De weekendkranten (donderdag, vrijdag en zaterdag)
lees ik altijd een paar weken later.
Dan kun je veel achterhaald nieuws meteen overslaan
en zijn veel andere berichten beter te plaatsen.
Zo las ik afgelopen weekend nog het volgende eerbetoon.
Collectie Anders (Collection Different)
Als je de titel zo leest, zonder verdere achtergrond,
dan klinkt het als een titel bedacht door een curator die het gevoel heeft
dat het hoog tijd is dat alles anders moet.
Weg met de gevestigde gewoontes,
alles moet fris, transparant, nieuw en open.
Het klinkt haast als een strijdkreet.
In werkelijkheid gaat het om de verzameling Aziatisch keramiek
van het echtpaar Georges Anders en Netty Bucher.
Een hele mooie, uitgebreide verzameling Chinees porselein
en aardewerk aangevuld met voorwerpen uit Japan en overig Azië.
De tentoonstelling begon in 2024 en loopt nog tot eind van deze maand.
Dus als je een gevoel wilt krijgen bij deze brede collectie
dan kun je nu nog naar het Groninger Museum.
Ze tonen ongeveer 250 stukken keramiek.
Soms probeer ik hier het verhaal van de curator te herhalen.
Ik doe dat dan met mijn selectie uit de aangeboden voorwerpen.
Voor de Collectie Anders doe ik het …anders.
Ik laat gewoon zien wat ik er mooi vond of mij opviel.
Soms vraag ik me af of de standaardisatie van objectbeschrijvingen
niet zijn doel voorbij schiet.
De standaardisatie heeft waarschijnlijk tot doel om een aantal kerngegevens
te verzamelen rond een object.
Die eigenschappen plaats je vervolgens in een afgesproken volgorde
en met min of meer vaste omschrijvingen.
Dus je legt de maker vast en als je die niet weet de cultuur of het land
waaruit het voorwerp afkomstig is,
de functie van het voorwerp,
wanneer het voorwerp gemaakt is,
en bijvoorbeeld waar het gevonden is of van wie je het verworven hebt.
Dat doe je dan bij voorkeur op zo’n manier dat je de methode kunt gebruiken bij
aardewerk, porselein, schilderijen, beelden en gebruiksvoorwerpen.
Maar het eerste doel lijkt me om het voorwerp te kunnen identificeren.
Binnen je collectie maar ook binnen het vakgebied.
Daar gaat het toch vaak mis.
In de collectie Anders zitten tenminste 3 keer 2 voorwerpen met dezelfde omschrijving:
Kom, Majiayao-cultuur en type, laat 4e of vroeg 3e millennium v. Chr. aardewerk, Gansu of Qinghai Provincie, China.
Verderop zag ik het nog een keer bij de Kendi
en bij porselein uit de Jingdezhen-ovens.
Moeten collecties zich niet verplichten om altijd
tot een samengestelde beschrijving te komen die uniek is?
Modern letterorgel
Het boekje van Nico Keuning gaat over de polemiek
in het schrijven van Jeroen Brouwers.
Laat ik maar meteen bekennen dat ik niet eerder iets
bewust gelezen heb van Jeroen Brouwers of Nico Keuning.
Maar een boekje over – plat gezegd – schelden op papier,
sprak me wel aan.
Keuning begint met een briefwisseling met Geert van Oorschot.
Brouwers staat dan nog aan het begin van de ontwikkeling van zijn schrijfstijl
waarin de ‘woordkunst, woordromantiek en woordwellust’ centraal staan.
Na Van Oorschot volgen nog een paar ‘slachtoffers’,
onder andere Rudy Kousbroek en Ronald Plasterk.
Aan het eind van het boek passeert Cliënt E. Busken als voorbeeld
van de richting waarin zijn schrijfstijl zich zou ontwikkelen.
Wat mij betreft is Nico Keuning erin geslaagd te beargumenteren
dat Brouwers de schrijver in evenwicht is gekomen
met Brouwers de polemist.
Het boekje heb ik met veel plezier gelezen en de scherpte
van een aantal boektitels wordt heel duidelijk:
Hamerstukken – met een foto van een pen vermomd als moker;
Restletsels – ‘op een taalrijke manier’;
Bezonken rood – ‘rood de kleur van de dood’.
En de foto op de omslag is daarbij opvallend goed getroffen.
In het boek wordt een film besproken waarop te zien is
dat Kousbroek werkt aan zijn antiek letterorgel.
U heeft hier het resultaat gelezen van mijn moderne letterorgel.
Hopelijk kunt u er iets mee…
Verso: Een drieluik zonder hart
Dat het centrale paneel ontbreekt
is natuurlijk het eerste wat je opvalt bij dit werk.
Zou het in de collectie-opstelling ook altijd worden opgesteld
zoals dat in de tentoonstelling gebeurde?
Maar los van het ontbrekende deel
— en de poging om op basis van de vleugels, hun voorstellingen
en de eerder getoonde drieluiken het programma van het centrale paneel
te reconstrueren —
vielen me nog wat dingen op:
De plooien in de kleding lijken door techniek
en minder door waarneming tot stand gekomen te zijn.
Op sommige plaatsen leidt dat tot vreemde kronkels in de stof.
