Mensbeelden uit Jalisco

– over massa, beweging en het denken in klei –

Het was een zonovergoten dag in Oaxaca.
Het museum is een heel mooi, eenvoudig gebouw met rond een patio
de tentoonstellingsruimtes.
Elk met een eigen kleur als een soort thema.
De werken staan of hangen in speciale vitrines in de muur.
Soms staan de werken op zich zelf, midden op de vloer of tegen de wand.
Het is er rustig als ik er ben.
Je kunt goed rondlopen, terugkeren naar een vitrine om een indruk te toetsen,
de tuin is warm, maar de ruimtes zijn heel comfortabel.

Dat de hele wereld dag in dag uit naar Mexico, de VS en Canada zal kijken
om geen minuut te missen van het voetbal,
daar merk je in het museum nog helemaal niets van.
Hoewel, ik maakte van twee beeldjes foto’s.
Een er van heeft zeker te maken met sport.
Anders dan voetbal, maar waarschijnlijk heel populair in hun tijd.

DSC06043 01 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraFemeninaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Figura femenina, Jalisco, preclassico tardio, 1250 a.C. – 200 d. C. Vrouwfiguur gevonden in Jalisco.
DSC06043 02 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraFemeninaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
DSC06043 03 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraFemeninaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC

Een vinger is een teen is een uitsteeksel

Deze gedrongen figuur lijkt uit één compacte massa geboetseerd,
met een nadruk op volume eerder dan op anatomie.
De armen sluiten dicht aan tegen het lichaam,
de schouders zijn bezet met kleine bultjes
die als een korrelige huid of een rituele bekleding kunnen worden gelezen.
Handen en voeten zijn bijna identiek gevormd
— brede uiteinden met ingesneden lijnen
die vingers en tenen slechts suggereren.

Alles wijst op een maker die meer dacht dan keek:
de vormen volgen een innerlijke logica, niet de waarneming.
Het lichaam is niet geobserveerd maar geconstrueerd,
als een idee van menselijkheid dat in klei wordt vastgelegd.

De ruwe betonnen achtergrond van de vitrine versterkt dat effect:
beide delen dezelfde aardse stilte,
alsof het beeldje nog steeds in zijn eigen wereld van grond en ritueel staat.


DSC06044 01 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
Figura masculina, jugador de pelota, Jalisco, preclassico tardio, 1250 a.C. – 200 d.C. Mannelijke balspeler.
DSC06044 02 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
DSC06044 03 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
DSC06044 04 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
DSC06044 05 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC

Pelota

De speler staat in een compacte, bijna hoekige houding,
met de bal als verlengstuk van zijn lichaam.
Zijn gezicht is een masker: streng, geometrisch, met smalle ogen
en een scherpe neus die de expressie tot een teken reduceert.
Het lichaam lijkt gehuld in een glad oppervlak
dat aan een sportshirt doet denken,
maar de handen en voeten volgen elk hun eigen logica
— platgedrukte bolletjes als vingers, tegenover voeten met volume en gewicht.

De maker heeft niet gekeken, maar gedacht:
hij boetseerde volgens een innerlijk schema
waarin de mens een symbool wordt van kracht en ritueel.
Zelfs de bal, ruw en onregelmatig, lijkt meer idee dan object
— een echo van het spel dat hier niet wordt gespeeld maar herinnerd.

Twee figuren, één vitrine — twee manieren om een mens te denken

Hoewel beide beeldjes uit Jalisco komen en naast elkaar
in dezelfde vitrine staan, lijken ze bijna uit verschillende werelden.

De vrouwelijke figuur is compact en gesloten,
een gedrongen lichaam dat als een blok aarde staat
— stil, massief, haast architectonisch.

De pelota‑speler daarentegen is beweeglijk:
zijn linkerarm buigt soepel, zijn romp lijkt licht te kantelen,
en zelfs zijn maskerachtige gezicht draagt een spanning die op actie wijst.

Het is alsof de ene maker in massa en rust dacht,
en de andere in lijn en beweging.
Twee kunstenaars, twee mentale modellen van menselijkheid:
een aanwezigheid of een gebaar.

Samen tonen ze hoe binnen één regio en één periode
de menselijke figuur niet één stijl volgde,
maar een hele waaier aan interpretaties
— van het statische tot het dynamische, van het aardse tot het rituele.

Afsluiting

Of de bal goedgekeurd zou worden door de FIFA betwijfel ik.
Maar deze beeldjes hebben geen erkenning nodig
— zeker niet van een corrupte organisatie.


India 24/25: Varanasi, dag 3 – Archaeological Museum Sarnath 07

– over wat je ziet als je even niet naar het kapiteel kijkt –

De collectie van het Archaeological Museum Sarnath is veelomvattend:
Met één wereldberoemd object en heel veel andere vondsten.
In het centrum staat de pilaar van Ashoka met het leeuwenkapiteel.
Maar daaromheen, letterlijk, opent zich een hele wereld.
Dit bericht toont twee van die andere objecten.

DSC01768 01 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathInscriptionOfKumardevi12thCentCESandstoneAccNo33
India, Varanasi, Archaeological Museum Sarnath, Inscription of Kumardevi, 12th century CE, sandstone. Acc. No. 33.
DSC01770IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathInscriptionOfKumardevi12thCentCESandstoneAccNo33 Contents

CONTENTS OF KUMARDEVI’S INSCRIPTION

  1. This inscription was discovered in March 1908 in course of excavation conducted at Sarnath by Sir John Marshal and Sten Konow.
  2. Sten Konow deciphered this inscription and published it in Epigraphia Indica Vol‑IX in 1908.
  3. The inscription comprises of twenty‑six verses inscribed in Sanskrit in the character of Nagri script.
  4. The first two verses contain invocation of Goddess Vasudhara and the Moon.
  5. The eleven verses give the genealogy and dwell on the virtues of Kumaradevi, the Buddhist queen of Govindachandra (1114‑1154 A.D.) of Kanyakubja (Modern Kannauj).
  6. Verses fourteen to twenty mention the genealogy of the Gahadavala family of Govindachandra.
  7. The succeeding two verses specify that Kumaradevi built a vihara at Dharmachakra (Modern Sarnath) and that she caused a copper plate to be prepared in connection with the Teaching of the Lord of the wheel of law and then restored the image of Lord as it existed in the old days.
  8. The queen’s praise is sung in twenty‑fourth verse, while the last two verses inform that the inscription which is called Prashasti was composed by the poet Shrikunda & engraved by Vamana.
DSC01768 02 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathInscriptionOfKumardevi12thCentCESandstoneAccNo33 Detail
Detailopname van een willekeurige fragment van het nagri-schrift.

John Marshall en Sten Konow

De samenwerking tussen Sir John Marshall en Sten Konow
is een mooi voorbeeld van hoe archeologie
en filologie (de studie van taal, literatuur en cultuur,
met nadruk op historische ontwikkeling en tekstkritiek)
elkaar rond 1900 begonnen te versterken.
Marshall, de Britse directeur van de Archaeological Survey of India,
was verantwoordelijk voor het professionaliseren
van archeologisch onderzoek en voor grote opgravingen zoals die in Sarnath.
Konow daarentegen was een Noorse indoloog en epigraaf,
gespecialiseerd in oude Indiase talen en inscripties.
Dat een Noor zo’n centrale rol speelde in de studie van Indiase epigrafie
is inderdaad bijzonder:
het laat zien hoe internationaal de belangstelling
voor het subcontinent toen al was,
en hoe Europese geleerden zich toelegden
op het ontcijferen van teksten die cruciaal waren
voor het begrijpen van India’s religieuze en politieke geschiedenis.
Marshall bracht de inscripties aan het licht;
Konow gaf ze een stem door ze te lezen, te vertalen en te interpreteren
— een samenwerking die de studie van Sarnath blijvend heeft gevormd.

Epigraphia Indica: betekenis, doel en huidig bestaan

Epigraphia Indica, opgericht in 1892,
was het officiële tijdschrift van de Archaeological Survey of India
en groeide uit tot het belangrijkste platform
voor de publicatie en analyse van inscripties uit het Indiase subcontinent.
Het doel was helder: alle nieuwe epigrafische vondsten
systematisch documenteren, transcriberen, vertalen
en van context voorzien,
zodat ze toegankelijk werden voor onderzoekers wereldwijd.
Voor plaatsen als Sarnath, waar inscripties
vaak de enige directe historische stemmen zijn,
werd het tijdschrift een onmisbare bron.
Hoewel de frequentie van publicatie in de twintigste eeuw afnam,
bestaat Epigraphia Indica nog steeds als onderdeel van de ASI‑reeks
en blijft het een standaardreferentie voor epigrafen, historici en archeologen
die werken met primaire bronnen uit India’s verleden.

De inscriptie van Kumaradevi

De inscriptie van Kumaradevi, is een zeldzame bron
die ons rechtstreeks iets vertelt over Sarnath in de 12e eeuw.
Het is een tekst waarin een koningin uit een machtige Noord‑Indiase dynastie
– koningin Kumaradevi van de Gahadavala‑dynastie –
beschrijft hoe zij een nieuw klooster liet bouwen in Sarnath
en een koperen plaat liet maken ter ere van de boeddhistische leer.

