Van Shiva en Parvati naar Umāsahitamūrti

Deze zoektocht begon met een afbeelding op Wikimedia Commons.
Ik vond de afbeelding toen ik op zoek was naar meer informatie
over een bronzen beeld in Musée Guimet.
Het museum noemde het beeld ‘Shiva en Parvati’ maar bij de afbeelding
op Wiki Commons werd als naam Umasahitamurti gebruikt.
Dat lijkt een meer nauwkeurige toeschrijving maar op basis waarvan
heeft de maker besloten die naam te gebruiken?

Ik ben gaan zoeken in Elements of Hindu Iconography van Rao.
Dat boek zal ik in het vervolg naar zijn auteur noemen: Rao.
In het boek zocht ik met de zoekterm ‘Uma’
en vond toen een hele reeks treffers en Umasahitamurti was er een van.

001 Uma

Umasahitamurti komt acht maal voor:

1. als een variant op Candraśekhara ‘de maandragende’.
Hier heeft Umasahitamurti een eigen korte tekst.

002 UmasahitamurtiVariantOpCandraśekhara
Fragment uit Elements of Hindu Iconography geschreven door T.A. Gopinatha Rao.

2. in genoemde korte tekst.

3. als onderdeel van een langere titel: SUKHASANAMURTI. UMASAHITAMURTI, SOMASKANDAMURTI AND UMAMAHESVARAMURTI.

4 en 5 zijn herhalingen van het woord in de inleiding van hetzelfde hoofdstuk

6 als onderdeel van een langere tekst in het hoofdstuk genoemd bij 3.

003 UmasahitamurtiOnderdeelVanVierVerbijzonderingen
‘When seated alone … the image of Śiva is known as the Sukhāsanamūrti.’ Hierna begint de beschrijving van Umāsahitamūrti.

7 en 8 zijn terugverwijzingen.

In Vol II Part II komt Umāsahitamūrti ook nog een keer voor
als verwijzing vanuit het hoofdstuk Miscellaneous aspects of Shiva.
Dat is op pagina 369.

004 Uma-sahitamurtiInDeIndex
Bovendien komt Umāsahitamūrti (in varianten) ook voor in de index van Vol II Part II.

De tekst bij vermelding 3 lijkt de tekst te zijn die ik moet lezen.
De transcriptie van het hoofdstuk in Rao
en de bijbehorende Nederlandse vertaling vind je onderaan dit bericht.

Als ik de tekst lees dan ontstaat het volgende overzicht van eigenschappen
bij Sukhanamurti:

de voorstelling betreft een op zichzelf zittende man
één been is op de zetel gebogen
het andere been hangt naar beneden
de man heeft drie ogen
de man heeft vier armen
= rechts achter: bijl
= links achter: hert
= rechts voor: abhaya-mudra
= links voor: varada- of siṃhakarṇa-houding

Eventueel aanvullende kenmerken:

tijgervel
zijden kleding
hoofddeksel
sieraden

In de tekst worden nog meer eigenschappen genoemd.
Omdat een voorstelling echter niet noodzakelijk
aan alle kenmerken hoeft te voldoen
om met een bepaald beeldtype te kunnen worden geïdentificeerd,
laat ik die vooralsnog buiten beschouwing.

Het beeld Shiva en Parvati in Musée Guimet
voldoet niet aan de belangrijkste eigenschappen die hierboven zijn genoemd.
De voorstelling omvat immers twee personen,
terwijl de beschrijving van Sukhāsanamūrti juist uitgaat
van een alleen afgebeelde zittende man.
Als het beeld in Guimet correct als Umāsahitamūrti wordt aangeduid,
dan moeten we de verklaring waarschijnlijk zoeken
in een van de andere beeldtypen die Rao in hetzelfde hoofdstuk behandelt.

006 Sukhasanamurti Umasahitamurti Somaskandamurti and Umamaheshvaramurti VIIPI pagina 130
Onder het midden van pagina 130 begint de beschrijving van Umāsahitamūrti.

Bij Umāsahitamūrti lees ik de volgende eigenschappen:

de voorstelling omvat twee personen
de man en de vrouw zitten op dezelfde zetel
de vrouw bevindt zich links van de man
de vrouw is naar de man toegekeerd
de vrouw heeft twee armen
rechterhand: lotus (of utpala)
linkerhand: siṃhakarṇa-houding of rust op de zetel
het linkerbeen van de vrouw hangt naar beneden
het rechterbeen van de vrouw is gebogen en rust op de zetel
de vrouw draagt een hoofdtooi (karaṇḍa-makuṭa)

Eventueel aanvullende kenmerken:

de vrouw draagt sieraden
de vrouw draagt rode zijden kleding
de vrouw heeft een grasgroene huidskleur
de vrouw reikt ongeveer tot de schouder van Shiva
beide figuren bevinden zich onder dezelfde prabhāmaṇḍala
(stralenkrans of aureool)

Opvallend is dat Rao bij Umāsahitamūrti
nauwelijks nog eigenschappen van Śiva noemt.
Blijkbaar veronderstelt hij dat de lezer
de beschrijving van Sukhāsanamūrti nog kent.
De nieuwe beschrijving bouwt daarop voort door een tweede figuur,
Umā, aan de voorstelling toe te voegen.
Hierdoor ontstaat geleidelijk een reeks verwante beeldtypen
die steeds verder worden verbijzonderd.

Mijn eerste reactie is dat het beeld in Guimet
aan het merendeel van deze kenmerken voldoet.
Voor de compleetheid lees ik verder.

Uitgaande van de eigenschappen van Umāsahitamūrti zie ik nu ook:

tussen de man en de vrouw bevindt zich hun kind (Skanda)
Skanda heeft één gezicht
Skanda heeft twee ogen
Skanda heeft twee armen

Skanda kan:
staan
zitten op de zetel
op de schoot van de vrouw zitten
dansen

Indien Skanda staat
rechterhand: lotus
linkerhand: hangt naar beneden

of

beide handen houden een lotus vast

of

rechterhand: boek
linkerhand: varada- of siṃhakarṇa-houding
Indien Skanda danst
rechterhand: sūci-houding
linkerhand: vrucht

of

linkerhand uitgestrekt zonder vrucht

Eventueel aanvullende kenmerken
hoofddeksel (karaṇḍa-makuṭa)
oorhangers (nakra-kuṇḍala)
chhannavīra
gordel om het middel
armbanden
geen kleding

Mijn eerste reactie is dat het beeld dat ik in Musée Guimet zag
geen Somāskandamūrti is.
Er zijn immers twee figuren te zien, geen drie.

Uitgaande van de eigenschappen van Umāsahitamūrti zie ik nu ook:

de man en de vrouw omarmen elkaar
de rechterarm van de vrouw rust op de schouder van de man
een linkerarm van de man rust op de schouder van de vrouw
de vrouw houdt een spiegel vast
de voorstelling benadrukt de relatie tussen de man en de vrouw

Volgens de Vishṇudharmōttara

de man heeft twee armen
de rechterhand houdt een blauwe lotus (nīlotpala)
de linkerarm omarmt de vrouw
de man draagt een hoofdtooi met halve maan
de vrouw houdt een spiegel in haar linkerhand

Volgens de Rūpamaṇḍana

de man heeft vier armen
een rechterhand houdt een drietand (triśūla)
een rechterhand houdt een mātuliṅga-vrucht
een linkerarm rust op de schouder van de vrouw
een linkerhand houdt een slang
de man heeft een koraalrode kleur
naast het paar komen ook andere figuren voor:
Nandi, de stier van Shiva
Ganesha
Kumara (Skanda)
de dansende wijze Bhṛingi

Mijn eerste reactie is dat het beeld Shiva en Parvati in Musée Guimet
geen Umāmaheśvaramūrti is.
In de beschrijvingen die Rao ontleent aan de Vishṇudharmōttara
en de Rūpamaṇḍana staan Śhiva en Umā immers niet alleen naast elkaar,
maar omarmen zij elkaar ook.
Bij het beeld in Guimet zitten de twee figuren naast elkaar
zonder elkaar aan te raken.
Daarmee lijkt het beeld niet goed aan te sluiten
bij de beschrijving van Umāmaheśvaramūrti.

Tot nu toe heb ik de beschrijvingen gelezen die Rao
uit oudere teksten heeft overgenomen.
Na de beschrijving van Umāmaheśvaramūrti verandert de aanpak.
Rao gaat nu kijken naar bestaande beelden om na te gaan
in hoeverre de eigenschappen die in de literatuur worden genoemd
ook daadwerkelijk in de beeldhouwkunst voorkomen.

ToFacePage133
Deel van plaat XXI die op een pagina staat die tegenover pagina 133 van de tekst te vinden is.

Graag had ik een moderne opname willen laten zien
van een van de foto’s in Rao.
Maar het lukte niet om op internet een recente opname te vinden
van de afbeelding die in het boek heet:
Fig1 Umā-sahita Sukhāsanamūrti Stone: Madeour

ToFacePage133 Fig1 Uma-sahita Sukhasanamurti Stone Madeour
Fig1 Umā-sahita Sukhāsanamūrti Stone: Madeour

Wat zien we hier:
een centraal zittende Shiva;
een tweede figuur naast Shiva;
geen kind tussen beide figuren;
en geen zichtbare omhelzing.

De voorstelling lijkt daarmee goed aan te sluiten bij Umāsahitamūrti.

Iets anders wat opvalt, als je de tekst van Rao leest
en naar de laatste afbeelding kijkt,
is dat Rao het begrip Umāsahitamūrti soms anders schrjift:
Umā-sahita Sukhāsanamūrti.
Die schrijfwijze maakt duidelijk dat de naam een samenstelling is
van meerdere Sanskriet-woorden.

018 Opbouw in Sanskriet

De naam Umāsahitamūrti is veel meer een beschrijving van een voorstelling
dan een naam.
Als je weet hoe je dergelijke begrippen moet lezen,
heb je een belangrijke sleutel in handen om de betekenis van een object
te begrijpen.

Het ontleden van de termen Sukhāsanamūrti, Umāsahitamūrti, Somāskandamūrti en Umāmaheśvaramūrti
maakte duidelijk dat deze namen meer zijn dan specialistisch jargon.
Het zijn Sanskrietbeschrijvingen van de voorstelling.
Bovendien sluit de beschrijving van Umāsahitamūrti aan
bij de kenmerken van het beeld in Guimet.
Daarmee lijkt Umāsahitamūrti de meest nauwkeurige benaming
voor deze voorstelling.

Met deze conclusie in het achterhoofd groeide het idee
om de leeshulp waar we eerder een aanzet toe gemaakt hebben
verder te gaan ontwikkelen.
Daar over gaat een volgend bericht.


Transcriptie

SUKHĀSANAMŪRTI, UMĀSAHITAMŪRTI, SŌMĀSKANDAMŪRTI AND UMĀMAHEŚVARAMŪRTI
The four varieties of the images of Śiva known as the Sukhāsanamūrti, the Umāsahitamūrti, the Sōmāskandamūrti and Umāmaheśvaramūrti are usually met with in all Śiva temples which lay claim to some importance in Southern India. Of these, the Sukhāsanamūrti is described as follows in the Śilparatna, which is practically the same as the description given in all other authorities.
The image of Sukhāsanamūrti is a seated figure with four arms, three eyes, a very handsome appearance suggestive of the rajo-guṇa and of coral red complexion. The image should be seated erectly upon a bhadra-pīṭha with its left leg bent and resting upon the seat and the right one hanging below it. It must be clad in the skin of the tiger and also in silk garments; in its back right hand is to be the paraśu, and in its back left hand the mṛga; the front right hand should be held in the abhaya pose, while the front left hand may be either in the varada or the siṁhakarṇa pose. In the right ear there should be either a makara-kuṇḍala or a siṁha-kuṇḍala and in the left ear, a patra-kuṇḍala; or there may be vṛtta-kuṇḍalas in both the ears. The head is adorned with a jaṭāmakuṭa, the fore-arms with kaṅkaṇas or bracelets shaped like serpents (sarpa-kaṅkaṇas) and the chest with yajñōpavīta; besides these, the image should be decorated with all other ornaments. It is imperative that neither Dēvī nor Skanda should be near the Sukhāsanamūrti. The Pūrva-Kāraṇāgama differs from the above description in one small detail, namely, it states that the right leg of the image should be bent and be resting upon the seat and the left one hanging.
When seated alone as described in the previous paragraph, the image of Śiva is known as the Sukhāsanamūrti. If the figure of the Dēvī is also seated on the same seat by the side of the image of Śiva and faces the latter, the group is known as the Umāsahitamūrti.
The position of the Dēvī is to the left of Śiva. She should have only two arms; in her right hand she should keep a lotus flower, while she may hold her left hand either in the siṁhakarṇa pose or keep it straight resting on the seat. Her head is to be adorned with a karaṇḍa-makuṭa. The left leg of the Dēvī should be hanging down the seat, while the right one is to be bent and kept resting on the seat. The Śilparatna states that the right hand of the Dēvī should keep a utpala flower and the left hand held in the varada pose, or the left hand might rest on the pīṭha a little to the left of the left thigh of the Dēvī, and that the colour of the Dēvī should be grass-green. The Dēvī is required to be adorned with all ornaments, hāras and makuṭa and be clad in red silk garments. The Pūrva-Kāraṇāgama adds that the figure of the seated Dēvī should be as high as the shoulder of that of Śiva. The aspect of Śiva and Umā seated on the same seat and under the same prabhāmaṇḍala as described above is known as the Umāsahitamūrti.
In the case of the Sōmāskandamūrti, the same relative positions are maintained by the figures of Śiva and Ūmā, but between these, there is the additional figure of the child Skanda. The figure of Skanda may be standing, sitting on the seat or on the lap of Ūmādēvī, or dancing; it should have a single face with a pair of eyes and two arms; and be adorned with a karaṇḍa-makuṭa on the head, nakra-kuṇḍalas in the ears, and chhannavīra on the body. The child Skanda should have a waist zone and bracelets. The figure of Skanda if it is standing simply, may carry in its right hand a lotus flower and keep the left hand hanging; or the two hands may keep lotus flowers in them; or as the Śilparatna would have it, the left hand should be held in either the varada, or the simha-karṇa pose and the right hand carrying a book. There should be no clothing on the person of the child Skanda. If the figure of Skanda is represented as dancing, it should carry in its left hand a fruit and the right one should be kept in the sūchi pose; or the left hand might be kept stretched out and be without the fruit.
The height of the figure of Skanda, says the Uttara-Kāmikāgama, may vary from one-tenth to four-tenths of the height of that of Śiva; and according to the Kāraṇāgama one-eighth to a quarter of the height of Śiva. The Śilparatna states that it should be as high as the bent hand or the breasts of the Dēvī.
The Kāraṇāgama adds that the gods Brahmā and Vishṇu together with their respective consorts should be standing on either side of the Sōmāskandamūrti.
The Vishṇudharmōttara and the Rūpamaṇḍana give the description of the Umāmahēśvaramūrti. The former authority states that in this aspect, the image of Śiva should have the jaṭā-makuṭa on his head with the crescent moon stuck in it; he should have two arms, in the right one of which there should be a nīlotpala flower and the left one should be placed in embrace on the left shoulder of Umā. Umādēvī should have a handsome bust and hip; she should have her right hand thrown in embrace on the right shoulder of Śiva and should keep in her left hand a mirror. The figures of Śiva and Umā should be sculptured very beautifully.
The Rūpamaṇḍana informs us that Śiva should have four arms and that in one of the right hands there should be the triśūla and in the other a mātuliṅga fruit (a kind of citron); one of the left arms should be thrown on the shoulder of Umā and there should be a snake in the other left hand. The colour of Śiva should be red like the coral. The Dēvī should be as in the description of the Vishnudharmōttara given above. There should be in this group the Vṛishabha or the bull of Śiva, Gaṇeśa, Kumāra and a lean emaciated figure of the rishi Bhṛingi dancing, all arranged in an artistic composition.
Figs. 1 and 2, Pl. XXI, are to illustrate the aspects known as the Umā-sahita-mūrti, as also the Sukhāsana-mūrti.
If the Dēvī were absent in both the instances, the image of Śiva would have passed for the Sukhāsanamūrti; as they are, they are Umāsahita-mūrtis. In both the instances the back right hand keeps the paraśu and the back left hand, the mṛiga; whereas the front right hand is in the abhaya pose and the front left hand in the siṁhakarṇa pose. In the one case, the left hand of the Dēvī is kept resting on the seat, whereas in the other it is held in the siṁhakarṇa pose. The stone image is older than the bronze one.
Figs. 1 and 2, Pl. XXII are two splendid pieces of sculpture; the first belongs to the Śiva temple at Madeour and the second was recently discovered as a treasure trove in Nellore. Both of them are very good specimens of the Sōmāskanda-mūrti. The textual descriptions are carried out with scrupulous accuracy and the workmanship is superb. In the first piece, the left hand of the Dēvī rests on the pīṭha and in the second piece, it is held in the varada pose. In both, the child Skanda is in the dancing attitude, with both his hands held in the siṁhakarṇa pose. Attention may be drawn to the makara-kuṇḍala in the right ear and the patra or vṛitta-kuṇḍala in the left ear of Śiva in both the pieces of sculpture.
Illustrations beginning from Pl. XXIII to XXIX represent Umāmahēśvaramūrti. Pl. XXIII is the reproduction of the image at Bagali in the Bellary District. In this, Umā is seated upon the left lap of Śiva and has her right hand taken round in embrace and resting upon the right side of the chest of Śiva, and carries in her left hand a mātuliṅga fruit. The front right hand of Śiva is held in the abhaya pose and the front left hand is placed on the left shoulder of Umā. In the back right and left hands are the triśūla and the ḍamaru respectively. The Dēvī wears on her head the hair done up in a fine side-knot. On the prabhāvali are sculptured minutely the figures of the aṣhṭa-dik-pālas or the guardians of the eight quarters. It should be noted that in this case the figures of Gaṇeśa, Kumāra, the rishi Bhṛingi and the bull are not sculptured.
Pl. XXIV is the photograph of a piece of sculpture to be found in Aihole. Here, Śiva is carrying in two hands snakes, and in one hand the triśūla; the remaining hand embraces Umā and rests on her shoulder. Umā keeps her right hand on the left thigh of Śiva; her other arm is broken. On the left side of the seat on which Śiva and Umā are seated, is the figure of the child Kumāra who seems to be holding in his left hand three lotus flowers by their stalks and keeping some fruit in the right one. Below the seat are two Apasmāra-Purushas and the rishi Bhṛingi. The figure of Gaṇeśa which ought to be on the right of Bhṛingi appears to be lost.
Pl. XXV is one of the very best pieces of ivory carving executed in the School of Arts at Trivandram. The delicacy of the workmanship, the beauty of the conception and execution, the grandeur of the effect it produces are beyond praise. Śiva is here represented as seated on a bhadrāsana under a tree and carries the paraśu and the mṛiga in his back hands; he holds his front right hand in the abhaya pose and embracing the Dēvī with his left arm, keeps that hand in the varada pose. Umā is embracing Śiva with her right hand and keeps in her left one a lotus flower. There is a profusion of snake ornaments on the crown, in the ear-lobes, on the arms, and round the chest, of Śiva.
On the right and left are the two children of Umā, the elder, Gaṇapati, having an underwear and the younger, Kumāra, standing naked. Gaṇeśa has four arms in which he keeps the ankuśa, the pāśa, the danta and the mōdaka and behind him is his vehicle, the mouse. Kumāra has two arms; in the left of which he holds the śakti and with his right arm he embraces the neck of his favourite vehicle, the peacock. In front of the seat of Śiva is the seated figure of Nandi, the bull vehicle of Śiva.
Fig. 1, Pl. XXVI, represents Umāmahēśvara as found in the temple at Haveri. In this also Umā is seated on the left lap of Śiva and embraces him with her right hand, which rests upon the right side of his body; she appears to have held a flower in her left hand, which is unfortunately broken. Śiva carries in three out of the four of his hands the śūla, the ḍamaru and an akshamālā and the remaining hand is thrown in embrace over the left shoulder of Umā. Around Śiva and Umā is a nicely carved prabhāvali with creeper ornament; in each of the circular loops of the creeper is carved a dik-pāla. At the right extremity of the bhadrāsana on which are seated Śiva and Umā is a tiny figure of a seated Gaṇeśa with four arms, carrying as usual the ankuśa, the pāśa, the danta and a mōdaka. In front of him sits Nandi, the bull of Śiva.
Corresponding to these, are to be seen on the left side of the seat the figures of Kumāra with six heads seated upon his peacock vehicle, and an alligator, the vehicle of Umā-Pārvati. The whole work is executed very skilfully and tastefully.
Fig. 2, Pl. XXVI is another group almost similar to the one described above. Śiva is, in this sculpture, seen carrying a lotus, the śūla, and a snake in three of his hands and the remaining one is embracing Umā about her chest. Both Umā and Śiva are wearing śankha-patra kuṇḍalas, that is, sections of conch-shells. Round the head of Śiva is a very well executed prabhā-maṇḍala while the hair of the head of Umā is fashioned into an artistic knot behind. The Dēvī keeps her right hand resting on the left foot of her lord and appears to have carried a flower in her left hand which is broken. On the top right hand corner of the panel is seated Brahmā in the yogāsana attitude and carrying in his hands the articles peculiar to him. The middle face of this deity has a peaked beard. Correspondingly on the left is the figure of Vishṇu who, in three of his hands carries the gadā, the chakra and the śaṅkha and keeps the remaining hand in the pose of praise. Both Brahmā and Vishṇu are seated each on a full blown lotus. There is a distinctly noticeable smile on the faces of Brahmā and Vishṇu. Below are the figures of Gaṇeśa and two others, who are unidentifiable, on the right; the rishi Bhṛingi, in a dancing attitude, in the middle; and Kumāra on the left. Both Gaṇeśa and Kumāra are represented as children and are nude. There is also the bull behind Bhṛingi. The grouping of the members in the composition of this piece of sculpture and its execution are indeed very good.
Pls. XXVII-XXIX are the characteristic pieces of sculpture of the cave-temples of the Bombay Presidency. A certain amount of family likeness could be noticed in these three pieces of elaborately carved panels. The Dēva and the Dēvī, the central figures are shaped rather larger than the others, seated in the middle; and around them a number of other deities attending upon them. In the lower section is the big bull of Śiva tended or rather overtended, by the most humourously carved impish gaṇas. The artists of these master-pieces have spared no pains to cover the panels with a profusion both of vigorous figure sculpture and minute ornamental designs. Nothing short of the highest praise is due to the long gone artists who executed these immortal pieces of art.
In Pl. XXVII Śiva has four arms, the left one of which is holding the right arm of Umā and another is seen resting upon the seat. What the two right hands carried cannot be guessed, as they are broken; evidently, the one resting upon the right thigh was left empty and the other perhaps carried a snake as in fig. 2, Pl. XXVI. Between the figures of Śiva and Umā stands Kumāra, who keeps both his hands crossed on the chest. Gaṇeśa is standing on the right of Śiva. There are two lady attendants, one carrying a chāmara and another a water-vessel (?) On either side of the panel are standing two divine figures, who cannot be identified as Vishṇu and Brahmā, because both of them have jaṭā-makuṭas on their head and because neither of them has four faces. They are in all probability two dvārapālakas. Pl. XXVIII is almost similar to the previous plate. Herein there are sculptured a number of Dēvas, shown as hovering in the air carrying different kinds of offerings in their hands. It is worthy of notice that to the left of Umā is seen standing a dwarfish woman servant. This dwarfish woman is a characteristic feature of the sculptures at Ellora. In the lower section of the panel is the bull in the centre. The dwarfish gaṇas are taking care of it; one peculiarity worth noticing is that these gaṇas are supporting the legs of the bull, an idea apparently borrowed from the Buddhist sculptures wherein the hoofs of the horse of Buddha are borne by dēvas lest they, treading on the earth, might produce noise and awaken the guards and stop Buddha from renouncing the world. The sculptors of all these panels are curiously agreed in representing one of the gaṇas as biting the tail of the bull, another as catching hold of its horns, others tumbling about and playing with each other.
In Pl. XXIX one is seen in the extreme left and behind the figure of a lady, widening his eyes with both his hands, thereby to frighten all others, while another in the extreme right over the figure of another lady is exposing his back in an obscene manner. Of the lady attendants in this panel one is fanning Śiva and another is taking hold of the hair of Umā and dressing it up. Śiva is herein holding in one of his left hands the upper part of the garment of his consort and keeps one of his right hands in the sūchi pose and the other appears to be carrying a book. He is evidently giving out to Umā one of the purāṇas, which are supposed to have been addressed by Śiva to Pārvatī.

