Het begin van de inleiding:
Robert van Gulik, …, schreef Nagels in Ning-Tsjo in Beiroet, gedurende de zomer van 1958. De Libanon was weer eens in rep en roep en de burgeroorlog had zich tot de voorsteden van Beiroet verspreid maar Van Gulik was onze gevolmachtigde minister voor het Midden-Oosten en er werd van hem verwacht dat hij op zijn post zou blijven. Alleen, zijn familie was al enige tijd geëvacueerd, woonde hij in zijn met zandzakken gebarricadeerde huis en amuseerde zich met het op schrift stellen van de lotgevallen van zijn held, Rechter Tie.
Helaas is de inleiding van Nagels in Ning-Tsjo van een ongepaste luchtigheid
die je vaker tegenkomt als er in het westen gesproken wordt
over gewelddadige conflicten ergens in de wereld.
Een soort van neokoloniale houding.
Het is intussen 2026, achtenzestig jaar later, en er vallen nog iedere dag
slachtoffers in Libanon. Dit jaar door Israël.
Ook in deze Rechter Tie-roman lost Tie meerdere moorden op.
Het boek in zijn geheel eindigt in een enorme climax waarbij de carrière
van Rechter Tie zowel op het spel staat als nieuwe hoogtes bereikt.
Helaas is Het Onthoofde Lijk een complex verhaal dat
tegelijk elementen bevat die wel erg onwaarschijnlijk zijn.
We zien dat ook bij De Vermoorde Koopman maar daar zet Van Gulik
deze zwakte om in een heel sterk slot.
De nieuwe benoeming wordt dan de kers op de taart.
Waar buiten de bomen fluisterden en de penseel danste,
stonden binnen veel objecten die geen penseel kennen
maar wel dezelfde reis maakten.
Gevormd door hun Indiase oorsprong,
ondergingen ze later een Chinese vertaling
en ontvingen in Tibet een actieve rol in de devotie.
Vandaag laat ik de laatste foto’s uit Zürich zien die ik maakte
in september 2025.
Mijn doel was de Shiva Nataraja van het Museum Rietberg
en hun Indiase en Chinese collectie.
Ik zag er nog veel meer zoals de bronzen uit Tibet
die hier gaan passeren als de laatste beelden van deze korte vakantie.
Het eerste is een beeld van de tantrisch boeddhistische godheid Achala.
Achala (in het Tibetaans Mi g.yo ba, in het Sanskriet Acala)
is een dharmapāla — een beschermer van de leer.
Zijn naam betekent de Onbewogen
— je zou ook kunnen zeggen: de Standvastige, de Onwrikbare, de Rots.
Maar zijn houding is allesbehalve statisch:
hij belichaamt de paradox van onbeweeglijkheid in actie.
Eén knie rust op de grond, het lichaam helt voorover,
het zwaard geheven om onwetendheid te doorboren.
In zijn linkerhand houdt hij de lasso waarmee hij de krachten van de geest temt.
Rond zijn heupen hangt een leeuwenhuid, symbool van getemde kracht.
De sierlijke lijnen van haarlokken, sierbanden en lasso vormen samen
een ritme dat door het hele beeld loopt
— alsof de energie van de strijd niet buiten hem woedt,
maar in het brons zelf pulseert.
Ontwikkeling
De figuur van Achala heeft een lange reis afgelegd.
Hij ontstaat in India als tantrische beschermer (Acala),
een Wijsheidskoning die illusie en onwetendheid doorboort.
In China blijft zijn functie vrijwel onveranderd:
als Budong Mingwang is hij opnieuw een Wijsheidskoning,
een woeste maar compassievolle verdediger van de dharma.
Pas in Tibet krijgt hij als Mi g.yo ba een bredere en intensere rol.
Daar wordt hij niet alleen vereerd als dharmapāla,
maar ook actief ingezet in rituelen, meditatiepraktijken, amuletten en draagbare schrijnen.
Zijn functie wordt er niet anders, maar uitgebreider en centraler:
dezelfde Onbewogen Beschermer, maar met een grotere rituele aanwezigheid.
In al deze tradities blijft hij de paradox belichamen
van onbeweeglijke kracht
die juist door haar onverzettelijkheid in beweging komt.
Slot
De reeks kleine draagbare schrijnen laat zien hoe de verering van tantrische godheden
ook buiten de tempel zijn plaats vond.
Elk huis, elke reiziger kon zo een eigen beschermende aanwezigheid meedragen.
Op de tafel in het museum stonden er vele — ik toon er slechts een paar.
De collectie metalen beelden uit Azië was veel uitgebreider dan ik liet zien;
ik koos enkel enkele hoofdmomenten.
Maar buiten scheen de zon uitbundig voor september.
