– een eerste verkenning van de achterkanten van schilderijen –
In Bazel werd een tentoonstelling gehouden over de achterkant van schilderijen: Kunstmuseum Basel, Verso, Tales from the Other Side. Heel interessant, dacht ik. Vooral als je geïnteresseerd bent in de herkomst (provenance) van kunstwerken:
Wanneer is het gemaakt?
Hoe is het gemaakt?
Wie heeft het gemaakt?
Bij wie is het in bezit geweest door de jaren (eeuwen) heen.
Daarvoor kunnen etiketten op de achterkant van een schilderij van belang zijn. Etiketten aangebracht door eventuele musea of veilinghuizen. Soms noteren die veilinghuizen ook wie de aanbieder van het werk was en wie de uiteindelijke koper. In een ideale situatie is er dan een complete administratie bijgehouden met datum van inbreng, van verkoop en van eventueel onderzoek.
Maar de insteek van Kunstmuseum Basel bleek veel breder. De ‘achterkant’ van een schilderij dat onderdeel is (geweest) van een triptiek hoeft helemaal niet minder belangrijk te zijn dan de ‘voorkant’. Sterker nog, op die ‘achterkant’ is dan helemaal geen plaats voor stickers of plakkers. De tentoonstelling Verso – Tales from the Other Side gaat veel dieper in op de betekenis en functie van de achterkant van een schilderij. ‘Verso’ is daarbij een goed gekozen titel. Het is een woord dat in de manuscriptstudie wordt gebruikt als tegenhanger van ‘Recto’. Verso is dan de kant die je als tweede leest. In de term zit geen waardeoordeel verborgen over het belang van het blad.
De tentoonstelling is niet meer te zien. Ik zag hem op 10 september 2025.
De nummers in de tekst zoals 1.1 en 1.2 verwijzen naar de werken die er te zien waren in de eerste groep werken. Op de website van Kunstmuseum Basel noemen ze dit de eerste zaal.
De tentoonstelling maakt gebruik van werken uit eigen collectie. Helaas heeft men bij de tentoonstelling geen catalogus uitgegeven maar er is een website met informatie over de tentoonstelling. Voor mij was de tentoonstelling spectaculair. Er waren zoveel goede voorbeelden, perfect in beeld gebracht.
Het eerste schilderij is een triptiek, een schilderij met twee vleugels. Die vleugels konden open gezet worden zodat de centrale afbeeling zichtbaar werd. In die stand worden de meeste drieluiken in musea getoond. Dit werk toont zeven voorstellingen:
De aanbidding door de Drie Koningen, de centrale voorstelling.
De persoon die het schilderij betaalde en zijn zonen, linkervleugel, binnenkant, onder
De echtgenoot van de donor en hun dochters, rechtervleugel, binnenkant, onder
De aanbidding door de herders, ook op eerder genoemde linkervleugel, binnenkant, boven
De vlucht naar Egypte, op de eerder genoemde rechtervleugel, binnenkant, boven
De aankondiging (anunciatie), de engel Gabriël, linkervleugel, achterkant
De aankondiging: Maria, linkervleugel, achterkant
De centrale voorstelling heeft natuurlijk ook een achterkant. Al de voorstellingen en achterkanten waren te zien.
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Antwerpener Meister, The adoration of the Magi; Adoration of the Shepherds with donor and sons; Flight into Egypt with Donatrix and daughters, Annunciation, 2. viertel 16. Jh (second quarter of the 16th century CE), öl auf holz.
Het is alles bij elkaar een heel complex werk. De vele figuren op de centrale afbeelding en het afbeelden van twee verhalen op één vleugel, maken het nog ingewikkelder.
Nogmaals de Aanbidding door de Drie Koningen maar nu zonder de engeltjes en overige toeschouwers.
Twee voorstellingen: De vlucht naar Egypte en de vrouw van de donor met 4 dochters en haar familiewapen.
Op de bovenste afbeelding zie je, bijna stiekum, twee herders om de hoek kijken naar Maria en Josef en het pasgeboren kind. Onderaan knielt de doner met naast zich de oudste zoon (?). Vervolgens zie je nog eens 11 jongetjes. Ook de donor toont zijn familiewapen.
De engel Gabriël brengt zijn boodschap. De eerste schildering op de achterkant.
Gabriël brengt zijn boodschap bij Maria die op de achterkant van de andere vleugel is geschilderd.
De achterkant van de centrale voorstelling toont minstens twee interessante zaken: Een onderbroken lijn van blokjes hout. Zou dat een spoor van een reparatie zijn?
Het tweede element zijn de lables die op de achterkant geplakt zijn. Ze zijn beide van Kunstmuseum Basel. Beide bevatten het inventarisnummer van het werk: 1233.
