– over een ochtend tussen stilte, omwegen en lokaal toerisme –
Op deze zaterdagmorgen ging ik op zoek naar Siri, een van de historische stadscentra van Delhi. Ik ging met de metro naar het station Hauz Khas. Dat ligt ongeveer halverwege tussen Siri en de Hauz Khas-bezienswaardigheden. Die ochtend heb ik veel gelopen, vooral over straten die eigenlijk niet bedoeld zijn voor voetgangers. Net als de meeste straten in New Delhi. Maar natuurlijk kun je overal langs de weg lopen want er zijn miljoenen mensen die gebruik moeten maken van bussen, metro en rickshaws. Die moeten ook een deel van hun reis te voet afleggen.
Metrostation Hauz Khas ligt midden in een parklandschap. Het was er opvallend rustig en stil. Geen geuren van specerijen of vis, geen marktgeluiden. Mooie woningen, brede straten, overal een auto voor de deur die op zaterdagmorgen door personeel worden gewassen.
Een rustige woonwijk tegen Siri Fort met hier wel een stoep.
Restanten van Siri Fort heb ik die ochtend niet gevonden en daarom ben ik rond de middag naar Hauz Khas gelopen. Later werd me duidelijk dat er van Siri eigenlijk maar weinig over is: alleen delen van de oude stadsmuren staan nog overeind. Die zie je nu vooral als decor in de woonwijken, tussen parken, sportvelden en moderne bebouwing.
Hauz Khas is een soort toeristische trekpleister binnen New Delhi. Veel restaurants, modewinkels, souvenirwinkels, een hertenkamp en een serie restanten van een madrasa (school), een tombe en een tuin in de buurt van een groot waterreservoir.
In de middag ging ik weer terug naar Connaught Place. Vandaar was het nog maximaal een half uur lopen naar het hotel. Nog genoeg tijd voor andere indrukken van Delhi.
De archeologische vondsten liggen heel dicht tegen de huizen.
De luchtvervuiling blijft alle dagen in Delhi mijn medereiziger.
Hauz Khas is een naam die waarschijnlijk afgeleid is van het Perzisch waar het Koninklijk waterreservoir betekent.
Er wonen in Delhi ook mensen onder een viaduct.
Ook in de buurt Paharganj worden klanten met spectakel de restaurants binnengelokt.
Bij het hotel was het rustiger al stond er wel een paard in de straat.
De Openbaring van Johannes heeft schrijvers door de eeuwen heen op vreemde gedachten gebracht. Het lijkt wel of Hegseth, Rubio en Vance, dit soort gedachten nog iedere nacht hebben. De originele tekst is niet heel duidelijk en laat veel ruimte voor interpretatie. Ook de auteur staat niet vast. Daar maken mensen grif gebruik van. Het kan niet bloederig genoeg en er wordt niet op een moord meer of minder gekeken. Zelfs de onschuld zelve, de maagd Maria, gaat er op uit om te doden.
Is het lam wel zo onschuldig?
Huis van het Boek, Apocalyps, Afbeeldingen van de Meester van Catharina van Kleef, getijden- en gebedenboek, handschrift, Utrecht, circa 1438.
Bijbel, Nederduits, Keulen, Bartholomaeus de Unkel en Heinrich Quentell voor Johann Helman en Arnold Salmonster in Keulen en Anton Koberger in Neurenberg, circa 1478 – 1479.
Speculum humanae salvationis, handschrift, Keulen, circa 1450 – Maria verplettert de duivel.
Judith en Holofernes.
Jaël vermoordt Sisera.
Carolein Smit, Lam op het boek met zeven zegels, 2026, keramiek met glazuur en goudluster.
Twee metalen beelden in de collectie van Museum Rietberg komen min of meer toevallig bij elkaar in dit bericht.
Ze staan in de presentatie van het museum niet bij elkaar. Ik ben er zeker van dat ik op het moment van fotograferen niet doorhad dat de beelden om dezelfde voorstelling gaan: Tathagata Vairochana. Daarbij wil de titel Tathagata benadrukken dat een figuur een volledig verlichte Boeddha is.
Zürich, Museum Rietberg, Tathagata Vairochana, West Tibet, 14th century CE, messing, Sammlung Berti Aschmann, BA 25.
Tussen de foto’s van het eerste en het tweede Vairochana-beeld maakte ik nog een andere foto. Maar per ongeluk schreef ik daar al eerder een bericht over.
In de boeddhistische kunst van de Himalaya speelt Vairochana vooral een rol binnen het Mahāyāna en het Vajrayāna, tradities waarin Boeddha’s niet alleen historische figuren zijn maar ook symbolische verbeeldingen van inzicht.
Vanaf de 7e eeuw ontstaat in Tibet een beeldcultuur waarin zulke ‘transcendente’ Boeddha’s een vaste plaats krijgen in rituelen, in mandala’s — die als visuele schema’s van het universum functioneren — en in de inrichting van kloosters. Het Vajrayāna gebruikt deze beelden als hulpmiddel bij meditatie en visualisatie: niet om een god te vereren, maar om een bepaalde helderheid van geest op te roepen.
We doen in het Westen vaak alsof zulke boeddhistische beelden iets diepzinnigs of ongrijpbaars verbeelden, maar het mechanisme erachter is eigenlijk heel herkenbaar. Ook wij geven dagelijks vorm aan abstracte ideeën met heel concrete beelden: in reclame, in politiek, in campagnes. Vrijheid krijgt vleugels, zekerheid wordt een schild, een politieke boodschap krijgt een vriendelijk gezicht. In die zin doet een Vairochana‑beeld niets anders: het gebruikt een mensfiguur om dat vorm te geven wat geen vorm heeft — helderheid, inzicht, het moment waarop iets opeens klopt.