Ik ben nog even gaan wandelen;
het leek alsof het licht van de beelden zich gewoon had verplaatst naar de dag zelf.
Er lag iets op de rand van de oude put waar ze zwijgend naar bleef staren. Geen zuchtje wind bewoog in de bomen en de vochtige, hete lucht in de donkere tempeltuin was benauwend. Een paar amandelbloesems dwarrelden neer van de uitstekende takken boven hun hoofd. Ze leken heel wit in het licht van de lantaarn, en nog witter toen ze in de bloedplas op de verweerde stenen vielen.
Nou, dat is een manier om een detective te beginnen.
Het spook in de tempel is wederom een complex verhaal.
Een hele reeks moorden en verdwijningen
die in het begin niets met elkaar te maken lijken te hebben.
Maar naar het einde toe blijken de verdwijningen ook moorden.
Er worden zelfs moordenaars vermoord.
Toch is het verhaal op zijn best een middenmoter.
Het verhaal lijkt vertrokken van een heel goed plan
maar bij het uitschrijven zijn sommige delen
te weinig tot zijn recht gekomen.
In het voorlaatste hoofdstuk brengt de rechter
alle mogelijke betrokkenen bij elkaar.
Dat doet hij buiten de rechtbank, meestal kiest
Van Gulik voor de rechtbank als decor voor de oplossing.
Voor de mogelijke hoofdrolspelers verloopt dat hoofdstuk
naar tevredenheid (in zoverre je daarvan kunt spreken
als je slachtoffer bent van een misdrijf).
Maar voor de lezer staan nog wel wat punten open.
Die worden in het laatste hoofdstuk opgelost.
Maar het gevoel bij deze werkwijze is er een van haast.
In het Naschrift schrijft Van Gulik:
‘De nieuwe esoterische secte van het Boeddhisme waar in dit boek herhaaldelijk over gesproken wordt, is het Tantrisme, dat destijds in India en daarbuiten heeft gebloeid’
Teleurstellend is de manier waarop Van Gulik
die belofte van ‘herhaaldelijk bespreken’ probeert in te vullen.
Hoewel Van Gulik in Het spook in de tempel
nadrukkelijk verwijst naar het tantrisme
als een “uit India afkomstige esoterische sekte”,
is dat beeld inmiddels door de moderne sinologie sterk bijgesteld.
Waar hij het tantrisme vooral inzet als exotisch element
— een manier om een tempel, een monnik
of een ritueel een zweem van vreemdheid te geven —
laten recente studies zien dat de werkelijkheid in de Tang‑tijd
veel complexer en vooral veel Chinees‑eigener was
dan zijn naschrift suggereert.
Het esoterisch boeddhisme kwam weliswaar
via Indiase meesters naar China,
maar het wortelde er snel en diep,
en ontwikkelde zich tot een hybride traditie
waarin Indiase rituele methodes
en Chinese religieuze praktijken elkaar beïnvloedden.
Het was geen geïsoleerde, uitheemse stroming,
maar een levendige mengvorm
die zich aanpaste aan Chinese rituele logica,
staatsceremonies en lokale culten.
Ook het beeld van “Indiase architectuur”
dat Van Gulik herhaaldelijk oproept,
blijkt bij nader inzien vooral een echo
van oudere westerse sinologie.
Chinese tantrische tempels waren in hun bouwstijl
vrijwel altijd Chinees, met houten constructies, daklijnen
en plattegronden die passen
binnen de eigen architectonische traditie.
Alleen de iconografie en rituele inrichting
droegen sporen van Indiase oorsprong.
De nadruk die Van Gulik legt op het uitheemse karakter
van de tempel — alsof de hele structuur uit India is overgewaaid —
weerspiegelt eerder een negentiende‑eeuws idee
van “oosterse mystiek” dan de historische werkelijkheid.
Daarmee hangt samen dat tantrisme in de Tang‑tijd
allerminst een marginale of verdachte randreligie was.
Integendeel: het speelde een centrale rol aan het hof,
waar figuren als Amoghavajra politieke invloed uitoefenden
en rituelen uitvoerden voor staatsbescherming,
diplomatie en militaire doeleinden.
Het esoterisch boeddhisme was geen geheimzinnige sekte,
maar een vorm van religieuze machtspolitiek
die nauw verweven was met de elitecultuur.
Dat Van Gulik het in zijn verhaal vooral koppelt aan bedrog,
gevaar en misleiding, zegt meer over zijn literaire voorkeuren
dan over de historische positie van deze traditie.
De moderne sinologie benadrukt bovendien dat China
niet slechts een ontvanger was van Indiase ideeën,
maar ook een producent van nieuwe tantrische vormen.