– over wat je ziet wanneer je vóór het ritueel even de tijd neemt om rond te kijken –
In de nachttrein kreeg alle passagiers een fles water met als etiket reclame om een maaltijd te bestellen. Compleet met QR-code voor je mobiele telefoon.
De nachttrein had me naar Varanasi gebracht. En mooi op tijd. Het station ligt een eind van de ghats af, maar mijn hotel was daar juist dichtbij. Op het station waren voldoende mogelijkheden om verder te reizen. Ik koos een rickshaw. Zelfs een rickshaw kan niet tot heel dicht bij de ghats komen. Vanaf een kruispunt, een paar honderd meter van de rivier af, mogen ze passagiers meenemen of afzetten. Op die plaats is het een pandemonium van mensen, voertuigen en koeien. Het is een fantastisch kleurrijk gezicht met veel kruidige geuren. Al die verschillende sari’s, al die verschillende mensen, al die verschillende activiteiten op dat ene kruispunt. Met een man van de militaire politie die dat allemaal regelt. In de vijf dagen dat ik er was heb ik dat niet anders meegemaakt. Hooguit iets minder druk en met maanlicht in plaats van zon.
Iedere keer als ik India bezoek overvalt me de diversiteit van het land. De kleuren, de mensen, hun gewoontes. Niet dat ik het niet eerder al eens gezien heb. Maar iedere keer valt het weer op. Ook hoe praktisch en vindingrijk de mensen zijn.
Het laatste gedeelte moet je dus te voet afleggen. Google Maps was voorlopig voldoende om me op koers te houden. Er loopt een brede weg direct naar de ghat, de trappen naar beneden richting het Gangeswater. Maar eerst moet je zover zien te komen. De brede weg is een soort levende markt, weinig echte kraampjes maar vooral mensen die op de grond zijn gaan zitten om er groente, fruit en kruiden te verkopen, winkels die tegen de pui en aan de rand van de weg nog wat extra koopwaar hebben staan. Daartussen allerlei groepen mensen, bedevaartgangers. De groepen kunnen groot zijn maar het kunnen ook gezinnen zijn. Of een eenling zoals ik. De meeste mensen komen natuurlijk uit India. Sommige westerlingen waren gisteren nog in de flower power sixties. Overal mannen die je koffer willen dragen, voortduwen, vasthouden. Het vergt wat doorzettingsvermogen om ze van me af te houden.
Het voetgangersdomein.
Even een filmpje maken voor op instagram?
De Ganga Aarti verbeeld op de plaquette. De boot is in een interessant perspectief.
Bij de ghat aangekomen volgt het moeilijkste deel van mijn voettocht. Dichter bij het hotel wordt Google Maps moeilijker te volgen. Uiteindelijk moest ik de weg vragen en gelukkig waren er bordjes met de naam van het hotel. Ik liep een tijd door een smal straatje dat ‘parallel’ aan de Ganges loopt. Winkels aan beide kanten, vooral veel stoffen in alle kleuren en souvenirs. En natuurlijk restaurants en backpackerhotels en hostels. Het wegdek is ongelijk met hier en daar een plas water moet je opletten voor bijvoorbeeld de motoren die gebruik maken van dezelfde straat. Zoals bijna overal in India zijn er overal mensen om je heen. De meeste zijn kleiner dan ik ben, wat prettig is voor het overzicht. Het duurt niet lang voor je gewend bent aan wat op het eerste gezicht een chaos lijkt maar wat een zichzelf sturende drukte zal blijken te zijn waar iedereen zijn weg vindt. Het hotel was nog een paar trappen omhoog. Het was er rustig. Heel vriendelijke mensen.
Een restaurant in de buurt van het hotel.
Deze gast wordt toch verzocht ergens anders te gaan eten.
Zo begon mijn derde bezoek aan Varanasi. De eerste keer was in 1995, de tweede keer in 2016. Maar niet eerder zo lang of alleen.
Als ik later op de dag over de ghat loop zie ik dat de voorbereidingen voor de Ganga Aarti in volle gang zijn.
Wie even de tijd neemt om rond te kijken bij de Dashashwamedh Ghat, zelfs al is het alleen tijdens de voorbereiding van de Aarti, ontdekt beelden die meer vertellen dan hun eenvoud doet vermoeden.
De godin en haar waterwezens
Bij de Dashashwamedh Ghat, waar iedere avond de Ganga Aarti plaatsvindt, staat een beeld dat misschien niet uitblinkt door verfijning, maar zeker door haar directe kracht.
Ganga Devi zit centraal in de afbeelding. De golvende achtergrond verbeeldt het Gangeswater, de rivier zelf — waardoor Ganga Devi verschijnt als levende stroom.
In haar rechterhand houdt ze de kamandalu, de waterkruik die verwijst naar reiniging en spirituele zuiverheid; in haar andere hand de trishul, de drietand die haar band met Shiva markeert.
