Wanneer vorm, stemming en ritme samenkomen

In dit bericht passeren drie Indiase miniaturen die ik zag
in Museum Rietberg.
Ze zijn schitterend en ik heb er heel veel van geleerd.

DSC05636 01 ZürichMuseumRietbergWerkstattInKotaShrinathjiImWinterkleidIndiaRajasthanUm1850RVI2246

Zürich, Museum Rietberg, Werkstatt in Kota, Shrinathji im winterkleid, India, Rajasthan, um 1850, RVI 2246.


Shrinathji in het winterkleed

Shrinathji
— de kind‑Krishna die in Nathdwara als levende godheid wordt verzorgd —
verschijnt hier in zijn winterkleed.
In deze traditie wordt de godheid niet als een stilstaand beeld benaderd,
maar als een aanwezig lichaam:
zijn fysieke vorm, of die nu van marmer, brons of een ander materiaal is,
wordt dagelijks gewassen, aangekleed, gevoed
en volgens het seizoen van nieuwe gewaden voorzien.
Dat ritueel van zorg en nabijheid vormt de sleutel tot dit schilderij.

In de miniatuur uit de werkplaats van Kota (ca. 1850) staat Shrinathji
als een stil, donker middelpunt in een zon van geel.
Zijn gezicht, zwaar van sieraden, lijkt uit het gewaad zelf te ontstaan:
niet als portret, maar als aanwezigheid.

Rechtsonder ligt een kleine rode tulband, zorgvuldig neergelegd.
Dat detail, haast terloops, maakt het beeld intiem.
De godheid heeft zijn koninklijke teken afgelegd,
alsof hij zich terugtrekt in warmte en rust.
Het rood verankert de compositie, maar ook het ritueel
— een moment waarin het goddelijke lichaam
niet wordt verheerlijkt, maar verzorgd.
Het winterkleed wordt zo meer dan een kledingstuk:
het is een gebaar van nabijheid.
De schilder omhult Shrinathji met pigment zoals de priesters hem met stof omhullen
— een zorgzame handeling die de godheid tastbaar maakt, zelfs in verf.

Het perspectief

Het perspectief in deze miniatuur is geen venster op een ruimte,
maar een vlak dat zich naar voren duwt.
De schilder uit Kota kiest bewust voor een frontale,
bijna architectonische opstelling waarin elke diepte wordt afgevlakt.
De vloer helt licht omhoog, de achtergrond is een gesloten wand van kleur,
en Shrinathji staat niet in een kamer maar tegen het beeldvlak aan.
Het is een perspectief dat niet uitnodigt om binnen te treden, maar om te confronteren:
de godheid kijkt terug, niet vanuit afstand, maar vanuit nabijheid.
Deze ruimtelijke compressie is geen gebrek aan realisme,
maar een rituele keuze.
In de Pushtimarg‑traditie is het zien van de godheid — darshan —
een directe ontmoeting, geen optische illusie.
De schilder elimineert daarom elke afleiding van die blik.
De ruimte wordt een podium zonder diepte, een kleurveld dat de figuur draagt.
Het perspectief is zo niet optisch, maar devotioneel:
alles is gericht op het moment van aanschouwen.

De Kota‑stijl

Dat dit werk uit Kota komt, is op het eerste gezicht onverwacht.
Kota‑schilders zijn vooral bekend om hun levendige jachtpartijen,
paarden in volle galop, tijgers die uit het struikgewas springen,
en hofscènes vol beweging en energie.
Maar juist binnen die traditie ontwikkelden zij een vormtaal
die ook hier herkenbaar is:
een strakke frontale compositie, grote heldere kleurvlakken,
minimale dieptewerking en scherpe contourlijnen die elke vorm tegen het vlak plaatsen.

In deze miniatuur wordt die visuele grammatica ingezet
voor een onderwerp dat normaal niet tot het Kota‑repertoire behoort.
Het resultaat is een devotioneel beeld dat niet in een ruimte staat,
maar tegen het beeldvlak aan wordt geschoven
— helder, direct, en zonder afleiding.

Abstractie is geen moderne Westerse uitvinding

Ik liep nog wat na te denken over de miniatuur en kwam op het onderwerp abstractie.
De miniatuur gebruikt methodes die doen denken aan abstractie:
perspectief ontbreekt grotendeels
het onderwerp en de achtergrond zijn één
er is geen poging een ‘foto’ te maken maar een idee over te brengen.

Hoe is dat als je het vergelijkt met een kubistisch schilderij?
Mensen als Picasso realiseren zich dat er meerdere perspectieven zijn op één object.
Ze kiezen er bewust voor die tegelijk te laten zien.
Tegelijk ontbreekt het traditioneel perspectief bijna volledig.

DSC05636 02 ZürichMuseumRietbergWerkstattInKotaShrinathjiImWinterkleidIndiaRajasthanUm1850RVI2246

Daar waar in Kota in 1850 er wordt gekozen de techniek perspectief
niet te gebruiken omdat het niet nodig is voor het doel wat men wil bereiken:
niet nodig om de boodschap duidelijk te maken,
niet nodig om de god in het beeld te ervaren.
Daar kiest de kubist ervoor de methode perspectief verder te onderzoeken
door bijvoorbeeld meerdere perspectieven tegelijk te tonen.

Dat is niet bedacht in Europa en niet pas in 1910 voor het eerst.

DSC05638 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

Zürich, Museum Rietberg, Urheber (=maker) unbekannt, Nilambari ragini, folio aus Ragamala-serie, India, Southern Deccan, Wanparthy, um 1750, RVI 2064. Geschenk Horst Metzger.


Ragamala

Een Ragamala is voor westerlingen vaak lastig te begrijpen,
omdat het geen illustratie is van muziek.
Wat op zich een logische aanname kan zijn.
Maar dat is het niet.

Een Ragamala begint bij één schilderij dat een muzikale stemming verbeeldt:
in de Indiase traditie heeft elke rāga
— een melodisch patroon met een eigen emotie, seizoen en tijd van de dag —
een bijbehorend gedicht én een visuele personificatie,
vaak een geliefde, een eenzame figuur, een landschap of een nachtelijke scène.

Omdat een rāga nooit op zichzelf staat maar deel uitmaakt van een netwerk
van verwante stemmingen, ontstaat er vanzelf een krans van beelden:
ochtendrāga’s, middagrāga’s, avondrāga’s, seizoensrāga’s,
varianten en vrouwelijke tegenhangers.
De schilder volgt daarmee de logica van de muziek, die zelf cyclisch is.
Zo vloeien muziek, poëzie en schilderkunst samen tot één systeem
waarin dezelfde emotie drie vormen krijgt
— hoorbaar, denkbaar en zichtbaar —
en waarin een Ragamala niet één beeld is, maar een emotionele dag
en een emotioneel jaar in miniaturen.

DSC05638 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

Nilambari Ragini — nacht, rust en het wiegen van de wereld

Nilambari is een nacht‑rāginī: een vrouwelijke stemming
die traditioneel wordt geassocieerd met rust, verzachting
en het langzaam neerdalen van de nacht.
Haar naam betekent letterlijk “zij die in blauw is gehuld”
— een verwijzing naar de kleur van de nachtelijke hemel.

In de Ragamala‑traditie wordt Nilambari vaak voorgesteld als een vrouw
die alleen zit in een paviljoen, soms luisterend naar muziek, soms wachtend,
soms in een staat van zachte melancholie.
Het gedicht dat bij haar hoort beschrijft meestal een sfeer van nachtelijke stilte,
een geliefde die niet komt, of een moment van innerlijke rust waarin de wereld vertraagt.

De schilder uit Wanaparthy (ca. 1750) vertaalt die stemming niet
als een nacht van eenzaamheid,
maar als een ontmoeting waarin stilte en verleiding elkaar raken.
De vrouw in haar diepblauwe kleed
— de kleur van de nacht en van Nilambari zelf —
belichaamt de kalmte van de rāga,
terwijl de man met de bloem een gebaar van toenadering maakt.
Het blauw om haar heen is niet alleen decoratief, maar symbolisch:
het is de kleur van rust, van afstand, en tegelijk van het verlangen
dat de muziek oproept.

Zo wordt de miniatuur een beeld van de emotionele temperatuur van de nacht:
niet donker of leeg, maar gevuld met zachte spanning,
een moment waarin muziek, poëzie en schilderkunst samenvallen in één gebaar
— het aanbieden van een bloem, het wachten op een antwoord,
het wiegen van de wereld in blauw.

DSC05638 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

De muziek — waar kun je Nilambari horen?

Nilambari is een rāga die nog steeds wordt uitgevoerd,
vooral in Zuid‑Indiase (Carnatische) muziek.
Wie haar wil horen, kan dat op drie toegankelijke manieren:

  • YouTube

Zoek op: “Carnatic Nilambari raga”
Je vindt uitvoeringen op vina, fluit, viool en zang.
Nilambari wordt vaak gebruikt voor wiegeliederen (lullabies),
omdat de rāga een kalmerende, wiegende beweging heeft.

  • Spotify / Apple Music

Zoek op: “Raga Nilambari”
Er zijn meerdere klassieke opnames, o.a. door M.S. Subbulakshmi en T.M. Krishna.

  • Sangeethapriya (gratis archief, login verplicht)

Een groot archief van Carnatische muziek met veel Nilambari‑opnames.
Zoek op: Nilambari in de rāga‑lijst.

DSC05640 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Tanz der hirten, folio from Tularam-Bhagavata-Purana serie, India, Gujarat, Surat, um 1640, RVI 829.


Bhagavata‑Purana‑series

De Bhagavata‑Purana vertelt de jeugdverhalen van Krishna in losse,
levendige episodes: dansen, spel, wonderen, ontmoetingen met herders en herderinnen.

DSC05640 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

In de 16e en 17e eeuw werden deze scènes in Gujarat en Noord‑India
omgezet in uitgebreide reeksen miniaturen,
niet als volksboeken maar als kostbare objecten voor hoven,
rijke handelaren en tempels.
De verhalen zelf waren wél breed bekend via mondelinge traditie, rituelen,
liederen en theater, maar de beeldreeksen waren bedoeld voor een kleine elite
die de tekst kende of liet voorlezen.
Zo ontstonden cycli van soms honderden bladen,
waarin elke miniatuur een helder venster vormt op Krishna’s wereld:
een manier om de verhalen te ordenen, te herinneren en te beleven in beeld.

DSC05640 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

De schilders kozen meestal de meest levendige momenten:
Krishna die danst, speelt, steelt boter, de slang Kaliya bedwingt,
of — zoals in deze miniatuur —
de herders laat dansen in een ritme dat zowel speels als kosmisch is.

DSC05640 04 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Tanz der Hirten (Dans van de herders)

In deze miniatuur uit Surat rond 1640 danst Krishna (in een blauw kleed)
tussen zijn herdersvrienden, omringd door een werveling van bladeren en bloemen.
De schilder kiest niet voor een realistische scène maar voor een compositie
waarin kleur en ritme samenvallen:
elke arm, elke bloem beweegt in dezelfde cadans.
De herders spelen fluit, trommel en hoorn, hun lichamen vormen een kring
die de natuur weerspiegelt
— alsof de wereld zelf meedanst.
Zo wordt de dans van de herders een beeld van kosmische vreugde:
het moment waarop spel, devotie en natuur één worden,
en Krishna’s aanwezigheid de hele omgeving in beweging zet.

DSC05640 05 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Ik heb er nu even niets meer aan toe te voegen.
Misschien dat ik maar eens naar een “Carnatic Nilambari raga”
ga beluisteren op YouTube.


Drie ontmoetingen in verf

— over drie scènes uit de miniaturencollectie van Museum Rietberg —

Het Museum Rietberg heeft een collectie miniaturen uit India.
Toen ik er was werd een deel ervan getoond in een apart vrijstaand gebouw
in het park waarin het museum gevestigd is.
Vandaag drie miniaturen uit die verzameling.

DSC05628 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTraurigePrinzessinMitFreundinUndDienerinImAlkovenBeidseitigBemaltesAlbumblattIndiaAwadhLucknow1725-1750RVI2205a

De eerste ontmoeting is tussen een treurende prinses en haar vriendin. Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Traurige prinzessin mit freundin und dienerin im Alkoven, beidseitig bemaltes albumblatt, India, Awadh, Lucknow, 1725 – 1750. RVI 2205a.

DSC05628 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTraurigePrinzessinMitFreundinUndDienerinImAlkovenBeidseitigBemaltesAlbumblattIndiaAwadhLucknow1725-1750RVI2205a

Prachtig geschilderde omlijsting van een tafereel in een architectonische opzet.


DSC05632 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

De tweede ontmoeting in een tuin heeft een politieke kant: Urheber unbekannt, Fürst Mahmud Khan Dawudi mit gefolge bei audienz, India, Deccan, Kurnool, um 1750. RVI 838.


Deze tweede ontmoeting lijkt een beetje op een stripverhaal:
de namen van de personen staan er in de schilderij gekaligrafeerd.
Ik vroeg Copilot de tekst te vertalen uit het Perzisch.

DSC05632 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Ik kan niet beoordelen of de vertalingen correct zijn dus
als iemand dat wel kan dan hoor ik de reactie(s) graag.

De tekst benoemt de grootste en zittende figuur rechts als Mahmud Khan Dawudi, de Nawab van Kurnool, afgebeeld in audiëntie met zijn entourage.

De tweede man in wit met oranje tulband is de schoonzoon van Abd al‑Razzāq Khan, een verwant en hofbeambte van Mahmud Khan Dawudi.

De inscriptie identificeert de derde figuur van rechts (volledig is oranje) als Banda Khan Dawudi, een ondergeschikte of verwant van Mahmud Khan Dawudi, afgebeeld in een eerbiedige houding tijdens de audiëntie.

De tekst identificeert boven de twee kleinste, zittende mannen links — in rood en lichtpaars als Aziz Khan Abd al‑Razzāq, waarschijnlijk leden van dezelfde familie als de schoonzoon van Abd al‑Razzāq Khan, en dus verwanten binnen de entourage van Mahmud Khan Dawudi.

De staande man links is Hamid Khan, zoon van Abd al‑Razzāq, een familielid van de Dawudi‑dynastie en lid van de hofhouding van Mahmud Khan Dawudi.

De Abd‑al‑Razzāq‑familie was een lokale eliteclan in Kurnool rond 1750, nauw verbonden met Mahmud Khan Dawudi, en de miniatuur is waarschijnlijk de belangrijkste (misschien enige) bron die hun namen en onderlinge relaties documenteert.

Als je die gegevens weet dan zou de huidige titel van het werk
anders kunnen zijn. De zaaltekst natuurlijk ook.

DSC05632 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Voorstel voor museumvriendelijke titel nu:

Mahmud Khan Dawudi in audiëntie met leden van de Abd‑al‑Razzāq‑familie, India, Deccan (Kurnool), ca. 1750

Deze titel is veilig, feitelijk, en volledig gebaseerd op de inscripties.
Musea geven daar de voorkeur aan.

DSC05632 04 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Een inhoudelijk sterkere titel zou kunnen zijn:

Familie‑audiëntie van Mahmud Khan Dawudi met de Abd‑al‑Razzāq‑clan, India, Kurnool (zuidelijk India of Deccan), ca. 1750

DSC05632 05 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Publiek‑vriendelijke en historisch correcte zaaltekst:

Deze miniatuur toont Mahmud Khan Dawudi, heerser van het kleine vorstendom Kurnool in het zuiden van India, ingeklemd tussen grotere regionale machten. De vorst is omringd door leden van één specifieke familie: de Abd‑al‑Razzāq‑clan. De Perzische inscripties identificeren zijn schoonzoon, de zonen van Abd al‑Razzāq Khan en andere verwanten.

De aanwezigheid van deze familieleden laat zien hoe lokale macht in Kurnool rond 1750 functioneerde: via verwantschap, loyaliteit en clanstructuren, in een politiek landschap dat werd gedomineerd door het hof van Hyderabad, de Maratha‑expansie en de opkomst van Europese invloed.

Deze miniatuur maakte waarschijnlijk deel uit van een hofalbum: een intern familie‑document waarin de heerser en zijn belangrijkste bondgenoten werden vastgelegd. Het is een kunstwerk dat je kunt bewonderen om de kleuren, de bloemen, de architectuur en de compositie, maar documenteert tegelijk de sociale en politieke verhoudingen binnen een kleine staat die haar autonomie probeerde te bewaren.


DSC05634 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

De derde ontmoeting gaat ook om politiek: Urheber unbekannt, Pritham Singh von Kulu (mit pfeife) mit Gamanchand von Kangra, India, Pahari-gebiet, um 1800. RVI 2005.119.

Wat zijn de Pahari‑staten?

De Pahari‑staten waren kleine vorstendommen in de uitlopers van de Himalaya,
in het huidige Himachal Pradesh,
grofweg ingeklemd tussen Pakistan, China en Nepal.
Ze bestonden uit regio’s als Kangra, Kulu, Guler, Chamba en Basohli,
elk met een eigen hof, eigen heersers en een bloeiende schildertraditie.
Door hun ligging in de bergen bleven deze staten relatief autonoom,
maar ze stonden onder wisselende invloed van grotere machten
zoals de Mughal‑keizers en later de Sikh‑rijken.

De schilderkunst uit deze regio’s — de Pahari‑stijl — staat bekend om:

  • heldere kleuren
  • verfijnde lijnen
  • intieme portretten
  • aandacht voor kleding, sieraden en gelaatsuitdrukking
  • een poëtische, vaak rustige sfeer

Hoe zie je de Pahari-stijl in dit werk?

  • Heldere kleuren

De compositie gebruikt een zuivere, bijna doorschijnende pigmentatie:
het roze van de vorst, het wit van de bezoeker, het blauw van de kussens en de vloer.
Die kleuren zijn niet overladen, maar licht en ademend,
typisch voor de Pahari‑traditie waarin verfijning boven pracht gaat.
De contrasterende tinten — roze tegenover wit en blauw —
brengen rust en hiërarchie in de scène.

DSC05634 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

  • Verfijnde lijnen

Kijk naar de contouren van de gezichten, handen en kledingplooien:
dun, ritmisch, bijna kalligrafisch.
De lijnvoering is niet schematisch maar levend,
met subtiele variaties in dikte die beweging suggereren.
Zelfs de inscriptie bovenaan sluit aan bij die lijngevoeligheid
— tekst en beeld ademen dezelfde precisie.

DSC05634 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

  • Intieme portretten

Hoewel het een audiëntie is, voelt het persoonlijk:
de twee mannen kijken elkaar aan, de gebaren zijn klein en beheerst.
Er is geen druk hofgedruis, maar een gesprek in stilte.
Die intimiteit is kenmerkend voor Pahari‑portretten,
waarin macht wordt getoond via nabijheid, niet afstand.

  • Aandacht voor kleding, sieraden en gelaatsuitdrukking

De schilder heeft elk detail van de stoffen uitgewerkt
— de turban met patroon, de sjaal met groene strepen,
de fijne borduursels op het roze gewaad.
De gezichten zijn individueel, niet gestandaardiseerd:
de vorst met een lichte glimlach, de bezoeker met een ingetogen blik.
Het is een studie van karakter, niet van type.

  • Een poëtische, vaak rustige sfeer

De achtergrond is leeg, de ruimte stil.
Er is geen perspectiefdruk, geen decoratieve overdaad
— alleen licht, kleur en gebaar.
Die stilte maakt het beeld poëtisch:
het lijkt een moment dat blijft hangen, een gesprek dat niet hoeft te worden gehoord.

Wie zijn de twee belangrijke mannen?

Links zit Pritham Singh van Kulu, in wit gewaad en met een ingetogen houding.
Rechts zit Gamanchand van Kangra, op een tapijt en vergezeld door bedienden.
Hoewel geen van beiden als regerend vorst wordt aangeduid,
behoren zij duidelijk tot de hogere hofadel
die de politieke en militaire structuren van Kulu en Kangra droeg.
De miniatuur documenteert een ontmoeting binnen dit netwerk van regionale macht,
in een periode waarin Kangra onder Raja Sansar Chand II (regeert 1775–1823)
de dominante positie innam.

Wat zegt de inscriptie hier?

Bovenaan het blad staat een korte Perzische inscriptie,
deels beschadigd maar nog leesbaar als
“Rāhī ze taʿlīm‑e Sar‑Sākam”
— letterlijk: “Rāhī, leerling van Sar‑Sākam.”
De tekst fungeert als signatuur en verwijst naar de maker van de miniatuur.
In de Pahari‑traditie vermeldden schilders hun naam vaak bescheiden
in de marge of boven de voorstelling, soms met de toevoeging van hun leermeester.
De inscriptie maakt duidelijk dat het werk afkomstig is uit een lokaal atelier
waarin kennis en stijl via persoonlijke overdracht werden doorgegeven.
Daarmee vormt de tekst niet alleen een identificatie van de kunstenaar,
maar ook een getuigenis van de levendige schildergemeenschap
in de westelijke Himalaya rond 1800.

Wie of wat zijn de overige twee figuren?

Achter beide hoofdpersonen staat telkens één begeleider,
elk met een eigen functie binnen de audiëntie.

Achter Pritham Singh staat een man in wit die een staf
met een knop aan de bovenzijde vasthoudt, met beide handen.
Zo’n staf kan zowel een teken van rang als een praktisch attribuut zijn,
maar in deze context fungeert hij waarschijnlijk als hofdienaar
die de staf van zijn heer draagt tijdens het gesprek.

Achter Gamanchand staat een hofdienaar van hogere rang,
herkenbaar aan de flywhisk (waaier) in zijn rechterhand
en een gevouwen doek in zijn linkerhand, terwijl een korte dolk
aan zijn gordel zijn status binnen de hofhouding markeert.

Samen tonen deze begeleiders
dat beide mannen met hun eigen entourage verschijnen,
wat de formele en diplomatieke aard van de ontmoeting onderstreept.


Benin: de Teruggave en mijn stem (deel 9)

Een poging tot helderheid

Vanaf het begin van Back to Benin worstel ik met de opzet,
de keuzes en de kwaliteit van wat er te zien is.
Niet omdat het onderwerp me niet raakt,
maar omdat de tentoonstelling me geen helder verhaal geeft.
Ik heb gekeken, gelezen, genoteerd.
Ik heb de catalogus doorgewerkt, aantekeningen gemaakt, verbanden gezocht.
Maar de puzzel blijft niet kloppen.
Er is iets in de manier waarop deze tentoonstelling is samengesteld
dat zich niet laat vangen.
Alsof er twee tentoonstellingen door elkaar lopen:
een ingekochte, kant‑en‑klare presentatie,
en een Nederlands deel dat er later tegenaan is geplakt.
Alsof de teksten alleen vertaald hoefden te worden
— wat dan ook matig is gedaan.
Alsof de eerste zalen vooral bedoeld zijn
om het enige Benin‑object van De Fundatie, de visplaquette,
een plek te geven.
Met kopieën van documenten eromheen, als decor.
Het geheel voelt niet als één verhaal,
maar als een verzameling onderdelen die elkaar niet versterken.

Wat voor tentoonstelling is dit eigenlijk?

Die vraag blijft terugkomen.
De zalen beneden lijken een Fundatie‑specifieke inleiding.
De eerste verdieping voelt als de eigenlijke tentoonstelling
— waarschijnlijk ingekocht.
Maar nergens wordt duidelijk hoe deze twee delen
zich tot elkaar verhouden.
Er is geen route, geen volgorde, geen logica
die je als bezoeker begeleidt.
De zaalteksten zijn wisselend van kwaliteit.
Soms feitelijk, soms onduidelijk, soms ronduit slecht vertaald.
De catalogus bevestigt dat beeld:
een boek dat er prachtig uitziet,
maar inhoudelijk meer vragen oproept dan beantwoordt.

De catalogus als spiegel

IMG_9438DeFundatieBackToBeninCatalogus

De catalogus is tweetalig uitgevoerd.
Dat is op zichzelf geen probleem, maar de keuze
om Nederlands en Engels op dezelfde pagina te zetten
— met dezelfde typografische waarde —
maakt het lezen onrustig.
De Nederlandse tekst bovenaan, de Engelse onder een streep.
Steeds opnieuw. Het hele ontwerp is erop ingericht.
Maar waarom?
Worden er veel buitenlandse lezers verwacht?
Is dit een keuze van De Fundatie?
Of een keuze van de makers van de ingekochte tentoonstelling?

