin. Daar is ook een kinderdagopvang gevestigd.
Er kwamen vier mensen langs het raam lopen, een juf en drie kleuters van de opvang. In hun rechterhand hadden ze een fel gekleurde ring vast. De ringen waren aan elkaar verbonden met een lang blauw plastic lint. Voorop liepen twee kinderen, gevolgd door de juf en daarna nog een laatste peuter. De kinderen liepen nog een beetje onzeker, druk pratend met de juf – soms geconcentreerd maar ook af en toe afgeleid.
In hun linkerhand droegen de kinderen een open, leeg kartonnen eierrekje. Voor het raam hielden ze even in, ze stonden stil en de juf vertelde denk ik iets. Ik zag de juf naar het dichtstbijzijnde perk wijzen en daarna haalde ze iets tussen de planten uit – voor ieder kind twee voorwerpen. Waarschijnlijk waren het houtsnippers die in onderhoudsvriendelijke tuinen wel vaker gebruikt worden. De snippers liggen op de bodem tussen de planten om het onkruid moeilijk te maken te groeien. Even later liepen ze weer door en verdwenen uit mijn zicht. Later zag ik nog een groepje langskomen.
Terwijl ik daar naar keek, dacht ik na over het bewustzijn van jonge kinderen. In hoeverre zijn wij als jonge kinderen bewust van onszelf en onze omgeving? Ik vroeg me dat af omdat ik net de volgende passage gelezen had van Kentridge (pagina 51):
Bewustzijn komt voort uit emotie, verlangen of afkeer. Eerst een tekening en dan pas de vraag: ‘Wat vertelt deze tekening?’ Een impuls om te maken, die voorafgaat aan het ‘wat’ dat wordt gemaakt, aan wat het onderwerp is. De aantrekkingskracht van het atelier staat centraal, het ‘wat’ veel minder.
Kentridge legt uit hoe zijn werkproces in elkaar zit. Blijkbaar begint hij aan zijn werk niet altijd met een uitgedokterd plan. Sterker nog, vaak begint hij zelfs zonder plan; zijn proces is veel intuïtiever. Hij creëert in zijn atelier een omgeving waarin nieuw werk kan ontstaan — door eerst materiaal en indrukken te verzamelen. Hij creëert die sfeer door woorden en zinnen op te schrijven die hem eerder troffen. Nog zonder te weten of en hoe hij die teksten ooit zal gebruiken. Tekeningen zijn niet alleen eindresultaat, ze zijn ook vastlegging. Mogelijke bron voor toekomstig werk. Ze vormen daarmee ook een onderdeel van het atelier.
Hoewel de vertaalster het woord bewustzijn gebruikt, lees ik Kentridge’s beschrijving eerder als een vorm van bewustworden: een proces dat niet uit één moment bestaat, maar uit vele stappen. Soms lineair, soms herhalend, soms zoekend. Een ontwikkeling die ontstaat door te doen, door materiaal te verzamelen, door te tekenen zonder vooraf te weten wat het zal worden. In dat opzicht is zijn bewustzijn minder een toestand dan een beweging.
Maar het citaat begint niet met ‘Het bewustzijn van Kentridge komt voort uit emotie, verlangen of afkeer.’ Het begint veel opener – als een bewering over iedereen. Daarom vroeg ik me af hoe dat bij die peuters werkt. En natuurlijk ook bij mezelf.
William Kentridge, Anatomie van het Atelier. Vertaald door Anna Helmers-Dieleman. Uitgeverij Cossee.
Het boekje van Nico Keuning gaat over de polemiek in het schrijven van Jeroen Brouwers. Laat ik maar meteen bekennen dat ik niet eerder iets bewust gelezen heb van Jeroen Brouwers of Nico Keuning. Maar een boekje over – plat gezegd – schelden op papier, sprak me wel aan. Keuning begint met een briefwisseling met Geert van Oorschot. Brouwers staat dan nog aan het begin van de ontwikkeling van zijn schrijfstijl waarin de ‘woordkunst, woordromantiek en woordwellust’ centraal staan.
Na Van Oorschot volgen nog een paar ‘slachtoffers’, onder andere Rudy Kousbroek en Ronald Plasterk.
Aan het eind van het boek passeert Cliënt E. Busken als voorbeeld van de richting waarin zijn schrijfstijl zich zou ontwikkelen. Wat mij betreft is Nico Keuning erin geslaagd te beargumenteren dat Brouwers de schrijver in evenwicht is gekomen met Brouwers de polemist. Het boekje heb ik met veel plezier gelezen en de scherpte van een aantal boektitels wordt heel duidelijk: Hamerstukken – met een foto van een pen vermomd als moker; Restletsels – ‘op een taalrijke manier’; Bezonken rood – ‘rood de kleur van de dood’.