Onder haar verschijnt waarschijnlijk een gestileerde makara, het mythische waterdier dat in volkskunst vaak tot een visachtige vorm is vereenvoudigd. Hier niet zo eenvoudig te herkennen door de verse bloemguirlandes,
Boven haar flankeren twee olifantenkoppen het geheel: geen verwijzing naar Ganesh, maar symbolen van waterkracht en overvloed.
Zo vormt dit beeld een compacte samenvatting van de rivier als godin — niet als verheven kunstwerk, maar als visuele bron van devotie, gemaakt om de massa te raken en het ritueel te dragen. Zo’n beeld laat zien hoe volksdevotie haar eigen beeldtaal vormt, direct, herkenbaar en volledig ingebed in het ritueel van de rivier.
India, Varanasi, Dashashwamed Ghat, de voorbereiding voor de Ganga Aarti is in volle gang.
Op deze eerste avond in Varanasi van deze reis laat ik het feitelijk ritueel aan me voorbij gaan. In het volgende bericht over Varanasi ga ik het wel bijwonen.
Huis van het Boek, Apocalyps, Hal Lindsey, The late great planet earth, 1970.
Frans Masereel, Debout les Morts, Geneve, Albert Kundig, 1917.
Yubin Lee, Being of Saerang-i, 2023 – 2026, gouache en octopusinkt op hanjipapier.
– van een tijdreizende pilaar naar een tempel die werkelijk niets aan de verbeelding wil overlaten –
De acceptatie van electrisch aangedreven voertuigen heeft nog wel een weg te gaan.
Een schoolgebouw met een mooie muurschildering. Maker: Linas Kaziulionis uit Lithouwen.
Alles met een relatie naar Shiva Nataraja trekt meteen mijn aandacht. Ook dit bijzondere hotel.
De gevel heeft Japanse trekjes.
Toen ik het complex binnenging was ik nog steeds wat uit mijn doen. Archeologische ruïnes vragen om context, en die had ik deze keer niet. Als bezoeker van een complex dat zeven eeuwen oud is, loop je al snel verloren rond.
India, New Delhi, Kotla Feroz Shah.
Zonder te weten wat het ooit geweest is, blijft wat je ziet betekenisloos: muren zonder functie, ruimtes zonder verhaal. Het is hetzelfde gevoel dat je kunt hebben bij Romeinse of Griekse ruïnes — je ziet vormen, maar je mist het systeem waar ze ooit deel van uitmaakten. Misschien had ik Feroz Shah Kotla vooraf moeten bestuderen; nu liep ik er onvoorbereid in, en dan is het lastig om te begrijpen wat je ziet.
Feroz Shah, pyramidal structure met bovenop de Ashoka Pilaar.
Kotla Feroz Shah is de zogenaamde vijfde stad van Delhi, gebouwd rond 1354. Het is een uitgestrekt complex met verdedigingswerken, een paleis, een moskee, een baoli en zelfs een duivenverblijf. In het complex staat een speciaal opgetrokken, verhoogde structuur die Feroz Shah liet bouwen om de Ashokan Pillar uit de 3de eeuw v.Chr. daar te kunnen plaatsen — een object dat toen al bijna twee millennia oud was, en dat hier, op zijn nieuwe sokkel, nog sterker de indruk wekt dat het door de tijd heen is verschoven.
Detail van de Ashoka Pilaar en de inscriptie.
Veel van de stenen van het complex zijn later hergebruikt bij de bouw van Shahjahanabad, waardoor het geheel nog meer aanvoelt als een plek die door de tijd heen is losgeweekt.
De Moskee.
De bewaker die vond dat hij toch echt mijn gids moest zijn, hielp mijn stemming die dag niet bepaald. Maar zulke figuren horen er nu eenmaal bij; elke ruïne heeft zijn eigen menselijke bijvangst.
Het bovengronds deel van de Baoli lijkt op een cirkelvormige, lage muur met nissen.
Een kijkje door een van de nissen.
Restanten van het paleis.
Het complex is een groot terrein metveel ruimte voor de tuin.
Alles bij elkaar werd het een soort ‘kliekjesdag’. Na mijn ochtendwandeling, Feroz Shah Kotla en mijn eerste solo‑treinavontuur in India had de rickshawchauffeur nóg een idee: de Akshardham Temple. Een recent gebouwd tempelcomplex waar werkelijk alles tot in het uiterste is doorgevoerd: beelden die nooit alleen staan maar in groepen van tientallen, voorstellingen van niet één heilig verhaal maar van alle verhalen tegelijk, hoven en voorhoven die elkaar blijven opvolgen, vijvers, bibliotheken, restaurants, en een parkeerterrein van meerdere voetbalvelden. Het heilige der heilige is een gouden swami. Het geheel is zo perfect afgewerkt dat er geen enkel beeld een hoekje mist. Voor mij voelt het bijna als een religieuze megastructuur — overweldigend, totaal — maar voor de bezoekers blijft het onmiskenbaar een oprechte religieuze ervaring.
