– over beelden die reizen en wegen openen, terwijl wij een stukje meelopen –
De stupa op het voorhoofd
In het Archaeological Museum van Sarnath staat deze Bodhisattva Maitreya uit de 5e eeuw, een prachtig voorbeeld van de verfijnde Gupta‑stijl. De iconografie klopt tot in de details: het dierenvel over de schouder, de kalasha (flacon) in de linkerhand, het (beschadigde) gebedssnoer in de rechterhand en de kleine stupa op het voorhoofd die naar zijn toekomstige Boeddhaschap verwijst.
India, Varanasi, Archaeological Museum Sarnath, Bodhisattva Maitreya, 5th century CE, sandstone. Acc. No. 6697.
Wat hier bijzonder opvalt, is het haar — niet de golvende lokken die we kennen uit Gandhara, en ook niet de zware strengen van Mathura, maar een gladde, compacte coiffure die als een rustige massa om het hoofd ligt. Het past perfect bij de zachte modellering en de serene expressie die Sarnath in deze periode zo kenmerkt: alles is gericht op verstilling, op een innerlijke helderheid die de bodhisattva bijna lichtend maakt.
#Notalion
In dit levendige Gupta‑reliëf uit Sarnath zien we een leogryph, een mythisch wezen dat de kracht van de leeuw met de elegantie van een paard verenigt. Het dier is in volle beweging weergegeven, met gestileerde manen en een ritmische, bijna dansende contour.
Rider on leogryph, 5th century CE, sandstone. Acc. No. 4924.
Op zijn rug zit een berijder die een zwaard of staf vasthoudt, terwijl onder het dier een tweede figuur verschijnt, eveneens gewapend, alsof hij het wezen ondersteunt of beteugelt. Beide gezichten lopen licht spits naar voren, een kenmerkende Gupta‑vorm die de figuren een alertheid en richting geeft, alsof ze net uit de steen treden. De scène is dynamisch maar blijft gedragen door de zachte modellering en de serene expressie die Sarnath in de 5e eeuw zo typeert: zelfs in actie is er een ondertoon van rust en innerlijke concentratie.
Naar de rest van Azië
In Sarnath zie je al hoe de gezichten van menselijke en mythische figuren licht naar voren hellen, de wangen taps toelopen en de blik een subtiele projectie krijgt. Het is een Gupta‑motief dat niet op zichzelf staat, maar zich langs de oude handelsroutes verder verfijnt: via Sri Lanka en Zuidoost‑Azië naar Java, waar in Borobudur en Prambanan de gezichten nog slanker, spitser en eleganter worden, bijna als een gestileerde vlam. Die lijn — van India naar Indonesië — laat precies zien wat Dalrymple in The Golden Road beschrijft: een wereld waarin vormen, geloof en verbeelding niet abrupt verspringen, maar zich als een gouden stroom verplaatsen, telkens aangepast aan de lokale hand, maar herkenbaar in hun oorsprong.
Pelgrimage in steen
In deze stele uit Sarnath is het leven van de Boeddha samengebracht in acht compacte scènes, van zijn geboorte in Lumbini tot zijn mahāparinirvāṇa — zijn serene heengaan in Kushinagar, het moment waarop hij volledig in nirvāṇa binnengaat. Elk paneel is een stil moment van inzicht: de leerrede in Sarnath met het dharmawiel en de herten, de verlichting onder de bodhiboom in Gaya, de wonderen, de afdaling uit de hemel, de honingofferende aap in Vaishali. Samen vormen ze een ritme van geboorte, openbaring en bevrijding — een pelgrimage in steen.
Life scene of Buddha, 5th – 6th century CE, sandstone. Acc. No. 261.
Detail: the first sermon in Sarnath.
Dat dit reliëf juist hier in Sarnath staat, en dat Bodhgaya later op mijn route ligt, verbindt de reis van de Boeddha met die van mij: de plaatsen worden schakels in één lange stroom van herinnering en verbeelding, zoals Dalrymple beschrijft in The Golden Road — een weg waarop vorm, geloof en ervaring zich blijven verplaatsen, maar herkenbaar blijven in hun oorsprong.
– over Nayarit‑beelden, vroege vormen en een latere stijl uit Veracruz –
Als je recent berichten op mijn blog gelezen hebt, dan weet je dat ik probeer werken met elkaar in verband te brengen. Daarbij begin ik altijd bij de werken zelf: hoe zien ze eruit, wat valt meteen op, welke informatie is voorhanden, zien de werken er dan nog steeds hetzelfde uit?
Vandaag is dat moeilijk: één serie beeldjes gebruikt het museum om een specifieke beeldtaal te tonen. Een beeldtaal die gebonden aan een benoemd gebied in Mexico. De andere reeks beelden heeft het museum samengebracht om de stijlontwikkeling in de Mexicaanse kunst in beeld te brengen. Met een reeks voorbeelden uit de uit de vroege fase van die ontwikkeling en één sprekend voorbeeld uit Veracruz, dat bekend staat om een doorontwikkelde stijl.
Niet gemakkelijk om onder één noemer te brengen maar ieder beeld op zich is bijzonder en prachtig. Hopelijk vind je dat ook.
Mexico, Oaxaca, Museum Mexican Prehispanic Art, Mujer sentada de Nayarit, preclásico tardío, 1250 a.C. – 200 d.C. Zittende vrouw, Nayarit, laat‑preklassiek, 1250 v. Chr. – 200 n. Chr.
Mujeres sentadas de Nayarit.
De zittende vrouwen uit Nayarit vallen op door hun karakteristieke hoofdvorm: breed, hoog en licht naar voren geplaatst, met ogen en mond als smalle horizontale inkepingen die het gezicht een gestileerde, bijna maskerachtige expressie geven. De opvallend grote oren versterken die stilistische abstractie.
Net zoals geloken ogen in boeddhistische beeldtradities niet bedoeld zijn als realistische weergave van de historische Boeddha maar als een iconografisch kenmerk dat hem onmiddellijk herkenbaar maakt, functioneren deze gelaatstrekken als een regionale signatuur: ze markeren de figuren als behorend tot de West‑Mexicaanse Preklassieke tradities van Nayarit, Jalisco en Colima, en onderscheiden hen duidelijk van andere Meso‑Amerikaanse stijlen.
Ook het ontbreken van de onderbenen is een bewuste keuze binnen deze vormtaal: de figuren zijn vanaf het begin als compacte, zittende gestalten gemodelleerd, waarbij anatomische volledigheid ondergeschikt is aan stilistische herkenbaarheid.
Comparative figurines showing early stylised form, preclassic to early protoclassic transition, circa 1200 BC – AD 200. Het eerste voorbeeld in een reeks van vier.
De voorafgaande vier foto’s tonen de vroege beelden met de compacte, gestileerde vormtaal waarmee deze traditie begint; het Veracruz‑beeld dat na onderstaande tekst volgt behoort tot een latere fase en laat zien hoe die vorm zich verder ontwikkelt.
Beelden in de vergelijking
De beelden in de vergelijking worden in het museum hoog en sterk uitgelicht gepresenteerd, alsof het autonome sculpturen zijn. Die presentatie is prachtig — het roze fond, de schaduwen en de hoogte geven de figuren een bijna moderne monumentaliteit — maar maakt het vergelijken juist lastiger. Door de afstand en het theatrale licht verdwijnen de kleine stilistische aanwijzingen die normaal helpen om vroege, compacte vormen te onderscheiden van latere, meer uitgewerkte types. Toch laten de vroege beelden, wanneer je ze aandachtig naast elkaar bekijkt, duidelijke verschillen zien in vorm, expressie en ornamentiek. Die verschillen illustreren hoe de beeldtraditie zich in de loop van tijd heeft ontwikkeld.
De complexe hoofdtooi van het Veracruz‑beeld
Het Veracruz‑beeld dat later in de blog volgt, heeft een hoofdtooi die meteen de latere stijl verraadt: opgebouwd uit meerdere lagen, met een diermotief dat als ceremoniële of beschermende figuur fungeert. De hoofdtooi is niet alleen decoratief maar ook narratief — hij draagt betekenis, status en ritueel. Dit soort rijke, gelaagde ornamentiek is kenmerkend voor het Late Protoclassicum van het Centrum van Veracruz, waar de beeldtaal steeds verfijnder werd. In de museale presentatie valt dat extra op: het licht vangt de scherpe randen en geeft het beeld een bijna theatrale monumentaliteit.
De gestileerde, compacte vormen van de vroege beelden
De vier vroege beelden die voorafgaan aan het Veracruz‑beeld zijn veel compacter en strakker. De gelaatstrekken zijn gereduceerd tot heldere lijnen: horizontale ogen, een eenvoudige mond, ronde oorornamenten en sobere haarbanden of kronen. Deze reductie is geen gebrek aan detail, maar een bewuste stilistische keuze: een vormtaal die rust, eenvoud en een zekere tijdloosheid uitstraalt. Door de hoge, kunstzinnige presentatie in het museum krijgen deze vroege figuren een sculpturale kracht — ze lijken bijna moderne beelden, ondanks hun grote ouderdom.
Het ontbreken van ceremoniële detaillering
Waar het Veracruz‑beeld een verhaal lijkt te dragen in zijn hoofdtooi en gelaat, blijven de vroege beelden stilistisch gesloten. Ze missen de dynamische details die latere stijlen kenmerken: geen diermotieven, geen complexe attributen, geen uitgewerkte kleding. Juist daardoor functioneren ze perfect als vergelijkingsmateriaal: ze laten zien hoe een beeldtraditie begint met eenvoudige, schematische vormen en zich langzaam ontwikkelt naar rijkere, ceremoniële expressie. Het museum gebruikt deze vroege beelden om die overgang zichtbaar te maken — zelfs al staat de presentatie op het eerste gezicht vooral in dienst van schoonheid en niet van uitleg.
Figurine included to compare late protoclassic, centre of Veracruz, 100 b.C – aD. 200.
– over ranken en andere vormen als stille echo’s van oorsprong en functie –
Ook in dit berichte in de Verso-serie staan twee werken centraal. Er valt heel wat te vertellen…
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Oberrheinischer Meister, Dyptych: Hieronymus Tscheckenbürlin and the personification of death, 1487, mischtechnik auf lindenholz. Inv. 33. Meteen viel me natuurlijk de tekst op de lijst op. Dus die heb ik samengebracht in de volgende afbeelding.
Toen Copilot gevraagd de tekst te reconstrueren: BILDNVS · IERONIMVS · TSCHECKENBVRLIN · RECHTEN · LICENTIAL · CARTHESVER · ORDENS · SEINES · ALTER · ANNO · 1487 · STARB · LETZ·ER · PRIOR · CARTHVS · ANNO · 1533
Dan is dit de betekenis.
Het portret van Hieronymus Tscheckenbürlin.
De bijna smachtende dood.
Om de achterkant was het op de tentoonstelling allemaal begonnen.
Waarneming en analyse
In het linkerpaneel verschijnt Tscheckenbürlin als een opvallend jeugdige figuur: het gladde gezicht, de warme huidtinten en de rijke kleuren van zijn kleding plaatsen hem duidelijk in de wereld van de stedelijke elite, een jonge jurist of humanist die nog midden in het leven staat, misschien zelfs aan het begin van een succesvolle loopbaan. De bloem in zijn hand versterkt die indruk. Als een subtiel, persoonlijk gebaar dat past bij iemand die zich bewust is van zijn verschijning en van de fragiele schoonheid van het leven.
In het rechterpaneel verschijnt de Dood in een houding die opmerkelijk menselijk is. Het skelet is niet dreigend of agressief, maar staat in een gespannen rust: de handen vallen over elkaar, met de handpalmen tegen elkaar gedrukt. De lange vingers van de rechterhand vlijen zich over de gekromde vingers van de linkerhand, alsof ze zich eraan vasthechten. Het gebaar is gesloten en verstrengeld, niet biddend maar ook niet grijpend, en in de armen ligt een subtiele spanning die het ontbonden lichaam nog een laatste echo van intentie geeft. De resten van haar op de schedel, de krullen die zich nog vasthouden aan het bot, en de wormen die uit het lichaam kringelen, maken de ontbinding tastbaar en onontkoombaar. Toch is de figuur niet grotesk; de schilder toont de Dood met een onverwachte zachtheid, als een lichamelijke aanwezigheid die zich naar de kijker wendt zonder te dwingen.