En de foto op de omslag is daarbij opvallend goed getroffen.
In het boek wordt een film besproken waarop te zien is dat Kousbroek werkt aan zijn antiek letterorgel. U heeft hier het resultaat gelezen van mijn moderne letterorgel. Hopelijk kunt u er iets mee…
Nico Keuning, Giftige distels – Over de polemische pen van Jeroen Brouwers. Uitgegeven door Uitgeverij Fragment.
Vandaag mijn laatste bericht over de tentoonstelling Apocalys, vrees en hoop in het Huis van het Boek.
Huis van het Boek, Apocalyps, Müge Yilmaz, The adventures of Umay Ixa Kayakizi (with Elibelinde, Apkallu, Hecate and Pitrak), 2021 – 2026, verschillende materialen.
Les Epistres de St Paul, Mons, 1697.
Hartmann Schedel, Liber Chronicarum, Neurenberg, Anton Koberger voor Sebald Schreyer en Sebastiaan Kammermeister, 23 december 1493.
De hoop: de hemelpoort met Petrus die daarvan de sleutel vasthoudt.
Interessant bladnummer boven aan de pagina.
Een bijzonder beeld…
Christus met zwaard en lelie
In de Liber Chronicarum van 1493 verschijnt een opmerkelijk en zeldzaam beeld: het hoofd van Christus met een zwaard aan de ene kant en een lelietak aan de andere. Deze combinatie komt nauwelijks voor in de christelijke iconografie. Het zwaard staat voor gerechtigheid en oordeel, de lelie voor zuiverheid en genade. Samen vormen ze een visuele spanning die de dubbele aard van Christus samenvat: rechter én verlosser.
De Neurenbergse werkplaats van Wolgemut en Pleydenwurff lijkt hier een eigen, theologisch geladen vondst te hebben gedaan —een beeld dat binnen de apocalyptische context van Schedels kroniek een uitzonderlijke, bijna emblematische kracht krijgt.
Afbeeldinge en beschrijvinge van de drie aenmerckens-waerdige wonderen in den jare 1664 ’t Amsterdam en daer ontrent voorgevallen, Amsterdam, Marcus Doornick, 1664.
Het wonder van de ‘vuurighe staert-ster’.
Simon de Vries, Algemeene historische gedenk-boeken der voornaemste uytgeleesenste weereldlycke en kercklycke geschiedenissen, Leiden, Pieter vander Aa, 1698.
De aardbeving in Ragusa (huidige Dubrovnik, Kroatië).
Augustinus, La Cité de Dieu, handschrift, Parijs, circa 1410 – 1412.
Johannes Mashego Segogela, Transformation of the Devil, 1990 – 1994, hout, verf, glas, draad en metaal.
Deze drie titels lieten even op zich wachten. Niet dat ik ze niet al een paar dagen geleden had uitgelezen. Maar de warmte gaf me onvoldoende energie om ze te beschrijven. Ik las liever nog even door in het volgende boekje.
Het zijn drie titels:
Het wilgenpatroon (The willow pattern)
Moord in Canton (Murder in Canton)
Nacht van de tijger (The night of the tiger)
Maar eigenlijk zijn het vier boeken: Het wilgenpatroon en Moord in Canton zijn volledige Rechter Tie-romans. Elk met drie verhalen die kunstig in elkaar verweven zijn. Dat zijn twee boeken. Nacht van de tijger is slechts één kort Rechter Tie-verhaal. Daar is de tekst Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk aan toegevoegd. Deze tekst van Janwillem van de Wetering is ook als zelfstandige titel verkrijgbaar. Nacht van de tijger bestaat dus uit nog eens 2 boekjes.
Het Wilgenpatroon
Van Gulik gaat in zijn nawoord nog even in op het wilgenpatroon. Hij kiest bewust voor dit patroon als een thema in zijn roman. Hij geeft aan dat te doen vanwege de hoge herkenbaarheid ervan in het westen als “Chinees”. Dit porseleinmotief werd pas in de 18e eeuw ontworpen in Engeland. Een Engels bedacht motief in ouder en modern Europees porselein dat voor het westen het idee van China oproept. Terwijl het in China het verhaal vertelt, van motieven afkomstig uit het westen die een plaats krijgen in Chinese porseleinproductie voor de westerse markt.