Onderweg naar de Akshardham tempel.
In het enorme tempelcomplex mag je geen foto´s maken maar men had een gids in het Nederlands !
Het taalgebruik zegt veel over wat er te zien is. Men gebruikt in de tekst veel containerbegrippen als± uniek, Indiase cultuur, ongeèvenaarde, Fakkeldrager enz.
Op het treinstation in New Delhi had ik nog voldoende tijd voor de trein zou vertrekken. Dit is de toegangsticket voor de lounge op het stationsperron. Een ruimte met stoelen waar het iets rustiger is dan op het perron.
De trein ging naar Varanasi.
De foto is van deze middag en het is vandaag te warm om de zon in de kamer te laten schijnen.
Er hangt een tentoonstellingsposter in mijn kamer. Bovenaan staat de naam van de kunstenaar. De rest is een feest van kleur en suggestie. Suggestie van beweging. De tekst die erbij staat lijkt aan te geven dat het om een tentoonstelling van Jean Tinguely gaat in . Ergens rond november 1986 was die tentoonstelling. Maar ik heb er nooit bewijs van kunnen vinden dat die tentoonstelling ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Maar dat maakt niet uit. Ergens in het begin van de jaren tachtig zag ik zijn fonteinen voor het eerst: The Stravinsky Fountain bij het Centre Pompidou in Parijs en de Tinguely Fountain in Bazel.
Bazel, Jean Tinguely, Tinguely Fountain.
Op de laatste dag van mijn korte vakantie in Zürich ging ik vroeg in de ochtend met de trein naar Bazel. Op dezelfde dag zou ik in de avond de nachttrein terug naar huis nemen. Maar zover was het nog niet. Er was nog veel kunst te zien, waaronder de Tinguely Fountain.
Een specifiek onderdeel van die vijver heeft me altijd aangesproken. Een zwart apparaat dat samen met nog een aantal machines in die vijver staat. Het doel van het apparaat is om mijn zijn beentjes, die aan het eind hoefvormige voetjes lijken te hebben, het water weg te trappelen. De motor fier in top. Alsof het apparaat een kuil aan het graven is. Moe wordt het apparaat niet (want het is een apparaat). Dat is maar goed ook, want kleine hoeveelheden water wegduwen heeft niet zo veel effect in een vijver. Eigenlijk is dat waar voor alle machines in de vijver: ze verplaatsen water en toch het wateroppervlak verandert er niet door. Natuurlijk, er zijn soms druppels te zien, bellen in het water, het regent er, het borrelt er, het schuimt, soms spat het water uiteen. Maar je kunt zeggen dat er eigenlijk ook niets gebeurt. Hoe dan ook, het is er een magische plaats.
Huis van het Boek, Apocalyps, Susanne Inglada, Way Out IV, 2025, houtskool, acrylverf en pastel op papier.
Hans Feibusch, The revelation of Saint John the Divine, Londen, Collins, 1946.
Kort beworp vande dry teghenwoordighe aenmerckens-weerdighe wonderheden des wereldts, Keulen, Jan van Souffenborgh, 1656.
Warachtighe beschrijvinghe ende levendighe afbeeldinghe van de meer dan onmenschelijcke ende barbarische tyrannije bedreven by de Spaengiaerden inde Nederlanden, 1621.
Tieleman Jansz. van Braght, Het bloedig tooneel of martelaers spiegel der Doops-gesinde of weereloose Christenen, Amsterdam, H. Sweerts, 1685.
Herinneringscentrum Kamp Westerbork, De 102.000 namen, Den Haag, Boom Uitgevers, 2018.
Lana Mesiĉ, Fainah and Camille uit de serie ‘Anatomy of Forgiveness, 2014, Hahnemühle Photorag Print.
Robert van Gulik, …, schreef Nagels in Ning-Tsjo in Beiroet, gedurende de zomer van 1958. De Libanon was weer eens in rep en roep en de burgeroorlog had zich tot de voorsteden van Beiroet verspreid maar Van Gulik was onze gevolmachtigde minister voor het Midden-Oosten en er werd van hem verwacht dat hij op zijn post zou blijven. Alleen, zijn familie was al enige tijd geëvacueerd, woonde hij in zijn met zandzakken gebarricadeerde huis en amuseerde zich met het op schrift stellen van de lotgevallen van zijn held, Rechter Tie.
Helaas is de inleiding van Nagels in Ning-Tsjo van een ongepaste luchtigheid die je vaker tegenkomt als er in het westen gesproken wordt over gewelddadige conflicten ergens in de wereld. Een soort van neokoloniale houding.
Robert van Gulik, Nagels in Ning-Tsjo. De omslag valt een beetje uit de toon omdat er deze keer geen mooi, oud, Chinees voorwerp te zien is.