IMG_9439DeFundatieBackToBeninCatalogus

Een andere opzet had meer betekenis kunnen dragen.
Bijvoorbeeld:
– bij officiële teksten het Nederlands bovenaan,
– bij kunstinhoudelijke teksten het Engels.
Restitutie gaat immers óók over machtsverhoudingen.
De manier waarop talen worden gepositioneerd,
kan dat zichtbaar maken.
Nu blijft het een vormkeuze zonder uitleg.
De omslag is mooi.
De dunne balk die als een evenaar over het boek loopt,
keert terug op de tekstpagina’s.
Een ontwerpidee dat eerder is gebruikt voor het Amsterdam Museum.
De folie met het schaalmodel van de plaquette is een sterk detail:
je kunt het voorwerp met je vingertoppen voelen.
Het ontwerp van Hamid Sallali is overtuigend.
Maar het ontwerp is sterker dan de inhoud.
En dat is precies het probleem.

IMG_9263DeFundatieBackToBeninFolieOpOmslag

De bijdragen: overtuigend, onduidelijk, of overbodig

De teksten in de catalogus verschillen sterk in helderheid en functie.
Beatrice von Bormann schetst een inleiding die oppervlakkig blijft,
maar misschien als opening werkt.
Garssen, Koers en Mgba leveren een overtuigend herkomstonderzoek,
al blijft de vraag naar definitieve provenance open.
Ekhator‑Obogie schrijft over politieke organisatie, religie
en de rol van vissen,
maar door inkorten en vertalen is het verband soms zoek.
Mgba’s bijdrage probeert te overtuigen
dat de Benin Bronzen terug moeten
— terwijl die beslissing al genomen is.
De tekst wordt daardoor onnodig zwaar, met termen als epigrafie,
singulariteit, koloniaal archief herpositioneren.
Maar zonder uitleg over de criteria waarmee kunstenaars
en werken zijn gekozen.
Ehikhamenor doet hetzelfde: een verdediging van restitutie,
terwijl hij als exposerend kunstenaar misschien
beter een andere rol had kunnen nemen.
Agbontaen‑Eghafona voegt weinig toe aan eerdere bijdragen.
Minne Atairu is de uitzondering:
haar tekst is helder, toekomstgericht, en geeft een visie op
Ama O Ghe Ehen die niet vastzit in historische herhaling.

IMG_9264DeFundatieBackToBeninFolieOpOmslag

Het contrast tussen deze bijdragen maakt de catalogus onrustig.
Niet door diversiteit, maar door gebrek aan redactionele regie.

De drie restitutievragen als meetlat

Restitutie draait niet alleen om het fysiek teruggeven van werk.
Er zijn drie andere vragen die minstens zo belangrijk zijn:

  1. Regie
  2. Wat was de rol van Benin in dit proces?
    Is de tentoonstelling op hun verzoek?
    Wie heeft de kunstenaars gekozen?
    Was dit een package deal met Ekhator‑Obogie?
    Of een keuze van De Fundatie?
    Niets daarvan wordt uitgelegd.

  3. Transparantie
  4. Waarom is de catalogus tweetalig? Waarom deze vormgeving?
    Waarom deze tien kunstenaars? Wat waren de criteria?
    Waarom twee reizen naar Benin met twee mensen?
    Waarom volgt De Fundatie een eigen route,
    los van de restitutie van 100+ werken door OCW?
    Ook hier blijft het stil.

  5. Bescheidenheid
  6. De Fundatie presenteert zich als koploper in teruggave.
    Maar anderen gingen het museum al voor.
    Waarom dan deze nadruk?
    Waarom deze omvangrijke presentatie rond één object?
    De tentoonstelling geeft geen antwoord.

Wat blijft er over?

Na het lezen van de catalogus en het zien van de tentoonstelling
blijft vooral dit over:
dat een tentoonstelling over restitutie zelf zo weinig openheid biedt
over haar eigen keuzes. Opnieuw.
Dat de vorm sterker is dan de inhoud.
Dat de teksten elkaar tegenspreken of overlappen.
Dat de route onduidelijk is.
Dat de vragen blijven liggen.
En dat de kunstwerken soms sterker zijn dan de context
waarin ze zijn geplaatst.
Misschien is dat wel de kern van mijn worsteling:
dat ik graag had willen begrijpen hoe deze tentoonstelling
tot stand is gekomen.
Wie welke keuzes heeft gemaakt.
Waarom bepaalde stemmen zijn gekozen en andere niet.
Hoe de samenwerking met Benin is verlopen.
Wat de rol van De Fundatie precies was.
Maar dat verhaal wordt niet verteld.

En dus blijft het zoeken naar helderheid
in een tentoonstelling die zelf vooral verhult.

Serindia: tussen Marco Polo en Aurél Stein

De titel is misschien een beetje een goedkoop trucje
om de aandacht van lezers te trekken.
Maar ik vermoed dat Stein de reizen van Marco Polo
wel in zijn achterhoofd had op zijn reis.
Polo reisde naar, door en terug van China.
In Serindia, het expeditieverslag van Stein, verwijst hij ook naar Polo.

De afgelopen tijd heb ik meer dan vijftig keer geschreven
op deze blog over voorwerpen die voortkwamen uit die expedities.
Stein ondernam een drietal expedities tussen 1900 en 1916.
Daarbij bezocht hij plaatsen in wat men toen ‘Centraal Azië’ noemde.
Een deel van de objecten die hij op die expedities vond, opgroef
of kocht, is in het National Museum in New Delhi te zien.

Ter voorbereiding en als verslag (en financiering?) van de expedities
schreef hij samen met andere onderzoekers een aantal boeken.
Eén ervan is:
Serindia: Detailed report of explorations in Central Asia and westernmost China

Deze uitgave bestaat uit 4 boeken en 1 cassette met kaarten.
Hierin worden ook zijn aankopen in Dunhuang beschreven.
Met name de handschriften, boeken, banieren
en gebruiksvoorwerpen die men aantrof in Grot 17:
de Library Cave.

Deze uitgave is op een aantal websites ook beschikbaar in PDF.
Van ieder deel heb ik een PDF naar mijn laptop gehaald
en die ben ik tegen het einde van mijn reeks gaan gebruiken.
Tot ik een paar weken geleden bedacht:
zou je de serie kunnen kopen?

Dat bleek mogelijk, want antiquariaat Kok in Amsterdam
had twee uitvoeringen van de serie.
Niet de versie uit 1921 maar een herdruk uit 1980.
Nadat ik gebeld had over wat ze precies hadden
en of de serie in de winkel te zien was,
ben ik naar Amsterdam gegaan.

IMG_9365AntiquariaatKokAmsterdam

Antiquariaat Kok, Amsterdam.


De winkel van Kok is precies zoals je daarop hoopt
als boekenliefhebber.
Boeken, veel boeken.
Hele series van oude pop-up boeken, een tunnelboek,
wereldbollen, typemachines, prenten, nog meer boeken,
vitrines met speciale onderwerpen zoals vogels.
Letterlijk te veel om op te noemen.

Maar ik ging voor Serindia en de set werd voor me klaar gelegd.

IMG_9367AurelSteinSerindiaHeleSetKokAmsterdamIMG_9369AurelSteinSerindiaVol3StofomslagKokAmsterdam

De staat van de boeken is wisselend.
In het algemeen zijn de teksten goed leesbaar.
De boeken zitten grotendeels nog in hun boekband.

Stofomslag:
bij één boek ontbreekt de stofomslag,
bij een tweede is de stofomslag gescheurd,
bij twee boeken is de stofomslag nog in redelijke staat.

IMG_9368AurelSteinSerindiaVol4Plaat3

De delen 1, 2 en 3 bevatten tekst.
Deel 4 bevat platen en foto’s van de verworven objecten,
en die lijken van betere kwaliteit dan in de PDF.
De cassette heeft veel geleden.

IMG_9370AurelSteinSerindiaVol5KokAmsterdam

Naast Serindia heb ik toen nog enkele boeken van Stein bekeken.
The art of Central Asia – The Stein collection in the British Museum,
deel 2, is een voorbeeld van de boeken die ik bekeek.

IMG_9371TheArtOfCentralAsiaIMG_9372TheArtOfCentralAsia

Kort na mijn bezoek aan Amsterdam zijn we het eens geworden
over de prijs en vandaag werden de boeken bezorgd.

IMG_9413Serindia


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLIX

– over donorfiguren en donoren:
lezen wat Stein en zijn team zagen, en wat ik zie –

DSC01401 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008

India, New Delhi, National Museum, Seated Buddha, Dunhuang, 9th – 10th century CE, silk painting, 52 x 31,2 cm. Acc.No. Ch.xlvi.008.


Twee donoren, prachtig gekleed.
De man links, de vrouw rechts.
Beide worden vergezeld door een bediende:
de man door een mannelijke bediende met een waaier.
De vrouw door een vrouwelijke bediende, die lijkt iets aan te dragen.
In beide gevallen staan de bedienden achter de donoren
en zijn kleiner afgebeeld.
De man heeft een klein draagbaar wierrookvat in zijn handen.
De rook kringelt omhoog.
Heeft hij daarom iemand nodig die frisse lucht toewuift?

De man draagt een zwarte kap.
Een bovenkleed met wijde mouwen waar een wit onderkleed zichtbaar wordt.
Hij draagt een ceintuur.
Er lijken voorwerpen voor hem te liggen, zelf zit hij in kleermakerszit.

De vrouw heeft haar haar opgestoken.
Ik tel tenminste 6 haarspelden in het haar.
Op haar voorhoofd draagt ze een decoratie
met daarin bloemen of zijn het veren?
Indrukwekkend.
Haar zichtbare kleding bestaat uit een onderkleed in lichte kleur
en een donkerder bovenkleed.
Is het een omslagdoek waarmee op haar rechterschouder
een mooie knoop wordt gemaakt?
Nee ze houdt een bloem omhoog in haar hand.
Op haar linkerschouder begint iets dat lijkt op een elegante,
met florale motieven gedecoreerde sjerp?
Om haar arm heen en tot aan de grond.

De man en vrouw lijken op een bedekte vloer te staan.

Ik ben benieuwd wat Stein daar allemaal ziet.

AurélSteinSerindiaVol2Page1047PDFPage548Kolom1AurélSteinSerindiaVol2Page1047PDFPage548Kolom2

Aurél Stein, Serindia, deel 2, pagina 1047.

Detailbeschrijving van Stein (Nederlandse vertaling)

Ch. xlvi. 008 — Gedateerde zijden schildering
Zijden schildering met Chinese inscriptie, voorstellend het Paradijs van Amitābha (?), in vereenvoudigde vorm, met de donorfiguren.
De datum die in de inscriptie wordt vermeld is 952 n.Chr.
De schildering is compleet met een rand van ongeveer tien centimeter en ophanglussen van roze‑paarse zijde; het werk is vrijwel intact, maar het oppervlak is enigszins versleten.

DSC01401 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008 CentraleBoeddha

Amitābha zit op een lotustroon op een met balustrade omgeven terras dat oprijst uit een meer, te midden van een gezelschap van zes Bodhisattva’s en vier gewapende Koningen die zich aan weerszijden dicht om hem heen bevinden.

DSC01401 03 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008 Bodhisattvas

Een klein deel van het meer is op de voorgrond zichtbaar, maar er verschijnen geen zielen in; er zijn geen altaren, dansers of musici, geen vogels of hemelse paleizen.

DSC01401 05 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008 Lake

In plaats daarvan is het bovenste deel van de afbeelding gevuld met tien kleine zittende Boeddha’s, die waarschijnlijk de Boeddha’s van de Tien Windstreken voorstellen.

DSC01401 04 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008 BuddhasInTop

Drie van de 10 Boeddha’s aan de bovenrand van de banier..

De inscripties in de smalle cartouches van het universum zijn grotendeels uitgewist; voor zover leesbaar bevatten ze slechts groeten aan de Boeddha.
De houding, kleding en kleur van de centrale Boeddha zijn gelijk aan die in schildering Ch. xx. 003; ook de bomen, het baldakijn en de begeleidende Bodhisattva’s zijn van hetzelfde type en vrij ruw getekend.
Alle Bodhisattva’s hebben hun handen in aanbidding en dragen geen onderscheidende attributen; de Koningen dragen dezelfde uitrusting als in de Lokapāla‑banieren.

Indien de centrale Boeddha Amitābha is, vormt dit de enige voorstelling waarin de Koningen in zijn gevolg verschijnen.
Zij hebben een half‑groteske menselijke verschijning; hun huid is helder oranje geschilderd, die van de Bodhisattva’s wit of roze met een oranje schaduw.
Deze lichte kleuring en de decoratieve kleuren van de stralenkransen zijn echter bijna geheel verloren gegaan.
Het zwart dat voor het haar van alle figuren is gebruikt, heeft het merkwaardig dichte en korrelige karakter dat ook in schildering Ch. 00104 wordt waargenomen.

DSC01402IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008

De donorfiguren — een man knielend links en een vrouw rechts van het paneel met de dedicatie‑inscriptie aan de onderzijde — zijn op grote schaal weergegeven en vormen goede voorbeelden van kleding en kapsel uit de tiende eeuw, zoals ook te zien in andere schilderingen.
De man draagt een wierrookvat, de vrouw een rode lotusbloem; achter ieder staat een jonge dienaar of een jong familielid van hetzelfde geslacht.
Deze zijn gekleed als de grotere figuren, behalve dat de jas van de jongen lichtgroen is en hij onbedekt hoofd heeft, met het haar aan weerszijden in een knoop gebonden en een vrije lok (zoals in andere schilderingen).
Hij houdt een lang‑gesteelde waaier van vlak elliptische vorm; het meisje draagt een kistje.

Voor de inscriptie zie Petrucci, Appendix E, II.
Afmetingen van de schildering: ongeveer 125 × 76 cm.

Bodhisattva’s en Heavenly Kings

Voor de Heavenly Kings verwijst Stein ons naar de Lokapala banners.
Die staan beschreven bij CH.0010. Het is een tekst van enkele kolommen waarin hij allerlei aspecten van deze figuren beschrijft.
Van de gehurkte figuur waarop ze staan tot aan de sandalen.

De Boeddha’s van de Tien Windstreken

Langs de bovenrand van het doek zit een reeks
van tien kleine Boeddha‑figuren, elk zittend in meditatiehouding.
Ze verbeelden het kosmologische idee dat in alle richtingen
van het universum Boeddha’s aanwezig zijn
— niet alleen in de vier hoofdwindstreken, maar ook in de tussenrichtingen,
boven en beneden.
Samen vormen zij een kring van verlichting
die de ruimte rondom Amitābha’s paradijs vult.
Hun gelijke houding en herhaling drukken niet individualiteit uit,
maar alomtegenwoordigheid:
de Boeddha is overal, in elke richting, in elke wereld.
Deze bovenste zone fungeert zo als een visuele horizon van het paradijs,
een stille echo van de oneindige verspreiding van het boeddhistische licht.

De datering van de banier

SerindiaAppendixERaphaelPetrucciLaurenceBinyon

Serindia, titelblad van Appendix E.

In de detailbeschrijving van het object verwijst Stein naar Appendix E
in Serindia voor de vertaling van de inscripties.
Appendix E is het werk van Raphaël Petrucci en Laurence Binyon.
Maar Appendix E kent een bijzondere ontstaansgeschiedenis.
Aurél Stein wijdt daar een deel van de tekst aan:

[Noot]
Dit hoofdstuk (appendix E), dat oorspronkelijk bedoeld was om opgenomen te worden in het eerste deel van de publicatie zoals geschetst in het bovenstaande voorlopige plan (plan in een brief uit 1911 van Petrucci aan Stein), werd in 1913 ontvangen van Raphaël Petrucci in de vorm van een ruwe concepttekst.
De grondige herziening die het nodig had, met bijzondere aandacht voor de lezing van de inscripties en hun interpretatie, kon — vanwege de omstandigheden die samenhingen met de Eerste Wereldoorlog — niet worden uitgevoerd vóór Petrucci’s overlijden.

Arthur D. Waley, van de afdeling Prints and Drawings van het British Museum, nam in 1917 deze moeilijke taak op zich en wijdde veel zorgvuldige arbeid aan de verificatie van de originele dedicatie‑inscripties en verwante documenten.
De talrijke correcties die hij voorstelde, en die de instemming kregen van Édouard Chavannes, zijn verwerkt in de tekst zoals die nu wordt gepresenteerd.

— Aurel Stein

Dit wil zeggen dat er uiteindelijk bij de tekst van Appendix E
4 mensen betrokken zijn geweest:
Petrucci als de schrijver van de basistekst
afgestemd met Binyon en later
gecontroleerd en eventueel verbeterd door Waley
met Chavannes op de achtergrond.
Een internationaal vlechtwerk.

Petrucci en Binyon: bruggenbouwers tussen Oost en West

In Serindia vormt Appendix E een bijzonder hoofdstuk:
de essays van Raphaël Petrucci en Laurence Binyon
over de boeddhistische schilderingen uit de grotten
van de Duizend Boeddha’s in Dunhuang.
Beide auteurs waren pioniers in de Europese studie
van Aziatische kunst, maar hun invalshoeken verschilden subtiel.

De Fransman Raphaël Petrucci (1872–1917) was sinoloog,
diplomaat en kunsthistoricus.
Hij introduceerde de esthetische principes van de Chinese schilderkunst
in het Westen en stond bekend om zijn precieze,
filologisch onderbouwde analyses.
In zijn bijdragen aan Serindia beschreef hij de schilderingen
met een scherp oog voor stijl, iconografie en inscripties,
waarbij hij de Chinese traditie als uitgangspunt nam.

De Brit Laurence Binyon (1869–1943), dichter en conservator
aan het British Museum, benaderde dezelfde werken
vanuit een meer esthetisch en museaal perspectief.
Zijn poëtische gevoeligheid en zijn ervaring met Aziatische prenten
gaven zijn analyses een bredere culturele resonantie.

Samen vormden Petrucci en Binyon een intellectuele brug
tussen veldonderzoek en kunsthistorische interpretatie.
Waar Stein de archeologische context leverde,
boden zij het kader waarin de schilderingen konden worden gelezen
als getuigen van een verfijnde visuele en spirituele traditie.

Waley en Chavannes: filologische fundamentbouwers van Appendix E

Waar Petrucci en Binyon de kunsthistorische en esthetische dimensies van de Dunhuang‑schilderingen vormgaven, rust de wetenschappelijke betrouwbaarheid van Appendix E op het werk van twee andere grootheden: Arthur Waley en Édouard Chavannes. Hun bijdrage ligt minder in interpretatie dan in de filologische en epigrafische onderbouw — het nauwkeurig lezen, controleren en corrigeren van de Chinese inscripties waarop de datering en context van de schilderingen berusten.

De Brit Arthur David Waley (1889–1966), verbonden aan
de afdeling Prints and Drawings van het British Museum,
was een uitzonderlijk begaafd sinoloog en vertaler.
Zijn naam is vooral verbonden met de introductie
van Chinese en Japanse literatuur in de Engelstalige wereld,
maar zijn werk aan Serindia toont een andere kant van zijn talent:
zijn vermogen om met uiterste precisie inscripties te ontcijferen
en tekstvarianten te beoordelen.
Toen Petrucci’s manuscript — nog ruw en onvolledig —
na diens overlijden moest worden herzien,
nam Waley deze taak op zich.
Hij controleerde de dedicatie‑inscripties op de originele schilderingen,
vergeleek lezingen, corrigeerde fouten
en bracht een filologische helderheid aan
die Appendix E zijn definitieve vorm gaf.

De Fransman Édouard Chavannes (1865–1918), hoogleraar
aan het Collège de France, was een
van de meest gezaghebbende sinologen van zijn tijd.
Zijn monumentale vertalingen van Chinese historische teksten
en zijn baanbrekende werk op het gebied van epigrafie
maakten hem tot een internationaal referentiepunt.
Dat juist Chavannes Waley’s correcties beoordeelde
en goedkeurde, verleende Appendix E een bijzondere autoriteit.
Zijn instemming fungeert als een keurmerk
van wetenschappelijke betrouwbaarheid:
een bevestiging dat de tekst niet alleen kunsthistorisch,
maar ook filologisch op het hoogste niveau is.

Samen zorgden Waley en Chavannes voor de nauwkeurige lezing
van de inscripties waarop het hele betoog rust.
Hun werk maakt duidelijk dat Serindia niet het product is van één auteur,
maar van een internationale samenwerking waarin archeologisch veldwerk, Britse oriëntalistiek en Franse sinologie elkaar aanvullen en versterken.

De specifieke tekst over CH.xlvi.008

De tekst van de bijlage E is in het Frans.
Hieronder volgt de Nederlandse vertaling door Copilot.

Een andere schildering (Ch. xlvi. 008) behoort tot de categorie van geloften die voor de doden worden gedaan. Ze stelt Amitābha voor. In het gedeelte dat voor de schenkers is gereserveerd, ziet men enerzijds een ambtenaar, de overleden vader Leang Tsin‑t’ong 梁進通, die een wierookvat vasthoudt en wordt bijgestaan door een kind met een waaier; anderzijds een vrouw, de overleden schoonmoeder, met de familienaam Ling‑hou 令狐. Zij houdt een bloem vast; ook zij wordt vergezeld door een kind dat een offer draagt. Uit de opschriften blijkt dat de schenking is gedaan door de zoon en de vrouw van de zoon van de afgebeelde personen. Het is een schenking ten bate van de overleden ouders.
De inscriptie in het middelste cartouche is vrijwel geheel verdwenen. Men kan er meer raden dan lezen, maar er zijn nog tekens zichtbaar die toelaten haar te dateren op de zevende maan van het tweede jaar K’ien‑te, dat wil zeggen augustus 964.

Stein vermeldt in eerder in Serindia in zijn overzicht van gedateerde banieren
Ch. xlvi.008 als gedateerd in AD 952.
In Appendix E geeft Petrucci, op basis
van de resterende tekens van de inscriptie, een alternatieve datering:
de zevende maan van het tweede jaar K’ien‑te (augustus 964).
De discrepantie lijkt voort te komen uit verschillende lezingen
van een zwaar beschadigde dateringstekst.

Over de zogenaamde ‘donorfiguren’

De figuren die in de literatuur vaak gemakshalve “donoren” worden genoemd,
zijn in werkelijkheid niet de personen zijn die de schildering
hebben geschonken, maar de overleden familieleden
voor wie de schenking is gedaan.
De dedicatie‑inscripties maken dit telkens opnieuw duidelijk: het zijn de zoon, schoondochter of andere nabestaanden die de opdracht geven, terwijl de afgebeelde mannen en vrouwen de overledenen zijn wier zielen men wil eren en ondersteunen.
Deze schilderingen functioneren dus niet als portretten van levende opdrachtgevers, maar als postume representaties.
De overledenen verschijnen in een rituele houding,
knielend met offergaven, begeleid door kinderen of dienaren,
en geplaatst in een paradijselijke context
— vaak het rijk van Amitābha.
De werkelijke donoren blijven buiten beeld
en zijn uitsluitend in de tekst aanwezig.
Dit inzicht verandert de manier waarop we de zogenaamde donorzone lezen:
het is geen familieportret, maar een visuele handeling
van verdienstentransfer, waarin de overledenen worden voorgesteld
op de plaats waar men hoopt dat zij zullen wedergeboren worden.
Wat wij “donorfiguren” noemen, zijn in feite voorstellingen
van de overledenen, en wat wij “donoren” noemen,
zijn de levende opdrachtgevers die hen via de schildering ritueel begeleiden.

DSC01403IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008

Afsluiting

Met de kennis van nu denk ik met ongerustheid terug
aan eerdere berichten over de Dunhuangbanieren op mijn blog.
Er bleek nu ook weer zoveel informatie te zijn over
een banier die op het eerste gezicht misschien niet
de meest interessante in de reeks lijkt.
Maar hij was wel erg interessant en er is, denk ik,
nog veel meer informatie.
Alleen heb ik die nog niet gevonden.
Gelukkig heb ik wel een beter beeld gekregen bij de
afgebeelde donorfiguren en de werkelijke schenkers van het object.