Juist doordat het linkerpaneel een jonge, wereldlijke man toont die nog volop in het leven staat, krijgt de ontmoeting met de Dood een bijzondere intensiteit. De smachtende, half geopende handen van het skelet, de resten van haar en de kringelende wormen maken de ontbinding tastbaar, maar niet agressief; de Dood treedt naar voren als een stille, lichamelijke tegenwoordigheid die het leven niet bedreigt, maar ontbloot. Zo ontstaat tussen beide panelen een spanning die niet moraliserend is, maar existentieel: het bloeiende leven wordt geconfronteerd met zijn eigen kwetsbaarheid, zonder dat het overwicht van de één de ander wegdrukt.
Bronnen
Na deze eigen visuele analyse ben ik op zoek gegaan naar geschreven bronnen om te zien hoe Hieronymus Tscheckenbürlin in de literatuur wordt beschreven. Drie online bronnen bleken bijzonder verhelderend.
Het Historisches Lexikon der Schweiz schetst hem als een jonge jurist uit een voorname Baselse familie, die na zijn rechtenstudie in Parijs en Orléans onverwacht een veelbelovende wereldlijke loopbaan opgaf om in 1487 toe te treden tot de Basler Kartause.
De Deutsche Biographie bevestigt dit beeld en benadrukt zijn aanzienlijke vermogen, zijn snelle opkomst binnen de orde en zijn rol als laatste prior, het hoofd van het Kartause‑klooster in Bazel, vóór de Reformatie.
De derde bron, de collectiepagina van het Kunstmuseum Basel, voegt daar een cruciaal detail aan toe: de inscriptie op de oorspronkelijke lijst identificeert de elegant geklede jongeman en plaatst het tweeluik expliciet in het moment van zijn intrede in de religieuze orde, als een symbolisch afscheid van het leven dat hij tot dan toe leidde — een bestaan met welvaart, sociale positie en de mogelijkheid van een gezin.
Samen leveren deze bronnen een consistent beeld op dat nauw aansluit bij wat het schilderij zelf al suggereert:
Tscheckenbürlin was geen ascetische monnik die op latere leeftijd tot inkeer kwam, maar een jonge, succesvolle, wereldlijke figuur die een scherpe wending in zijn leven maakte. De bloem in zijn hand, de rijke kleuren van zijn kleding en de jeugdige uitstraling passen precies bij het moment in zijn leven waarin hij zich bevond.
De Dood op het rechterpaneel krijgt daardoor een extra lading: niet als moraliserende waarschuwing, maar als een confronterend tegenbeeld op het moment van keuze.
Het meest intrigerende gegeven is echter het bestaan van een tweede versie van het diptiek, bewaard in het Historisch Museum Basel. Deze kopie, waarschijnlijk kort na het origineel ontstaan, toont Tscheckenbürlin niet langer als jonge jurist maar in de strenge monnikspij. Het bestaan van deze tweede versie maakt het geheel des te betekenisvoller: het lijkt alsof de twee diptieken samen de overgang markeren van zijn wereldlijke identiteit naar zijn kloosterleven — een biografische tweeluik in twee schilderijen.
Wolfgang Katzheimer, Werkstatt, Christ carrying the cross, um 1480, mischtechnik auf tannenholz. Inv. 1261.
Verso: de achterkant met beschildering, versterking, extra klampen en etiketten.
Detail van de ranken en vruchten.
Verslag van de kruisweg
Het tweede schilderij ontvouwt zich als een verslag van de kruisweg, alsof een getuige in Jeruzalem stond en het tafereel stap voor stap heeft vastgelegd. Christus wordt voortgeduwd en tegengehouden tegelijk: zijn handen zijn gebonden, een touw om zijn hals houdt hem in bedwang, terwijl aan weerszijden mensen het kruishout vasthouden. De menigte is dicht opeengepakt, ieder met een eigen rol. Op de voorgrond knielt een man in middeleeuwse burgerkledij — misschien een ambachtsman, te herkennen aan zijn gereedschapsriem met een klein open kistje — die Christus een stok aanbiedt, een detail dat niet uit de bijbel komt maar de scène een menselijk, bijna alledaags accent geeft. Achter Christus staat een andere figuur, met een hoge muts, die het kruis op een zwaar punt draagt en zo de fysieke last van het moment zichtbaar maakt.
Links, door een grote poort, gaat het leven gewoon door: kinderen spelen, mensen praten, een hond rent voorbij.
En in de verte, onderaan Golgotha, zit Maria in blauw, omringd door twee vrouwen en een man zonder hoofddeksel — waarschijnlijk Johannes — een kleine kring van rouwenden die het lijden van Christus van nabij meebeleven.
De schilder vertelt niet één moment, maar een reeks gebeurtenissen die zich gelijktijdig afspelen. Het is een wereld waarin het heilige en het alledaagse elkaar raken — waar het lijden van Christus zich voltrekt te midden van de gewone stad, naast het ritme van het dagelijks leven.
Verso
Op de achterkant van het paneel tekent zich, onbedoeld, de vorm van een grote T af: de brede verticale middenstrook met haar drie klampen staat als een donkere balk tussen de groen geschilderde ornamenten links en rechts, terwijl bovenaan een kortere horizontale balk dwars over het paneel loopt en zo de dwarsarm van de letter vormt.
Het is slechts een constructieve versteviging, maar van een afstand krijgt de vorm een onverwachte betekenis. Die T — in de middeleeuwse traditie ook wel de tau genoemd — is zowel het teken van de franciscanen als een vroege gestileerde vorm van het kruis.
Zo herneemt de achterkant, in haar stille structuur, het motief dat aan de voorkant wordt verbeeld: het kruis dat Christus draagt verschijnt nogmaals, niet geschilderd maar in het hout zelf, als een echo van het verhaal dat het paneel draagt.
– over hoe een wandeling met een camera verandert zodra kijken zich verdiept –
Vage condensstrepen.
Bredase Abbey Road?
Vorige week liep ik door het Valkenberg in Breda. Het was het begin van een lange en warme wandeling. Terwijl ik er liep, zag ik een toerist met een forse camera. Duidelijk op zoek naar situaties om mooie plaatjes te schieten. Toen ontdekte hij een beeld dat volgens hem een prima foto zou opleveren en hij nam zijn camera en maakte een foto. ‘Daar loopt een streep door’, dacht ik terwijl ik hem passeerde. Niet door de man, maar door de foto.
Ik sloeg af om het park uit te lopen. Ik bedacht me dat het misschien wel een goed thema is voor de fotoserie. In de lucht zag ik condensstrepen van vliegtuigen en mijn eerste streep was zo gemaakt met mijn telefoon.
‘X’ marks the spot. Wilhelminasingel.
Nassausingel.
Letterlijk 3 strepen er door. Hoek Nassausingel/Nassaustraat.
Terwijl ik doorliep, zag ik al snel veel meer strepen in het straatbeeld: straatmeubilair, wegmarkeringen, hekken. Werk genoeg voor mijn telefoon. Al snel vraag je je af: is een kromme streep ook een streep? Moet de streep altijd aangebracht zijn? Kan het ook een schaduw zijn? Een weerspiegeling?
Breda, Nassausingel, De Koepel.
Breda, de Koepel.
Claudius Prinsenbrug.
De opdracht is blijkbaar te vaag. Bovendien zijn de foto’s die je dan maakt wel interessante foto’s? Misschien word je gered door de serie. Misschien kunnen 5 oninteressante foto’s met twee goede shots toch een interessante serie maken?
Nassausingel.
Een streep door de wolken.
Toen ik de 45 foto’s bekeek bij het maken van dit bericht bekroop mij de twijfel.
Zijn de voetstappen ook een streep?
Wat maakt nou dat een foto een interessante foto is? Laten we eens proberen daar een antwoord op te formuleren.
Vierwindenstraat.
Chassésingel.
Misschien is dat uiteindelijk wat een foto interessant maakt: niet het onderwerp, niet de streep zelf, maar het moment waarop je merkt dat je anders bent gaan kijken. Een lijn in asfalt, een schaduw op een muur, een reflectie in glas — ze waren er altijd al, maar pas tijdens deze wandeling begonnen ze zich te tonen. In elke foto zit daarom iets van aandacht: een kleine verschuiving van het gewone naar het opmerkelijke. Misschien is dat genoeg. Misschien is een interessante foto simpelweg een foto waarin je even blijft hangen, omdat hij laat zien hoe de wereld eruitziet wanneer je haar niet haastig passeert, maar rustig leest — streep voor streep.
Met veel aandacht en tijd is hier een nieuw type uitzetijzer ontwikkeld voor de bovenwoning. Trots kondigen we het nieuwe model aan met de naam: ….. kaboutertrap.
Het eerste model is al geinstalleerd in Breda waar het getest wordt op alle mogelijke voorkomende situaties. Reeds verkrijgbaar in ons filiaal voor de unieke prijs van 149,95 euro.
– over paraplu’s die meer geven dan schaduw: een glimp van betekenis –
India, Varanasi, Archaeological Museum Sarnath, Buddha in protection giving posture, umbrella and pillar, 5th century CE, sandstone. Acc. No. 344, 354 and 460.
De Boeddha als een levende stupa
In dit Gupta‑beeld uit Sarnath wordt de Boeddha voorgesteld als een levende stupa: een verticale as waarin lichaam, licht (aureool) en bescherming (chatra) samenvallen.
Zijn houding is slank en ritmisch, de gelaatstrekken zacht en sereen, en het kleed valt als een bijna gewichtloze sluier die hij met een verfijnde handgreep vasthoudt — een typisch Gupta‑gebaar van beheersing en innerlijke rust.
Achter hem straalt een rijk uitgewerkte aureool, opgebouwd uit dubbele cirkels met florale motieven die het licht van de Boeddha zichtbaar maken: geen ornament, maar een beeldtaal waarin zijn innerlijke verlichting wordt vertaald naar het ritme, de vorm en de beweging van de aureool.
Boven dit alles verheft zich de chatra, de stenen paraplu die de hemel verbeeldt, gedragen door een pilaar die de aarde en de hemel verbindt — een topstuk dat de hele verticale structuur van het beeld voltooit.
De hand in abhaya‑mudrā sluit deze compositie af, want het is het gebaar waarin de bescherming van de Boeddha de wereld van de kijker bereikt. Zo wordt de Boeddha zelf het centrum van richting en verlichting — een menselijk lichaam dat de structuur en betekenis van een heilig monument draagt.
Wat de Gupta‑beeldhouwkunst kenmerkt
De Gupta‑beeldhouwkunst, die tussen de 4e en 6e eeuw in Noord‑India tot bloei kwam, wordt vaak gezien als het klassieke hoogtepunt van de Indiase sculptuur.
De figuren krijgen een slank en vloeiend lichaam, met zachte, natuurlijke overgangen die rust en innerlijke balans uitstralen. De gezichten zijn sereen en licht naar binnen gekeerd, met een subtiele glimlach en halfgesloten ogen die contemplatie suggereren. Het kleed ligt als een dunne, bijna doorzichtige sluier over het lichaam, waardoor de vorm zichtbaar blijft maar toch een gevoel van verfijning ontstaat. En het haar wordt weergegeven in kleine, regelmatige krullen die het hoofd een ritmische, bijna geometrische structuur geven.
Samen vormen deze vier elementen een stijl waarin eenvoud en verfijning samenvloeien, en waarin spiritualiteit zichtbaar wordt gemaakt in houding, proportie en detail.
Stone umbrella, 1st century CE, sandstone. Acc. No. 348.
De ringen van de chatra
De stenen chatra uit de 1e eeuw staat in het museum los van haar oorspronkelijke context, maar de onderzijde — de kant die zichtbaar was voor iedereen die onder de paraplu stond — is nog bijna volledig intact.
In het midden bevindt zich een bevestigingsholte voor de staander (yasti): een uitsparing waarin de bovenkant van de staander werd verankerd om de chatra te dragen.
Daarom is de binnenste ring, bijna een halve bol, rond deze holte zo robuust: zij moest het gewicht en de krachten van de chatra zelf opvangen en verdelen, zodat de stenen paraplu stabiel op de staander rustte.
Daaromheen ligt een lotuskrans, een ring van radiaal uitgesneden bloembladen die duidelijk laat zien waar de constructie ophoudt en de decoratie begint. De lotus introduceert meteen de kosmische betekenis van de chatra: het ontvouwen van zuiverheid, groei en het ontstaan van de wereld.
