– over hoe men ook zonder religieuze voorstellingen
toch een versterkend verband realiseert –
In de voorgaande berichten over de tentoonstelling ‘Verso’
kwamen achterkanten, verso’s, aan bod
waarop een volledige voorstelling was geschilderd.
Het waren vooral drieluiken,
maar we hebben ook andere samenstellingen kunnen zien.
Die voorstellingen maakten deel uit van het totale programma:
alle voorstellingen van het drieluik hadden hun eigen betekenis
en versterkten elkaar in de boodschap die de schilders
samen met de opdrachtgevers wilden vertellen.
In een volgend deel van de tentoonstelling
komen ook andere achterkanten aan bod.
Ook deze achterkanten zijn beschilderd,
maar bijvoorbeeld voorzien van een floraal motief,
met een kleurige grondlaag en letters,
verschillende vormen imitatie-steen of uitbundig marmer.
Ook die achterkanten waren niet zonder betekenis.
Een wijnrank kon worden gebruikt om de stamboom van de opdrachtgever
te tonen tot aan Christus.
De letters waren bijvoorbeeld het monogram voor Christus of Maria.
De Tien Geboden waren op stenen tafelen aan Mozes gegeven,
dus dan is een imitatie-steen logisch.
Marmer was duur: niets te veel voor de glorie van God.
In dit bericht komen twee voorbeelden langs:
een eerste met imitatie-steen;
de tweede met een monogram.
Maar saai is het geen moment, want de schilderijen vertellen nog veel meer.
Dyptych uit Wenen
Het tweeluik gold lang als Boheems (Praag en omgeving).
Recent onderzoek wijst het echter toe aan de “Missaal‑meester”,
een anonieme Weense schilder uit het begin van de 15e eeuw.
Rond beide panelen treffen we een ongewone lijst aan.
Duidelijk is dat hier eerst een timmerman aan het werk is geweest:
direct rond het schilderij ligt een traditionele omlijsting,
en daar omheen is een tweede, veel complexere lijst aangebracht.
Die buitenste lijst bestaat uit kleine vakjes
met groene tussenschotjes,
terwijl de vlakken zelf rood of blauw zijn geverfd.
In die vakjes zien we nu nog af en toe tekststroken en lijmresten.
Ooit waren alle vakjes gevuld met relieken.
De papieren strookjes — de zogeheten cedulae —
beschreven de inhoud van elk vakje.
De meeste relieken zijn verdwenen,
maar de achtergebleven cedulae vertellen ons soms nog iets
over de aard van wat daar oorspronkelijk bewaard werd.
De reliekruimtes rond de Man van Smarten
bevatten relieken die direct met Jezus verbonden waren;
de vakjes rond Maria met het Kind bevatten relieken
die met haar in verband stonden.
Op de gouden achtergrond is fijn reliëfwerk aangebracht:
kleine stippen, cirkels en korte lijntjes
die het oppervlak laten glinsteren en structuur geven.
Dit reliëf is niet geschilderd,
maar met metalen stempeltjes in het bladgoud gedrukt.
Voor dit werk was een gespecialiseerde vergulder nodig.
Hij werkte in een later stadium:
nadat een timmerman het paneel had voorbereid
en de dubbele lijstconstructie had gemaakt,
maar vóór de schilder zijn figuren aanbracht.
Het tweeluik is daarmee het resultaat
van verschillende ambachtslieden,
ieder met een eigen taak en expertise.
De achterzijde van het tweeluik laat twee zaken zien.
Allereerst een etiket van het Kunstmuseum Basel,
met het oude inventarisnummer 1617
en de vermelding van een ruil (Tausch 1984).
Het label draagt nog de vroegere toeschrijving:
“Böhmische Schule um 1360
– Christus als Schmerzensmann und Maria mit dem Kinde.”
Het is een tastbare herinnering aan de periode
waarin het werk nog als Boheems werd beschouwd,
voordat het onderzoek het naar Wenen verplaatste.
Daarnaast toont de achterzijde een geschilderde steenimitatie:
een fijn gespikkeld grijs oppervlak dat het hout afdekt.
De lichte vegen zijn vermoedelijk beschadigingen in de verflaag.