Dat klinkt eenvoudig, maar het is historisch gezien bijzonder:
het laat zien dat Sarnath in deze periode
nog steeds actief werd ondersteund door koninklijke patronage,
op een moment dat veel boeddhistische centra in Noord‑India
onder druk stonden.
Dankzij deze inscriptie weten we dat Sarnath
toen nog een levendige, gerespecteerde plek was,
en dat het niet zomaar een ruïne was
die later door archeologen werd opgegraven.

Zonder deze tekst zouden we een belangrijk hoofdstuk
uit de geschiedenis van Sarnath missen.


DSC01766 01 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathRamgramStupa1stCentBCESandstoneAccNo527
Ramgram-stupa, 1st century BCE, sandstone. Acc. No. 527.
DSC01766 02 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathRamgramStupa1stCentBCESandstoneAccNo527 DetailLinks
DSC01766 03 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathRamgramStupa1stCentBCESandstoneAccNo527 DetailRechts

Een paneel met de Ramagrama‑stupa — geen stupa zelf

In het museum wordt een zandstenen fragment tentoongesteld
onder de naam “Ramgram Stupa”.
Dat is eigenlijk misleidend, want het object is niet de stupa zelf,
maar een decoratief paneel of deurpost
uit de vroege boeddhistische periode (rond de 1e eeuw v.Chr.).

Op het reliëf is een gestileerde voorstelling te zien
van de Ramagrama‑stupa in Nepal,
een van de acht oorspronkelijke stupa’s
waarin volgens de traditie de relieken van de Boeddha werden verdeeld.
Zulke voorstellingen dienden als herkenbare symbolen voor pelgrims:
een manier om een heilige plaats zichtbaar te maken,
zelfs wanneer die ver weg lag.

Hoe een stupa wordt verbeeld in vroege boeddhistische kunst

Het paneel laat prachtig zien hoe kunstenaars uit die tijd
een stupa in beeldtaal samenvatten:

De halve bol (anda)
De ronde koepel vormt het hart van de stupa: de plek waar de relieken rusten. Op het reliëf is deze halve bol duidelijk herkenbaar.

De omheining rond de bol (vedika)
Rond de koepel staat een lage balustrade. Die markeert de heilige ruimte en verwijst naar de rituele ommegang (pradakshina) van pelgrims.

De parasol bovenop de stupa (chatra)
Boven op de bol staat een parasol, het klassieke symbool van koninklijke bescherming en spirituele verheffing.

De tweede omheining rond de parasol
Ook de top van de stupa is omheind. Dat benadrukt dat de bovenste zone net zo heilig is als de basis.

Wapperende banieren (dhvaja)
Aan de parasol hangen banieren die naar buiten waaieren. Ze symboliseren devotie, rituele activiteit en de voortdurende aanwezigheid van de leer.

Samen vormen deze elementen een iconografische formule:
een herkenbare manier om een stupa af te beelden
— een visuele hommage die de heilige plek verbindt met Sarnath.

Naast de Ramagrama‑stupa zien we nog meer.

De naga‑paren op de stupa

Op de koepel zelf kronkelen drie paren naga‑achtige wezens:
telkens twee slangen met opgerichte halzen
en een fijn schubbenpatroon.
Ze zijn ritmisch over de bol verdeeld, alsof ze de stupa omringen en bewaken.
In vroege boeddhistische kunst zijn naga’s beschermers van relieken
en heilige plaatsen.
Hun aanwezigheid verwijst naar het verhaal
dat juist de Ramagrama‑stupa door naga’s werd bewaakt,
zodat haar relieken nooit werden verdeeld.
Door de naga’s in paren te tonen — een typisch Śuṅga‑motief —
benadrukt de kunstenaar de heiligheid en bescherming van de stupa:
niet één bewaker, maar een hele kring van mythische wezens
die de relieken behoeden.

Het naga-motief is uitzonderlijk specifiek
en vormt waarschijnlijk de belangrijkste reden om dit fragment
te identificeren als een voorstelling van de Ramagrama‑stupa,
de enige stupa die volgens de traditie door naga’s werd bewaakt.

De olifant en zijn berijder

Links van de stupa zie je een olifant met een figuur bovenop.
In vroege boeddhistische kunst is de olifant een beschermend
en koninklijk dier, vaak verbonden met processies, relieken en heilige reizen.
De berijder — een hemelse of menselijke begeleider —
versterkt dat beeld:
hij fungeert als bewaker van de stupa of als deel van een rituele stoet.
De combinatie van olifant en ruiter is typisch voor reliëfs uit de Śuṅga‑periode,
waarin dieren en menselijke figuren samen een sacraal landschap vormen.

De decoratieve rand

Rechts van de stupa loopt een rijk versierde verticale zone
met bloemmotieven, vlechtwerk en geometrische patronen.
Dit soort ornamenten zijn kenmerkend voor deurposten
en panelen uit dezelfde periode.
Ze markeren de overgang tussen de buitenwereld
en de heilige ruimte,
en geven het object een architectonische functie:
dit was geen los reliëf, maar onderdeel van een ingang, poort of heiligdom.

Samen met de stupa‑voorstelling maken deze elementen duidelijk
dat het fragment ooit deel uitmaakte van een rituele architectuur:
een plek waar pelgrims binnenkwamen,
waar heilige plaatsen werden verbeeld,
en waar dieren, mensen en symbolen samen
een sacraal landschap vormden.

Slotbeschouwing

Het is begrijpelijk dat het leeuwenkapiteel in Sarnath
zoveel aandacht krijgt.
Het staat centraal opgesteld, met ruimte, licht
en een duidelijke museale focus
— en terecht, want veel bezoekers komen er speciaal voor.
Maar juist die prominente plaats biedt een kans om ook andere,
minder bekende stukken zichtbaar te maken.
Objecten zoals de inscriptie van Kumaradevi
en het paneel met de Ramagrama‑stupa
vertellen samen het bredere verhaal van Sarnath:
de politieke patronage, de religieuze betekenis,
de mythische bescherming van relieken,
en de verfijnde beeldtaal van de vroege boeddhistische kunst.
Door die context te tonen,
groeit het begrip voor het belang van Sarnath als heilige plaats.
Het museum zou daarmee niet alleen het beroemde kapiteel eren,
maar ook de rijke wereld eromheen
— een wereld die in deze fragmenten nog altijd zichtbaar is.


Mexico was niet één cultuur: drie voorwerpen, drie tijdvakken

– over een tijdlijn van Preklassiek tot Postklassiek, verteld aan de hand van drie objecten –

Mexico was niet één cultuur

Mexico was in hun verre verleden geen één volk,
maar een gebied waar vele stammen en volken leefden,
elk met hun eigen talen, gewoonten en beeldtradities.
Sommige culturen bestonden tegelijk,
andere volgden elkaar op.
Zo ontstond een rijk en gelaagd geheel van stijlen en ideeën.

Olmeek — een van de vroegste grote culturen

Leefden vooral in Veracruz en Tabasco.
Herkenbaar aan compacte stenen beeldjes, amandelvormige ogen,
een brede mond en groene steensoorten zoals jade en serpentijn.

Zapoteek — de cultuur van Oaxaca

Ontstond later en bouwde steden zoals Monte Albán.
Had een eigen schrift en een duidelijk andere beeldtaal:
hoekiger, architectonischer, vaak verbonden met grafcontexten.

Azteek — een van de laatste grote pre‑Spaanse culturen

Veel later, in Centraal‑Mexico, met Mexico‑Stad als groot centrum.
Een machtig rijk met rijke symboliek en indrukwekkende steden
— dit is de cultuur die de Spanjaarden aantroffen in de 16e eeuw.

Tijdsindeling: Preklassiek, Klassiek en Postklassiek

Archeologen gebruiken deze tijdsindeling als een kapstok
om al die stammen, volken en hun culturen een plaats te geven.
Het is een raamwerk dat laat zien hoe culturen zich tot elkaar verhouden
en hoe ze zich door de tijd heen ontwikkelen.
Die indeling zegt dus niet dat alle culturen precies tegelijk begonnen
of eindigden,
maar helpt om stijlen, vondsten en beeldtradities
binnen één overzichtelijk geheel te plaatsen.

Preklassiek (ca. 1500 v.Chr.–250 n.Chr.)
De vroegste grote culturen.
Hier horen de Olmeeken bij.

Klassiek (ca. 250–900 n.Chr.)
De tijd van grote steden, monumentale architectuur en verfijnde beeldtradities.
Hier hoort o.a. Monte Albán bij, het centrum van de Zapoteekse cultuur.

Postklassiek (ca. 900–1521 n.Chr.)
Periode van nieuwe machtscentra en grote rijken.
Hier horen o.a. de Mixteken en de Azteken bij.

Binnen deze perioden gebruiken musea soms termen als
Vroeg‑, Midden‑ of Laat‑Preklassiek.
Dat zijn stijltermen binnen het grote tijdvak,
en ze leiden niet altijd tot een andere datering.
Ze helpen vooral om objecten te groeperen op basis van vormtaal en context.

Hoe dit aansluit op Olmeek, Zapoteek en Azteek

Olmeek → Preklassiek
Ca. 1500 v.Chr.–400 v.Chr.
Een van de vroegste grote culturen.

Zapoteek → Late Preklassiek tot Klassiek
Begint in het Late Preklassiek, bloeit in het Klassiek.
Monte Albán is vooral een Klassieke stad.