Terwijl op andere plaatsen, zoals de rode doek om de hals van Jozef
bij de Flight into Egypt, het effect best het idee van een windvlaag oproept.
Op de Adoration of the shepherds was ik op zoek naar Jozef.
De verdwaald aandoende, kabouterachtige figuur op de achtergrond
lijkt nog het meest op de Jozef op de Flight into Egypt.
Op vlucht naar Egypte lopen Jozef en Maria op dit drieluik het drieluik uit (naar rechts).
Op het eerste drieluik in deze serie liepen ze juist de andere kant op,
het schilderij in.
Maria staat drie keer afgebeeld op deze vleugels:
als de verbaasde (?) aanstaande moeder
als trotse moeder die haar kind toont aan de herders
als vluchtende moeder onderweg naar Egypte (de scene is schrijnend actueel).
Maar de aanstaande moeder lijkt me een heel andere vrouw.
Ik heb een fotografische reconstructie gemaakt van de gesloten vleugels
om zo de Annunciation volledig te zien.
Maria en de engel Gabriel lijken elkaar wel aan te kijken.
Maar het interieur van de twee panelen lijkt niet op elkaar afgestemd,
hoewel de tegelvloer wel kan aansluiten.
Kijk zelf ook eens naar deze twee vleugels.
Ooit waren ze één drieluik met het nu verdwenen of onbekende centrale deel.
Je kunt ze gemakkelijk voorbij lopen maar Verso scheen, in ieder geval voor mij,
een heel nieuw licht op de begeleiders van de centrale voorstelling.
India 24/25: Varanasi, dag 2 – Verkenning
De eerste volledige dag in Varanasi.
Het plan was om rond te kijken en om het museum
van de universiteit van Varanasi (Banaras Hindu University) te bezoeken,
het Bharat Kala Bhavan Museum.
Het museum heeft sinds 1990 een Alice Boner gallery.
De naam van deze Zwitserse kunstenares kwam ik ook tegen
in verband met het Museum Rietberg in Zürich.
In de avond kon ik dan naar de Ganga Aarti.
De foto’s die ik die avond maakte neem ik op
in het volgende bericht.
Vandaag de foto’s die in het volle daglicht werden gemaakt.
Ik ben geen boeddhist, geen hindoe, geen moslim.
Maar ik ben geïnteresseerd in die grote godsdiensten, hun verhaal
en hun impact op de cultuurgeschiedenis.
Tijdens deze reis bezoek ik verschillende centra van al deze religies.
Steeds opnieuw probeer ik de dingen te zien die ik al eerder zag,
probeer ik nieuwe zaken te bekijken en alles te begrijpen.
Wetende dat het steeds veel is wat op me afkomt.
Wie mijn blog vaker leest, zal dat herkennen.
Boven op een groot gebouw, aan de ghats in Varanasi,
zag ik deze voorstelling.
Heel dominant voor het gebied.
Wat is de boodschap die dit beeld de bezoekers van de ghats wil meegeven?
We zien een strijdwagen.
Bhagavad Gita
De Bhagavad Gita (“Het Lied van de Heer”)
is een filosofische dialoog van 700 verzen
binnen het grote Indiase epos Mahābhārata.
Het is geen losstaand boek, maar een scène midden in het verhaal,
precies op het moment dat de grote oorlog tussen twee familietakken
— de Pandava’s en de Kaurava’s — gaat beginnen.
De plaats van handeling: de veldslag van Kurukshetra.
Die plaats bestaat vandaag de dag nog steeds als bedevaartsplaats,
maar door de Bhagavad Gita is het belangrijker geworden
dan je op grond van de plek zelf zou verwachten.
Een strijd die niet te ontwijken is
Arjuna, een van de vijf Pandava‑broers, staat klaar om te strijden.
Maar wanneer hij ziet wie er tegenover hem staan
— familieleden, leraren, vrienden —
raakt hij in een diepe morele crisis.
Hij legt zijn boog neer en zegt dat hij niet kan vechten.
Krishna, die zijn wagen bestuurt,
grijpt dat moment aan om hem te onderrichten.
Dat is het moment dat we zien in de strijdwagen:
Arjuna zit achter Krishna
Krishna is de blauwe wagenmenner
De kleine figuur bovenop is Hanuman. Hij beschermt en geeft kracht.
De Gita is dus geen verhaal, maar een gesprek:
een mens die twijfelt, en een god die uitlegt hoe te handelen
zonder innerlijke verwarring.
Een stil beeld van een innerlijke dialoog over plicht, twijfel en inzicht.
In Varanasi, waar de Ganges zelf als symbool van zuivering stroomt,
krijgt dit tafereel een extra laag:
het herinnert eraan dat ware strijd niet buiten,
maar in het bewustzijn wordt uitgevochten.
Een aanmoediging voor de bedevaartgangers.
Wat is de kern van de leer die Krishna bespreekt?
Krishna’s onderricht gaat over drie grote thema’s:
- De aard van de ziel (ātman)
De ziel sterft niet; alleen het lichaam verandert.
Daarom is Arjuna’s angst voor de dood van zijn verwanten
niet het hele verhaal. - Handelen zonder gehechtheid
Je moet handelen volgens je plicht,
maar zonder jezelf te verliezen in de uitkomst.