Rechter Tie is in dit boek president van het hooggerechtshof. In de hoofdstad heerst een dodelijke epidemie. Alle mensen die kunnen hebben de stad verlaten en zijn de bergen ingegaan. De keizer en het hof ook. Rechter Tie is tijdelijk aangesteld tot gouverneur van de stad. Hij moet het opruimen van de doden organiseren en de rust handhaven. Met Ma Joeng en Tsjao Tai lost hij ook nog drie zaken op.
Moord in Canton
Dit is de roman die het dichtst bij keizerlijke paleisintriges komt. Daar had ik wel naar uitgezien. Maar in deze roman verplaatst het plot zich naar Canton (Guangzhou). Het geeft Van Gulik de kans om de lezers bekend te maken met de handel tussen het Midden Oosten en China. Een soort parallel met de handel tussen het westen en China die voor een groot deel ook via Canton verliep.
Van Gulik begrijpt mijn interesse in de paleisintriges wel want hij verwijst in zijn nawoord naar de historische roman van Lin Yutang: Lady Wu, keizerin zonder geweten. Tot nu toe heb ik van deze titel nog geen leverbaar exemplaar kunnen vinden. Overigens lijkt Lin Yutang nog meer interessante titels te hebben geschreven: The wisdom of India (net gekocht).
In het begin leest de detectiveroman haast als een reisgids met de kaart, de waterklok en de bloemenpagode. Maar al snel neemt Rechter Tie je mee aan de hand. Nou ja, aan de hand, het is voor het eerst in de serie Rechter Tie-verhalen dat de rechter bijna radeloos is. Ook de scherpe tegenstellingen tussen de Arabische handelaren, de originele lokale bevolking en de Chinese overheersers uit het noorden van China, nemen bij vlagen veel aandacht weg van het plot. Voeg daar aan toe dat Tsjao Tai een van de slachtoffers is in dit boek. Dat alles maakt dat het vervlechten van de verhalen minder slaagt. Het boek voelt onevenwichtiger dan veel van de andere titels.
Nacht van de tijger
De titel lijkt me ongelukkig gekozen. Er komt geen levende tijger voor in het verhaal. Ik vraag me ook af of het beeldje op de omslag (ontwerp Nico Dresmé) wel een tijger is. Het lijkt me meer een leeuw. Met regelmaat wordt het kunstvoorwerp dat als illustratie wordt gebruikt op de omslag ook benoemd in het colofon. Vaak lees je dan ook tot welke collectie het behoort. Maar dat ontbreekt in dit deeltje.
Het verhaal speelt zich af in één nacht, tegen een onheilspellend decor van een aanval op een fort waarin Rechter Tie zich bevindt. Tie lost alles op, zelfs de belegering, maar niet met de scherpte die we zo gewend zijn.
Het verhaal lijkt me te snel geschreven, er zijn teveel thema’s die wel worden genoemd maar niet tot volledige ontplooiing komen. Van de Wetering en de uitgeverij plaatsen de titel als laatste in de reeks terwijl in het nawoord Van Gulik expliciet aangeeft dat deze titel direct volgt op Nagels in Ning-tsjo. Alles om een extra titel te kunnen slijten. Jammer.
Met deze drie boeken komt een einde aan een hele periode van leesplezier. Half april begon ik met Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk. Vandaag rond ik het af door kort stil te staan bij de laatste drie deeltjes. Ik heb de deeltjes met veel plezier gelezen. De komende tijd zal ik proberen Lady Wu te bemachtigen maar in de tussentijd zullen er wel andere titels zijn waar ik me mee vermaak.
Ik ben het boek Anatomie van het atelier aan het lezen. Het is een weergave van een serie lezingen die de kunstenaar William Kentridge in het kader van de Slade Lectures, begin 2024 gaf aan de Universiteit van Oxford. William Kentridge is een witte Zuid-Afrikaan. Hij heeft zijn ateliers in Johannesburg.
Tip: Als je het boek wilt lezen helpt het als je werk van William Kentridge gezien hebt. Het boek is ruim voorzien van afbeeldingen, maar de relatie tekst - afbeelding is door de lezer zelf in te vullen. Dan helpt het een beetje vertrouwd te zijn met zijn werk.
Zijn schrijfstijl is erg prettig: voor een kunstenaar redelijk eenvoudige taal, redelijk praktisch, in een bij vlagen poëtisch jasje:
Als je een tekening hebt, een landschap, bijvoorbeeld een landschap van Constable, kijken we er misschien drie seconden naar, of tien seconden, of zelfs een minuut. Maar dat zijn onze drie of tien seconden; dat is onze minuut. Maar zodra de tekening in beweging komt – het bewegen van gebladerte, een vogel die door de lucht vliegt – vindt er een verschuiving plaats. De zes seconden waarin de vogel voorbijkomt, behoren toe aan het beeld.