Tathagata Vairochana, Tibet, 14th century CE, kupferlegierung, vergoldet, Sammlung Berti Aschmann, BA 26.
Wanneer je naar deze Vairochana‑beelden kijkt in Museum Rietberg, zie je op het eerste gezicht een mens: een lichaam, een gezicht, handen in een bepaalde houding. Maar in de boeddhistische traditie is dat specifieke beeld van de mens vooral een hulpmiddel om dat vorm te geven wat geen vorm heeft — het inzicht dat alles helder wordt wanneer je zonder verwarring kijkt. Daarom wordt Vairochana vaak met licht geassocieerd: niet als een god die straalt, maar als het moment waarop voor de kijker iets ineens helder wordt — alsof er een lamp aangaat.
Laat het licht, maar dan het fysieke licht, nu net de factor zijn die bepaalde hoe ik de foto’s maakte. Het tweede, vergulde beeld van Vairochana stond voor een raam. Het zonlicht dat binnen scheen, maakte een of meerdere frontale foto’s moeilijk. Vandaar dat op de foto van opzij het beeld nog het best te zien is. Van de twee is, ondanks de glans en het licht, voor mij dat laatste beeld het meest sympathiek.
Hazrat Nizam-ud-din Dargah is een dargah (soefischrijn) met omliggende moskeecomplex voor de soefi-heilige Nizamuddin Auliya (1238 – 3 april 1325). Een van de belangrijkste moslim‑soefi‑heiligen van India. Over dit complex had ik gelezen in het boek City of Djinns: A Year in Delhi van William Dalrymple.
Nu ik er vlak bij was, besloot ik te gaan kijken. Het is een plek die duidelijk intensief wordt bezocht door volgelingen. Om er te komen was nog wel een klein avontuur. Het is niet ver van de brede verkeersweg waar ik was en waar ook de uitgang is van Humayun’s Tomb. Op Google Maps lijkt het allemaal heel overzichtelijk. Maar dan ben je er nog niet.
Het complex ligt ingebouwd tussen winkels, bedrijfjes en huizen. Je gaat door een serie van gangen met meerdere routes die allemaal naar het complex lijken te leiden. Dus als je niet oppast, sta je er ook weer snel ver vandaan. Ik liep maar met de andere mensen mee.
De poort, rechts achterin, is een van de punten vanwaaraf je het complex kunt bereiken.
Fotograferen in of bij een gebedshuis van een religie die niet de jouwe is voelt altijd een beetje ongemakkelijk. Daarom heb ik het bij twee foto’s gehouden, beide gemaakt met mijn telefoon.
— over hoe drie kleine verwijzingen naar Khotan mijn lezing van Labyrinth in Lan‑Fang verdiepen —
Khotan wordt een paar keer genoemd in Labyrint in Lan-Fang. Vermoedelijk is dat een poging om deze standplaats van Rechter Tie geografisch te duiden. Lan-Fang is geen historische plaatsnaam van een Chinese grensplaats in het westen van China rond 650 na Christus.
Er bestond wel een Republiek Lanfang (蘭芳共和國 Lánfāng Gònghéguó) van 1777 tot 1884 in het huidige West‑Kalimantan (Indonesië). Dat was een Chinese gemeenschap van mijnwerkers en handelaren buiten China. Een historisch opmerkelijke situatie.
Waarschijnlijk gebruikt Van Gulik die naam omdat het een echte historische naam was, bekend bij sinologen van zijn tijd. Ook omdat die authentiek Chinees klinkt, maar vrij inzetbaar is voor fictie. Het gaf hem de gelegenheid vanuit een Chinees perspectief een sfeer te creëren, typisch voor een betwiste grensstreek zonder de historische ballast van de naam van een bestaande plaats.
Robert van Gulik, Labyrinth in Lan-Fang, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.
Khotan wordt al genoemd op pagina 26
Nog tot voor enkele jaren liep de weg naar Khotan en de andere schatplichtige koninkrijken in het westen door Lan-fang en deze stad was toen een belangrijke stapelmarkt. Maar toen zijn drie oasen langs de woestijnweg opgedroogd en de handelsweg verlegde zich een honderd mijl naar het noorden.
Van Gulik verwijst hier duidelijk naar de Zijderoute.
Hoe liep de zuidelijke Zijderoute
Langs de zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn volgden karavanen die China verlieten een reeks oases die als veilige rustpunten door de woestijn slingerden. Vanuit het oostelijke Miran, met zijn Kushan‑invloeden en kleurrijke muurschilderingen, trokken reizigers westwaarts langs kleinere nederzettingen als Karadong en Endere, plaatsen die bloeiden zolang hun rivieren water voerden en die even snel weer verdwenen wanneer de bedding verschoof. Verderop lag Niya, ooit een levendige gemeenschap waarvan houten documenten en huisraad nu de stille sporen vormen van een oase die door uitdroging werd verlaten. Daarna bereikte men Keriya, een oase die afhankelijk was van een grillige rivier die periodes van voorspoed en verval afwisselde. De route voerde vervolgens naar Yotkan, de oude hoofdstad van het koninkrijk Khotan, waar handelaren en ambachtslieden samenkwamen. Uiteindelijk eindigde de zuidelijke route in het machtige Khotan zelf, beroemd om zijn jade‑rivieren en boeddhistische kloosters, en eeuwenlang het belangrijkste knooppunt voor wie verder wilde reizen naar de oases en steden voorbij de Pamirs, richting het gebied van Samarkand en Buchara.