Anders dan bij sommige andere panelen,
waar de achterkant een liturgische betekenis draagt,
heeft deze achterzijde vooral een praktische functie:
een eenvoudige verflaag die het paneel beschermt.
Het tweeluik is daarmee geen werk van één hand,
maar het resultaat van een samenwerking
tussen verschillende ambachtslieden
— timmerman, vergulder en schilder —
én een opdrachtgever die de vorm, functie
en devotionele invulling bepaalde.
Zijn keuzes lagen aan de basis van het geheel
en gaven richting aan het werk dat de ambachtslieden uitvoerden.
Twee panelen uit de Nederlanden?
In het Kunstmuseum Basel bevinden zich twee panelen
die qua stijl en uitvoering
waarschijnlijk in de Nederlanden zijn ontstaan.
Ze tonen twee momenten uit het Oude Testament:
het verzamelen van het manna en het paasmaal.
Beide scènes behoren tot de vaste typologische voorstellingen
die in de 15e eeuw opnieuw werden opgepakt,
vooral in de kringen van Vlaamse paneelschilders.
De verfbehandeling, de aandacht voor detail
en de combinatie van goudgrond en kleur
wijzen in die richting.
Tegelijkertijd zijn het taferelen die in de christelijke traditie
vaak vooruitwijzen naar de eucharistie
— het manna als voorafbeelding van het brood uit de hemel,
het paasmaal als voorafbeelding van het Laatste Avondmaal.
Deze dubbele gerichtheid maakt
de panelen interessant om naast elkaar te bekijken.
De auteur van de tekst op de collectiepagina
schrijft over de voorstelling van het verzamelen van het manna.
Als opvallend detail noemt hij het mandje
dat door de schilder is gebruikt op de voorgrond.
Het mandje verwijst naar een vormmotief
in de Nederlandse en Duitse blokboeken van de Biblia Pauperum.
Maar een dergelijke kuipersbak kan ik daarin niet terugvinden.
Een toelichting op deze verwijzing zou wenselijk zijn.
Indien er in de blokboeken inderdaad een bakje voorkomt
dat qua vorm overeenkomt met de Zwitserse Gebse,
zou dat kunnen helpen bij het vinden
van een Nederlands of Vlaams equivalent voor het woord ‘Gebse’
en mogelijk zelfs dienen ter ondersteuning
van een Nederlandse, Vlaamse
of andere toeschrijving van het schilderij.
Op het schilderij wordt het manna
overigens op uiteenlopende manieren opgevangen
— in een muts, in de schoot, in de handen, in een kleed en
in een door een kuiper gemaakte Gebse met hengsel.
Sommigen beginnen zelfs onmiddellijk te eten.
Die variatie in gebaren en reacties onderstreept het spontane karakter
van het wonder:
ieder handelt naar zijn eigen impuls, van verwondering tot onmiddellijke behoefte.
De buitenzijde van beide panelen
is beschilderd met een herhalend patroon
van gouden sterren en het monogram IM (Iesus / Maria)
op een rode ondergrond.
Ook in gesloten toestand bleef het tweeluik zo
een devotioneel object, met een verflaag die niet alleen beschermde,
maar ook eer betoonde aan de namen van Jezus en Maria.
Hoewel de twee panelen
niet als een fysiek tweeluik zijn geconstrueerd,
presenteren ze zich door hun thematiek, schilderwijze
en beschilderde achterzijden wél als een samenhangende set.
De scènes sluiten inhoudelijk op elkaar aan,
de verfbehandeling en kleurstelling bewegen zich
binnen hetzelfde stilistische register,
en de buitenzijden delen het patroon
van sterren en het monogram IM.
Het zijn afzonderlijke schilderijen die,
door hun vorm en functie, toch als een paar gelezen kunnen worden.

























































































































