Pagina 38-39.
De titel van dit bericht is uit het voorwoord door Alfred Schaffer. Het is nog een voorbeeld van de sfeer van het boek. De vertaling van het boek door Anna Helmers-Dieleman draagt ook zeker bij aan de leesbaarheid.
Ik heb nu het eerste hoofdstuk gelezen: Dat wat ik getekend heb. Daarbij heb ik wel hulp nodig gehad om alles te begrijpen wat Kentridge wil zeggen. Ik los dat op door met Copilot ‘in gesprek’ te gaan over het boek. Zo heb ik gisteravond nog lang vragen gesteld rond de laatste zin van het hoofdstuk:
Maar de tekeningen en films die ontstaan, zijn niet het tegendeel of het gevilde skelet, maar eerder een fragment ervan, dat wordt geprojecteerd door zijn verlichte schaduw.
Pagina 42.
Tip: Het boek lijkt me bij uitstek geschikt om als groep studenten of kunstgeïnteresseerden te lezen. Dan kun je elkaar ondersteunen bij het vinden van de kapstokken in de tekst die voor jouw verduidelijking nodig zijn. Soms zul je zo'n kapstok helemaal niet snappen en soms denk je dat je het snapt, maar dan blijkt het toch anders te kunnen. Bij uitstek geschikt voor dialoog.
Het is zeker niet alleen verhelderend voor mensen met een beroep in de beeldende kunsten. Het is interessant voor iedereen die zich soms vragen stelt over kunst in de meest brede zin van het woord.
Tijd om weer verder te gaan met lezen. Mocht je besluiten het boek ook op te pakken dan veel plezier ermee en misschien kun je laten weten hoe je het ervaart.
William Kentridge, Anatomie van het atelier. Uitgeverij Cossee.
Huis van het Boek, Apocalyps, Hal Lindsey, The late great planet earth, 1970.
Frans Masereel, Debout les Morts, Geneve, Albert Kundig, 1917.
Yubin Lee, Being of Saerang-i, 2023 – 2026, gouache en octopusinkt op hanjipapier.
Huis van het Boek, Apocalyps, Susanne Inglada, Way Out IV, 2025, houtskool, acrylverf en pastel op papier.
Hans Feibusch, The revelation of Saint John the Divine, Londen, Collins, 1946.
Kort beworp vande dry teghenwoordighe aenmerckens-weerdighe wonderheden des wereldts, Keulen, Jan van Souffenborgh, 1656.
Warachtighe beschrijvinghe ende levendighe afbeeldinghe van de meer dan onmenschelijcke ende barbarische tyrannije bedreven by de Spaengiaerden inde Nederlanden, 1621.
Tieleman Jansz. van Braght, Het bloedig tooneel of martelaers spiegel der Doops-gesinde of weereloose Christenen, Amsterdam, H. Sweerts, 1685.
Herinneringscentrum Kamp Westerbork, De 102.000 namen, Den Haag, Boom Uitgevers, 2018.
Lana Mesiĉ, Fainah and Camille uit de serie ‘Anatomy of Forgiveness, 2014, Hahnemühle Photorag Print.
Robert van Gulik, …, schreef Nagels in Ning-Tsjo in Beiroet, gedurende de zomer van 1958. De Libanon was weer eens in rep en roep en de burgeroorlog had zich tot de voorsteden van Beiroet verspreid maar Van Gulik was onze gevolmachtigde minister voor het Midden-Oosten en er werd van hem verwacht dat hij op zijn post zou blijven. Alleen, zijn familie was al enige tijd geëvacueerd, woonde hij in zijn met zandzakken gebarricadeerde huis en amuseerde zich met het op schrift stellen van de lotgevallen van zijn held, Rechter Tie.
Helaas is de inleiding van Nagels in Ning-Tsjo van een ongepaste luchtigheid die je vaker tegenkomt als er in het westen gesproken wordt over gewelddadige conflicten ergens in de wereld. Een soort van neokoloniale houding.
Robert van Gulik, Nagels in Ning-Tsjo. De omslag valt een beetje uit de toon omdat er deze keer geen mooi, oud, Chinees voorwerp te zien is.
Het is intussen 2026, achtenzestig jaar later, en er vallen nog iedere dag slachtoffers in Libanon. Dit jaar door Israël.