Van strenge transcendentie naar ontspannen nabijheid

– over een wandeling in Museum Rietberg van de Noordelijke Dynastieën naar de Jin‑tijd –

DSC05607ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Zürich, Museum Rietberg, Guanyin in Royal ease-pose, Northern China, Jin Dynasty, 12th – 13th century CE, holz, teilweise bemalt, geschenk Eduard von der Heydt, RCh 301.

DSC05608ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Ik zet weer wat stappen in de museumzaal.
De tijd maakt een sprong van minstens 700 jaar.
De figuur die ik voor me zie is van hout.
Hij kijkt me uit de hoogte en schijnbaar ongeïnteresseerd aan.
Grote oogkassen en neus
Een kleine, smalle mond.
Nadrukkelijke kin.
Lange oorlellen.

De kleding komt bekend voor.
Een kroon in het haar.
Sierraad op de arm.
Decoratie op de borst.
Zwierende sjerpen.
Geplooid.

De houding veel losser dan op de steles
of Dunhuangschilderingen op zijde.
Is dat een mudra?

Door de tijd zijn veel stukken van de verf verdwenen.
De ondergrond komt tevoorschijn.
Alles bij elkaar: intrigerend.

Noordelijke Dynastieën – canon en legitimatie

In de kunst van de Noordelijke Dynastieën (5e–6e eeuw)
vormt het boeddhisme een politiek en visueel bindmiddel
in een gefragmenteerd Noord‑China.
De heersende Xianbei‑elites gebruiken de religie om hun gezag te verankeren,
en de beeldtaal volgt die functie.
Bodhisattva’s verschijnen frontaal en symmetrisch, met langgerekte lichamen,
geometrische plooival en gestileerde gezichten.
De sculptuur is niet bedoeld om nabijheid te suggereren,
maar om een idee van verheven orde te bevestigen.

De monumentaliteit van de grotcomplexen van Yungang en Longmen
weerspiegelt die ideologische strengheid:
het goddelijke is ongenaakbaar, architectonisch,
een principe van stabiliteit te midden van politieke wisseling.

Jin‑dynastie – aristocratische elegantie en naturalisme

Zeven eeuwen later, in de Jin‑dynastie (12e–13e eeuw),
verschijnt een totaal andere beeldtaal.
De houten Guanyin uit Noord‑China, deels gepolychromeerd,
belichaamt een wereldse verfijning die de vroegere strengheid heeft losgelaten.
De figuur zit in royal ease pose (lalitāsana):
één been opgetrokken, één ontspannen hangend.
De plooien vloeien, de sjerpen bewegen vrij,
en de gelaatsuitdrukking is kalm maar niet afstandelijk.

Politiek gezien is ook dit een niet‑Han dynastie — de Jurchen —
maar artistiek staat zij onder invloed van de Song‑cultuur in het zuiden.
De voorkeur voor houtsculptuur, zachte modellering en subtiele polychromie
weerspiegelt een esthetiek waarin het heilige niet langer boven de wereld staat,
maar er deel van uitmaakt.
De bodhisattva is niet meer een abstract symbool,
maar een figuur met aristocratische rust en menselijke aanwezigheid.

De overgang – de rol van de Song en de verinnerlijking van het beeld

Tussen de strenge monumentaliteit van de Noordelijke Dynastieën
en de verfijnde elegantie van de Jin‑tijd ligt
de lange ontwikkeling van het Chinese boeddhistische beeld.
De Song‑dynastie vormt daarin het scharnierpunt.
Haar schilderkunst en hofesthetiek introduceren een nieuw naturalisme:
aandacht voor innerlijke rust, zachte contouren en een bijna poëtische menselijkheid.
De Jin‑kunst neemt deze gevoeligheid over en vertaalt haar in hout.
Waar de vroegere bodhisattva’s transcendent waren,
wordt de latere Guanyin een figuur van nabijheid
— niet langer een principe, maar een aanwezigheid.
De verf die nu grotendeels verdwenen is, getuigt van die oorspronkelijke levendigheid:
een beeld dat ooit glansde in kleur,
maar nu juist door zijn verweerde oppervlak de tijd voelbaar maakt.

DSC05611ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301DSC05609ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Is dit een mudrā ?

In de klassieke boeddhistische iconografie verwijst een mudrā
naar een gecodificeerd handgebaar met een vaste betekenis:
abhaya, vitarka, dhyāna, varada, dharmacakra, enzovoort.
Deze gebaren zijn herkenbaar door:

  • een specifieke positie van vingers en handpalm
  • een vaste hoogte ten opzichte van het lichaam
  • een canonieke symmetrie of richting

Bij het Jin‑dynastie Guanyin‑beeld, ontbreekt die canonieke precisie.
De handen:
rusten losjes op of nabij het opgetrokken been;
volgen de natuurlijke ontspanning van de royal ease pose (lalitāsana);
tonen geen specifieke vingerconfiguratie;
zijn niet op borsthoogte of voor het lichaam geplaatst, zoals bij formele mudrā’s.

Dit is dus geen formele mudrā, maar een houding
die past bij de aristocratische, ontspannen Guanyin‑typen uit de 12e–13e eeuw.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVIII

– over een versleten banier van buiten de bibliotheekgrot –

DSC01398 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumVotiveBodhisattvaBannerDunhuang8th-9thCenturyCESilkPainting79x25,3CmAccNoCh-lv-0036

India, New Delhi, National Museum, Votive bodhisattva banner, Dunhuang, 8th – 9th century CE, silk painting, 79 x 25,3 cm. Acc.No. Ch.lv.0036.


Je kunt zeggen dat de banier niet heel mooi is,
Kijk zelf maar mee, hij oogt erg versleten.
Zijde heeft gevoelsmatig een zachte uitstraling
terwijl het materiaal hier grof en ruw overkomt.
Natuurlijk is het maar een foto en zegt die indruk niet zo veel.
Maar Stein en het National Museum zeggen hier ook verschillende dingen:

Dit zegt de zaaltekst:

This silk banner with a triangular headpiece depicts bodhisattva Avalokiteshvara standing in threequarter profile on a lotus. A scarf can be seen fluttering around his body.

En in Serindia zegt Stein dat het om linnen gaat:

AurelSteinSerindiaVol2Page1069PagePDF573 Ch lv 0036

Er zijn een aantal bijzondere zaken:

  1. de driehoek aan de bovenkant die onderdeel van het ophangmechanisme
  2. DSC01398 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumVotiveBodhisattvaBannerDunhuang8th-9thCenturyCESilkPainting79x25,3CmAccNoCh-lv-0036

  3. het hoofd is erg aansprekend
  4. DSC01399IndiaNewDelhiNationalMuseumVotiveBodhisattvaBannerDunhuang8th-9thCenturyCESilkPainting79x25,3CmAccNoCh-lv-0036

  5. de inscriptie ‘Kuan-yin of long life’
  6. De woorden “Kuan‑yin of long life” vormen een korte aanroep
    tot Guanyin (Kuan‑yin), de Chinese naam voor Avalokiteśvara,
    de bodhisattva van mededogen.
    In de Chinese traditie wordt Guanyin vaak verbonden
    met bescherming, genezing en levensverlenging.
    Zo’n korte formule functioneerde als een votieve wens:
    een klein gebed om een lang leven voor de schenker of diens familie.

  7. de banier is groot
  8. wat is Ch’ien-fo-tung of waar ligt dat?

Dat is de Chinese naam voor de “Grotten van de Duizend Boeddha’s
— de Mogao‑grotten bij Dunhuang, in de provincie Gansu.
Letterlijk: Qiānfódòng (千佛洞).
Daar vond Aurel Stein in 1900–1908 de beroemde manuscripten
en banieren in de verzegelde bibliotheekgrot (Grot 17).
Maar in totaal zijn er meer dan 400 grotten.
Om die allemaal in kaart te brengen ging Stein niet lukken.
En dat wist hij getuige het volgende vertaalde citaat:

De algemene beschrijving die ik in hoofdstuk XXI heb gegeven van de vindplaats en haar grote reeks grot‑tempels is op zichzelf al voldoende om te verklaren waarom het voor mij onmogelijk was een gedetailleerde studie te maken van deze honderden uit de rots gehouwen heiligdommen. Los van de zeer beperkte tijd die het zomerprogramma van geografische verkenningen in de Nan‑shan‑ketens mij liet, besefte ik ten volle dat voor een taak van deze omvang bijzondere deskundigheid nodig zou zijn, evenals technische ondersteuning waarover ik niet beschikte. Zonder kennis van het Chinees en zonder voldoende vertrouwdheid met de in China ontwikkelde boeddhistische iconografie kon ik onmogelijk hopen op een juiste interpretatie van deze immense hoeveelheid muurschilderingen, laat staan aanwijzingen vinden om hun chronologische volgorde — en die van de grotten die zij sierden — te bepalen. Tegelijkertijd ontbrak het mij pijnlijk aan de technische ervaring en getrainde hulp die nodig waren om binnen redelijke tijdslimieten fotografische reproducties te maken van de belangrijkste schilderingen en beelden, en om toegang te krijgen tot die grot‑tempels die hoog op de rotswand lagen en zonder speciale voorzieningen niet veilig te bereiken waren.

Serindia, deel 2, pagina 926.

Afsluiting

Op het eerste oog leek de banier niet zo heel bijzonder.
Maar als we even verder kijken dan is ook dit object
weer een heel uitgebreid verhaal.
En dan heb ik nog niets over de voeten en de lotus daaronder geschreven.


Echo van een Gitaarspeler

– over wat kijken kan oproepen wanneer je begint te luisteren –

IMG_9377IsaacIsraëlsGitaarspelerLithografie1890-1934

Associaties zijn vreemde dingen.
Je ziet iets, leest iets, ruikt iets,
voelt iets op de tast –
en je gedachten brengen je naar onverwachte plaatsen.
Je heb er weinig controle over,
gelukkig maar, want het kan je veel plezier doen beleven.

Afgelopen woensdag was ik in Amsterdam.
Ik maakte er een reeks foto’s.
Een deel van die foto’s maakte ik met een doel:
ik ging iets bekijken om te kopen.
Ik wilde daarom als geheugensteun een paar dingen vastleggen.
Daar kom ik later op terug.

IMG_9360Amsterdam4MeiKransenIMG_9361AmsterdamDeDamKoninklijkPaleisIMG_9364AmsterdamBlowverbodIMG_9373 01 AmsterdamOudeHoogstraatOudeDoelenstraatBakstenenFiguurOpBrugIMG_9373 02 AmsterdamOudeHoogstraatOudeDoelenstraatBakstenenFiguurOpBrug

Maar de andere foto’s maakte ik omdat ze me opvielen:
een verkeersbord met blowverbod, een bakstenen figuur bij een brug.
Mijn tweede doel van die dag was de tentoonstelling Metamorfosen
in het Rijksmuseum.
Die had ik een paar weken geleden al gezien
– blogberichten volgen nog.
Maar thuisgekomen dacht ik dat ik een zaal overgeslagen had.
Dat wilde ik even gaan zien.

IMG_9374ShivaNatarajIMG_9375IsaacIsraëls 01 TweeSchetsboekjes

Twee schetsboeken van Isaac Israëls.

IMG_9375IsaacIsraëls 02 TweeSchetsboekjesIMG_9376 01 IsaacIsraëlsTweePortrettenVanEenVrouwZwartKrijtEnPenseelInRoodEnZwartKrijt1865-1934

Isaac Israëls, Twee portretten van een vrouw, zwart krijt en penseel in rood en zwart krijt, 1865 – 1934.

IMG_9376 02 IsaacIsraëlsTweePortrettenVanEenVrouwZwartKrijtEnPenseelInRoodEnZwartKrijt1865-1934IMG_9377IsaacIsraëlsGitaarspelerLithografie1890-1934

Isaac Israëls, Gitaarspeler, lithografie, 1890 – 1934.

IMG_9378IsaacIsraëlsGitaarspelerLithografie1890-1934TxtIMG_9379JozefIsraëlsPortretVanMathildeIsraëls1887Aquarel

Jozef Israëls, Portret van Mathilde Israëls, 1887, aquarel.

IMG_9380JozefIsraëlsPortretVanMathildeIsraëls1887AquarelTxtIMG_9381RijksmuseumJoodsKunstbezitEnDeTweedeWereldoorlogTekst

Maar ik zag er ook ander werk, onderdeel van een tentoonstelling
van het Rijksprentenkabinet.
Die tentoonstelling vindt dan plaats
in ruimtes tussen de vaste collectie.
Een beetje onduidelijk. Ik vond slechts op één plaats werken.
Daar maakte ik foto’s en zag onder meer dit:
Isaac Israëls, Gitaarspeler.

Een aantal van de associaties staan in onderstaande Word Cloud.

Gitaarspeler


Benin: de Teruggave en de Tien Stemmen 7

Soms voelt dit zevende bericht als het lastigste:
niet omdat de tentoonstelling in Zwolle geen indruk maakt,
maar omdat het werk dat ik hier bespreek op momenten wankelt.
Waar begint kunst die uit een opdracht groeit,
en waar begint het object dat vooral een duur souvenir wil zijn?

We dragen de schaamte van 1897 mee — terecht.
Het staat niet op zichzelf;
het is slechts één episode in een lange reeks koloniale vernederingen.

Maar die schaamte ontslaat ons niet van het stellen
van kritische vragen aan hedendaagse makers.
Integendeel:
als we uit schuldgevoel elk nieuw werk heilig verklaren,
doen we zowel de geschiedenis als de kunst tekort.

De schande blijft, maar ze mag ons zicht niet vertroebelen.

Daarom nodig ik iedereen uit nu onbevangen te kijken,
zonder defensie en zonder eerherstel als reflex.
Open ogen voor het nieuwe

DSC09607 01 BackTo BeninDSC09727DeFundatieBackToBeninEnotieOgbeborWhispersOfMoralGuidanceAndEhi2025BrassBronzeNicholasOmoruyiAigbeFoundry

De Fundatie, Back to Benin, Enotie Ogbebor, Whispers of moral guidance and Ehi, 2025, brass (bronze). Productie-assistent: Nicholas Omoruyi, Aigbe Foundry.

DSC09728DeFundatieBackToBeninEnotieOgbeborWhispersOfMoralGuidanceAndEhi2025BrassBronzeNicholasOmoruyiAigbeFoundry Detail


DSC09729DeFundatieBackToBeninOsazeAmadasunObaOzoluaTheConqueror2020AcrylicOnCharcoalBoard

Osaze Amadasun, Oba Ozolua the conqueror, 2020, acrylic on charcoal board.

DSC09732DeFundatieBackToBeninOsazeAmadasunLyaseAndAttendant2021AcrylicOnAcidFreePaper

Osaze Amadasun, Lyase and attendant, 2021, acrylic on acid free paper.

DSC09734DeFundatieBackToBeninWanneerDePlaquettesTerugblikkenText


DSC09735DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaper

Victor Ehikhamenor, Holy – Hallow, 2025, installation of 7 perforations on handmade paper.

DSC09736DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperDSC09737DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperDSC09738DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperTxtDSC09739DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperDSC09740DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperDSC09741DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperIMG_9252DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaper


Wat incompleet is, blijft toch een bijzondere plaats van rust

In de vorige berichten bewoog ik me vooral langs banieren en steles
— niet omdat dat het enige was wat er te zien viel,
maar omdat de route door de zaal me daar telkens naartoe leidde.
Nu ik langzaam richting het einde van die zaal liep,
begon het meanderen vanzelf:
van de ene vitrine naar de volgende,
zonder het houvast van steeds weer
een Boeddhistische banier of een Northern‑Wei stele.

Daar, in die laatste meters, stond een object dat niet in dat patroon past.
Een onderstel, incompleet maar opvallend aanwezig,
dat zich niet meteen laat plaatsen en juist daardoor uitnodigt om even stil te staan.

DSC05600ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115DSC05601ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115

Zürich, Museum Rietberg, Pedestal of a sarcophagus, China, Northern Dynasties, first half of the 6th century CE, kalkstein. Geschenk Eduard von der Heydt, RCh 115.


In de zaal van het Museum Rietberg staat het object
als een zelfstandige steenmassa:
lang, laag, en met als eerste horizontale strook een decoratie
die als een soort stenen kleed over de bovenrand hangt.
Vervolgens loopt er een reeks banden met kabel‑, wolk‑ en ruitmotieven,
als sierlijke dragers van het dode mensenlichaam dat er op zal rusten.
Eén band bevat ruitvormige kaders waarvan enkele dieren of mensfiguren bevatten,
andere florale patronen;
de variatie is groot, maar door de fragmentarische staat
door mij niet volledig te inventariseren.

DSC05604ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115DSC05605ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115DSC05606ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115

Samen met de grote reliëfs op de poten van dit onderstel
vormt het de solide basis voor een laatste rustplaats.

Aan beide uiteinden van het onderstel verschijnen op de poten
geestwezens met tijgers
— hybride figuren met maskerachtige gezichten en verbrede,
vleugelachtige schouderpartijen.
De armen zijn gespreid in een houding die eerder zwevend dan anatomisch is,
terwijl de benen — menselijk van vorm maar gestileerd —
een beweging suggereren die tussen rennen en zweven in ligt.
Onder de figuren bewegen de tijgers, rank en gespierd, met de kop naar voren gericht.
De lijnen zijn diep en helder, alsof ze niet alleen contouren
maar ook energie vastleggen:
momenten van beweging die in steen tot rust komen.

DSC05602ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115 GeistwesenDSC05602ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115 Geistwesen CentralImage

Aan het midden van het onderstel verschijnt een groot monstermasker
— symmetrisch, frontaal, en bijna architectonisch van opbouw.
De ogen zijn rond en wijd, de mond geopend
in een boog van tanden, slagtanden en een krullende snor.

DSC05603ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115 Monstermaske

Uit de bovenrand groeien hoornachtige vormen die zich vertakken tot ornament,
als een uitbundig Venetiaans masker.
Daarboven komen haast gewei‑achtige vormen tevoorschijn,
met daartussen gestileerd haar dat als een tweede laag uit het gezicht lijkt op te rijzen.
Aan de onderkant hangen links en rechts sieraad‑ en lint‑elementen.

Alles samen een masker dat niet alleen kijkt maar ook decoratie wil zijn.
Het lijkt niet te dreigen, maar te waken:
een gestileerde beschermer die de overledene omhult met aandacht en zorg.

De decoratie rondom — bloemen, spiralen, geometrische patronen —
vloeit samen met het masker, alsof het niet uit steen gehouwen is
maar uit de ornamenten zelf tevoorschijn komt.

In de zesde eeuw lag op dit onderstel een bedplaat — hout of steen —
direct op de bovenrand.
Rondom die bedplaat stonden panelen, die zijn nu verdwenen.
De panelen vormden een lage omheining, een soort miniatuurarchitectuur
waarin de overledene lag.
Niet in een kist, niet in een urn, maar op het bed zelf, gewikkeld in textiel.

De iconografie op het onderstel
— tijger, geestwezens, monstermasker,
maar ook de wolken‑ en bloemmotieven in de banden —
functioneerde als een beschermende en ondersteunende onderlaag.

Het geheel was een meubel én het begin van een kosmische structuur:
een rustplaats die eerbied en ontzag voor de overledene uitdrukt.

Wat nu in Zürich overblijft, is de onderste laag van dat geheel.
Een stille, massieve basis die nog altijd de contouren draagt
van wat er ooit boven stond.
Wie de tijd neemt, leest in de steen de afdruk van een verdwenen constructie
— en van een lichaam dat hier ooit, heel precies, zijn plaats had.

Noordelijke dynastieën

Museum Rietberg spreekt in de beschrijving van RCh 115 van
“China, Northern dynasties, first half of the 6th century CE”.
Dat men geen keuze maakt voor een specifieke dynastie wijst erop
dat de stijl aansluit bij bredere tradities uit de Noordelijke dynastieën
— Noordelijke Wei, Oostelijke Wei, Westelijke Wei, Noordelijke Qi
en Noordelijke Zhou —
maar dat de fragmentarische staat van het object
en de beperkte iconografie geen definitieve toewijzing toelaten.

Het blijft een vorm die zich tussen meerdere stijllijnen beweegt,
zonder zich volledig aan één daarvan te hechten.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVII

– Over een houten Boeddha uit een site die alleen Stein nog zag –

We denken vaak dat we alles weten.
Dat we alles gezien hebben.
Dat we overal kunnen komen.
Dat de wereld klein is.
We stonden al op de maan!

Maar dan sta je in New Delhi voor een klein houten beeldje,
uit een plek aan de Zijderoute.
Een plaats die Stein als laatste gezien heeft.
Als laatste?
Ook in 1906/1908 waren er nog karavanen
die gebruik maakten van deze handelsroutes.
Stein maakte er nog foto’s van.

SteinAurélMTACamelCaravanXinjiang1904 01

Foto van Aurél Stein, uit het digitale MTA archief (de Hongaarse Academie van Wetenschappen) met als omschrijving: Camel caravan, Xinjiang, 1904.

SteinAurélMTACamelCaravanXinjiang1904 02 Detail

Detail van bovenstaande foto.

Maar hij is wel de laatste die de plaats documenteerde.
En dat maakt dit houten beeldje wel heel bijzonder.

DSC01392 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaInDhyanaMudraKichik-Hassar7th-8thCenturyCEWood27x15,5CmAccNoH-B-III-001

India, New Delhi, National Museum, Buddha in Dhyana Mudra, Kichik-Hassar, 7th – 8th century CE, wood, 27 x 15,5 cm. Acc.No. H.B. III.001.

DSC01392 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaInDhyanaMudraKichik-Hassar7th-8thCenturyCEWood27x15,5CmAccNoH-B-III-001Txt


Om te achterhalen wat het voorwerp precies is, heb ik de online bronnen
bekeken:

AurelSteinSerindiaVol3Page1173PagePDF110Column1AurelSteinSerindiaVol3Page1173PagePDF110Column2

In het Nederlands staat er in Serindia, deel 3, pagina 1173:

H. B. iii. 001.
Houten beeldje van Boeddha, gezeten in meditatie op een drielaagse troon. Grof gesneden, waarbij alleen de voorzijde en zijkanten zijn afgewerkt; de achterkant is vlak, bedoeld om met houten pennen aan een muur of ander oppervlak te worden bevestigd, waarvan er enkele nog aanwezig zijn. Een extra, tongvormig stuk hout — vermoedelijk oorspronkelijk oprijzend uit een nu verdwenen basis — is vastgezet in een overeenkomstige uitsparing aan de onderzijde van de rug. De Boeddha heeft langgerekte, doorboorde oren en een uṣṇīṣa (schedeluitstulping). De plooien van het gewaad zijn zeer conventioneel weergegeven door een reeks halfronde groeven. Het geheel was oorspronkelijk beschilderd met een dikke witte sliblaag, met resten van rode verf in de groeven en sporen van zwarte verf op het haar. Sterk gebarsten en aan het oppervlak versleten. Afmetingen: 28 × 16,5 × 10 cm. (Pl. CXXXVIII.)

Er staat een verwijzing naar een plaat. Die vind je in deel 3 van Serindia:

AurelSteinSerindiaVol4Plate138 CXXXVIIIPagePDF292 01

Onder plaat 128 staat: Stucco relief base of image (MI.xviii.001) and reliefs in stucco and wood from MING.01 and other sites. Het Boeddha-beeldje van dit bericht valt onder ‘the other sites’. Volgens mij is het de Boeddha rechtsboven.

AurelSteinSerindiaVol4Plate138 CXXXVIIIPagePDF292 02

In Stein’s foto in Serindia is het beeld nog ongerestaureerd, met een zichtbaar gat in de troon waar misschien een houten pen of steun heeft gezeten. In de huidige museumversie is die opening gedicht, wat de overgang markeert van veldvondst naar geconserveerd tentoonstellingsobject.


Dhyāna mudrā?

Stein registreerde in het veld uitsluitend wat hij feitelijk kon waarnemen,
zonder iconografische termen.
Zijn beschrijvingen moesten later onderzoek mogelijk maken.
Het museum neemt die volgende stap door de houding
als Dhyāna mudrā te interpreteren
— een duiding die past binnen de boeddhistische beeldtraditie,
maar die Stein zelf bewust niet maakte.