Azteek → Postklassiek
Ca. 1300–1521 n.Chr.
Een van de laatste grote pre‑Spaanse culturen.

Dit bericht

In dit bericht één object van elk van de drie culturen
die ik hierboven noemde en die in deze reis centraal stonden.
Ik reisde van Oaxaca naar Puebla en Mexico-Stad.

DSC06040MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraOlmecaVeracruzPreclasicoCa1500vC–250nCPiedraSerpentineOrJade
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Figura Olmeca, Veracruz, Preclasico, circa 1500 v. Chr. – 250 n. Chr., piedra, serpentine or jade.

Olmeek

Klein Olmeeks stenen beeldje uit Veracruz,
met een compact gemodelleerd lichaam
en een opvallend gestileerde weergave van handen en voeten.
Die gestileerde waargave vond ik juist zo mooi.
Het geeft het beeldje een ritme.
De horizontale lijnen over borst en onderlijf suggereren ledematen,
maar zijn zo geometrisch vormgegeven
dat het geheel een bijna moderne abstractie krijgt.
Het gelaat met amandelvormige ogen en brede mond sluit
aan bij de vroege Olmeekse beeldtraditie.
Dit type figuur wordt in het algemeen gedateerd
in de Preklassieke periode (ca. 1500 v.Chr.–250 n.Chr.)
en is vervaardigd uit serpentijn of jade‑achtig gesteente.

Dergelijke kleine stenen figuren
worden meestal geïnterpreteerd als rituele voorwerpen:

  • ze konden dienen als persoonlijke beschermfiguren,
  • als onderdeel van huisaltaren,
  • of als symbolische objecten die in de grond werden geplaatst
    tijdens bouw- of overgangsrituelen.

De compacte vorm en het duurzame materiaal
wijzen op een object dat bedoeld was
om te bewaren, te dragen of te gebruiken
binnen een kleine, besloten rituele context.


DSC06042MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtSoporteParaVasijaConCaraHumanaOaxaca PreklassiekePeriodeCa1500vC–250nC
Soporte para vasija con cara humana, Oaxaca, preklassieke periode, circa 1500 v. Chr. – 250 n. Chr.

Zapoteek

Deze keramische drager uit Oaxaca diende als steun
voor een ceremonieel vat, zoals gebruikt voor
offerings, aromatische stoffen of andere rituele handelingen.
Het gezicht op de sokkel is redelijk natuurlijk gemodelleerd
en daarna versierd met kleine perforaties in de haarzone
en inkervingen in oren en wangen,
waarbij vooral op de wangen een neiging tot geometrische ordening opvalt.
Het museum vermeldt geen datering bij de zaaltekst,
maar dit type keramische drager wordt in het algemeen gedateerd
in de Preklassieke periode (ca. 1500 v.Chr.–250 n.Chr.).


IMG_8152MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtXipeFertilityGodDressedWithTheSkinOfASacrifiedVictimPueblaFinalPeriodAD1100-1521
Xipe Tótec, fertility god dressed with the skin of a sacrified victim, Puebla, Final period (Postklassiek), AD 1100 – 1521.
IMG_8153MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtXipeFertilityGodDressedWithTheSkinOfASacrifiedVictimPueblaFinalPeriodAD1100-1521

Azteek

De figuur staat rechtop op een sokkel, met een open mond
en een expressieve houding die verwijst naar rituele spraak of zang.
Sporen van rode verf benadrukken de associatie
met bloed, leven en wedergeboorte
— centrale thema’s in de Azteekse religie.

Xipe Tótec wordt hier voorgesteld gekleed in de huid
van een geofferde, een ritueel symbool van vernieuwing.
Die tweede huid bedekt het hele lichaam, inclusief het gezicht:
de strakke vorm en de zichtbare randen suggereren
dat de god letterlijk een andere huid draagt.

Rond de ogen is een lichte verdikking te zien, een dubbele rand
die aangeeft dat ook daar de buitenste huid over het eigen gelaat ligt.
Het versterkt de indruk van een rituele omhulling,
waarin de god een tweede, symbolische huid draagt.

Op de borst bevindt zich een duidelijke onderbreking:
een rand of opening die verwijst naar de naad van de gedragen huid.
Zulke borstopeningen komen vaker voor in voorstellingen van Xipe Tótec
en maken zichtbaar dat dit niet het eigen lichaam is,
maar een rituele laag die over hem heen ligt.

Aan de neus zit een opvallend ornament,
mogelijk een neusplug of rituele versiering.
Dergelijke sieraden worden in Azteekse kunst geassocieerd
met adem, stem of levensadem
— een passend symbool voor een god
die de aarde opnieuw laat “ademen” na het offer.

Beelden van Xipe Tótec stonden in tempelruimten
en speelden een rol tijdens voorjaarsrituelen
rond vernieuwing van de aarde en de landbouw.
Tijdens het jaarlijkse feest Tlacaxipehualiztli werd de god vereerd
als brenger van nieuw gewas:
het ritueel van het dragen van een geofferde huid
verwees niet naar menselijke vruchtbaarheid,
maar naar de cyclus van zaaien, ontkiemen en oogsten.
Voor het beeld werden offers van maïs, bloemen
en brandende aromatische hars gebracht
— copal, een geurige boomhars die als reukoffer werd verbrand.
Zo fungeerde het als rituele tegenwoordigheid van de god,
een vaste plek waar gelovigen hun gebeden en gaven konden richten.

Afsluiting

Met deze drie objecten komt een brede waaier van tijd en plaats samen:

  • de Olmeek‑figuur uit het vroege eerste millennium,
  • de Zapoteek‑sokkel met hoofd uit Monte Albán
  • en het Postklassieke beeld van Xipe Tótec uit Puebla.

Elk draagt een eigen wereld van rituelen en betekenissen,
maar in dit bericht staan ze naast elkaar als stille getuigen
van hoe Meso‑Amerikaanse culturen vorm gaven
aan leven, dood en vernieuwing.
De stijlen verschillen, de materialen ook,
maar in alle drie klinkt dezelfde zoektocht naar orde en betekenis door.
Zo vormt dit drieluik een kleine, maar veelzeggende doorsnede
van een rijk en gelaagd verleden.


Verso – Een ridder in Vaud, een vorst in Saksen

– over twee achterkanten en twee politieke werelden –

De tentoonstelling Verso – Tales from the Other Side
was opgedeeld in secties. In de teksten wordt soms gesproken over ‘rooms’.
Met dit bericht zijn we aangekomen bij de vijfde sectie
waarin schilderijen aan bod kwamen waarop op de achterkant wapenschilden zijn te zien.
In dit bericht de eerste twee schilderijen.
Later volgen er nog een paar.

DSC05767 01 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Niederländischer Meister, Portait of Jacob of Savoy, Count of Romont, um 1475, mischtechnik auf eichenholz. Inv. 457.
DSC05767 02 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz
DSC05766 01 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz Verso
Verso, de andere kant van de afbeelding.
DSC05766 02 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz Verso
DSC05766 03 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz Verso

Niederländischer Meister

In de 15e eeuw vormden de Bourgondische hertogen een uitgestrekt rijk
dat zich uitstrekte van Dijon tot aan de Noordzee.
Het bestond uit twee delen:
het zuidelijke hertogdom Bourgondië in het huidige Frankrijk,
en de noordelijke Bourgondische Nederlanden
— Vlaanderen, Brabant, Holland, Zeeland en de omliggende gewesten.
Aan het hof van Karel de Stoute groeide deze noordelijke regio uit
tot een centrum van verfijnde schilderkunst,
met meesters als Rogier van der Weyden en Hans Memling.
Wanneer een museum in het Duits spreekt van een Niederländischer Meister,
bedoelt het daarom de schildertraditie van deze Bourgondische Nederlanden.
Het is een stilistische aanduiding:
een manier om een anonieme schilder te plaatsen
binnen de Vlaamse/Nederlandse hofkunst van de 15e eeuw,
zonder een specifieke naam of atelier te claimen.

Binnen dat Bourgondische netwerk bewoog Jacob II van Savoye zich
als bondgenoot van Karel de Stoute tussen Dijon, Brussel en de Vlaamse steden.
Zijn portret past precies in die wereld:
het is geschilderd in de verfijnde stijl die aan het Bourgondische hof tot bloei kwam,
met aandacht voor stofuitdrukking, sieraden en een beheerste,
bijna sculpturale weergave van het gezicht.
Omdat de maker onbekend is,
maar duidelijk tot deze Vlaamse‑Nederlandse hoftraditie behoort,
gebruikt het museum de brede term Niederländischer Meister.
Zo wordt het werk geplaatst in de schilderkunst van de Bourgondische Nederlanden,
zonder een specifieke meester of atelier te hoeven noemen.

Een korte biografische schets

Jacob II van Savoye (geboren 1450) was een jongere zoon
uit het machtige huis Savoye, een dynastie die haar invloed uitstrekte
over de Alpen en het gebied rond het Meer van Genève.
Als tiener kreeg hij het Pays de Vaud als apanage:
een samenhangende regio van steden, kastelen en landerijen
in het westen van het huidige Zwitserland,
met Romont als een van de centrale plaatsen.
Het was geen strak afgebakend territorium zoals moderne staten,
maar een herkenbare machtszone
waar de Savoyaardse hertog daadwerkelijk gezag uitoefende.
Voor Jacob betekende dit dat hij niet alleen een titel droeg,
maar een reëel gebied bestuurde
— met inkomsten, soldaten en een eigen regionale identiteit.