Chinese monniken schreven eigen esoterische teksten,
ontwikkelden rituelen die in India onbekend waren
en combineerden tantrische concepten
met yin‑yang‑denken, vijf‑fasenleer en daoïstische rituele magie.
Het tantrisme werd zo een Chinese innovatie,
niet alleen een importproduct.
In dat licht krijgt Van Guliks herhaalde verwijzing naar India
iets eenzijdigs:
hij ziet vooral de oorsprong, niet de transformatie.
Dat alles maakt duidelijk waarom zijn naschrift vandaag de dag
wat vreemd aanvoelt.
Hij presenteert het tantrisme als een exotisch element
dat “herhaaldelijk” in het verhaal voorkomt,
maar in de roman zelf blijft het vooral decor.
De verwijzingen naar India versterken dat exotische effect,
maar sluiten niet aan bij wat we nu weten
over de manier waarop esoterisch boeddhisme
in China functioneerde.
Het is een beeld dat inmiddels is ingehaald
door onderzoek:
historisch begrijpelijk vanuit zijn tijd, literair effectief,
maar wetenschappelijk te smal.
Hoewel de Nederlandse titel Het spook in de tempel inmiddels vertrouwd klinkt
binnen de Tie‑reeks, blijft het eigenlijk een merkwaardige vertaling
van The Phantom of the Temple.
Het Engelse phantom suggereert iets ongrijpbaars, een verschijning
die even goed illusie als werkelijkheid kan zijn,
terwijl spook in het Nederlands veel concreter en bijna kinderlijk aandoet.
Een titel als De tempelverschijning zou dichter bij de sfeer van het origineel liggen: subtieler, minder folkloristisch, en beter passend bij de ambiguïteit
die Van Gulik in het verhaal zelf probeert op te roepen.
Want, spoiler, het spook is geen geest.
– over een ochtend tussen stilte, omwegen en lokaal toerisme –
Op deze zaterdagmorgen ging ik op zoek naar Siri,
een van de historische stadscentra van Delhi.
Ik ging met de metro naar het station Hauz Khas.
Dat ligt ongeveer halverwege tussen Siri
en de Hauz Khas-bezienswaardigheden.
Die ochtend heb ik veel gelopen,
vooral over straten die eigenlijk niet bedoeld zijn voor voetgangers.
Net als de meeste straten in New Delhi.
Maar natuurlijk kun je overal langs de weg lopen
want er zijn miljoenen mensen die gebruik moeten maken
van bussen, metro en rickshaws.
Die moeten ook een deel van hun reis te voet afleggen.
Metrostation Hauz Khas ligt midden in een parklandschap.
Het was er opvallend rustig en stil.
Geen geuren van specerijen of vis, geen marktgeluiden.
Mooie woningen, brede straten, overal een auto voor de deur
die op zaterdagmorgen door personeel worden gewassen.
Restanten van Siri Fort heb ik die ochtend niet gevonden
en daarom ben ik rond de middag naar Hauz Khas gelopen.
Later werd me duidelijk dat er van Siri eigenlijk maar weinig over is:
alleen delen van de oude stadsmuren staan nog overeind.
Die zie je nu vooral als decor in de woonwijken,
tussen parken, sportvelden en moderne bebouwing.
Hauz Khas is een soort toeristische trekpleister binnen New Delhi.
Veel restaurants, modewinkels, souvenirwinkels,
een hertenkamp en een serie restanten van een madrasa (school),
een tombe en een tuin in de buurt van een groot waterreservoir.
In de middag ging ik weer terug naar Connaught Place.
Vandaar was het nog maximaal een half uur lopen naar het hotel.
Nog genoeg tijd voor andere indrukken van Delhi.
De Openbaring van Johannes heeft schrijvers
door de eeuwen heen op vreemde gedachten gebracht.
Het lijkt wel of Hegseth, Rubio en Vance,
dit soort gedachten nog iedere nacht hebben.
De originele tekst is niet heel duidelijk en laat veel ruimte
voor interpretatie. Ook de auteur staat niet vast.
Daar maken mensen grif gebruik van.
Het kan niet bloederig genoeg
en er wordt niet op een moord meer of minder gekeken.
Zelfs de onschuld zelve, de maagd Maria,
gaat er op uit om te doden.
Is het lam wel zo onschuldig?
Twee metalen beelden in de collectie van Museum Rietberg
komen min of meer toevallig bij elkaar in dit bericht.
Ze staan in de presentatie van het museum niet bij elkaar.
Ik ben er zeker van dat ik op het moment van fotograferen
niet doorhad dat de beelden om dezelfde voorstelling gaan:
Tathagata Vairochana.
Daarbij wil de titel Tathagata benadrukken dat een figuur
een volledig verlichte Boeddha is.