Kichik‑Hassār op de foto

AurelSteinSerindiaVol3Fig270 PagePDF94

In de digitale versie van Serindia die ik ter beschikking heb (vrij online te raadplegen) staat deze foto. Ik ben toen verder gaan zoeken en vond een digitaal archief met meer dan 6000 foto’s van Stein. Deze foto zat er tussen.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 01 Foto 01

Stein, Aurél, Ruined shrines I-III, Kichik-hassar, seen from south, 1908. Je ziet de foto op een vel met instructies voor de opmaak en de drukker en links in de hoek het nummer 270. Dat is het ‘Figure’-nummer in Serindia.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 01 Foto 02

Dezelfde opname maar nu geconcentreerd op de foto zelf. Er staat nog iemand op de foto links en er ligt een hond rustig te slapen, links onder tegen de heuvel.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 02 Instructies

Als je op de MTA-website gaat kijken dan zie je ook deze foto van een halfdoorzichting vel papier met getypte tekst met aanvullende opmaakopdrachten. Op de achtergrond zie je de foto doorschijnen.


Op de heuvel staat een figuur die duidelijk als schaalreferentie is opgenomen.
Wie het precies is, valt niet met zekerheid vast te stellen:
op Stein’s veldfoto’s verschijnen zowel hijzelf als assistenten
in vergelijkbare kleding, en bij deze opname ontbreekt
elke expliciete persoonsvermelding.

De foto maakt deel uit van het digitale archief van het
MTA Könyvtár és Információs Központ
(de Hongaarse Academie van Wetenschappen),
dat een deel van Stein’s originele glasnegatieven beheert.

Deze collectie kwam daar terecht via Stein’s Hongaarse afkomst
en de overdracht van delen van zijn persoonlijke
wetenschappelijke nalatenschap aan Hongaarse instellingen.

De bij deze opname bewaarde archiefvellen
bevatten geen identificatie van de afgebeelde persoon,
zodat alleen kan worden vastgesteld dat het om een schaalfiguur gaat,
niet om een gedocumenteerd portret van Stein zelf.

Waar ligt Kichik‑Hassār eigenlijk?

Kichik‑Hassār ligt in het huidige China,
in de Xinjiang Uyghur Autonomous Region.
Maar dat moderne kader vertelt maar een deel van het verhaal.
In de tijd waarin het houten Boeddhabeeldje werd gemaakt
— ruwweg 7e–8e eeuw — maakte dit gebied geen deel uit
van een Chinees kerngebied, maar van het boeddhistische koninkrijk Khotan,
een oasecultuur langs de zuidelijke rand van de Taklamakan-woestijn.

Het was een regio met sterke Indiase, Iraanse en Centraal‑Aziatische invloeden, waar Sanskriet, Prakrit en Khotanees werden gebruikt, en waar boeddhistische kunst zich in een eigen, herkenbare stijl ontwikkelde.

Dat betekent dat het beeldje geografisch in China is gevonden, maar cultureel en artistiek tot Khotan behoort. Die nuance is belangrijk: het bepaalt hoe we naar het object kijken, welke vergelijkingen zinvol zijn, en waarom de stijl zo anders is dan wat we uit de Chinese boeddhistische traditie kennen.

Een site die alleen dankzij Stein bestaat

Kichik‑Hassār is een van die kleine heiligdommen
die we uitsluitend kennen dankzij Stein.
Hij bezocht de plek kort tijdens zijn tweede expeditie (1906–1908),
maakte enkele foto’s, beschreef drie kleine schrijnen en een stūpa‑groep,
en nam een handvol objecten mee — waaronder het houten Boeddhabeeldje.

Daarna is niemand ooit teruggekeerd.
Geen Chinese archeologen, geen Westerse teams,
geen moderne surveys.
De exacte locatie is onzeker, de ruïnes zijn waarschijnlijk
opnieuw door het zand opgeslokt,
en de regio is tegenwoordig grotendeels ontoegankelijk
voor systematisch archeologisch onderzoek,
zowel door buitenlandse als door de meeste binnenlandse teams.
Je kunt er zelfs geen gewone vakantie boeken;
het gebied is voor bezoekers vrijwel volledig afgesloten

De zuidelijke rand van de Taklamakan

De zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn vormde in de oudheid
een van de belangrijkste verkeersaders van de Zijderoute.
Het was de winterroute:
in de koude maanden trokken karavanen langs de oases van
Khotan, Keriya, Niya en Miran,
waar water, hout en beschutting te vinden waren.

In de zomer weken reizigers liever uit naar de noordelijke route,
langs Aksu, Kucha en Turfan,
omdat de zuidelijke rand dan extreem heet werd
en de afstand tussen de oases gevaarlijk groot kon zijn.

Die seizoensgebonden verschuiving is essentieel
om Kichik‑Hassār te begrijpen.
Het lag precies in die zuidelijke gordel van oases
die de winterroute mogelijk maakten.
Kleine heiligdommen zoals Kichik‑Hassār waren onderdeel van dit netwerk:
plekken waar reizigers konden bidden, waar monniken leefden,
en waar lokale gemeenschappen devotionele objecten produceerden
— zoals het eenvoudige houten Boeddhabeeldje dat Stein vond.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVI

– over hoe we uit fragmenten proberen te begrijpen wat ooit één geheel was –

De collectie van het National Museum in New Delhi is super!
De kwaliteit is indrukwekkend.
Zeker als je er naar kijkt in het licht van hun beperkte budget.

De Stein-collectie is daarbij voor mij een hoogtepunt maar
dat is ook het geval voor de stenen en metalen beelden,
friezen, steles enz.
De hele geschiedenis van Britisch India trekt aan je voorbij.

Het brengt de verplichting mee om nog kritischer te zijn op
Nederlandse musea, die vaak klagen over hun budget,
maar in werkelijkheid over veel ruimere mogelijkheden beschikken.

De afgelopen dagen heb ik veel moeite gehad om te achterhalen
wat ik nu precies zie bij drie objecten:

  • de muurschildering van Boeddha met discipelen uit Miran (zie eerder bericht)
  • een houten Boeddha-beeld uit Kichik-hassar (nooit eerder van gehoord, volgt)
  • en een pelgrimsfles uit Yotkan (een site in Khotan).

Over dit laatste object gaat dit bericht.
Ik stel het meteen voor:

DSC01393IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01

India, New Delhi, National Museum, Pilgrim’s bottle, Yotkan, 4th – 5th century CE, terracotta, 15 x12 cm.

DSC01394IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01Txt


Wat is Yotkan?

In de oase van het huidige Hotan (stad in China)
ligt Yotkan als een stille onderlaag van de tijd:
het archeologische hart van het oude koninkrijk Khotan.
Waar de moderne stad zich steeds verder oostwaarts ontwikkelde,
bleef Yotkan achter als de vroegste hoofdstad,
een plek waar de materiële cultuur van Khotan nog tastbaar is.
De terracotta‑vondsten, fragmenten van boeddhistische beeldtaal
en sporen van ambachtelijke productie
vormen samen een zeldzaam venster op een samenleving
die leefde van jade, irrigatie en de zuidelijke Zijderoute.
Yotkan is daarmee geen aparte wereld naast Khotan,
maar de bewaarde laag van zijn oorsprong
— een archeologische echo van het koninkrijk
dat hier meer dan een millennium bloeide.

Zoals vaker ben ik de zaaltekst gaan toetsen aan de informatie
die ik kon vinden in Serindia.
Het probleem daarbij is dat Stein zijn nummersysteem aanpast
aan de bron van de objecten.
Stein beschrijft wat die bronnen zoal zijn:

Serindia, Vol1, page 94

At Yotkan the great pit-like area resulting from the long years of washing for gold and ‘treasure’ at the site of the ancient capital, showed but slight change since 1900. A series of causes have tended to reduce the operations which have yielded as their by-product so many curious relics of ancient Khotan.

Serindia, Vol1, page 95

In spite of the restricted working the yield is small antiques, such as terracotta figurines, coins, cut stones, etc., still continued. This was proven by the relatively ample collection of such objects I was able to acquire that year both at Yotkan itself and at Khotan and during my subsequent visits in 1908.

Serindia, Vol1, page 97

As on my previous journey. I endeavoured, during my sucdcessive visits to the Khotan oasis in 1906 and again in 1908, te secure any antiques that were to be found either among the villagers engaged in the gold-washing operations at Yotkan or in the hands of those local agents who are in the habit of collecting such objects as ancient coins, cut stones, decorated pottery, etc., which find their way into the Khotan Bazars It is certain that the latter receive the main portion of their abundant supply of small antiques from the annual operations at Yotkan, and also relatively little from chance finds made by the ‘treasure-seekers’ who make a practice of visiting the eroded old sites around the oasis during the winter months. It has therefore appeared convenient to treat all the antiques which I obtained by purchase while in Khotan in one place.

All objects acquired by me either personally or through my thrustworthy local fctotum Badruddin Khan, the headman of the Indian and Afghan traders, as avowedly coming from Yotkan bear the distinguishing mark of Yo. in the descriptive list given in the section following. But even in the case of these objects the evidence as to their provenance can obviously not claim the same value as if they were finds resulting from systematic exploration on the spot. As regards antiques acquired through other channels there is still grater need for caution before making any individual piece a basis for antiquarian argument.
Yet with this reservation once made it is easy to recognize that the great mass of the objects are genuine relics left behind by the civilization which flourished during Buddhist times at the ancient capital of Khotan. So closely do they agree in character, style and material with the contents of collections previously secured from the ‘culture-strata’ of Yotkan.

In het Nederlands:

Wanneer Stein in 1906 en 1908 opnieuw in Yotkan arriveert,
treft hij dezelfde enorme kuil aan die al decennia lang
door lokale bewoners wordt uitgegraven voor goud en ‘schatten’.
Die half‑industriële goudwassing levert als bijproduct
een constante stroom kleine antiquiteiten op:
terracotta figuurtjes, munten, geslepen stenen
en fragmenten van versierde keramiek.
Omdat de systematische opgraving van Yotkan onmogelijk is
— het terrein wordt immers door dorpelingen bewerkt,
niet door archeologen —
is Stein volledig afhankelijk van wat deze goudwassers
en lokale handelaren hem aanbieden.

Hij beschrijft hoe hij tijdens elk bezoek de dorpsbewoners langsgaat
die in de kuil werken, en daarnaast de tussenpersonen
die zulke vondsten verzamelen voor de bazaar van Khotan.
Het merendeel van de objecten die daar circuleren, zo stelt hij,
komt rechtstreeks uit de jaarlijkse werkzaamheden in Yotkan;
slechts een klein deel is afkomstig van schatzoekers
die ’s winters oude sites rond de oase afstruinen.

Stein markeert alle stukken waarvan de herkomst
volgens de verkopers “zeker Yotkan” is met het voorvoegsel Yo.,
maar hij benadrukt zelf dat deze provenance (oorsprong)
nooit dezelfde waarde heeft als vondsten uit gecontroleerde opgravingen.
Toch ziet hij in de grote hoeveelheid en de consistente stijl van de objecten
voldoende bewijs dat ze authentieke resten zijn
van de boeddhistische cultuur
die ooit in de oude hoofdstad van Khotan bloeide.

In Serindia zie je dan de volgende manieren om objecten uit Yotkan
te identificeren:

  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo.1.
  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo. 01. a.
  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo. 001. a-v.

Dus als de zaaltekst zegt dat de pelgrimsfles nummer Yo.01 is,
welk nummer bedoelen ze dan precies?

  • Yo.01.a. is een amfora maar de beschrijving is heel anders dan het object;
  • Yo.001. a-v zijn series van groteske maskers,
    afkomstig van ‘vazen’.

Nog even terug naar Stein:

SerindiaVol I Page98

In Serindia vol. I p. 98 beschrijft Stein dat de ornamentatie
van Yotkan‑vazen bestond uit afzonderlijk gemodelleerde appliqué‑stukken,
vooral groteske maskers en menselijke gezichten
(Yo. 001 a–v etc., Plates I & III).

SerindiaVol4Plaat3Detail

Mij lijken de twee maskers linksboven op plaat 3 (detail hierboven), wel erg veel op het gezichtje in het midden van de pelgrimsfles. Op de website van het International Dunhuang Project zie je meer van deze maskers met een sterke gelijkenis maar een veel hoger nummer.

DSC01393IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01 Detail

Let misschien ook eens op het kleurverschil tussen het masker en de fles.

De Pilgrim’s Bottle in het National Museum New Delhi
lijkt een moderne reconstructie van zo’n vaas,
waarin een van deze appliqué‑gezichten opnieuw is toegepast
om het oorspronkelijke decoratieve type te tonen.

SerindiaVol1Page104 Yo.001 a-v

Mijn voorlopige conclusie

De Pilgrim’s Bottle in het National Museum New Delhi
is vrijwel zeker een moderne reconstructie van een Yotkan‑vaas,
waarbij een van Stein’s appliqué‑maskers uit de reeks Yo. 001 a–v
als decoratief middelpunt is gebruikt.
Stein beschreef deze maskers als groteske menselijke gezichten,
oorspronkelijk aangebracht op terracotta vaten
— die het museum visueel heeft hersteld tot een complete flesvorm.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLV

– over een muurschildering uit een boeddhistische stupa –

Mijn plan was een bericht te schrijven over drie objecten.
Drie voorwerpen die ik zag in het National Museum in Delhi:

  • een ‘Pilgrim’s bottle’ uit Yotkan
  • een Boeddhabeeldje in dhyana-mudra uit Kichik-Hassar
  • en een muurschildering uit Miran

Drie voorwerpen uit de Aurél Stein collectie van het museum.
Alle drie verbonden aan de historische zijderoute.
Maar het lukte niet om alle informatie bij elkaar te krijgen
die ik nodig vond voor mijn verhaal.
De pelgrimsfles en het Boeddhabeeldje volgen daarom in een ander bericht.
Vandaag concentreer ik me op de muurschildering met
Buddha with six disciples, 3rd – 4th century CE.

DSC01395IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003 LeftPartDSC01396IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003 Complete

India, New Delhi, National Museum, Buddha with six disciples, Miran, 3rd – 4th century CE, wallpainting, 57,15 x 100,33 cm. Acc.No. M.III.003. Dat nummer heeft een betekenis de ‘M’ staat voor Miran, de plaats waar het is opgegraven. ‘III’ wil zeggen dat er meerdere fysieke plaatsen waren in Miran en dat dit object uit de derde plaats komt, ‘003’ is het volgnummer van de muurschildering in de reeks objecten die Aurel Stein ontdekte in de derde plaats van Miran, een stupa.


Natuurlijk ben ik mijn bronnen gaan bekijken en dat begon met de zaaltekst:

DSC01397IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003Txt

This fragment of a wall painting from a stupa in Miran shows the bust of the Buddha with six disciples. The scene probably depicts the conversation of the six Shakya princes. A story mentioned in the Buddhist Vinaya texts.


Vervolgens raadpleegde ik Serindia:

SerindiaVo1Page540Part01SerindiaVo1Page540Part02SerindiaVo1Page541Part01SerindiaVo1Page541Part02

Serindia, Vol 1, page 540 & 541.


M. III. 003. Fresco panel (incomplete) fallen in front of M. III. iv-v. On L. is upper half of a Buddha, three quarters to L., R. hand raised as in Abhaya-mudra but with thumb bent inwards touching second joint of third finger (eighth on hand). Dr. Venis suggests that this may symbolize Buddha expounding ‘the eight-fold way’ or the eight Paramitas. L. hand low, prob. gathering up drapery. Behind him are six disciples, in two rows of three, one above the other; the nearest to him in upper row holding a yak-tail fan in raised R. hand; to R. again of disciples appears naked R. arm which grasps handful of white buds or flowers, apparently in act of throwing. As background to arm appears part of dark conical (?) mass of black, covered with red and white flowers and poppy-like leaves in greenish grey; and on extreme L. is similar mass of black on which are scattered well-drawn leaves in greyish blue; both are intended to represent trees (cf. Figs 136-8). Background elsewhere vermillion, turning to pale buff between Buddha and disciples (paint probably lost); along top runs black band.
Buddha wears dark purple-brown robe, covering both shoulders; outlined black and lined with buff, which shows at turnover on L. shoulder. Head of Western, slightly Semitic type, with high straight forehead and somewhat domed top; large well-opened straight-set eyes, partially covered by eyelids; nose aquiline; short upper lip; small curved mouth; softly rounded cheeks and chin; ears are elongated and pierced, and there is small moustache and rippling lock before ear; eyebrows nearly meet over nose; L. strongly arched; hair in curves along forehead, receding at temples; uṣṇīṣa partly lost; all hair black.
Flesh pale buff; flat on face, but with grey shading on arm; contour lines rapidly drawn with broad brush in light red, and emphasized with lines of reddish-brown wherever a true outline is in question or strong outline of feature is required; elsewhere (along sides of nose, line of jaw against neck and of forehead under hair, round ball of chin and for wrinkles in neck) the light red only is used, giving effect of rough shading but producing required effect at a slight distance. Eyes look slightly downwards under eyelid, and are painted like those of ‘angels’ with white on eyeballs, brown on irises, and black for pupils and iris outline; behind head is circular halo of light buff bordered with red.
The disciples are of a strongly Western type, with decidedly hooked noses and fuller and more prominent eyes. Their heads are of a shorter and rounder type, and the method of painting is different from that of the Buddha but akin to that employed in the faces of M. III. 002 and of the ‘angels’ in the dado; the colouring, however, is much stronger and cruder that that of the latter. All heads are shaven and are seen threequarters to L.; fig. on L. in top row carries white cauri in R. hand uplifted behind Buddha, and wears bright green robe lined with white, leaving R. shoulder bare; next wears bright red robe lined with white, covering both shoulders; fig. on L. in lower row, light buff robe with folds indicated in red (R. shoulder broken off); and fig. at other end of row dark red robe covering both shoulders; a hand of the latter appears at edge of fr. from inside of breast of robe, fingers clasping edge; this fig. also has two transverse wrinkles in forehead and heavy double-curved eyebrows meeting over nose; ears are all pierced. The monotony of the heads is diversified by the difference of their gaze, some looking to their R., others straight before them, another more directly towards spectator and up under eyelids.
The flesh itself is painted in clear salmon or flesh pink, shaded with warm grey, and with high pink blush upon each cheek; all outlines are red-brown, and the shaven portions of the flesh are also represented in grey; the lips are vermilion; their treatment and colouring, like that of the eyes, being similar to that of the ‘angels’, M. III. i-v, etc.; cf. also M. III. 008. The white impasto of the eyes is particularly thick, catching real high lights.
The painting is of the same firm bold style as that of the dado, evidencing well-developed methods of producing a finished effect with economy of work. Colouring very fresh and surface well preserved. 3′ three and a half” x 1′ ten and a half” Pl. XLII.

SerindiaVol4PlateXLIIPDFPage100AccNoM-III-003

In de tekst wordt verwezen naar Plate XLII, dit is plaat 42. Dat helpt enorm om vast te stellen dat mijn foto’s en de tekst op hetzelfde object betrekking hebben.


Nederlandse vertaling:

M. III. 003. Onvolledig fresco‑paneel, gevallen vóór de ruimten M. III. iv–v. Aan de linkerzijde bevindt zich de bovenhelft van een Boeddha, driekwart naar links gewend, met de rechterhand opgeheven zoals in de abhaya‑mudrā, maar met de duim naar binnen gebogen zodat deze het tweede kootje van de derde vinger raakt (een “acht” op de hand). Dr. Venis suggereert dat dit de Boeddha kan voorstellen die de “achtvoudige weg” of de acht pāramitā’s uiteenzet. De linkerhand hangt laag, waarschijnlijk bezig de draperie op te nemen.
Achter hem staan zes discipelen, in twee rijen van drie, de ene boven de andere; de discipel die het dichtst bij hem staat in de bovenste rij houdt een jakstaart‑waaier in de opgeheven rechterhand; verder naar rechts verschijnt de ontblote rechterarm van een andere discipel, die een handvol witte knoppen of bloemen grijpt, blijkbaar in het gebaar van werpen.
Als achtergrond achter deze arm verschijnt een deel van een donkere, kegelvormige (?) massa zwart, bedekt met rode en witte bloemen en papaverachtige bladeren in groenachtig grijs; en uiterst links staat een vergelijkbare zwarte massa waarop goed getekende bladeren in grijsblauw zijn verspreid. Beide zijn bedoeld als bomen (vgl. figuren 136–138). De achtergrond elders is vermiljoen, overgaand in licht beige tussen Boeddha en discipelen (verf waarschijnlijk verloren); langs de bovenrand loopt een zwarte band.
De Boeddha draagt een donker purper‑bruine mantel die beide schouders bedekt; deze is met zwart omrand en gevoerd met licht beige, dat zichtbaar is bij de omslag op de linkerschouder. Het hoofd is van westers, licht semitisch type, met een hoog recht voorhoofd en een enigszins gewelfde kruin; grote, goed geopende, recht geplaatste ogen, gedeeltelijk bedekt door de oogleden; een neus met een lichte welving; korte bovenlip; kleine gebogen mond; zacht afgeronde wangen en kin. De oren zijn langgerekt en doorboord, en er is een kleine snor en een golvende haarlok vóór het oor; de wenkbrauwen komen bijna samen boven de neus; de linker wenkbrauw is sterk gebogen. Het haar loopt in bogen langs het voorhoofd en wijkt bij de slapen; de uṣṇīṣa is gedeeltelijk verloren; al het haar is zwart.
De huid is licht beige; vlak op het gezicht, maar met grijze arcering op de arm. De contourlijnen zijn snel getrokken met een brede kwast in lichtrood, en benadrukt met roodbruine lijnen waar een echte omtrek of een sterke gelaatslijn vereist is; elders (langs de zijkanten van de neus, de kaaklijn tegen de hals, het voorhoofd onder het haar, rond de bol van de kin en voor de plooien in de hals) is alleen het lichtrood gebruikt, wat een ruwe schaduwwerking geeft maar op enige afstand het gewenste effect oplevert. De ogen kijken iets naar beneden onder de oogleden en zijn geschilderd zoals die van de “engelen”, met wit op de oogbol, bruin op de iris en zwart voor pupil en irisomtrek. Achter het hoofd bevindt zich een cirkelvormige halo van licht beige met een rode rand.
De discipelen zijn van een uitgesproken westers type, met duidelijk gebogen neuzen en vollere, meer prominente ogen. Hun hoofden zijn korter en ronder van vorm, en de schilderwijze verschilt van die van de Boeddha maar lijkt op die toegepast in de gezichten van M. III. 002 en van de ‘engelen’ in de onderste wandzone; de kleuring is echter veel sterker en grover dan die van laatstgenoemden.
Alle hoofden zijn geschoren en driekwart naar links gewend. De figuur links in de bovenste rij draagt een witte yakstaart-waaier in de opgeheven rechterhand achter de Boeddha, en draagt een helder groene mantel, wit gevoerd, waarbij de rechterschouder bloot is; de volgende draagt een helder rode mantel, wit gevoerd, die beide schouders bedekt. De figuur links in de onderste rij draagt een licht beige‑kleurige mantel met plooien aangegeven in rood (rechterschouder afgebroken); en de figuur aan het andere uiteinde van de rij draagt een donkerrode mantel die beide schouders bedekt. Van deze laatste verschijnt een hand aan de rand van het fragment, vanuit de binnenzijde van de mantel, waarbij de vingers de rand vastgrijpen. Deze figuur heeft ook twee dwarsrimpels in het voorhoofd en zware dubbel gebogen wenkbrauwen die boven de neus samenkomen; alle oren zijn doorboord.
De monotonie van de hoofden wordt doorbroken door verschillen in hun blikrichting: sommigen kijken naar rechts, anderen recht vooruit, weer een ander meer direct naar de toeschouwer en omhoog onder de oogleden.
De huid is geschilderd in helder zalm‑ of vleeskleurig roze, gearceerd met warm grijs, en met een sterke roze blos op elke wang; alle contouren zijn roodbruin, en de geschoren delen van de huid zijn eveneens in grijs weergegeven. De lippen zijn vermiljoen; hun behandeling en kleuring, evenals die van de ogen, lijken op die van de “engelen”, M. III. i–v, enz.; vgl. ook M. III. 008. De witte impasto van de ogen is bijzonder dik, zodat echte lichtreflecties worden gevangen.
De schildering is in dezelfde stevige, gedurfde stijl als die van de onderste wandzone, en toont goed ontwikkelde methoden om met een zekere zuinigheid van arbeid een afgewerkt effect te bereiken. De kleuren zijn zeer fris en het oppervlak is goed bewaard gebleven. Afmetingen: drie voet en drie en een halve inch bij één voet en tien en een halve inch. Afgebeeld op plaat XLII.