Het is de intentie die zuiver moet zijn, niet het resultaat. - De vele wegen naar inzicht
Krishna bespreekt een breed scala aan zaken waardoor
de Gita een soort samenvatting is van de Indiase spirituele traditie.
Zoals Arjuna zegt in de Bhagavad Gita:
“Mijn lichaam beeft, mijn mond is droog. Mijn boog glijdt uit mijn hand.”
Bron: Nitya, hoofdstuk 1, verzen 28–30.
Het is precies dat moment van twijfel dat hier boven de ghats is uitgebeeld.
Onder de blik van Ganesha
Boven de deur danst voorspoed.
De olifantsgod, met zijn zachte glimlach,
houdt de chaos buiten — zelfs de draden
lijken zich te buigen voor zijn zegen.
Twee dienaressen wuiven hem toe,
terwijl naast hen twee vissen glanzen,
als waterwezens die geluk bewaken.
En onderaan, haast onopvallend,
zit zijn muis — klein, oplettend, trouw —
alsof ook nieuwsgierigheid
hier een plaats van vrede heeft gevonden.
Onder Shiva
Onder de blik van Shiva lijkt de muur zelf te ademen.
Op een gouden schaal danst hij het ritme van de wereld bijeen,
een beweging die tegelijk schept en oplost.
Achter hem ontvouwen zich andere verhalen:
de stille meditatie van de asceten, de zachte aanwezigheid van Rama en Sita,
kleurvlakken die als echo’s van devotie tegen de wand liggen.
Alles beweegt hier — zelfs wat geschilderd is —
alsof de tempelwand een eigen adem heeft,
een plek waar dans en stilte elkaar moeiteloos vinden.
Hier het Jain‑monument voor de 23e Tīrthankara, Bhagwan Pārśvanāth,
met bovenaan zijn beeld in meditatie
en onderaan het reliëf van koe en leeuw die samen drinken:
een beeld van volmaakte vrede
tussen wezens die normaal elkaars tegenpolen zijn.
Trappen
Op de trappen van de ghats
bereiden priesters hun rituelen voor.
In witte dhoti’s, met strepen heilige as op borst en schouders,
mengen ze offers en gebeden
terwijl het ochtendlicht over de stenen glijdt.
Ze doen dat niet alleen voor zichzelf,
maar vooral voor de pelgrims die hen betalen om namens hen te bidden.
Plastic zakken en bronzen kommen liggen naast elkaar
— een vanzelfsprekende mengeling van oud en nieuw,
van heilig en alledaags.
Moderne street art
Langs de ghats verschijnen soms beelden die niet uit steen of ritueel zijn,
maar uit verf en licht.
Deze drie muurschilderingen — Shiva, een sadhu en Kali —
lijken uit de muur zelf te ademen.
De kunstenaar heeft hun gezichten niet verheerlijkt,
maar tot stilte gebracht:
Shiva met gesloten ogen, haar als stromend water,
de sadhu in rood en as, en dwingende blik,
Kali met vurige drievoudige blik, haar tong rood en scherp.
Samen vormen ze een hedendaagse echo van de stad
— Varanasi als levend altaar,
waar goden en mensen elkaar in verf ontmoeten.
Dit is het Bharat Kala Bhavan Museum.
Het museum verbood het maken van foto’s.
Men vond het erg spannend om een westerse toerist
een kaartje te verkopen en binnen te laten.
Ik moest een locker gebruiken voor mijn rugzak, camera en telefoon.
Bij de toegangscontrole zaten drie medewerkers.
Ieder met zijn of haar eigen functie en bij alle drie ging ik langs.
Alice Boner
Het museum heeft sinds 1990 een Alice Boner‑galerij,
genoemd naar de Zwitserse kunstenares
die jarenlang in Varanasi woonde en er haar onderzoek
naar Indiase miniaturen ontwikkelde.
Haar naam kende ik al van het Museum Rietberg in Zürich,
waar delen van haar nalatenschap worden bewaard,
maar toen had ik nog niet deze context helder.
Pas hier in Varanasi viel alles op zijn plaats:
de stad waar ze werkte, schreef en verzamelde,
en waar haar aanwezigheid nog steeds voelbaar is.
In het stof
In India duiken overal kleine beelden op,
vaak op plekken waar je ze niet direct verwacht.
Ze lijken achteloos neergezet, maar zijn sporen van rituelen
die nog maar net zijn afgerond.
Na een feest of huiselijke verering worden zulke figuren niet weggegooid,
maar eerbiedig achtergelaten
— tussen aarde, potten en verdorde bloemen.
Zelfs in het stof blijft iets van devotie hangen:
een stille echo van het gebed dat hier klonk.
Verso, Tales from the Other Side – Het ritme van een drieluik
Ook in mijn tweede bericht over Verso staat een vroegmodern drieluik centraal.
De curator, Bodo Brinkmann, kiest bewust voor een ‘herhaling’.