Tussen de foto’s van het eerste en het tweede Vairochana-beeld
maakte ik nog een andere foto.
Maar per ongeluk schreef ik daar al eerder een bericht over.
In de boeddhistische kunst van de Himalaya speelt Vairochana
vooral een rol binnen het Mahāyāna en het Vajrayāna,
tradities waarin Boeddha’s niet alleen historische figuren zijn
maar ook symbolische verbeeldingen van inzicht.
Vanaf de 7e eeuw ontstaat in Tibet een beeldcultuur
waarin zulke ‘transcendente’ Boeddha’s een vaste plaats krijgen
in rituelen, in mandala’s — die als visuele schema’s van het universum functioneren —
en in de inrichting van kloosters.
Het Vajrayāna gebruikt deze beelden als hulpmiddel bij meditatie en visualisatie:
niet om een god te vereren, maar om een bepaalde helderheid van geest op te roepen.
We doen in het Westen vaak alsof zulke boeddhistische beelden
iets diepzinnigs of ongrijpbaars verbeelden,
maar het mechanisme erachter is eigenlijk heel herkenbaar.
Ook wij geven dagelijks vorm aan abstracte ideeën met heel concrete beelden:
in reclame, in politiek, in campagnes.
Vrijheid krijgt vleugels, zekerheid wordt een schild,
een politieke boodschap krijgt een vriendelijk gezicht.
In die zin doet een Vairochana‑beeld niets anders:
het gebruikt een mensfiguur om dat vorm te geven wat geen vorm heeft
— helderheid, inzicht, het moment waarop iets opeens klopt.
Wanneer je naar deze Vairochana‑beelden kijkt in Museum Rietberg,
zie je op het eerste gezicht een mens:
een lichaam, een gezicht, handen in een bepaalde houding.
Maar in de boeddhistische traditie is dat specifieke beeld van de mens
vooral een hulpmiddel om dat vorm te geven wat geen vorm heeft
— het inzicht dat alles helder wordt wanneer je zonder verwarring kijkt.
Daarom wordt Vairochana vaak met licht geassocieerd:
niet als een god die straalt,
maar als het moment waarop voor de kijker iets ineens helder wordt
— alsof er een lamp aangaat.
Laat het licht, maar dan het fysieke licht, nu net de factor zijn
die bepaalde hoe ik de foto’s maakte.
Het tweede, vergulde beeld van Vairochana stond voor een raam.
Het zonlicht dat binnen scheen, maakte een of meerdere frontale foto’s moeilijk.
Vandaar dat op de foto van opzij het beeld nog het best te zien is.
Van de twee is, ondanks de glans en het licht,
voor mij dat laatste beeld het meest sympathiek.
Hazrat Nizam-ud-din Dargah is een dargah (soefischrijn) met
omliggende moskeecomplex voor de soefi-heilige
Nizamuddin Auliya (1238 – 3 april 1325).
Een van de belangrijkste moslim‑soefi‑heiligen van India.
Over dit complex had ik gelezen in het boek
City of Djinns: A Year in Delhi van William Dalrymple.
Nu ik er vlak bij was, besloot ik te gaan kijken.
Het is een plek die duidelijk intensief wordt bezocht door volgelingen.
Om er te komen was nog wel een klein avontuur.
Het is niet ver van de brede verkeersweg waar ik was
en waar ook de uitgang is van Humayun’s Tomb.
Op Google Maps lijkt het allemaal heel overzichtelijk.
Maar dan ben je er nog niet.
Het complex ligt ingebouwd tussen winkels, bedrijfjes en huizen.
Je gaat door een serie van gangen
met meerdere routes die allemaal naar het complex lijken te leiden.
Dus als je niet oppast, sta je er ook weer snel ver vandaan.
Ik liep maar met de andere mensen mee.
Fotograferen in of bij een gebedshuis van een religie die niet de jouwe is
voelt altijd een beetje ongemakkelijk.
Daarom heb ik het bij twee foto’s gehouden, beide gemaakt met mijn telefoon.
— over hoe drie kleine verwijzingen naar Khotan mijn lezing van Labyrinth in Lan‑Fang verdiepen —
Khotan wordt een paar keer genoemd in Labyrint in Lan-Fang.
Vermoedelijk is dat een poging om deze standplaats van Rechter Tie
geografisch te duiden.
Lan-Fang is geen historische plaatsnaam
van een Chinese grensplaats
in het westen van China rond 650 na Christus.
Er bestond wel een Republiek Lanfang
(蘭芳共和國 Lánfāng Gònghéguó) van 1777 tot 1884
in het huidige West‑Kalimantan (Indonesië).
Dat was een Chinese gemeenschap
van mijnwerkers en handelaren buiten China.