SteinAurélMuralFromDadoOfShrineMIIIMiranSerPlateXLI

In de tekst is sprake van ‘Engelen’. Dit is een foto van Stein met een van die engelen die zich onder tegen de muur bevonden. In dezelfde ruimte als de ‘Boeddha met de zes volgelingen’.


Natuurlijk riepen de afbeelding en de teksten een paar vragen op
die hieronder probeer te beantwoorden.

Het verhaal van de zes Śākya‑prinsen

In de boeddhistische traditie vormen de Vinaya‑teksten
de kern van kloosterregels en de verhalen die deze regels verklaren.
Ze maken deel uit van de Tripiṭaka en bevatten naast voorschriften
ook talrijke anekdotes over het vroege kloosterleven,
evenals stambomen en familiegeschiedenissen van personen
rond de Boeddha.

In Centraal‑Azië, waaronder Miran,
was vooral de Mūlasarvāstivāda‑Vinaya de dominante versie.
Deze bevat onder meer het verhaal van zes jonge Śākya‑prinsen
—Bhaddiya, Anuruddha, Ānanda, Bhagu, Kimila en Devadatta—
die als verwanten van de Boeddha gezamenlijk besluiten
zich te laten wijden.
In sommige versies gaat dit vooraf aan een onderlinge discussie
over hun toekomst en plichten,
waardoor het motief van een “gesprek van zes prinsen”
in latere tradities herkenbaar werd.

De zaaltekst van het National Museum in New Delhi suggereert
dat het Miran‑fragment mogelijk naar deze episode verwijst.
Die interpretatie lijkt vooral gebaseerd op het aantal van zes:
achter de Boeddha zijn zes figuren gegroepeerd,
in twee rijen van drie.
Dit sluit oppervlakkig aan bij het canonieke aantal van de zes Śākya‑prinsen.

Bij nadere beschouwing is deze toewijzing echter problematisch.
De zes figuren achter de Boeddha zijn geen aristocratische prinsen,
maar geschoren monniken in eenvoudige gewaden,
zonder sieraden of koninklijke attributen.
Hun uiterlijk, kleding en houding passen volledig
binnen de conventionele iconografie van discipelen
in Centraal‑Aziatische boeddhistische muurschilderingen.
Bovendien bevindt zich rechts van deze groep een zevende figuur,
waarvan alleen een arm zichtbaar is
die witte bloemen of knoppen strooit.
Deze figuur staat duidelijk los van de groep van zes
en vervult een rituele, dienende rol die niet past
binnen het Vinaya‑verhaal van de prinsen.
Ook de compositie als geheel ondersteunt geen narratieve lezing.
De Boeddha is in driekwart profiel weergegeven,
met achter hem een compacte groep discipelen
en een afzonderlijke bloemenstrooier.
Dit schema komt veelvuldig voor in de schilderkunst van Miran,
Khotan en Kucha, waar het fungeert als een devotionele voorstelling
van de Boeddha met zijn volgelingen,
niet als een specifieke historische scène.
Stein zelf geeft dan ook geen enkele narratieve identificatie
en beschrijft uitsluitend wat zichtbaar is.

Hoewel de aanwezigheid van zes figuren in een groep
een associatie met de zes Śākya‑prinsen kan oproepen,
biedt het fresco geen iconografische aanwijzingen
die deze interpretatie ondersteunen.
De combinatie van zes monniken en een afzonderlijke bloemenstrooier
past beter binnen de algemene Centraal‑Aziatische traditie
van Boeddha‑met‑discipelen,
waarbij het aantal volgelingen kan variëren
en niet noodzakelijkerwijs een tekstuele episode weerspiegelt.

SteinAurélMuralMIII003MiranSerPlateXLII

Dit is een foto van Stein van het paneel ‘Boeddha met de zes volgelingen’.


Wie is ‘Dr. Venis’?

In de Mahāyāna‑traditie spelen de pāramitā’s
—de “volmaaktheden” of “deugden” van een bodhisattva—
een centrale rol.
Ze vormen een ideaal van morele en spirituele ontwikkeling
dat in grote delen van Azië, van India tot China, Korea en Japan,
diep in de religieuze cultuur is verankerd.
De pāramitā’s worden in verschillende tradities
in reeksen van zes, acht of tien geordend,
maar de kern blijft gelijk:
het zijn kwaliteiten die een bodhisattva cultiveert
om anderen te helpen en uiteindelijk verlichting te bereiken.

Voor veel boeddhisten in Azië zijn deze deugden geen abstracte filosofie,
maar praktische richtlijnen voor het dagelijks leven.
Vrijgevigheid (dāna), geduld (kṣānti), wijsheid (prajñā) en inzet (vīrya)
worden gezien als concrete manieren om het lijden van anderen te verlichten
en een ethisch leven te leiden.
In kunst en literatuur worden de pāramitā’s vaak geassocieerd
met bodhisattva‑idealen,
maar zelden met specifieke handgebaren van de Boeddha zelf.

Dat maakt de suggestie van Dr. H. H. Venis,
die door Stein in Serindia wordt vermeld, interessant maar ook problematisch.

Venis stelde dat het handgebaar van de Boeddha in het Miran‑fragment
mogelijk zou verwijzen naar de Achtvoudige Weg of naar de acht pāramitā’s.
Stein noteert deze opmerking, maar werkt haar niet verder uit.
Dat is kenmerkend voor zijn werkwijze:
Stein documenteert graag alle interpretaties die hij onderweg hoorde,
ook wanneer ze speculatief zijn.
Hij doet dat uit collegialiteit, uit beleefdheid,
en omdat hij vond dat zelfs losse observaties
deel uitmaken van de kenniscontext rond een object.

Toch is het belangrijk te benadrukken dat er
geen iconografische traditie bestaat waarin
een handgebaar van de Boeddha wordt gebruikt
om naar de acht pāramitā’s te verwijzen.
Evenmin is er een traditie waarin een mudrā
de Achtvoudige Weg symboliseert.
De suggestie van Venis moet daarom worden gezien
als een persoonlijke associatie, niet als een gevestigde interpretatie.

Daar komt bij dat er geen bekende correspondentie bestaat
tussen Stein en Dr. Venis waarin deze interpretatie wordt besproken.
In de archieven van de British Library,
waar Stein’s brieven en veldnotities worden bewaard,
is tot nu toe geen brief gevonden waarin Venis
over dit specifieke object schrijft.
Ook zijn er geen publicaties van Venis bekend
over boeddhistische kunst of iconografie.
Alles wijst erop dat Venis een tijdgenoot‑adviseur was
—een Britse arts in India met antiquarische belangstelling—
die Stein incidenteel van commentaar voorzag
op basis van foto’s of schetsen die Stein tijdens zijn expedities rondstuurde.

Stein vermeldt Venis’ opmerking dus vooral als documentatie
van een tijdgenoot‑observatie, niet als een interpretatie
die hij zelf onderschrijft.
Dat is des te relevanter omdat het Miran‑fragment zelf
geen enkele iconografische aanwijzing bevat
die een verband met de acht pāramitā’s ondersteunt.
De compositie is devotioneel, niet doctrinair;
de discipelen zijn monniken, geen bodhisattva’s;
en het handgebaar past binnen bekende mudrā‑varianten
zonder numerieke symboliek.

De ‘yakstaart‑waaier’

De yakstaart‑waaier (chauri, chowrie) is een ritueel attribuut
dat in grote delen van Azië wordt gebruikt als teken van eerbetoon.
Het object bestaat uit een bundel lang, wit yakhaar
die aan een handvat is bevestigd.
In boeddhistische kunst wordt de waaier vaak gedragen door dienaren
of hemelse begeleiders die de Boeddha omringen.
De functie is deels praktisch
—het wegjagen van insecten—
maar vooral symbolisch:
de waaier markeert de sacrale status van degene
voor wie hij wordt gezwaaid.

In het Miran‑fragment is de waaier bijzonder elegant weergegeven.
De lange haren vormen geen brede pluim, maar lopen opvallend spits toe,
alsof de kunstenaar de beweging van het haar
in de lucht heeft willen vangen.
Die slanke, naar één punt toelopende vorm versterkt
het rituele karakter van het gebaar:
de volgeling heft de waaier niet zomaar op, maar presenteert hem
in een gecontroleerde, bijna ceremoniële houding.
De combinatie van het lichte, bijna glanzende wit van het yakhaar
en de smalle, spits toelopende contour
maakt de waaier tot een subtiel
maar krachtig visueel signaal van devotie binnen de compositie.

Boeddha: westers, licht semitisch type?

Opvallend is het verschil in taal waarmee Stein
de Boeddha en zijn discipelen beschrijft.
Het gelaat van de Boeddha noemt hij een “Western, lightly Semitic type”,
een vroeg‑20e‑eeuwse kunsthistorische term
voor een geïdealiseerd, klassiek geïnspireerd Boeddha‑type
dat hij herkent uit de Grieks‑Boeddhistische traditie van Gandhāra.

De discipelen daarentegen worden door Stein niet individueel beschreven.
Hij gebruikt geen onderscheidende of gedifferentieerde observaties,
maar plaatst hen onder één verzamelcategorie:
“strongly Western type, with decidedly hooked noses
and fuller and more prominent eyes”.
Dit is geen poging om variatie te benoemen,
maar juist een vormbeschrijvende generalisatie
waarin alle gezichten tot één type worden samengevoegd.

Het contrast tussen beide beschrijvingen weerspiegelt
een toen gangbare kunsthistorische benadering:
de Boeddha als ideaaltype dat in een klassieke traditie wordt geplaatst,
de discipelen als uniforme groep die via brede,
typologische termen wordt aangeduid.

Stein’s woordkeuze zegt daarmee meer
over de classificerende categorieën van zijn tijd
dan over de feitelijke diversiteit van de afgebeelde gezichten.

Beide zijn bedoeld als bomen

Als achtergrond achter deze arm verschijnt een deel van een donkere, kegelvormige (?) massa zwart, bedekt met rode en witte bloemen en papaverachtige bladeren in groenachtig grijs; en uiterst links staat een vergelijkbare zwarte massa waarop goed getekende bladeren in grijsblauw zijn verspreid. Beide zijn bedoeld als bomen (vgl. figuren 136–138).

SerindiaFig136Page521DetailTree

Dit is een dergelijke boom die op de foto’s staat waar Stein naar verwijst. Dit is en detail van Fig 136. Je ziet een donkere achtergrondkleur waar een boomstam, takken en bladeren op te herkennen zijn.


Stein noemt de donkere, met bladeren bestrooide vlakken
achter de arm “trees”,
verwijzend naar vergelijkbare voorbeelden in Miran
waar een donkere achtergrondmassa wél duidelijk een boom vormt
met stam en takken.
In het fragment zelf ontbreekt die structuur echter volledig:
er is geen stam, geen vertakking, slechts een verzameling bladeren
die over een donker vlak zijn verspreid.
Het resultaat is eerder een decoratieve vegetatiemassa
dan een herkenbare boom.

Stein’s classificatie weerspiegelt daarmee zijn vergelijkende methode
—hij herkent een motief uit andere schilderingen—
maar sluit niet precies aan bij wat hier visueel te zien is.


Deze prachtige muurschildering roept bijna net zo veel vragen op
als dat het antwoorden geeft.
Maar het mooiste vond ik het verslag van Stein over hoe
de betreffende site gevonden werd.
Het geeft een beeld van de moeilijke omstandigheden waaronder
er gewerkt werd en hoeveel Stein diende te regelen.
Om een gevoel te krijgen bij dat verslag heb ik een aantal citaten
uit zijn verhaal gehaald en die wil ik hier delen.

Daarbij is het misschien goed een idee te hebben
van hoe het verslag van Stein is opgebouwd.
Een eerste aanzet voor een leeshulp:

De boekenreeks Serindia is zo opgebouwd dat per vindplaats
Stein eerst in grote stappen beschrijft hoe ze er kwamen,
wat ze er aantroffen, welke activiteiten er allemaal werden uitgevoerd
en wat belangrijke vondsten waren.
Daarna volgt er een genummerde lijst
met een beschrijving van ieder voorwerp.
De afgelopen weken, en ook in dit bericht, waren die beschrijvingen te zien.
Steeds bij een of meerdere foto’s van het voorwerp waar het over ging.
Maar van de meer algemene inleidingen wil ik vandaag wat citaten delen.

Serindia Vol. 1, page 450

On the morning of December 29, 1906, we left the Lou-lan ruins to regain ground where there still was water and with it life. The journey was to be made in two separate parties. The large band of labourers, whom the constant exertions and privations had severely tried, was to return to Abdal by the route previously followed, together with those camels which showed signs of exhaustion. Rai Ram Singh, the Surveyor, who was still suffering from acute attacks of rheumatism and was thus unfit at the time for fresh surveys such as I should otherwise have liked him to undertake in the desert eastwards, was put in charge of this party.
I myself, taking ten of the fittest camels and a small number of men, set out to the south-west in order to reach the terminal course of the Tarim River across the unknown desert area separating it from the small ruined site of Merked-tim, which Dr. Hedin had visited in 1896 on his journey along the Ilek branch of the Tarim, and which I wished to examine before returning to my tasks at the ruins of Miran.

Serindia Vol. 1, page 455

Next day I marched back to Charkhlik, where a variety of tasks, as described in my personal narrative, and the need of giving my worn-out followers a chance of recovering from fatigues and exposure, urgently called me. These tasks, which included the raising of fresh supplies and transport for the long journey ahead as well as of labour for the excavations at Miran, detained me at the Lop headquarters from the 17th to the 21st of January.
On the morning of January 22 I started back to Miran with diggers and fresh supplies. Late on the following evening I had the great satisfaction of finding myself again by the bank of the Miran stream, now hard frozen, and reunited to my devoted Chinese helpmate, Chiang Ssu-yeh.

Serindia Vol. 1, page 456

SerindiaVol1Fig111Page456PagePDF536

Dit is een foto van de vlakte waarin bij Miran de stupa lag. Deze foto is uit Serindia, deel 1 (fig 111, page 456).


To this I moved out on the morning of January 23 and had our camp pitched under its walls in order to be near our work and to secure what shelter they might give from the icy winds which rarely cease sweeping the bare desert glacis at this season. Then the men, nearly fifty in number, were promptly set to work to continue the systematic clearing of the interior where our first excavation had stopped a month and a half earlier.

Serindia Vol. 1, pp. 492–493

SteinAurélRuinsOfShrinesAndStupasMiii-viMiranSiteSeenFromWest111 01

Dit is de foto van Stein die voor Serindia gebruikt werd. Ik vond hem op een Hongaarse website. Stein, Aurél, Ruins of shrines and stupas M. iii-vi, Miran, site seen from west.


On January 31, while the ‘re-burying’ of the quarters, etc., dug up in the Tibetan fort still kept most of the labourers busy, I started work at the group of small ruined mounds rising above the bare gravel Sai about a mile to the west-north-west of the fort. I had cursorily inspected a cluster of five of them found just east of the raised line marking an ancient canal. I had received the impression that they were much-decayed ruins of Stupas of the usual type.

Serindia Vol. 1, page 496

AurelSteinRuinsOfDesertCathayVol1 1912 Page339-Fig108

Stein had de foto al eens eerder gebruikt. Dit is zijn persoonlijk verhaal over zijn reizen. Aurel Stein, Ruins of desert Cathay, Vol 1, 1912, page 339 (fig 108). Nu staan onder de foto’s letters om aan te geven wat je precies ziet. Bij de letter ‘C’ zien we de stupa waar de muurschildering ontdekt is.


It meant an illuminating discovery, but also the rise of new problems. Among them there was one which had to be faced at once and which was of practical nature. For the fine wall-paintings now about to rise from their grave there was no chance of thorough study and protection but by removal. To effect this and the distant transport in safety was bound to prove a task of very serious technical difficulty. The remains of wall-paintings, whether still in their original position or lying as detached fragments of varying size among the debris, were all executed in tempera on a stucco backing which consisted of nothing but a layer of friable clay mixed with short straw of cut reeds. It showed ominous cracks even where it still adhered to the wall, and it had become very brittle. This was particularly the case with the fallen pieces, though the thickness of the plaster was here often greater. Both the detaching and the handling of these fragile panels of stucco demanded the utmost care, and the method and means for safely dealing with them had still to be improvised.

Serindia Vol. 1, page 499, note 9

In order to protect the brittle pieces of painted plaster from further injury and to render their safe fixing and handling possible, it was necessary to replace the friable clay and straw at the back of the smooth surface layer which bears the tempera pigments by a fresh backing of plaster of Paris. This removal of the coarse original backing was absolutely necessary as a preliminary safeguard. Otherwise the salts with which, like all the clay remains of these ruins, it had become permeated in abundance would have exuded on the coloured surface under the influence of the moisture absorbed from the plaster of Paris that was needed to hold together and strengthen the whole. But without this preparatory measure it would also have been impossible to make the separated surface pieces join accurately or the many serious cracks, etc., close up again. This very delicate operation of first removing the clay backing from the several detached fresco pieces which formed part of the same panel, and then bringing their surface layers into close contact in the correct position, was effected—

Serindia Vol. 1, page 500, note 9

—at the British Museum during the years 1910–1911 by Mr. F. H. Andrews and, under the direction of his artist eye, by my second assistant Mr. J. P. Droop, with extreme care and skill.
It may be useful to record here the exact technical method followed. The painted fragments were placed with their surface downwards on strong panes of plate glass. After the backing of clay and straw had been slowly removed by careful scraping, etc., until only the smooth surface layer of plaster of Paris remained, the several pieces belonging to one panel could be moved into the position requisite for correct junction by the guidance of the image which was reflected on a mirror placed at a suitable distance below the glass pane. Care was taken to use, for all the larger panels, panes of glass bent exactly to the curve which the known diameter of the rotunda indicated for the surfaces originally occupied by them. After the several pieces had thus been reassembled in their correct position, a thin layer of plaster of Paris was spread over the whole as a new backing. This was subsequently strengthened by a wire grating connected with a wooden frame, and finally an outer and thicker layer of plaster of Paris was applied, in which the grating became embedded. After having been treated in this manner the panels could be handled with perfect ease and safety.
It ought to be clearly recorded that the slightest attempt at supplementing missing bits of the original painted surface or at other ‘restoration’ of any sort has been rigorously avoided.

SteinAurélMIIIvMiranUnderGlassInWorkshopOrStoreRoom

Deze foto van Stein illustreert de werkwijze bij het reconstrueren van de fresco’s. Onderop zie je de spiegel met daarboven het gebogen glas. Op het glas worden de stukken fresco samengevoegd en met gips (plaster of Paris) aan elkaar gehecht.


Bewerkte Nederlandse vertaling:

Aan het begin van de ochtend van 29 december 1906 verlieten we de ruïnes van Lou‑lan om opnieuw terrein te bereiken waar nog water — en daarmee leven — te vinden was. De terugtocht moest in twee groepen worden gemaakt. De grote ploeg arbeiders, die zwaar had geleden onder de voortdurende inspanningen en ontberingen, werd samen met de uitgeputte kamelen teruggestuurd naar Abdal langs de eerder gevolgde route. Rai Ram Singh, de landmeter, die nog steeds hevige reumatische aanvallen had en daardoor niet in staat was nieuwe opmetingen in het oosten te verrichten, kreeg de leiding over deze groep.
Zelf vertrok ik met tien van de sterkste kamelen en een kleine ploeg mannen in zuidwestelijke richting, om de eindloop van de Tarim te bereiken door het onbekende woestijngebied dat deze scheidt van de kleine ruïnes van Merked‑tim — een plek die Dr. Hedin in 1896 had bezocht tijdens zijn tocht langs de Ilek‑tak van de Tarim, en die ik wilde onderzoeken voordat ik mijn werk in Miran hervatte.

De volgende dag keerde ik terug naar Charkhlik, waar uiteenlopende taken — zoals ik in mijn persoonlijke verslag beschrijf — en de noodzaak mijn uitgeputte volgelingen tijd te geven om te herstellen van vermoeidheid en blootstelling, mij dringend riepen. Het bijeenbrengen van nieuwe voorraden, transportmiddelen voor de lange reis die nog voor ons lag, en arbeiders voor de opgravingen in Miran hield mij van 17 tot 21 januari in het hoofdkwartier van Lop.
Op de ochtend van 22 januari vertrok ik opnieuw naar Miran, vergezeld door graafwerkers en verse voorraden. Laat op de avond van de volgende dag bereikte ik tot mijn grote voldoening opnieuw de oever van de Miran‑stroom — nu hard bevroren — en werd ik herenigd met mijn toegewijde Chinese helper, Chiang Ssu‑yeh.

Op 23 januari trok ik verder naar het fort en liet ons kamp onder de muren opslaan, dicht bij het werk en enigszins beschut tegen de ijzige winden die in dit seizoen vrijwel onafgebroken over het kale woestijnplateau razen. De bijna vijftig mannen werden onmiddellijk aan het werk gezet om het systematische vrijleggen van het interieur voort te zetten, precies waar onze eerste opgraving anderhalve maand eerder was gestopt.

Op 31 januari, terwijl het ‘herbegraven’ van de vertrekken die in het Tibetaanse fort waren blootgelegd het grootste deel van de arbeiders nog bezighield, begon ik met onderzoek aan een groep kleine, vervallen heuvels die boven de kale grindvlakte uitstaken, ongeveer een mijl ten west‑noordwesten van het fort. Een cluster van vijf ervan, net ten oosten van een verhoogde lijn die een oude kanaalbedding markeerde, had ik eerder vluchtig bekeken. Ze maakten op mij de indruk resten te zijn van sterk verweerde stoepa’s van het gebruikelijke type.

Wanneer Stein in de boeddhistische stupa aan het werk gaat,
ontdekt hij dat de fresco’s
die op de binnenkant van de koepel waren aangebracht,
naar beneden zijn gevallen.
De fresco’s tegen de muren, net boven de vloer, zijn dan nog intact.
Stein vertelt dan:

Het was een verhelderende vondst, maar ook een die nieuwe problemen opriep. De fijne muurschilderingen die nu uit hun graf tevoorschijn kwamen, konden alleen grondig bestudeerd en beschermd worden door ze te verwijderen. Dat, en het veilig vervoeren ervan over grote afstand, zou een technisch uiterst moeilijke onderneming blijken. De schilderingen waren in tempera uitgevoerd op een stuclaag van brokkelige klei vermengd met korte rietstengels. Die laag vertoonde al scheuren waar zij nog aan de muur hechtte, en was bijzonder broos — vooral bij de gevallen fragmenten, die soms zelfs dikker waren. Het losmaken en hanteren van deze kwetsbare panelen vereiste de grootste zorg, en de methode om dit veilig te doen moest nog volledig worden geïmproviseerd.

Om de broze stukken beschilderd stucwerk te beschermen en ze veilig te kunnen fixeren en hanteren, was het noodzakelijk de oorspronkelijke klei‑ en strodrager te verwijderen en te vervangen door een nieuwe laag gips. Zonder deze voorbereidende stap zouden de zouten in de klei — zoals in alle resten van deze ruïnes overvloedig aanwezig — door het vocht van het gips naar het oppervlak zijn getrokken en de schilderingen hebben aangetast. Bovendien zouden de losse fragmenten dan nooit nauwkeurig hebben aangesloten, en zouden de vele scheuren niet opnieuw gesloten kunnen worden. Het uiterst delicate proces van het verwijderen van de kleilaag en het weer samenbrengen van de oppervlaktelagen in de juiste positie werd later, in 1910–1911, in het British Museum uitgevoerd door F. H. Andrews en, onder zijn artistieke leiding, door mijn tweede assistent J. P. Droop, met grote zorg en vaardigheid.