In de volgende ring verschijnen mythische dieren, waaronder een paardachtig wezen dat lijkt te zwemmen of te zweven. Zulke hybride figuren — verwant aan de makara of vyala — fungeren in vroege Indiase kunst als bewakers van de kosmos: grenswezens die de overgang markeren tussen het aardse en het hemelse domein. Tussen deze wezens liggen rozetten, kleine florale knoppen die het ritme van de ring versterken.
Nog een ring verder staan twee vissen, naar elkaar toe gericht en verbonden door een lus. In latere boeddhistische iconografie kunnen vissen een vrijheidsmotief zijn, maar hier functioneren ze eerder als kosmische ornamenten: symmetrische waterdieren die leven, balans en de aanwezigheid van de Ganga oproepen. Hun plaats in de ring versterkt de indruk van een geordende wereld onder de paraplu.
Daarna volgt een ring met gebundelde planten, sierlijke gestileerde stengels en takken die niet als agrarisch motief bedoeld zijn, maar als een decoratieve verbeelding van groei en samenkomst. Deze vegetatieve vormen geven de ring een ritmische levendigheid en verbinden de chatra met het idee van voortdurende vitaliteit.
Aan de buitenzijde loopt tenslotte een reeks concentrische banden met geometrische patronen: kleine driehoeken, parelrijen en herhalende lijnen. Deze ornamenten worden afgesloten door een opstaande rand (in oorspronkelijke opstelling afhangende), een stenen zoom die de schijf visueel begrenst en technisch versterkt. Deze rand vormt de uiterste grens van de hemelkoepel en geeft de chatra haar ritmische, kosmische afronding.
Van binnen naar buiten ontvouwt zich zo een gelaagde ordening:
Het is een kosmische doorsnede in steen — een paraplu die ooit hoog boven een pilaar of stupa stond, maar waarvan de onderzijde nog steeds het ritme, de symboliek en de bescherming van een hemelkoepel draagt.
Een vroeg Kushana‑fragment
Deze chatra behoort tot een veel vroegere fase van Sarnath: het Kushana‑tijdperk (1e eeuw CE), ruim vier eeuwen vóór de verfijnde Gupta‑chatra die boven de Boeddha in het museum staat. Dat verschil in tijd is zichtbaar in de stijl.
De ringen die je in dit fragment ziet — van de draagring en de lotus tot de dierenband, de vissen, de gebundelde planten en de geometrische buitenrand — tonen een daadwerkelijke ring‑voor‑ring‑opbouw die kenmerkend is voor vroege Kushana‑steenhouwwerk. De steenhouwer werkte waarschijnlijk van binnen naar buiten: eerst de constructieve kern, daarna de symbolische zones, en tenslotte de ornamenten en de afhangende rand. Deze concentrische structuur is dus geen algemeen kunsthistorisch principe, maar een direct gevolg van hoe dit specifieke fragment is gemaakt.
Het resultaat is een vroeg, krachtig stuk van een hemelkoepel dat ooit op een pilaar, boven een beeld of een stupa was geplaatst, en waarvan de onderzijde nog steeds de ritmiek en beeldtaal van het Kushana‑Sarnath laat zien.
Kushana: oorsprong en stijl
De Kushana’s waren een dynastie van Centraal‑Aziatische oorsprong die zich in de 1e eeuw CE vestigde in Noord‑India. Hun rijk lag op een kruispunt van culturen: de Iraanse wereld, de Grieks‑Bactrische traditie (uit het gebied dat nu grotendeels Afghanistan is) en de vroege Indiase kunst. Daardoor ontwikkelde zich een stijl die kosmopolitisch is en tegelijk krachtig en ritmisch. Figuren en ornamenten krijgen vaak een duidelijke contour, volumes zijn stevig gemodelleerd, en dieren, planten en symbolen worden weergegeven met een directe, bijna emblematische helderheid.
De Kushana‑koningen gebruikten paraplu’s, baldakijnen en zuilen als tekens van koninklijke status, en die wereldlijke beeldtaal sijpelde door in religieuze contexten zoals Sarnath.
De sobere Gupta‑chatra boven de Boeddha
De chatra boven de Boeddha in het museum is opvallend sober: een gladde, ongedecoreerde schijf die vooral als architectonisch teken van status en bescherming fungeert. Dat past bij de Gupta‑stijl (4e–6e eeuw CE), waarin de kosmische en florale ornamentiek niet op de chatra zelf wordt aangebracht, maar wordt verplaatst naar het aureool achter de Boeddha. Daar verschijnen de sierlijke patronen, de lichtsymboliek en de verfijnde florale motieven die de Boeddha omgeven. De chatra blijft daardoor bewust eenvoudig, zodat hij de Boeddha markeert zonder hem te overstemmen.
Dit maakt het contrast met de vier eeuwen oudere Kushana‑chatra des te groter: in de Kushana‑tijd lag de betekenis juist in de concentrische decoratie van de paraplu zelf, terwijl de Gupta‑chatra boven het beeld een strakke, koninklijke baldakijn vormt — een teken van eer, niet van ornament.
Door de beperkte zaalteksten raakte ik toen — en nu opnieuw — af en toe in de war. Dat kost nu wat meer tijd, maar het geeft me ook de gelegenheid de objecten beter te bekijken.
De opstellingen in het museum zijn zeker origineel te noemen. Ik zal nog meer collecties zien in deze vakantie, maar deze blijft me het best bij.
In het museum heb je vaak niet de tijd om heel uitgebreid naar voorwerpen te kijken. Zeker niet als je niet bekend bent met de cultuur en je een museum maar één keer kunt bezoeken. In het Oaxaca Museum of Mexican Prehispanic Art ben ik twee keer geweest. De eerste keer was ik na een tijd zo moe dat ik de tweede helft van de collectie ongezien moest laten. Gelukkig was ik meerdere dagen in Oaxaca en kon nog een keer terug gaan. Maar zover ben ik met mijn blogberichten nog niet.
Soms maak ik foto’s puur en alleen omdat ik de voorwerpen leuk vind. Dat is het geval bij de foto’s in dit bericht.
De beeldjes van de Huasteca-cultuur leken op het eerste gezicht trekpoppen. Dat heeft te maken met de houding en de wijze waarop knie-, arm- en heupgewrichten zijn gemaakt.
De twee containers in de vorm van een hond waren aandoenlijk.
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Figuras de la cultura Huasteca, clásico–posclásico, circa 600 – 1200 d. C.
Compositiefoto met details van de vorige foto.
Context, functie, presentatie
In een ronde vitrine liggen kleine terracottafiguren uit de Huasteca‑cultuur, elk met een eigen houding en hoofdtooi. Op het eerste gezicht lijken ze op trekpoppen, maar hun functie was waarschijnlijk vergelijkbaar met wat wij in Europa kennen als ex‑voto’s: kleine voorwerpen die mensen achterlaten als gebaar van dank, hoop of bescherming. In kerken zie je soms zilveren armen, benen of harten, of foto’s en briefjes bij een Maria‑beeld; deze Huasteekse figuren vervulden een soortgelijke rol binnen een heel andere religieuze wereld.
De variatie in kapsels, sieraden en gezichtsuitdrukking laat zien dat het om persoonlijke objecten gaat, niet om één gestandaardiseerd type. Het museum heeft ze als groep bij elkaar gelegd, maar oorspronkelijk waren het individuele gebaren binnen een rituele praktijk.
Makers en techniek
De kleine terracottafiguren werden niet door gewone mensen gemaakt, maar door gespecialiseerde ambachtslieden die zich toelegden op rituele keramiek. Zij modelleerden de lichamen met de hand, maakten armen en benen apart en boorden de gaatjes voor de beweegbare gewrichten met eenvoudige stokjes. Na het drogen werden de figuren in een veldoven gebakken en soms voorzien van een dunne kleilaag of wat pigment. De variatie in houding, kapsels en sieraden weerspiegelt niet alleen regionale werkplaatsen, maar ook de creatieve vrijheid van de makers. Het zijn kleine, zorgvuldig vervaardigde objecten die ooit een heel eigen plaats hadden binnen de Huasteekse rituele wereld.
Grotere versie?
Tussen de kleine terracottafiguren staat een veel grotere Huasteekse figuur die dezelfde beeldtaal lijkt te gebruiken, maar duidelijk een andere rol heeft gehad. De houding en de beweegbare gewrichten doen denken aan de kleine beeldjes, maar haar schaal en afwerking zijn veel monumentaler. Opvallend is de donkere band rond de heupen, bijna als een soort lendendoek, die het onderlichaam sterk markeert en waarschijnlijk deel uitmaakte van een ritueel kostuum. De hoofdtooi is eveneens bijzonder: hoog, gelaagd en met zorg gemodelleerd, alsof zij een priesteres of rituele danseres voorstelt. Waar de kleine figuren persoonlijke gebaren waren, lijkt deze grotere figuur eerder een centrale aanwezigheid binnen een rituele ruimte te zijn geweest.
Dos recipientes en forma de perro, Michoacán.
Twee dierfiguren
Naast de menselijke figurines staan twee kleine dierfiguren die op het eerste gezicht lijken op miniatuurvaten, maar daarvoor zijn ze eigenlijk te klein: de opening is smal, de inhoud gering en de sculpturale vorm maakt praktisch gebruik onwaarschijnlijk.
Hun diepe zwarte kleur en glanzende huid komen van een reductiebakking, waarbij de klei in een zuurstofarme oven werd verhit en het oppervlak een bijna grafietachtige glans kreeg. Dat geeft de dieren een compacte, bezielde aanwezigheid.
Vergelijkbare zoomorfe vaten bestaan in veel culturen — in China bijvoorbeeld, waar kleine hond‑ of tijgervormige containers een rituele of beschermende rol hadden op huisaltaren of in graven. De Huasteekse voorbeelden lijken een vergelijkbare functie te hebben gehad: symbolische houders die de vorm van een vat combineren met de levende gestalte van een dier, kleine bewakers van wat er ooit in of bij hen werd geplaatst.
– over hoe men ook zonder religieuze voorstellingen toch een versterkend verband realiseert –
In de voorgaande berichten over de tentoonstelling ‘Verso’ kwamen achterkanten, verso’s, aan bod waarop een volledige voorstelling was geschilderd. Het waren vooral drieluiken, maar we hebben ook andere samenstellingen kunnen zien. Die voorstellingen maakten deel uit van het totale programma: alle voorstellingen van het drieluik hadden hun eigen betekenis en versterkten elkaar in de boodschap die de schilders samen met de opdrachtgevers wilden vertellen.
In een volgend deel van de tentoonstelling komen ook andere achterkanten aan bod. Ook deze achterkanten zijn beschilderd, maar bijvoorbeeld voorzien van een floraal motief, met een kleurige grondlaag en letters, verschillende vormen imitatie-steen of uitbundig marmer.
Ook die achterkanten waren niet zonder betekenis. Een wijnrank kon worden gebruikt om de stamboom van de opdrachtgever te tonen tot aan Christus. De letters waren bijvoorbeeld het monogram voor Christus of Maria. De Tien Geboden waren op stenen tafelen aan Mozes gegeven, dus dan is een imitatie-steen logisch. Marmer was duur: niets te veel voor de glorie van God.
In dit bericht komen twee voorbeelden langs: een eerste met imitatie-steen; de tweede met een monogram. Maar saai is het geen moment, want de schilderijen vertellen nog veel meer.
Dyptych uit Wenen
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Meister von Heiligenkreuz, Umkreis, dyptych, Man of sorrows, Virgin and Child, um 1400 – 1410, mischtechnik auf holz. Inv. 1617.
Steenimitatie.
Het tweeluik gold lang als Boheems (Praag en omgeving). Recent onderzoek wijst het echter toe aan de “Missaal‑meester”, een anonieme Weense schilder uit het begin van de 15e eeuw.
Rond beide panelen treffen we een ongewone lijst aan. Duidelijk is dat hier eerst een timmerman aan het werk is geweest: direct rond het schilderij ligt een traditionele omlijsting, en daar omheen is een tweede, veel complexere lijst aangebracht. Die buitenste lijst bestaat uit kleine vakjes met groene tussenschotjes, terwijl de vlakken zelf rood of blauw zijn geverfd. In die vakjes zien we nu nog af en toe tekststroken en lijmresten. Ooit waren alle vakjes gevuld met relieken. De papieren strookjes — de zogeheten cedulae — beschreven de inhoud van elk vakje. De meeste relieken zijn verdwenen, maar de achtergebleven cedulae vertellen ons soms nog iets over de aard van wat daar oorspronkelijk bewaard werd. De reliekruimtes rond de Man van Smarten bevatten relieken die direct met Jezus verbonden waren; de vakjes rond Maria met het Kind bevatten relieken die met haar in verband stonden.