Een historisch opmerkelijke situatie.
Waarschijnlijk gebruikt Van Gulik die naam omdat
het een echte historische naam was,
bekend bij sinologen van zijn tijd.
Ook omdat die authentiek Chinees klinkt,
maar vrij inzetbaar is voor fictie.
Het gaf hem de gelegenheid vanuit een Chinees perspectief
een sfeer te creëren, typisch voor een betwiste grensstreek
zonder de historische ballast van de naam van een bestaande plaats.
Khotan wordt al genoemd op pagina 26
Nog tot voor enkele jaren liep de weg naar Khotan en de andere schatplichtige koninkrijken in het westen door Lan-fang en deze stad was toen een belangrijke stapelmarkt. Maar toen zijn drie oasen langs de woestijnweg opgedroogd en de handelsweg verlegde zich een honderd mijl naar het noorden.
Van Gulik verwijst hier duidelijk naar de Zijderoute.
Hoe liep de zuidelijke Zijderoute
Langs de zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn
volgden karavanen die China verlieten een reeks oases
die als veilige rustpunten door de woestijn slingerden.
Vanuit het oostelijke Miran, met zijn Kushan‑invloeden
en kleurrijke muurschilderingen, trokken reizigers westwaarts
langs kleinere nederzettingen als Karadong en Endere,
plaatsen die bloeiden zolang hun rivieren water voerden
en die even snel weer verdwenen wanneer de bedding verschoof.
Verderop lag Niya, ooit een levendige gemeenschap
waarvan houten documenten en huisraad nu de stille sporen vormen
van een oase die door uitdroging werd verlaten.
Daarna bereikte men Keriya, een oase die afhankelijk was
van een grillige rivier die periodes
van voorspoed en verval afwisselde.
De route voerde vervolgens naar Yotkan,
de oude hoofdstad van het koninkrijk Khotan,
waar handelaren en ambachtslieden samenkwamen.
Uiteindelijk eindigde de zuidelijke route in het machtige Khotan zelf,
beroemd om zijn jade‑rivieren en boeddhistische kloosters,
en eeuwenlang het belangrijkste knooppunt
voor wie verder wilde reizen naar de oases en steden
voorbij de Pamirs, richting het gebied van Samarkand en Buchara.
Khotan wordt ook genoemd op pagina 82
en toont meteen dat ook Rechter Tie zo zijn blinde vlekken heeft:
Woe keek naar zijn schilderijen op de muur.
‘Vijf jaar geleden,’ antwoordde hij, ‘deed ik het eerste kandidaatsexamen.
Tot teleurstelling van mijn vader besloot ik mijn studie af te breken en mij geheel aan het schilderen te wijden. Ik werkte onder twee beroemde meesters in de hoofdstad, maar hun stijl lag mij niet.Twee jaar geleden ontmoette ik toevallig een monnik die helemaal uit Khotan afkomstig was, het schatplichtig koninkrijk in het verre westen. Die man liet mij zijn stijl van schilderen zien, vol leven en felle kleuren. Ik besefte toen, dat onze Chinese kunstenaars die stijl moesten bestuderen om onze nationale kunst te vernieuwen. Ik dacht dat ik misschien een baanbreker kon worden en besloot zelf naar Khotan te trekken.’
‘Persoonlijk ben ik van mening,’merkte de rechter droog op, ‘dat onze nationale kunst volkomen bevredigend is en het ontgaat me wat een barbaars en vreemd volk ons nog kan leren. Maar ik wil niet beweren dat ik een kenner ben. Gaat u door!’
In deze korte dialoog tussen Woe en Rechter Tie
laat Van Gulik mooi zien hoe de Tang‑wereld
niet alleen een Chinees decor is,
maar een kruispunt van culturen.
De jonge schilder die zich laat inspireren door een Khotanese monnik
staat voor de openheid en nieuwsgierigheid
die de Zijderoute mogelijk maakte:
ideeën, kleuren en stijlen reisden net zo goed mee als zijde en jade.
Tie’s droge afwijzing — half ironisch, half oprecht —
weerspiegelt juist de zelfverzekerde blik
van een Confuciaanse magistraat
die de Chinese kunst als maat der dingen ziet.
Precies in dat spanningsveld,
tussen vernieuwing van buiten en de zekerheid van binnen,
situeert Van Gulik zijn wereld:
historisch geloofwaardig, licht gefictionaliseerd,
en altijd gevoed door de stille bewegingen
van uitwisseling langs de randen van het rijk.
Dan komt Khotan nog een derde keer in beeld, op pagina 123:
Vele jaren geleden, toen de weg naar het westen nog door deze stad leidde, hebben monniken uit Khotan die tempel gebouwd. Later hebben ze die weer verlaten. De tempel raakte in verval, bewoners uit de buurt haalden de deuren en ander houtwerk weg als brandhout. Maar de prachtige muurschilderingen, door de monniken gemaakt, zijn gebleven.