Khotan wordt ook genoemd op pagina 82 en toont meteen dat ook Rechter Tie zo zijn blinde vlekken heeft:
Woe keek naar zijn schilderijen op de muur. ‘Vijf jaar geleden,’ antwoordde hij, ‘deed ik het eerste kandidaatsexamen. Tot teleurstelling van mijn vader besloot ik mijn studie af te breken en mij geheel aan het schilderen te wijden. Ik werkte onder twee beroemde meesters in de hoofdstad, maar hun stijl lag mij niet.
Twee jaar geleden ontmoette ik toevallig een monnik die helemaal uit Khotan afkomstig was, het schatplichtig koninkrijk in het verre westen. Die man liet mij zijn stijl van schilderen zien, vol leven en felle kleuren. Ik besefte toen, dat onze Chinese kunstenaars die stijl moesten bestuderen om onze nationale kunst te vernieuwen. Ik dacht dat ik misschien een baanbreker kon worden en besloot zelf naar Khotan te trekken.’
‘Persoonlijk ben ik van mening,’merkte de rechter droog op, ‘dat onze nationale kunst volkomen bevredigend is en het ontgaat me wat een barbaars en vreemd volk ons nog kan leren. Maar ik wil niet beweren dat ik een kenner ben. Gaat u door!’
In deze korte dialoog tussen Woe en Rechter Tie laat Van Gulik mooi zien hoe de Tang‑wereld niet alleen een Chinees decor is, maar een kruispunt van culturen. De jonge schilder die zich laat inspireren door een Khotanese monnik staat voor de openheid en nieuwsgierigheid die de Zijderoute mogelijk maakte: ideeën, kleuren en stijlen reisden net zo goed mee als zijde en jade.
Tie’s droge afwijzing — half ironisch, half oprecht — weerspiegelt juist de zelfverzekerde blik van een Confuciaanse magistraat die de Chinese kunst als maat der dingen ziet. Precies in dat spanningsveld, tussen vernieuwing van buiten en de zekerheid van binnen, situeert Van Gulik zijn wereld: historisch geloofwaardig, licht gefictionaliseerd, en altijd gevoed door de stille bewegingen van uitwisseling langs de randen van het rijk.
Dan komt Khotan nog een derde keer in beeld, op pagina 123:
Vele jaren geleden, toen de weg naar het westen nog door deze stad leidde, hebben monniken uit Khotan die tempel gebouwd. Later hebben ze die weer verlaten. De tempel raakte in verval, bewoners uit de buurt haalden de deuren en ander houtwerk weg als brandhout. Maar de prachtige muurschilderingen, door de monniken gemaakt, zijn gebleven.
In de derde passage duikt Khotan opnieuw op, ditmaal als de herkomst van een vervallen tempel waarvan alleen de muurschilderingen nog getuigen van een vroegere bloeitijd. Van Gulik gebruikt dit soort details om de Zijderoute een voelbare diepte te geven: monniken die ooit tot hier reisden, een tempel die gebouwd werd toen de handelsweg nog door de stad liep, en kunst die de tand des tijds beter doorstaat dan de mensen die haar maakten. Het is dezelfde beweging als in de eerdere scènes: Khotan verschijnt telkens als een verre bron van kleur, geloof en vakmanschap, een plek die ooit invloed uitoefende op het Chinese rijk maar nu vooral als echo aanwezig is. Zo verweeft Van Gulik fictie met historische resonantie en laat hij zien hoe culturele uitwisseling langs de randen van het rijk niet alleen handel bracht, maar ook kunst die blijft hangen, zelfs wanneer de route zelf allang is verschoven.
Het is vooral omdat ik de afgelopen tijd zelf bezig ben geweest met Khotan (Yotkan) door het werk van Aurél Stein, dat deze fragmenten me opvielen. Voor een andere lezer zal Labyrinth in Lan-Fang een spannende detective zijn. Tao Gan en Rechter Tie bespreken alle gebeurtenissen met elkaar:
Tao Gan schudde verbijsterd het hoofd. Met een diepe zucht zei hij: ‘Edelachtbare, het komt mij voor dat wij nog nooit tevoren met zo’n groot aantal ingewikkelde problemen tegelijk te maken hebben gehad!’
‘Oppervlakkig gezien lijkt dat zo,’ antwoordde de rechter, ‘Maar feitelijk waren het de plaatselijke omstandigheden die ons zo verward maakten. Nu de verstrikte draden geleidelijk aan ontknoopt raken, komt er een duidelijk patroon tevoorschijn. We hebben ten slotte maar drie werkelijke zaken. Ten eerste, de moord op Generaal Ting. Ten tweede, de zaak Yü contra Yü. Ten derde, de verdwijning van de dochter van Fang, Onze maatregelen tegen Tsjièn Mo, onze ontdekking van het plan van Yü Tsjie en de verklaring van de moord op bestuurder Pan vormen tenslotte d lokale achtergrond…’
Hoe je de zaken ook indeelt, voor mij zes complexe zaken, mooi door Van Gulik tot één verhaallijn geweven. Aan het eind vind Rechter Tie ook nog de richting die hij moet nemen uit zijn midlife-crises. Een verrassende afronding van een van de beste Rechter Tie-romans.
Nu heb ik nog vier titels te gaan in de reeks. Dan heb ik alle Rechter Tie-romans (opnieuw) gelezen.
Huis van het Boek, Apocalyps, Augustinus, La Cité de Dieu, handschrift, Parijs, circa 1475 – 1480.
De marges van het boek zijn ook mooi.
Hartmann Schedel, Liber Chronicarum, Neurenberg, Anton Koberger voor Sebald Schreyer en Sebastian Kammermeister, 12 juli 1493.
Het boek lag een beetje ingewikkeld om er mooi foto’s van te maken.
Het onderste deel van deze foto heb ik ‘schoongemaakt’ zodat de klauw goed zichtbaar is.