Iemand (LV?) tekende aan, het boek gelezen te hebben in 1981. Ik heb me aangesloten bij de gewoonte dit te vermelden.
Ook in deze Rechter Tie-roman lost Tie meerdere moorden op. Het boek in zijn geheel eindigt in een enorme climax waarbij de carrière van Rechter Tie zowel op het spel staat als nieuwe hoogtes bereikt.
In veel deeltjes heeft Van Gulik een stadsplattegrond opgenomen om het voor de lezer eenvoudiger te maken de verwikkelingen te volgen. Iedere keer moet ik naar het stadscentrum van Xi’an denken dat nog steeds een ommuurd, rechthoekig plan heeft.
Helaas is Het Onthoofde Lijk een complex verhaal dat tegelijk elementen bevat die wel erg onwaarschijnlijk zijn. We zien dat ook bij De Vermoorde Koopman maar daar zet Van Gulik deze zwakte om in een heel sterk slot. De nieuwe benoeming wordt dan de kers op de taart.
30/06/2026 Ik ben helemaal vergeten te vermelden dat in Nagels in Ning-Tsjo wachtmeester Hoeng Liang vermoord wordt. Deze oudste en trouwe raadgever van Rechter Tie. Hoeng werkte al voor de familie van Rechter Tie toen Tie nog een klein kind was. Zijn overlijden krijgt maar een mager plaatsje in deze detectiveroman.
Er lag iets op de rand van de oude put waar ze zwijgend naar bleef staren. Geen zuchtje wind bewoog in de bomen en de vochtige, hete lucht in de donkere tempeltuin was benauwend. Een paar amandelbloesems dwarrelden neer van de uitstekende takken boven hun hoofd. Ze leken heel wit in het licht van de lantaarn, en nog witter toen ze in de bloedplas op de verweerde stenen vielen.
Nou, dat is een manier om een detective te beginnen. Het spook in de tempel is wederom een complex verhaal. Een hele reeks moorden en verdwijningen die in het begin niets met elkaar te maken lijken te hebben. Maar naar het einde toe blijken de verdwijningen ook moorden. Er worden zelfs moordenaars vermoord.
Toch is het verhaal op zijn best een middenmoter. Het verhaal lijkt vertrokken van een heel goed plan maar bij het uitschrijven zijn sommige delen te weinig tot zijn recht gekomen. In het voorlaatste hoofdstuk brengt de rechter alle mogelijke betrokkenen bij elkaar. Dat doet hij buiten de rechtbank, meestal kiest Van Gulik voor de rechtbank als decor voor de oplossing. Voor de mogelijke hoofdrolspelers verloopt dat hoofdstuk naar tevredenheid (in zoverre je daarvan kunt spreken als je slachtoffer bent van een misdrijf). Maar voor de lezer staan nog wel wat punten open. Die worden in het laatste hoofdstuk opgelost. Maar het gevoel bij deze werkwijze is er een van haast.
In het Naschrift schrijft Van Gulik:
‘De nieuwe esoterische secte van het Boeddhisme waar in dit boek herhaaldelijk over gesproken wordt, is het Tantrisme, dat destijds in India en daarbuiten heeft gebloeid’
Teleurstellend is de manier waarop Van Gulik die belofte van ‘herhaaldelijk bespreken’ probeert in te vullen.
Hoewel Van Gulik in Het spook in de tempel nadrukkelijk verwijst naar het tantrisme als een “uit India afkomstige esoterische sekte”, is dat beeld inmiddels door de moderne sinologie sterk bijgesteld. Waar hij het tantrisme vooral inzet als exotisch element — een manier om een tempel, een monnik of een ritueel een zweem van vreemdheid te geven — laten recente studies zien dat de werkelijkheid in de Tang‑tijd veel complexer en vooral veel Chinees‑eigener was dan zijn naschrift suggereert. Het esoterisch boeddhisme kwam weliswaar via Indiase meesters naar China, maar het wortelde er snel en diep, en ontwikkelde zich tot een hybride traditie waarin Indiase rituele methodes en Chinese religieuze praktijken elkaar beïnvloedden. Het was geen geïsoleerde, uitheemse stroming, maar een levendige mengvorm die zich aanpaste aan Chinese rituele logica, staatsceremonies en lokale culten.