Maar het is geen echte herhaling:
- de makers zijn andere kunstenaars dan die van het vorige drieluik
- de schilders van dit werk hebben elk aan hun eigen panelen gewerkt,
niet samen aan één paneel - het centrale paneel heeft hetzelfde thema: de aanbidding door de drie koningen
de heilige familie krijgt daarop meer nadruk, waarop het Christuskind centraal staat
Dat bereikt de schilder door de koningen naar achter te plaatsen - de zijpanelen zijn aan de binnenzijde inhoudelijk vergelijkbaar met het vorige drieluik
Door de twee drieluiken met elkaar te vergelijken ontstaat wel een patroon:
- de belangrijkste voorstelling staat centraal
- verhalen uit het leven van Christus aan de binnenzijde van de vleugels
- heiligen – beschermers en verdedigers van het christelijke geloof –
aan de buitenzijde van de vleugels.
Zo ontstaat er een herhaalbaar patroon, een ritme in de drieluiken.
Interessant om dat bij andere drieluiken te toetsen.
Ook bij dit drieluik zijn de achterkanten belangrijk.
Ze zijn niet allemaal leeg.
Ze zijn beschilderd met voorstellingen.
Voorstellingen die in de kerk vaker zichtbaar waren
dan het centrale paneel of de binnenzijden van de vleugels.
Er zat niet alleen een ritme in de opzet van het drieluik.
Ook het gebruik was deel van een ritueel ritme:
het drieluik was meestal gesloten
met de buitenzijden van de vleugels in het zicht
alleen op speciale feestdagen opende het drieluik zich.
Alleen dan waren het centrale paneel, de donoren
en de aanvullende voorstellingen te zien.
Daarna sloot het drieluik zich weer voor enige tijd.
Als je eenmaal weet dat het drieluik meestal gesloten was,
vallen de buitenzijden anders op.
Op het label van de veiling lees ik:
J.M. Heberle (H. Lempertz Söhne), Köln
Auction 11/5-03
Nr 5
Ankaufer: …….. Basel
Het kraakt bij het Kadaster
Apocalyps
Vandaag mijn laatste bericht over de tentoonstelling
Apocalys, vrees en hoop
in het Huis van het Boek.
Christus met zwaard en lelie
In de Liber Chronicarum van 1493 verschijnt een opmerkelijk
en zeldzaam beeld:
het hoofd van Christus met een zwaard aan de ene kant
en een lelietak aan de andere.
Deze combinatie komt nauwelijks voor in de christelijke iconografie.
Het zwaard staat voor gerechtigheid en oordeel,
de lelie voor zuiverheid en genade.
Samen vormen ze een visuele spanning
die de dubbele aard van Christus samenvat:
rechter én verlosser.
De Neurenbergse werkplaats van Wolgemut en Pleydenwurff
lijkt hier een eigen, theologisch geladen vondst te hebben gedaan
—een beeld dat binnen de apocalyptische context
van Schedels kroniek een uitzonderlijke, bijna emblematische kracht krijgt.
Wat het weer zichtbaar maakt II
Een paar dagen geleden maakte ik een blogbericht over de structuren
die ik tegenkwam tijdens een wandeling door Breda.
Boomschors met schaduw, wolkenpatronen, een gebouw.
Terwijl ik aan het bericht werkte, zat ik op mijn balkon.
Het was tegen tien uur in de avond.
Dat is het moment dat de spreeuwen hun slaapplaatsen
gaan zoeken in de binnenstad.
De bomen aan de singels, het Valkenberg, de bomen op het KMA-terrein.
Dat zijn de typische plaatsen waar je ze kunt waarnemen.
Maar die avond kozen ze een andere route.
Gisteravond zochten ze weer wel een plaats boven de Cingelstraat.
Drie maal drie is zeven
Deze drie titels lieten even op zich wachten.
Niet dat ik ze niet al een paar dagen geleden had uitgelezen.
Maar de warmte gaf me onvoldoende energie om ze te beschrijven.
Ik las liever nog even door in het volgende boekje.
Het zijn drie titels:
- Het wilgenpatroon (The willow pattern)
- Moord in Canton (Murder in Canton)
- Nacht van de tijger (The night of the tiger)
Maar eigenlijk zijn het vier boeken:
Het wilgenpatroon en Moord in Canton zijn volledige Rechter Tie-romans.
Elk met drie verhalen die kunstig in elkaar verweven zijn.
Dat zijn twee boeken.
Nacht van de tijger is slechts één kort Rechter Tie-verhaal.
Daar is de tekst Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk aan toegevoegd.
Deze tekst van Janwillem van de Wetering is ook als zelfstandige titel verkrijgbaar.
Nacht van de tijger bestaat dus uit nog eens 2 boekjes.
Het Wilgenpatroon
Van Gulik gaat in zijn nawoord nog even in op het wilgenpatroon.
Hij kiest bewust voor dit patroon als een thema in zijn roman.
Hij geeft aan dat te doen vanwege de hoge herkenbaarheid ervan
in het westen als “Chinees”.
Dit porseleinmotief werd pas in de 18e eeuw ontworpen in Engeland.
Een Engels bedacht motief in ouder en modern Europees porselein
dat voor het westen het idee van China oproept.
Terwijl het in China het verhaal vertelt, van motieven afkomstig uit het westen
die een plaats krijgen in Chinese porseleinproductie voor de westerse markt.
Rechter Tie is in dit boek president van het hooggerechtshof.
In de hoofdstad heerst een dodelijke epidemie.
Alle mensen die kunnen hebben de stad verlaten en zijn de bergen ingegaan.