Jan van Raadt, Nieuwe Testament ofte alle boeken des Nieuwen Verbonds onses Heeren Jesu Christi, handschrift, 1695.
Gemaakt door een schoolmeester uit Terheijden, vlak bij Breda. Daar moest ik plaats voor maken.
Carolein Smit, De gevallen engel, 2025, keramiek met glazuur.
Stake Out, Daisy Madden-Wells, 2025, aquarel, beits en vernis op hout.
Zürich, Museum Rietberg, Shiva Nataraja, India, Tamil Nadu, Tanjavur, Chola dynastie, 12th century CE, bronze, geschenk Eduard von der Heydt, RVI 501.
Een metalen beeld is iets anders dan een stenen stele, of een schildering op zijde uit Dunhuang of een miniatuur uit Lucknow. Maar ik probeer op dezelfde manier, met dezelfde aandacht te kijken en daarvan hier een kort verslag te doen. Na de miniaturen die in een apart gebouw van Museum Rietberg worden getoond ben ik nog even teruggegaan naar de Shiva Nataraja figuur. Vandaag 9 september 2025 is mijn laatste dag in Zürich. Morgen ga ik naar Basel om vandaar de nachttrein naar huis te nemen.
Buddha Amitayus, Mongolia, 18th century CE, kupferlegierung, vergoldet, email cloisonné. Sammlung Berti Aschmann, BA 34.
Deze Boeddha is niet zo heel oud, maar technisch prachtig. De techniek met emaille (gesmolten fijn-gemalen en gekleurd glas) zal niet iedereen meteen mooi vinden. Hier is het beperkt toegepast en de kleuren zijn zo gekozen waardoor de emaille slechts als accent dient. De Boeddha is in goud weergegeven, alleen details en de toebehoren zijn ge-emailleerd.
De stralenkrans om de Boeddha is prachtig. Zowel in de gevlamde vormen langs de rand als in de opgerolde vlammen licht- en donkerblauw, met roodbruin en wit, en tussen de kleuren dunne, gouden scheidingswandjes en op het centrum een witte kraal.
Het gezicht van de Boeddha is heel stil, in meditatie. De vorm komt tevoorschijn uit het metaal. Er zijn geen extra markeringen of versieringen op het gezicht, geen gekleurde lippen, geen arcering voor de wenkbrauwen, geen edelsteen als stip op het voorhoofd. Zo eenvoudig het gezicht is, zo uitgebreid zijn de versieringen daar omheen.
Bovenop het haar zie je een rijk versierde kroon met ingelegde halfedelstenen. Metalen linten hangen vanaf de kroon tot op de schouders, waar ze opfladderen en spits toelopen. De verlengde oorlellen zijn versierd met een bloemvorm en daaronder een epaulet. Steeds met ingelegde stenen.
Ook om de armen zwieren de linten. In zijn handen, rustend in de schoot van de kleermakerszit, houdt hij een vaas met deksel. De vaas en deksel zijn met een wolkenmotief gedecoreerd, in licht- en donkerblauw emaille. Het is de Kalasha, de lang-leven-vaas.
De Boeddha zit op een dubbele lotustroon. Ook daar komt de emaillering sterk tot zijn recht. De verschillende tinten blauw combineren goed met het goud van de randen die de vormen benadrukken en met het rozerood en wit. Let op de sierlijke gouden lijnen.
Het smelten van glas en het krullen van koper verbinden techniek met spiritualiteit: goud, koper en glas worden één in het symbool van zuiverheid — de lotus.
WordPress gaat steeds meer over op het gebruik van ‘Blocks’. Begrijpelijk vanuit het standpunt van productontwikkeling en de toekomst van het bedrijf. Maar voor gebruikers levert het vooral extra werk op. Ik maak al jaren gebruik van het WordPress platform maar moet weer meer HTML gaan schrijven en CSS. Ik ben geen programmeur maar om mijn blog er uit te laten zien zoals hij dat voorheen deed, ben ik gisteren de hele dag bezig geweest om met CSS mijn tekst er uit te laten zien zoals eerder. Vandaag was het mijn HTML-dag want de Flickr-image methode geeft minder controle over hoe de foto op de blog er uit ziet en de caption die geïntroduceerd is ziet er lelijk uit.
Voor mij is het duidelijk:
geen communicatie met bestaande gebruikers
vernieuwingen in het platform alleen gericht op nieuwe markten
geen conversie door WordPress van bestaande berichten
de beloofde Artificial Intelligence is een lachertje
India kan een heel ingewikkelde ervaring zijn. Om heel veel verschillende redenen. Maar ook omdat je in Delhi een straat kunt oversteken en je je ineens in een heel andere tijd bevinden. Soms lijkt het wel op tijdreizen.
Dit was een eerste keer voor mij. Ik kocht een ticket en kreeg ook een token die ik bij de uitgang van Humayun’s Tomb weer moet teruggeven.
Na het bezoek aan Humayun’s Tomb liep ik naar een oud fort: Purana Qila. Delhi heeft in zijn geschiedenis vele opeenvolgende stadscentra gehad. Tussen de 11e en 20ste eeuw lag bij elk fort ook een stad of stadskern. De restanten van sommige van die oude steden liggen niet op loopafstand bij elkaar.
Zomaar onderweg.
Ons idee van een stad in het Westen is vaak dat een centrum alleen maar groeit, van binnen naar buiten. Eerst was er een dorp, handig aan een rivier. Men bouwde een houten kerk. Er vormde zich een soort van kern met veel houten huizen. Er kwam een kasteel en de houten kerk werd vervangen door een grotere stenen kerk. Dan steeds nieuwe wijken aan de rand. Soms ontstond er een stadsbrand. Dan herbouwde men vaak met steen. Nog meer nieuwe wijken en omliggende gehuchten en dorpen werden opgenomen in de groeiende stad.