De fragmenten werden met de beschilderde zijde naar beneden op dikke glasplaten gelegd. Nadat de klei‑ en strolaag langzaam was weggekrabd tot alleen de gladde gipslaag overbleef, konden de stukken worden verschoven tot ze precies aansloten, geleid door het spiegelbeeld dat zichtbaar werd in een spiegel onder de glasplaat. Voor de grotere panelen werden glasplaten gebruikt die exact waren gebogen volgens de kromming van de oorspronkelijke koepel. Nadat de fragmenten in de juiste positie waren samengebracht, werd een dunne laag gips aangebracht als nieuwe drager, versterkt met een draadnet en een houten frame, en vervolgens afgewerkt met een dikkere laag gips waarin het net werd ingesloten. Zo behandeld konden de panelen veilig worden gehanteerd.
Het moet nadrukkelijk worden vermeld dat men elke poging tot aanvulling van ontbrekende delen of enige andere vorm van ‘restauratie’ strikt heeft vermeden.


Wachter, Reiziger, Ambtenaar

– over China in een eeuw van verschuivingen –

Meanderen,
ik verlaat het Rietberg Museum nog niet
maar de reeks berichten over vroeg Chinees aardewerk
en daarna over Chinese boeddhistische steles
laat ik achter me.
Voor mijn gevoel was dat als zeilen in een kanaal:
alsmaar rechtdoor.
Een beetje slingerend vervolg ik nu mijn weg.
In de berichten op mijn blog — maar ook
toen ik op dinsdag 9 september 2025 door het museum liep.
Kronkelend tussen de vitrines en opstellingen
in de kelder van het museum.
De geschiedenis van China strekt zich uit over millennia,
en de afstanden in dit uitgestrekte land—door alle tijden heen—zijn enorm..
Ik sla om de bocht en maak met een paar stappen
een ruimte- en tijdreis.
Zo vraag ik de lezer ook om steeds opnieuw
een draai te maken.

DSC05591 01 ZürichMuseumRietbergDvarapalaTemplewachterChinaNördlicheQiDynastie550-577KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh143

Zürich, Museum Rietberg, Dvarapala, templewachter, China, Nördliche Qi-Dynastie, 550 – 577, kalkstein, geschenk Eduard von der Heydt, RCh 143.

DSC05591 02 ZürichMuseumRietbergDvarapalaTemplewachterChinaNördlicheQiDynastie550-577KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh143

Wat mij bij deze Dvarapala uit de Noordelijke Qi‑periode treft,
is de uitgesproken spiermassa:
een lichaam dat niet alleen kracht uitstraalt,
maar bijna anatomisch bewust is gemodelleerd.
Het is een overdrijving die ik herken uit een heel andere traditie
— de manier waarop Hendrick Goltzius in de zestiende eeuw zijn helden opblies
tot gespannen spierbundels, vol torsie en theatrale spanning.

HendrickGoltziusHoratiusCoclesFromTheRomanHeroes1586Ets

Hendrick Goltzius, Horatius Cocles, from the Roman Heroes, 1586, ets.

HendrickGoltziusHoratiusCoclesFromTheRomanHeroes1586EtsDetail

Natuurlijk staan deze werelden los van elkaar,
maar de visuele strategie is verwant:
in beide gevallen wordt het lichaam opgevoerd tot een expressief instrument,
een middel om kracht, dreiging of heroïek te laten resoneren.
Bij Goltzius is het virtuositeit; bij de tempelwachter is het bescherming.
Maar in die gedeelde overdrijving, in dat lichaam dat meer is dan een lichaam,
raken de twee elkaar even.

DSC05593ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203

Dit is een ensemble dat is samengesteld uit drie beelden: Kamel, Pferd und fremdländische stallknecht, China, Region Shaanxi/Henan, Tang Dynastie, 7th century, tonware mit driefarben glazur, MYT 1200 (kameel), MYT 1198 (paard), MYT 1203 (knecht). Dauerleihgabe Meiyintang Stiftung.

DSC05594ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203

Bij dit ensemble van kameel, paard en de buitenlandse stalbedienden
valt me op hoe vanzelfsprekend het publiek ernaartoe wordt getrokken.
Je ziet dit soort groepen vaker samen opgesteld,
alsof musea intuïtief weten dat ze publiekslievelingen zijn.
Het komt door die directe expressie
— de gezichten die bijna karikaturaal lijken, maar toch raak zijn —
en door het glazuur dat in de Tang‑tijd zo’n levendige huid aan de figuren geeft.
De driekleuren glazuur maakt ze tegelijk speels en tastbaar,
en in combinatie met de herkenbare dieren ontstaat er een ensemble
dat onmiddellijk aanspreekt,
zelfs zonder dat je de context van de Zijderoute of de grafcultuur kent.
Het zijn beelden die je bijna vanzelf in hun wereld trekken.

DSC05597ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203


DSC05598ZürichMuseumRietbergBeamterChinaHebeiSuiDynastieLate6thCenturyCESteinzeugMetWeisserUndBraunerGlazurMYT1380b

Beamter, China, Hebei, Sui-Dynastie, late 6th century CE, Steinzeug mit weisser und brauner glazur, MYT 1380 b. Dauerleihgabe Meiyintang Stiftung.

Dit beeldje is vermoedelijk een grafambtenaar uit de Sui‑tijd,
een van die gestileerde figuren die in het hiernamaals
de orde en waardigheid van de bureaucratie moesten vertegenwoordigen.

Maar wat mij hier vooral treft, is het voorwerp waarop hij met beide handen rust:
een lange, donker geglazuurde staf die tot op de grond reikt,
met vlak onder zijn handen een opvallend dwarsblok met twee afgeronde knoppen.
Het is geen schrijftablet, geen zwaard, geen rol
— en juist omdat het zo afwijkt van de gestandaardiseerde Sui‑iconografie
ben ik gaan zoeken naar vergelijkbare voorbeelden.
Online vond ik er geen één.
Dat maakt dit attribuut des te intrigerender:
een zeldzame, misschien werkplaats‑specifieke staf
die de figuur een eigen, bijna raadselachtige autoriteit verleent.

Aan zijn voeten draagt hij twee gesloten, donker geglazuurde laarzen
met een brede, afgeronde neus
— compacte, bijna paddestoelvormige schoenen die typisch zijn voor Sui‑beeldjes
en zijn ceremoniële waardigheid onderstrepen.
Hij staat op een lotusvoet:
een bloemvormige sokkel die in de Sui‑tijd niet alleen heiligen,
maar ook wereldlijke figuren een verheven, bijna serene waardigheid verleent.

Wat mij bij dit beeldje steeds opnieuw treft, is hoe vriendelijk de ambtenaar kijkt.
Zijn gezicht is niet streng of autoritair, maar zacht, bijna glimlachend
— alsof hij eerder iemand is die je geruststelt dan iemand die je commandeert.
De donkere wenkbrauwen, de fijn aangezette snor en baard,
en vooral de lichte buiging van de mondhoeken geven hem
een onverwachte menselijkheid.
Daarboven draagt hij een prachtig, gelaagd hoofddeksel:
strak opgebouwd, met duidelijke randen en een bijna architectonische vorm, een guan.
Een ceremoniële hoofddeksel van burgerlijke ambtenaren.
Het is een teken van rang, maar het wordt gedragen met een soort rustige waardigheid.
Het hoofddeksel verheft hem, maar zijn gezicht haalt hem weer naar beneden,
terug naar een persoon van vlees en bloed.

Afsluiting

In dit bericht komen drie beelden samen die in het museum bijna naast elkaar staan,
maar historisch uit verschillende hoeken van de tijdlijn komen:
de ambtenaar uit de late zesde eeuw,
de gespierde tempelwachter uit de Noordelijke Qi‑periode (550–577),
en het Tang‑ensemble van kameel, paard en stalbediende uit de zevende eeuw.
Het is maar een korte periode, nauwelijks meer dan een eeuw,
maar de dynastieën wisselen elkaar snel af:
Sui, Noordelijke Qi, Tang.
In het museum zie je die overgang niet als een breuk, maar als een zachte verschuiving.
De stijlen verschillen
— de ingetogen ambtenaar, de krachtige wachtersfiguur, de levendige Tang‑dieren —
en toch vormen ze samen een doorlopende stroom van vormen, houdingen en blikken.
Alsof je in één wandeling ziet hoe China zich in die tijd hertekent:
politiek verandert er veel, maar in de kunst blijft een herkenbare gevoeligheid bestaan,
een continuïteit die je pas ziet wanneer je,
al meanderend,
van vitrine naar vitrine beweegt.

India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLIV

– over een papieren bloem als begin van een meander –

Vandaag is een schildering op papier het onderwerp.
De afgelopen weken kwamen heel wat schilderingen voorbij
die ik in New Delhi zag.

Allemaal boeddhistisch, allemaal uit Dunhuang,
allemaal naar India gebracht door Aurel Stein.

India, New Delhi, National Museum,
Buddha Amitabha,
Dunhuang, 7th – 10th century CE,
painting on paper, 48,5 x 29 cm.
Acc. No. Ch. 00402.

DSC01390 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaAmitabhaDunhuang7th-10thCenturyCEPaintingOnPaper48,5x29CmAccNoCh00402


Het nummer 00402 komt drie keer voor in Serindia, volume 2.
De eerste keer, op pagina 860, als Stein opmerkingen maakt
over kleine papieren schilderingen.
Dan behandelt hij een groep objecten die hij opsomt in de noten.

AurelSteinSerindiaVol2Page860Ch00402

Among the paper pictures of Buddhas, which are somewhat more numerous and apparently ofthe either taken from the beginning or end of manuscripts or intended for pasting up as votive deposits, ³ I may specially mention the series Ch. 00191-202, which shows seated Buddhas with different mudras of the hand and with short Chinese inscriptions evidently explaining the latter.

Note ³:

For paper paintings, mostly small size, see Ch. 00122, 00160, 00191-202, 00356, 00378, 00392, 00396. a-i, 00402, 00406-00408,…

Onder de papieren voorstellingen van Boeddha’s – die wat talrijker zijn en blijkbaar óf afkomstig zijn uit het begin of het einde van manuscripten, óf bedoeld waren om als votieve offers te worden bevestigd of opgehangen – wil ik in het bijzonder de reeks Ch.00191–202 noemen. Deze toont zittende Boeddha’s met verschillende handmudrā’s, vergezeld van korte Chinese opschriften die deze gebaren kennelijk toelichten.

Vervolgens in een allinea die gaat over de schildering:

AurelSteinSerindiaVol2Page997Ch00402

Ch. 00402. Paper painting showing Buddha seated on Padmasana; legs in adamantine pose, R. hand in vitarka mudra, L. in lap. Flesh painted yellow, hair black, mantle (covering L. arm and corner of R. shoulder) red lined with grey and white. Plain circular vesica and halo of green and grey, and conventional flower spray above. Smudged remains of Tb. chars. upside-down at side, pin-holes in corners. Rough work. 11 and a half” x 5 and three eights”.

Papieren schildering die een Boeddha toont, zittend in padmāsana; de benen in de adamantijne houding. De rechterhand is in de vitarka‑mudrā, de linkerhand rust in de schoot. De huid is geel geschilderd, het haar zwart. De mantel – die de linkerarm en de hoek van de rechterschouder bedekt – is rood, met een grijze en witte voering. Achter het figuur bevindt zich een eenvoudige ronde mandorla en een halo in groen en grijs, met daarboven een conventioneel weergegeven bloemenmotief. Aan de zijkant zijn vervaagde restanten van Tibetaanse tekens zichtbaar, ondersteboven. In de hoeken zitten gaatjes van het ophangen. Het werk is grof uitgevoerd. Afmetingen: 11½ bij 5⅜ inch.

Zoals steeds roept dit een paar vragen op waarvoor ik op zoek ging
naar een antwoord.

De toewijzing: Boeddha of Amitabha?

De toewijzing Amitābha in moderne musea zegt minder over dit ene blad
dan over een bredere verschuiving in interpretatie.
Aurel Stein beschreef Ch.00402 uitsluitend formeel
—houding, kleuren, mudrā—
en vermeed elke naamgeving wanneer
geen duidelijke inscriptie aanwezig was.
Zijn veldcatalogus was documentair, niet iconografisch.

Musea werken anders:
zij plaatsen zulke kleine papieren Boeddha‑voorstellingen
binnen het grotere Dunhuang‑corpus,
waarin frontaal zittende figuren met vitarka‑mudrā, gele huid
en rode mantel vaak tot Amitābha worden gerekend.
Dat gebeurt vooral wanneer verwante bladen
wél een (zelfs onzekere) cartouche met ‘Amituofo’ dragen,
zoals het British Museum‑blad Ch.00195.
De naamgeving is dus een moderne, contextuele identificatie,
gebaseerd op vergelijkingsmateriaal, niet op directe aanwijzingen
in het object zelf
—en verklaart waarom Stein zwijgt waar musea spreken.

DSC01390 03 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaAmitabhaDunhuang7th-10thCenturyCEPaintingOnPaper48,5x29CmAccNoCh00402

De houding van de Boeddha

Opvallend is dat het museum deze houding omschrijft
als vajraparyanka, terwijl Stein spreekt van padmāsana
en de “adamantine pose”.

In feite beschrijven beide hetzelfde: de volledige lotushouding,
waarbij beide voeten boven op de dijen rusten.
Stein werkte met vroege, Engelstalige archeologische terminologie
en noteerde vooral wat hij zag, zonder iconografische verfijning.

Moderne musea gebruiken daarentegen
de boeddhistische vakterm vajraparyanka,
die ondubbelzinnig naar de volledige lotus verwijst
en inmiddels de standaard is in de kunsthistorische literatuur.

Het verschil is dus niet inhoudelijk, maar terminologisch:
Stein beschrijft, het museum identificeert.

Maatvoering

Wat mij het meest verbaast, is het enorme verschil
tussen de afmetingen die Aurel Stein in het veld noteerde
en de maten die het museum vandaag voert.

Stein mat een klein papieren schilderingetje van
ongeveer 29 × 14 centimeter;
het museum spreekt van 48,5 × 29 centimeter.

Dat is geen afrondingsverschil,
maar een compleet ander objectformaat.
Natuurlijk begrijp ik dat een blad tijdens conservering
op een drager kan zijn gezet, kan zijn vlakgemaakt
of kan zijn voorzien van een montagevel.
Maar juist daarom zou je verwachten dat een museum
óók de oorspronkelijke papiermaat registreert en vermeldt.
Dat is geen detail, maar essentieel voor iedereen
die probeert te begrijpen wat Stein werkelijk in handen had,
hoe groot dit type votieve afbeelding oorspronkelijk was,
en hoe het object zich verhoudt tot verwante Dunhuang‑voorstellingen.
Nu blijft onduidelijk wat er precies gemeten wordt:
het historische object,
de conserveringsdrager,
of een combinatie daarvan.
En dat is vreemd, zeker bij een papieren schildering
waarvan je juist de maat van het papier zou willen kunnen lezen.

DSC01390 04 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaAmitabhaDunhuang7th-10thCenturyCEPaintingOnPaper48,5x29CmAccNoCh00402 PinholeID

Er is geen foto in Serindia van Ch 00402. Maar we spreken wel over hetzelfde object. Dat op het papier het Stein-nummer geschreven staat vergroot het vertrouwen. Tegelijk toont dit fragment een van de gaten in het papier die Stein ‘pinholes’ noemt.


Tibetaans?

Stein noteert terloops dat er “ondersteboven”
resten van Tibetaanse tekens aan de rand van het blad staan.
Pas wanneer je het fragment zelf bekijkt,
zie je hoe precies die opmerking eigenlijk is.

DSC01390 05 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaAmitabhaDunhuang7th-10thCenturyCEPaintingOnPaper48,5x29CmAccNoCh00402 Tibetaans

Tibetaans schrift heeft een horizontale basislijn
waar de letters aan hangen, met lange neergaande stokken eronder.
Draai je dat schrift om, dan ontstaat een omgekeerd silhouet:
een donkere horizontale veeg met meerdere lange, opwaartse stokken
die ver boven die lijn uitsteken.

DSC01390 06 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaAmitabhaDunhuang7th-10thCenturyCEPaintingOnPaper48,5x29CmAccNoCh00402 Tibetaans

In deze positie herkende Stein dat het om een stukje Tibetaanse tekst gaat.


En precies dat patroon verschijnt hier:
niet één kriebel, maar de rafelige restanten van minstens drie letterstokken,
die samen het omgekeerde ritme
van een kort stukje Tibetaanse tekst vormen.
In die paar omgekeerde inktlijnen wordt zichtbaar
dat het papier een eerder leven heeft gehad
— een fragment van een tekst die niets
met de Boeddha‑schildering te maken had,
maar die als materiaal opnieuw werd ingezet.
Het is een klein spoor, maar
het maakt de gelaagdheid van het object tastbaar:
een Boeddha aan de voorkant, een omgekeerde taal aan de zijkant,
en daartussen de geschiedenis van hergebruik die Dunhuang zo kenmerkt.

Een bloemenarrangement als afronding

Aurel Stein noemt het een ‘conventional flower spray’.
Maar ik vond het gewoon mooi.
Heel vaak zijn dergelijke boeketten van bloemen
beschadigd, verkleurd of vervaagd.

DSC01390 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaAmitabhaDunhuang7th-10thCenturyCEPaintingOnPaper48,5x29CmAccNoCh00402 ConventionalFlowerSpray

Net als de lotus waarop Amitabha zit,
zo goed weergegeven op deze schildering op papier:
de binnenste bloembladeren die omhoog bewegen
terwijl de buitenste bladeren bijna horizontaal bewegen.
Als een zwevend boeket.

DSC01390 07 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaAmitabhaDunhuang7th-10thCenturyCEPaintingOnPaper48,5x29CmAccNoCh00402 Lotus

In dit fragment zitten origineel een paar vlakken waar kleur ontbreekt. Die heb ik ingekleurd om het oog niet te laten afleiden van de mooie voorstelling van de lotustroon. Op de eerste foto van dit bericht zie je de actuele status.


Deze schildering is niet de laatste die ik in New Delhi zag
maar de aaneengesloten stroom van schilderingen
op zijde of op papier zal vanaf dit bericht
steeds vaker onderbroken worden door andere opmerkelijke zaken.


Waar de draken zich verdubbelen

– over een Noordelijke‑Qi‑stele in vijf lagen –

Inleiding

De laatste stele die ik in het Rietberg Museum in Zürich fotografeerde
is meteen een heel andere dan de voorgaande.
Niet langer Noordelijke Wei maar Noordelijke Qi als stijl.

Een Noordelijke‑Qi‑stele is meestal opgebouwd als een verticale wereld
die van onder naar boven steeds minder aards en steeds meer hemels wordt.

Onderaan staat vaak een levendige, wereldlijke of narratieve zone,
met menselijke figuren, dieren, planten of kleine rituele objecten.

Daarboven volgt de Boeddha‑zone, het religieuze centrum van de stele,
waar de Boeddha in een nis is geplaatst,
meestal geflankeerd door begeleidende figuren.

Boven deze formele kern verschijnt vaak een informele bovenwereld:
een losse groep van mensen die niet in een ritueel of verhaal zijn geplaatst,
maar een menselijke aanwezigheid vormen rondom de Boeddha.

Nog hoger staat soms een enkele figuur in een volledig omkaderde nis,
een kleine tussen‑zone met een eigen iconografie.

Helemaal bovenaan wordt de stele bekroond door uitbundig uitgewerkte draken,
die de overgang naar het hemelse domein markeren.

Zo ontstaat een gelaagde compositie waarin het aardse, het menselijke
en het hemelse elkaar in verticale volgorde opvolgen.

Hieronder wil ik de stele RCh 116 toetsen aan deze opbouw;
wat zien we terug van die typische verdeling?

DSC05584 01 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Zürich, Museum Rietberg, Buddhistische votivstele der familie Yan, China, Nördliche Qi Dynasty, datiert 557, kalkstein, geschenk Eduard von der Heydt, RCh 116.


Ik wil beginnen met een algemene vaststelling:
de stele toont een opvallend spanningsveld:
terwijl de centrale voorstellingen nog veel van de vlakke, ritmische ordening
van de late Noordelijke Wei heeft behouden,
zijn de draken op de schouders technisch en plastisch al volledig Noordelijke Qi.
De decoratieve zones lopen zichtbaar vooruit op de iconografische kern,
waardoor de stele tegelijk traditioneel en verrassend modern oogt.

DSC05587ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Onderste, narratieve, zone

In de onderste zone zit een centrale figuur
die een stilistisch uitgewerkte wierookbrander boven het hoofd presenteert.
Links en rechts omlijsten grote blad‑ en bloemvormen de scène,
met daarnaast twee dieren:
links een dier dat de kop naar de wierrookbrander richt,
rechts een dier dat met opgeheven staart naar de grond snuffelt.
Aan weerszijden van de wierrookbrander staan ook twee menselijke figuren:
links een grotere figuur met gebogen arm en laarsachtige beenbekleding,
rechts een kleinere, blootvoetse figuur met een lange omslagdoek
en de hand voor de borst.
De figuren en dieren reageren niet op elkaar,
maar nemen elk een eigen positie in binnen dezelfde rituele ruimte.
Opvallend is dat de zone geen bovenrand heeft:
de vegetatieve vormen en de wierookbrander lopen visueel door,
zonder dat de voorstelling wordt afgesloten.
Tegelijk zakt de zittende figuur aan de onderkant deels uit het kader,
waardoor de zone niet als een strak register leest
maar als een open veld rond de offerhandeling,
passend bij de stichtergemeenschap
waarvan de namen op de achterzijde zijn ingehakt.

DSC05586ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Boeddha-zone

In de zone volgend op de onderste, zit een grote Boeddha in duidelijke kleermakerszit,
waarvan één voet zichtbaar is onder het gewaad.
Het kleed vormt een brede, afgeronde massa over de gekruiste benen
die bijna lotusachtig oogt, waarna langere plooien in zachte banen naar beneden vallen.
Op de borst ligt een in het midden samengebonden band die het gewaad bijeenhoudt;
de knoop vormt een compact, strik‑achtig detail dat de bovenste draperie structureert.

Achter de Boeddha ligt een meervoudige stralenkrans:
een ronde hoofdaureool met concentrische ringen,
omgeven door een bladvormige mandorla.

De Boeddha maakt een laag, naar voren gericht gebaar;
de linkerhand is open in een rustig ‘geef’-gebaar,
terwijl de rechterhand — deels beschadigd —
dezelfde positie lijkt te hebben ingenomen.

Hij wordt geflankeerd door drie paren begeleiders die alle op kleine lotusbases staan.
Hun mandorla’s zijn smal en bladvormig, zonder hoofdaureool,
en hun hoofddeksels markeren drie typen:
het binnenste paar is kaal, het middelste draagt een puntig hoofddeksel
en het buitenste een vierkant,
waardoor een symmetrische rangorde ontstaat binnen dezelfde heilige sfeer.

Rechtsboven bevindt zich een kleine zittende figuur in kleermakerszit,
zonder lotus, aureool of mandorla;
zijn handen zijn volledig in het gewaad verborgen.
Deze compacte, zwevende bovenfiguur behoort niet tot de rij begeleiders
maar vormt als zelfstandige aanwezigheid de visuele afsluiting van de Boeddha‑zone.

De handen en kleding van de begeleiders

Binnen de drie paren begeleiders ontstaat een opvallende variatie
in zowel de handen als de kleding.
Het binnenste paar heeft de handen volledig in het gewaad verborgen,
waardoor hun aanwezigheid ingetogen en bijna monastiek blijft.
In het middelste paar worden de handen juist groot en grof uitgesneden,
met lange, uitgesproken vingers.
Bij het buitenste paar lopen de gebaren uiteen:
rechts staan de handpalmen frontaal tegen elkaar in een devoot gebaar voor de borst,
terwijl links een grote hand zichtbaar is die oorspronkelijk
een voorwerp lijkt te hebben vastgehouden.

Ook de kleding draagt aan deze variatie bij:
sommige begeleiders hebben smallere plooipartijen of een ceintuur,
en bij de meest linkse begeleider valt een opvallend sierlijke,
dubbel gerolde halsafwerking op die nergens anders in de groep voorkomt.