De keizer en het hof ook.
Rechter Tie is tijdelijk aangesteld tot gouverneur van de stad.
Hij moet het opruimen van de doden organiseren en de rust handhaven.
Met Ma Joeng en Tsjao Tai lost hij ook nog drie zaken op.
Moord in Canton
Dit is de roman die het dichtst bij keizerlijke paleisintriges komt.
Daar had ik wel naar uitgezien.
Maar in deze roman verplaatst het plot zich naar Canton (Guangzhou).
Het geeft Van Gulik de kans om de lezers bekend te maken
met de handel tussen het Midden Oosten en China.
Een soort parallel met de handel tussen het westen en China
die voor een groot deel ook via Canton verliep.
Van Gulik begrijpt mijn interesse in de paleisintriges wel want hij verwijst
in zijn nawoord naar de historische roman van Lin Yutang:
Lady Wu, keizerin zonder geweten.
Tot nu toe heb ik van deze titel nog geen leverbaar exemplaar kunnen vinden.
Overigens lijkt Lin Yutang nog meer interessante titels te hebben geschreven:
The wisdom of India (net gekocht).
In het begin leest de detectiveroman haast als een reisgids met de kaart,
de waterklok en de bloemenpagode.
Maar al snel neemt Rechter Tie je mee aan de hand.
Nou ja, aan de hand, het is voor het eerst in de serie Rechter Tie-verhalen
dat de rechter bijna radeloos is.
Ook de scherpe tegenstellingen tussen de Arabische handelaren,
de originele lokale bevolking en de Chinese overheersers uit het noorden van China,
nemen bij vlagen veel aandacht weg van het plot.
Voeg daar aan toe dat Tsjao Tai een van de slachtoffers is in dit boek.
Dat alles maakt dat het vervlechten van de verhalen minder slaagt.
Het boek voelt onevenwichtiger dan veel van de andere titels.
Nacht van de tijger
De titel lijkt me ongelukkig gekozen.
Er komt geen levende tijger voor in het verhaal.
Ik vraag me ook af of het beeldje op de omslag (ontwerp Nico Dresmé)
wel een tijger is. Het lijkt me meer een leeuw.
Met regelmaat wordt het kunstvoorwerp dat als illustratie wordt gebruikt
op de omslag ook benoemd in het colofon.
Vaak lees je dan ook tot welke collectie het behoort.
Maar dat ontbreekt in dit deeltje.
Het verhaal speelt zich af in één nacht, tegen een onheilspellend decor
van een aanval op een fort waarin Rechter Tie zich bevindt.
Tie lost alles op, zelfs de belegering, maar niet met de scherpte
die we zo gewend zijn.


Het verhaal lijkt me te snel geschreven, er zijn teveel thema’s
die wel worden genoemd maar niet tot volledige ontplooiing komen.
Van de Wetering en de uitgeverij plaatsen de titel als laatste in de reeks
terwijl in het nawoord Van Gulik expliciet aangeeft dat deze titel
direct volgt op Nagels in Ning-tsjo.
Alles om een extra titel te kunnen slijten. Jammer.
Met deze drie boeken komt een einde aan een hele periode van leesplezier.
Half april begon ik met Robert van Gulik, zijn leven, zijn werk.
Vandaag rond ik het af door kort stil te staan bij de laatste drie deeltjes.
Ik heb de deeltjes met veel plezier gelezen.
De komende tijd zal ik proberen Lady Wu te bemachtigen
maar in de tussentijd zullen er wel andere titels zijn waar ik me mee vermaak.
Wil je soms wolkendoktor worden?
Maak je niet ongerust
Geen wolkendoktor of wolkendokter
ik wil niets van dat alles
Ik zag alleen het avondrood gisteravond
langzaam van kleur veranderen
Tegelijk met de vormen van de wolken
Eigenlijk wachtte ik op de zwermen spreeuwen
die normaal boven het centrum te zien zijn
Maar gisteravond bleven ze weg;
de lucht hield hun plaats open.
Dus bleef ik alleen achter met de wolken
en hun veranderende vormen en kleuren
De tegen de klippen op spelende mens
Ik ben het boek Anatomie van het atelier aan het lezen.
Het is een weergave van een serie lezingen die de kunstenaar William Kentridge
in het kader van de Slade Lectures, begin 2024 gaf aan de Universiteit van Oxford.
William Kentridge is een witte Zuid-Afrikaan.
Hij heeft zijn ateliers in Johannesburg.
Tip:
Als je het boek wilt lezen helpt het
als je werk van William Kentridge gezien hebt.
Het boek is ruim voorzien van afbeeldingen,
maar de relatie tekst - afbeelding
is door de lezer zelf in te vullen.
Dan helpt het een beetje vertrouwd te zijn met zijn werk.
Zijn schrijfstijl is erg prettig: voor een kunstenaar redelijk eenvoudige taal,
redelijk praktisch, in een bij vlagen poëtisch jasje:
Als je een tekening hebt, een landschap, bijvoorbeeld een landschap van Constable, kijken we er misschien drie seconden naar, of tien seconden, of zelfs een minuut. Maar dat zijn onze drie of tien seconden; dat is onze minuut. Maar zodra de tekening in beweging komt – het bewegen van gebladerte, een vogel die door de lucht vliegt – vindt er een verschuiving plaats. De zes seconden waarin de vogel voorbijkomt, behoren toe aan het beeld.