In de derde passage duikt Khotan opnieuw op,
ditmaal als de herkomst van een vervallen tempel
waarvan alleen de muurschilderingen nog getuigen
van een vroegere bloeitijd.
Van Gulik gebruikt dit soort details om de Zijderoute
een voelbare diepte te geven:
monniken die ooit tot hier reisden,
een tempel die gebouwd werd toen de handelsweg
nog door de stad liep,
en kunst die de tand des tijds beter doorstaat
dan de mensen die haar maakten.
Het is dezelfde beweging als in de eerdere scènes:
Khotan verschijnt telkens als een verre bron
van kleur, geloof en vakmanschap,
een plek die ooit invloed uitoefende op het Chinese rijk
maar nu vooral als echo aanwezig is.
Zo verweeft Van Gulik fictie met historische resonantie
en laat hij zien hoe culturele uitwisseling langs de randen van het rijk
niet alleen handel bracht, maar ook kunst die blijft hangen,
zelfs wanneer de route zelf allang is verschoven.
Het is vooral omdat ik de afgelopen tijd zelf bezig ben geweest
met Khotan (Yotkan) door het werk van Aurél Stein,
dat deze fragmenten me opvielen.
Voor een andere lezer zal Labyrinth in Lan-Fang
een spannende detective zijn.
Tao Gan en Rechter Tie bespreken alle gebeurtenissen met elkaar:
Tao Gan schudde verbijsterd het hoofd. Met een diepe zucht zei hij: ‘Edelachtbare, het komt mij voor dat wij nog nooit tevoren met zo’n groot aantal ingewikkelde problemen tegelijk te maken hebben gehad!’
‘Oppervlakkig gezien lijkt dat zo,’ antwoordde de rechter, ‘Maar feitelijk waren het de plaatselijke omstandigheden die ons zo verward maakten. Nu de verstrikte draden geleidelijk aan ontknoopt raken, komt er een duidelijk patroon tevoorschijn.
We hebben ten slotte maar drie werkelijke zaken. Ten eerste, de moord op Generaal Ting. Ten tweede, de zaak Yü contra Yü. Ten derde, de verdwijning van de dochter van Fang,
Onze maatregelen tegen Tsjièn Mo, onze ontdekking van het plan van Yü Tsjie en de verklaring van de moord op bestuurder Pan vormen tenslotte d lokale achtergrond…’
Hoe je de zaken ook indeelt, voor mij zes complexe zaken,
mooi door Van Gulik tot één verhaallijn geweven.
Aan het eind vind Rechter Tie ook nog de richting
die hij moet nemen uit zijn midlife-crises.
Een verrassende afronding
van een van de beste Rechter Tie-romans.
Nu heb ik nog vier titels te gaan in de reeks.
Dan heb ik alle Rechter Tie-romans (opnieuw) gelezen.
— over een Amitāyus‑beeld in goud en emaille —
Een metalen beeld is iets anders dan een stenen stele,
of een schildering op zijde uit Dunhuang
of een miniatuur uit Lucknow.
Maar ik probeer op dezelfde manier, met dezelfde aandacht te kijken
en daarvan hier een kort verslag te doen.
Na de miniaturen die in een apart gebouw van Museum Rietberg worden getoond
ben ik nog even teruggegaan naar de Shiva Nataraja figuur.
Vandaag 9 september 2025 is mijn laatste dag in Zürich.
Morgen ga ik naar Basel om vandaar de nachttrein naar huis te nemen.
Deze Boeddha is niet zo heel oud, maar technisch prachtig.
De techniek met emaille (gesmolten fijn-gemalen en gekleurd glas)
zal niet iedereen meteen mooi vinden.
Hier is het beperkt toegepast en de kleuren zijn zo gekozen
waardoor de emaille slechts als accent dient.
De Boeddha is in goud weergegeven,
alleen details en de toebehoren zijn ge-emailleerd.
De stralenkrans om de Boeddha is prachtig.
Zowel in de gevlamde vormen langs de rand
als in de opgerolde vlammen
licht- en donkerblauw, met roodbruin en wit,
en tussen de kleuren dunne, gouden scheidingswandjes
en op het centrum een witte kraal.
Het gezicht van de Boeddha is heel stil, in meditatie.
De vorm komt tevoorschijn uit het metaal.
Er zijn geen extra markeringen of versieringen op het gezicht,
geen gekleurde lippen, geen arcering voor de wenkbrauwen,
geen edelsteen als stip op het voorhoofd.