Nederlandse vertaling

Sukhāsanamūrti, Umāsahitamūrti, Sōmāskandamūrti en Umāmaheśvaramūrti

De vier vormen van Śiva-beelden die bekendstaan als de Sukhāsanamūrti, de Umāsahitamūrti, de Sōmāskandamūrti en de Umāmaheśvaramūrti worden gewoonlijk aangetroffen in alle Śiva-tempels die enige betekenis pretenderen te hebben in Zuid-India.
Van deze wordt de Sukhāsanamūrti in de Śilparatna als volgt beschreven; deze beschrijving komt in wezen overeen met die van andere gezaghebbende bronnen.

Het beeld van de Sukhāsanamūrti is een zittende figuur met vier armen, drie ogen en een zeer fraaie verschijning die de rajo-guṇa weerspiegelt en een koraalrode huidskleur heeft.
Het beeld dient rechtop gezeten te zijn op een bhadra-pīṭha, waarbij het linkerbeen gebogen is en op de zetel rust, terwijl het rechterbeen naar beneden hangt.
Het moet gekleed zijn in een tijgervel en daarnaast in zijden gewaden. In de rechter achterhand dient zich de paraśu te bevinden en in de linker achterhand de mṛga. De rechter voorhand moet in de abhaya-houding worden gehouden, terwijl de linker voorhand zich óf in de varada-houding óf in de siṁhakarṇa-houding mag bevinden.
In het rechteroor dient zich een makara-kuṇḍala of een siṁha-kuṇḍala te bevinden en in het linkeroor een patra-kuṇḍala; ook mogen in beide oren vṛtta-kuṇḍala’s gedragen worden.
Het hoofd wordt gesierd door een jaṭā-makuṭa; de onderarmen door kaṅkaṇa’s of armbanden in de vorm van slangen (sarpa-kaṅkaṇa’s); en de borst door een yajñōpavīta. Daarnaast dient het beeld met alle overige sieraden te zijn versierd.
Het is noodzakelijk dat zich noch Dēvī noch Skanda in de nabijheid van de Sukhāsanamūrti bevinden.
De Pūrva-Kāraṇāgama wijkt slechts op één klein punt van deze beschrijving af. Volgens deze tekst dient het rechterbeen gebogen op de zetel te rusten, terwijl het linkerbeen naar beneden hangt.
Wanneer Śiva alleen gezeten is zoals hierboven beschreven, staat het beeld bekend als de Sukhāsanamūrti. Indien echter tevens de figuur van de Dēvī op dezelfde zetel naast het beeld van Śiva gezeten is en naar hem toe gericht zit, staat de groep bekend als de Umāsahitamūrti.

De plaats van de Dēvī behoort links van Śiva te zijn.
Zij dient slechts twee armen te hebben. In haar rechterhand houdt zij een lotusbloem, terwijl haar linkerhand óf in de siṁhakarṇa-houding gehouden kan worden, óf gestrekt op de zetel kan rusten.
Haar hoofd dient te zijn versierd met een karaṇḍa-makuṭa.
Het linkerbeen van de Dēvī behoort langs de zetel naar beneden te hangen, terwijl het rechterbeen gebogen op de zetel rust.
De Śilparatna vermeldt dat de Dēvī in haar rechterhand een utpala-bloem dient te houden en de linkerhand in de varada-houding behoort te houden. Een andere mogelijkheid is dat de linkerhand op de pīṭha rust, iets links van haar linkerbeen.
Verder vermeldt de Śilparatna dat de kleur van de Dēvī grasgroen behoort te zijn.
De Dēvī dient versierd te zijn met alle sieraden, halskettingen (hāra’s) en een kroon (makuṭa), en gekleed te zijn in rode zijden gewaden.
De Pūrva-Kāraṇāgama voegt hieraan toe dat de zittende Dēvī ongeveer tot aan de schouder van Śiva dient te reiken.
De afbeelding van Śiva en Umā, gezeten op dezelfde zetel en onder hetzelfde prabhāmaṇḍala, wordt de Umāsahitamūrti genoemd.

Bij de Sōmāskandamūrti blijven Śiva en Umā in dezelfde onderlinge positie geplaatst, maar tussen hen bevindt zich bovendien de figuur van het kind Skanda.
De figuur van Skanda kan staand zijn afgebeeld, gezeten op de zetel, gezeten op de schoot van Umādēvī of dansend.
Hij dient één gezicht, twee ogen en twee armen te hebben. Zijn hoofd behoort te zijn versierd met een karaṇḍa-makuṭa, zijn oren met nakra-kuṇḍala’s en zijn lichaam met een chhannavīra.
Het kind Skanda behoort bovendien een gordel en armbanden te dragen.
Wanneer Skanda staand wordt afgebeeld, kan hij eenvoudigweg in de rechterhand een lotusbloem houden terwijl de linkerhand naar beneden hangt; of beide handen kunnen lotusbloemen dragen.
Volgens de Śilparatna behoort de linkerhand echter in de varada- of siṁha-karṇa-houding gehouden te worden, terwijl de rechterhand een boek draagt.
Er behoort geen kleding op het lichaam van het kind Skanda aanwezig te zijn.
Wanneer Skanda dansend wordt afgebeeld, dient hij in de linkerhand een vrucht te houden en de rechterhand in de sūchi-houding te houden; ook mag de linkerarm uitgestrekt zijn zonder vrucht.
Wanneer Skanda eenvoudig staand wordt afgebeeld, kan hij in zijn rechterhand een lotusbloem houden terwijl de linkerhand naar beneden hangt; ook kunnen in beide handen lotusbloemen worden gehouden. Volgens de Śilparatna dient echter de linkerhand in de varada- of siṁha-karṇa-houding te worden gehouden, terwijl de rechterhand een boek draagt.
Het lichaam van het kind Skanda behoort onbedekt te zijn.
Wanneer Skanda dansend wordt voorgesteld, dient hij in de linkerhand een vrucht te dragen, terwijl de rechterhand in de sūchi-houding gehouden wordt. De linkerarm kan ook uitgestrekt worden afgebeeld zonder vrucht.
Volgens de Uttara-Kāmikāgama mag de hoogte van Skanda variëren van een tiende tot vier tienden van de hoogte van Śiva. Volgens de Kāraṇāgama moet zijn hoogte tussen een achtste en een kwart van die van Śiva bedragen. De Śilparatna stelt dat hij zo hoog behoort te zijn als de gebogen arm of de borsten van de Dēvī.
De Kāraṇāgama voegt daaraan toe dat de goden Brahmā en Viṣṇu, samen met hun respectieve gemalinnen, aan weerszijden van de Sōmāskandamūrti behoren te staan.

De Viṣṇudharmottara en de Rūpamaṇḍana geven een beschrijving van de Umāmaheśvaramūrti.
De eerstgenoemde bron vermeldt dat in deze gedaante het beeld van Śiva en Umā gezeten moeten zijn op een zetel, elkaar omhelzend.
Śiva behoort een jaṭā-makuṭa te dragen, waarin de wassende maan is aangebracht. Hij dient twee armen te hebben. In zijn rechterhand houdt hij een nīlotpala-bloem, terwijl zijn linkerarm om de linkerschouder van Umā heen geslagen is.
Umādēvī dient een fraai gevormde boezem en heupen te hebben. Haar rechterarm behoort om de rechterschouder van Śiva geslagen te zijn, terwijl zij in haar linkerhand een spiegel houdt.
De beelden van Śiva en Umā dienen met grote schoonheid te worden uitgevoerd.
De Rūpamaṇḍana vermeldt daarentegen dat Śiva vier armen behoort te hebben. In één van zijn rechterhanden bevindt zich een triśūla en in de andere een mātuliṅga-vrucht (een soort citroen). Eén van de linkerarmen rust op de schouder van Umā en in de andere linkerhand bevindt zich een slang.
De kleur van Śiva behoort rood te zijn als koraal.
De Dēvī moet worden weergegeven zoals beschreven in de hierboven aangehaalde Viṣṇudharmottara.
Tot deze groep behoren verder Vṛṣabha, de stier van Śiva, Gaṇeśa, Kumāra en een magere, uitgeteerde en dansende figuur van de rishi Bhṛṅgi, alles samengebracht in een kunstzinnige compositie.

De afbeeldingen 1 en 2 van plaat XXI tonen de vormen die bekendstaan als de Umā-sahita-mūrti en tevens als de Sukhāsana-mūrti.
Indien de Dēvī in beide gevallen afwezig zou zijn, zouden de beelden eenvoudig als Sukhāsanamūrti’s kunnen worden beschouwd; zoals zij nu zijn, zijn het Umāsahita-mūrti’s.
In beide gevallen houdt de rechter achterhand de paraśu en de linker achterhand de mṛga. De rechter voorhand bevindt zich in de abhaya-houding en de linker voorhand in de siṁhakarṇa-houding.
In het ene voorbeeld rust de linkerhand van de Dēvī op de zetel, terwijl zij in het andere voorbeeld in de siṁhakarṇa-houding wordt gehouden.
Het stenen beeld is ouder dan het bronzen.

De afbeeldingen 1 en 2 van plaat XXII zijn twee voortreffelijke sculpturen.
De eerste behoort tot de Śiva-tempel van Madeour, terwijl de tweede onlangs als een schatvondst in Nellore werd ontdekt.
Beide zijn uitstekende voorbeelden van de Sōmāskanda-mūrti.
De voorschriften uit de teksten zijn met nauwgezette precisie gevolgd en de uitvoering is voortreffelijk.
Bij het eerste beeld rust de linkerhand van de Dēvī op de pīṭha; bij het tweede wordt zij in de varada-houding gehouden.
In beide gevallen is het kind Skanda dansend weergegeven, terwijl beide handen in de siṁhakarṇa-houding worden gehouden.
Men kan tevens aandacht schenken aan de makara-kuṇḍala in het rechteroor en de patra-kuṇḍala of vṛtta-kuṇḍala in het linkeroor van Śiva, die in beide beelden voorkomen.
De afbeeldingen vanaf plaat XXIII tot en met XXIX …

De afbeeldingen tonen de Umāmaheśvaramūrti.

Plaat XXIII is een afbeelding van het beeld uit Bagali in het district Bellary.
Hier zit Umā op de linkerknie van Śiva. Haar rechterarm is om hem heen geslagen en rust tegen de rechterzijde van zijn borst. In haar linkerhand houdt zij een mātuliṅga-vrucht.
De rechter voorhand van Śiva bevindt zich in de abhaya-houding, terwijl de linker voorhand op de linkerschouder van Umā rust.
In de rechter- en linkerachterhand bevinden zich respectievelijk de triśūla en de ḍamaru.
De Dēvī draagt haar haar in een fraaie zijdelingse haarknot.
Op de prabhāvali zijn minutieus de figuren van de aṣṭa-dikpāla’s of hoeders van de acht windstreken afgebeeld.
Opmerkelijk is dat in dit geval de figuren van Gaṇeśa, Kumāra, de rishi Bhṛṅgi en de stier ontbreken.