In de jaren 1470 sloot hij zich aan bij Karel de Stoute,
de Bourgondische hertog, en bewoog zich in de hoogste kringen van een hof
dat bekendstond om zijn ceremonie, pracht en verfijnde kunst.
Na Karels dood in 1477 bleef Jacob trouw aan diens erfgename
Maria van Bourgondië, wat hem in 1478 een plaats opleverde
in de Orde van het Gulden Vlies, het exclusieve riddergenootschap
van de Bourgondische elite.
Hij stierf enkele jaren later, vermoedelijk rond 1485/86,
waardoor zijn portret een zeldzaam venster vormt op een edelman
die zijn politieke en militaire rol binnen het Bourgondische netwerk
maar gedeeltelijk heeft kunnen vervullen.

Portret

Het portret dat Jacob rond 1475 toont, past precies in de Bourgondische hofcultuur.
Zijn blik is licht asymmetrisch, maar daar is geen historische aanwijzing voor:
geen enkele bron vermeldt een oogafwijking,
en Vlaamse meesters gebruikten subtiele variatie om een gezicht levendiger te maken.
Hij draagt een meerlagige ketting met kralen en een zware hanger
— geen officieel insigne zoals het Gulden Vlies,
maar een persoonlijk sieraad dat binnen hofportretten
minder gebruikelijk is dan formele orde‑tekens.
Daarnaast draagt hij een pinkring met een steen,
een subtiel teken van persoonlijke status.
Zijn handen liggen ongewoon laag in beeld, met de vingers over elkaar
— een ingetogen, bijna zuinige houding
die het portret een opvallende terughoudendheid geeft.

Wapenschild

Het familiewapen van Jacob II van Savoye
is een uitgesproken voorbeeld van laatmiddeleeuwse heraldiek
waarin macht en afkomst visueel samenvallen.
In het midden staat het Savoyaardse kruis — wit op rood —
omgeven door een blauwe rand met gouden versiering.
Daarbuiten, op rood en tussen gouden stiksels,
staat een reeks goudkleurige tekens; ze lijken op letters,
maar zijn te gestileerd en te fragmentarisch
om als leesbare tekst te worden geïdentificeerd.
Daaromheen staan stralende punten die het geheel als een zon omringen.
Aan weerszijden houden beren het schild vast,
een verwijzing naar kracht en standvastigheid,
terwijl bovenop een gouden helm prijkt met een gevleugelde leeuwenkop
als helmteken: een symbool van moed en waakzaamheid.
De rode en witte bladkrullen verwijzen naar de kleuren van Savoye,
en onderaan verschijnt een kleine gevleugelde hengst,
een teken van snelheid en adel.

Op het eerste gezicht lijkt het wapen goed te lezen,
maar gaandeweg worden details zichtbaar die zich moeilijk laten duiden,
zoals de sporen van een tekst onder de gevleugelde hengst
waarvan geen letter meer te onderscheiden is.

Waarom hij zo’n typische “heraldieke persoonlijkheid” is

Jacob is precies het soort edelman dat trots was op afkomst en territorium,
en dat niet alleen kon maar ook moest zijn.
Als jongere zoon moest hij zich via titels, functies en symbolen profileren;
hij beschikte over een eigen machtsbasis in het Pays de Vaud;
hij leefde in een hofcultuur waarin identiteit zichtbaar werd gedragen
in kleding, sieraden en wapenschilden;
en hij vervulde militaire functies waarin banieren, kleuren en heraldiek
een centrale rol speelden.

Kortom:
Jacob II belichaamt het laatmiddeleeuwse idee dat macht en afkomst
niet alleen bezit waren, maar ook beeldtaal.
Hij is precies het type mens dat zijn achtergrond niet verbergt,
maar met overtuiging toont — in wapens, insignes en portretten.


DSC05769BazelKunstmuseumBaselVersoCoatOfArmsTxt
Zaaltekst bij de vijfde sectie van de tentoonstelling.

DSC05772 01 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
Lucas Cranach der Älter, Portrait of Johann Friedrich, The Magnanimous, Elector of Saxony, 1533, öl auf buchenholz. Inv. 1228.
DSC05772 02 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
DSC05772 03 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
DSC05773  01 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
DSC05773  02 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
Zo zijn de wapenschilden misschien nog iets duidelijker.

De Grootmoedige

Johann Friedrich (geboren 1503) was keurvorst van Saksen
— een van de zeer selecte vorsten binnen het Heilige Roomse Rijk
die het recht hadden om de keizer te kiezen.
Die positie gaf hem aanzienlijke politieke invloed
en maakte zijn dynastieke representatie extra belangrijk.
Hij stamde uit het Huis Wettin, een oude dynastie
die al sinds de middeleeuwen de Saksische gebieden bestuurde.
Binnen dat huis bestonden twee takken: de Albertijnse en de Ernestijnse linie.
Johann Friedrich behoorde tot die Ernestijnse tak,
die in zijn tijd de leiding had over Wittenberg en het Saksische keurvorstendom.

Als beschermheer van Luther en de universiteit van Wittenberg
speelde hij een sleutelrol in de verspreiding van het protestantse geloof.

Zijn bijnaam der Großmütige verwijst naar zijn reputatie
als loyale, principiële vorst.

In 1527 trouwde hij met Sibylle van Kleef,
waarmee hij de Saksische dynastie verbond aan het Rijnlandse huis Kleef‑Jülich‑Berg
— een alliantie die zowel politiek als symbolisch gewicht had
binnen het Heilige Roomse Rijk.

Hij overleed in 1554, 51 jaar oud, aan een plotselinge infectie die een lichaam trof
dat al verzwakt was door jaren van gevangenschap na de Schmalkaldische Oorlog.

Het portret en de achterkant

Lucas Cranach der Ältere schilderde Johann Friedrich in 1533,
in een sobere maar statige pose
— een stijl die zowel past bij de ingetogen Saksische hofcultuur
als bij de vroege protestantse voorkeur voor waardige eenvoud.
De keurvorst draagt een bontkraag en een rijk geborduurde halsband
met de inscriptie “ALS IN EREN”
— een morele uitspraak die Cranach niet als versiering
maar als karakterteken gebruikte.
De woorden, deels herhaald in het patroon van de stof,
presenteren de keurprins als iemand die leeft in overeenstemming met eer en waardigheid.
In de context van Wittenberg, waar geloof en gedrag nauw verbonden waren,
krijgt die korte tekst de kracht van een belofte:
een vorst die zijn positie niet door pracht maar door deugd bevestigt.
De meerlagige ketting en de ring met een steen onderstrepen zijn persoonlijke status,
terwijl de lage, verstrengelde handhouding een ingetogen waardigheid uitstraalt.

Op de achterkant van het paneel zijn, tussen twee later aangebrachte Franse briefjes,
twee kleine wapenschilden zichtbaar: het Saksische en het Kleefse wapen.
Die heraldische combinatie verwijst naar het huwelijk
tussen Johann Friedrich en Sibylle;
bij zulke vorstelijke verbintenissen was het gebruikelijk
dat er meerdere, vrijwel identieke portretten werden vervaardigd,
zodat ze konden functioneren als diplomatiek geschenk
én als publieke bevestiging van de huwelijksband tussen twee huizen.

De verso fungeert zo als heraldische pendant bij het portret,
en bevestigt dat het werk oorspronkelijk deel uitmaakte van een tweeluik.
Andere versies van dit portretpaar zijn bewaard gebleven,
onder meer in het Statens Museum for Kunst in Kopenhagen
— een teken dat het hof van Johann Friedrich
dit beeld bewust liet circuleren, en dat Cranach en zijn atelier
het portret daarom in serie vervaardigden als dynastiek en religieus statement.


Kijken, vergelijken en opnieuw kijken

– over Nayarit‑beelden, vroege vormen en een latere stijl uit Veracruz  –

Als je recent berichten op mijn blog gelezen hebt,
dan weet je dat ik probeer werken met elkaar in verband te brengen.
Daarbij begin ik altijd bij de werken zelf:
hoe zien ze eruit, wat valt meteen op, welke informatie is voorhanden,
zien de werken er dan nog steeds hetzelfde uit?

Vandaag is dat moeilijk:
één serie beeldjes gebruikt het museum om een specifieke beeldtaal te tonen.
Een beeldtaal die gebonden aan een benoemd gebied in Mexico.
De andere reeks beelden heeft het museum samengebracht
om de stijlontwikkeling in de Mexicaanse kunst in beeld te brengen.
Met een reeks voorbeelden uit de uit de vroege fase van die ontwikkeling
en één sprekend voorbeeld uit Veracruz,
dat bekend staat om een doorontwikkelde stijl.

Niet gemakkelijk om onder één noemer te brengen
maar ieder beeld op zich is bijzonder en prachtig.
Hopelijk vind je dat ook.

DSC06031MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtMujerSentadaDeNayarit PreclásicoTardío1250aC–200dCZittendeVrouwNayaritLaat‑Preklassiek1250vC–200nC
Mexico, Oaxaca, Museum Mexican Prehispanic Art, Mujer sentada de Nayarit, preclásico tardío, 1250 a.C. – 200 d.C. Zittende vrouw, Nayarit, laat‑preklassiek, 1250 v. Chr. – 200 n. Chr.
DSC06032MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtMujeresSentadasDeNayarit PreclásicoTardío1250aC–200dCZittendeVrouwenNayaritLaat‑Preklassiek1250vC-
Mujeres sentadas de Nayarit.