Het is intussen 2026, achtenzestig jaar later, en er vallen nog iedere dag slachtoffers in Libanon. Dit jaar door Israël.
Iemand (LV?) tekende aan, het boek gelezen te hebben in 1981. Ik heb me aangesloten bij de gewoonte dit te vermelden.
Ook in deze Rechter Tie-roman lost Tie meerdere moorden op. Het boek in zijn geheel eindigt in een enorme climax waarbij de carrière van Rechter Tie zowel op het spel staat als nieuwe hoogtes bereikt.
In veel deeltjes heeft Van Gulik een stadsplattegrond opgenomen om het voor de lezer eenvoudiger te maken de verwikkelingen te volgen. Iedere keer moet ik naar het stadscentrum van Xi’an denken dat nog steeds een ommuurd, rechthoekig plan heeft.
Helaas is Het Onthoofde Lijk een complex verhaal dat tegelijk elementen bevat die wel erg onwaarschijnlijk zijn. We zien dat ook bij De Vermoorde Koopman maar daar zet Van Gulik deze zwakte om in een heel sterk slot. De nieuwe benoeming wordt dan de kers op de taart.
In de tuin Van Museum Rietberg: “Waar de bomen fluisteren, de vissen elkaar kussen en de penseel danst.
Waar buiten de bomen fluisterden en de penseel danste, stonden binnen veel objecten die geen penseel kennen maar wel dezelfde reis maakten. Gevormd door hun Indiase oorsprong, ondergingen ze later een Chinese vertaling en ontvingen in Tibet een actieve rol in de devotie.
Vandaag laat ik de laatste foto’s uit Zürich zien die ik maakte in september 2025. Mijn doel was de Shiva Nataraja van het Museum Rietberg en hun Indiase en Chinese collectie. Ik zag er nog veel meer zoals de bronzen uit Tibet die hier gaan passeren als de laatste beelden van deze korte vakantie. Het eerste is een beeld van de tantrisch boeddhistische godheid Achala.
Zürich, Museum Rietberg, Achala, The Immovable, Tibet, 14th – 15th century CE, kupferlegierung, vergoldet, sammlung Berti Aschmann, BA 116.
Achala (in het Tibetaans Mi g.yo ba, in het Sanskriet Acala) is een dharmapāla — een beschermer van de leer. Zijn naam betekent de Onbewogen — je zou ook kunnen zeggen: de Standvastige, de Onwrikbare, de Rots.
Zwaard.
Maar zijn houding is allesbehalve statisch: hij belichaamt de paradox van onbeweeglijkheid in actie.
Lasso en knie.
Eén knie rust op de grond, het lichaam helt voorover, het zwaard geheven om onwetendheid te doorboren. In zijn linkerhand houdt hij de lasso waarmee hij de krachten van de geest temt. Rond zijn heupen hangt een leeuwenhuid, symbool van getemde kracht. De sierlijke lijnen van haarlokken, sierbanden en lasso vormen samen een ritme dat door het hele beeld loopt — alsof de energie van de strijd niet buiten hem woedt, maar in het brons zelf pulseert.
De dierenhuid om de lendenen.
Ontwikkeling
De figuur van Achala heeft een lange reis afgelegd. Hij ontstaat in India als tantrische beschermer (Acala), een Wijsheidskoning die illusie en onwetendheid doorboort. In China blijft zijn functie vrijwel onveranderd: als Budong Mingwang is hij opnieuw een Wijsheidskoning, een woeste maar compassievolle verdediger van de dharma.
Pas in Tibet krijgt hij als Mi g.yo ba een bredere en intensere rol. Daar wordt hij niet alleen vereerd als dharmapāla, maar ook actief ingezet in rituelen, meditatiepraktijken, amuletten en draagbare schrijnen. Zijn functie wordt er niet anders, maar uitgebreider en centraler: dezelfde Onbewogen Beschermer, maar met een grotere rituele aanwezigheid. In al deze tradities blijft hij de paradox belichamen van onbeweeglijke kracht die juist door haar onverzettelijkheid in beweging komt.
Travelling shrine, Tibet/China, some from the sammlung Berti Aschmann.
Slot
De reeks kleine draagbare schrijnen laat zien hoe de verering van tantrische godheden ook buiten de tempel zijn plaats vond. Elk huis, elke reiziger kon zo een eigen beschermende aanwezigheid meedragen. Op de tafel in het museum stonden er vele — ik toon er slechts een paar. De collectie metalen beelden uit Azië was veel uitgebreider dan ik liet zien; ik koos enkel enkele hoofdmomenten.
Maar buiten scheen de zon uitbundig voor september. Ik ben nog even gaan wandelen; het leek alsof het licht van de beelden zich gewoon had verplaatst naar de dag zelf.