Plaat XXIV toont een beeldhouwwerk uit Aihole.
Hier houdt Śiva in twee handen slangen en in een derde hand de triśūla; met de vierde arm omhelst hij Umā en laat zijn hand op haar schouder rusten.
Umā houdt haar rechterhand op de linker dij van Śiva. Haar andere arm is afgebroken.
Aan de linkerzijde van de zetel waarop Śiva en Umā gezeten zijn bevindt zich de figuur van het kind Kumāra. Deze lijkt in zijn linkerhand drie lotusbloemen bij de stelen vast te houden en in de rechterhand een vrucht.
Onder de zetel bevinden zich twee Apasmāra-Puruṣa’s en de rishi Bhṛṅgi.
De figuur van Gaṇeśa, die zich normaliter rechts van Bhṛṅgi zou moeten bevinden, lijkt verloren te zijn gegaan.

Plaat XXV is een van de mooiste voorbeelden van ivoorsnijwerk dat werd vervaardigd aan de School of Arts te Trivandrum.
De fijnheid van het vakmanschap, de schoonheid van het ontwerp en de uitvoering, en de grootse indruk die het werk maakt, zijn boven alle lof verheven.
Śiva is hier afgebeeld gezeten op een bhadrāsana onder een boom. In zijn achterhanden houdt hij de paraśu en de mṛga; zijn rechter voorhand bevindt zich in de abhaya-houding, terwijl hij met zijn linkerarm de Dēvī omhelst en die hand in de varada-houding houdt.
Umā omhelst Śiva met haar rechterarm en houdt in haar linkerhand een lotusbloem.
Op de kroon, in de oorlellen, op de armen en over de borst van Śiva bevindt zich een overvloed aan slangornamenten.
Links en rechts staan de twee kinderen van Umā. De oudste, Gaṇapati, draagt een lendendoek; de jongere, Kumāra, staat naakt afgebeeld.
Gaṇeśa heeft vier armen waarin hij de aṅkuśa, de pāśa, de danta en de mōdaka draagt. Achter hem bevindt zich zijn rijdier, de muis.
Kumāra heeft twee armen. In zijn linkerhand houdt hij de śakti en met zijn rechterarm omhelst hij de hals van zijn geliefde rijdier, de pauw.
Voor de troon van Śiva zit Nandi, de stier van Śiva.

Figuur 1 van plaat XXVI toont een Umāmaheśvara-groep uit de tempel van Haveri.
Ook hier zit Umā op de linkerknie van Śiva en omhelst zij hem met haar rechterarm, die rust tegen de rechterzijde van zijn lichaam. Zij lijkt een bloem in haar linkerhand te hebben gehouden, maar deze hand is helaas afgebroken.
Śiva draagt in drie van zijn vier handen de śūla, de ḍamaru en een akṣamālā. De vierde arm is om de linkerschouder van Umā geslagen.
Rond Śiva en Umā bevindt zich een fraai uitgewerkte prabhāvali met rankornamenten. In elk van de ronde lussen van de ranken is een dikpāla uitgebeeld.
Aan de rechterzijde van de bhadrāsana bevindt zich een klein zittend beeld van Gaṇeśa met vier armen, waarin hij zoals gebruikelijk de aṅkuśa, de pāśa, de danta en een mōdaka draagt.
Voor hem zit Nandi, de stier van Śiva.
Aan de linkerzijde van de zetel bevinden zich overeenkomstig de figuur van Kumāra met zes hoofden, gezeten op zijn pauw, en een alligator, het rijdier van Umā-Pārvatī.
Het geheel is met veel vaardigheid en smaak uitgevoerd.

Figuur 2 van plaat XXVI vormt een groep die vrijwel gelijk is aan de zojuist beschreven voorstelling.
Śiva draagt hier een lotus, de śūla en een slang in drie van zijn handen. De vierde arm omhelst Umā ter hoogte van haar borst.
Beide figuren dragen śaṅkha-patra-kuṇḍala’s, dat wil zeggen oorhangers in de vorm van stukken schelp.
Rond het hoofd van Śiva bevindt zich een zeer fraai uitgewerkt prabhā-maṇḍala, terwijl het haar van Umā achter het hoofd in een kunstige knot is samengebracht.
De Dēvī laat haar rechterhand rusten op de linkervoet van haar heer en lijkt een bloem in haar linkerhand te hebben gedragen, maar deze hand is afgebroken.
In de rechterbovenhoek van het paneel zit Brahmā in yogāsana. Hij houdt de voorwerpen vast die gewoonlijk bij hem horen. Het middelste gezicht van deze godheid draagt een puntige baard.
Links bevindt zich overeenkomstig daarvan de figuur van Viṣṇu, die in drie handen de gadā, de cakra en de śaṅkha draagt en de vierde hand in een houding van verering houdt.
Brahmā en Viṣṇu zitten beiden op een volledig geopende lotusbloem.
Op de gezichten van Brahmā en Viṣṇu is een duidelijk waarneembare glimlach te zien.
Daaronder bevinden zich rechts Gaṇeśa en twee niet nader identificeerbare figuren, in het midden de dansende rishi Bhṛṅgi en links Kumāra.
Gaṇeśa en Kumāra zijn beide als kinderen weergegeven en naakt.
Achter Bhṛṅgi bevindt zich tevens de stier.
De compositie van deze sculptuur en de uitvoering ervan zijn werkelijk voortreffelijk.

De platen XXVII tot en met XXIX vormen karakteristieke voorbeelden van de grottempels van de Bombay Presidency.
Tussen deze drie rijk uitgewerkte panelen bestaat een zekere familiegelijkenis.
De Dēva en de Dēvī, de centrale figuren, zijn groter weergegeven dan de overige figuren en zitten centraal geplaatst. Rond hen bevinden zich talrijke godheden die hen bedienen.
In het onderste gedeelte bevindt zich de grote stier van Śiva, verzorgd, of beter gezegd overmatig verzorgd, door de bijzonder humoristisch weergegeven gaṇa’s.
De kunstenaars hebben geen moeite gespaard om de panelen te vullen met zowel krachtige figuursculptuur als uiterst verfijnde ornamentiek.
Niets minder dan de hoogste lof komt toe aan de inmiddels lang overleden kunstenaars die deze onsterfelijke kunstwerken hebben vervaardigd.
In plaat XXVII heeft Śiva vier armen. Met één linkerarm houdt hij de rechterarm van Umā vast; een andere linkerarm rust op de zetel.
Wat zich in de twee rechterhanden bevond kan niet meer worden vastgesteld, aangezien deze zijn afgebroken. Vermoedelijk was de hand die op de rechterdij rustte leeg, terwijl de andere mogelijk een slang droeg zoals in figuur 2 van plaat XXVI.
Tussen Śiva en Umā staat Kumāra met beide armen gekruist over de borst.
Gaṇeśa staat rechts van Śiva.
Twee vrouwelijke dienaren zijn aanwezig: één draagt een cāmara en een andere een waterkruik.
Aan weerszijden van het paneel staan twee goddelijke figuren die niet als Viṣṇu en Brahmā kunnen worden geïdentificeerd, aangezien beiden een jaṭā-makuṭa dragen en geen van beiden vier gezichten heeft.
Waarschijnlijk gaat het om twee dvārapālaka’s.
Plaat XXVIII lijkt sterk op de vorige.
Hier zijn talrijke godheden afgebeeld die zwevend in de lucht offers dragen.
Opmerkelijk is dat links van Umā een kleine vrouwelijke dwergdienares staat afgebeeld, een kenmerkend element van de sculpturen uit Ellora.
In het onderste gedeelte van het paneel bevindt zich centraal de stier. Dwergachtige gaṇa’s verzorgen hem.
Een bijzonder detail is dat deze gaṇa’s de poten van de stier ondersteunen. Volgens Rao is dit idee waarschijnlijk ontleend aan boeddhistische sculpturen waarop de hoeven van het paard van de Boeddha door goden worden gedragen om geluid te voorkomen en zo de bewakers niet te wekken wanneer de Boeddha de wereld verlaat.
In al deze panelen tonen de kunstenaars opvallend veel overeenstemming in de weergave van de gaṇa’s: één bijt in de staart van de stier, een andere grijpt zijn horens vast en weer andere rollen over elkaar heen of spelen met elkaar.
In plaat XXIX vergroot een van de gaṇa’s links achter een vrouwelijke figuur zijn ogen met beide handen om de anderen schrik aan te jagen. Een andere figuur rechts vertoont zich op obscene wijze.
Een van de vrouwelijke dienaren waaiert Śiva koelte toe, terwijl een andere het haar van Umā verzorgt en opmaakt.
Śiva houdt hier met een van zijn linkerhanden het bovenste deel van het gewaad van zijn gemalin vast. Eén van zijn rechterhanden bevindt zich in de sūchi-houding en de andere lijkt een boek te dragen.
Hij lijkt hier aan Umā een van de Purāṇa’s te onderwijzen, die volgens de traditie door Śiva aan Pārvatī werden meegedeeld.


De krijgsadelaar van Teotihuacán

Vandaag een kort bericht, maar daarom niet minder bijzonder.
Een adelaar met zijn schild en lans.
Een plant lijkt uit zijn bek te groeien.
Het is misschien geen unieke voorstelling,
maar frescofragmenten zie je niet vaak in Mexicaanse collecties.
Daarom viel dit fragment me meteen op.
In het begin kon ik mijn ogen niet geloven.
Zo’n prachtige voorstelling en bovendien bijna helemaal monochroom uitgevoerd.
Geniet mee van de dynamiek die het uitstraalt.

DSC06109MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtParteDeUnMuroFrescoÁguilaPortaEscudoYLanzaTeotihuacanEpocaClasica200-750DC
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Parte de un muro, fresco, aguila porta escudo y lanza, Teotihuacan, epoca clasica, 200 – 750 D.C. Fresco-fragment van een adelaar, uit wiens snavel bloeiende planten ontspringen; de vogel draagt een schild en een lans.

Een leeshulp bij Elements of Hindu Iconography

Dit bericht is een vervolg op het bericht dat ik
nog niet zo lang geleden schreef
met als titel Shiva en Parvati.
Dat bericht ging over een bronzen beeld dat ik zag in Musée Guimet.
Toen ik het beeld nader onderzocht, stuitte ik op vragen
waarop ik geen antwoord kon vinden.

DSC08104 01 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
Musee Guimet, Shiva et Parvati, don J.-P. Schotsmans en souvenir de Janine Schotsmans-Wolfers. MA 6056.

Om een antwoord te krijgen op de vraag of het beeld
beter beschreven kan worden als ‘Shiva en Parvati’
of als ‘Umasahitamurti’,
ga ik gebruikmaken van Elements of Hindu Iconography van T. A. Gopinatha Rao.
Het boek verscheen in 1914 en 1916.

ShivaEtParvatiZaaltekst

Maar voordat ik in de inhoud duik, wil ik eerst een beeld krijgen
van hoe het boek in elkaar zit,
hoe het tot stand is gekomen
en hoe het gebruikt kan worden.

Waarom schreef Rao zijn boek?

Het voorwoord van Elements of Hindu Iconography uit 1914
maakt duidelijk vanuit welke vraag T. A. Gopinatha Rao
aan zijn grote studie begon.
Reizigers en onderzoekers konden in India
talloze tempelbeelden bewonderen en beschikten bovendien
over een rijke mythologische literatuur,
maar een systematische verklaring van de beelden zelf
ontbrak volgens hem grotendeels.
De meeste bestaande boeken behandelden
de hindoeïstische goden en hun afbeeldingen
aan de hand van de Purāṇa’s en andere verhalende bronnen.
Daarmee kon men veel leren over de mythen, maar veel minder
over de beeldtaal waarmee deze godheden
in tempels en sculpturen werden voorgesteld.

Rao vertelt dat hij aanvankelijk dacht de iconografie vooral te kunnen verklaren
aan de hand van de verhalende bronnen, zoals de Purāṇa’s.
Al snel liep hij echter vast op de grote verscheidenheid aan afbeeldingen
van één en dezelfde god.
Waarom heeft een bepaalde vorm van Shiva (Śiva) vier armen en een andere acht?
Waarom draagt dezelfde godheid in het ene beeld een hert
en in het andere een bijl?
Waarom verschijnt een bepaalde kroon, houding of handgebaar steeds opnieuw?
De mythologische teksten gaven daarop vaak geen afdoende antwoord.

Een keerpunt vormde daarom zijn kennismaking met teksten
zoals de Śilparatna en de Aṁśumadbhedāgama.
Dat waren geen mythologische verhalen, maar technische en rituele handboeken
uit de tradities van tempelbouwers, priesters en beeldmakers.
Terwijl de Purāṇa’s vooral beschreven wie de goden waren,
welke levensverhalen zij hadden
en hoe zij zich tot andere godheden verhielden,
legden deze teksten vast hoe de goden moesten worden afgebeeld:

  • hoeveel armen zij moesten hebben,
  • welke attributen zij droegen,
  • welke houdingen en gebaren voorgeschreven waren
  • en hoe beelden volgens vaste proporties moesten worden vervaardigd.

Voor Rao was dit een openbaring.
De sleutel tot de iconografie lag niet alleen in de verhalen over de goden,
maar ook in een omvangrijke vakliteratuur
die door eerdere westerse onderzoekers grotendeels over het hoofd was gezien.

Toch zag hij zijn eigen werk niet als een vervanging van deze oudere handboeken.
Integendeel, hij beschouwde ze als onmisbare bronnen.
Zijn ambitie lag elders.
De āgama’s (waarvan de Aṁśumadbhedāgama een voorbeeld is)
en de śilpa-teksten (zoals de Śilparatna) waren vaak moeilijk toegankelijk,
verspreid over verschillende manuscripten en bovendien ingebed
in uitgebreide verhandelingen over rituelen, tempelbouw en theologie.
Rao wilde de iconografische gegevens uit al deze bronnen bijeenbrengen,
onderling vergelijken en vervolgens toetsen aan de werkelijke sculpturen
die hij tijdens zijn reizen door India bestudeerde en fotografeerde.

Daarmee vervulde Elements of Hindu Iconography een nieuwe functie.
Het boek was niet bedoeld als een nieuwe āgama of een nieuwe Śilparatna,
maar als een brug tussen tekst en beeld.
De oude bronnen leverden de voorschriften;
de tempels en sculpturen leverden het zichtbare bewijsmateriaal.
Door beide met elkaar in verband te brengen kon Rao
een systematisch overzicht scheppen van de verschillende vormen
van de hindoeïstische godheden en hun iconografische kenmerken.

Juist daarin ligt de blijvende betekenis van zijn werk.
Waar eerdere auteurs vooral de goden beschreven, probeerde Rao
de beelden zelf te begrijpen.
Zijn studie vormt daardoor niet alleen een samenvatting van oudere teksten,
maar ook een synthese van manuscripten, veldonderzoek, fotografie
en vergelijkende analyse.
Wat hij zelf bescheiden omschreef als een eerste poging om het terrein te ontginnen,
groeide uit tot een van de invloedrijkste standaardwerken
op het gebied van de Indiase iconografie.

Wie waren de ‘voorgangers’ van Rao?

Rao noemt in zijn voorwoord een reeks Europese auteurs
die vóór hem over hindoeïstische goden, mythologie
en afbeeldingen hadden geschreven.
Onderstaand overzicht plaatst deze voorgangers in chronologische volgorde.

VoorgangersDieRaoNoemt

Deze auteurs schreven vooral over de goden, hun verhalen en hun onderlinge relaties.
Rao wilde een stap verder gaan door tevens te onderzoeken
hoe de goden in beelden werden voorgesteld
en welke voorschriften aan die voorstellingen ten grondslag lagen.

Het boek

Het boek van Rao is ingewikkeld.
Niet alleen omdat de inhoud ingewikkeld is, maar ook door de manier
waarop het boek is verschenen en waarop ik het nu kan raadplegen.
Het boek is niet in de winkel te koop.
Ik werk met pdf-bestanden die via Internet Archive beschikbaar zijn gesteld.

VI 012 TAGRaoElementsOfHinduIconography Dedication

Waar ik tegenaan loop:

  • de tekst en foto’s zijn van elkaar gescheiden: de foto’s staan op afzonderlijke pagina’s;
  • de pagina’s met foto’s zijn ongenummerd;
  • de aanbevelingspagina en de lege pagina’s zijn eveneens ongenummerd;
  • het voorwoord, de inhoudsopgave, het overzicht van de platen (foto’s),
    de lijst van geraadpleegde werken en de errata
    zijn genummerd met Romeinse cijfers.

Het resultaat is dat de pagina waarop paginanummer 1 staat gedrukt
in de pdf op pagina 38 zit.

VII 001 TAGRaoElementsOfHinduIconographyCover

Het volledige werk is niet in één boekband verschenen.
Deel 1 en 2 van de eerste helft (Volume I) zijn twee fysieke boeken.
Dat is ook het geval met de tweede helft (Volume II).
Er staat een inhoudsopgave in deel 1 van Volume I en die heeft betrekking
op deel 1 en 2.
Dat is ook het geval met Volume II.
Zowel Volume I als Volume II hebben een Inleiding.

De delen vormen geen zelfstandige boeken met elk een eigen onderwerp,
maar samen één groot naslagwerk.

Als je daar eenmaal vertrouwd mee bent, werkt dat prima,
maar voor een lezer in 2026 is het even wennen.

Daarom heb ik voor mezelf de volgende leeshulp opgesteld.

Inleiding op Leeshulp

Rao ordent zijn naslagwerk niet volgens mythologische verhalen,
maar volgens godheden en hun verschillende verschijningsvormen.
Daarbij volgt hij niet de rangorde die een buitenstaander misschien zou verwachten.
Zo verschijnt Brahmā, die vaak tot de grote hindoeïstische goden wordt gerekend,
pas tegen het einde van het werk,
terwijl Vishnu, Shiva en de Godin daarvoor al honderden pagina’s in beslag nemen.
De indeling lijkt vooral bepaald door de rijkdom van de beeldtraditie
en het aantal iconografische varianten van iedere godheid.

Weet je welke god of godin is afgebeeld, dan kun je in de betreffende hoofdstukken
verder zoeken naar de precieze verschijningsvorm.