De zittende vrouwen uit Nayarit vallen op
door hun karakteristieke hoofdvorm:
breed, hoog en licht naar voren geplaatst,
met ogen en mond als smalle horizontale inkepingen
die het gezicht een gestileerde, bijna maskerachtige expressie geven.
De opvallend grote oren versterken die stilistische abstractie.

Net zoals geloken ogen in boeddhistische beeldtradities
niet bedoeld zijn als realistische weergave van de historische Boeddha
maar als een iconografisch kenmerk dat hem onmiddellijk herkenbaar maakt,
functioneren deze gelaatstrekken als een regionale signatuur:
ze markeren de figuren als
behorend tot de West‑Mexicaanse Preklassieke tradities
van Nayarit, Jalisco en Colima,
en onderscheiden hen duidelijk van andere Meso‑Amerikaanse stijlen.

Ook het ontbreken van de onderbenen is een bewuste keuze
binnen deze vormtaal:
de figuren zijn vanaf het begin als compacte, zittende gestalten gemodelleerd,
waarbij anatomische volledigheid
ondergeschikt is aan stilistische herkenbaarheid.


DSC06034MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtComparativeFigurinesEarlyStylisedFormPreclassicToEarlyProtoclassicTransitionC1200BC–AD200
Comparative figurines showing early stylised form, preclassic to early protoclassic transition, circa 1200 BC – AD 200. Het eerste voorbeeld in een reeks van vier.
DSC06035MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtComparativeFigurinesEarlyStylisedFormPreclassicToEarlyProtoclassicTransitionC1200BC–AD200
DSC06038MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtComparativeFigurinesEarlyStylisedFormPreclassicToEarlyProtoclassicTransitionC1200BC–AD200
DSC06039MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtComparativeFigurinesEarlyStylisedFormPreclassicToEarlyProtoclassicTransitionC1200BC–AD200
De voorafgaande vier foto’s tonen de vroege beelden met de compacte, gestileerde vormtaal waarmee deze traditie begint; het Veracruz‑beeld dat na onderstaande tekst volgt behoort tot een latere fase en laat zien hoe die vorm zich verder ontwikkelt.

Beelden in de vergelijking

De beelden in de vergelijking worden in het museum
hoog en sterk uitgelicht gepresenteerd, alsof het autonome sculpturen zijn.
Die presentatie is prachtig
— het roze fond, de schaduwen en de hoogte
geven de figuren een bijna moderne monumentaliteit
— maar maakt het vergelijken juist lastiger.
Door de afstand en het theatrale licht
verdwijnen de kleine stilistische aanwijzingen
die normaal helpen om vroege, compacte vormen te onderscheiden
van latere, meer uitgewerkte types.
Toch laten de vroege beelden,
wanneer je ze aandachtig naast elkaar bekijkt,
duidelijke verschillen zien in vorm, expressie en ornamentiek.
Die verschillen illustreren hoe de beeldtraditie
zich in de loop van tijd heeft ontwikkeld.

De complexe hoofdtooi van het Veracruz‑beeld

Het Veracruz‑beeld dat later in de blog volgt,
heeft een hoofdtooi die meteen de latere stijl verraadt:
opgebouwd uit meerdere lagen,
met een diermotief dat als ceremoniële of beschermende figuur fungeert.
De hoofdtooi is niet alleen decoratief maar ook narratief
— hij draagt betekenis, status en ritueel.
Dit soort rijke, gelaagde ornamentiek is kenmerkend
voor het Late Protoclassicum van het Centrum van Veracruz,
waar de beeldtaal steeds verfijnder werd.
In de museale presentatie valt dat extra op:
het licht vangt de scherpe randen
en geeft het beeld een bijna theatrale monumentaliteit.

De gestileerde, compacte vormen van de vroege beelden

De vier vroege beelden die voorafgaan aan het Veracruz‑beeld
zijn veel compacter en strakker.
De gelaatstrekken zijn gereduceerd tot heldere lijnen:
horizontale ogen, een eenvoudige mond, ronde oorornamenten
en sobere haarbanden of kronen.
Deze reductie is geen gebrek aan detail,
maar een bewuste stilistische keuze:
een vormtaal die rust, eenvoud en een zekere tijdloosheid uitstraalt.
Door de hoge, kunstzinnige presentatie in het museum
krijgen deze vroege figuren een sculpturale kracht
— ze lijken bijna moderne beelden, ondanks hun grote ouderdom.

Het ontbreken van ceremoniële detaillering

Waar het Veracruz‑beeld een verhaal lijkt te dragen in zijn hoofdtooi en gelaat,
blijven de vroege beelden stilistisch gesloten.
Ze missen de dynamische details die latere stijlen kenmerken:
geen diermotieven, geen complexe attributen, geen uitgewerkte kleding.
Juist daardoor functioneren ze perfect als vergelijkingsmateriaal:
ze laten zien hoe een beeldtraditie begint
met eenvoudige, schematische vormen
en zich langzaam ontwikkelt naar rijkere, ceremoniële expressie.
Het museum gebruikt deze vroege beelden
om die overgang zichtbaar te maken
— zelfs al staat de presentatie op het eerste gezicht
vooral in dienst van schoonheid en niet van uitleg.

DSC06037FigurineIncludedToCompareLateProtoclassicCentreVeracruz100bc-ad200
Figurine included to compare late protoclassic, centre of Veracruz, 100 b.C – aD. 200.

India 24/25: Varanasi, dag 2 – Ganga Aarti

– over een ceremonie aan de Ganges en de toeschouwers –

Indrukwekkend.
Al die mensen, Hindoebedevaartgangers en westerse toeristen,
verkopers van offers, gidsen, priesters, verhuurders van boten en
verkopers van souvenirs.
Mensen op trappen, in boten en aan de kant; in een stoel of op de stenen.
Een bruidspaar.
Geluid, muziek, gepraat, geroezemoes, wierook, zingen, licht.
Allemaal door elkaar, maar ook allemaal geconcentreerd op het ritueel.
De Ganga Aarti in Varanasi.

DSC01603IndiaVaranasiGangaAarti VeelHandel
DSC01604IndiaVaranasiGangaAarti BedevaartsgangersAanLand
DSC01605IndiaVaranasiGangaAarti ToeschouwersOpDeGanges
Er zijn veel mensen op de trappen bij de Ganges in Varanasi. Van de straat die de stad in loopt tot op het water in de boten die speciaal voor het ritueel komen aanvaren.
IMG_3510IndiaVaranasiGangaAarti
Vanaf deze rij met podia zal het ritueel worden aangekondigd en worden uitgevoerd.
DSC01606IndiaVaranasiGangaAarti
Een groep priesters is bezig met de voorbereiding.
DSC01607IndiaVaranasiGangaAarti Sfeer
Bedevaartsgangers reageren enthousiast op de gebeurtenissen.
DSC01609IndiaVaranasiGangaAarti OveralMensen
Terwijl anderen rustig afwachten op wat er allemaal nog komen gaat.
DSC01610IndiaVaranasiGangaAarti Prep
IMG_3509IndiaVaranasiGangaAarti
IMG_3512IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01611IndiaVaranasiGangaAarti DashashwamedGhat
DSC01614IndiaVaranasiGangaAarti Bruiloft
Een bruidspaar. Ze zijn geen vast onderdeel van de Aarti.
IMG_3513IndiaVaranasiGangaAarti
De voorganger begint met gezang.
DSC01615IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01618IndiaVaranasiGangaAarti Prep
Er is veel enthousiasme aanwezig.
DSC01619IndiaVaranasiGangaAarti Prep
DSC01620IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01621IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01622IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01623IndiaVaranasiGangaAarti
Mijn indruk was dat de jonge mannen in het geel nog in opleiding waren voor het ritueel.
DSC01624IndiaVaranasiGangaAarti
De jonge mannen in het geel stonden voor de podia maar wel een stukje lager zodat ze niet in beeld van de bedevaartgangers stonden.
DSC01625IndiaVaranasiGangaAarti
Klanken uit een grote schelp bereiken het hele publiek.
DSC01628IndiaVaranasiGangaAarti
Gerinkel van bellen.
DSC01629IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01630IndiaVaranasiGangaAarti
Brede gebaren met wierook.
DSC01633IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01634IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01636IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01637IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01639IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01640IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01642IndiaVaranasiGangaAarti
IMG_3514IndiaVaranasiGangaAarti
IMG_3516IndiaVaranasiGangaAarti
IMG_3515IndiaVaranasiGangaAarti
IMG_3517IndiaVaranasiGangaAarti
IMG_3518IndiaVaranasiGangaAarti
DSC01647IndiaVaranasiGangaAarti
Even verderop een vergelijkbare ceremonie.
IMG_3520IndiaVaranasiRestaurantInSmalleStraatje
Terug in het smalle straatje, parallel aan de loop van de Ganges. Ik zit in een rustig restaurant en kijk naar de winkels aan de overkant van de straat die nog open zijn.