Er lag iets op de rand van de oude put waar ze zwijgend naar bleef staren. Geen zuchtje wind bewoog in de bomen en de vochtige, hete lucht in de donkere tempeltuin was benauwend. Een paar amandelbloesems dwarrelden neer van de uitstekende takken boven hun hoofd. Ze leken heel wit in het licht van de lantaarn, en nog witter toen ze in de bloedplas op de verweerde stenen vielen.
Nou, dat is een manier om een detective te beginnen. Het spook in de tempel is wederom een complex verhaal. Een hele reeks moorden en verdwijningen die in het begin niets met elkaar te maken lijken te hebben. Maar naar het einde toe blijken de verdwijningen ook moorden. Er worden zelfs moordenaars vermoord.
Toch is het verhaal op zijn best een middenmoter. Het verhaal lijkt vertrokken van een heel goed plan maar bij het uitschrijven zijn sommige delen te weinig tot zijn recht gekomen. In het voorlaatste hoofdstuk brengt de rechter alle mogelijke betrokkenen bij elkaar. Dat doet hij buiten de rechtbank, meestal kiest Van Gulik voor de rechtbank als decor voor de oplossing. Voor de mogelijke hoofdrolspelers verloopt dat hoofdstuk naar tevredenheid (in zoverre je daarvan kunt spreken als je slachtoffer bent van een misdrijf). Maar voor de lezer staan nog wel wat punten open. Die worden in het laatste hoofdstuk opgelost. Maar het gevoel bij deze werkwijze is er een van haast.
In het Naschrift schrijft Van Gulik:
‘De nieuwe esoterische secte van het Boeddhisme waar in dit boek herhaaldelijk over gesproken wordt, is het Tantrisme, dat destijds in India en daarbuiten heeft gebloeid’
Teleurstellend is de manier waarop Van Gulik die belofte van ‘herhaaldelijk bespreken’ probeert in te vullen.
Hoewel Van Gulik in Het spook in de tempel nadrukkelijk verwijst naar het tantrisme als een “uit India afkomstige esoterische sekte”, is dat beeld inmiddels door de moderne sinologie sterk bijgesteld. Waar hij het tantrisme vooral inzet als exotisch element — een manier om een tempel, een monnik of een ritueel een zweem van vreemdheid te geven — laten recente studies zien dat de werkelijkheid in de Tang‑tijd veel complexer en vooral veel Chinees‑eigener was dan zijn naschrift suggereert. Het esoterisch boeddhisme kwam weliswaar via Indiase meesters naar China, maar het wortelde er snel en diep, en ontwikkelde zich tot een hybride traditie waarin Indiase rituele methodes en Chinese religieuze praktijken elkaar beïnvloedden. Het was geen geïsoleerde, uitheemse stroming, maar een levendige mengvorm die zich aanpaste aan Chinese rituele logica, staatsceremonies en lokale culten.
Ook het beeld van “Indiase architectuur” dat Van Gulik herhaaldelijk oproept, blijkt bij nader inzien vooral een echo van oudere westerse sinologie. Chinese tantrische tempels waren in hun bouwstijl vrijwel altijd Chinees, met houten constructies, daklijnen en plattegronden die passen binnen de eigen architectonische traditie. Alleen de iconografie en rituele inrichting droegen sporen van Indiase oorsprong. De nadruk die Van Gulik legt op het uitheemse karakter van de tempel — alsof de hele structuur uit India is overgewaaid — weerspiegelt eerder een negentiende‑eeuws idee van “oosterse mystiek” dan de historische werkelijkheid.
Daarmee hangt samen dat tantrisme in de Tang‑tijd allerminst een marginale of verdachte randreligie was. Integendeel: het speelde een centrale rol aan het hof, waar figuren als Amoghavajra politieke invloed uitoefenden en rituelen uitvoerden voor staatsbescherming, diplomatie en militaire doeleinden. Het esoterisch boeddhisme was geen geheimzinnige sekte, maar een vorm van religieuze machtspolitiek die nauw verweven was met de elitecultuur. Dat Van Gulik het in zijn verhaal vooral koppelt aan bedrog, gevaar en misleiding, zegt meer over zijn literaire voorkeuren dan over de historische positie van deze traditie.
De moderne sinologie benadrukt bovendien dat China niet slechts een ontvanger was van Indiase ideeën, maar ook een producent van nieuwe tantrische vormen. Chinese monniken schreven eigen esoterische teksten, ontwikkelden rituelen die in India onbekend waren en combineerden tantrische concepten met yin‑yang‑denken, vijf‑fasenleer en daoïstische rituele magie. Het tantrisme werd zo een Chinese innovatie, niet alleen een importproduct. In dat licht krijgt Van Guliks herhaalde verwijzing naar India iets eenzijdigs: hij ziet vooral de oorsprong, niet de transformatie.