Op de gouden achtergrond is fijn reliëfwerk aangebracht: kleine stippen, cirkels en korte lijntjes die het oppervlak laten glinsteren en structuur geven. Dit reliëf is niet geschilderd, maar met metalen stempeltjes in het bladgoud gedrukt. Voor dit werk was een gespecialiseerde vergulder nodig.
Hij werkte in een later stadium: nadat een timmerman het paneel had voorbereid en de dubbele lijstconstructie had gemaakt, maar vóór de schilder zijn figuren aanbracht.
Het tweeluik is daarmee het resultaat van verschillende ambachtslieden, ieder met een eigen taak en expertise.
De achterzijde van het tweeluik laat twee zaken zien.
Allereerst een etiket van het Kunstmuseum Basel, met het oude inventarisnummer 1617 en de vermelding van een ruil (Tausch 1984). Het label draagt nog de vroegere toeschrijving: “Böhmische Schule um 1360 – Christus als Schmerzensmann und Maria mit dem Kinde.” Het is een tastbare herinnering aan de periode waarin het werk nog als Boheems werd beschouwd, voordat het onderzoek het naar Wenen verplaatste.
Daarnaast toont de achterzijde een geschilderde steenimitatie: een fijn gespikkeld grijs oppervlak dat het hout afdekt. De lichte vegen zijn vermoedelijk beschadigingen in de verflaag. Anders dan bij sommige andere panelen, waar de achterkant een liturgische betekenis draagt, heeft deze achterzijde vooral een praktische functie: een eenvoudige verflaag die het paneel beschermt.
Het tweeluik is daarmee geen werk van één hand, maar het resultaat van een samenwerking tussen verschillende ambachtslieden — timmerman, vergulder en schilder — én een opdrachtgever die de vorm, functie en devotionele invulling bepaalde. Zijn keuzes lagen aan de basis van het geheel en gaven richting aan het werk dat de ambachtslieden uitvoerden.
Twee panelen uit de Nederlanden?
Niederländischer Meister, The gathering of the manna+ Passover, um 1450 – 1460, mischtechnik auf eichenholz. Inv. 655 and 656.
Van rechtsboven naar linksonder± in een muts, in de schoor, in de handen, in het kleed en in een Gebse.
In het Kunstmuseum Basel bevinden zich twee panelen die qua stijl en uitvoering waarschijnlijk in de Nederlanden zijn ontstaan. Ze tonen twee momenten uit het Oude Testament: het verzamelen van het manna en het paasmaal. Beide scènes behoren tot de vaste typologische voorstellingen die in de 15e eeuw opnieuw werden opgepakt, vooral in de kringen van Vlaamse paneelschilders. De verfbehandeling, de aandacht voor detail en de combinatie van goudgrond en kleur wijzen in die richting.
Tegelijkertijd zijn het taferelen die in de christelijke traditie vaak vooruitwijzen naar de eucharistie — het manna als voorafbeelding van het brood uit de hemel, het paasmaal als voorafbeelding van het Laatste Avondmaal.
Deze dubbele gerichtheid maakt de panelen interessant om naast elkaar te bekijken.
De auteur van de tekst op de collectiepagina schrijft over de voorstelling van het verzamelen van het manna. Als opvallend detail noemt hij het mandje dat door de schilder is gebruikt op de voorgrond. Het mandje verwijst naar een vormmotief in de Nederlandse en Duitse blokboeken van de Biblia Pauperum. Maar een dergelijke kuipersbak kan ik daarin niet terugvinden. Een toelichting op deze verwijzing zou wenselijk zijn. Indien er in de blokboeken inderdaad een bakje voorkomt dat qua vorm overeenkomt met de Zwitserse Gebse, zou dat kunnen helpen bij het vinden van een Nederlands of Vlaams equivalent voor het woord ‘Gebse’ en mogelijk zelfs dienen ter ondersteuning van een Nederlandse, Vlaamse of andere toeschrijving van het schilderij.
Op het schilderij wordt het manna overigens op uiteenlopende manieren opgevangen — in een muts, in de schoot, in de handen, in een kleed en in een door een kuiper gemaakte Gebse met hengsel. Sommigen beginnen zelfs onmiddellijk te eten. Die variatie in gebaren en reacties onderstreept het spontane karakter van het wonder: ieder handelt naar zijn eigen impuls, van verwondering tot onmiddellijke behoefte.
De buitenzijde van beide panelen is beschilderd met een herhalend patroon van gouden sterren en het monogram IM (Iesus / Maria) op een rode ondergrond. Ook in gesloten toestand bleef het tweeluik zo een devotioneel object, met een verflaag die niet alleen beschermde, maar ook eer betoonde aan de namen van Jezus en Maria.
Hoewel de twee panelen niet als een fysiek tweeluik zijn geconstrueerd, presenteren ze zich door hun thematiek, schilderwijze en beschilderde achterzijden wél als een samenhangende set. De scènes sluiten inhoudelijk op elkaar aan, de verfbehandeling en kleurstelling bewegen zich binnen hetzelfde stilistische register, en de buitenzijden delen het patroon van sterren en het monogram IM.
Het zijn afzonderlijke schilderijen die, door hun vorm en functie, toch als een paar gelezen kunnen worden.
De plant heb ik al vele jaren. In de koudere maanden staat hij binnen. Als de kou weg is, gaat hij naar buiten op het balkon. Daar heeft hij na 13:00 uur zon zowat tot aan zonsondergang. Ieder jaar komen er knoppen in die prachtig open gaan. De plant bloeit per knop niet heel lang maar al vanaf het moment dat er knoppen dreigen te komen totdat de bloem zich volledig opent, is het spannend.
Aan het puntje van de eerste knop verschijnt het geel van de bloem.
Vanochtend was de knop van de Parodia Magnifica al veel meer op de bloem gericht. Vanaf nu gaat het snel.
Twee beelden uit Sarnath. Gescheiden door minstens 5 eeuwen in de tijd. Elk op hun eigen manier een concentratiepunt van boeddhistische kunst.
Het eerste, een laat‑Pāla‑fragment van Tara, toont een dynamische bodhisattva die optreedt, beschermt en begeleidt: een figuur vol beweging, attributen en subtiele details die uitnodigen tot reconstructie.
Het tweede, een Gupta‑beeld van de Boeddha. Dit is juist opvallend sereen. Geen verhalende ornamenten, geen begeleidende figuren, maar een gestalte die volledig gericht is op het verlichte bewustzijn.
Samen, toevallig door mij gefotografeerd tussen al die andere beelden, vormen ze een tweeluik van handelen en inzicht.
India, Varanasi, Archaeological Museum Sarnath, Tara, 11th century CE, sandstone. Acc. No. 24.
Het verhaal achter Tara
Binnen de laat‑Indiase Vajrayāna‑traditie verschijnt Tara als een krachtige vrouwelijke bodhisattva die staat voor bescherming, compassie en snelle hulp. In teksten uit de Pāla‑periode wordt zij niet als een afzonderlijke godin met een eigen mythologische oorsprong beschreven, maar eerder als een vrouwelijke manifestatie van mededogen, nauw verbonden met Avalokiteśvara. Haar aanwezigheid in Noord‑India vanaf de 8e eeuw weerspiegelt een bredere ontwikkeling binnen het boeddhisme, waarin vrouwelijke figuren een steeds prominentere rol krijgen in rituelen, meditatie en iconografie. In Sarnath, een belangrijk centrum van boeddhistische kunst en leer, werd Tara vaak uitgebeeld als een sierlijke, staande bodhisattva met rijke juwelen, een lotus als attribuut en een entourage van kleinere begeleidsters die haar beschermende en actieve aard onderstrepen.
Duidelijkheden en onduidelijkheden van dit specifieke beeld
Het fragment uit Sarnath toont Tara in een elegante, licht contrapposto‑houding, met een rijk uitgewerkte kroon en sieraden die kenmerkend zijn voor de 11e‑eeuwse stijl. Ze staat op een dubbele lotus, een voetstuk dat in de Pāla‑kunst standaard is voor bodhisattva’s en vrouwelijke godheden: een brede onderste lotus die de basis vormt, en een tweede lotus waarop de godin daadwerkelijk staat. Deze dubbele lotus benadrukt haar verheven maar toch handelende aard — zij staat boven de wereld, maar is er niet van afgescheiden.
Maar het beeld is zwaar beschadigd, waardoor veel iconografische elementen slechts in sporen aanwezig zijn. De armen ontbreken, maar de schouderstand en bevestigingsgaten suggereren dat het oorspronkelijk een complexe, mogelijk vierarmige compositie was — een variant die in de latere Vajrayāna‑kunst voorkomt. Aan de linkerzijde zijn twee schouderzones zichtbaar, wat wijst op een achterste arm; aan de rechterzijde is die volledig verdwenen.
De bloem‑ of sterrozetten boven haar oren lijken niet op de kroonband te rusten, maar op een achterplaat of halo‑basis die nu verloren is gegaan. Die ster is geen toeval: Tārā betekent ‘ster’ in het Sanskriet, een baken in de duisternis, een figuur die richting geeft. In dit fragment verschijnt dat motief niet als deel van een sterrenhemel, maar als onderdeel van haar juwelen — een subtiele echo van haar naam en haar rol als begeleidende bodhisattva.
Rechts naast haar been loopt een verticale stengel met helemaal bovenaan het beeld een klein restant van een krul en onderaan een mogelijk diermotief, heel waarschijnlijk een makara‑lotusstengel. Deze decoratiedie vaker de lotus ondersteunt die Tara in haar hand draagt.
Aan haar voeten staan twee kleine vrouwelijke begeleidsters, miniatuur‑bodhisattva’s of yakṣiṇī‑figuren die haar rol als beschermende en handelende bodhisattva versterken.
Zo blijft het beeld herkenbaar in houding en uitstraling, maar omgeven door fragmenten die uitnodigen tot een zorgvuldige reconstructie van wat ooit een rijk uitgewerkte, devotionele compositie moet zijn geweest.
Buddha in protection giving posture, 5th century CE, sandstone. Acc. No. 342.
Boeddha
Het Boeddha‑beeld uit Sarnath, gehouwen in zandsteen in de Gupta‑periode (5e eeuw), toont een serene, bijna gewichtloze gestalte.
Het hoofd is bedekt met kleine, regelmatige krullen die zich tot een gladde topknot verheffen — het teken van zijn verlichting. De gelaatstrekken zijn volmaakt symmetrisch: gesloten ogen, een zachte glimlach, een neus die vloeiend overgaat in het voorhoofd. De lange oorlellen herinneren aan zijn vroegere wereldse status, maar de uitdrukking is volledig verstild. De gladde huid van het gezicht en de hals contrasteert met de fijn bewerkte halo achter het hoofd, waarin bloemranken en parelbanden het licht als het ware laten uitwaaieren.
De Boeddha staat in een houding van bescherming en geruststelling, met de rechterhand opgeheven in abhaya‑mudrā en de linkerhand die de rand van het gewaad vasthoudt — een dunne, bijna onzichtbare sluier die pas onderaan in plooien zichtbaar wordt.
Zo wordt zijn gestalte niet alleen door licht omgeven, maar lijkt zij zelf een bron van licht te zijn — een lichaam dat niet meer volledig aan de aarde toebehoort, maar haar nog zacht aanraakt.
Opvallend aan dit Boeddha‑beeld is de bijna volledige afwezigheid van verhalende details. Geen begeleidende figuren, geen symbolische attributen, geen decoratieve overdaad — alleen de gestalte zelf, omgeven door een fijn bewerkte halo die het innerlijke licht laat uitwaaieren. Waar veel Indiase beelden uit dezelfde periode rijk zijn aan ornamenten en iconografische verwijzingen, kiest dit werk voor een radicale eenvoud. Het is geen beeld dat een verhaal wil vertellen of een wonder wil tonen, maar een beeld dat volledig gericht is op het verlichte bewustzijn. De gladde huid, de gesloten ogen, de perfecte symmetrie: alles is geconcentreerd op de staat van inzicht die de Boeddha belichaamt. Daardoor krijgt het iets bijna theologisch — een vorm die niet bedoeld lijkt voor een grote devotionele menigte, maar voor de stille blik van iemand die wil begrijpen wat verlichting betekent. Het is een beeld dat niet spreekt, maar stilte onderwijst.