Leeshulp

Ganesha

  • Ganesha (Ganapati), de olifantsgod

Vishnu en zijn verschijningsvormen

  • Hoofdvormen van Vishnu
  • De tien avatāra’s
    • Matsya (vis)
    • Kūrma (schildpad)Varāha (everzwijn)
    • Narasiṃha (mens-leeuw)
    • Rāma
    • Krishna
    • enz.
  • De vierentwintig klassieke Vishnu-vormen
  • Minder bekende Vishnu-vormen
    • Hayagrīva
    • Lakṣmī-Nārāyaṇa
    • Jagannātha
    • Vaikuṇṭha
    • enz.
  • Garuḍa, Vishnu’s vogelvoertuig
  • Gepersonifieerde wapens van Vishnu

Gepersonifieerde wapens van Vishnu

Zon-, planeet- en hemelgoden

  • Sūrya (de zonnegod)
  • De twaalf Āditya’s
  • De negen Navagraha’s (planeetgoden)

De Grote Godin (Dēvī)

  • Durgā
  • Kālī
  • Lakṣmī
  • Sarasvatī
  • Pārvatī
  • Annapūrṇā
  • Saptamātṛkā’s
  • en tientallen andere verschijningsvormen van de godin

Shiva en zijn verschijningsvormen

  • De liṅga (Shiva in abstracte vorm)
  • Liṅgodbhava
  • Candraśekhara
  • Pāśupati
  • Dakṣiṇāmūrti
  • Naṭarāja
  • Bhikṣāṭana
  • Ardhanārīśvara
  • Harihara
  • Bhairava
  • Vīrabhadra
  • Sadāśiva
  • Mahāsadāśiva
  • Rudra’s
  • Vidyeśvara’s
  • en vele andere vormen van Shiva

Shiva’s familie, begeleiders en volgelingen

  • Subrahmaṇya (Skanda, Kārttikeya)
  • Nandikeśvara
  • Caṇḍeśvara
  • Bhakta’s en heilige vereerders
  • Kṣetrapāla

Andere belangrijke goden

  • Brahmā
  • Dikpālaka’s (windrichtingsgoden)
  • Aśvin-tweelingen

Hemelwezens, demonen en halfgoden

  • Nāga’s
  • Gandharva’s
  • Apsara’s
  • Asura’s
  • Ṛṣi’s
  • Pitṛ’s
  • Maruts
  • Vasu’s
  • en andere lagere goddelijke wezens

Technische bijlagen

  • Tempelindeling
    • Opstelling van godheden in een Vishnu-tempel
    • Plaats van de parivāradevatā’s (begeleidende godheden)
  • Beeldproporties
    • Canonieke maten voor het vervaardigen van beelden
    • Het uttama-daśa-tāla-systeem
  • Bronteksten
    • De Sanskrietteksten waarop Rao zijn beschrijvingen baseert

Deze leeshulp maakt meteen duidelijk dat Elements of Hindu Iconography
geen woordenboek van hindoeïstische mythologie is
en evenmin een determinatiesleutel waarmee een onbekend beeld
stap voor stap kan worden geïdentificeerd.
Rao gaat ervan uit dat de lezer al enig idee heeft welke godheid is afgebeeld.
Van daaruit helpt hij de verschillende verschijningsvormen te onderscheiden
en te begrijpen.
In een volgende bijdrage probeer ik deze werkwijze toe te passen
op het beeld van Shiva en Parvati uit Musée Guimet.
Niet om Rao samen te vatten,
maar om te laten zien hoe zijn naslagwerk in de praktijk kan worden gebruikt.


Hieronder volgen, voor wie Rao’s eigen verantwoording wil nalezen,
de Engelse transcripties en Nederlandse vertalingen van beide voorwoorden.

Transcriptie Preface Vol I

The tall spire of the Hindu temple is one of the first objects to arrest the attention of the observant foreigner and excite his curiosity as he travels through India. On going into the temple, he meets with a number of what may perhaps appear to him to be grim and meaningless images, in stone and bronze and other materials, some with two, others with four or more arms, holding a variety of weapons and other more or less curious articles in their hands. The man on the spot may tell him on enquiry that one of those images is the figure of Vishṇu, the god of protection, another that of Śiva, the god of destruction, and so on, about the innumerable gods and goddesses comprised within the tolerant and all-inclusive fold of the Hindu religion. Some such foreigner, more curious than others of his kind, is sometimes tempted to study these images somewhat carefully, find out their number and characteristics, and gather the legends relating to them from the Purāṇas and other sources, as also from the learned natives of the country well versed in their religious and mythological lore. Then at last he may come out with his volume on the Hindu gods, on Hindu mythology and other kindred subjects. Such in fact are most of the books that have been written hitherto by foreign authors on topics relating to Hindu Iconography.
It is exactly two hundred years since Ziegenbalg, the famous Danish missionary of Tranquebar, wrote his work on the “Genealogy of the South Indian Gods,” with the aid of the information he gathered from some people of the Tamil land. In the year 1785 the book known as “Sketches of the Mythology and Customs of the Hindus” was brought out by George Foster. Moore’s “Hindu Pantheon”, with illustrations, was first printed in 1810, and then reprinted by Messrs. Higginbotham & Co., of Madras, in 1864, with notes from the pen of the Rev. W.O. Simpson. “Ancient and Hindu Mythology”, a work written sympathetically and in defence of the views of the Hindus, with a large number of extracts from the Purāṇas and other Hindu scriptural sources, was thereafter brought out by Col. Vans Kennedy in 1831. Another work named “A Classical Dictionary of Hindu Mythology” was published by John Dowson in 1879.
The last among such works is W. J. Wilkins’ “Hindu Mythology”, illustrated with pictures, and explained with reference to the Purāṇas and other religious writings of the Hindus. It will thus be seen that books dealing with Hindu images and Hindu mythology are not altogether wanting. Nevertheless, Fergusson, who is an eminent authority on Eastern and Indian architecture, has justly remarked—“Whenever any one will seriously undertake to write the history of sculpture in India, he will find the materials abundant and the sequence by no means difficult to follow; but, with regard to mythology, the case is different. It cannot, however, be said that the materials are not abundant for this branch of the enquiry also; but they are of much less tangible or satisfactory nature, and have become so entangled, that it is extremely difficult to obtain any clear ideas regarding them; and it is to be feared they must remain so, until those who investigate the subject will condescend to study the architecture and sculpture of the country as well as its books. The latter contain a good deal, but they do not contain all the information available on the subject; and they require to be steadied and confirmed by what is built or carved, which alone can give precision and substance to what is written…..
“It is remarkable that, with all the present day activity in every branch of Sanskrit research, so very little has been done for the illustration of mythology, which is so intimately connected with the whole literature. It would be a legitimate part of the duty of the Archaeological Surveys to collect materials on a systematic plan for this object; and the production of illustrations has now become so easy and inexpensive that photographs from original materials of a satisfactory class might readily be published to supply this most pressing desideratum. The details of the emblems and symbols of the numerous divinities of the pantheon could also be collected, along with the delineations, by those familiar with such symbols. All this could easily be accomplished, and it is consequently hoped it may before long be attempted.”
It has to be said that the books by European authors referred to above do not contain the information which is available in indigenous Sanskrit works on Iconography; nor do they give pictorial representations of the sculptures that are actually found in this vast country. On the other hand, some of those authors have given what might be well understood to be their own version of Hindu mythology, and in their descriptions of Hindu images, with here and there a pungent remark about what they consider an uncouth representation or an immoral legend, they seem to have cared to study neither the symbolism underlying the mythical stories nor the meaning of the images illustrating them. A book on the model suggested by Fergusson has indeed been a great desideratum.
The first attempt to supply this want to some extent was made by that many-sided Bengali scholar and author, Mr. Nāgendranāth Vasu, in his interesting volume on the Archaeological Survey of Mayūrabhañja. Some years ago the idea occurred to me that I might try to bring out a book on the subject of Hindu Iconography to supply as far as I could, the desideratum noted by Fergusson. I was originally under the impression that it could be done without pressing much into service the information contained in original Sanskrit works of authority on the subject, even of the existence of which I was not then fully aware. Soon, the bewildering variety of images that were found in relation to one and the same god convinced me that to get at the details of their mythological meaning and moral aim without the help of the Sanskrit works bearing on them was almost an impossible task. Luckily, while touring in North Travancore, I had on one occasion the good fortune to get hold of a small manuscript work entitled Śilparatna; and on deciphering it with considerable difficulty, I found it to be a synopsis in Malayalam verse of a bigger treatise of the same name. Another small fragmentary manuscript, which came into my hands later on, was found to be, from the colophons at the end of the chapters, an āgama called Aṁśumadbhedāgama. Some years previously, I had purchased eight or nine works on Śaivāgama; but, owing to want of time, I had not even taken the trouble to know what they contained. About this time I began to look into them, and what a mine of wealth they revealed themselves to be! They contained chapter on chapter of minute descriptions relating to most Śaiva images and to some Vaishnava images as well. My search for more āgamas and tantras resulted in the collection of a large number of them, which in fact belong to all the various Hindu sects. From the materials thus acquired, I began first to pick up merely the descriptions of images, as they are given in them. The āgamas generally deal with many other topics than simple iconography. While engaged thus, I went on improving at the same time my collection of photographs of the sculptures and castings representing the various Hindu divinities.
In the middle of 1912, I actually began the task of writing out a systematic description of the images, and soon finished the description of a number of minor deities.
After having proceeded so far, it struck me that the chief difficulty in the way of the accomplishment of my undertaking was in securing the required financial aid for its publication. The work required photo-mechanical reproductions of a large number of images, the cost of which alone was quite enough to scare me away from the undertaking. As a matter of fact, I should really have been compelled, howsoever reluctantly, to abandon my cherished object, but for the opportune help and encouragement most generously offered by the enlightened Government of His Highness the Mahārāja of Travancore. The Dewan, Mr. Rājagōpālāchārya, readily perceived the value of the undertaking, and promised to sanction the amount required for the publication of the work. The sympathetic attitude of this highly cultured gentleman at the head of affairs in Travancore afforded a new stimulus and induced me to work with redoubled vigour and earnestness. The required Sanskrit texts were all quickly gathered, but the growth of the collection of the needed photographs did not proceed apace. I then approached the Dewan with the request that I should be permitted to go out on tour to places outside the State, in the Madras and the Bombay Presidencies and also in the Mysore State, to obtain the photographs. The tour was sanctioned; and my visit to these places not only enriched my photographic collection, but was also of a very highly educative value to me. It enabled me to study the various iconographic symbols and emblems directly from the sculptures themselves. Wherever photographing was impossible, there I indented upon my amateur knowledge of drawing and painting. I frequently took pen and ink sketches, and occasionally full-sized coloured drawings of mural paintings, although this latter work was extremely tedious.
I consider it a duty to refer here to the unstinted help which I received from my friend, the late Mr. M. K. Nārāyaṇasāmi Ayyar, Vakil of the Madras High Court, who secured for my work as many photographs as he could take during his visits to various outside stations in the Madras Presidency on professional and other kinds of business, and thereby facilitated my work very considerably. Mr. Nārāyaṇasāmi Ayyar was a well read scholar, critic and philosopher, and was to have contributed to this work a learned article on Dēvi-worship. Unfortunately, however, the hand of death deprived me all on a sudden of the further help to which I had been looking forward with high hope; and the result is that this work has had to lose the advantage of an erudite and complete account of Dēvi-worship from the pen of a profound scholar well versed in the Śākta and other religious schools known to the sacred literature of the Hindus.
I am only too well aware of the several defects which abound in this production of mine, but feel at the same time somehow confident that scholars will look upon them indulgently by taking into consideration the vastness of the material to be collected and digested, and also the fact that my official duties in Travancore have been so heavy as to leave little time for much extra work of this kind. Moreover, I have to state that this is in more than one respect the first attempt of its kind, and does not profess to be anything like a complete presentation of the subject. I shall certainly consider myself under the circumstances to be amply rewarded if this humble work of mine serves the purpose of simply breaking the ground and induces abler scholars to deal with the subject in a fuller and more satisfactory manner.
I take this opportunity of again expressing my deep gratitude to the liberal Government of H. H. the Mahārāja of Travancore for their having made the publication of this work possible; and personally I am highly indebted to Dewan Bahadur P. Rājagōpālāchārya, M.A., B.L., C.I.E., for the enlightened and encouraging interest he has all along taken in the production of this work. I cannot sufficiently thank Pandit V. Śrīnivāsa Śāstri, Smṛitivisārada, but for whose willing co-operation and unceasing industry it would indeed have been very difficult for me to bring out this work. My best thanks are due also to Pandit T. Gaṇapati Śāstri, Curator of the Sanskrit Manuscripts Library, Trivandram, for his readily helping me with all the manuscripts I applied for from time to time in connection with this work. Mr. D. R. Bhaṇḍārkar, M.A., Superintendent of Archaeology, Western Circle, showed me great kindness in lending me his copy of Rūpa-maṇḍana, which seems to be a comparatively late work on Hindu Iconography. I have, in conclusion, to say that I cannot sufficiently express my gratitude and indebtedness to my respected master, Rao Bahadur Prof. M. Raṅgāchārya, M.A., of the Presidency College, Madras, for the very great interest, which he has throughout evinced in the work and the parental care with which he has guided me at every stage of its progress. He was ever ready with his invaluable suggestions, and was to me a never-failing source of inspiration and encouragement. I therefore respectfully beg to tender to him here my most grateful thanks for all the trouble he has taken on my behalf.

T. A. G.
Triplicane, Madras,
September, 1914.

VOORWOORD (Copilot)

De hoge torenspits van de hindoeïstische tempel is een van de eerste zaken die de aandacht van de opmerkzame vreemdeling trekken en zijn nieuwsgierigheid prikkelen wanneer hij door India reist. Wanneer hij de tempel binnengaat, treft hij er een aantal beelden aan die hem misschien grimmig en betekenisloos voorkomen: beelden van steen, brons en andere materialen; sommige met twee armen, andere met vier of meer; in hun handen een verscheidenheid aan wapens en andere, meer of minder merkwaardige voorwerpen houdend. De plaatselijke gids kan hem desgevraagd vertellen dat een van die beelden de gedaante van Viṣṇu voorstelt, de god van bescherming, een ander die van Śiva, de god van vernietiging, enzovoort, behorend tot de ontelbare goden en godinnen die binnen de verdraagzame en allesomvattende kring van de hindoeïstische godsdienst worden vereerd.

Sommige van deze vreemdelingen, nieuwsgieriger dan de meeste van hun soortgenoten, voelen zich er soms toe aangetrokken deze beelden wat nauwkeuriger te bestuderen, hun aantal en kenmerken vast te stellen en de verhalen die ermee verbonden zijn bijeen te brengen uit de Purāṇa’s en andere bronnen, evenals van geleerde inwoners van het land die goed thuis zijn in hun religieuze en mythologische overleveringen. Uiteindelijk kan zo iemand dan een boek publiceren over de hindoeïstische goden, over hindoeïstische mythologie en verwante onderwerpen. In feite zijn de meeste boeken die tot dusver door buitenlandse auteurs over onderwerpen betreffende de hindoeïstische iconografie zijn geschreven op deze wijze tot stand gekomen.

Het is precies tweehonderd jaar geleden dat Ziegenbalg, de beroemde Deense missionaris van Tranquebar, zijn werk over de Genealogy of the South Indian Gods schreef, met behulp van de informatie die hij verzamelde van bewoners van het Tamil-land. In 1785 verscheen het boek Sketches of the Mythology and Customs of the Hindus van George Foster. Moore’s Hindu Pantheon, voorzien van illustraties, werd voor het eerst gedrukt in 1810 en vervolgens in 1864 heruitgegeven door Messrs. Higginbotham & Co. te Madras, met aantekeningen van de eerwaarde W. O. Simpson. Daarna verscheen in 1831 Ancient and Hindu Mythology van kolonel Vans Kennedy, een werk dat met sympathie voor de opvattingen van de hindoes werd geschreven en dat een groot aantal uittreksels bevatte uit de Purāṇa’s en andere heilige hindoeïstische geschriften. Een ander werk, getiteld A Classical Dictionary of Hindu Mythology, werd in 1879 gepubliceerd door John Dowson.

De laatste in deze reeks werken is W. J. Wilkins’ Hindu Mythology, geïllustreerd met afbeeldingen en toegelicht aan de hand van de Purāṇa’s en andere religieuze geschriften van de hindoes.

Hieruit blijkt dat er geen volledig gebrek bestaat aan boeken die over hindoeïstische beelden en hindoeïstische mythologie handelen. Niettemin heeft Fergusson, een vooraanstaand autoriteit op het gebied van de oosterse en Indiase architectuur, terecht opgemerkt:

“Wanneer iemand zich ernstig ertoe zet een geschiedenis van de Indiase beeldhouwkunst te schrijven, zal hij overvloedig materiaal aantreffen en zal de opeenvolging van ontwikkelingen geenszins moeilijk te volgen zijn. Met betrekking tot de mythologie ligt de zaak echter anders. Men kan evenwel niet zeggen dat ook voor dat vakgebied het materiaal niet overvloedig aanwezig is; maar het bestaat uit gegevens van een veel minder tastbare en bevredigende aard, en deze zijn bovendien zodanig met elkaar verstrengeld geraakt dat het buitengewoon moeilijk is zich daarover een helder beeld te vormen. En het valt te vrezen dat dit zo zal blijven totdat degenen die zich met dit onderwerp bezighouden zich ertoe verwaardigen naast de boeken ook de architectuur en beeldhouwkunst van het land te bestuderen. Die boeken bevatten weliswaar veel informatie, maar niet alle beschikbare kennis over het onderwerp; bovendien moeten hun gegevens worden getoetst en bevestigd door hetgeen gebouwd of uitgehouwen is, want alleen dat kan aan het geschrevene nauwkeurigheid en werkelijkheid verlenen.”