India, New Delhi, Khair-ul-Manazil, 1561 – 1562 CE. Tegenover het Purana Qila-complex ligt deze moskee. Plots rustig.
Maar als je geschiedenis nog veel verder teruggaat of er in de tijd heel verschillende machthebbers waren, dan kan het beeld van het ontstaan van een stad radicaal anders zijn. Zo kent Delhi in zijn geschiedenis meerdere stadscentra. Een van de oudere lag bij het fort Purana Qila. Zo is Old Delhi (Shahjahanabad, 1648) de woonkern bij het Red Fort en werd New Delhi, een regeringscentrum, gebouwd door de Britten in de eerste decennia van de 20ste eeuw.
Hieronder een overzicht van forten en steden van Delhi:
Forten zijn meestal behoorlijk groot. Met veel lege ruimte tussen de stenen ommuring. In die grote ruimte staan dan gebouwen die verschillend van leeftijd kunnen zijn. De poorten vallen vaak meteen op.
Dit is de zijkant van de Qila-E-Kuhna Masjid (moskee).
Decoratie bij een van de koepels.
Sher Mandal.
Toegang tot de Baoli of step well, de afgeschermde waterbron in het fort.
De parel van de Keizer is een van de beste Rechter Tie- verhalen.
Het is niet alleen een complexe detective met drie zaken,
het zet je er ook toe aan opnieuw na te denken over
hoelang je doorgaat met het verzamelen van feiten,
hoe snel je kunt overgaan tot het formuleren van theorieën
en hoe je vervolgens met de theorieën omgaat.
Het zijn overwegingen voor iedere rechercheur en politieagent
maar ook voor iedereen die een spreekbeurt moet houden,
een werkstuk moet maken, een project gaat realiseren
of een artikel wil schrijven.
Rechter Tie geeft in De parel van de Keizer
een inkijkje in dat proces bij hem.
Ik moet eerlijk bekennen dat een paar pagina’s voor het einde
van dit boek dit bericht in mijn hoofd er nog anders uitzag.
Maar zoals vaak heeft Van Gulik op het einde
nog een verrassing voor de lezer.
Wat ik op het laatste moment nog gewijzigd heb
kan ik niet vertellen zonder een deel van het verhaal te onthullen.
Dat ga ik natuurlijk niet doen.
Blijft over dat ik nog wil bewijzen hoe Rechter Tie (Van Gulik)
ons nog eens uitdaagt op het vlak van het verzamelen van feiten
en formuleren van mogelijke scenario’s.
Het komt heel duidelijk aan bod op pagina 125 en 126:
Rechter Tie at zijn middagrijst achter zijn schrijftafel gezeten. Hij proefde het eten nauwelijks, hij werd geheel in beslag genomen door de drie moorden. Ja, het onderzoek was nu op het beslissende keerpunt, eindelijk was dan de beweegreden van de moordenaar komen vast te staan. Hij overzag nog eens het snelle verloop van deze zaak. Hij was begonnen met aan te nemen, dat de drijfveer gelddorst was en dat de misdadiger uit was geweest op de parel en het goud. Daarna had hij gelddorst verworpen, omdat hij, jaloezie voor het voornaamste motief houdend, tot de slotsom was gekomen, dat het verhaal van de parel van de keizer alleen een verzinsel was geweest. En thans moet hij ook jaloezie schrappen – althans als voornaamste drijfveer – want nu was komen vast te staan, dat de drijfveer vóór alles was vrouwen te kwellen, onverschillig welke vrouw. Toch nam dat niet weg, dat daarnaast de secundaire elementen ook van belang bleven ter identificatie van de moordenaar; de gelddorst was gebleken uit het stelen van het goud en het knoeien met de weddenschappen, en evenzeer was er jaloezie in het spel.
Maar de voornaamste aanwijzing was de perverse drang van de misdadiger. Dat maakte het een lelijk geval. Want werden personen door die drang bezeten in hun plannen gedwarsboomd, dan zouden ze niet aarzelen tot geweldplegingen over te gaan en zich daarbij niet om de gevolgen bekommeren. Jet aantal verdachten was nu beperkt tot drie hem bekende personen en misschien nog een vierde, vooralsnog onbekende. Hij zuchtte.
Op pagina 145 zijn de ontwikkelingen alweer verder
en dan lezen we:
Na een lange tijd ging hij rechtop zitten en mompelde: “Ja, dat zou wel eens de oplossing kunnen zijn. Alles klopt. Behalve de hoofdzaak: een goede beweegreden!”
Hij leunde achterover in zijn stoel en overdacht de maatregelen, die hij nu zou moeten nemen. De verklaring die hem zo juist was ingevallen, scheen zeer aannemelijk, maar mocht hij handelen alleen op grond van een vaag gevoel? Moest een theorie gebaseerd op logische overwegingen niet de voorrang hebben op wat per slot van rekening slechts een ingeving was? Of kon hij misschien een plan opstellen, dat hem in staat zou stellen, zowel die ingeving als zijn logische gevolgtrekkingen te verifiëren, beide tegelijk? Diep in gedachten bleef hij zitten, werktuigelijk langs zijn lange zwarte baard strijkend.
Op pagina 196 komt dan de vaak twijfelende Confucianist Tie
nog even om de hoek:
Uit het bronzen wierookvat op het altaar stegen blauwe wolken op, hun scherpe geur vulde de kleine hal. Door de rook heen zag de rechter het gelaat van de godin, de lippen geplooid in een vage glimlach.