Wanneer vorm, stemming en ritme samenkomen

In dit bericht passeren drie Indiase miniaturen die ik zag
in Museum Rietberg.
Ze zijn schitterend en ik heb er heel veel van geleerd.

DSC05636 01 ZürichMuseumRietbergWerkstattInKotaShrinathjiImWinterkleidIndiaRajasthanUm1850RVI2246

Zürich, Museum Rietberg, Werkstatt in Kota, Shrinathji im winterkleid, India, Rajasthan, um 1850, RVI 2246.


Shrinathji in het winterkleed

Shrinathji
— de kind‑Krishna die in Nathdwara als levende godheid wordt verzorgd —
verschijnt hier in zijn winterkleed.
In deze traditie wordt de godheid niet als een stilstaand beeld benaderd,
maar als een aanwezig lichaam:
zijn fysieke vorm, of die nu van marmer, brons of een ander materiaal is,
wordt dagelijks gewassen, aangekleed, gevoed
en volgens het seizoen van nieuwe gewaden voorzien.
Dat ritueel van zorg en nabijheid vormt de sleutel tot dit schilderij.

In de miniatuur uit de werkplaats van Kota (ca. 1850) staat Shrinathji
als een stil, donker middelpunt in een zon van geel.
Zijn gezicht, zwaar van sieraden, lijkt uit het gewaad zelf te ontstaan:
niet als portret, maar als aanwezigheid.

Rechtsonder ligt een kleine rode tulband, zorgvuldig neergelegd.
Dat detail, haast terloops, maakt het beeld intiem.
De godheid heeft zijn koninklijke teken afgelegd,
alsof hij zich terugtrekt in warmte en rust.
Het rood verankert de compositie, maar ook het ritueel
— een moment waarin het goddelijke lichaam
niet wordt verheerlijkt, maar verzorgd.
Het winterkleed wordt zo meer dan een kledingstuk:
het is een gebaar van nabijheid.
De schilder omhult Shrinathji met pigment zoals de priesters hem met stof omhullen
— een zorgzame handeling die de godheid tastbaar maakt, zelfs in verf.

Het perspectief

Het perspectief in deze miniatuur is geen venster op een ruimte,
maar een vlak dat zich naar voren duwt.
De schilder uit Kota kiest bewust voor een frontale,
bijna architectonische opstelling waarin elke diepte wordt afgevlakt.
De vloer helt licht omhoog, de achtergrond is een gesloten wand van kleur,
en Shrinathji staat niet in een kamer maar tegen het beeldvlak aan.
Het is een perspectief dat niet uitnodigt om binnen te treden, maar om te confronteren:
de godheid kijkt terug, niet vanuit afstand, maar vanuit nabijheid.
Deze ruimtelijke compressie is geen gebrek aan realisme,
maar een rituele keuze.
In de Pushtimarg‑traditie is het zien van de godheid — darshan —
een directe ontmoeting, geen optische illusie.
De schilder elimineert daarom elke afleiding van die blik.
De ruimte wordt een podium zonder diepte, een kleurveld dat de figuur draagt.
Het perspectief is zo niet optisch, maar devotioneel:
alles is gericht op het moment van aanschouwen.

De Kota‑stijl

Dat dit werk uit Kota komt, is op het eerste gezicht onverwacht.
Kota‑schilders zijn vooral bekend om hun levendige jachtpartijen,
paarden in volle galop, tijgers die uit het struikgewas springen,
en hofscènes vol beweging en energie.
Maar juist binnen die traditie ontwikkelden zij een vormtaal
die ook hier herkenbaar is:
een strakke frontale compositie, grote heldere kleurvlakken,
minimale dieptewerking en scherpe contourlijnen die elke vorm tegen het vlak plaatsen.

In deze miniatuur wordt die visuele grammatica ingezet
voor een onderwerp dat normaal niet tot het Kota‑repertoire behoort.
Het resultaat is een devotioneel beeld dat niet in een ruimte staat,
maar tegen het beeldvlak aan wordt geschoven
— helder, direct, en zonder afleiding.

Abstractie is geen moderne Westerse uitvinding

Ik liep nog wat na te denken over de miniatuur en kwam op het onderwerp abstractie.
De miniatuur gebruikt methodes die doen denken aan abstractie:
perspectief ontbreekt grotendeels
het onderwerp en de achtergrond zijn één
er is geen poging een ‘foto’ te maken maar een idee over te brengen.

Hoe is dat als je het vergelijkt met een kubistisch schilderij?
Mensen als Picasso realiseren zich dat er meerdere perspectieven zijn op één object.
Ze kiezen er bewust voor die tegelijk te laten zien.
Tegelijk ontbreekt het traditioneel perspectief bijna volledig.

DSC05636 02 ZürichMuseumRietbergWerkstattInKotaShrinathjiImWinterkleidIndiaRajasthanUm1850RVI2246

Daar waar in Kota in 1850 er wordt gekozen de techniek perspectief
niet te gebruiken omdat het niet nodig is voor het doel wat men wil bereiken:
niet nodig om de boodschap duidelijk te maken,
niet nodig om de god in het beeld te ervaren.
Daar kiest de kubist ervoor de methode perspectief verder te onderzoeken
door bijvoorbeeld meerdere perspectieven tegelijk te tonen.

Dat is niet bedacht in Europa en niet pas in 1910 voor het eerst.

DSC05638 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

Zürich, Museum Rietberg, Urheber (=maker) unbekannt, Nilambari ragini, folio aus Ragamala-serie, India, Southern Deccan, Wanparthy, um 1750, RVI 2064. Geschenk Horst Metzger.


Ragamala

Een Ragamala is voor westerlingen vaak lastig te begrijpen,
omdat het geen illustratie is van muziek.
Wat op zich een logische aanname kan zijn.
Maar dat is het niet.

Een Ragamala begint bij één schilderij dat een muzikale stemming verbeeldt:
in de Indiase traditie heeft elke rāga
— een melodisch patroon met een eigen emotie, seizoen en tijd van de dag —
een bijbehorend gedicht én een visuele personificatie,
vaak een geliefde, een eenzame figuur, een landschap of een nachtelijke scène.

Omdat een rāga nooit op zichzelf staat maar deel uitmaakt van een netwerk
van verwante stemmingen, ontstaat er vanzelf een krans van beelden:
ochtendrāga’s, middagrāga’s, avondrāga’s, seizoensrāga’s,
varianten en vrouwelijke tegenhangers.
De schilder volgt daarmee de logica van de muziek, die zelf cyclisch is.
Zo vloeien muziek, poëzie en schilderkunst samen tot één systeem
waarin dezelfde emotie drie vormen krijgt
— hoorbaar, denkbaar en zichtbaar —
en waarin een Ragamala niet één beeld is, maar een emotionele dag
en een emotioneel jaar in miniaturen.

DSC05638 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

Nilambari Ragini — nacht, rust en het wiegen van de wereld

Nilambari is een nacht‑rāginī: een vrouwelijke stemming
die traditioneel wordt geassocieerd met rust, verzachting
en het langzaam neerdalen van de nacht.
Haar naam betekent letterlijk “zij die in blauw is gehuld”
— een verwijzing naar de kleur van de nachtelijke hemel.

In de Ragamala‑traditie wordt Nilambari vaak voorgesteld als een vrouw
die alleen zit in een paviljoen, soms luisterend naar muziek, soms wachtend,
soms in een staat van zachte melancholie.
Het gedicht dat bij haar hoort beschrijft meestal een sfeer van nachtelijke stilte,
een geliefde die niet komt, of een moment van innerlijke rust waarin de wereld vertraagt.

De schilder uit Wanaparthy (ca. 1750) vertaalt die stemming niet
als een nacht van eenzaamheid,
maar als een ontmoeting waarin stilte en verleiding elkaar raken.
De vrouw in haar diepblauwe kleed
— de kleur van de nacht en van Nilambari zelf —
belichaamt de kalmte van de rāga,
terwijl de man met de bloem een gebaar van toenadering maakt.
Het blauw om haar heen is niet alleen decoratief, maar symbolisch:
het is de kleur van rust, van afstand, en tegelijk van het verlangen
dat de muziek oproept.

Zo wordt de miniatuur een beeld van de emotionele temperatuur van de nacht:
niet donker of leeg, maar gevuld met zachte spanning,
een moment waarin muziek, poëzie en schilderkunst samenvallen in één gebaar
— het aanbieden van een bloem, het wachten op een antwoord,
het wiegen van de wereld in blauw.

DSC05638 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

De muziek — waar kun je Nilambari horen?

Nilambari is een rāga die nog steeds wordt uitgevoerd,
vooral in Zuid‑Indiase (Carnatische) muziek.
Wie haar wil horen, kan dat op drie toegankelijke manieren:

  • YouTube

Zoek op: “Carnatic Nilambari raga”
Je vindt uitvoeringen op vina, fluit, viool en zang.
Nilambari wordt vaak gebruikt voor wiegeliederen (lullabies),
omdat de rāga een kalmerende, wiegende beweging heeft.

  • Spotify / Apple Music

Zoek op: “Raga Nilambari”
Er zijn meerdere klassieke opnames, o.a. door M.S. Subbulakshmi en T.M. Krishna.

  • Sangeethapriya (gratis archief, login verplicht)

Een groot archief van Carnatische muziek met veel Nilambari‑opnames.
Zoek op: Nilambari in de rāga‑lijst.