Opmerkelijk is dat, ondanks alle huidige activiteit op elk terrein van het Sanskrit-onderzoek, zo weinig is gedaan om de mythologie te illustreren, terwijl deze zo innig met de gehele literatuur verbonden is. Het zou een volkomen legitiem onderdeel van de taak van de Archaeological Surveys zijn om voor dit doel op systematische wijze materiaal te verzamelen; en nu het vervaardigen van illustraties zo eenvoudig en goedkoop is geworden, zouden foto’s van oorspronkelijke monumenten en voorwerpen gemakkelijk gepubliceerd kunnen worden om in deze dringende behoefte te voorzien. De kenmerken en symbolen van de vele godheden van het pantheon zouden eveneens, samen met hun afbeeldingen, kunnen worden verzameld door personen die met dergelijke symbolen vertrouwd zijn. Dit alles zou zonder moeite verwezenlijkt kunnen worden, en daarom mag men hopen dat het niet lang meer zal duren voordat een dergelijk werk wordt ondernomen.

Men moet echter erkennen dat de hierboven genoemde boeken van Europese auteurs niet de informatie bevatten die beschikbaar is in inheemse Sanskrietwerken over iconografie. Evenmin geven zij afbeeldingen van de beeldhouwwerken die daadwerkelijk in dit uitgestrekte land worden aangetroffen. Anderzijds hebben sommige van deze auteurs iets gepresenteerd wat men gerust hun eigen versie van de hindoeïstische mythologie mag noemen; en in hun beschrijvingen van hindoeïstische beelden, waarin hier en daar een scherpe opmerking wordt gemaakt over wat zij een onbeholpen voorstelling of een immorele legende achten, lijken zij zich noch om de symboliek van de mythische verhalen, noch om de betekenis van de beelden die deze verhalen uitbeelden, werkelijk te hebben bekommerd.

Een boek volgens het model dat Fergusson voor ogen stond, is dan ook inderdaad lang zeer gewenst geweest.

De eerste poging om enigszins in deze behoefte te voorzien werd ondernomen door de veelzijdige Bengaalse geleerde en auteur Nāgendranāth Vasu in zijn interessante werk over de Archaeological Survey van Mayūrabhañja.

Enkele jaren geleden kwam bij mij het idee op om zelf een boek over hindoeïstische iconografie samen te stellen en zo, voor zover ik daartoe in staat was, tegemoet te komen aan het door Fergusson aangeduide gemis. Aanvankelijk verkeerde ik in de veronderstelling dat dit mogelijk zou zijn zonder veel gebruik te maken van de gegevens die besloten liggen in de oorspronkelijke Sanskrietwerken die gezag genieten op dit terrein; van het bestaan van veel van die werken was ik mij toen zelfs nog niet volledig bewust. Al spoedig overtuigde de verbijsterende verscheidenheid aan afbeeldingen die van één en dezelfde god bestonden mij ervan dat het vrijwel onmogelijk was de mythologische betekenis en morele bedoeling ervan te begrijpen zonder de hulp van de Sanskrietwerken die daarop betrekking hebben.

Gelukkig had ik tijdens een reis door Noord-Travancore het geluk een klein handschrift te verkrijgen met de titel Śilparatna. Nadat ik het met aanzienlijke moeite had ontcijferd, ontdekte ik dat het een samenvatting in Maleisische verzen was van een omvangrijker verhandeling met dezelfde naam. Een ander klein en fragmentarisch handschrift dat later in mijn bezit kwam, bleek blijkens de colofons aan het einde van de hoofdstukken een āgama te zijn, genaamd Aṁśumadbhedāgama.

Enkele jaren eerder had ik acht of negen werken over de Śaiva-āgama’s aangeschaft, maar bij gebrek aan tijd had ik zelfs niet de moeite genomen te bekijken wat zij bevatten. Rond deze tijd begon ik ze te bestuderen, en wat een schatkamer aan kennis bleken zij te zijn! Hoofdstuk na hoofdstuk bevatten zij uiterst gedetailleerde beschrijvingen van de meeste Śaiva-afbeeldingen en ook van een aantal Vaiṣṇava-afbeeldingen.

Mijn zoektocht naar meer āgama’s en tantra’s leidde tot de verzameling van een groot aantal van dergelijke werken, afkomstig uit de verschillende hindoeïstische tradities. Op basis van dit materiaal begon ik allereerst de beschrijvingen van beelden bijeen te brengen zoals die daarin waren opgenomen. De āgama’s behandelen immers veel meer onderwerpen dan alleen iconografie. Terwijl ik hiermee bezig was, breidde ik tegelijkertijd mijn verzameling foto’s van beeldhouwwerken en afgietsels uit die de verschillende hindoeïstische godheden voorstellen.

Midden 1912 begon ik daadwerkelijk aan de taak een systematische beschrijving van de beelden uit te werken, en spoedig had ik de beschrijving van een aantal minder belangrijke godheden voltooid.

Toen ik zover gevorderd was, drong het tot mij door dat de voornaamste moeilijkheid bij de verwezenlijking van mijn onderneming lag in het verkrijgen van de financiële middelen die voor publicatie nodig waren. Het werk vereiste fotomechanische reproducties van een groot aantal afbeeldingen, en de kosten daarvan alleen waren al voldoende om mij van het hele plan af te brengen. In feite zou ik mij waarschijnlijk, hoe tegen mijn zin ook, genoodzaakt hebben gezien mijn gekoesterde voornemen op te geven, ware het niet voor de tijdige hulp en aanmoediging die op uiterst vrijgevige wijze werden geboden door de verlichte regering van Zijne Hoogheid de Mahārāja van Travancore.

De Dewan, de heer Rājagōpālāchārya, zag onmiddellijk de waarde van het project in en beloofde het voor de publicatie benodigde bedrag beschikbaar te stellen. De welwillende houding van deze hoogontwikkelde bestuurder, die aan het hoofd van de regering van Travancore stond, gaf mij nieuwe moed en bracht mij ertoe met hernieuwde kracht en toewijding aan het werk te gaan. De benodigde Sanskrietteksten werden snel verzameld, maar de uitbreiding van de verzameling noodzakelijke foto’s verliep minder voorspoedig. Daarom verzocht ik de Dewan mij toestemming te geven een studiereis te maken naar plaatsen buiten de staat, in de presidentschappen Madras en Bombay en tevens in de staat Mysore, teneinde de benodigde foto’s te verkrijgen.

Dit verzoek werd ingewilligd, en mijn bezoek aan deze gebieden verrijkte niet alleen mijn fotografische verzameling, maar bleek voor mij ook van grote educatieve waarde. Het stelde mij in staat de verschillende iconografische symbolen en attributen rechtstreeks aan de hand van de beeldhouwwerken zelf te bestuderen. Waar fotograferen onmogelijk was, moest ik terugvallen op mijn bescheiden kennis van tekenen en schilderen. Vaak maakte ik schetsen met pen en inkt en soms ook levensgrote gekleurde tekeningen van muurschilderingen, hoewel dit laatste werk buitengewoon tijdrovend was.

Ik beschouw het als een plicht hier melding te maken van de onbaatzuchtige hulp die ik ontving van mijn vriend, wijlen de heer M. K. Nārāyaṇasāmi Ayyar, advocaat bij het Hooggerechtshof van Madras. Tijdens zijn beroepsmatige en andere reizen naar verschillende plaatsen binnen het presidentschap Madras maakte hij voor mijn werk zoveel foto’s als hij maar kon, waardoor hij mijn arbeid aanzienlijk vergemakkelijkte. De heer Nārāyaṇasāmi Ayyar was een belezen geleerde, criticus en filosoof, en hij zou voor dit werk een geleerd artikel hebben bijgedragen over de verering van Dēvī.

Helaas beroofde de dood mij geheel onverwacht van de verdere hulp waarop ik met grote verwachtingen had gerekend. Het gevolg daarvan is dat dit werk de waardevolle aanvulling heeft moeten missen van een diepgaande en volledige uiteenzetting over de Dēvī-verering uit de pen van een geleerd man die grondig thuis was in de Śākta-traditie en de andere religieuze scholen die uit de heilige literatuur van de hindoes bekend zijn.

Ik ben mij maar al te zeer bewust van de vele tekortkomingen die dit werk van mij vertoont. Toch vertrouw ik erop dat geleerden deze met welwillendheid zullen beoordelen wanneer zij rekening houden met de enorme hoeveelheid materiaal die moest worden verzameld en verwerkt, en tevens met het feit dat mijn officiële werkzaamheden in Travancore zo omvangrijk zijn geweest dat zij mij weinig tijd lieten voor bijkomende arbeid van deze aard.

Bovendien moet ik erop wijzen dat dit in meer dan één opzicht de eerste poging van zijn soort is en niet pretendeert een volledige behandeling van het onderwerp te bieden. Onder deze omstandigheden zal ik mij ruimschoots beloond achten indien dit bescheiden werk ertoe bijdraagt het terrein te ontginnen en bekwamere geleerden ertoe aanzet het onderwerp later op een vollediger en bevredigender wijze te behandelen.

Ik maak tevens van deze gelegenheid gebruik om opnieuw mijn diepe dankbaarheid uit te spreken jegens de vrijgevige regering van Zijne Hoogheid de Mahārāja van Travancore, die de publicatie van dit werk mogelijk heeft gemaakt. In het bijzonder ben ik veel dank verschuldigd aan Dewan Bahadur P. Rājagōpālāchārya, M.A., B.L., C.I.E., vanwege de verlichte belangstelling en voortdurende steun die hij tijdens de gehele totstandkoming van dit werk heeft betoond.

Ik kan Pandit V. Śrīnivāsa Śāstri, Smṛtivisārada, onmogelijk voldoende danken. Zonder zijn bereidwillige medewerking en onvermoeibare inzet zou het voor mij uiterst moeilijk zijn geweest dit werk tot stand te brengen. Mijn hartelijke dank gaat eveneens uit naar Pandit T. Gaṇapati Śāstri, conservator van de Sanskrit Manuscripts Library te Trivandrum, die mij steeds behulpzaam was bij het ter beschikking stellen van de handschriften waarom ik in verband met dit werk van tijd tot tijd verzocht.

Ook ben ik de heer D. R. Bhaṇḍārkar, M.A., hoofd van de archeologische dienst van de Western Circle, zeer erkentelijk omdat hij mij zijn exemplaar van de Rūpa-maṇḍana heeft geleend, een werk dat waarschijnlijk van betrekkelijk late datum is binnen de hindoeïstische iconografische literatuur.

Ten slotte kan ik mijn dankbaarheid en verplichting jegens mijn geëerde leermeester, Rao Bahadur professor M. Raṅgāchārya, M.A., van het Presidency College te Madras, niet voldoende onder woorden brengen. Hij heeft gedurende het gehele verloop van dit werk de grootste belangstelling ervoor getoond en mij met bijna vaderlijke zorg begeleid. Steeds stond hij klaar met zijn waardevolle adviezen en vormde hij voor mij een onuitputtelijke bron van inspiratie en aanmoediging. Daarom acht ik het mijn plicht hem hier mijn oprechte en diepgevoelde dank te betuigen voor alle moeite die hij zich ten behoeve van mij heeft getroost.

T. A. G.

Triplicane, Madras
September 1914

Transcriptie Preface Vol II

In bringing out the Second Volume of the Elements of Hindu Iconography, the author earnestly trusts that it will meet with the same favourable reception that was uniformly accorded to the first volume both by savants and the Press, for which he begs to take this opportunity of tendering his heart-felt thanks. No pains have of course been spared to make the present publication as informing and interesting as is possible in the case of the abstruse subject of Iconography. Though the illustrations appearing in the present volume are by no means inadequate for the main purpose of the work, yet they are not so full and exhaustive as in the first, and a word of explanation in that connection may not be out of place. To the great regret of the author, the liberal pecuniary help offered for the preparation and publication of the first volume has been, owing to the somewhat straitened finances of the Travancore State at present, withheld from him on the present occasion and he has, in consequence, not been able to embody as many illustrations as he had intended personally to gather for the purpose from various parts of India with a view to present to the public a series representative of the varied sculpture of the different parts of this country. But the Travancore Durbar have, in gracious consideration of the trouble and labour involved in the preparation of the present volume, been pleased to permit its publication by the author himself, for which he begs to offer his respectful and grateful thanks to the Dewan, Mr. Dewan Bahadur M. Krishna Nair, B.A., B.L. Mention may here be made of a few points worthy of notice in the book. In the Introduction is given a collective description of all the peculiarities of the tenets and observances of some of the Śaiva sects of which the general public has hitherto been practically ignorant, and of certain other cults that have died out without a trace. The nature of Liṅga worship has been examined critically in the light of original texts gathered from such important sources as the Śaivāgamas, Śaiva philosophical treatises, Purāṇas and Itihāsas, and with reference to the extant sculpture of all ages of this symbol of worship, and the matter has been thoroughly discussed and, what the author ventures to claim to be, an impartial conclusion arrived at. In the body of the book, several matters, which will be seen to be quite new even to the informed Hindu, have been dealt with; to cite an instance, everybody knows that Śiva begged for food with the broken skull of Brahmā as an expiation for the sin of having cut off one of Brahmā’s heads, but it is doubtful if it is known why this curious sort of penance should have been resorted to by Śiva to get rid of His sin. Again, it has been found possible with the help of the knowledge derived from a close study of the bulk of the science of Nāṭya-Śāstra together with commentaries thereon to elaborate and treat fully the manifold dances of Śiva, though only eight or nine modes are described in the āgamic and other works. The reader will, it is hoped, come across many other instances of fresh information being furnished on matters that have remained more or less obscure hitherto.
The author cannot be too thankful to the Proprietors of the Law Printing House for the extraordinary care and trouble they have bestowed upon the printing and general get up of the books and for their readiness in coming forward and generously offering their timely help but for which the volume could not have been brought out. The author cannot also omit to express his sense of gratitude to Dr. A. K. Anandakumāraswāmi, M.A., D.Sc., for the ready and willing permission granted to him for reproducing the valuable article on the dance of Śiva, contributed some time ago to the Siddhānta-Dīpikā by the learned Doctor. He has also very great pleasure in recording here his high appreciation of the help cheerfully rendered by his Paṇḍit Mr. V. Śrīnivāsa Śāstri, Smritivisārada, but for whose untiring industry and intelligent collaboration this work could not have been brought to a successful completion so soon. Messrs. Longhurst, Stoney, Kay and Beardsell, have been so very kind as to assist the author with photographs of images in their respective collections and to accord their gracious permission to reproduce them: to these gentlemen, the author offers his grateful thanks.
For reasons which need not be explained here, it was not possible for the author personally to supervise the printing of the work throughout so as to ensure the presentation of an absolutely correct text; he had therefore to entrust the task to the printers themselves. In spite of the care and trouble ungrudgingly bestowed by them in the midst of their multifarious duties, a number of errors have unavoidably crept in. Though such of them as have been subsequently noticed are noted in the errata list, it is likely many more have escaped detection, for which the author craves the indulgence of his readers.
Madras,
January 1916. THE AUTHOR.

VOORWOORD (Copilot)

Bij het uitbrengen van het tweede deel van de Elements of Hindu Iconography koestert de auteur de oprechte hoop dat het dezelfde gunstige ontvangst zal krijgen als het eerste deel, dat zowel door geleerden als door de pers zo welwillend werd ontvangen. Hij maakt graag van deze gelegenheid gebruik om daarvoor zijn hartelijke dank uit te spreken.

Uiteraard is geen moeite gespaard om deze uitgave zo informatief en boeiend mogelijk te maken, voor zover dat mogelijk is bij het tamelijk moeilijk toegankelijke onderwerp van de iconografie. Hoewel de afbeeldingen in dit deel geenszins ontoereikend zijn voor het hoofddoel van het werk, zijn zij niet zo talrijk en zo volledig als die in het eerste deel. Een korte toelichting hierover lijkt daarom niet misplaatst.

Tot zijn grote spijt heeft de auteur ditmaal niet kunnen beschikken over de ruime financiële steun die voor de voorbereiding en publicatie van het eerste deel werd verleend. Vanwege de huidige financiële beperkingen van de staat Travancore werd deze steun niet opnieuw beschikbaar gesteld. Daardoor was hij niet in staat zoveel illustraties op te nemen als hij oorspronkelijk had gepland. Het was zijn bedoeling geweest die persoonlijk in verschillende delen van India te verzamelen, om het publiek een representatieve reeks voor te leggen van de uiteenlopende beeldhouwkunst uit de verschillende regio’s van het land.

De Durbar van Travancore heeft echter, uit waardering voor de moeite en arbeid die met de voorbereiding van dit deel gemoeid waren, toestemming verleend om het werk op kosten van de auteur zelf te publiceren. Hiervoor betuigt hij zijn eerbiedige en oprechte dank aan de Dewan, de heer Dewan Bahadur M. Krishna Nair, B.A., B.L.

Hier mogen enkele bijzonderheden van het boek worden vermeld die de aandacht verdienen. In de inleiding wordt een gezamenlijk overzicht gegeven van de karakteristieke opvattingen en gebruiken van enkele Śaiva-sekten waarmee het grote publiek tot dusver vrijwel onbekend is geweest, evenals van bepaalde andere culten die spoorloos zijn verdwenen.

De aard van de liṅga-verering is kritisch onderzocht aan de hand van oorspronkelijke teksten uit belangrijke bronnen zoals de Śaivāgama’s, Śaivistische filosofische verhandelingen, Purāṇa’s en Itihāsa’s. Daarnaast is rekening gehouden met bewaard gebleven sculpturen uit alle perioden waarin dit vereringssymbool voorkomt. Het onderwerp is uitvoerig besproken en heeft geleid tot wat de auteur waagt te beschouwen als een onbevooroordeelde conclusie.

In de hoofdstukken van het boek worden bovendien verschillende onderwerpen behandeld die zelfs voor goed geïnformeerde hindoes nieuw zullen blijken te zijn. Om één voorbeeld te noemen: iedereen weet dat Śiva met de gebroken schedel van Brahmā om voedsel bedelde als boetedoening voor de zonde dat hij een van Brahmā’s hoofden had afgeslagen. Maar het is twijfelachtig of algemeen bekend is waarom juist deze merkwaardige vorm van boetedoening door Śiva werd gekozen om van zijn schuld verlost te worden.