Ook het beeld van “Indiase architectuur” dat Van Gulik herhaaldelijk oproept, blijkt bij nader inzien vooral een echo van oudere westerse sinologie. Chinese tantrische tempels waren in hun bouwstijl vrijwel altijd Chinees, met houten constructies, daklijnen en plattegronden die passen binnen de eigen architectonische traditie. Alleen de iconografie en rituele inrichting droegen sporen van Indiase oorsprong. De nadruk die Van Gulik legt op het uitheemse karakter van de tempel — alsof de hele structuur uit India is overgewaaid — weerspiegelt eerder een negentiende‑eeuws idee van “oosterse mystiek” dan de historische werkelijkheid.
Daarmee hangt samen dat tantrisme in de Tang‑tijd allerminst een marginale of verdachte randreligie was. Integendeel: het speelde een centrale rol aan het hof, waar figuren als Amoghavajra politieke invloed uitoefenden en rituelen uitvoerden voor staatsbescherming, diplomatie en militaire doeleinden. Het esoterisch boeddhisme was geen geheimzinnige sekte, maar een vorm van religieuze machtspolitiek die nauw verweven was met de elitecultuur. Dat Van Gulik het in zijn verhaal vooral koppelt aan bedrog, gevaar en misleiding, zegt meer over zijn literaire voorkeuren dan over de historische positie van deze traditie.
De moderne sinologie benadrukt bovendien dat China niet slechts een ontvanger was van Indiase ideeën, maar ook een producent van nieuwe tantrische vormen. Chinese monniken schreven eigen esoterische teksten, ontwikkelden rituelen die in India onbekend waren en combineerden tantrische concepten met yin‑yang‑denken, vijf‑fasenleer en daoïstische rituele magie. Het tantrisme werd zo een Chinese innovatie, niet alleen een importproduct. In dat licht krijgt Van Guliks herhaalde verwijzing naar India iets eenzijdigs: hij ziet vooral de oorsprong, niet de transformatie.
Dat alles maakt duidelijk waarom zijn naschrift vandaag de dag wat vreemd aanvoelt. Hij presenteert het tantrisme als een exotisch element dat “herhaaldelijk” in het verhaal voorkomt, maar in de roman zelf blijft het vooral decor. De verwijzingen naar India versterken dat exotische effect, maar sluiten niet aan bij wat we nu weten over de manier waarop esoterisch boeddhisme in China functioneerde. Het is een beeld dat inmiddels is ingehaald door onderzoek: historisch begrijpelijk vanuit zijn tijd, literair effectief, maar wetenschappelijk te smal.
Robert van Gulik, Het spook in de tempel.
Hoewel de Nederlandse titel Het spook in de tempel inmiddels vertrouwd klinkt binnen de Tie‑reeks, blijft het eigenlijk een merkwaardige vertaling van The Phantom of the Temple. Het Engelse phantom suggereert iets ongrijpbaars, een verschijning die even goed illusie als werkelijkheid kan zijn, terwijl spook in het Nederlands veel concreter en bijna kinderlijk aandoet. Een titel als De tempelverschijning zou dichter bij de sfeer van het origineel liggen: subtieler, minder folkloristisch, en beter passend bij de ambiguïteit die Van Gulik in het verhaal zelf probeert op te roepen. Want, spoiler, het spook is geen geest.
De Openbaring van Johannes heeft schrijvers door de eeuwen heen op vreemde gedachten gebracht. Het lijkt wel of Hegseth, Rubio en Vance, dit soort gedachten nog iedere nacht hebben. De originele tekst is niet heel duidelijk en laat veel ruimte voor interpretatie. Ook de auteur staat niet vast. Daar maken mensen grif gebruik van. Het kan niet bloederig genoeg en er wordt niet op een moord meer of minder gekeken. Zelfs de onschuld zelve, de maagd Maria, gaat er op uit om te doden.
Is het lam wel zo onschuldig?
Huis van het Boek, Apocalyps, Afbeeldingen van de Meester van Catharina van Kleef, getijden- en gebedenboek, handschrift, Utrecht, circa 1438.
Bijbel, Nederduits, Keulen, Bartholomaeus de Unkel en Heinrich Quentell voor Johann Helman en Arnold Salmonster in Keulen en Anton Koberger in Neurenberg, circa 1478 – 1479.
Speculum humanae salvationis, handschrift, Keulen, circa 1450 – Maria verplettert de duivel.
Judith en Holofernes.
Jaël vermoordt Sisera.
Carolein Smit, Lam op het boek met zeven zegels, 2026, keramiek met glazuur en goudluster.
— over hoe drie kleine verwijzingen naar Khotan mijn lezing van Labyrinth in Lan‑Fang verdiepen —
Khotan wordt een paar keer genoemd in Labyrint in Lan-Fang. Vermoedelijk is dat een poging om deze standplaats van Rechter Tie geografisch te duiden. Lan-Fang is geen historische plaatsnaam van een Chinese grensplaats in het westen van China rond 650 na Christus.