Pagina 38-39.
De titel van dit bericht is uit het voorwoord door Alfred Schaffer.
Het is nog een voorbeeld van de sfeer van het boek.
De vertaling van het boek door Anna Helmers-Dieleman
draagt ook zeker bij aan de leesbaarheid.
Ik heb nu het eerste hoofdstuk gelezen: Dat wat ik getekend heb.
Daarbij heb ik wel hulp nodig gehad om alles te begrijpen wat Kentridge wil zeggen.
Ik los dat op door met Copilot ‘in gesprek’ te gaan over het boek.
Zo heb ik gisteravond nog lang vragen gesteld rond de laatste zin van het hoofdstuk:
Maar de tekeningen en films die ontstaan, zijn niet het tegendeel of het gevilde skelet, maar eerder een fragment ervan, dat wordt geprojecteerd door zijn verlichte schaduw.
Pagina 42.
Tip:
Het boek lijkt me bij uitstek geschikt om als groep studenten
of kunstgeïnteresseerden te lezen.
Dan kun je elkaar ondersteunen bij het vinden
van de kapstokken in de tekst
die voor jouw verduidelijking nodig zijn.
Soms zul je zo'n kapstok helemaal niet snappen
en soms denk je dat je het snapt,
maar dan blijkt het toch anders te kunnen.
Bij uitstek geschikt voor dialoog.
Het is zeker niet alleen verhelderend voor mensen met een beroep
in de beeldende kunsten.
Het is interessant voor iedereen die zich soms vragen stelt over kunst
in de meest brede zin van het woord.
Tijd om weer verder te gaan met lezen.
Mocht je besluiten het boek ook op te pakken dan veel plezier ermee
en misschien kun je laten weten hoe je het ervaart.
Wat het weer zichtbaar maakt
Het warme weer van de afgelopen dagen
levert allerlei interessante structuren op:
de bliksem tegen de donkere wolken van de nacht,
de regendruppels die spatten en verwaaien
van het dak van de buren.
Maar ook de bloemen in de stiltetuin
midden in het centrum van Breda.
De harde schaduw op de boom of muur.
Het groen, het water en de wind in het park.
Een gebouw, en wat voor een!
Opnieuw boven ons, de vormen van de wolken.
Verso, Tales from the Other Side
– een eerste verkenning van de achterkanten van schilderijen –
In Bazel werd een tentoonstelling gehouden over de achterkant van schilderijen:
Kunstmuseum Basel, Verso, Tales from the Other Side.
Heel interessant, dacht ik.
Vooral als je geïnteresseerd bent in de herkomst (provenance) van kunstwerken:
- Wanneer is het gemaakt?
- Hoe is het gemaakt?
- Wie heeft het gemaakt?
- Bij wie is het in bezit geweest door de jaren (eeuwen) heen.
Daarvoor kunnen etiketten op de achterkant van een schilderij van belang zijn.
Etiketten aangebracht door eventuele musea of veilinghuizen.
Soms noteren die veilinghuizen ook wie de aanbieder van het werk was
en wie de uiteindelijke koper.
In een ideale situatie is er dan een complete administratie bijgehouden
met datum van inbreng, van verkoop en van eventueel onderzoek.
Maar de insteek van Kunstmuseum Basel bleek veel breder.
De ‘achterkant’ van een schilderij dat onderdeel is (geweest) van een triptiek
hoeft helemaal niet minder belangrijk te zijn dan de ‘voorkant’.
Sterker nog, op die ‘achterkant’ is dan helemaal geen plaats voor stickers of plakkers.
De tentoonstelling Verso – Tales from the Other Side gaat veel dieper in
op de betekenis en functie van de achterkant van een schilderij.
‘Verso’ is daarbij een goed gekozen titel.
Het is een woord dat in de manuscriptstudie wordt gebruikt
als tegenhanger van ‘Recto’.
Verso is dan de kant die je als tweede leest.
In de term zit geen waardeoordeel verborgen over het belang van het blad.
De tentoonstelling maakt gebruik van werken uit eigen collectie.
Helaas heeft men bij de tentoonstelling geen catalogus uitgegeven
maar er is een website met informatie over de tentoonstelling.
Voor mij was de tentoonstelling spectaculair.
Er waren zoveel goede voorbeelden, perfect in beeld gebracht.
Het eerste schilderij is een triptiek, een schilderij met twee vleugels.
Die vleugels konden open gezet worden zodat de centrale afbeeling zichtbaar werd.
In die stand worden de meeste drieluiken in musea getoond.
Dit werk toont zeven voorstellingen:
- De aanbidding door de Drie Koningen, de centrale voorstelling.
- De persoon die het schilderij betaalde en zijn zonen, linkervleugel, binnenkant, onder
- De echtgenoot van de donor en hun dochters, rechtervleugel, binnenkant, onder
- De aanbidding door de herders, ook op eerder genoemde linkervleugel, binnenkant, boven
- De vlucht naar Egypte, op de eerder genoemde rechtervleugel, binnenkant, boven
- De aankondiging (anunciatie), de engel Gabriël, linkervleugel, achterkant
- De aankondiging: Maria, linkervleugel, achterkant
De centrale voorstelling heeft natuurlijk ook een achterkant.