Samen vormen handen en kleding een subtiel spel van verschillen
binnen een verder symmetrisch geordende groep,
waardoor de begeleiders niet uniform maar individueel aanwezig worden.

Van Noordelijke Wei naar Noordelijke Qi

De verschuiving van Noordelijke Wei naar Noordelijke Qi
is zowel stilistisch als staatkundig zichtbaar in deze stele.
Waar de Noordelijke Wei de figuren ordent in strakke, geometrische schema’s
met smalle lichamen en ritmische plooien,
valt het rijk in 534 uiteen door interne spanningen en machtsconflicten,
waarna de Oostelijke Wei — en later de Noordelijke Qi —
een nieuwe hofcultuur ontwikkelt in het noordoosten.
Deze politieke herschikking brengt nieuwe elites, ateliers
en smaakpatronen met zich mee, wat in de beeldhouwkunst leidt
tot vollere, naturalistischere vormen.
Draperie wordt zwaarder en ronder, met functionele details
zoals de geknoopte borstband van de Boeddha;
de stralenkransen worden complexer, met meervoudige aureolen
en brede mandorla’s.
De entourage wordt breder en minder doctrinair:
geen triade maar drie paren begeleiders op lotusbases,
herkenbaar aan hun hoofddeksels in plaats van iconografische attributen.

De begeleiders worden bovendien minder uniform:
hun handen, plooival en kledingdetails
— van smalle ceinturen tot een sierlijk dubbel gerolde halsafwerking —
tonen een individualisering die in de Noordelijke Wei zelden voorkomt.

Ook bovenfiguren worden vrijer ingezet, zoals de kleine zittende figuur
die zonder lotus of aureool boven de groep zweeft.

Het resultaat is een compositie die minder lineair en meer plastisch is,
een stijl die direct voortkomt uit de nieuwe politieke constellatie
waarin andere ateliers en andere vormen van hoflijke representatie dominant worden.

DSC05588 01 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Zone direct boven de Boeddha‑groep

Boven de Boeddha‑groep ligt een brede, informele zone
met twee figuren die ieder in een eigen nis zitten:

DSC05588 02 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

links een figuur op een lotustroon onder een baldakijn,
met iets opvallends om de hals dat doet denken aan een soort doek;
en rechts een figuur in een klein paviljoentje met een waaier in de hand
en een duidelijke V‑vorm in de hals van zijn kleding, misschien een kraag.

DSC05588 05 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Daartussen staat een centrale groep van drie zittende en vijf staande figuren.
Alle drie de zittenden en vier van de vijf staanden hebben een kaal hoofd;
de enige met haar is de vrouw, die bovendien een kralenketting draagt
en een voorwerp in haar hand houdt.
Eén van de kaalhoofdigen heeft een opvallend grote hand,
en in totaal drie figuren hebben een aureool.

DSC05588 03 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Ondanks deze verschillen vormen ze samen een losse, niet‑rituele scène
met een informele uitstraling, vrij van strakke regels
en in een begin van perspectief uitgewerkt.

DSC05588 04 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Boven deze open zone staat, in een volledig omkaderde nis,
nog één afzonderlijke figuur onder een boom waarvan
de naar voren geschoven voet op een lotus rust.

DSC05588 06 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116 ZoneOpZich

Dit alles is binnen hetzelfde kader weergegeven.
Deze figuur vormt een kleine zone op zichzelf,
duidelijk gescheiden van de groep eronder.

Draken die bijna een Escher‑tekening lijken

DSC05584 02 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Als je de stele van voren bekijkt, lijkt het alsof er twee grote draken bovenaan staan:
één links en één rechts, elk met een kronkelend lichaam dat de bovenrand omlijst.
Maar zodra je de stele van opzij ziet, gebeurt er iets verrassends:
daar verschijnen drie drakenkoppen naast elkaar,
alsof de steenhouwer meerdere wezens in dezelfde ruimte heeft verstopt.

DSC05585ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotivsteleDerFamilieYanChinaNördlicheQiDynastyDatiert557KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCH116

Noordelijke‑Qi‑kunstenaars hielden ervan
om meerdere aanzichten tegelijk weer te geven. Ze combineerden:
het frontale gezicht (voor de symmetrie),
het zijaanzicht (voor de expressieve koppen),
en soms het drie‑kwart aanzicht (voor dynamiek en beweging).

Daardoor lijken de draken in elkaar te schuiven,
alsof hun lichamen en koppen door elkaar heen kronkelen.
Het resultaat is een soort visuele puzzel:
van voren zie je twee draken, maar van opzij zie je dat hun vormen overlappen,
verdubbelen en soms zelfs meer koppen tonen dan je verwacht.

Ook de ledematen dragen bij aan dat effect.
Wat op de ene plek een poot lijkt, ziet er elders uit als een vleugel of een vin.
Qi‑draken zijn geen natuurgetrouwe dieren, maar fantasie‑wezens
die bestaan uit klauwen, spiralen, schubben en vleugelachtige vormen
die vrij over elkaar heen bewegen.

Door al die overlappende lijnen, kronkelende lichamen en meervoudige koppen
ontstaat een beeld dat bijna Escher‑achtig is:
een draak die tegelijk van voren, van opzij en van boven lijkt te bestaan.
Het is een spel met perspectief, beweging en vorm
— en precies dat maakt de drakenzone
tot de meest uitbundige en virtuoze laag van de hele stele.

Afronding

Stele RCh 116 volgt de typische opbouw van een Noordelijke‑Qi‑stele
uitzonderlijk nauwkeurig.
Van onder naar boven ontvouwt zich een wereld die van het aardse
naar het hemelse beweegt:
een levendige narratieve onderzone met figuren, dieren en objecten;
daarboven de formele Boeddha‑zone;
vervolgens een informele bovenwereld met monniken, leken en een vrouw,
geflankeerd door twee figuren in eigen nissen;
nog hoger een afzonderlijke figuur in een volledig omkaderde nis,
met één voet op een lotus en een boom binnen hetzelfde kader;
en tenslotte de uitbundige draken die de stele bekronen.

Op de achterkant staan meer dan tachtig namen van een groep schenkers
die zich hadden verenigd om de stele te laten maken.
Door de combinatie van deze volledig uitgewerkte vijf‑lagen‑structuur aan de voorzijde
en de omvangrijke donorinscriptie aan de achterzijde
sluit RCh 116 niet alleen aan bij de standaardstructuur van een Qi‑stele,
maar belichaamt zij die structuur op een bijna ideaaltypische manier.


Benin: de Teruggave en de Tien Stemmen 2

DSC09607 02 BackTo Benin

– over onder andere Benin – Benin City – Edo‑volk – Nigeria –

De naam Benin verwijst vandaag naar twee
totaal verschillende werkelijkheden.

Om het Koninkrijk Benin en de kunst van het Edo‑volk goed te begrijpen,
is het essentieel dit onderscheid scherp te houden.

Benin City ligt in het zuiden van Nigeria en is de historische hoofdstad
van het Koninkrijk Benin.
Hier wonen de Edo‑mensen (ook wel Bini genoemd),
de makers van de beroemde hofkunst die in musea wereldwijd wordt bewaard.
Hun taal heet Edo, en hun koningschap
— met de Oba als ritueel en politiek middelpunt —
vormt de kern van de cultuur waarin de Benin‑kunst is ontstaan.

Het moderne land Benin, dat ten westen van Nigeria ligt,
heeft daarentegen geen historische band met het Edo‑volk of met Benin City.
Het heette tot 1975 Dahomey; de nieuwe naam werd gekozen
om een neutrale nationale identiteit te creëren,
verwijzend naar de Baai van Benin, niet naar het historische koninkrijk.

Daarom geldt: Benin City en het Edo‑volk horen bij Nigeria;
het land Benin deelt alleen de naam.

In mijn eerste bericht heb ik geprobeerd de historische context te schetsen
van de Ogiso en Eweka dynastie en de structuur van het hof en de gilden,
dat samen de machtsstructuur vormde.
Daarbij ben ik uitgegaan van de tekst van Osaisonor Gedfrey Ekhator-Obogie
uit de catalogus.
Het tweede aspect dat van belang is om meer te begrijpen
van de Benin Bronzes en hun rol, is de religie.

De religieuze en kosmologische context

De Edo‑oppergod is één goddelijke bron, maar wordt
in verschillende rituele, sociale en poëtische contexten anders aangesproken.
Namen als Akpame, Osanobua, Oriole, Udazi, Okodudu, Oghodua en Ohovba
zijn daarom geen afzonderlijke goden en ook geen “avatars”
zoals in het hindoeïsme, maar lofprijzende aanspreektitels
die elk een ander aspect van dezelfde oppergod benadrukken.

Osanobua, de maker van de wereld, is de meest gebruikte naam
in kunsthistorische context.

In de Edo‑kosmologie staat Osanobua bovenaan als oppergod
en bron van alle andere godheden.

Onder hem bevinden zich de hogere spirituele wezens,
aangeduid met de Edo‑term erinmwin nohuanrne.
Deze term betekent letterlijk “de hogere geesten”
en verwijst naar de categorie van bovennatuurlijke wezens
onder Osanobua, maar boven de voorouders.
Tot deze groep behoren onder meer Olokun, Esu, Ogun, Iso en Oto.
Osanobua zelf behoort niet tot deze categorie.

Daaronder volgen de vergoddelijkte voorouders (Ihen)
en vervolgens de gewone voorouders,
die samen de basis vormen voor de praktijk van voorouderverering.

Binnen deze hiërarchie neemt Olokun, de oudste zoon van Osanobua
en god van rijkdom, overvloed en de zee, een bijzondere plaats in.
Hoewel hij niet de hoogste god is, is hij wel de meest vereerde
en in het dagelijks ritueel de meest aanwezige godheid.
Vrijwel elk huishouden heeft een aan Olokun gewijd altaar.

Olokun is “de koning der wateren” (Oba n’Amen),
terwijl de Oba van Benin wordt beschouwd als zijn aardse tegenhanger,
de koning van het land” (Oba n’Oke).
De Oba geldt als een half‑goddelijk wezen binnen deze kosmologie.

Net als de aardse koning heeft Olokun zijn eigen entourage:
waterdieren zoals krokodillen, pythons, kikkers en vissen fungeren
als zijn boodschappers en verschijnen daarom vaak in de kunst van Benin.

Met deze religieuze en kosmologische achtergrond wordt duidelijk
hoe sterk de wereld van Benin is doordrongen
van relaties tussen goden, voorouders en koningschap.
Binnen die bredere structuur krijgt het object
dat het museum heeft teruggegeven,
Ama O Ghe Ehen, zijn betekenis.

AdultMaleMudskipperPeriophthalmusSppTerritorialDisplayAtLowTideBakoNationalParkSarawakBorneoMalaysiaAsia©lookphotosRobertHarding

Er zijn discussie gaande over de exacte vissoort die aan de basis ligt van de visplaquette in dit bericht. Het zou bovenstaand dier kunnen zijn of een dier dat hier op lijkt. Adult male Mudskipper, Periophthalmus spp, territorial display at low tide, Bako National Park, Sarawak, Borneo, Malaysia, Asia, © lookphotos, photographer: Robert Harding.

In het vervolg tonen we het gerestitueerde werk
aan de hand van foto’s die ik in het museum maakte,
aangevuld met twee beelden uit de perskit.

Ama O Ghe Ehen

Ama O Ghe Ehen is een enkele bronzen plaat, dun en rechthoekig,
die oorspronkelijk met vier schroeven op een houten drager was bevestigd.
Deze houten plaat is nog steeds aanwezig en lag tijdens de tentoonstelling
apart in de vitrine.
Voor de presentatie is de bronzen plaat tijdelijk vrijhangend getoond,
waardoor zowel de voor- als de achterzijde zichtbaar werd.

DSC09635 01 DeFundatieBackToBeninAmaOGheEhenFishPlaque18thCenturyCEBrass(Bronze)DSC09635 02 DeFundatieBackToBeninAmaOGheEhenFishPlaque18thCenturyCEBrass(Bronze) Omgekeerd

Dezelfde foto als de eerste maar gedraaid zodat details beter zichtbaar zijn.

BeninBronsMartijnSchmidt4195 Klein

De foto uit de perskit van De Fundatie gemaakt door Martijn Schmidt.

DSC09639DeFundatieBackToBeninAmaOGheEhenFishPlaque18thCenturyCEBrass(Bronze) DetailVinnenKieuwenBloemmotief


Voorzijde

De voorzijde toont een gestileerde vis, uitgevoerd in laag reliëf
en fijne lijngravure.
De vis is langgerekt, met een duidelijke kop,
ritmisch geordende schubstructuur en nauwkeurig gegraveerde vinnen.
De vorm is geometrisch opgebouwd, met herhaalde lijnen
en patronen die de contour versterken.

DSC09636DeFundatieBackToBeninAmaOGheEhenFishPlaque18thCenturyCEBrass(Bronze) KopIMG_9237DeFundatieBackToBeninAmaOGheEhenFishPlaque18thCenturyCEBrass(Bronze) OogAmaOGheEhenDetailVanBeninBronsMartijnSchmidt4195

De laatste foto is opnieuw een foto uit de perskit, gemaakt door Martijn Schmidt.


De kop van de vis vormt het visuele centrum.
De ogen zijn uitgewerkt als twee ronde, knopvormige uitstulpingen
die boven het oppervlak liggen.
De open bek is als een eenvoudige, geometrische uitsparing weergegeven,
waardoor de kop een compacte, bijna architectonische helderheid krijgt.

IMG_9236DeFundatieBackToBeninAmaOGheEhenFishPlaque18thCenturyCEBrass(Bronze) Bloemmotief

Rond de vis loopt een omlijsting van gestileerde waterlelie‑motieven,
bestaande uit vier symmetrische lobben rond een kleine centrale cirkel.
De typering ‘waterlelie’ neem ik over uit de catalogus.
Deze motieven structureren het beeldveld en geven de plaat
een ritmische, decoratieve rand.

DSC09638DeFundatieBackToBeninAmaOGheEhenFishPlaque18thCenturyCEBrass(Bronze) Achterkant

Achterzijde

De achterzijde toont de uitholling die ontstaat bij de verloren‑was‑techniek.
Omdat de gieter zo min mogelijk brons gebruikte,
volgt de binnenzijde de negatieve contouren van de vis
en de omlijstende zones.
De decoratieve details zijn pas na het gieten met de hand
in het oppervlak gegraveerd en liggen daarom uitsluitend aan de voorzijde;
op de achterkant zijn ze niet zichtbaar.

De vier bevestigingsgaten in de hoeken tonen hoe de plaat
op de nog aanwezige houten drager werd vastgezet
— dezelfde drager waarop het object na de tentoonstelling
weer wordt teruggeplaatst voor de reis naar Nigeria.

IMG_9235DeFundatieBackToBeninAmaOGheEhenFishPlaque18thCenturyCEBrass(Bronze) Basis


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLIII

– over bamboe, papier en wat ertussen zit –

Avalokiteshvara staat tussen bamboe en papier op deze schildering.
Je moet wel even goed kijken.
De bamboe zie je op de achtergrond, maar waar is het papier?
Is het wel zo eenvoudig met dat papier?

DSC01388 01IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017

India, New Delhi, National Museum, Standing (Sun – Moon) Avalokiteshvara, Dunhuang 7th – 10th century CE, paper painting, 86,36 x 66,04 cm. Acc.No. Ch.i.0017.


Een aantal van de kenmerken van deze Bodhisattva zagen we eerder
op zijden banieren of schilderingen op papier.
Daarom sta ik daar niet te lang bij stil.
Er is namelijk ook iets te zien bij de begeleiders wat we
eerder nog niet gezien hebben.

DSC01388 02IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017 Moon

De maanschijf met de ‘tree of immortality’.

DSC01388 03IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017 Sun

De zonneschijf met de phoenix.


Aurel Stein beschreef het object in Serindia, deel 2:

Serindia Vol 2, page 1011:

Ch. i. 0017. Paper painting showing six-armed Avalokiteshvara (Kuan-yin) with two attendants. Stands facing spectator on lotuses upon top of flat rock (Mount Meru?). Upper hands hold up discs of Sun and Moon; middle hands in vitarka-mudra on either side of breast; lower hands hang by sides, thumbs and forefingers joined, palms out. Moon’s disc contains only tree. Avalok. has three heads with large fig. of Dhyani-buddha over middle one. His pose is stiff, his dress in ‘Indian’ Bodhisattva style with short straight over-skirt, as in *Ch. 0088. Behind him grows bamboos.
Attendants evidently represent the Good and the Evil Genius, from their resemblance to figs. in Ch. lvii. 004. Dressed in same way, carrying opened rolls of paper; but their hair is done

Page 1012

in roll around their necks and decked with flowers. Colouring dingy, consisting only of dark greenish brown, grey, red, and dark yellow, and drawing coarse. Blank cartouche (for inscr.) on L. edge. R. lower corner lost and part of R. edge; remainder well preserved. 1′ 10 threequarters” x 1′ 3 and a quarter”. Pl.XCI.

In het Nederlands en zonder afkortingen:

Papieren schildering die een zesarmige Avalokiteśvara (Kuan-yin) toont, met twee begeleidende figuren. Hij staat frontaal naar de toeschouwer gericht op lotussen die rusten op de top van een platte rots (Mount Meru?). De bovenste paar handen houdt de schijven van Zon en Maan omhoog; de middelste paar handen zijn in vitarka‑mudrā aan weerszijden van de borst; de onderste paar handen hangen langs het lichaam, waarbij duimen en wijsvingers elkaar raken en de handpalmen naar voren zijn gericht. De maanschijf bevat alleen een boom. Avalokiteśvara heeft drie hoofden, met boven het middelste hoofd een grote figuur van een Dhyāni‑Boeddha. Zijn houding is stijf, zijn kleding is in de ‘Indische’ bodhisattvastijl, met een korte, rechte roklaag, zoals in Ch. 0088. Achter hem groeien bamboes.

De begeleidende figuren vertegenwoordigen duidelijk de Goede en de Kwade Genius, op grond van hun gelijkenis met de figuren in Ch. lvii. 004. Zij zijn op dezelfde wijze gekleed en dragen geopende rollen papier; maar hun haar is in een rol om de nek gelegd en versierd met bloemen. De kleurstelling is dof en bestaat uitsluitend uit donker groenbruin, grijs, rood en donkergeel, en de tekenstijl is grof. Aan de linkerzijde bevindt zich een leeg cartouche (voor een inscriptie). De rechterbenedenhoek is verloren gegaan, evenals een deel van de rechterrand; het overige deel is goed bewaard gebleven. Afmetingen: 1 voet 10¾ inch bij 1 voet 3¼ inch. Afgebeeld op plaat XCI.

Dit is de plaat in Serindia, we weten dus zeker dat het over hetzelfde object gaat.

SerindiaVol4PlatePLXCICh.i.0017Serindia, vol 4, plate XCI, Ch.i.0017.


Mount Meru in het boeddhisme

In de boeddhistische kosmologie is Mount Meru (ook Sumeru genoemd)
de centrale wereldberg, het middelpunt van het universum
waar alle rijken omheen zijn geordend.
De berg vormt de as die hemel, aarde en onderwereld
met elkaar verbindt.
Boven op Mount Meru bevindt zich de Trāyastriṃśa‑hemel,
waar de god Śakra (Indra) verblijft.
Rond de berg liggen zeven concentrische bergkransen
en zeven zeeën, en aan de voet ervan liggen vier continenten;
het zuidelijke continent, Jambudvīpa, is de wereld van de mensen.

Mount Meru fungeert zo als een kosmisch centrum
én als symbolisch model voor spirituele opgang en innerlijke ordening.

De heilige berg in het hindoeïsme: Mount Meru

Ook in het hindoeïsme staat Mount Meru (Sumeru of Mahāmeru)
centraal in de kosmologie.
De berg wordt gezien als de as van het universum,
het punt waar hemel, aarde en onderwereld met elkaar verbonden zijn.
Meru is omringd door zeven concentrische bergkransen en zeeën,
en vormt het middelpunt van de vier wereldcontinenten.
Op en rond de berg wonen de grote goden:
Brahmā op de top,
Viṣṇu in het midden
en Śiva aan de voet.
Meru fungeert zo als kosmisch centrum, bron van orde en stabiliteit,
en als symbolische plaats waar inzicht en verlichting kunnen ontstaan.

Mount Meru in hindoeïsme en boeddhisme: gedeeld kosmisch centrum

Zowel in het hindoeïsme als in het boeddhisme fungeert Mount Meru
als de centrale wereldberg, het middelpunt van het universum
waar hemel, aarde en onderwereld omheen zijn geordend.
In beide tradities vormt Meru de kosmische as
die de verschillende bestaanssferen met elkaar verbindt.
De berg wordt omringd door zeven concentrische bergkransen en zeeën,
en aan de voet ervan liggen de vier wereldcontinenten,
waarvan het zuidelijke continent de wereld van de mensen is.

Het verschil ligt vooral in de bewoners van de berg:

  • in het hindoeïsme is Meru de verblijfplaats van goden
    als Brahmā, Viṣṇu en Śiva,
  • in het boeddhisme bevindt zich boven op Meru de Trāyastriṃśa‑hemel
    van Śakra (Indra), binnen een bredere structuur van hemelen en rijken.

Ondanks die verschillen vervult Meru in beide systemen dezelfde functie:
een kosmisch ordeningspunt dat de structuur van de wereld zichtbaar maakt.

DSC01388 04IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017 3Heads

Drie hoofden, drie ogen en een duidelijke Boeddha in de tiara.


DSC01388 05IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017 LAttendant

De begeleiders

Aan iedere kant van de centrale figuur staat een begeleider. Beide richten hun blik omhoog, de linker het meest uitgesproken, alsof hun aandacht naar iets boven hen wordt getrokken. In hun haar zijn kleine bloemen gestoken, eenvoudig maar opvallend genoeg om hun verschijning een zachte toon te geven.

Hun kleding is helder opgebouwd: een korte, rechte roklaag, een smalle band rond de heupen, en een nauw omwikkeld bovenlichaam. In hun handen houden ze een scroll waarvan de onderdelen duidelijk zichtbaar zijn: een vlak vel papier dat aansluit op een verticale rugstrook, een begin van een rol aan de rechterzijde, en bovenaan een lichte flap met daartegen een doorlopend hengsel dat links aan de rug begint, achter de flap langs loopt en rechts weer bij de rug terugkomt.

Door hun opwaartse blik, de bloemen in het haar en de zorgvuldige manier waarop ze deze samengestelde scroll tonen, krijgen de begeleiders een opmerkelijke aanwezigheid: rustig, aandachtig, en gericht op iets dat buiten het kader van de voorstelling ligt.

DSC01388 06IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017 RAttendantDSC01388 07IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017 RScroll

Als hobbyboekbinder ben ik erg geinterreseerd in deze boekvorm. Het lijkt me een draagbare scroll.


DSC01388 08IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017 MiddleHandsDSC01388 09IndiaNewDelhiNationalMuseumStanding(Sun-Moon)AvalokiteshvaraDunhuang7th-10thCenturyCEPaperPainting86.36x66.04CmAccNoCh.i.0017 LowerHands

Over de mudrā’s

De zes armen vormen drie duidelijk verschillende gebaren.

Het middelste paar handen maakt een vitarka‑mudrā:
duim en wijsvinger raken elkaar en de hand is naar buiten gericht.

Het onderste paar handen hangt langs het lichaam,
met duim en wijsvinger verbonden en de handpalmen naar voren
— een open, ontvankelijk gebaar dat niet overeenkomt
met de śaraṇa‑mudrā uit de zaaltekst.

Het bovenste paar handen draagt de zon‑ en maanschijf;
het is geen mudrā maar een attributieve, ondersteunende handeling.