Afsluiting
Wanneer deze twee beelden naast elkaar worden bekeken, ontstaat een onverwachte samenhang.
Tara, wier naam in het Sanskriet “ster” betekent, verschijnt als een baken in de duisternis: een figuur die richting geeft, die optreedt en begeleidt. De Boeddha daarentegen straalt het licht zelf uit — een stille bron die al het handelen ondersteunt.
In het ene beeld is de wereld nog aanwezig, met attributen, stengels, begeleidsters en fragmenten die uitnodigen tot reconstrueren; in het andere is de wereld bijna verdwenen, opgelost in een gestalte die uit licht lijkt gehouwen.
Zo vormen deze twee beelden, toevallig na elkaar gefotografeerd, een tweeluik waarin Boeddha en Tara, licht en ster, elkaar ontmoeten: het inzicht dat alles mogelijk maakt, het handelen dat wijst.
Twee beelden uit Veracruz, door het museum aangeduid als ‘Funerary Figurine’, tonen een houding die zowel ritueel als intiem is. Hun functie is niet met zekerheid te bepalen, maar de vormtaal — de hoofdtooi, de ketting, de voorwerpen in de handen — sluit aan bij wat we kennen van grafgiften uit dezelfde regio en periode. Ze lijken op elkaar, maar spreken elk met een eigen toon: de ene open en bezield, de andere ingetogen en naar binnen gericht. Samen vormen ze een tweeluik dat niet om uitleg vraagt, maar om aandacht: om langzaam kijken, om aanwezig zijn.
Eerste beeld
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Funerary figurine, centre of Veracruz, late preclassic, 1250 BC – AD 200.
Dit beeld, dat als grafgift fungeerde, toont een priester of offerbrenger met opgeheven armen en een open mond, alsof hij een rituele oproep uitspreekt — een rituele figuur waarvan het geslacht niet expliciet is weergegeven. Zijn rijk gemodelleerde haardracht — een krans van opgerolde lokken bekroond door een bloemvorm — vormt een visuele tegenhanger van de open mond en versterkt de bezielde expressie. De verhoogde, nog licht gepigmenteerde pupillen — in dezelfde donkere tint als de mond — geven de blik een opvallende intensiteit. De kralenketting en oorringen onderstrepen zijn ceremoniële status. De gladde, omwikkelde rok heeft voor ons links aan de heupband een kleine uit stekende verdikking om de gestileerde kleding te benadrukken. De natuurlijk gemodelleerde voeten met zichtbare tenen voltooien de statige houding. De sporen van breuk herinneren aan de begrafeniscontext waarin zulke beelden werden geplaatst.
Tweede beeld
Funerary figurine, centre of Veracruz, late preclassic, 1250 BC – AD 200.
Dit tweede beeld uit Veracruz, uit dezelfde periode, vertoont een verwantschap met het eerste maar de expressie lijkt te verschuiven naar een andere toon. De hoofdtooi is geometrisch opgebouwd, met scherpe lijnen en een compacte, opwaartse vorm die de rituele functie van het beeld benadrukt. De houding is vergelijkbaar — de armen licht gebogen, de benen stevig geplant — maar de mond is dieper geopend, met zowel boven‑ als onderlip boogvormig omhoog, waardoor het gezicht een huilende of zingende intensiteit krijgt. In de mond lijkt een donker element te zitten, vermoedelijk een steun die door het museum is aangebracht. De ogen zijn smalle insnijdingen zonder opgelegde pupillen, wat de figuur een ingetogen, verinnerlijkte blik geeft. Rond de hals draagt hij een koord met aan beide zijden één hartvormig ornamentje — mogelijk opgebouwd uit twee taps toelopende kralen — en middenvoor een cluster van ronde vormen dat het sieraad completeert en tegelijk de hals en schouders zichtbaar laat, in tegenstelling tot bij het eerste beeld waar de brede band de hals vrijwel geheel bedekt. De borstpartij is vlak en gespierd, wat de indruk wekt van een mannelijke figuur, al blijft het geslacht niet expliciet weergegeven. In zijn rechterhand houdt hij een eenvoudig cilindrisch voorwerp met vlakke bovenkant en nauwelijks decoratie, terwijl het vergelijkbare object in zijn linkerhand een ingedeukte top en fijne horizontale lijnen vertoont — details die suggereren dat het geen gewoon stuk hout is, maar een ritueel voorwerp met symbolische betekenis. De lendendoek is hoger gebonden dan bij het andere beeld, met een ceintuur met centrale knoop en twee neerhangende uiteinden.
Afsluiting
Samen vormen deze beelden een variatie op hetzelfde ceremoniële thema: twee stemmen binnen één traditie, de ene bezield en open, de andere ingetogen en naar binnen gericht.
In de tentoonstelling Verso verschuift de aandacht gaandeweg van complete drieluiken naar losse panelen. Dat is een interessante overgang, want een dubbelzijdig beschilderd paneel roept al snel de vraag op of het ooit deel uitmaakte van een groter ensemble, zoals een retabelvleugel die geopend en gesloten kon worden. De beschikbare tentoonstellingsinformatie zegt daar niets over, en het paneel van de Meister der Aarhuser Passion biedt zelf ook geen eenduidige aanwijzingen.
De achterkant is niet afgewerkt zoals je bij een retabelvleugel zou verwachten: de lijst is wel beschilderd, maar niet decoratief uitgewerkt, en vertoont beschadigingen, gaten en plakplaatjes. Ook zijn de klampen grof aangebracht en heeft iemand later zijn naam in de rand gekerfd. Dat toont in ieder geval dat de functie van het paneel in de loop van de tijd is veranderd. Wanneer deze ingrepen precies zijn gedaan, weten we niet; ze kunnen uit een periode stammen waarin het paneel al los van een groter geheel circuleerde, of waarin de achterkant simpelweg geen zichtbare rol meer speelde. De constructiesporen zeggen dus minder over de oorspronkelijke configuratie dan over de latere omgang met het object. Juist die onduidelijkheid maakt het paneel interessant binnen Verso: het staat op de grens tussen liturgisch gebruik en latere zelfstandigheid, tussen functie en fragment.
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Meister der Aarhuser Passion, The crowning with thorns; Saint Nicolas of Myra with the three pupils, um 1480, mischtechnik auf eichenholz. Inv. G 1978-98.
Op de achterzijde verschijnt een heel ander verhaal: Sint Nicolaas van Myra met de drie leerlingen. De drie figuren in de ton verwijzen naar het middeleeuwse verhaal over het mirakel waarin Nicolaas drie kinderen tot leven wekt. Zij waren door een herbergier gedood en in een pekelvat gelegd, met de bedoeling hun vlees te verkopen — een wreed detail dat in de Legenda aurea en latere volksverhalen expliciet wordt genoemd. In Duitstalige gebieden werden deze kinderen later opnieuw geïnterpreteerd als scholieren. Dat sluit aan bij de manier waarop Nicolaas in de late middeleeuwen steeds vaker werd gezien als patroon van leerlingen en studenten, en daarom bij devotionele kunst werd aangepast aan de leefwereld van de kijker. Zo pasten kunstenaars en opdrachtgevers het mirakel in een context waarin onderwijs, jeugd en moraliteit een grotere rol kregen.
De voorstelling is eenvoudiger gehouden dan de voorzijde, en de fysieke achterkant toont sporen van praktisch gebruik: ruwe klampen, een onbeschilderde lijst, en de naam FERD. WORTMANN BASEL die later werd aangebracht. Waar de voorzijde een zorgvuldig afgewerkte, beschilderde omlijsting heeft, toont de achterzijde de materiële geschiedenis van het object — precies het soort contrast dat de tentoonstelling Verso zichtbaar wil maken.
Zo vormt dit paneel een dubbel verhaal: een frontale meditatie op lijden en wreedheid, en een verso dat zowel een wonder als een tastbare levensloop van het schilderij zelf bewaart.
Wat in dit paneel opvalt — de grimassende beulen, de overdreven wreedheid, de gebonden handen, de felle kleurcontrasten en zelfs het gruwelijke Nicolaas‑mirakel — sluit aan bij een bredere laatmiddeleeuwse beeldtaal waarin dramatisering een betekenisvolle functie heeft. Het is dezelfde logica die we kennen uit oorspronkelijke volksverhalen en sprookjes: deze verhalen waren niet voor kinderen bedoeld, maar voor volwassenen, en gebruikten expliciete gruwel om gevaar, moraal en rechtvaardigheid zichtbaar te maken. De intensiteit van het lijden, hoe theatraal ook verbeeld, was een manier om het verhaal te laten werken — affectief, didactisch en sociaal. In dat opzicht staat dit paneel niet op zichzelf, maar binnen een grotere traditie waarin wreedheid geen ornament is, maar een vorm van helderheid.
De twee zijden van het paneel van Lucas Cranach de Oudere laten zien hoe tijd, functie en atelierpraktijk zich in één object kunnen ophopen.
Aan de voorzijde staat een vrouw in gebed, ingetogen en precies geobserveerd, geschilderd met de aandacht die Cranach voor zijn devotieportretten reserveerde. Het is geen “pasfoto” in wereldlijke zin, maar een portret dat een vrome houding verbeeldt: een wereldse vrouw die zich in een religieuze context laat afbeelden. Zulke devotieportretten konden heel goed onderdeel zijn van een klein ensemble — een diptiek, een huisaltaartje of een paneel dat omgedraaid kon worden om een heilige te tonen.
Lucas Cranach Der Älte, PortraitO\ of a woman; Saint Catherine (?), um 1508, mischtechnik auf eichenholz. Inv Dep 24.
Die heilige zien we op de achterkant, in een grisaille‑achtige voorstelling die ooit sculpturaal bedoeld was maar door de tijd is teruggekeerd tot hout. De verf is vergaan, de modellering vervaagd, en juist dat onbedoelde effect van de tijd maakt de tegenstelling tussen voor- en achterkant zo sterk: waar de vrouw nog helder en levend aanwezig is, is de heilige bijna verdwenen.
De figuur draagt een zwaard, een sterk maar niet exclusief attribuut van Catharina van Alexandrië; haar kenmerkende wiel ontbreekt, en het boek in haar hand is niet onderscheidend. De identificatie blijft daardoor waarschijnlijk maar niet zeker — precies het soort onzekerheid dat bij grisaille‑buitenzijden vaker voorkomt.
De eenvoud van de voorstelling, deels oorspronkelijk en deels door verval, past bij Cranachs atelierpraktijk rond 1508, waarin zulke monochrome achterzijden vaak door leerlingen werden uitgevoerd. De meester schilderde de voorzijde, de werkplaats verzorgde de sobere sculpturale achterkant.
Samen tonen de twee zijden hoe een devotieobject niet alleen een religieuze functie heeft, maar ook een onbedoelde geschiedenis: een traject van gebruik, slijtage en verlies dat het paneel zelf nooit “bedoeld” heeft, maar dat nu wel de betekenis ervan mede bepaalt. Het contrast tussen de persoonlijke vroomheid op de voorzijde en de verbleekte heilige op de achterkant maakt dit werk tot een stille meditatie over atelier, devotie en vergankelijkheid — precies het soort spanningsveld dat Verso zichtbaar wil maken.
De rit naar Sarnath was met een rickshaw. De chauffeur wilde zo snel mogelijk terug. Een nieuwe klant betekent meer inkomen. Begrijpelijk. maar voor mij is het Archaeological Museum Sarnath net zo belangrijk als de Dharmarajika- en Dhamekh stupa.
Het Archaeological Museum Sarnath begon voor mij bij de galerij 5. Gewoon omdat deze het dichtst bij de ingang van het complex ligt. Maar nu kom ik bij galerij 3. Daar worden de vondsten met betrekking tot de beroemde Ashoka Pillar van Sarnath bewaard. Met het leeuwenkapiteel dat ook op munt- en papiergeld in India staat.
Museumkaartje op mijn telefoon.
Het leeuwenkapiteel op Indiaas munt- en papiergeld.
Het museumgebouw vanaf de kaartverkoop.
Het beroemde leeuwenkapiteel uit Sarnath, is vervaardigd rond 250 v.Chr. in de tijd van keizer Aśoka. Het kwam niet in één keer aan het licht.