Al de voorstellingen en achterkanten waren te zien.
India 24/25: Varanasi, dag 1 – Alles Ganges
– over wat je ziet wanneer je vóór het ritueel even de tijd neemt om rond te kijken –
De nachttrein had me naar Varanasi gebracht.
En mooi op tijd.
Het station ligt een eind van de ghats af,
maar mijn hotel was daar juist dichtbij.
Op het station waren voldoende mogelijkheden om verder te reizen.
Ik koos een rickshaw.
Zelfs een rickshaw kan niet tot heel dicht bij de ghats komen.
Vanaf een kruispunt, een paar honderd meter van de rivier af,
mogen ze passagiers meenemen of afzetten.
Op die plaats is het een pandemonium van mensen, voertuigen en koeien.
Het is een fantastisch kleurrijk gezicht met veel kruidige geuren.
Al die verschillende sari’s, al die verschillende mensen,
al die verschillende activiteiten op dat ene kruispunt.
Met een man van de militaire politie die dat allemaal regelt.
In de vijf dagen dat ik er was heb ik dat niet anders meegemaakt.
Hooguit iets minder druk en met maanlicht in plaats van zon.
Het laatste gedeelte moet je dus te voet afleggen.
Google Maps was voorlopig voldoende om me op koers te houden.
Er loopt een brede weg direct naar de ghat,
de trappen naar beneden richting het Gangeswater.
Maar eerst moet je zover zien te komen.
De brede weg is een soort levende markt,
weinig echte kraampjes
maar vooral mensen die op de grond zijn gaan zitten
om er groente, fruit en kruiden te verkopen,
winkels die tegen de pui en aan de rand van de weg
nog wat extra koopwaar hebben staan.
Daartussen allerlei groepen mensen, bedevaartgangers.
De groepen kunnen groot zijn maar het kunnen ook gezinnen zijn.
Of een eenling zoals ik.
De meeste mensen komen natuurlijk uit India.
Sommige westerlingen waren gisteren nog in de flower power sixties.
Overal mannen die je koffer willen dragen, voortduwen, vasthouden.
Het vergt wat doorzettingsvermogen om ze van me af te houden.
Bij de ghat aangekomen volgt het moeilijkste deel
van mijn voettocht.
Dichter bij het hotel wordt Google Maps moeilijker te volgen.
Uiteindelijk moest ik de weg vragen en gelukkig waren er bordjes
met de naam van het hotel.
Ik liep een tijd door een smal straatje dat ‘parallel’ aan de Ganges loopt.
Winkels aan beide kanten, vooral veel stoffen in alle kleuren en souvenirs.
En natuurlijk restaurants en backpackerhotels en hostels.
Het wegdek is ongelijk met hier en daar een plas water
moet je opletten voor bijvoorbeeld de motoren
die gebruik maken van dezelfde straat.
Zoals bijna overal in India zijn er overal mensen om je heen.
De meeste zijn kleiner dan ik ben,
wat prettig is voor het overzicht.
Het duurt niet lang voor je gewend bent
aan wat op het eerste gezicht een chaos lijkt
maar wat een zichzelf sturende drukte zal blijken te zijn
waar iedereen zijn weg vindt.
Het hotel was nog een paar trappen omhoog.
Het was er rustig. Heel vriendelijke mensen.
Zo begon mijn derde bezoek aan Varanasi.
De eerste keer was in 1995, de tweede keer in 2016.
Maar niet eerder zo lang of alleen.
Wie even de tijd neemt om rond te kijken bij de Dashashwamedh Ghat,
zelfs al is het alleen tijdens de voorbereiding van de Aarti,
ontdekt beelden die meer vertellen dan hun eenvoud doet vermoeden.
De godin en haar waterwezens
Bij de Dashashwamedh Ghat, waar iedere avond de Ganga Aarti plaatsvindt,
staat een beeld dat misschien niet uitblinkt door verfijning,
maar zeker door haar directe kracht.
Ganga Devi zit centraal in de afbeelding.
De golvende achtergrond verbeeldt het Gangeswater, de rivier zelf
— waardoor Ganga Devi verschijnt als levende stroom.
In haar rechterhand houdt ze de kamandalu,
de waterkruik die verwijst naar reiniging en spirituele zuiverheid;
in haar andere hand de trishul, de drietand die haar band met Shiva markeert.
Onder haar verschijnt waarschijnlijk een gestileerde makara,
het mythische waterdier dat in volkskunst
vaak tot een visachtige vorm is vereenvoudigd.
Hier niet zo eenvoudig te herkennen door de verse bloemguirlandes,
Boven haar flankeren twee olifantenkoppen het geheel:
geen verwijzing naar Ganesh,
maar symbolen van waterkracht en overvloed.
Zo vormt dit beeld een compacte samenvatting van de rivier als godin
— niet als verheven kunstwerk,
maar als visuele bron van devotie, gemaakt om de massa te raken
en het ritueel te dragen.
Zo’n beeld laat zien hoe volksdevotie haar eigen beeldtaal vormt,
direct, herkenbaar en volledig ingebed in het ritueel van de rivier.