DSC05640 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Tanz der hirten, folio from Tularam-Bhagavata-Purana serie, India, Gujarat, Surat, um 1640, RVI 829.


Bhagavata‑Purana‑series

De Bhagavata‑Purana vertelt de jeugdverhalen van Krishna in losse,
levendige episodes: dansen, spel, wonderen, ontmoetingen met herders en herderinnen.

DSC05640 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

In de 16e en 17e eeuw werden deze scènes in Gujarat en Noord‑India
omgezet in uitgebreide reeksen miniaturen,
niet als volksboeken maar als kostbare objecten voor hoven,
rijke handelaren en tempels.
De verhalen zelf waren wél breed bekend via mondelinge traditie, rituelen,
liederen en theater, maar de beeldreeksen waren bedoeld voor een kleine elite
die de tekst kende of liet voorlezen.
Zo ontstonden cycli van soms honderden bladen,
waarin elke miniatuur een helder venster vormt op Krishna’s wereld:
een manier om de verhalen te ordenen, te herinneren en te beleven in beeld.

DSC05640 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

De schilders kozen meestal de meest levendige momenten:
Krishna die danst, speelt, steelt boter, de slang Kaliya bedwingt,
of — zoals in deze miniatuur —
de herders laat dansen in een ritme dat zowel speels als kosmisch is.

DSC05640 04 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Tanz der Hirten (Dans van de herders)

In deze miniatuur uit Surat rond 1640 danst Krishna (in een blauw kleed)
tussen zijn herdersvrienden, omringd door een werveling van bladeren en bloemen.
De schilder kiest niet voor een realistische scène maar voor een compositie
waarin kleur en ritme samenvallen:
elke arm, elke bloem beweegt in dezelfde cadans.
De herders spelen fluit, trommel en hoorn, hun lichamen vormen een kring
die de natuur weerspiegelt
— alsof de wereld zelf meedanst.
Zo wordt de dans van de herders een beeld van kosmische vreugde:
het moment waarop spel, devotie en natuur één worden,
en Krishna’s aanwezigheid de hele omgeving in beweging zet.

DSC05640 05 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Ik heb er nu even niets meer aan toe te voegen.
Misschien dat ik maar eens naar een “Carnatic Nilambari raga”
ga beluisteren op YouTube.


Drie ontmoetingen in verf

— over drie scènes uit de miniaturencollectie van Museum Rietberg —

Het Museum Rietberg heeft een collectie miniaturen uit India.
Toen ik er was werd een deel ervan getoond in een apart vrijstaand gebouw
in het park waarin het museum gevestigd is.
Vandaag drie miniaturen uit die verzameling.

DSC05628 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTraurigePrinzessinMitFreundinUndDienerinImAlkovenBeidseitigBemaltesAlbumblattIndiaAwadhLucknow1725-1750RVI2205a

De eerste ontmoeting is tussen een treurende prinses en haar vriendin. Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Traurige prinzessin mit freundin und dienerin im Alkoven, beidseitig bemaltes albumblatt, India, Awadh, Lucknow, 1725 – 1750. RVI 2205a.

DSC05628 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTraurigePrinzessinMitFreundinUndDienerinImAlkovenBeidseitigBemaltesAlbumblattIndiaAwadhLucknow1725-1750RVI2205a

Prachtig geschilderde omlijsting van een tafereel in een architectonische opzet.


DSC05632 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

De tweede ontmoeting in een tuin heeft een politieke kant: Urheber unbekannt, Fürst Mahmud Khan Dawudi mit gefolge bei audienz, India, Deccan, Kurnool, um 1750. RVI 838.


Deze tweede ontmoeting lijkt een beetje op een stripverhaal:
de namen van de personen staan er in de schilderij gekaligrafeerd.
Ik vroeg Copilot de tekst te vertalen uit het Perzisch.

DSC05632 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Ik kan niet beoordelen of de vertalingen correct zijn dus
als iemand dat wel kan dan hoor ik de reactie(s) graag.

De tekst benoemt de grootste en zittende figuur rechts als Mahmud Khan Dawudi, de Nawab van Kurnool, afgebeeld in audiëntie met zijn entourage.

De tweede man in wit met oranje tulband is de schoonzoon van Abd al‑Razzāq Khan, een verwant en hofbeambte van Mahmud Khan Dawudi.

De inscriptie identificeert de derde figuur van rechts (volledig is oranje) als Banda Khan Dawudi, een ondergeschikte of verwant van Mahmud Khan Dawudi, afgebeeld in een eerbiedige houding tijdens de audiëntie.

De tekst identificeert boven de twee kleinste, zittende mannen links — in rood en lichtpaars als Aziz Khan Abd al‑Razzāq, waarschijnlijk leden van dezelfde familie als de schoonzoon van Abd al‑Razzāq Khan, en dus verwanten binnen de entourage van Mahmud Khan Dawudi.

De staande man links is Hamid Khan, zoon van Abd al‑Razzāq, een familielid van de Dawudi‑dynastie en lid van de hofhouding van Mahmud Khan Dawudi.

De Abd‑al‑Razzāq‑familie was een lokale eliteclan in Kurnool rond 1750, nauw verbonden met Mahmud Khan Dawudi, en de miniatuur is waarschijnlijk de belangrijkste (misschien enige) bron die hun namen en onderlinge relaties documenteert.

Als je die gegevens weet dan zou de huidige titel van het werk
anders kunnen zijn. De zaaltekst natuurlijk ook.

DSC05632 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Voorstel voor museumvriendelijke titel nu:

Mahmud Khan Dawudi in audiëntie met leden van de Abd‑al‑Razzāq‑familie, India, Deccan (Kurnool), ca. 1750

Deze titel is veilig, feitelijk, en volledig gebaseerd op de inscripties.
Musea geven daar de voorkeur aan.

DSC05632 04 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Een inhoudelijk sterkere titel zou kunnen zijn:

Familie‑audiëntie van Mahmud Khan Dawudi met de Abd‑al‑Razzāq‑clan, India, Kurnool (zuidelijk India of Deccan), ca. 1750

DSC05632 05 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Publiek‑vriendelijke en historisch correcte zaaltekst:

Deze miniatuur toont Mahmud Khan Dawudi, heerser van het kleine vorstendom Kurnool in het zuiden van India, ingeklemd tussen grotere regionale machten. De vorst is omringd door leden van één specifieke familie: de Abd‑al‑Razzāq‑clan. De Perzische inscripties identificeren zijn schoonzoon, de zonen van Abd al‑Razzāq Khan en andere verwanten.

De aanwezigheid van deze familieleden laat zien hoe lokale macht in Kurnool rond 1750 functioneerde: via verwantschap, loyaliteit en clanstructuren, in een politiek landschap dat werd gedomineerd door het hof van Hyderabad, de Maratha‑expansie en de opkomst van Europese invloed.

Deze miniatuur maakte waarschijnlijk deel uit van een hofalbum: een intern familie‑document waarin de heerser en zijn belangrijkste bondgenoten werden vastgelegd. Het is een kunstwerk dat je kunt bewonderen om de kleuren, de bloemen, de architectuur en de compositie, maar documenteert tegelijk de sociale en politieke verhoudingen binnen een kleine staat die haar autonomie probeerde te bewaren.


DSC05634 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

De derde ontmoeting gaat ook om politiek: Urheber unbekannt, Pritham Singh von Kulu (mit pfeife) mit Gamanchand von Kangra, India, Pahari-gebiet, um 1800. RVI 2005.119.

Wat zijn de Pahari‑staten?

De Pahari‑staten waren kleine vorstendommen in de uitlopers van de Himalaya,
in het huidige Himachal Pradesh,
grofweg ingeklemd tussen Pakistan, China en Nepal.
Ze bestonden uit regio’s als Kangra, Kulu, Guler, Chamba en Basohli,
elk met een eigen hof, eigen heersers en een bloeiende schildertraditie.
Door hun ligging in de bergen bleven deze staten relatief autonoom,
maar ze stonden onder wisselende invloed van grotere machten
zoals de Mughal‑keizers en later de Sikh‑rijken.

De schilderkunst uit deze regio’s — de Pahari‑stijl — staat bekend om:

  • heldere kleuren
  • verfijnde lijnen
  • intieme portretten
  • aandacht voor kleding, sieraden en gelaatsuitdrukking
  • een poëtische, vaak rustige sfeer

Hoe zie je de Pahari-stijl in dit werk?

  • Heldere kleuren

De compositie gebruikt een zuivere, bijna doorschijnende pigmentatie:
het roze van de vorst, het wit van de bezoeker, het blauw van de kussens en de vloer.
Die kleuren zijn niet overladen, maar licht en ademend,
typisch voor de Pahari‑traditie waarin verfijning boven pracht gaat.
De contrasterende tinten — roze tegenover wit en blauw —
brengen rust en hiërarchie in de scène.

DSC05634 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

  • Verfijnde lijnen

Kijk naar de contouren van de gezichten, handen en kledingplooien:
dun, ritmisch, bijna kalligrafisch.
De lijnvoering is niet schematisch maar levend,
met subtiele variaties in dikte die beweging suggereren.
Zelfs de inscriptie bovenaan sluit aan bij die lijngevoeligheid
— tekst en beeld ademen dezelfde precisie.