De plek werd al in de jaren 1830–1860 bezocht door Britse reizigers en vroege onderzoekers, onder wie Alexander Cunningham, de eerste directeur van de Archaeological Survey of India. Cunningham identificeerde de ruïnes van het oude kloostercomplex en de Dhamekh‑stupa, en hij noteerde de aanwezigheid van grote zuilfragmenten die hij — terecht — aan de tijd van keizer Aśoka toeschreef. Maar systematische opgravingen waren toen nog niet mogelijk: hij kon slechts registreren wat zichtbaar was aan de oppervlakte.
De daadwerkelijke ontdekking van het kapiteel zelf gebeurde later, tijdens de eerste moderne, methodische opgravingen in 1904–1905, uitgevoerd door F.O. Oertel. Zijn team legde de gebroken schacht van de Aśoka‑zuil bloot en vond daarbij de zwaar beschadigde maar herkenbare delen van het kapiteel: de vier rug‑aan‑rug staande leeuwen, de lotusbasis en fragmenten van het Dharmachakra‑wiel. Oertels documentatie maakte het mogelijk om het geheel te reconstrueren en te begrijpen als een hoogtepunt van Maurya‑kunst.
Het kapiteel toont vier rug‑aan‑rug staande leeuwen, symbool van koninklijke kracht en de verspreiding van de dharma in alle richtingen. Oorspronkelijk droeg het de wielvormige Dharmachakra, waarvan resten eveneens in Sarnath zijn gevonden. Uitgevoerd in gepolijst zandsteen uit Chunar, getuigt het werk van uitzonderlijke technische beheersing en stilistische verfijning — de glans van het oppervlak en de ritmische krullen van de manen zijn kenmerkend voor de Maurya‑periode.
Schematische reconstructie van de Ashoka-pillar van Sarnath.
Op de abacus het paard en de chakra.
De stier.
De olifant.
Pieces of the chakra of lion capital, 3rd century BCE, sandstone. Acc. No. 6639 to 6644.
Afdeksteen en zuilfragmenten uit de Śuṅga‑periode
Naast de Aśoka‑zuil werd in Sarnath ook een afdeksteen met bijbehorende zuilfragmenten uit de Śuṅga‑periode (ca. 185–73 v.Chr.) gevonden. Deze elementen maakten deel uit van een stenen omheining die het heilige gebied rond de stupa en de zuil afbakende. De Śuṅga‑tijd ligt ongeveer een eeuw na Aśoka, maar de plek bleef al die tijd een actief pelgrimsoord; lokale gemeenschappen breidden het heiligdom uit met nieuwe architectonische onderdelen. De afdeksteen vormde de bovenrand van de balustrade, terwijl de zuiltjes eronder waren versierd met typische Śuṅga‑motieven: lotussen, geometrische patronen en symbolen van de dharma.
De fragmenten met inventarisnummers 418–420–423 werden tijdens de opgravingen van F.O. Oertel (1904–1905) blootgelegd, in de directe nabijheid van de Aśoka‑zuil. Ze tonen hoe het heiligdom zich in de eeuwen na Aśoka verder ontwikkelde: van keizerlijke monumentaliteit naar een rijk gedecoreerde, door de gemeenschap onderhouden cultusplaats.
Ruiters op leeuwen
Langs de rechterzijde van de afdeksteen is een herhaald motief te zien: een menselijke figuur die een leeuw berijdt, vier keer achter elkaar. Aan de linkerzijde komt dezelfde combinatie drie keer voor. De leeuw staat voor kracht en bescherming, terwijl de ruiter waarschijnlijk een yakṣa, een beschermgeest, verbeeldt. Door het motief ritmisch te herhalen langs de bovenrand van de balustrade ontstaat een levendige omlijsting van het heiligdom, waarin menselijke en beschermende figuren als een processie lijken op te trekken richting de stupa.
Stupa en Dharmachakra
In het midden van de afdeksteen is een stupa afgebeeld, het vroegste symbool van Boeddha’s aanwezigheid. De halfronde koepel rust op een vierkante basis en wordt bekroond door een kleine harmika – het platform waarop het Dharmachakra‑wiel rust. Dat wiel is hier nog schematisch weergegeven: een eenvoudige ovale ring met een verticale as, eerder een idee dan een natuurgetrouwe voorstelling.
Aan weerszijden staan twee figuren in aanbidding, elk met een offerkrans of bloemenbundel. Hun gebaren drukken eerbied uit voor de stupa, die in deze periode het centrale object van devotie was. De voorstelling behoort tot de Śuṅga‑stijl: eenvoudig, frontaal en met nadruk op symbool en ritueel. De ruwe korrel van de zandsteen versterkt het archaïsche karakter van het reliëf, dat de overgang markeert van keizerlijke monumentaliteit naar een meer gemeenschapsgerichte verering.
Gevleugelde figuur met pauwstaart
Aan weerszijden van de stupa met vereerders staat op de afdeksteen een composiet wezen met vleugels, een prachtige pauwstaart, duidelijk zichtbare poten en een menselijk hoofd met een statige, aardse houding. De combinatie van menselijke en dierlijke elementen maakt het een passende figuur binnen de ornamentiek van de Śuṅga‑periode, waar grenswezens vaak de overgang tussen het aardse ritueel en het heilige domein markeren. Ze lijken de processie te begeleiden in een stille, ceremoniële wachtershouding die de devotie op de steen omlijst met mythische waardigheid.
Als afsluiting de hele railing: Coping stone with railing pillars, Sunga period, 185 – 73 BCE, sandstone. Acc. No. 418, 420 and 423.
Begrafenispraktijken: nabijheid in meerdere vormen
In veel culturen in Meso‑Amerika — waaronder de Olmeekse — werd niet iedereen met pracht en praal begraven. Dat is geen uniek Midden‑Amerikaans verschijnsel. Ook elders in de wereld kennen we die verdeling: farao’s en Chinese keizers die al tijdens hun leven aan hun graf begonnen, maar daarnaast talloze gewone mensen die met eenvoudige, kleine begeleidende objecten werden begraven. Bij de Vikingen zien we hetzelfde contrast tussen rijke scheepsgraven en sobere grafvelden; bij de hunebedbouwers bestond de grafuitrusting vaak uit een paar potten, een werktuig, een kleine figuur — tekens van nabijheid, geen monumentale pracht.
Die brede vergelijking helpt om de Meso‑Amerikaanse vondsten beter te begrijpen. De grote ceremoniële centra tonen wel elitegraven met jade, maskers of figuren en/of beeldengroepen, maar de meeste vondsten uit dorpen en nederzettingen bestaan uit kleine, eenvoudig gemaakte beeldjes die een houding, een gebaar of een aanwezigheid vastleggen. Ze zijn niet bedoeld om te imponeren, maar om er te zijn. Dat maakt ze zo menselijk: ze lijken haast terloops gemaakt, met een directe hand, alsof de maker precies wist wat de overledene nodig had — een rustende figuur, een staande gestalte, een teken van gezelschap.
De man met waaier en helm: een rituele rolfiguur
In dat licht krijgt het eerste beeld van vandaag — de man met waaier en helm — een duidelijke plaats. Hij is geen begeleider in de zachte, huiselijke zin zoals de groep vrouwen later in dit bericht. Hij is een rituele rolfiguur: een gestalte die een functie, autoriteit of beschermende aanwezigheid vertegenwoordigt. De waaier met afbeelding is geen ornament maar een attribuut; de helm is geen hoofdtooi maar een ceremoniële kap, zoals we die in veel Preklassieke culturen zien bij sjamanen, rituele assistenten of beschermende figuren. Zijn houding is alert, zijn attributen doelgericht, en toch is ook hij snel en direct gemodelleerd — precies zoals niet‑elitegrafobjecten vaak zijn. Hij vertegenwoordigt geen pracht, maar aanwezigheid: een rol, een functie, een symbolische gestalte die de overledene moest vergezellen.
Mexico, Oaxaca, Museum Mexican Prehispanic Art, Figura Olmecas, Preclasico Medio, 1250 AC – 200 DC, procedentes de Veracruz. Olmeeks figuur, uit de Preklassieke periode (ca. 1250 v.Chr.–200 n.Chr.), afkomstig uit Veracruz.
Is het een helm?
De Olmeekse figuur uit Veracruz toont sporen van zorgvuldige restauratie: de breuklijnen zijn zichtbaar gelaten, waardoor het aardewerk zijn ouderdom en kwetsbaarheid behoudt. In zijn hand houdt hij een kleine ‘waaier’ met een ingekerfde afbeelding, mogelijk een gestileerd gezicht of ritueel symbool dat de status of identiteit van de afgebeelde persoon markeert. Het hoofd is bedekt met een strak aansluitend hoofddeksel dat als een helm oogt, voorzien van knobbels bovenop — een detail dat in Olmeekse kunst vaak wordt geassocieerd met ceremoniële kracht of transformatie. Voor ons blijft dit alles een vraagteken, maar een prachtig beeld is het zeker!
Figuras funerarias del centro de Veracruz, Preclasico tardio, 1250 AC – 200 DC. Grafbeeldjes.
Figura funerarias del centro de Veracruz, Preclasico tardio, 1250 AC – 200 DC. Grafbeeldje.
Grafbeeldjes
In de beschrijving van het museum duikt het etiket “Laat‑Preklassiek” op, maar de jaartallen blijven exact dezelfde als bij het algemene Preklassiek: 1250 v.Chr.–200 n.Chr. Voor veel mensen voelt dat als een vorm van archeologische geheimtaal: alsof er een subtiel onderscheid wordt gemaakt dat je alleen kunt begrijpen als je ingewijd bent. In werkelijkheid zijn deze subperioden — Vroeg, Midden, Laat — geen harde tijdvakken maar zachte, interpretatieve labels die per regio anders worden toegepast.
Musea schuiven daarom soms een object van “Midden” naar “Laat” zonder de datering te veranderen, omdat het qua stijl of functie beter lijkt te passen. Erg wetenschappelijk oogt dat niet: een classificatie die nauwelijks controleerbaar is en voor buitenstaanders eerder verwarring schept dan helderheid. Zo ontstaat een paradox: de termen veranderen, maar de tijd blijft dezelfde.
Tussen die terminologische mist staat een kleine groep van vier vrouwen die onder één beschrijving zijn samengebracht.
Drie van hen liggen op hun buik, met de armen onder het hoofd en het lichaam ontspannen, bijna alsof ze slapen of zich veilig hebben neergevlijd. Het zijn grafbeeldjes, maar hun houding is opvallend alledaags en zacht — een moment van rust dat de overledene moest vergezellen. De zachte rondingen van heupen en rug versterken het idee dat het om vrouwen gaat, rustende gezellen in een grafcontext.
De vierde vrouw daarentegen staat rechtop, met brede heupen en krachtige benen, een gestalte die eerder vitaliteit dan overgave uitstraalt. Met grove maar doelgerichte lijnen die haar aanwezigheid benadrukken.
Waar de liggende vrouwen stilte en kalmte belichamen, vertegenwoordigt de staande figuur kracht en alertheid. Samen vormen ze een intrigerend ensemble waarin rust en energie naast elkaar bestaan, ondanks — of misschien juist dankzij — de museale etiketten die hun datering verhullen achter terminologie.
In veel culturen waren dit soort figuren begeleiders, geen cultusbeelden. Ze moesten aanwezig zijn, niet imponeren. Hun waarde lag in de nabijheid die ze boden, niet in virtuositeit. Dat verklaart waarom ze zo direct en snel lijken te zijn gemaakt: met een paar trefzekere handelingen werd een houding, een gebaar, een aanwezigheid vastgelegd. Het zijn geen monumenten, maar kleine, menselijke tekens van gezelschap in een graf — precies genoeg om de overledene te vergezellen op zijn reis.
Afsluiting
De realiteit is dat ik in deze reeks veel minder objecten per bericht kan behandelen dan in de berichten over bijvoorbeeld de Collectie Anders (tentoonstelling Groninger Museum met 250 objecten, 3 berichten). Dat is niet erg, maar het heeft alles te maken met de manier waarop informatie hier wordt gedeeld: fragmentarisch, summier, soms verhuld achter terminologie, en zelden uitgewerkt in essays of context. De catalogus is prachtig vormgegeven, met paginagrote foto’s in de gekleurde belichting van het museum, maar biedt nauwelijks houvast voor wie de objecten wil plaatsen in hun cultuur of tijd. Daardoor moet ik meer controleren, meer vergelijken, meer terugvallen op Copilot en op de schaarse gegevens die wel beschikbaar zijn.