Hij vouwde zijn armen in zijn wijde mouwen en bleef daar staan, opziend naar het stille gelaat. Hij let de gebeurtenissen van de laatste twee dagen nog eens aan zijn geestesoog voorbijgaan. Er waren vreemde toevalligheden geweest. Maar mocht men eigenlijk ooit van een toeval spreken? Hoe bitter weinig wist hij van wat er in zijn medemensen omging. Hoe zou hij dan ooit aandurven te trachten de Hemelse Machten te begrijpen, die over hun lot beschikten? Hij sprak zacht: “Ge zijt slechts een beeld door mensenhand gemaakt. Maar ge zijt toch een symbool van alles wat wij niet weten, ons niet beschikt is te weten. En daarom buig ik me ootmoedig voor u neer.”
De taal is ouderwets maar de boodschap lijkt me nog springlevend.
Robert van Gulik, De Parel van de Keizer, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.
Huis van het Boek, Apocalyps, Getijdenboek, Parijs, Philippe Pigouchet voor Simon Vostre, 16 september 1498.
Ars moriendi, Leipzig, Conrad Kachelofen, circa 1495.
De vier uterste, Delft, Jacob Jacobszoon van der Meer, 25 maart 1486: De doot en spaert niemant.
Toen ik op de tentoonstelling was heb ik een tijdje gezocht naar de naam van de maker van deze schedel. Maar ik kn geen naam vinden. Copilot denkt dat het om een werk van Carolien Smit gaat net als de eerdere Witjeswand (The Warrior the Dog and the Goat). Maar hiervoor kon ik op de website van Carolien Smit geen bevestiging vinden.
Op de website van Drukwerk in de Marge
zag ik een aankondiging van een nieuw boekje.
Drukwerk in de Marge is een groep margedrukkers
in de meest brede zin van het woord.
Je ziet er mensen die de rol van uitgever vervullen,
die zoeken teksten, zorgen eventueel voor de vertaling,
voorzien het werk van een voorwoord of toelichting,
zoeken een drukker en binder en verkopen het resultaat.
Maar er zijn ook kunstenaars die graag met de hand
een of meerdere druktechnieken beheersen of onderzoeken,
die een onderwerp en een tekst bedenken en maken
en die een boek realiseren met oude persen
of een eenvoudige pers thuis in het atelier.
Tussen de uitgevers en drukkers zitten vele verschillende
beoefenaren van het ambacht van de boekdruk.
Sommigen verkopen hun resultaten via de website van
Drukwerk in de Marge, waar ook veel kennis te vinden is
over het vak.
Lies Prins is een van die mensen en haar boek
Zeepaardjes en wieren verscheen onlangs in een oplage
van zes exemplaren.
Ze legt zelf uit in dit briefje welke technieken ze gebruikt heeft
en wat de papiersoort van de omslag is.
Ik heb het al een paar keer in de hand gehad
en ik zie steeds weer nieuwe dingen.
Als Lies er net zo veel plezier heeft gehad bij het maken
als ik bij het lezen en doorbladeren,
dan hoop ik dat er nog veel projecten volgen.
— over mijn laatste foto’s van miniaturen in Museum Rietberg —
Mijn vierde dag in Zürich. De dag erop ga ik naar Basel om tegen het einde van de dag met de nachttrein terug naar Nederland te gaan. Na de vier miniaturen die ik in deze blog laat zien zou ik nog even de bronzen, koperen en zilveren beelden gaan bekijken. Maar eerlijk gezegd, ik was al behoorlijk moe. De vier miniaturen zijn pareltjes!
Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Reiter mit speer, India, Pahari-gebiet, Kulu, 1775 – 1800, RVO 1240, Legat Alice Boner.
Pahari-gebied
De Pahari‑schilderkunst uit de westelijke Himalaya staat bekend om haar heldere kleuren, verfijnde lijnen en intieme scènes, maar in Kulu krijgt die traditie een eigen, robuustere toon. De afgelegen ligging van het vorstendom lijkt de kunstenaars meer vrijheid te hebben gegeven: figuren worden krachtiger neergezet, de penseelstreek is minder gepolijst maar des te levendiger, en thema’s als ruiters, jagers en goden in beweging komen nadrukkelijker naar voren. In zo’n context krijgt een voorstelling van een ruiter met speer een bijna vanzelfsprekende plaats — niet als hofportret in miniatuur, maar als een energiek, lokaal geankerd beeld waarin de Pahari‑sierlijkheid en de bergwereld van Kulu elkaar raken.
Ruiter en paard
In deze miniatuur uit Kulu lijkt het paard meer een ritmisch motief dan een dier van vlees en bloed. De lange hals en hoekige benen volgen geen biologische regels, maar een sierlijke lijn die de beweging accentueert. De ruiter blijft onverstoorbaar, bijna ceremonieel, terwijl het paard de energie draagt. Zo ontstaat een beeld waarin waardigheid en dynamiek elkaar in evenwicht houden — een typisch Pahari‑moment waarin de werkelijkheid zich voegt naar het ritme van verf en lijn.
Mogulwerkstatt, Ein höfling bringt ein anliegen dar, India, 1560 – 1600, RCD 10, dauerleihgabe Catharina Dohrn.
Hier is Perzië niet ver weg
In deze Mogolminiatuur uit de late zestiende eeuw is de Perzische invloed onmiskenbaar. De verfijnde architectuur, de symmetrische compositie en het sierlijke kleurgebruik verraden de hand van kunstenaars die uit Herat en Tabriz naar de keizerlijke werkplaatsen in India waren gekomen. Maar midden in die formele hofwereld schittert een uitgespreide pauw, een motief dat zowel Perzische elegantie als Indiase symboliek draagt: een teken van pracht, waakzaamheid en koninklijke waardigheid. Het is dus geen zuiver Perzisch werk: de levendige patronen, de verzadigde tinten (blauw, oranje, goud) en de aandacht voor stoffering geven het een eigen, Indiase warmte. De scène – een hoveling die een verzoek aanbiedt – is niet alleen een hofmoment, maar ook een beeld van culturele uitwisseling, waarin de Mogolstijl zich vormt uit de ontmoeting tussen Perzische elegantie en Indiase verbeeldingskracht.