Apocalyps
India 24/25: Delhi, dag 8 – Kotla Feroz Shah en trein station New Delhi
– van een tijdreizende pilaar naar een tempel die werkelijk niets
aan de verbeelding wil overlaten –
Toen ik het complex binnenging was ik nog steeds wat uit mijn doen.
Archeologische ruïnes vragen om context, en die had ik deze keer niet.
Als bezoeker van een complex dat zeven eeuwen oud is,
loop je al snel verloren rond.
Zonder te weten wat het ooit geweest is, blijft wat je ziet betekenisloos:
muren zonder functie, ruimtes zonder verhaal.
Het is hetzelfde gevoel dat je kunt hebben bij Romeinse of Griekse ruïnes
— je ziet vormen, maar je mist het systeem waar ze ooit deel van uitmaakten.
Misschien had ik Feroz Shah Kotla vooraf moeten bestuderen;
nu liep ik er onvoorbereid in,
en dan is het lastig om te begrijpen wat je ziet.
Kotla Feroz Shah is de zogenaamde vijfde stad van Delhi,
gebouwd rond 1354.
Het is een uitgestrekt complex met verdedigingswerken,
een paleis, een moskee, een baoli en zelfs een duivenverblijf.
In het complex staat een speciaal opgetrokken, verhoogde structuur
die Feroz Shah liet bouwen om de Ashokan Pillar uit de 3de eeuw v.Chr.
daar te kunnen plaatsen
— een object dat toen al bijna twee millennia oud was, en dat hier,
op zijn nieuwe sokkel, nog sterker de indruk wekt
dat het door de tijd heen is verschoven.
Veel van de stenen van het complex zijn later hergebruikt
bij de bouw van Shahjahanabad,
waardoor het geheel nog meer aanvoelt als een plek
die door de tijd heen is losgeweekt.
De bewaker die vond dat hij toch echt mijn gids moest zijn,
hielp mijn stemming die dag niet bepaald.
Maar zulke figuren horen er nu eenmaal bij;
elke ruïne heeft zijn eigen menselijke bijvangst.
Alles bij elkaar werd het een soort ‘kliekjesdag’.
Na mijn ochtendwandeling, Feroz Shah Kotla
en mijn eerste solo‑treinavontuur in India
had de rickshawchauffeur nóg een idee: de Akshardham Temple.
Een recent gebouwd tempelcomplex
waar werkelijk alles tot in het uiterste is doorgevoerd:
beelden die nooit alleen staan maar in groepen van tientallen,
voorstellingen van niet één heilig verhaal maar van alle verhalen tegelijk,
hoven en voorhoven die elkaar blijven opvolgen,
vijvers, bibliotheken, restaurants,
en een parkeerterrein van meerdere voetbalvelden.
Het heilige der heilige is een gouden swami.
Het geheel is zo perfect afgewerkt dat er geen enkel beeld een hoekje mist. Voor mij voelt het bijna als een religieuze megastructuur
— overweldigend, totaal —
maar voor de bezoekers blijft het onmiskenbaar
een oprechte religieuze ervaring.
Is watertrappelen ook kunst?
Er hangt een tentoonstellingsposter in mijn kamer.
Bovenaan staat de naam van de kunstenaar.
De rest is een feest van kleur en suggestie.
Suggestie van beweging.
De tekst die erbij staat lijkt aan te geven dat het om
een tentoonstelling van Jean Tinguely gaat in .
Ergens rond november 1986 was die tentoonstelling.
Maar ik heb er nooit bewijs van kunnen vinden dat
die tentoonstelling ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Maar dat maakt niet uit.
Ergens in het begin van de jaren tachtig zag ik zijn fonteinen
voor het eerst: The Stravinsky Fountain bij het Centre Pompidou
in Parijs en de Tinguely Fountain in Bazel.
Op de laatste dag van mijn korte vakantie in Zürich
ging ik vroeg in de ochtend met de trein naar Bazel.
Op dezelfde dag zou ik in de avond de nachttrein terug naar huis nemen.
Maar zover was het nog niet.
Er was nog veel kunst te zien, waaronder de Tinguely Fountain.
Een specifiek onderdeel van die vijver heeft me altijd aangesproken.
Een zwart apparaat dat samen met nog een aantal machines
in die vijver staat.
Het doel van het apparaat is om mijn zijn beentjes,
die aan het eind hoefvormige voetjes lijken te hebben,
het water weg te trappelen.
De motor fier in top.
Alsof het apparaat een kuil aan het graven is.
Moe wordt het apparaat niet (want het is een apparaat).
Dat is maar goed ook, want kleine hoeveelheden water wegduwen
heeft niet zo veel effect in een vijver.
Eigenlijk is dat waar voor alle machines in de vijver:
ze verplaatsen water en toch het wateroppervlak verandert er niet door.
Natuurlijk, er zijn soms druppels te zien, bellen in het water, het regent er,
het borrelt er, het schuimt, soms spat het water uiteen.
Maar je kunt zeggen dat er eigenlijk ook niets gebeurt.
Hoe dan ook, het is er een magische plaats.





















