Voor mensen die net beginnen met deze wereld maakt dat de kennismaking minder vanzelfsprekend: je moet eerst door de laag van termen, stiltes en ontbrekende context heen voordat je de objecten echt kunt zien.
Maar misschien is dat ook precies wat deze beeldjes vragen — dat je langzaam, aandachtig, en met enige vasthoudendheid naar ze toe groeit.
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso. De eerste vleugel van een set van twee: Hans Fries, The beheading of St John the Baptist. 1514, öl auf nadelholz. Inv. 224, paneel 2 is inv. 225. De overige voorstellingen zijn St John the Baptist condemnation of Herod, St John the Evangelist in the cauldron, St John on Patmos.
Wat we zien
Kunstmuseum Basel toont twee zijvleugels met voorstellingen rond Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. De moeite waard om naar te kijken. Typisch laatgotische kunst uit Zwitserland. Maar ik vond dat wat we er niet konden zien wel helemaal bijhoren.
Wat we niet zien
De centrale voorstelling die bij de twee vleugels hoort is niet aanwezig maar was ook geen eenvoudig paneel. Op de collectiesite van Kunstmuseum Basel wordt het als volgt toegelicht:
Beide Flügel flankierten einen Mittelschrein mit Skulpturen, der Maria mit dem Kind zwischen den beiden Johannes zeigte. Darunter befand sich eine Predella mit Heiligenbüsten (u. a. Petrus und Paulus), darüber eine Noli-me-tangere-Gruppe zwischen den hll. Stephanus und Laurentius. Das Retabel wurde 1514 von dem Komtur Peter von Englisberg in Auftrag gegeben. Die Flügel sind auf der linken Innen- sowie auf der rechten Aussenseite signiert und datiert. Um 1712 wurde der spätgotische Altar auseinandergenommen und durch einen barocken ersetzt. Die Skulpturen befinden sich zum Teil noch heute vor Ort.
In het Nederlands:
Beide vleugels flankeerden een middenschrijn met sculpturen, waarop Maria met het kind tussen de twee Johannesfiguren was afgebeeld. Daaronder bevond zich een predella met heiligenbustes (onder andere Petrus en Paulus), daarboven een Noli-me-tangere-groep tussen de heiligen Stefanus en Laurentius. Het retabel werd in 1514 in opdracht gegeven door de commandeur Peter von Englisberg. De vleugels zijn gesigneerd en gedateerd op de linker binnenzijde en de rechter buitenzijde. Rond 1712 werd het laatgotische altaar uit elkaar genomen en vervangen door een barok exemplaar. Een deel van de sculpturen bevindt zich nog altijd ter plaatse.
Het woord ‘middenschrijn’ verdient extra aandacht. In het midden, dus tussen beide vleugels, bevond zich geen centraal schilderij. Tussen de vleugels was een diepe, kastvormige ruimte met onder andere een beeldengroep: Maria met kind tussen Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.
Heel precies: in het midden zag je, van boven naar beneden:
Boven: Een Noli‑me‑tangere‑schilderij, met de verrezen Christus als tuinman, geflankeerd door de heiligen Stefanus en Laurentius. Stefanus en Laurentius staan er niet als deel van het verhaal, maar als diaken‑martelaren die de verrijzenis van Christus liturgisch omlijsten en het heiligenprogramma van het retabel verbreden.
Daar onder: Maria met het kind, tussen Johannes de Doper en Johannes de Evangelist — de beeldengroep in de middenschrijn.
Helemaal onderaan: Een predella, een strook met kleinere schilderijen onder aan een altaar, hier met een rij kleine heiligenvoorstellingen, waaronder Petrus en Paulus.
Een vraag over wat we niet zien
De museumtekst zegt nog iets interessants:
Die bemalten Flügel wurden beschnitten, so dass von dem links oben erscheinenden Apokalyptischen Weib im Bild des Johannes auf Patmos nur noch die untere Hälfte erhalten ist.
In het Nederlands:
De beschilderde vleugels zijn bijgesneden, waardoor van het Apocalyptische Vrouw‑beeld dat links boven in de voorstelling van Johannes op Patmos verschijnt, alleen nog de onderste helft bewaard is gebleven.
Het museum vermeldt dat de Patmos‑voorstelling aan de bovenkant is ingekort, waardoor van de Apocalyptische Vrouw alleen het onderste deel resteert. Op mijn foto zie je linksboven een rode gloed met daarin vormen die plooien rond benen/voeten lijken.
Opmerkelijk is dat de keerzijde van hetzelfde paneel — de scène met Johannes in de olieketel — geen zichtbare inkorting vertoont en volledig intact lijkt. Hoe deze twee constateringen zich precies tot elkaar verhouden, blijft een open vraag.
Het programma
De verschillende onderdelen, de vleugels, de Noli‑me‑tangere‑schildering, de beeldengroep en de predella, zijn zorgvuldig tot één geheel samengesteld.
In het retabel vormt Christus de verticale as van het geheel: bovenin verschijnt hij als de verrezen Heer in de Noli‑me‑tangere‑groep, in het midden als kind op Maria’s arm tussen Johannes de Doper en Johannes de Evangelist, en onderaan wordt het geheel gedragen door de predella met apostelenbustes zoals Petrus en Paulus.
De twee Johannes‑figuren op de vleugels omlijsten dit Christocentrische programma: de Doper als degene die zijn komst voorbereidt (links), de Evangelist als degene die zijn leven doorgeeft (rechts).
Hun bekende legendes — de onthoofding van de Doper, de olie‑proef en Patmos bij de Evangelist — kleuren hun persoonlijkheid wel, maar spelen in dit altaar slechts als achtergrond mee; hier staan zij vooral in hun rol als voorloper en getuige rond het leven van Christus.
Wat ik bij het afronden van dit bericht me realiseerde is dat door een tentoonstelling over ‘achterkanten’ we ook voorstellingen te zien hebben gekregen die we normaal niet zien en die misschien helemaal niet meer zo mooi zijn zoals het zwaar beschadigde ‘St John the Evangelist on Patmos’ en eerder al twee panelen van de Meister von Sierentz.
– over nissen, bekroningen, deurstijlen en reliëfs: Gupta‑decoratie uit het Sarnath‑complex –
Veel van de sculpturen in het museum van Sarnath behoren tot de Gupta‑stijl, de verfijnde vormentaal die in de 4e–6e eeuw zowel hindoeïstische, boeddhistische als jaïnistische kunst vorm gaf. In dit bericht over het site‑museum, zie je vooral architectonische fragmenten: deurstijlen, nissen, bekroningen en reliëfs die ooit deel uitmaakten van grotere gebouwen. Sommige tonen duidelijk boeddhistische iconen, andere zijn moeilijker te plaatsen en zouden in theorie ook uit hindoeïstische contexten kunnen komen.
Veel van de fragmenten zijn dus geen zelfstandige beelden, In een site‑museum zie je precies dit soort stukken — de stille restanten van gebouwen die allang verdwenen zijn, maar waarvan de sculptuur nog getuigt van de oorspronkelijke rijkdom. Het zijn fragmenten die je in een nationaal museum zelden aantreft, omdat ze zo sterk verbonden zijn met hun oorspronkelijke plaats: ze markeerden drempels, omlijstten heilige zones, begeleidden de bezoeker van het aardse naar het sacralere domein. Juist in Sarnath, waar de Boeddha zijn eerste onderricht gaf, vormen deze brokstukken een bijna archeologische poëzie: losse stenen die samen een verdwenen architectuur oproepen.
India, Varanasi, Archaeological Museum Sarnath, Gargoyle, 7th century CE. Acc. No. 686.
Regenwaterafvoer
Dit fragment is een regenwaterafvoer uit de stupa‑architectuur: een blok waarvan de voorzijde is vormgegeven als een fabeldier dat het water van het dak liet stromen. De kop is expressief en licht dreigend, precies het soort beschermend wezen dat in boeddhistische bouwkunst vaak de overgang tussen dak en muur markeert. Het dier wordt ook wel een makara genoemd, een mythisch waterwezen dat in deze context de stupa symbolisch beschermt.
De tweede foto toont de praktische constructie: het kanaal bovenaan waar het water doorheen liep, en de stempels die het museum gebruikt om het fragment te registreren. Samen maken ze duidelijk dat dit niet alleen een decoratief element was, maar een functioneel onderdeel van een groter architectonisch geheel.
Face stone, 9th – 10th century CE. Acc. No. 683.
Wandbekleding ?
Dit fragment toont een zorgvuldig bewerkte steen met een ritmisch patroon van vierkanten en bloemmotieven. De vijf uitsparingen in elk vierkant — als de vijf van een dobbelsteen — zijn niet doorboord maar slechts uitgehold, wat erop wijst dat het motief decoratief bedoeld was.
In Indiase kunst kan dit schema verwijzen naar de vijf richtingen of vijf elementen, maar het functioneert hier vooral als ornament dat orde en symmetrie uitdrukt.
Onderaan zijn drie kleine nissen zichtbaar, afwisselend gevuld en leeg. De middelste bevat een reliëf dat nog net herkenbaar is, mogelijk een gestileerde figuur. Die afwisseling tussen leegte en aanwezigheid lijkt bewust gekozen en versterkt het ritme van de compositie.
De bovenrand is ruw en onregelmatig, zonder sporen van bevestiging of afwerking. Dat wijst erop dat de steen geen sokkel was waarop een beeld rustte, maar eerder een deel van een wandbekleding of architectonisch paneel dat ooit in een groter geheel was opgenomen.
Het fragment combineert geometrie, symboliek en ambacht — een stille echo van de verfijnde Sarnath‑stijl uit de 9e–10e eeuw.
Fragment, 6th century CE. Acc. No. 679.
Gestileerde leeuwenkop
Dit architectonische fragment uit de 6e eeuw toont een fijn bewerkte omlijsting met bloem‑ en vlechtmotieven, waarschijnlijk afkomstig van een deur‑ of raamzone. Tussen de geometrische patronen verschijnt een klein gezichtje — een vroege leeuwenkop of kīrtimukha, het beschermende wezen dat in Indiase architectuur vaak boven openingen of op randen voorkomt. Hier heeft het nog een zachte, bijna menselijke expressie, passend bij de serene stijl van Sarnath.
De combinatie van ornament en figuur maakt duidelijk dat dit geen sokkel was, maar een decoratief paneel dat de overgang markeerde tussen binnen en buiten, materieel en spiritueel. Zelfs in dit kleine detail leeft het idee van bescherming en glorie voort — een glimlach in steen die de stilte van het heiligdom bewaakte.
Pediment, 7th century CE. Acc. No. 674.
Kijk eens naar deze bloem!
Dit pedimentfragment uit de 7e eeuw toont een vrouwelijke figuur in een rustige, symmetrische zithouding. Haar linkerhand rust ontspannen op het been, een gebaar dat stabiliteit en kalmte uitdrukt. In de rechterhand houdt zij een bloem, als een presenterend gebaar — alsof zij het attribuut toont, een stille uitnodiging om te zien wat zij draagt.
De hoge haardracht en de sierlijke omlijsting boven haar geven de figuur een verheven, bijna hemelse uitstraling. Samen met de decoratieve band boven haar — als een licht golvende bekroning — suggereert dit dat het fragment ooit deel uitmaakte van een pilaar- of nisbekroning waarin de figuur fungeerde als een gracieus, beschermend aanwezigheidsmotief.
Het is een mooi voorbeeld van de Sarnath‑stijl waarin goddelijke figuren niet nadrukkelijk autoritair worden weergegeven, maar eerder open, mild en uitnodigend, met een attribuut dat hun betekenis zacht maar duidelijk markeert.
Fragment with swastik, 7th century CE. Acc. No. 673.
Swastika of niet?
Waar de haakse lijnen elkaar kruisen, is telkens een klein bloemmotief ingevoegd. Dat detail verzacht niet alleen de geometrie, maar geeft het patroon ook een subtiele draaiing: de bloem lijkt als het ware het knooppunt te laten “ademen”, waardoor de omliggende lijnen visueel gaan roteren. Zo ontstaat vanzelf een swastika‑achtige dynamiek — niet als een expliciet symbool, maar als een optisch effect dat voortkomt uit de wisselwerking tussen strakke geometrie en organische accenten.