Mogulwerkstatt, Eine frau bindet sich einen turban, India, 1760 – 1780, RIN 2015.220, Ganesha Stiftung.
Verfijning en rust
In deze miniatuur is alles gericht op verfijning en stilte. De vrouwen zitten in een besloten ruimte, omgeven door zachte kleuren en glanzende stoffen; hun gebaren zijn klein, bijna ceremonieel. De schilder speelt met contrasten: het donkere achtervlak laat de lichte huid en transparante sluiers oplichten, terwijl de gouden omlijsting het tafereel tot een kostbaar juweel maakt. Het is een beeld van rust en concentratie, waarin de verfijning van lijn en kleur de intimiteit van het moment draagt.
Urheber unbekannt, Die propheten Daniel und Zacharias mit Mozes und Johannes dem Täufer, India, Awadh, Lucknow, 1770 – 1780, RCD 21, dauerleihgabe Catharina Dohrn.
Vier figuren in drie religies
In deze Awadh‑miniatuur is geen sprake van een ordelijke rij profeten, maar van een gelaagde, bijna visionaire scène. Daniël en Zacharias lijken met elkaar in gesprek, stevig geworteld op de voorgrond, terwijl Mozes en Johannes de Doper hoog boven hen zweven, als verschijningen in een andere sfeer. Die opstelling is theologisch gezien opmerkelijk — de profeten leefden in totaal verschillende tijden — maar in de Indiase schilderkunst van de achttiende eeuw gaat het minder om historische chronologie dan om spirituele nabijheid. De schilder brengt vier figuren uit drie religieuze tradities samen in één beeldruimte, waarin aardse dialoog en hemelse aanwezigheid elkaar raken.
Daniël.
Toen ik aangaf dat het om vier pareltjes ging heb ik volgens mij niets te veel gezegd. Het was een bijzondere ervaring om deze werken te kunnen zien.
Met Het Rode Paviljoen begint de tweede reeks van de Tie‑romans.
Na een eerste serie boeken bleef er onder lezers
een vraag naar meer titels.
Robert van Gulik ging daarop in met boeken waarin Tie
veel meer de centrale figuur is.
Robert van Gulik, Het Rode Paviljoen (The red paviljon).
Bij het oplossen van de zaken schakelt Tie
minder vaak al zijn helpers tegelijk in.
In het Rode Paviljoen bijvoorbeeld alleen Ma Joeng.
Hoewel dat gecompenseerd wordt door het opvoeren
van twee rechercheurs van de eilandbeheerder:
Krab en Sprot.
Van Gulik laat de hoofdstuktitels en ondertitels weg.
Dat is een element dat ik wel mis.
Het vooruit kunnen kijken
werkt voor mij motiverend om door te lezen.
In dit specifieke geval zijn er wel erg veel toevalligheden
en onwaarschijnlijkheden die het verloop bepalen.
Natuurlijk: als iets theoretisch kan gebeuren
zal het in de praktijk ook gebeuren.
Maar het wordt in dit boek wel erg theoretisch.
Humayun’s Tomb is een uitgestrekt complex,
met talloze graven verspreid over het terrein.
Van de straat tot aan het grafmonument zelf
is een wandeling die je langs vele graven en door tuinen brengt.
Daardoor levert bijna iedere stap een nieuwe verrassing op.
Op 22 november 2024 was ik er voor de tweede keer.
De eerste keer was in 2016.
Toen kort na de renovatie in 2013/2014
door de Aga Khan Trust, de Duitse regering
en de Archaeological Survey of India.
Toen stroomde er op het hele terrein, door alle kanaaltjes, vijvers,
fonteinen en kunstmatige watervallen koel water.
Helaas was ik er nu in een ander seizoen
en overheerste de luchtvervuiling het beeld.
Maar het blijft een fantastische ervaring waarin
rust, architectonische schoonheid, de zon en de koelte van het water
elkaar afwisselen.
Natuurlijk maakte ik er foto’s:
Bu Halima enclosure.
Arab Sarai Gateway, 1560 – 1561 CE. Hier is serai niet gebruikt in de betekenis van een karavaanstop en handelspost maar in de betekenis van de poort naar de wijk waar de Arabische handwerklieden woonden terwijl ze werken aan de graftombe van Humayun.
Tegenlicht en luchtvervuiling zijn geen goede combinatie voor een foto.
West Gate. Nu de hoofdingang van Humayun’s Tumb complex.
Humayun’s Tomb, 1565 – 1572 CE.
Niet alle kanaaltjes bevatten die dag water. Het onderhoud van dez complexen vraagt veel mensen en veel geld.
Er was geen overstroming of regenbui. Er is veel water nodig om de bomen en het gras groen te houden.
Niet het graf van Barbur maar het graf van wellicht een hofbarbier.
Het is goed te zien dat de kanaaltjes, de vijvers en de fonteinen een integraal onderdeel van het ontwerp van het grafcomplex waren.
Tijd om het centrale gebouw van dichtbij te bekijken. Dit is de plint of het platform waarop het monument staat.
Met dit soort trappen kun je dan op het platform komen.
Ook vanaf het platform zie je de samenhang tussen het gebouw en de waterwegen.
Symmetrie is een van de overheersende ontwerpprincipes.