Dat alles maakt duidelijk waarom zijn naschrift vandaag de dag wat vreemd aanvoelt. Hij presenteert het tantrisme als een exotisch element dat “herhaaldelijk” in het verhaal voorkomt, maar in de roman zelf blijft het vooral decor. De verwijzingen naar India versterken dat exotische effect, maar sluiten niet aan bij wat we nu weten over de manier waarop esoterisch boeddhisme in China functioneerde. Het is een beeld dat inmiddels is ingehaald door onderzoek: historisch begrijpelijk vanuit zijn tijd, literair effectief, maar wetenschappelijk te smal.
Robert van Gulik, Het spook in de tempel.
Hoewel de Nederlandse titel Het spook in de tempel inmiddels vertrouwd klinkt binnen de Tie‑reeks, blijft het eigenlijk een merkwaardige vertaling van The Phantom of the Temple. Het Engelse phantom suggereert iets ongrijpbaars, een verschijning die even goed illusie als werkelijkheid kan zijn, terwijl spook in het Nederlands veel concreter en bijna kinderlijk aandoet. Een titel als De tempelverschijning zou dichter bij de sfeer van het origineel liggen: subtieler, minder folkloristisch, en beter passend bij de ambiguïteit die Van Gulik in het verhaal zelf probeert op te roepen. Want, spoiler, het spook is geen geest.
– over een ochtend tussen stilte, omwegen en lokaal toerisme –
Op deze zaterdagmorgen ging ik op zoek naar Siri, een van de historische stadscentra van Delhi. Ik ging met de metro naar het station Hauz Khas. Dat ligt ongeveer halverwege tussen Siri en de Hauz Khas-bezienswaardigheden. Die ochtend heb ik veel gelopen, vooral over straten die eigenlijk niet bedoeld zijn voor voetgangers. Net als de meeste straten in New Delhi. Maar natuurlijk kun je overal langs de weg lopen want er zijn miljoenen mensen die gebruik moeten maken van bussen, metro en rickshaws. Die moeten ook een deel van hun reis te voet afleggen.
Metrostation Hauz Khas ligt midden in een parklandschap. Het was er opvallend rustig en stil. Geen geuren van specerijen of vis, geen marktgeluiden. Mooie woningen, brede straten, overal een auto voor de deur die op zaterdagmorgen door personeel worden gewassen.
Een rustige woonwijk tegen Siri Fort met hier wel een stoep.
Restanten van Siri Fort heb ik die ochtend niet gevonden en daarom ben ik rond de middag naar Hauz Khas gelopen. Later werd me duidelijk dat er van Siri eigenlijk maar weinig over is: alleen delen van de oude stadsmuren staan nog overeind. Die zie je nu vooral als decor in de woonwijken, tussen parken, sportvelden en moderne bebouwing.
Hauz Khas is een soort toeristische trekpleister binnen New Delhi. Veel restaurants, modewinkels, souvenirwinkels, een hertenkamp en een serie restanten van een madrasa (school), een tombe en een tuin in de buurt van een groot waterreservoir.
In de middag ging ik weer terug naar Connaught Place. Vandaar was het nog maximaal een half uur lopen naar het hotel. Nog genoeg tijd voor andere indrukken van Delhi.
De archeologische vondsten liggen heel dicht tegen de huizen.
De luchtvervuiling blijft alle dagen in Delhi mijn medereiziger.
Hauz Khas is een naam die waarschijnlijk afgeleid is van het Perzisch waar het Koninklijk waterreservoir betekent.
Er wonen in Delhi ook mensen onder een viaduct.
Ook in de buurt Paharganj worden klanten met spectakel de restaurants binnengelokt.
Bij het hotel was het rustiger al stond er wel een paard in de straat.
De Openbaring van Johannes heeft schrijvers door de eeuwen heen op vreemde gedachten gebracht. Het lijkt wel of Hegseth, Rubio en Vance, dit soort gedachten nog iedere nacht hebben. De originele tekst is niet heel duidelijk en laat veel ruimte voor interpretatie. Ook de auteur staat niet vast. Daar maken mensen grif gebruik van. Het kan niet bloederig genoeg en er wordt niet op een moord meer of minder gekeken. Zelfs de onschuld zelve, de maagd Maria, gaat er op uit om te doden.
Is het lam wel zo onschuldig?
Huis van het Boek, Apocalyps, Afbeeldingen van de Meester van Catharina van Kleef, getijden- en gebedenboek, handschrift, Utrecht, circa 1438.
Bijbel, Nederduits, Keulen, Bartholomaeus de Unkel en Heinrich Quentell voor Johann Helman en Arnold Salmonster in Keulen en Anton Koberger in Neurenberg, circa 1478 – 1479.
Speculum humanae salvationis, handschrift, Keulen, circa 1450 – Maria verplettert de duivel.
Judith en Holofernes.