Zo eenvoudig het gezicht is,
zo uitgebreid zijn de versieringen daar omheen.
Bovenop het haar zie je een rijk versierde kroon
met ingelegde halfedelstenen.
Metalen linten hangen vanaf de kroon tot op de schouders,
waar ze opfladderen en spits toelopen.
De verlengde oorlellen zijn versierd met een bloemvorm en
daaronder een epaulet.
Steeds met ingelegde stenen.
Ook om de armen zwieren de linten.
In zijn handen,
rustend in de schoot van de kleermakerszit,
houdt hij een vaas met deksel.
De vaas en deksel zijn met een wolkenmotief gedecoreerd,
in licht- en donkerblauw emaille.
Het is de Kalasha, de lang-leven-vaas.
De Boeddha zit op een dubbele lotustroon.
Ook daar komt de emaillering sterk tot zijn recht.
De verschillende tinten blauw combineren goed met het goud
van de randen die de vormen benadrukken
en met het rozerood en wit.
Let op de sierlijke gouden lijnen.
WordPress gaat steeds meer over op het gebruik van ‘Blocks’.
Begrijpelijk vanuit het standpunt van productontwikkeling
en de toekomst van het bedrijf.
Maar voor gebruikers levert het vooral extra werk op.
Ik maak al jaren gebruik van het WordPress platform
maar moet weer meer HTML gaan schrijven en CSS.
Ik ben geen programmeur maar om mijn blog er uit te laten zien
zoals hij dat voorheen deed,
ben ik gisteren de hele dag bezig geweest om met CSS
mijn tekst er uit te laten zien zoals eerder.
Vandaag was het mijn HTML-dag want de Flickr-image methode
geeft minder controle over hoe de foto op de blog er uit ziet
en de caption die geïntroduceerd is ziet er lelijk uit.
Voor mij is het duidelijk:
Kortom: het is brokken met WordPress Blocks
India kan een heel ingewikkelde ervaring zijn.
Om heel veel verschillende redenen.
Maar ook omdat je in Delhi een straat kunt oversteken
en je je ineens in een heel andere tijd bevinden.
Soms lijkt het wel op tijdreizen.
Na het bezoek aan Humayun’s Tomb liep ik naar een oud fort: Purana Qila.
Delhi heeft in zijn geschiedenis vele opeenvolgende stadscentra gehad.
Tussen de 11e en 20ste eeuw lag bij elk fort ook een stad of stadskern.
De restanten van sommige van die oude steden
liggen niet op loopafstand bij elkaar.
Ons idee van een stad in het Westen is vaak dat een centrum alleen maar groeit,
van binnen naar buiten.
Eerst was er een dorp, handig aan een rivier.
Men bouwde een houten kerk.
Er vormde zich een soort van kern met veel houten huizen.
Er kwam een kasteel en de houten kerk werd vervangen door een grotere stenen kerk.
Dan steeds nieuwe wijken aan de rand.
Soms ontstond er een stadsbrand. Dan herbouwde men vaak met steen.
Nog meer nieuwe wijken en omliggende gehuchten en dorpen
werden opgenomen in de groeiende stad.
Maar als je geschiedenis nog veel verder teruggaat
of er in de tijd heel verschillende machthebbers waren,
dan kan het beeld van het ontstaan van een stad radicaal anders zijn.
Zo kent Delhi in zijn geschiedenis meerdere stadscentra.
Een van de oudere lag bij het fort Purana Qila.
Zo is Old Delhi (Shahjahanabad, 1648) de woonkern bij het Red Fort
en werd New Delhi, een regeringscentrum, gebouwd door de Britten
in de eerste decennia van de 20ste eeuw.
Hieronder een overzicht van forten en steden van Delhi:
De parel van de Keizer is een van de beste Rechter Tie- verhalen.
Het is niet alleen een complexe detective met drie zaken,
het zet je er ook toe aan opnieuw na te denken over
Het zijn overwegingen voor iedere rechercheur en politieagent
maar ook voor iedereen die een spreekbeurt moet houden,
een werkstuk moet maken, een project gaat realiseren
of een artikel wil schrijven.
Rechter Tie geeft in De parel van de Keizer
een inkijkje in dat proces bij hem.
Ik moet eerlijk bekennen dat een paar pagina’s voor het einde
van dit boek dit bericht in mijn hoofd er nog anders uitzag.
Maar zoals vaak heeft Van Gulik op het einde
nog een verrassing voor de lezer.
Wat ik op het laatste moment nog gewijzigd heb
kan ik niet vertellen zonder een deel van het verhaal te onthullen.
Dat ga ik natuurlijk niet doen.
Blijft over dat ik nog wil bewijzen hoe Rechter Tie (Van Gulik)
ons nog eens uitdaagt op het vlak van het verzamelen van feiten
en formuleren van mogelijke scenario’s.