Eveneens is het dankzij een grondige bestudering van het grootste deel van de wetenschap van de Nāṭya-Śāstra, samen met de daarop geschreven commentaren, mogelijk gebleken de vele dansvormen van Śiva uitvoerig te behandelen. In de āgama’s en andere werken worden immers slechts acht of negen van deze vormen beschreven.

De auteur hoopt dat de lezer nog veel meer voorbeelden zal aantreffen van nieuwe informatie over onderwerpen die tot dusver min of meer in het duister zijn gebleven.

De auteur kan de eigenaars van de Law Printing House niet genoeg danken voor de buitengewone zorg en inspanning die zij aan het drukken en de algemene uitvoering van het boek hebben besteed, evenals voor hun bereidwilligheid om op het juiste moment hun hulp aan te bieden. Zonder hun steun zou dit deel niet hebben kunnen verschijnen.

Evenmin mag de auteur nalaten zijn dankbaarheid uit te spreken jegens dr. A. K. Anandakumāraswāmi, M.A., D.Sc., die hem bereidwillig toestemming verleende om het waardevolle artikel over de dans van Śiva over te nemen dat enige tijd geleden door deze geleerde werd gepubliceerd in de Siddhānta-Dīpikā.

Ook vermeldt hij met groot genoegen zijn waardering voor de hulp die zijn pandit, de heer V. Śrīnivāsa Śāstri, Smritivisārada, bereidwillig heeft verleend. Zonder diens onvermoeibare inzet en intelligente samenwerking zou dit werk niet zo spoedig tot een succesvolle voltooiing zijn gebracht.

Verder zijn de heren Longhurst, Stoney, Kay en Beardsell zo vriendelijk geweest de auteur foto’s ter beschikking te stellen van beelden uit hun respectieve verzamelingen en hem toestemming te geven deze te reproduceren. De auteur betuigt ook hun zijn oprechte dank.

Om redenen die hier niet nader hoeven te worden uiteengezet, was het voor de auteur niet mogelijk het drukproces van begin tot einde persoonlijk te begeleiden om zo een volkomen foutloze tekst te waarborgen. Hij moest deze taak daarom aan de drukkers overlaten.

Ondanks de zorg en toewijding die zij, te midden van hun vele andere werkzaamheden, aan het boek hebben besteed, zijn onvermijdelijk een aantal fouten in de tekst geslopen. Hoewel de fouten die later werden ontdekt in de erratalijst zijn opgenomen, is het waarschijnlijk dat er nog meer aan de aandacht zijn ontsnapt. Hiervoor vraagt de auteur om de welwillende toegeeflijkheid van zijn lezers.

Madras, januari 1916
De auteur

India 24/25: Patna, dag 1 – Bihar Museum 9

– over de aarde als getuige: een symmetrische wereld rond de verlichte Boeddha –

Er doet zich iets merkwaardigs voor met het nummer
van het beeld waarover dit bericht gaat.

Bij het beeld waren twee zaalteksten te zien:

  • een klein bordje met een korte samenvatting
  • en een tweede bord met een uitgebreidere beschrijving.

Op het beeld zelf was bovendien een wit etiket geplakt
met daarop enkele tekens en een nummer.

Het nummer op het etiket op het beeld luidt: 1104 (met dank aan Copilot).
Het inventarisnummer op het kleine bordje is: Arch.-1104.
Het nummer in de uitgebreide zaaltekst is: Arch.-11104.

Opmerkelijk genoeg wordt dat laatste nummer, Arch.-11104,
zowel in de Hindi- als in de Engelstalige tekst vermeld.

Voorlopig biedt het internet nog geen oplossing voor deze kleine puzzel.
Daarom houd ik voor de foto’s het nummer van het etiket
en het kleine bordje aan,
terwijl ik de uitgebreide zaaltekst
onder het nummer Arch.-11104 heb opgenomen.

DSC01904 01 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104
India, Patna, Bihar Museum, Buddha, medieval, unknown origin, phyllite stone. Arch.-1104.

De stèle is opgebouwd rond een streng geordende
en vrijwel volledig symmetrische compositie.
Alleen de centrale figuur van de Boeddha doorbreekt die symmetrie;
alle andere elementen zijn in paren georganiseerd
en verwijzen terug naar het moment van de verlichting.

DSC01904 02 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104 PeepalLeaves
De vijgenbladeren (en links het witte etiket met de tekens en het nummer).

Helemaal bovenaan verschijnen aan weerszijden van de nimbus
bladeren van de peepal of heilige vijgenboom (Ficus religiosa).
Zij verwijzen naar de Bodhiboom waaronder Siddhartha
zijn verlichting bereikte.
Opvallend is dat de boom zelf niet wordt afgebeeld.
Enkele karakteristieke bladeren volstaan om de heilige plaats
en het beslissende moment in het leven van de Boeddha op te roepen.
De bladeren fungeren daarbij als een visuele omlijsting
van de bovenste zone van de stèle.

DSC01904 03 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104 Gandharva
Gandharva.

Onder de bladeren zweven twee gevleugelde hemelwezens,
waarschijnlijk gandharva’s.
Ook zij zijn spiegelbeeldig gerangschikt en, omgeven door energie,
lijken ze een gestileerde bloemenkrans of offergave te dragen.
Hun aanwezigheid markeert het kosmische belang
van de gebeurtenis die centraal in de voorstelling staat.
Zij verschijnen niet als zelfstandige personages,
maar als hemelse vereerders die de verlichte Boeddha eren.

DSC01904 04 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104 Left
Avalokiteśvara met waarschijnlijk Amitābha in zijn kroon en een lotus in zijn hand.
DSC01904 05 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104 Right
Bodhisattva Maitreya met een stupa in de kroon.

Aan weerszijden van de troon staan twee bodhisattva’s opgesteld.
Links voor de toeschouwer bevindt zich waarschijnlijk Avalokiteśvara.
In zijn kroon is een klein zittend figuurtje opgenomen
dat doet denken aan een Boeddha-afbeelding,
een bekend kenmerk van deze bodhisattva.
Rechts voor de toeschouwer staat waarschijnlijk Maitreya,
herkenbaar aan de stūpa die zijn kroon bekroont.
Hoewel beide figuren door hun attributen van elkaar verschillen,
zijn zij qua houding, plaatsing en schaal elkaars tegenhangers.
Samen bewaken zij de centrale ruimte waarin de Boeddha verschijnt.

DSC01906IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104

De Boeddha zelf vormt het vaste middelpunt
waar de gehele compositie omheen is georganiseerd.
Achter hem verrijst een zorgvuldig uitgewerkte architectonische omlijsting
met pilasters, kapitelen, ornamentale banden en een rijke nimbus.
Deze architectuur functioneert niet als achtergrond in moderne zin,
maar als een heilig kader dat de centrale positie van de Boeddha benadrukt.
De bodhisattva’s lijken in nissen naast hem te staan,
terwijl de hemelwezens en de bladeren zijn hoofdzone markeren.
Hierdoor krijgt de voorstelling een monumentale rust
en een bijna architectonische orde.

DSC01904 06 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104 UnderMid

Ook onder de lotustroon wordt dit principe voortgezet.
In de onderste zone van de stèle liggen aan weerszijden
twee gestileerde leeuwachtige dieren of simha’s.
Hun koppen zijn wel smal dus het kan best een ander dier zijn.
Tussen hen knielen twee figuren die spiegelbeeldig zijn weergegeven.
Zij wenden zich naar het midden en maken met hun opgeheven armen
een gebaar dat aan presentatie, verering of eerbetoon doet denken.
De linker figuur lijkt een klein object vast te houden,
mogelijk een offergave, al laat de huidige toestand van het reliëf
geen zekere identificatie toe.
Opvallend is dat de compositie ook hier volledig op evenwicht berust:
dier tegenover dier, figuur tegenover figuur.

DSC01904 07 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104 UnderRight

Juist die uitgesproken symmetrie maakt duidelijk
hoe de voorstelling gelezen moet worden.
Vrijwel ieder element bezit een tegenhanger aan de andere zijde
van de centrale as.
Blad tegenover blad, gandharva tegenover gandharva,
Avalokiteśvara tegenover Maitreya, vereerder tegenover vereerder
en simha tegenover simha.
Midden in deze zorgvuldig uitgebalanceerde wereld
zit de Boeddha in bhūmisparśa-mudrā, het aardaanrakingsgebaar.
Met zijn rechterhand raakt hij de aarde aan
en roept haar op als getuige van zijn recht op verlichting.
Daarmee ontstaat een tweede, intellectuele vorm van symmetrie.

DSC01905IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaMedievalUnknownOriginPhylliteStoneArch1104
De bhūmisparśa-mudrā, het aardaanrakingsgebaar.

De spiegelbeeldig geordende figuren en motieven
brengen het beeld visueel in evenwicht,
terwijl de bhūmisparśa-mudrā hun betekenis samenbindt.
De rechterhand van de Boeddha raakt de aarde aan
en vormt daarmee letterlijk het punt
waarop de gehele compositie samenkomt.
Alle onderdelen van de voorstelling verwijzen uiteindelijk
naar hetzelfde beslissende ogenblik:
het moment waarop de Boeddha onder de Bodhiboom de verlichting bereikt.

DSC01908IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaBhumisparshaMudraMaitreyaLAvlokishteswaraRMedievalUnknownOriginGataBlackPhylliteStoneArch11104 Txt
De grote zaaltekst in Hindi en Engels.

Over de helft

Voor het boekje dat ik ga maken heb ik een tekst geschreven
die niet specifiek over de foto gaat die centraal staat in het boekje,
maar die het project als geheel beschrijft.
Die tekst heeft als titel: Schors: een kleine atlas.

De tekst ben ik met de hand aan het zetten.
Dat wil zeggen dat ik de tekst opbouw uit loden letters
die ik dan later op mijn proefpers een aantal keren kan afdrukken.

Letter voor letter, voor spatie, voor letterteken
vordert het zetten van de tekst.
Een heel rustgevende activiteit, die misschien vreemd genoeg,
tegelijkertijd ook inspannend voor me is.

IMG_0900Schors
Mijn volle zethaak ligt op de letterbak. De regels die ik net gezet heb ga ik overbrengen op mijn galei. Een galei is een tijdelijke opslagruimte om zetsels te bewaren en later op een pers te kunnen overbrengen.
IMG_0901Schors
De tekst ligt op de galei. De tekst is nog niet gereed maar ik ben al wel over de helft. Als de tekst compleet is ga ik een proef trekken. Een proefafdruk maken. Ik weet zeker dat er nog zaken gewijzigd moeten worden: ontbrekende leestekens, hoofdletters, lettervolgorde, spaties, spelfouten, enz.

Een krijger uit Colima?

DSC06107 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGuerreroConArmaEnFormaDeRemoPreclasicoTardioDeColima1250AC-200DC
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Guerrero con arma en forma de remo, preclasico tardio, Colima, 1250 A.C. – 200 D.C.
DSC06106MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGuerreroConArmaEnFormaDeRemoPreclasicoTardioDeColima1250AC-200DC Txt
DSC06107 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGuerreroConArmaEnFormaDeRemoPreclasicoTardioDeColima1250AC-200DC

De figuur staat rechtop met de benen licht gespreid.
Het lichaam is langgerekt en cilindrisch van vorm.
De schouders zijn breed en lopen vrijwel horizontaal.

Het hoofd is relatief groot ten opzichte van het lichaam.
De ogen bestaan uit ronde, naar voren gerichte vormen
met duidelijk gemarkeerde pupillen.
De neus steekt sterk naar voren uit en is breder dan de ogen.
De mond is weergegeven als een smalle horizontale lijn,
die voor de toeschouwer licht naar rechts afloopt.

Aan weerszijden van het hoofd bevinden zich uit het oppervlak
gemodelleerde oren.
Onderaan elk oor is een ronde perforatie aangebracht.

De figuur lijkt een hoofdtooi te dragen met een centraal
omhoogstekend element en twee grotere zijstukken
die schuin naar buiten uitsteken.
Ik ben voorzichtig in deze beschrijving omdat de foto van onderaf genomen is
en mogelijk een vertekend beeld geeft.
Een band lijkt deze onderdelen met elkaar te verbinden.

De armen zijn gebogen en voor het lichaam gebracht.
Beide handen omvatten een langwerpig voorwerp dat verticaal
langs de rechterzijde van het lichaam, tot op de grond loopt.
Het voorwerp is bovenaan relatief smal
en verbreedt zich naar beneden toe geleidelijk.

Het museum noemt deze figuur een ‘Guerrero’, een krijger.
Ik vroeg me af waarop die beschrijving gebaseerd is.

De hoofdtooi bevat iets dat lijkt op een hoorn.
Andere beelden die op internet te vinden zijn met een vergelijkbare hoorn
worden aangeduid als Chief (hoofdman), Shaman (priester/voorganger)
of Warrior (krijger).

Het voorwerp dat het museum ‘arma en forma de remo’,
een roeispaanvormig wapen, noemt,
ben ik in vergelijkbare Colima-beelden op internet niet tegengekomen.
Ik zie daar wel verschillende wapens,
LACMA en Princeton University Art Museum,
maar steeds met een andere vorm dan het voorwerp op deze foto.

Dan is er iets wat ik bij andere beelden zie maar niet bij de figuur op mijn foto:
schilden en een duidelijke aanvalshouding.
Zie Dallas Museum of Art en bijvoorbeeld Art Institute Chicago.

De figuur op mijn foto een krijger noemen is dus zeker verdedigbaar,
maar persoonlijk vind ik die identificatie niet geheel overtuigend.


Aantekeningen uit Musée Guimet (7): Shiva en Parvati

Het beeld werd aan het Musée Guimet geschonken
door Jean-Pierre Schotsmans
ter nagedachtenis aan zijn echtgenote Janine Schotsmans-Wolfers.
Zij was kunsthistorica, hoofd van de afdeling India en Zuidoost-Azië
van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel
en publiceerde over Indiase kunst.
De schenking verbindt dit Zuid-Indiase brons
niet alleen met de religieuze en artistieke cultuur van Tamil Nadu,
maar ook met de geschiedenis van het Europese onderzoek naar Indiase kunst.

DSC08104 01 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
Parijs, Musée Guimet, Shiva et Parvati, Tamil Nadu, 13th – 14th century CE, bronze, don J.-P. Schotsmans en souvenir de Janine Schotsmans-Wolfers. MA 6056.

Shiva en Parvati zijn gezeten op afzonderlijke kussens
op een rechthoekig platform.
Shiva bevindt zich links voor de beschouwer
en is iets groter weergegeven dan Parvati.
Hoewel hun houdingen elkaar spiegelen,
is de compositie niet volledig symmetrisch.
Bij beide figuren rust één been gevouwen op het kussen,
terwijl het andere ontspannen over de voorzijde afhangt.
Beide godheden behouden daarbij duidelijk een eigen plaats
binnen de voorstelling.
Zij raken elkaar nergens en lijken als afzonderlijke figuren
op het platform te zijn geplaatst.
Of deze ruimtelijke scheiding een bewuste artistieke keuze was
of samenhangt met de technische opbouw van het ensemble,
valt op basis van het beeld alleen niet vast te stellen.
Het resultaat is in ieder geval een voorstelling
waarin Shiva en Parvati als paar optreden
zonder hun individuele aanwezigheid te verliezen.

DSC08104 02 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
DSC08104 03 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
DSC08104 04 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056

Shiva neemt binnen de compositie de meest prominente plaats in.
Hij is vierarmig weergegeven en draagt in zijn opgeheven handen
een bijl en een hert,
traditionele attributen die hem onmiddellijk identificeren.
Meerdere halssnoeren, borstornamenten en parelsnoeren
volgen de contouren van het bovenlichaam
en benadrukken schouders en borst.
Opvallend is hoe verschillende snoeren
boven een centraal borstornament samenkomen.
Van daaruit lopen drie parelsnoeren verder naar beneden,
waarvan er twee lijken aan te sluiten bij de sieraden rond de heupen.
Het resultaat is een opvallend lijnenspel
dat zich uitstrekt van de hals tot onder de navel.
Toch blijft de anatomie opmerkelijk rustig gemodelleerd.

DSC08104 05 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
Shiva.
DSC08104 06 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
Parvati.
DSC08104 07 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
Shiva.
DSC08104 08 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
Parvati.
DSC08105 01 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
DSC08105 02 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
DSC08107ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
DSC08108ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056

Ook in het hoofd keert het contrast tussen een rustig gemodelleerd gezicht
en een rijk uitgewerkte kroon terug.
Het gezicht met zijn langgerekte ogen, rechte neus en volle lippen
straalt rust uit, terwijl de hoge kroon veel rijker is uitgewerkt.
In de opgestoken haardos zijn verschillende symbolische elementen verwerkt,
waaronder vermoedelijk de halvemaan.
Grote cirkelvormige oorsieraden begeleiden de overgang
van hoofd naar lichaam.
Achter het hoofd zijn bovendien wielvormige schijven zichtbaar,
die het silhouet verder accentueren

DSC08109ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056

Parvati vormt een rustiger tegenwicht voor Shiva.
Zij is met twee armen weergegeven en haar kroon is eenvoudiger van opbouw
dan die van Shiva.
Dat betekent echter niet dat zij minder rijk is versierd.
Ook Parvati draagt talrijke sieraden rond hals, schouders,
bovenarmen, middel en benen.
Haar gestalte is zorgvuldig gemodelleerd,
waarbij vooral de nadrukkelijk weergegeven borstpartij
haar een sterke aanwezigheid binnen de compositie geeft.
De verschillen tussen beide figuren liggen daardoor
minder in de rijkdom van de uitwerking
dan in de iconografische nadruk die aan Shiva wordt gegeven.