Voor de moderne route naar het complex is de oude ommuring van de Bu Halima enclosure op deze plaats afgebroken.
— over oefenen met restauratie voordat ik Serindia aanraak —
De kozo (restauratiepapier) heb ik al gekocht.
Maar ik wil niet meteen gaan knutselen aan Serindia.
Eerst wil ik ervaring opdoen met het herstellen en behouden
van stofomslagen en met het werken met kozo.
Pas als de eerste poging genoeg zelfvertrouwen geeft
ga ik de stofomslagen van Serindia herstellen.
Het heeft een paar dagen geduurd,
maar ik heb een set van drie boeken gevonden
die qua onderwerp en uitvoering heel bruikbaar voor me zijn.
Het gaat om:
Reginald Heber, Narrative of a Journey through the Upper Provinces of India from Calcutta to Bombay 1824–1825 with Notes upon Ceylon;
An Account of a Journey to Madras and the Southern Provinces 1826 and Letters written in India,
De boeken heb ik jaren geleden gekocht omdat Heber,
als bisschop van Calcutta
een aantal plaatsen in India bezocht heeft,
die ik ook wilde gaan bezoeken.
Korte stukken tekst van Heber heb ik toen,
samen met stukken uit de Lonely Planet,
verwerkt in het aantekenboek dat ik voor mezelf maakte.
Reginald Heber (21 April 1783 – 3 April 1826) was an English Anglican bishop, a man of letters, and hymn-writer. After 16 years as a country parson, he served as Bishop of Calcutta (Kolkata) until his death at the age of 42. The son of a rich landowner and cleric, Heber gained fame at the University of Oxford as a poet. After graduation he made an extended tour of Scandinavia, Russia and Central Europe. Ordained in 1807, he took over his father’s old parish, Hodnet, Shropshire. He also wrote hymns and general literature, including a study of the works of the 17th-century cleric Jeremy Taylor.
He was consecrated Bishop of Calcutta in October 1823.
The see of Calcutta had been established in 1814. It covered much of the Indian subcontinent and Ceylon (Sri Lanka), together with Australia and parts of southern Africa.
Stofomslagen in drie kleuren. Op iedere omslag stond het nummer van het boek in de serie. Op de omslag staat op een abstracte manier het noorden van India en met voetstapjes de route die Heber aflegde.
Mijn exemplaar bestaat uit 3 boeken, een reprint uit 1985.
Elk van de boeken heeft een stofomslag met eigen kleur.
De stofomslag vermeldt ook welk deel het boek is van de drie.
Eén van de omslagen is beschadigd en met plakband hersteld.
De stofomslagen bestaan uit een laagje papier en daarop
tekst en afbeelding en een soort folie ter bescherming.
Die folie wordt aan de randen zichtbaar
wanneer het afsnijden niet nauwkeurig is gebeurd.
Gelukkig zit het plakband aan de achterkant.
Het plakband heb ik voorzichtig weggehaald.
Ik heb de scheuren terug aan elkaar gelijmd met
kleine beetjes PVA (boekbinderslijm).
Dat is geen definitieve oplossing.
Het zorgt er hopelijk voor dat het papier niet verder inscheurt
terwijl ik met de stofomslag bezig ben.
Ik wil de stofomslag verstevigen met kozo
door die tegen de achterkant aan te brengen.
De scheuren moeten dan zoveel mogelijk
terug op hun oude plaats komen.
Druk op het papier van de stofomslag moet dan worden opgevangen
door de kozo.
De stofomslagen van delen 1 en 3 zijn niet gescheurd. Je ziet wel gebruikssporen. De boekbanden zijn niet echt stevig dus daar zit beweging in. Die beweging vertaalt zich naar stofomslag.Hopelijk zit daar voldoende ruimte zodat de versteviging die ik wil aanbrengen er niet voor zorgt dat de stofomslag niet meer past.
De plakband haal ik voorzichtig weg, stukje voor stukje. Dit is de kleine scheur in de stofomslag.
Dit is de grote scheur waar vouwen om ontstaan zijn. Vermoedelijk zijn de scheuren het gevolg van het verplaatsen en vervoeren van boeken.
Als je goed naar de randen van de scheur kijkt zie je wel waar die betreffende kant onder of boven de andere kant hoort te zitten.
Er is een stukje papier met kleur dat helemaal los is geraakt. Misschien kan ik dat nog gebruiken.
Randen met witte uiteindes horen aan de onderkant terecht te komen. Als een soort tussenoplossing lijm ik de randen, daar waar dat mogelijk is, weer aan elkaar.
De boeken zonder stofomslag. Je ziet ook dat de ruggen van de boeken niet heel sterk zijn.
Na de lijmpoging.
De kozo die ik kocht weegt 6 gram/m2, dat is heel licht.
De beschrijving van de website van Papier Royaal is:
Zeer dun papier voor restauratie.
Speciaal getint om te matchen met oude papieren.
De reden waarom ik dit papier gekozen heb,
is ook omdat het dun is,
en dus weinig ruimte vraagt in de stofomslag. Hopelijk.
Vanochtend zocht ik munt en citroen
in de groentezaak in de binnenstad van Breda.
Omdat hij geen munt had
gaf de winkelier me citroenmelisse uit eigen tuin.
Het ruikt als citronella, het anti-muggenmiddel van vroeger.
Hij verzekerde me dat je er ook thee van kunt zetten.
De citroenmelisse ligt te drogen na het wassen van de takjes.
Thuisgekomen zag ik dat op twee blaadjes
er passagiers waren meegekomen.
Ik wil geen vlees in de thee, dus die blaadjes heb ik
er afgeknipt en die liggen nu in een grote bloembak op het balkon.
De citroenmelisse ligt te trekken in het hete water met de gember.