Het komt heel duidelijk aan bod op pagina 125 en 126:
Rechter Tie at zijn middagrijst achter zijn schrijftafel gezeten. Hij proefde het eten nauwelijks, hij werd geheel in beslag genomen door de drie moorden. Ja, het onderzoek was nu op het beslissende keerpunt, eindelijk was dan de beweegreden van de moordenaar komen vast te staan. Hij overzag nog eens het snelle verloop van deze zaak. Hij was begonnen met aan te nemen, dat de drijfveer gelddorst was en dat de misdadiger uit was geweest op de parel en het goud. Daarna had hij gelddorst verworpen, omdat hij, jaloezie voor het voornaamste motief houdend, tot de slotsom was gekomen, dat het verhaal van de parel van de keizer alleen een verzinsel was geweest. En thans moet hij ook jaloezie schrappen – althans als voornaamste drijfveer – want nu was komen vast te staan, dat de drijfveer vóór alles was vrouwen te kwellen, onverschillig welke vrouw. Toch nam dat niet weg, dat daarnaast de secundaire elementen ook van belang bleven ter identificatie van de moordenaar; de gelddorst was gebleken uit het stelen van het goud en het knoeien met de weddenschappen, en evenzeer was er jaloezie in het spel.
Maar de voornaamste aanwijzing was de perverse drang van de misdadiger. Dat maakte het een lelijk geval. Want werden personen door die drang bezeten in hun plannen gedwarsboomd, dan zouden ze niet aarzelen tot geweldplegingen over te gaan en zich daarbij niet om de gevolgen bekommeren. Jet aantal verdachten was nu beperkt tot drie hem bekende personen en misschien nog een vierde, vooralsnog onbekende. Hij zuchtte.
Op pagina 145 zijn de ontwikkelingen alweer verder
en dan lezen we:
Na een lange tijd ging hij rechtop zitten en mompelde: “Ja, dat zou wel eens de oplossing kunnen zijn. Alles klopt. Behalve de hoofdzaak: een goede beweegreden!”
Hij leunde achterover in zijn stoel en overdacht de maatregelen, die hij nu zou moeten nemen. De verklaring die hem zo juist was ingevallen, scheen zeer aannemelijk, maar mocht hij handelen alleen op grond van een vaag gevoel? Moest een theorie gebaseerd op logische overwegingen niet de voorrang hebben op wat per slot van rekening slechts een ingeving was? Of kon hij misschien een plan opstellen, dat hem in staat zou stellen, zowel die ingeving als zijn logische gevolgtrekkingen te verifiëren, beide tegelijk? Diep in gedachten bleef hij zitten, werktuigelijk langs zijn lange zwarte baard strijkend.
Op pagina 196 komt dan de vaak twijfelende Confucianist Tie
nog even om de hoek:
Uit het bronzen wierookvat op het altaar stegen blauwe wolken op, hun scherpe geur vulde de kleine hal. Door de rook heen zag de rechter het gelaat van de godin, de lippen geplooid in een vage glimlach.
Hij vouwde zijn armen in zijn wijde mouwen en bleef daar staan, opziend naar het stille gelaat. Hij let de gebeurtenissen van de laatste twee dagen nog eens aan zijn geestesoog voorbijgaan. Er waren vreemde toevalligheden geweest. Maar mocht men eigenlijk ooit van een toeval spreken? Hoe bitter weinig wist hij van wat er in zijn medemensen omging. Hoe zou hij dan ooit aandurven te trachten de Hemelse Machten te begrijpen, die over hun lot beschikten? Hij sprak zacht: “Ge zijt slechts een beeld door mensenhand gemaakt. Maar ge zijt toch een symbool van alles wat wij niet weten, ons niet beschikt is te weten. En daarom buig ik me ootmoedig voor u neer.”
De taal is ouderwets maar de boodschap lijkt me nog springlevend.
Robert van Gulik, De Parel van de Keizer, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.
Huis van het Boek, Apocalyps, Getijdenboek, Parijs, Philippe Pigouchet voor Simon Vostre, 16 september 1498.
Ars moriendi, Leipzig, Conrad Kachelofen, circa 1495.
De vier uterste, Delft, Jacob Jacobszoon van der Meer, 25 maart 1486: De doot en spaert niemant.
Toen ik op de tentoonstelling was heb ik een tijdje gezocht naar de naam van de maker van deze schedel. Maar ik kn geen naam vinden. Copilot denkt dat het om een werk van Carolien Smit gaat net als de eerdere Witjeswand (The Warrior the Dog and the Goat). Maar hiervoor kon ik op de website van Carolien Smit geen bevestiging vinden.