Er bestond wel een Republiek Lanfang (蘭芳共和國 Lánfāng Gònghéguó) van 1777 tot 1884 in het huidige West‑Kalimantan (Indonesië). Dat was een Chinese gemeenschap van mijnwerkers en handelaren buiten China. Een historisch opmerkelijke situatie.
Waarschijnlijk gebruikt Van Gulik die naam omdat het een echte historische naam was, bekend bij sinologen van zijn tijd. Ook omdat die authentiek Chinees klinkt, maar vrij inzetbaar is voor fictie. Het gaf hem de gelegenheid vanuit een Chinees perspectief een sfeer te creëren, typisch voor een betwiste grensstreek zonder de historische ballast van de naam van een bestaande plaats.
Robert van Gulik, Labyrinth in Lan-Fang, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.
Khotan wordt al genoemd op pagina 26
Nog tot voor enkele jaren liep de weg naar Khotan en de andere schatplichtige koninkrijken in het westen door Lan-fang en deze stad was toen een belangrijke stapelmarkt. Maar toen zijn drie oasen langs de woestijnweg opgedroogd en de handelsweg verlegde zich een honderd mijl naar het noorden.
Van Gulik verwijst hier duidelijk naar de Zijderoute.
Hoe liep de zuidelijke Zijderoute
Langs de zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn volgden karavanen die China verlieten een reeks oases die als veilige rustpunten door de woestijn slingerden. Vanuit het oostelijke Miran, met zijn Kushan‑invloeden en kleurrijke muurschilderingen, trokken reizigers westwaarts langs kleinere nederzettingen als Karadong en Endere, plaatsen die bloeiden zolang hun rivieren water voerden en die even snel weer verdwenen wanneer de bedding verschoof. Verderop lag Niya, ooit een levendige gemeenschap waarvan houten documenten en huisraad nu de stille sporen vormen van een oase die door uitdroging werd verlaten. Daarna bereikte men Keriya, een oase die afhankelijk was van een grillige rivier die periodes van voorspoed en verval afwisselde. De route voerde vervolgens naar Yotkan, de oude hoofdstad van het koninkrijk Khotan, waar handelaren en ambachtslieden samenkwamen. Uiteindelijk eindigde de zuidelijke route in het machtige Khotan zelf, beroemd om zijn jade‑rivieren en boeddhistische kloosters, en eeuwenlang het belangrijkste knooppunt voor wie verder wilde reizen naar de oases en steden voorbij de Pamirs, richting het gebied van Samarkand en Buchara.
Khotan wordt ook genoemd op pagina 82 en toont meteen dat ook Rechter Tie zo zijn blinde vlekken heeft:
Woe keek naar zijn schilderijen op de muur. ‘Vijf jaar geleden,’ antwoordde hij, ‘deed ik het eerste kandidaatsexamen. Tot teleurstelling van mijn vader besloot ik mijn studie af te breken en mij geheel aan het schilderen te wijden. Ik werkte onder twee beroemde meesters in de hoofdstad, maar hun stijl lag mij niet.
Twee jaar geleden ontmoette ik toevallig een monnik die helemaal uit Khotan afkomstig was, het schatplichtig koninkrijk in het verre westen. Die man liet mij zijn stijl van schilderen zien, vol leven en felle kleuren. Ik besefte toen, dat onze Chinese kunstenaars die stijl moesten bestuderen om onze nationale kunst te vernieuwen. Ik dacht dat ik misschien een baanbreker kon worden en besloot zelf naar Khotan te trekken.’
‘Persoonlijk ben ik van mening,’merkte de rechter droog op, ‘dat onze nationale kunst volkomen bevredigend is en het ontgaat me wat een barbaars en vreemd volk ons nog kan leren. Maar ik wil niet beweren dat ik een kenner ben. Gaat u door!’
In deze korte dialoog tussen Woe en Rechter Tie laat Van Gulik mooi zien hoe de Tang‑wereld niet alleen een Chinees decor is, maar een kruispunt van culturen. De jonge schilder die zich laat inspireren door een Khotanese monnik staat voor de openheid en nieuwsgierigheid die de Zijderoute mogelijk maakte: ideeën, kleuren en stijlen reisden net zo goed mee als zijde en jade.