Afsluiting

De komende dagen ga ik proberen uit te tekenen
wat voor boekvorm de begeleiders in hun handen houden.
Op internet kon ik nog niet snel een dergelijke vorm vinden.
Dus daar is nog onderzoek te doen…


Waar de lijn verder reikt

– over de rondgang om de stele en wat nog buiten beeld blijft –

Inleiding

In dit derde bericht richten we ons op de zijkant van de votiefstele RCh 110 uit het Museum Rietberg.
Waar de voorzijde een rijk programma van devotie, centrale iconografie en duizend‑Boeddha‑motieven toont,
is de zijkant kleiner van schaal maar inhoudelijk verrassend gelaagd.
De combinatie van kosmische figuren, Boeddha‑voorstellingen en inscripties
laat zien hoe de stele als rondom leesbaar ritueel object functioneerde:
niet alleen frontaal, maar als sculptuur die de kijker langs meerdere vlakken begeleidt.

DSC05581 01 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotifsteleChinaProvinzShanxiNördlicheWeiDynastieDatiert520CEKalksteinGeschenkEduartVonDerHeydtRCh110Zijkant Top

Zürich, Museum Rietberg, Buddhistische votifstele, China, Provinz Shanxi, Nördliche Wei-Dynastie, datiert 520 CE, kalkstein, geschenk Eduard von der Heydt, RCh 110.


Overzicht van de zijkant

De zijkant is beperkt van formaat, maar iconografisch rijk.

Bovenaan verschijnt een kosmische figuur;
daaronder volgt een verticale reeks van drie Boeddha’s
— een compacte variant op het duizend‑Boeddha‑motief die tegelijk
de centrale as van het object benadrukt.
De inscripties verwijzen vermoedelijk naar donoren of devotionele intenties,
zoals ook op de voorzijde.

Door deze combinatie van kosmische sfeer, centrale iconografie en tekstuele lagen
vormt deze zijde geen bijzaak, maar een geconcentreerde samenvatting
van het bredere programma van de stele.

DSC05581 02 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotifsteleChinaProvinzShanxiNördlicheWeiDynastieDatiert520CEKalksteinGeschenkEduartVonDerHeydtRCh110Zijkant Top

De figuur aan de top

Bovenaan verschijnt een dynamische figuur met ronde, bijna brilvormige ogen
en opvallend brede dijen.
De vier uitwaaierende vormen rond het lichaam kunnen worden gelezen
als zwierige kleed‑ of energielijnen
— een stilistisch motief dat ook bij Boeddha’s en bodhisattva’s voorkomt,
waar sjaals en linten in brede bogen om het lichaam bewegen.
De ledematen zijn niet menselijk gevormd, maar eerder poot‑achtig,
waardoor de figuur een zwevende, hybride aanwezigheid krijgt.
Zulke wezens fungeren in de vroege Northern‑Wei‑iconografie
vaak als kosmische begeleiders die de verticale as van de stele markeren.

DSC05581 03 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotifsteleChinaProvinzShanxiNördlicheWeiDynastieDatiert520CEKalksteinGeschenkEduartVonDerHeydtRCh110Zijkant Top

De Boeddha in de nis

In de lagere nis zit een Boeddha in een compacte, ingetogen houding.
De draperie is eenvoudig, de contouren strak, en de expressie sereen.
In contrast met de dynamiek van de bovenste figuur
benadrukt deze voorstelling de rust en stabiliteit die de zijkant draagt.
De combinatie van verticale ordening en stilistische variatie
maakt duidelijk dat deze zijde een eigen rol speelt in de sculpturale logica van het object:
niet als bijzaak, maar als onderdeel van een doorlopend programma
dat rondom betekenis draagt.

Waar de zijkant vooral uit smalle, verticale zones bestaat,
opent de achterkant zich als een veel breder vlak,
met een duidelijke scheiding tussen beeld en tekst.

DSC05582 01 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotifsteleChinaProvinzShanxiNördlicheWeiDynastieDatiert520CEKalksteinGeschenkEduartVonDerHeydtRCh110 Achterkant

Overzicht van de achterkant

De achterkant van de stele biedt aanzienlijk meer ruimte voor tekst
dan de voorzijde en de zijkant.

Het onderste deel bestaat uit een groot veld van verticale kolommen,
strak geordend in twee lagen boven elkaar.
De kolommen lijken onderling vergelijkbaar van opbouw,
alsof ze uit afzonderlijke tekstgroepen bestaan die in een vast ritme zijn aangebracht.

In de bovenste helft gebeurt juist veel meer.

Twee vervlochten draken vormen een boogvormige omlijsting
rond een centrale Boeddha in een nis.
Daaromheen verschijnen meerdere kleinere figuren:
mythische dieren, zwevende hemelwezens en twee staande figuren
die elk een voorwerp in de hand houden.

De compositie is dicht, gelaagd en duidelijk bedoeld
als een visuele tegenhanger van het grote tekstveld eronder.

DSC05582 02 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotifsteleChinaProvinzShanxiNördlicheWeiDynastieDatiert520CEKalksteinGeschenkEduartVonDerHeydtRCh110 Achterkant

De verstrengelde draken en de dierfiguren

In het bovenste veld zijn twee grote, verstrengelde draken te zien,
hun lichamen in symmetrische lussen om elkaar heen gedraaid.
Op hun ruggen staan kleine vogelachtige figuren,
net als op de voorzijde van de stele.

Boven de draken bevinden zich twee dierfiguren:
links een langgerekt, slank dier met een gladde, gestroomlijnde vorm
— iets salamander‑achtigs —
en rechts een dier met een ranker lichaam, langere poten
en een gewei‑achtige vorm boven het hoofd,
waardoor het een hert‑achtige indruk maakt.

Zoals marge‑illustraties in handschriften omlijsten deze kleinere dieren
de centrale scène en geven ze ritme aan de bovenste zone.

DSC05582 03 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotifsteleChinaProvinzShanxiNördlicheWeiDynastieDatiert520CEKalksteinGeschenkEduartVonDerHeydtRCh110 Buddha

De Boeddha

In het midden bevindt zich een zittende Boeddha in een ondiepe nis.
Het gewaad is duidelijk geplooid, met lange, brede lijnen
die in een dicht patroon over de onderhelft van de figuur lopen.

Rond de Boeddha loopt een bladvormige mandorla:
smal bij de basis, het breedst ter hoogte van het hoofd
en vervolgens weer toelopend in een spits einde.
De nis zelf is bovenaan rond afgesloten.
Beide vormen — nis en mandorla — buigen licht naar voren,
maar blijven duidelijk van elkaar te onderscheiden.

De houding van de Boeddha is rustig en symmetrisch, met de handen in de schoot.
De compositie is compact en vormt het stille middelpunt van de drukke bovenste zone.

DSC05582 05 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotifsteleChinaProvinzShanxiNördlicheWeiDynastieDatiert520CEKalksteinGeschenkEduartVonDerHeydtRCh110 Achterkant

Zwevende figuur met lint

Naast de centrale nis, aan de linkerzijde, bevindt zich in de bovenste positie
een zwevende figuur met uitgespreide armen.
Het lichaam is slank weergegeven, met vloeiende lijnen
die een opwaartse beweging suggereren.
Langs het lichaam lopen smalle, ritmische plooien die de indruk van lichte,
wapperende stof geven.
Rond de figuur loopt één lang lint dat in brede bogen om de armen
en achter de rug door beweegt;
de uiteinden zijn aan weerszijden van het lichaam het duidelijkst zichtbaar
door hun grotere volume.
Beide schouders zijn frontaal zichtbaar;
vanuit die positie is het hoofd naar rechts gedraaid,
in de richting van de corresponderende figuur aan de rechterzijde van de nis.

DSC05582 04 ZürichMuseumRietbergBuddhistischeVotifsteleChinaProvinzShanxiNördlicheWeiDynastieDatiert520CEKalksteinGeschenkEduartVonDerHeydtRCh110 Achterkant

De linker staande figuur met voorwerp

Links van de centrale nis staat een figuur in een geknielde houding.
Het lichaam is compact weergegeven, met duidelijke, parallelle lijnen
op het onderlichaam, met uitzondering van de onderbenen.
Deze lijnen kunnen op een geplooid kledingstuk wijzen.

De figuur houdt met beide handen een langwerpig voorwerp vast
dat niet naar de centrale Boeddha is gericht, maar juist van de nis af wijst.
Het voorwerp heeft geen herkenbare vorm of functie
en laat zich niet als een specifiek attribuut identificeren.

Het bovenlichaam volgt de richting van het voorwerp,
maar het hoofd is omgedraaid en lijkt naar de corresponderende figuur
aan de rechterzijde van de nis te kijken.
Het kapsel is hoog opgestoken in een compacte knot.
De figuur spiegelt in positie en houding met de figuur aan de rechterkant van de nis.

Tekstzone

Het lijkt er op dat er twee lagen tekst boven elkaar staan
op de onderste helft van de stele.
De bovenste tekstlaag bestaat uit drie tekstblokken (A, B en C),
elk opgebouwd uit verticale kolommen die binnen het blok
met hetzelfde karakter beginnen.
De onderste tekstlaag bestaat uit een reeks verticale kolommen
die allemaal met hetzelfde karakter beginnen,
hetzelfde karakter als blok a en C.

Afsluiting

Met dit derde bericht is de rondgang langs de boeddhistische stele
met een rechthoekig silhouet uit het Rietberg Museum voltooid.
Over de drie zijden heen werd zichtbaar hoe het object rondom is vormgegeven,
met uiteenlopende boeddhistische motieven
die in dezelfde Noordelijke Wei‑stijl zijn uitgevoerd.

Zonder de tekst te kunnen lezen blijft onduidelijk
waarom juist deze combinatie van voorstellingen is gekozen;
wat overblijft is het beeld van een stele die als geheel werkt
door haar vorm, ritme en stijl,
eerder dan door een doorlopend theologisch programma.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLII

– over wat er ontbreekt aan de banieren die we zien –

Toen ik in mijn vorige bericht over mijn Indiareis mijn indrukken beschreef
van een van de zijden banieren uit het National Museum in New Delhi,
deed ik een schokkende ontdekking.
De meeste van de banieren die ik de afgelopen weken hier toonden
bleken oorspronkelijk heel anders te zijn opgebouwd.
De rechthoekige stukken beschilderde zijde waren maar een deel
van de hele banier.
Misschien wel het meest interessante deel, maar toch.
Ik realiseerde me dit toen ik Aurel Steins beschrijving las
in Serindia, bij banier Ch.i.001: Bhaishajyaguru the healing Buddha
(Dunhuang, 7th – 10th century CE).

AurelSteinSerindiaVol2Pag1008Chi001

Aurel Stein, Serindia, vol 2, pagina 1008, Ch.i.001.


Het was vooral het begin van zijn beschrijving dat dit duidelijk maakte::

Painted silk banner, with bottom streamers of plain indigo silk and weighted board orn. with enclosed palmette pattern in black on partly red ground. Upper end of painting and all other accessories lost. Remainder in excellent condition;

In het Nederlands:

Beschilderde zijden banier, met onderaan stroken van effen indigozijde en een verzwaard plankje, versierd met een ingesloten palmetmotief in zwart
op een deels rode achtergrond. Het bovenste uiteinde van de schildering en alle andere accessoires zijn verloren gegaan. Het resterende deel is in uitstekende staat;

Daarom wil ik vandaag stilstaan bij de volgende vraag:

Hoe is een Dunhuang‑banier opgebouwd?

Een traditionele boeddhistische banier uit Dunhuang
bestaat uit vier hoofdonderdelen.
Ik beschrijf ze hieronder van boven naar beneden.
Ik gebruik hier Nederlandse termen,
met tussen haakjes de Engelse termen die musea en vakliteratuur hanteren:

  1. Ophangsysteem (hanging apparatus):
    Er bestaan twee manieren om een banier op te hangen:
    met een driehoekige top van textiel (headpiece) boven de stok,
    of met koorden die direct aan de stok zijn bevestigd.Van boven naar beneden bestaat het ophangsysteem
    uit een katoenen lus of koordconstructie,
    daaronder soms een driehoekige top van textiel (headpiece),
    gevolgd door een stok die door een tunnel
    aan de bovenrand van het schildersdoek loopt.
  2. Rechthoekig zijden schildersdoek (painted silk panel):
    het te beschilderen deel van de banier,
    en meestal het enige deel dat musea bewaren.
  3. Stroken (streamers):
    smalle stroken zijde die onderaan het schildersdoek hangen
    en zacht meebewegen wanneer er lucht langs stroomt.
  4. Contragewicht (weighted ornament):
    een verzwaard element onderaan de stroken
    dat de beweging van de stroken beperkt
    en ervoor zorgt dat de banier strak naar beneden hangt.

Samen vormen deze vier onderdelen een ritueel object
dat zowel functioneel als esthetisch is.
In musea zien we meestal alleen het rechthoekige zijden schildersdoek, omdat de andere onderdelen kwetsbaar zijn en vaak verloren zijn gegaan.

Ophangsysteem

Mijn eerste associatie was die van een kleerhanger:
driehoekig van vorm en bedoeld om textiel op te hangen.
Maar misschien is een vergelijking met een koordje nog treffender,
zoals bovenaan een kalender.
Van het ophangsysteem zijn dan ook twee uitvoeringen:

  • de textiele driehoek van mijn schema
  • een ophanging met een koordje

Ophangsysteem

Schematische weergave van een ophangsysteem in de vorm van een textiele driehoek. Met in grijs de stof die in de driehoek dient als extra decoratie en de plaats waar de lus zal worden bevestigd.


Dit type ophangsysteem zie je niet vaak in museumopstellingen.
Op mijn foto’s van de tentoongestelde zijden en papieren banieren
in de collectie van het National Museum in New Delhi
zijn er vier voorbeelden te zien.
Zie hieronder.
Mijn foto’s zijn mijn selectie, er kunnen er dus meer te zien zijn op zaal.
De voorbeelden die ik heb zijn soms incompleet of juist uitgebreid.

DSC01340IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraBannerDunhuang9th-10thCenturyCEPaintedOnRamieCh.lxiv.001LusStrokenDoorlopendeDriehoekBanier

India, New Delhi, National Museum, Avalokiteshvara banner, Dunhuang, 9th – 10th century CE, painted on ramie, Ch.lxiv.001. Hier zijn duidelijk de twee op elkaar genaaide stapeltjes zijde te zien die samen het ‘dakje’ van de driehoekige ophangconstructie vormen. Bovenaan zit een lus waarmee de banier kon worden opgehangen. De zijden lagen zijn langer dan strikt nodig en steken daarom iets uit. Opvallend is dat het lijkt alsof het schildersdoek zelf in een driehoek eindigt die tegen de stroken is vastgezet, waardoor het doek dus niet uit een rechthoekig stuk zijde lijkt te bestaan. De afbeelding van Amitābha loopt door over de plek waar je normaal de overgang van rechthoek naar driehoekig ophangsysteem zou verwachten.


DSC01348IndiaNewDelhiNationalMuseumStandingBodhisattvaDunhuang7th-10thCenturyCEPaintingOnSilkCh.lviv.002LusOphangsysteemRechthoekAchterDakje

India, New Delhi, National Museum, Standing Bodhisattva, Dunhuang 7th – 10th century CE, painting on silk, Ch.lviv.002. Bij deze banier is het ophangsysteem vrijwel compleet bewaard. De twee stapeltjes zijde zijn omwikkeld met stof in hetzelfde patroon, waardoor het ‘dakje’ als één geheel oogt. In de driehoek die door deze zijden bundels wordt gevormd, past een driehoekige lap stof met een eigen florale beschildering en een lotusmotief in het midden. Het dakje steekt breed uit voorbij de randen van het rechthoekige schildersdoek. Aan beide bovenhoeken lijkt het doek achter het ophangsysteem te verdwijnen.


DSC01364IndiaNewDelhiNationalMuseumStandingAvalokiteshvaraDunhuang8th-10thCenturyCEPaintingOnSilkCh.i.0013ExtraZijstroken

India, New Delhi, National Museum, Standing Avalokiteshvara, Dunhuang, 8th – 10th century CE, painting on silk, Ch.i.0013. Bij deze banier lijkt het ophangsysteem uit meerdere onderdelen te bestaan. Het driehoekige ‘dakje’ is aanwezig, mogelijk met een beschilderde vulling van wolkenmotieven. Daaronder volgt een zone met geometrische patronen in lichte kleuren, die kan duiden op een extra horizontale strook — vergelijkbaar met de twee zijstroken naast het rechthoekige schildersdoek. De zijstroken vullen het driehoekige dakje bijna volledig op, waardoor de overgang tussen ophangsysteem en schildering visueel wordt verzacht.


DSC01398IndiaNewDelhiNationalMuseumVotiveBodhisattvaBannerDunhuang8th-9thCenturyCESilkPaintingCh.lv.0036

India, New Delhi, National Museum, Votive Bodhisattva banner, Dunhuang, 8th – 9th century CE, silk painting, Ch.lv.0036. Deze banier is nog niet eerder op mijn blog besproken. Hier zien we de driehoek aan de bovenkant van het rechthoekige schildersdoek. Opvallend is dat het gebruikelijke ‘dakje’ ontbreekt, evenals de lus waarmee de banier normaal wordt opgehangen. De driehoek sluit direct aan op het doek zelf.


Rechthoekig zijden schildersdoek

Een tijd geleden ben ik bijna een hele dag bezig geweest
om de verschillen in afmetingen te begrijpen tussen de vermelding
van een banier in Serindia (Aurel Stein) en het museumlabel uit New Delhi.
Nu het tipje van de sluier is opgelicht als het gaat om
de originele opbouw van een banier, zijn die verschillen
beter te begrijpen:

  • het ophangsysteem ontbreekt in de museumopstelling
  • delen van het ophangsysteem zijn niet bewaard
  • de stroken en het contragewicht ontbreken volledig

01ZijdenSchildersdoek

Schematische weergave vanhet rechthoekige schildersdoek.


Voorbeeld:

Aurel Stein schrijft:

Painting 1′ 11 and a quarter” x 8″, length with streamers 5′ 2 and a quarter”, of

Schildering: 59,1 centimeter hoog en 20,3 cm breed,
lengte met stroken: 158,1 centimeter hoog.

Het museum vermeldt in de zaaltekst:

79 x 37,5 centimeter.

Ik heb me er maar bij neergelegd dat ik de maatveschillen
alleen kan begrijpen als iemand het precieze proces van vondst
naar museumopstelling uitlegt
en dat die kennis mij nu eenvoudigweg ontbreekt.
Ik weet niet precies wat Stein opmat en of hij alle informatie vermeldde
die hij tot zijn beschikking had.
Dat is geen beschuldiging gezien de omstandigheden van zijn expedities.
Het is slechts een vaststelling.
Het zou interessant zijn om na te gaan hoe dit ging bij Paul Pelliot,
Albert von Le Coq of Sergei Oldenburg.

02ZijdenSchildersdoekMetAfb

Nogmaals het schildersdoek in schema maar nu met een projectie van hoe daarom een schildering op werd gemaakt. Bij wat we vandaag zien in een museumopstelling zijn regelmatig de bovenkant, bijvoorbeeld het baldakijn waaronder de afgebeelde figuur zich bevindt, en de onderkant, bijvoorbeeld de lotus waarop de Boeddha staat of de florale of geometrische decoratie, nog maar deels te zien door beschadiging.


De tunnel is een brede zoom aan de bovenkant van het schilderdoek
die aan beide kanten wordt opengelaten.
Op het schema is de ruimte daarvoor met een stippellijn aangegeven.
In de tunnel kon een stok (bamboe bijvoorbeeld) worden doorgevoerd.
Als er geen gebruik werd gemaakt van het zijden ophangsysteem,
zoals eerder geschetst, dan kon aan beide uiteinden van de stok
of aan het schildersdoek (bij de tunnelopening), een koord worden bevestigd.

Stroken

ZijdenStroken

Schematische weergave van de stroken. Vaak drie of vij. In geval van drie is de middelste vaak breder dan de twee buitenste. Op mijn schematische voorstelling is daarvoor niet gekozen.


Ik heb de stroken zelf nog nooit gezien.
Gelukkig vond Copilot voor mij een voorbeeld op de website
van het Victoria & Albert museum in Londen.
Het object maakt deel uit van hun Aurel Stein collectie en
het is afkomstig uit Dunhuang:

Banner fragment, bottom streamers of plain-weave silk (juan) with weighting board of painted wood, found in Cave 17 of the Mogao Grottoes, Dunhuang, 800-900.

Op hun website beschrijven ze het object als volgt:

This textile fragment is of plain woven silk and painted wood. It would have formed the bottom section of a Buddhist ritual banner. Silk banners were used by pious donors as offerings to honour the Buddha. They were carried aloft hooked on a staff and they also fluttered from the tops of stupa (domed memorial shrines). The painted wooden board across the bottom of the banners prevented the streamers becoming tangled and helped to keep the banner in place.
This silk banner piece from Cave 17 of the Mogao Grottoes. This shrine site is one of China’s great Buddhist pilgrimage complexes and is situated near the oasis town of Dunhuang.
The site is also part of an area now referred to as the Silk Road, a series of overland trade routes that crossed Asia, from China to Europe. The most notable item traded was silk. Camels and horses were used as pack animals and merchants passed their goods from oasis to oasis. The Silk Road was also important for the exchange of ideas – while silk textiles travelled west from China, Buddhism entered China from India in this way.
This object was brought back from Central Asia by the explorer and archaeologist Sir Marc Aurel Stein (1862–1943). The Victoria and Albert Museum has around 600 ancient and medieval textiles recovered by Stein at the beginning of the twentieth century. The textiles range in date from the second century BC to the twelfth century AD. Some are silk while others are made from the wool of a variety of different animals.

In het Nederlands leest dit dan als volgt:

Dit textielfragment bestaat uit effen geweven zijde en beschilderd hout. Het vormde ooit het onderste gedeelte van een boeddhistische rituele banier. Zijdebanieren werden door vrome schenkers geofferd ter ere van de Boeddha. Ze werden omhoog gedragen, gehaakt aan een staf, en wapperden ook vanaf de toppen van stupa’s (koepelvormige herdenkingsmonumenten). De beschilderde houten lat aan de onderzijde van de banieren voorkwam dat de stroken verstrikt raakten en hielp de banier op zijn plaats te houden.

 

Dit zijdefragment komt uit Grot 17 van de Mogao‑grotten. Deze heiligdommen vormen een van China’s grote boeddhistische pelgrimsoorden en liggen bij de oasestad Dunhuang.

 

De vindplaats maakt deel uit van het gebied dat tegenwoordig wordt aangeduid als de Zijderoute: een netwerk van handelsroutes over land dat Azië doorkruiste, van China tot Europa. Het meest opvallende handelsproduct was zijde. Kamelen en paarden werden gebruikt als lastdieren, en kooplieden brachten hun goederen van oase naar oase. De Zijderoute was ook belangrijk voor de uitwisseling van ideeën — terwijl zijden textiel westwaarts reisde vanuit China, bereikte het boeddhisme China vanuit India via dezelfde routes.

 

Dit object werd meegebracht uit Centraal‑Azië door de ontdekkingsreiziger en archeoloog Sir Marc Aurel Stein (1862–1943). Het Victoria and Albert Museum bezit ongeveer 600 antieke en middeleeuwse textielvondsten die Stein aan het begin van de twintigste eeuw verzamelde. De textielen dateren van de tweede eeuw voor Christus tot de twaalfde eeuw na Christus. Sommige zijn van zijde, andere zijn gemaakt van wol van verschillende diersoorten.

VandAAurelSteinStreamersAndPaintedWeightedboard

Victoria & Albert museum, Aurel Stein, Streamers and painted weighted board.


Contragewicht

Contragewicht

De beschrijving van de stroken hierboven noemt meteen ook
de verzwaring onderaan de stroken.
Het voorbeeld van het V&A is beschilderd met florale motieven
en de uiteinden zijn sierlijk schuin afgewerkt.

VAndAWeightingBoardOfPaintedWoodCave17MogaoGrottoesDunhuangChina800-900CE

Victoria & Albert museum, Weighting board of painted wood, Cave 17, Mogao Grottoes, Dunhuang, China, 800 – 900 CE.


Afronding

Alles bij elkaar, ophangsysteem, schildersdoek, stroken en contragewicht,
kon het een groot object vormen van gemakkelijk anderhalf of twee meter.
Daarvan zien we dan vaak in een museum slechts een kwart tot een derde.
Gelukkig betreft dat wel het kunsthistorisch belangrijkste deel.