Jaël vermoordt Sisera.
Carolein Smit, Lam op het boek met zeven zegels, 2026, keramiek met glazuur en goudluster.
Twee metalen beelden in de collectie van Museum Rietberg komen min of meer toevallig bij elkaar in dit bericht.
Ze staan in de presentatie van het museum niet bij elkaar. Ik ben er zeker van dat ik op het moment van fotograferen niet doorhad dat de beelden om dezelfde voorstelling gaan: Tathagata Vairochana. Daarbij wil de titel Tathagata benadrukken dat een figuur een volledig verlichte Boeddha is.
Zürich, Museum Rietberg, Tathagata Vairochana, West Tibet, 14th century CE, messing, Sammlung Berti Aschmann, BA 25.
Tussen de foto’s van het eerste en het tweede Vairochana-beeld maakte ik nog een andere foto. Maar per ongeluk schreef ik daar al eerder een bericht over.
In de boeddhistische kunst van de Himalaya speelt Vairochana vooral een rol binnen het Mahāyāna en het Vajrayāna, tradities waarin Boeddha’s niet alleen historische figuren zijn maar ook symbolische verbeeldingen van inzicht.
Vanaf de 7e eeuw ontstaat in Tibet een beeldcultuur waarin zulke ‘transcendente’ Boeddha’s een vaste plaats krijgen in rituelen, in mandala’s — die als visuele schema’s van het universum functioneren — en in de inrichting van kloosters. Het Vajrayāna gebruikt deze beelden als hulpmiddel bij meditatie en visualisatie: niet om een god te vereren, maar om een bepaalde helderheid van geest op te roepen.
We doen in het Westen vaak alsof zulke boeddhistische beelden iets diepzinnigs of ongrijpbaars verbeelden, maar het mechanisme erachter is eigenlijk heel herkenbaar. Ook wij geven dagelijks vorm aan abstracte ideeën met heel concrete beelden: in reclame, in politiek, in campagnes. Vrijheid krijgt vleugels, zekerheid wordt een schild, een politieke boodschap krijgt een vriendelijk gezicht. In die zin doet een Vairochana‑beeld niets anders: het gebruikt een mensfiguur om dat vorm te geven wat geen vorm heeft — helderheid, inzicht, het moment waarop iets opeens klopt.
Tathagata Vairochana, Tibet, 14th century CE, kupferlegierung, vergoldet, Sammlung Berti Aschmann, BA 26.
Wanneer je naar deze Vairochana‑beelden kijkt in Museum Rietberg, zie je op het eerste gezicht een mens: een lichaam, een gezicht, handen in een bepaalde houding. Maar in de boeddhistische traditie is dat specifieke beeld van de mens vooral een hulpmiddel om dat vorm te geven wat geen vorm heeft — het inzicht dat alles helder wordt wanneer je zonder verwarring kijkt. Daarom wordt Vairochana vaak met licht geassocieerd: niet als een god die straalt, maar als het moment waarop voor de kijker iets ineens helder wordt — alsof er een lamp aangaat.
Laat het licht, maar dan het fysieke licht, nu net de factor zijn die bepaalde hoe ik de foto’s maakte. Het tweede, vergulde beeld van Vairochana stond voor een raam. Het zonlicht dat binnen scheen, maakte een of meerdere frontale foto’s moeilijk. Vandaar dat op de foto van opzij het beeld nog het best te zien is. Van de twee is, ondanks de glans en het licht, voor mij dat laatste beeld het meest sympathiek.
Hazrat Nizam-ud-din Dargah is een dargah (soefischrijn) met omliggende moskeecomplex voor de soefi-heilige Nizamuddin Auliya (1238 – 3 april 1325). Een van de belangrijkste moslim‑soefi‑heiligen van India. Over dit complex had ik gelezen in het boek City of Djinns: A Year in Delhi van William Dalrymple.
Nu ik er vlak bij was, besloot ik te gaan kijken. Het is een plek die duidelijk intensief wordt bezocht door volgelingen. Om er te komen was nog wel een klein avontuur. Het is niet ver van de brede verkeersweg waar ik was en waar ook de uitgang is van Humayun’s Tomb. Op Google Maps lijkt het allemaal heel overzichtelijk. Maar dan ben je er nog niet.
Het complex ligt ingebouwd tussen winkels, bedrijfjes en huizen. Je gaat door een serie van gangen met meerdere routes die allemaal naar het complex lijken te leiden. Dus als je niet oppast, sta je er ook weer snel ver vandaan. Ik liep maar met de andere mensen mee.
De poort, rechts achterin, is een van de punten vanwaaraf je het complex kunt bereiken.
Fotograferen in of bij een gebedshuis van een religie die niet de jouwe is voelt altijd een beetje ongemakkelijk. Daarom heb ik het bij twee foto’s gehouden, beide gemaakt met mijn telefoon.