Die draaiing herinnert aan een oud, cyclisch principe dat in de Indiase beeldtaal veel voorkomt: het idee dat energie zich niet lineair beweegt, maar in herhalende cirkels, spiralen en terugkerende patronen. De swastika is in dat opzicht geen teken van richting, maar van continuïteit — een visuele metafoor voor het ritme van ontstaan, bestaan en vergaan. In dit fragment is dat principe niet letterlijk uitgebeeld, maar opgeroepen door de manier waarop lijnen en bloemen elkaar in beweging zetten.
Architectural fragment, 6th century CE. Acc. No. 672.
Kīrtimukha‑achtige of bhūtafiguur?
Het gezicht is krachtig en geladen met spanning: de open mond, de opgetrokken wenkbrauwen en de korte, gekrulde baard geven het een levendige, bijna bezwerende expressie. Aan weerszijden van de mond lijken kleine slagtanden te zien — een detail dat het gelaat een afschrikwekkende, beschermende kracht verleent. Zulke tanden komen vaker voor bij kīrtimukha‑achtige figuren of bhūta’s, wezens die de ingang van een heilig domein bewaken.
Samen met het kleine doodshoofd boven op het hoofd vormt dit een beeld van transformatie en bescherming: leven en dood, dreiging en sereniteit in één gezicht verenigd. Het fragment belichaamt zo de Sarnath‑stijl van de 6e eeuw, waarin zelfs ornamenten een rituele intensiteit dragen — niet enkel decoratief, maar geladen met symbolische energie die de ruimte moest zuiveren en beveiligen.
Door jam, 6th century CE. Acc. No. 670.
Kom binnen, je betreedt een heiligdom.
Deze deurstijl uit de 6e eeuw, rijk versierd met figuren en rankmotieven, vormde ooit de ingang van een tempel. De reliëfs tonen kleine, mollige wachters en dansende wezens — yakṣa’s en hemelse figuren — die de drempel bewaken en zegenen. Hun aanwezigheid is niet louter decoratief: zij verbeelden de levenskracht en bescherming die de bezoeker begeleidt bij het betreden van het heiligdom.
De sierlijke krullen aan de rand symboliseren de energie van groei en beweging, terwijl de verhalende scènes in de middenstrook verwijzen naar rituele handelingen en menselijke gebaren van eerbied. Zo wordt de deurstijl zelf een visuele poort tussen wereld en sacrale ruimte, een steen geworden overgang waarin het aardse en het goddelijke elkaar raken.
Face stone, 6th century CE. Acc. No. 666.
Verheffende zuivering
Het gelaat is compact en bijna kikkerachtig van vorm: hoge, boogvormige wenkbrauwen drukken de ronde ogen naar beneden, terwijl een kleine diamant tussen de ogen de symmetrie van het voorhoofd markeert. Onder de neus ligt een snorachtige band die de spanning tussen neus en mond versterkt; daaronder opent zich een brede mond met een ornament of tong die naar buiten lijkt te komen — een typisch kīrtimukha‑motief dat onzuivere krachten verslindt. Rondom het hoofd waaieren golvende krullen uit als manen, waardoor het wezen een dierlijke, bezwerende energie krijgt.
Aan de zijkant duikt een sierlijke zwaan op, de hamsa, symbool van zuiverheid en spirituele onderscheidingskracht. Samen vormen zij een hybride poortwachter: het monster dat zuivert en de vogel die verheft. Zulke motieven sierden architectonische drempels binnen het tempelcomplex — deurstijlen, nissen en bekroningen — en markeerden de overgang naar een heilige zone binnen het gebouw, nog vóór men de eigenlijke cultusruimte bereikte.
Face stone, 6th century CE. Acc. No. 657.
Energie
De Boeddha zit in een rustige, compacte meditatiehouding: één hand rust in de schoot, de andere ligt ontspannen op de knie. Achter hem, binnen de ronde nis, verschijnen twee opvallende vormen die als gestileerde vlammen of vleugelachtige contouren kunnen worden gelezen. Ze sluiten nauw aan tegen het lichaam en lijken de Boeddha als het ware te omlijsten, waardoor een subtiel energieveld ontstaat dat zijn aanwezigheid versterkt. In de Gupta‑tijd functioneren zulke vormen vaak als lotus‑ of aureoolmotieven, ornamentale emanaties die de heilige status van de figuur markeren. In deze kleine nis krijgen ze een bijna beschermende rol: ze maken de Boeddha tot het stille centrum van de compositie en benadrukken dat dit fragment ooit deel uitmaakte van een architectonische drempel binnen het tempelcomplex — een plek waar de overgang naar een meer sacraal domein werd aangeduid.
Afsluiting
Zo ontstaat uit losse stenen een contour van wat Sarnath ooit was: een tempellandschap waarin ornamenten de drempels bewaakten en kleine Boeddha‑nissen de muren tot leven brachten. De reeks in dit bericht vormt de aanloop naar het monument dat alles samenbindt — het leeuwenkapiteel van Ashoka, waar de geschiedenis van de plek zich in één sculptuur verdicht.
Toeval wil dat ik vandaag een begin maak met mijn serie over het Museum of Mexican Prehispanic Art Rufino Tamayo. Rufino Tamayo was een Mexicaanse moderne kunstenaar. Hij werkte voor een deel van zijn loopbaan vanuit New York.
In 2008 maakte ik een bericht in de serie ‘Kunstvaria’ met daarin een afbeelding van een van zijn werken. Dat deed ik nog een keer in 2012, in 2014 en eind vorig jaar.
Dat hij een verzamelaar was van Mexicaanse kunst was mij onbekend. Nu ik in Oaxaca was had ik de kans zijn prachtige verzameling te zien.
Maar vanochtend las ik ook een bericht over de moord op Francisco Leyva, een journalist in datzelfde Oaxaca. Mexico is geen stabiel land. Net als de meeste landen in Midden-Amerika. Een agressieve en corrupte politicus als president in een machtig buurland helpt dan natuurlijk niet.
NU.nl vandaag.
Catalogus van Museum of Mexican Prehispanic Art Rufino Tamayo.
Portret gemaakt door Rafael Doniz van Rufino Tamayo en zijn vrouw Olga Flores.
In de catalogus van het museum geeft Mariana Frenk-Westheim – een van oorsprong Duitse schrijfster en onder andere museumcurator – ons de volgende opdracht:
…open yourselves, open yourselves widely to the beauty and magic of the objects offered here to your eyes and spirit. Let their form and mysteries, their rhythm, their secret sense speak to you.
Do not try to measure or calculate nor to compare art with nature. This art is in no way a servile copy of nature, it has nothing to do with a flat realism devoted to reproduce faithfully the exterior aspect of the object. The exterior aspect is not enough for it. This is an imaginative and visionary art. What you can find here is a second nature, created by man’s phantasy, by his religious thought and his artistic intuition; it is the image of a universe which is nearer to dreams and magic than to daily reality.
Dit is een heel uitdagende opdracht, want het museum heeft gekozen voor een opstelling waarin de beelden radicaal centraal staan:
niet als archeologische vondst (door beperkte zaalteksten)
los van het koloniale kader (ruimte om de beelden te laten spreken)
in een bijna rituele ruimte (felgekleurde belichting)
niet als etnografisch materiaal (de anonieme kunstenaars en hun wereldbeeld staan centraal)
Misschien kun je dat zelf ervaren door een serie van vier foto’s uit de Pink room te bekijken en de zaaltekst die daar bij hoort.
De Nederlandse vertaling van de zaaltekst is:
Midden‑Preklassiek, 1250 v.Chr. – 200 n.Chr. Olmecoïde figuren uit de staat Guerrero, bekend als ‘Xochipala’: in het midden twee jonge figuren; aan de zijkanten drie vrouwelijke figuren, waarvan één een kind voedt; en een kleine, zeer fijn uitgevoerde mannelijke figuur.
In de Pink Room van het Tamayo‑museum staat een vitrine die je niet zozeer iets vertelt, maar je in een bepaalde staat van kijken brengt. De ruimte is zacht roze uitgelicht; de figuren staan dicht bij elkaar, zonder individuele labels, alsof ze samen een ademhaling vormen. Je leest één korte zaaltekst — een datering, een herkomst, een naam van een stijl — en daarna moet je het doen met wat er voor je staat. Kleifiguren uit Xochipala, Midden‑Preklassiek, maar verder geen aanwijzingen.
Je merkt hoe je blik langzaam verschuift:
van zoeken naar informatie naar kijken naar vorm.
de open monden bij alle figuren op één na,
zijn het hoofddeksels of wordt hun haar zo weergegeven,
ze lijken gaatjes in hun oorlel te dragen,
de gebogen armen voor de borst bij de meeste figuren,
de meesten lijken zonder kleding te zijn weergegeven,
sommige lijken mannelijk en andere vrouwelijk,
op de foto met twee figuren heeft de linker een opvallend ronde buik,
de rechtse figuur lijkt borstvoeding te geven,
de typische manier om knie en enkels weer te geven, alsof de kunstenaar weet dat er een gewricht is maar een standaard weergave ervoor hanteert, een ribbel,
de oorspronkelijk gladde huidoppervlakken,
de slijtage die iets van tijd laat zien.
Je weet dat er meer te weten valt, maar het museum houdt die kennis achter, alsof het wil dat je eerst door deze stilte heen gaat. En precies in die stilte begint hopelijk iets te werken: je kijkt langer, aandachtiger, zonder houvast, en de figuren beginnen een eigen aanwezigheid te krijgen — als iets dat zich pas toont wanneer je de behoefte aan uitleg loslaat.
Er zijn twee panelen die vermoedelijk ooit één drieluik vormden in Sierentz. Er wordt aangenomen dat ze gemaakt zijn door één maker. Die wordt daarom de Meester van Sierentz genoemd.
Op het schilderij met de heilige Joris die de draak verslaat staan verschillende taferelen:
op de voorgrond: Joris die de draak doorboort;
rechts erachter: nog eens twee draken en hun nest? met een eerdere prooi en de botten van eerdere maaltijden;
de laag daarachter, links: een prinses die een lam aan een lijn houdt — geen huisdier, maar een verwijzing naar Christus als het Lam Gods. Het kapelletje naast haar bevat vermoedelijk een Mariabeeld, waardoor de scène nog meer Christelijke diepte krijgt. De prinses was het geplande offer voor de draak totdat Joris kwam;
Bijna achteraan: een burcht
Achteraan: de zee
Tegelijk verloopt de hoofdkleur van verschillende tinten groen naar blauw.
We kijken weer niet naar een foto. Het schilderij is een complexe compositie. Zorgvuldig uitgedacht. Net als St Joris van wie wordt aangenomen dat hij niet heeft bestaan. Deze heilige is geen universele goeddoener. Het is een ridder die een jonkvrouw redt. Iemand die meer thuishoort in een ridderroman dan in een kerk.
St George (Sint Joris) is een tegenhanger van St. Martin (Sint Maarten). Over St Maarten schreef een tijdgenoot een boek. Maarten zat in het leger maar wilde geen soldaat worden. Hij wilde mensen helpen, gaf een bedelaar de helft van zijn mantel. Het kleurverloop van groen naar blauw zien we ook op dit paneel. De compositie is minder complex, het delen van de mantel staat centraal.
Zouden de voorstellingen op de twee vleugels ook samenhang vertonen?
Op beide achterkanten staat Christus centraal:
men neemt aan dat de bijna verloren achterkant de hulp bij het dragen van het kruis weergeeft. Dat is de achterkant van het St Maarten-schilderij.
de tweede achterkant toont de kruisafname en het treuren bij het kruis.
Christus staat wel centraal op die panelen maar zijn rol is passief. Het zijn de omstanders die acties ondernemen. Ze nemen zijn lichaam van het kruis en bewenen hem en Simon van Cyrene werd gedwongen het kruis te dragen.
De middeleeuwse heiligen vervullen eenzelfde rol als de historische omstanders rond Christus. Ze helpen Christus bij het uitdragen van het geloof en hebben aandacht voor lijden.
Wat zou de centrale voorstelling van dit drieluik kunnen zijn geweest?
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Meister von Sierentz, Saint Martin cutting his cloak; Remains of a bearing of the cross. Saint George fighting the dragon; The lamentation of Christ under the cross, um 1445 – 1450, mischtechnik auf tannenholz. Inv. 32 – 31.
Detail van stadsmuur.
Verso – Remains of a bearing of the cross.
Saint George fighting the dragon.
Verso – The lamentation of Christ under the cross. Het steeds terugkerend stadsgezicht op de achtergrond is vast ook een van de aanleidingen om deze panelen aan ëën schilder toe te wijzen.