Tie’s droge afwijzing — half ironisch, half oprecht — weerspiegelt juist de zelfverzekerde blik van een Confuciaanse magistraat die de Chinese kunst als maat der dingen ziet. Precies in dat spanningsveld, tussen vernieuwing van buiten en de zekerheid van binnen, situeert Van Gulik zijn wereld: historisch geloofwaardig, licht gefictionaliseerd, en altijd gevoed door de stille bewegingen van uitwisseling langs de randen van het rijk.
Dan komt Khotan nog een derde keer in beeld, op pagina 123:
Vele jaren geleden, toen de weg naar het westen nog door deze stad leidde, hebben monniken uit Khotan die tempel gebouwd. Later hebben ze die weer verlaten. De tempel raakte in verval, bewoners uit de buurt haalden de deuren en ander houtwerk weg als brandhout. Maar de prachtige muurschilderingen, door de monniken gemaakt, zijn gebleven.
In de derde passage duikt Khotan opnieuw op, ditmaal als de herkomst van een vervallen tempel waarvan alleen de muurschilderingen nog getuigen van een vroegere bloeitijd. Van Gulik gebruikt dit soort details om de Zijderoute een voelbare diepte te geven: monniken die ooit tot hier reisden, een tempel die gebouwd werd toen de handelsweg nog door de stad liep, en kunst die de tand des tijds beter doorstaat dan de mensen die haar maakten. Het is dezelfde beweging als in de eerdere scènes: Khotan verschijnt telkens als een verre bron van kleur, geloof en vakmanschap, een plek die ooit invloed uitoefende op het Chinese rijk maar nu vooral als echo aanwezig is. Zo verweeft Van Gulik fictie met historische resonantie en laat hij zien hoe culturele uitwisseling langs de randen van het rijk niet alleen handel bracht, maar ook kunst die blijft hangen, zelfs wanneer de route zelf allang is verschoven.
Het is vooral omdat ik de afgelopen tijd zelf bezig ben geweest met Khotan (Yotkan) door het werk van Aurél Stein, dat deze fragmenten me opvielen. Voor een andere lezer zal Labyrinth in Lan-Fang een spannende detective zijn. Tao Gan en Rechter Tie bespreken alle gebeurtenissen met elkaar:
Tao Gan schudde verbijsterd het hoofd. Met een diepe zucht zei hij: ‘Edelachtbare, het komt mij voor dat wij nog nooit tevoren met zo’n groot aantal ingewikkelde problemen tegelijk te maken hebben gehad!’
‘Oppervlakkig gezien lijkt dat zo,’ antwoordde de rechter, ‘Maar feitelijk waren het de plaatselijke omstandigheden die ons zo verward maakten. Nu de verstrikte draden geleidelijk aan ontknoopt raken, komt er een duidelijk patroon tevoorschijn. We hebben ten slotte maar drie werkelijke zaken. Ten eerste, de moord op Generaal Ting. Ten tweede, de zaak Yü contra Yü. Ten derde, de verdwijning van de dochter van Fang, Onze maatregelen tegen Tsjièn Mo, onze ontdekking van het plan van Yü Tsjie en de verklaring van de moord op bestuurder Pan vormen tenslotte d lokale achtergrond…’
Hoe je de zaken ook indeelt, voor mij zes complexe zaken, mooi door Van Gulik tot één verhaallijn geweven. Aan het eind vind Rechter Tie ook nog de richting die hij moet nemen uit zijn midlife-crises. Een verrassende afronding van een van de beste Rechter Tie-romans.
Nu heb ik nog vier titels te gaan in de reeks. Dan heb ik alle Rechter Tie-romans (opnieuw) gelezen.
Huis van het Boek, Apocalyps, Augustinus, La Cité de Dieu, handschrift, Parijs, circa 1475 – 1480.
De marges van het boek zijn ook mooi.
Hartmann Schedel, Liber Chronicarum, Neurenberg, Anton Koberger voor Sebald Schreyer en Sebastian Kammermeister, 12 juli 1493.
Het boek lag een beetje ingewikkeld om er mooi foto’s van te maken.
Het onderste deel van deze foto heb ik ‘schoongemaakt’ zodat de klauw goed zichtbaar is.
Jan van Raadt, Nieuwe Testament ofte alle boeken des Nieuwen Verbonds onses Heeren Jesu Christi, handschrift, 1695.
Gemaakt door een schoolmeester uit Terheijden, vlak bij Breda. Daar moest ik plaats voor maken.
Carolein Smit, De gevallen engel, 2025, keramiek met glazuur.
Stake Out, Daisy Madden-Wells, 2025, aquarel, beits en vernis op hout.