Pas bij nadere beschouwing blijkt dat het rechthoekige platform
meer is dan een sokkel.
Aan de zijkanten bevinden zich grote ringen,
terwijl aan de voorzijde ronde openingen zichtbaar zijn.
Welke functie deze constructieve elementen precies vervulden,
valt op basis van het beeld alleen niet vast te stellen.
Zij suggereren echter dat het platform een functie had
die verder ging dan het vormen van een basis voor de beide figuren.


Ochtendzon in de herfst

Vandaag was ik lang niet in Breda.
Ik ben een tentoonstelling gaan bekijken en ik zal alvast
een tipje van de sluier oplichten: het onderwerp was Getijdenboeken.
Daarvoor ben iki met de trein op pad gegaan
en maakte in Breda nog twee foto’s.

IMG_0776BredaDelpratsingelValkenbergNassaumonument
De Delpratsingel met vooral links het Valkenberg en tussen het groen en de overige herfstkleuren het Nassaumonument.
IMG_0777BredaValkenbergSingelEnNassaumonument
Met zo’n beeld ga je graag op weg maar kon je ook weer heel graag terug naar Breda.

India 24/25: Patna, dag 1 – Bihar Museum 8

– over het onzichtbare en zichtbare gewaad van de Boeddha –

Het Bihar Museum is een relatief jong museum,
gehuisvest in een modern gebouw.
Het gebouw en de omliggende ruimtes zijn opgezet als een campus.
Maar ook de indeling, opzet en inrichting van de afdelingen zijn verfrissend.
De presentatie van de beelden is bijzonder sfeervol.
De beelden kregen opvallend veel ruimte.
De belichting was niet uitsluitend op het beeld zelf gericht,
maar zo ingesteld dat rond het beeld een eigen ruimte ontstond.

DSC01900 01 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod11thCentCEBronzeAlloKurkiharGayaBiharArch9592
India, Patna, Bihar Museum, Buddha, Pala period, 11th century CE, bronze alloy, Kurkihar, Gaya, Bihar. Arch.-9592.
DSC01900 02 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod11thCentCEBronzeAlloKurkiharGayaBiharArch9592

Op het hoofd draagt de Boeddha een rijk uitgewerkte kroon
met parelranden, bloemmotieven en bladachtige uitlopers.
De opengewerkte oorhangers sluiten met hun florale ornamentiek aan
bij de kroon en versterken de verfijnde uitstraling van het beeld.

DSC01901 01 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod11thCentCEBronzeAlloKurkiharGayaBiharArch9592

De amandelvormige ogen, prominente neus en diep liggende mond
met duidelijk gemodelleerde lippen geven het gezicht
een opmerkelijke zeggingskracht.

DSC01901 02 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod11thCentCEBronzeAlloKurkiharGayaBiharArch9592

De strak geordende halssieraden volgen de lijnen van het lichaam
en dragen bij aan de evenwichtige compositie.

DSC01901 03 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod11thCentCEBronzeAlloKurkiharGayaBiharArch9592>

Met de opgeheven rechterhand maakt de Boeddha de abhaya mudrā,
het gebaar van onbevreesdheid.
Borst en buik zijn zodanig weergegeven dat
de vormen van het lichaam ongehinderd zichtbaar zijn.
Let maar eens op de navel.
Alleen op de polsen is zichtbaar dat de Boeddha een gewaad draagt.

DSC01901 04 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod11thCentCEBronzeAlloKurkiharGayaBiharArch9592

Wat mij tijdens het bekijken van de detailfoto’s steeds meer opviel,
is dat het gewaad veel complexer is weergegeven
dan je op het eerste gezicht zou denken.
De plooien die je net boven de enkels ziet,
zijn weliswaar spaarzaam aangegeven,
maar waar textiel duidelijk wordt aangegeven, gebeurt dat met grote precisie.

DSC01901 05 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod11thCentCEBronzeAlloKurkiharGayaBiharArch9592

Onderaan de linkerzijde van het lichaam lijken de plooien
deel uit te maken van een dubbelgeslagen stuk textiel,
waardoor zij in afgeronde banen doorlopen.
Aan de rechterzijde lijken verschillende stoflagen zich juist
onafhankelijk van elkaar te gedragen
en lijken randen van twee lagen stof zichtbaar.
Achter beide benen worden bovendien opnieuw uiteinden van stof zichtbaar,
alsof delen van het gewaad langs het lichaam naar achteren vallen.
Hierdoor ontstaat de indruk dat in het beeld niet alleen
het oppervlak van de mantel is weergegeven,
maar ook de wijze waarop verschillende lagen stof
over en langs elkaar vallen.

IndiaBiharMuseumLinksBuddhaLinkerhandArch9590RechtsBuddhaLinkerhandArch9592

Het raadselachtige element in de linkerhand lijkt binnen die context
beter begrijpelijk te worden.
Een opvallend detail bevindt zich in de linkerhand
van twee Kurkihar-bronzen.
Het beeld met Arch.-9590 toonde ik eerder op mijn blog.
Aanvankelijk lijkt het om een attribuut te gaan,
maar beschrijvingen van vergelijkbare beelden wijzen
in een andere richting.
Zo vermeldt Himalayan Art Resources bij een vrijwel identieke
staande, gekroonde Boeddha uit Kurkihar dat de linkerhand
“gently grasps an edge of the mendicant robe”,
terwijl Bonhams schrijft dat de figuur
“the inner hem of the cape-like robe” vasthoudt.
Ook Christie’s beschrijft vergelijkbare Kurkihar-bronzen als beelden
waarbij de Boeddha het uiteinde van zijn gewaad (sanghati) vasthoudt.

Het merkwaardige element in de linkerhand blijkt daarom
waarschijnlijk geen ritueel voorwerp te zijn,
maar een gestileerde weergave
van de zoom of punt van het monniksgewaad,
die in de hand van de Boeddha rust.

DSC01903IndiaPatnaBiharMuseumPalaDynasty Txt
‘Pala’ which means ‘protector’ in Sanskrit, was the name of an important dynasty that flourished in eastern India from the 8th to 12th century CE. During their 400-year reign, the Palas rules over present-day Bihar, West Bengal en Bangladesh. Gopala, the founder of the Pala Empire, was elected to rule by a group of feudal chieftains. His son Dharmapala took the empire to its pinnacle, making it a dominant power in eastern India. Dharmapala’s son Devapala further extended the empire into present-day Assam and Odisha. The Palas were largely patrons of Buddhism, and the religion and its arts thrived under their rule.

Nassaumonument onhuld

IMG_0774BredaValkenbergNassaumonument
Toen ik er gisterochtend langs liep was men bezig het witte zeil van het monument te halen zodat het weer zichtbaar is en de steigers weggehaald kunnen worden.
IMG_0775BredaValkenbergNassaumonument
Het zal niet lang meer duren en het monument is weer helemaal vrij.

Kunst, AI en de waarde van waarden

Het was mijn plan om in het kader van TURF Breda
ook te kijken naar het rapport ‘Kunstzinnig boven Kunstmatig’
van de Raad voor Cultuur.
De 80 bladzijden schrikken je misschien af.
Een rapport van 80 bladzijden nodigt misschien niet direct uit om te lezen.
Maar gelukkig beginnen de Conclusies en aanbevelingen
al op pagina 49.
Ik ben ervan uitgegaan dat de belangrijkste conclusies en aanbevelingen
ook al genoemd worden in de samenvatting.

KunstzinnigBovenKunstmatig
De omslag van het rapport van de Raad voor Cultuur: Kunstzinnig boven Kunstmatig.

Daarom heb ik niet het hele rapport gelezen,
maar ben ik begonnen bij de samenvatting.
Die beslaat slechts enkele pagina’s en zou dus
een goede ingang moeten vormen voor iedereen
die wil begrijpen wat de Raad voor Cultuur
over kunst en AI te zeggen heeft.

Tegelijkertijd is de tekst geschreven in typisch beleidsjargon.
Daarom leek het me interessant de samenvatting
eens door een AI-systeem te laten herschrijven in gewoon Nederlands.
Niet om de inhoud te veranderen,
maar om te onderzoeken of de belangrijkste boodschap
ook begrijpelijk kan worden verwoord
voor lezers die niet dagelijks beleidsrapporten lezen.

RaadVoorCultuurKunstzinnigBovenKunstmatigInhoud

Samenvatting in gewoon Nederlands

Kunstmatige intelligentie (AI) heeft steeds meer invloed
op ons dagelijks leven.
Dat geldt ook voor kunst en cultuur.
Schrijvers, muzikanten, ontwerpers, fotografen
en andere makers gebruiken AI al voor allerlei taken,
van het uitwerken van ideeën tot het maken van eindproducten.

Tegelijkertijd roept deze ontwikkeling grote vragen op.
AI-systemen leren namelijk van enorme hoeveelheden bestaand werk
dat door mensen is gemaakt.
Veel kunstenaars en makers hebben daarvoor nooit toestemming gegeven
en ontvangen er ook geen vergoeding voor.
Bovendien zijn de belangrijkste AI-systemen in handen
van een klein aantal grote technologiebedrijven.

De Raad voor Cultuur vindt dat AI op een betekenisvolle manier
kan worden ingezet bij kunst en cultuur,
zolang fundamentele waarden van de culturele praktijk
worden gewaarborgd.
Daarbij noemt de raad onder meer menselijke creativiteit, auteurschap,
artistieke vrijheid, toegankelijkheid, culturele diversiteit
en een gezonde arbeidsmarkt voor makers.

Volgens de raad moeten overheid en culturele sector daarom actief sturen
op de ontwikkeling van AI.
Niet afwachten, maar zorgen dat de technologie past bij publieke en culturele waarden.

De raad doet daarvoor drie hoofdvoorstellen:

  1. Investeer in menselijke creativiteit en alternatieven voor commerciële AI.

Geef kunstenaars ruimte om met AI te experimenteren,
ontwikkel Europese alternatieven
en zorg dat creativiteit een belangrijke rol speelt in innovatiebeleid.

  1. Maak de culturele sector weerbaar.

Zorg voor duidelijke regels, een eerlijke vergoeding
voor het gebruik van cultureel materiaal door AI-bedrijven,
betere bescherming van makers en meer kennis over AI binnen de sector.

  1. Versterk de positie van makers.

Investeer in opleiding, omscholing en talentontwikkeling,
zodat kunstenaars kunnen omgaan met veranderingen die AI veroorzaakt.

De centrale boodschap van het rapport is
dat AI niet ten koste mag gaan van kunst en cultuur.
De technologie moet juist bijdragen aan een sterke culturele sector,
waarin menselijke creativiteit, vakmanschap
en artistieke vrijheid behouden blijven.

Jacques_de_Guise,_Chroniques_de_Hainaut,_frontispiece,_KBR_9242
Jacques de Guise schreef het origineel: Chroniques de Hainaut. Het werd vertaald door Jean Wauquelin in het Frans. De schilder Rogier van der Weyden maakte de opdrachtminiatuur waarop de schrijver zijn boek aan Filips de Goede aanbiedt.

Waardengedreven omgang

De ondertitel van het rapport spreekt over
een waardengedreven omgang met AI.
Dat blijkt geen loze formulering.
In hoofdstuk 4 probeert de Raad voor Cultuur
eerst te benoemen welke waarden volgens haar kenmerkend zijn
voor kunst en cultuur, voordat aanbevelingen worden gedaan.
De gedachte daarachter is eenvoudig:
als AI een grote invloed heeft op de culturele sector,
moet eerst duidelijk zijn wat precies beschermd of versterkt moet worden.

De Raad noemt zes waarden.
De eerste is menselijke creativiteit.
Kunst ontstaat volgens de Raad uit menselijke verbeeldingskracht,
inspiratie en de behoefte om betekenis te geven aan de wereld.
Creativiteit wordt niet alleen gezien als bron van kunstwerken,
maar ook als een fundamentele menselijke behoefte
die voor iedereen toegankelijk moet zijn.

Daarnaast benadrukt de Raad het belang van creatief auteurschap.
Makers moeten zeggenschap houden over hun werk
en eerlijk worden beloond wanneer anderen dat werk gebruiken.
Ook de kwaliteit van de creatieve arbeidsmarkt
wordt als een waarde beschouwd.
Talentvolle makers moeten onder goede omstandigheden
kunnen werken en zich kunnen aanpassen aan veranderingen
die nieuwe technologieën met zich meebrengen.

Verder pleit de Raad voor pluriformiteit:
een cultureel landschap waarin zowel gevestigde tradities
als nieuwe kunstvormen een plaats hebben.
Toegankelijkheid vormt een vijfde waarde.
Kunst en cultuur moeten bereikbaar blijven voor een breed publiek,
ongeacht achtergrond, leeftijd of woonplaats.
Tot slot noemt de Raad artistieke vrijheid als onmisbare voorwaarde
voor een vitale cultuur.
Kunstenaars moeten zonder ongewenste inmenging
kunnen creëren, experimenteren en kritiek kunnen leveren
op de samenleving.

Ook voor lezers die niet alle aanbevelingen zullen onderschrijven,
vormt dit hoofdstuk een interessant vertrekpunt.
De waarden zelf zijn namelijk relatief breed gedragen.
De discussie begint vooral bij de vraag welke maatregelen nodig zijn
om deze waarden in een tijd van AI daadwerkelijk te beschermen
en te bevorderen.

GalaconcertKoninklijkeHarmonieVanFinanciënDirigentJeanVonck
Galaconcert door de Koninklijke Harmonie van Financiën met als dirigent Jean Vonck.

Afsluiting

Na het lezen van de samenvatting
en het hoofdstuk over de culturele waarden
lijkt er voldoende stof te zijn voor een TURF-sessie.
Opvallend is dat de Raad voor Cultuur niet begint met techniek,
regelgeving of economische gevolgen,
maar met de vraag welke waarden beschermd moeten worden.
Menselijke creativiteit, auteurschap, een eerlijke arbeidsmarkt,
pluriformiteit, toegankelijkheid en artistieke vrijheid
vormen het vertrekpunt van het betoog.

Die waarden zullen voor veel lezers herkenbaar
en grotendeels vanzelfsprekend zijn.
De discussie begint pas wanneer de Raad deze waarden vertaalt
naar concrete aanbevelingen.
Volgen de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk
uit de geformuleerde waarden,
of zijn ook andere oplossingen denkbaar?
Zo kan men zich afvragen of toegankelijkheid en pluriformiteit
noodzakelijkerwijs vragen om een publieke AI-infrastructuur.
Nederland heeft immers ook geen afzonderlijk
Nederlands internet nodig gehad
om een rijke digitale infrastructuur
rond cultuur, erfgoed, bibliotheken en archieven op te bouwen.

Daarmee verschuift de aandacht van de techniek zelf
naar een interessantere vraag:
welke culturele waarden willen we in een tijd van AI behouden,
beschermen en versterken?
Over die waarden lijkt relatief veel overeenstemming mogelijk.
De discussie gaat vervolgens over de vraag
welke middelen daarvoor het meest geschikt zijn.
Juist dat maakt Kunstzinnig boven Kunstmatig
een geschikt uitgangspunt voor een gesprek binnen TURF.

DigitalisationOfMaps
Het digitaliseren van landkaarten.

Gesprekspartners

Een onverwacht interessant onderdeel van het rapport
is de lijst van gesprekspartners.
Veel namen zeiden mij aanvankelijk weinig, maar samen
geven zij een beeld van een omvangrijk netwerk
van makers, erfgoedinstellingen, bibliotheken, auteursrechtenorganisaties,
onderzoekers en belangenverenigingen.
Opvallend is dat organisaties als de Koninklijke Bibliotheek,
Universiteit Leiden, Beeld en Geluid, Waag en PublicSpaces
naast individuele kunstenaars
en vertegenwoordigers van creatieve beroepsgroepen aan tafel zaten.
De samenstelling van deze groep helpt te verklaren
waarom het rapport niet begint bij technologie,
maar bij waarden als creativiteit, auteurschap,
toegankelijkheid en artistieke vrijheid.

RijksmuseumJacobVanRuisdaelSketchingAWatermill1864
Rijksmuseum, detail van: Gerard Bilders, Jacob van Ruisdael sketching a watermill, 1864.

Handzetten

Een paar weken geleden kocht ik een proefpers.
In het verleden had ik er een maar die is gesneuveld in een verhuis.
De loden letters, zethaak, inkt enz had ik allemaal nog.
Daarom ben ik begonnen aan een boekje.
De eerste tekst gaat over ‘Schors’.

Nu is het vijf jaar geleden datik voor het laatst een tekst gezet had.
Bovendien ben ik linkshandig dus veel instructies helpen maar gedeeltelijk.
Ik wilde zeker zijn dat ik goed op weg was.

Er lag nog een stukje zetwerk van vrijf jaar geleden en om dat
te kunnen beoordelen heb ik dat even snel als was het een stempel afgedrukt.
Die tekst stond goed en mij nieuwe wekr moet dus op dezelfde manier.
Dat was gisteren fout gegaan en heb ik meteen gecorrigeerd.
Dat kost dan meteen een ochtend werk.

IMG_0767Schors
Dit was het zetsel van jaren geleden dat nog op mijn galei lag.
IMG_0768Schors
Met een beetje inkt en gestempeld, zag ik dat de tekst in principe goed staat en dat mijn werk van gisterochtend fout was.
IMG_0769Schors
Boven zie je het begin van de tekst ‘Schors – een kleine atlas’. Die tekst staat goed maar mijn werk op de zethaak (links) stond verkeerd. De zethaak ligt misschien wat vreemd maar dat zorgde er voor dat de letters niet omvielen.
IMG_0770Schors
Gecorrigeerd en samengevoegd met eerder resultaat ben ik nu ongeveer halverwege. Ik hoop vanmiddag nog wat verder te kunnen werken.

Binnenkort hoop ik het resultaat te kunnen tonen.
Maar nu ervaar ik weer waarom handzetten zo leuk is.
Het is een activitieit die je heel veel rust geeft ondanks of misschien dankzij
de concentratie die er bij nodig is.
Het maakt je duidelijk waarom het schrijven in korte zinnen
je verderop in het proces tijd oplevert.
Daarbij moet je natuurlijk wel je boodschap duidelijk blijven maken.
Maar je kunt schrijven: ‘Elke schors liet een eigen ritme zien’,
maar ook ‘Elke schors een eigen ritme’.
De boodschap is hetzelfde maar het werk dat nodig is, is anders.
Je keuzes worden bewuster.


De zwijgende honden van Colima

Wat aten de bewoners van het oude Mexico?

De mededeling dat in het oude Mexico honden werden vetgemest
voor consumptie klinkt voor Europese oren ongewoon.
Toch zegt zij vooral iets over de wereld waarin deze beelden ontstonden.
Runderen, schapen, geiten en varkens bereikten Mexico pas
met de komst van de Spanjaarden.
Ook melk, boter en kaas maakten geen deel uit van het dagelijkse menu.
De basis van het dieet werd gevormd door maïs, bonen en pompoenen.
Daarnaast werden onder meer tomaten, chilipepers, avocado’s,
cacao en verschillende vruchten verbouwd en gegeten.
Samen leverden zij een voedzame combinatie
die grote bevolkingen kon onderhouden.

Dierlijke eiwitten kwamen uit uiteenlopende bronnen.
De mogelijkheden verschilden bovendien sterk per regio.
Langs de kusten waren vis, schelpdieren en schaaldieren beschikbaar,
terwijl in het binnenland werd gejaagd op onder meer
herten, konijnen en vogels.
Daarnaast hield men kalkoenen en in sommige gebieden ook honden.
De vermelding op het museumlabel dat deze dieren
werden gefokt en vetgemest voor consumptie
moet daarom niet zozeer als een curiositeit worden gezien,
maar als onderdeel van een breder systeem van voedselvoorziening.

Voor moderne bezoekers trekken juist de honden de aandacht,
omdat zij in West-Europa vooral als gezelschapsdieren worden gezien.
Voor de bewoners van het precolumbiaanse Mexico lag dat anders.
In een wereld zonder runderen, schapen en varkens
namen de beschikbare huisdieren een andere plaats in
binnen het dagelijks leven.
De hondenbeelden uit Colima herinneren eraan
hoe sterk voedingsgewoonten worden bepaald
door de dieren en gewassen die een samenleving ter beschikking staan.

DSC06104MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtPerrosCeramicaPreclasicoTardioDeColima1250AC-200DC
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, perros (honden), ceramica, preclasico tardio de Colima, 1250 A.C. – 200 D.C.
DSC06103MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtPreclasicoTardioDeColima1250AC-200DC Txt
Laat-Preklassieke periode van Colima. Keramische sculpturen die honden voorstellen. Sommige dienden als recipiënten (houders of vaten). Dit type hond (xoloitzcuintli) werd gefokt en vetgemest om als voedsel te worden gebruikt in een groot deel van Centraal-Mexico.
DSC06105MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtPerrosCeramicaPreclasicoTardioDeColima1250AC-200DC

Wat kunnen de hondenbeelden ons vertellen?

Op het eerste gezicht lijken de honden van Colima verrassend herkenbaar.
Hun opstaande oren, compacte lichamen en vaak opgekrulde staarten
doen denken aan levende honden.
Wie de beelden echter nauwkeuriger bekijkt,
merkt dat ze onderling sterk verschillen. Sommige dieren zijn opvallend slank, terwijl andere een bijna tonvormig lichaam hebben. Het is niet duidelijk of deze verschillen verschillende hondentypen weerspiegelen, of dat zij voortkomen uit artistieke keuzes van de makers.

Ook de kleur roept vragen op.
Sommige beelden hebben een roodbruine tint, andere ogen donkerbruin
of bijna zwart.
Zonder technische analyses is moeilijk vast te stellen
of deze kleurverschillen oorspronkelijk zijn,
het gevolg van verschillende baktechnieken vormen
of tijdens hun eeuwenlange verblijf in de bodem zijn ontstaan.
De huidige kleuren vertellen daarom niet zonder meer iets
over de dieren die model hebben gestaan voor de beeldjes.

Op het museumlabel wordt vermeld dat bepaalde honden
werden vetgemest voor consumptie.
Die mededeling verklaart mogelijk waarom sommige afbeeldingen
zo opvallend corpulent zijn uitgevoerd, al blijft ook dat een interpretatie.

De beelden laten zien hoe vertrouwd honden waren voor de bewoners
van het oude Colima.
Tegelijkertijd maken zij duidelijk hoeveel vragen onbeantwoord blijven
wanneer archeologische voorwerpen
vooral als kunstwerken worden gepresenteerd.
Zonder informatie over vindplaats, datering, materiaalonderzoek
of vergelijking met andere vondsten is het vaak moeilijk
om verder te komen dan zorgvuldig kijken en voorzichtig interpreteren.
Juist daardoor blijven deze honden intrigeren:
ze lijken dichtbij, maar geven hun verhaal slechts gedeeltelijk prijs.


Aantekeningen uit Musée Guimet (6): Shiva met bijl en hert

DSC08100ParijsMuseeGuimetShivaTamilNaduEnd12th-13thCentCholaBronzeMG17468DonGabrielJouveau-Dubreuil1929
Parijs, Musée Guimet, Shiva, Tamil Nadu, end 12th – 13th century, Chola, bronze, MG 17468. Don Gabriel Jouveau-Dubreuil, 1929.

Het Musée Guimet identificeert dit bronzen beeld eenvoudigweg als Shiva.
Die sobere aanduiding past verrassend goed bij de voorstelling zelf.
De god staat rechtop en frontaal, met vier armen,
een hoge kroon en slechts enkele attributen die zijn identiteit verraden.
In de achterste handen zijn een bijl en een hert te herkennen,
terwijl de voorste rechterhand een beschermend gebaar maakt.
De linkerarm is gebogen zodat de hand tegen de heup rust.
De houding oogt rustig en evenwichtig.
Anders dan bij een dansende Nataraja ligt de nadruk hier niet op beweging,
maar op de statige aanwezigheid van de god.

DSC08101ParijsMuseeGuimetShivaTamilNaduEnd12th-13thCentCholaBronzeMG17468DonGabrielJouveau-Dubreuil1929

Bij nadere beschouwing vallen steeds meer details op.
De oorhangers zijn groot en opengewerkt.
De kroon is opgebouwd uit meerdere zones en rijk versierd
met kleine ornamenten.
Achter het hoofd bevindt zich bovendien een opvallend rond,
eveneens opengewerkt element.
Op het eerste gezicht lijkt het op een wiel of rozet.
Een vergelijkbaar motief is ook op andere Zuid-Indiase bronzen te zien.
Hoewel het duidelijk deel uitmaakt van de iconografie,
bleek de precieze benaming moeilijk te achterhalen.
Zelfs in de klassieke iconografische handboeken waarnaar ik op zoek ging,
vond ik vandaag geen overtuigende verklaring.

DSC08101 02 ParijsMuseeGuimetShivaTamilNaduEnd12th-13thCentCholaBronzeMG17468DonGabrielJouveau-Dubreuil1929

Ook het voetstuk verdient aandacht.
Shiva staat op een ronde, gewelfde basis
die rust op een vierkante sokkel met opstaande hoekelementen.
De vorm roept associaties op met een lotusbasis,
maar afzonderlijke lotusbladeren zijn op dit beeld niet zichtbaar.
De functie van de opvallende vierkante onderbouw blijft daarmee
enigszins raadselachtig.

DSC08102ParijsMuseeGuimetShivaTamilNaduEnd12th-13thCentCholaBronzeMG17468DonGabrielJouveau-Dubreuil1929

Juist dat maakt dit beeld interessant.
Het museum geeft slechts de naam van de god,
een datering aan het einde van de twaalfde of in de dertiende eeuw,
de herkomst uit Tamil Nadu en de vermelding
dat het werk in 1929 via Gabriel Jouveau-Dubreuil in de collectie terechtkwam.
De rest moet uit het beeld zelf worden afgeleid.
Hoe langer je kijkt, hoe meer details zichtbaar worden:
het hert, de bijl, de hand op de heup, de complexe kroon
en het mysterieuze ronde element achter het hoofd.
Sommige daarvan laten zich gemakkelijk verklaren,
andere blijven vooralsnog een open vraag.
Dat is misschien wel de grootste aantrekkingskracht van dit Chola-brons.
Het geeft niet al zijn geheimen onmiddellijk prijs.


India 24/25: Patna, dag 1 – Bihar Museum 7

– over een nieuw beeld van een vertrouwde figuur –

Als je al eens een mooi Boeddhabeeld op je blog hebt gezet,
waarom wil je er dan nog een keer een bericht maken
over nog een ander beeld?
Nog even los van de kunsthistorische aspecten:
waar is het beeld gemaakt,
wanneer is het gemaakt,
wat zijn de overeenkomsten
en wat zijn de verschillen?
Wat valt me deze keer op? Wat zie ik nu dat ik eerder niet zag?
Nog even los van al die redenen is er nog een reden
waar op werd gewezen in het volgende citaat:

De wereld moet voortdurend opnieuw worden beschreven, want zij is niet hetzelfde als vroeger, al was het maar omdat wij er ooit niet waren.

Wistawa Szymborska, Brievenpost, pagina 30.

Vervang in dit citaat ‘de wereld’ door ‘Boeddha’
en ‘beschreven’ door ‘afgebeeld’,
en de reden voor dit bericht dient zich vanzelf aan.

Ik toon met een gerust hart nog een Boeddha-beeld.
Het beeld is afkomstig uit Kurkihar in Bihar,
een belangrijke boeddhistische vindplaats nabij Gaya.
De site is vooral bekend geworden door de ontdekking
van een grote groep bronzen beelden uit de Pala-periode,
maar het museumlabel vermeldt niet
of dit specifieke beeld tot die vondst behoorde.
Of het nu wel of niet tot die vondst behoorde,
aan de kwaliteit van het beeld verandert dat niets.

DSC01896IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod10thCenturyCEKurkiharGayaBiharBronzeAlloyArch9590
India, Patna, Bihar Museum, Buddha, Pala period, 10th century CE, Kurkihar, Gaya, Bihar, bronze alloy. Arch.-9590. Van dichtbij komen de fijn gemodelleerde gelaatstrekken goed naar voren. De half gesloten ogen, de sterk gebogen wenkbrauwen en de subtiele glimlach dragen bij aan de ingetogen uitstraling van het beeld. Het haar is weergegeven als een dicht patroon van kleine krullen die uitlopen in een ushnisha boven op het hoofd.
DSC01897IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod10thCenturyCEKurkiharGayaBiharBronzeAlloyArch9590
De opgeheven rechterhand is uitgevoerd in een beschermend gebaar. In de handpalm bevindt zich een klein wielmotief dat zorgvuldig in het brons is uitgewerkt. De elegante vingers en de gladde afwerking laten het hoge niveau van het vakmanschap zien dat de Pala-bronzen uit Bihar kenmerkt.
DSC01898 01 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod10thCenturyCEKurkiharGayaBiharBronzeAlloyArch9590
Deze staande Boeddha rust op een dubbele lotusbasis. De lange, regelmatige plooilijnen van het gewaad volgen de contouren van het lichaam en geven de figuur een rustige, bijna ritmische uitstraling. Rechts en links vallen de zware mantelranden op die tot naast de voeten doorlopen.
DSC01898 02 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod10thCenturyCEKurkiharGayaBiharBronzeAlloyArch9590
Deze opname toont de opmerkelijke kwaliteit van het gietwerk. De individuele haarlokken zijn als kleine bolvormige krullen weergegeven, terwijl de lange oorlellen en de markering op het voorhoofd verwijzen naar vaste kenmerken van de boeddhistische beeldtaal. Ondanks de ouderdom van het beeld zijn de gelaatstrekken opvallend scherp bewaard gebleven.
DSC01898 03 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod10thCenturyCEKurkiharGayaBiharBronzeAlloyArch9590
De opgeheven rechterhand maakt een beschermend gebaar. De linkerhand op deze foto houdt mogelijk een deel van het gewaad vast. De stoflijnen lopen vanaf het kleed over de pols door tot in de handpalm en zijn met grote zorg in het brons weergegeven. Bij deze staande Boeddha ligt de nadruk op één handgebaar, terwijl de andere hand een ondersteunende rol vervult. Dat verschilt van veel zittende Boeddhabeelden, waarbij de betekenis juist vaak door beide handen gezamenlijk wordt uitgedrukt.
DSC01898 04 IndiaPatnaBiharMuseumBuddhaPalaPeriod10thCenturyCEKurkiharGayaBiharBronzeAlloyArch9590
Op het lichaam van de Boeddha valt de stof in brede banen nauw aansluitend langs het lichaam. De regelmatige lijnen versterken de rustige, verticale uitstraling van de figuur. Aan de armen lijkt het gewaad gladder te vallen, terwijl het onderaan eindigt in duidelijk uitgewerkte plooien. De blote voeten rusten op een met een parelrand versierde dubbele lotusbasis. De afzonderlijke bladeren zijn duidelijk herkenbaar uitgewerkt. Onder de bladeren is ook de lage sokkel zichtbaar.

De engelenbevolking van Ferrara

Er lijken in Italië meer engelen te zijn
dan in welk ander land ik ooit geweest ben.
Je ziet ze in boeken, in kerken, bij graven,
als standbeeld, op schilderijen of uit steen gehakt,
ze maken muziek, voeren de dieren, steunen de zon,
of zijn gewoon heilig.
Vandaag een selectie uit Ferrara.

EngelF 01
EngelF 02
EngelF 03
EngelF 04
EngelF 05
EngelF 06
EngelF 07
EngelF 08
EngelF 09
EngelF 10
EngelF 11
EngelF 12
EngelF 13
EngelF 14
EngelF 15
EngelF 16
EngelF 17
EngelF 18
EngelF 19

De kunst van het imponeren?

– over krijgers uit Colima met een dreigende uitstraling –

De afgelopen dagen stonden in het teken van kunsthistorisch speurwerk.
Een kleizegel uit Bihar leidde naar negentiende-eeuwse publicaties
over Bodh Gaya,
terwijl twee beelden van Shiva in het Musée Guimet
vragen opriep over iconografie, attributen en oude beschrijvingen.

Vandaag verplaatsen we ons naar een heel andere wereld.
Geen India, maar Mexico.
Ook hier gaat het om voorwerpen die meer vragen oproepen
dan zij direct beantwoorden,
al zijn de vragen ditmaal van een geheel andere aard.

DSC06101 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraPeriodoPreclásicoTardioColima1250AC-200DC
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Figura, periodo preclásico tardio, Colima, 1250 A.C. – 200 D.C.
DSC06101 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraPeriodoPreclásicoTardioColima1250AC-200DC
DSC06101 03 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraPeriodoPreclásicoTardioColima1250AC-200DC
DSC06101 04 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraPeriodoPreclásicoTardioColima1250AC-200DC

In een vitrine met laat-preklassieke keramiek uit Colima
stonden twee nauw verwante objecten.
Het eerste is een volledig figuurbeeld,
het tweede een los hoofd.
Beide worden in het museum en in het begeleidende boek
als krijgers beschreven.
Die identificatie lijkt niet onredelijk.

Het meest kenmerkende element van beide objecten is het hoofddeksel.
Het materiaal waaruit het zou kunnen zijn vervaardigd,
is niet herkenbaar,
maar het lijkt het hoofd niet volledig te omsluiten.
Eerder doet het denken aan een constructie van banden of stroken
waarop verschillende hoorns zijn bevestigd.
Vooral de grote hoorn boven het voorhoofd trekt daarbij de aandacht.
Een band onder de kin lijkt ervoor te zorgen
dat het hoofddeksel stevig op het hoofd blijft zitten.

Op verschillende plaatsen zijn rasterpatronen ingekrast.
Ze komen voor op delen van het hoofddeksel
en op het opvallende object dat de figuur op de borst draagt.
Opvallend genoeg bevinden deze patronen zich niet op de hoorns zelf.
Wat zij precies voorstellen, is niet duidelijk.
Mogelijk verwijzen zij naar een bepaald materiaal
of naar de constructie van de uitrusting.
Het is echter even goed denkbaar dat zij bedoeld zijn
om belangrijke onderdelen extra nadruk te geven.
Op het object op de borst volgen de rasterlijnen de welving van het oppervlak
en lijken zij de vorm ervan bewust te accentueren.

Opvallend is het contrast tussen deze geaccentueerde onderdelen
en de rest van het lichaam.
Dat lichaam is opmerkelijk plastisch gemodelleerd en zorgvuldig afgewerkt.
De kunstenaar besteedde aandacht aan voeten, vingers
en zelfs een afzonderlijke duim.
Ook de gezichten zijn met zorg vormgegeven.
Zowel het volledige beeld als het losse hoofd hebben amandelvormige ogen
en een gestileerd ornament bij de neus,
mogelijk een neussieraad.

Het losse hoofd blijkt bovendien geen massief beeld te zijn.
Aan de achterzijde bevindt zich een grote opening
waaruit blijkt dat het om een hol keramisch object gaat.

De constructie met hoorns op het hoofd,
het ornament bij de neus,
het voorwerp op de borst
en het slagwapen trekken onmiddellijk de aandacht.
De gegraveerde rasterpatronen lijken sommige van deze onderdelen
extra te benadrukken.
Misschien verklaart dat waarom beide figuren
zo’n krachtige en enigszins dreigende uitstraling hebben.

DSC06102 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraPeriodoPreclásicoTardioColima1250AC-200DC
DSC06102 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraPeriodoPreclásicoTardioColima1250AC-200DC

Dit lees ik de komende tijd

IMG_0760ExtraLeesopdrachtVonLeCoqBuriedTreasuresOfChineseTurkestan
Albert Von le Coq, een Duitse afstammeling van Franse Hugonoten, was een van de expeditieleiders op de zoektocht naar verloren gewaande plaatsen aan de Zijderoute. Hij schreef daarover in 1928 en dit is een heruitgave, de tweede druk uit 1987. Buried Treasures of Chinese Turkestan.