DSC05634 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

  • Intieme portretten

Hoewel het een audiëntie is, voelt het persoonlijk:
de twee mannen kijken elkaar aan, de gebaren zijn klein en beheerst.
Er is geen druk hofgedruis, maar een gesprek in stilte.
Die intimiteit is kenmerkend voor Pahari‑portretten,
waarin macht wordt getoond via nabijheid, niet afstand.

  • Aandacht voor kleding, sieraden en gelaatsuitdrukking

De schilder heeft elk detail van de stoffen uitgewerkt
— de turban met patroon, de sjaal met groene strepen,
de fijne borduursels op het roze gewaad.
De gezichten zijn individueel, niet gestandaardiseerd:
de vorst met een lichte glimlach, de bezoeker met een ingetogen blik.
Het is een studie van karakter, niet van type.

  • Een poëtische, vaak rustige sfeer

De achtergrond is leeg, de ruimte stil.
Er is geen perspectiefdruk, geen decoratieve overdaad
— alleen licht, kleur en gebaar.
Die stilte maakt het beeld poëtisch:
het lijkt een moment dat blijft hangen, een gesprek dat niet hoeft te worden gehoord.

Wie zijn de twee belangrijke mannen?

Links zit Pritham Singh van Kulu, in wit gewaad en met een ingetogen houding.
Rechts zit Gamanchand van Kangra, op een tapijt en vergezeld door bedienden.
Hoewel geen van beiden als regerend vorst wordt aangeduid,
behoren zij duidelijk tot de hogere hofadel
die de politieke en militaire structuren van Kulu en Kangra droeg.
De miniatuur documenteert een ontmoeting binnen dit netwerk van regionale macht,
in een periode waarin Kangra onder Raja Sansar Chand II (regeert 1775–1823)
de dominante positie innam.

Wat zegt de inscriptie hier?

Bovenaan het blad staat een korte Perzische inscriptie,
deels beschadigd maar nog leesbaar als
“Rāhī ze taʿlīm‑e Sar‑Sākam”
— letterlijk: “Rāhī, leerling van Sar‑Sākam.”
De tekst fungeert als signatuur en verwijst naar de maker van de miniatuur.
In de Pahari‑traditie vermeldden schilders hun naam vaak bescheiden
in de marge of boven de voorstelling, soms met de toevoeging van hun leermeester.
De inscriptie maakt duidelijk dat het werk afkomstig is uit een lokaal atelier
waarin kennis en stijl via persoonlijke overdracht werden doorgegeven.
Daarmee vormt de tekst niet alleen een identificatie van de kunstenaar,
maar ook een getuigenis van de levendige schildergemeenschap
in de westelijke Himalaya rond 1800.

Wie of wat zijn de overige twee figuren?

Achter beide hoofdpersonen staat telkens één begeleider,
elk met een eigen functie binnen de audiëntie.

Achter Pritham Singh staat een man in wit die een staf
met een knop aan de bovenzijde vasthoudt, met beide handen.
Zo’n staf kan zowel een teken van rang als een praktisch attribuut zijn,
maar in deze context fungeert hij waarschijnlijk als hofdienaar
die de staf van zijn heer draagt tijdens het gesprek.

Achter Gamanchand staat een hofdienaar van hogere rang,
herkenbaar aan de flywhisk (waaier) in zijn rechterhand
en een gevouwen doek in zijn linkerhand, terwijl een korte dolk
aan zijn gordel zijn status binnen de hofhouding markeert.

Samen tonen deze begeleiders
dat beide mannen met hun eigen entourage verschijnen,
wat de formele en diplomatieke aard van de ontmoeting onderstreept.


Benin: de Teruggave en mijn stem (deel 9)

Een poging tot helderheid

Vanaf het begin van Back to Benin worstel ik met de opzet,
de keuzes en de kwaliteit van wat er te zien is.
Niet omdat het onderwerp me niet raakt,
maar omdat de tentoonstelling me geen helder verhaal geeft.
Ik heb gekeken, gelezen, genoteerd.
Ik heb de catalogus doorgewerkt, aantekeningen gemaakt, verbanden gezocht.
Maar de puzzel blijft niet kloppen.
Er is iets in de manier waarop deze tentoonstelling is samengesteld
dat zich niet laat vangen.
Alsof er twee tentoonstellingen door elkaar lopen:
een ingekochte, kant‑en‑klare presentatie,
en een Nederlands deel dat er later tegenaan is geplakt.
Alsof de teksten alleen vertaald hoefden te worden
— wat dan ook matig is gedaan.
Alsof de eerste zalen vooral bedoeld zijn
om het enige Benin‑object van De Fundatie, de visplaquette,
een plek te geven.
Met kopieën van documenten eromheen, als decor.
Het geheel voelt niet als één verhaal,
maar als een verzameling onderdelen die elkaar niet versterken.

Wat voor tentoonstelling is dit eigenlijk?

Die vraag blijft terugkomen.
De zalen beneden lijken een Fundatie‑specifieke inleiding.
De eerste verdieping voelt als de eigenlijke tentoonstelling
— waarschijnlijk ingekocht.
Maar nergens wordt duidelijk hoe deze twee delen
zich tot elkaar verhouden.
Er is geen route, geen volgorde, geen logica
die je als bezoeker begeleidt.
De zaalteksten zijn wisselend van kwaliteit.
Soms feitelijk, soms onduidelijk, soms ronduit slecht vertaald.
De catalogus bevestigt dat beeld:
een boek dat er prachtig uitziet,
maar inhoudelijk meer vragen oproept dan beantwoordt.

De catalogus als spiegel

IMG_9438DeFundatieBackToBeninCatalogus

De catalogus is tweetalig uitgevoerd.
Dat is op zichzelf geen probleem, maar de keuze
om Nederlands en Engels op dezelfde pagina te zetten
— met dezelfde typografische waarde —
maakt het lezen onrustig.
De Nederlandse tekst bovenaan, de Engelse onder een streep.
Steeds opnieuw. Het hele ontwerp is erop ingericht.
Maar waarom?
Worden er veel buitenlandse lezers verwacht?
Is dit een keuze van De Fundatie?
Of een keuze van de makers van de ingekochte tentoonstelling?

IMG_9439DeFundatieBackToBeninCatalogus

Een andere opzet had meer betekenis kunnen dragen.
Bijvoorbeeld:
– bij officiële teksten het Nederlands bovenaan,
– bij kunstinhoudelijke teksten het Engels.
Restitutie gaat immers óók over machtsverhoudingen.
De manier waarop talen worden gepositioneerd,
kan dat zichtbaar maken.
Nu blijft het een vormkeuze zonder uitleg.
De omslag is mooi.
De dunne balk die als een evenaar over het boek loopt,
keert terug op de tekstpagina’s.
Een ontwerpidee dat eerder is gebruikt voor het Amsterdam Museum.
De folie met het schaalmodel van de plaquette is een sterk detail:
je kunt het voorwerp met je vingertoppen voelen.
Het ontwerp van Hamid Sallali is overtuigend.
Maar het ontwerp is sterker dan de inhoud.
En dat is precies het probleem.

IMG_9263DeFundatieBackToBeninFolieOpOmslag

De bijdragen: overtuigend, onduidelijk, of overbodig

De teksten in de catalogus verschillen sterk in helderheid en functie.
Beatrice von Bormann schetst een inleiding die oppervlakkig blijft,
maar misschien als opening werkt.
Garssen, Koers en Mgba leveren een overtuigend herkomstonderzoek,
al blijft de vraag naar definitieve provenance open.
Ekhator‑Obogie schrijft over politieke organisatie, religie
en de rol van vissen,
maar door inkorten en vertalen is het verband soms zoek.
Mgba’s bijdrage probeert te overtuigen
dat de Benin Bronzen terug moeten
— terwijl die beslissing al genomen is.
De tekst wordt daardoor onnodig zwaar, met termen als epigrafie,
singulariteit, koloniaal archief herpositioneren.
Maar zonder uitleg over de criteria waarmee kunstenaars
en werken zijn gekozen.
Ehikhamenor doet hetzelfde: een verdediging van restitutie,
terwijl hij als exposerend kunstenaar misschien
beter een andere rol had kunnen nemen.
Agbontaen‑Eghafona voegt weinig toe aan eerdere bijdragen.
Minne Atairu is de uitzondering:
haar tekst is helder, toekomstgericht, en geeft een visie op
Ama O Ghe Ehen die niet vastzit in historische herhaling.

IMG_9264DeFundatieBackToBeninFolieOpOmslag

Het contrast tussen deze bijdragen maakt de catalogus onrustig.
Niet door diversiteit, maar door gebrek aan redactionele regie.

De drie restitutievragen als meetlat

Restitutie draait niet alleen om het fysiek teruggeven van werk.
Er zijn drie andere vragen die minstens zo belangrijk zijn:

  1. Regie
  2. Wat was de rol van Benin in dit proces?
    Is de tentoonstelling op hun verzoek?
    Wie heeft de kunstenaars gekozen?
    Was dit een package deal met Ekhator‑Obogie?
    Of een keuze van De Fundatie?
    Niets daarvan wordt uitgelegd.

  3. Transparantie
  4. Waarom is de catalogus tweetalig? Waarom deze vormgeving?
    Waarom deze tien kunstenaars? Wat waren de criteria?
    Waarom twee reizen naar Benin met twee mensen?
    Waarom volgt De Fundatie een eigen route,
    los van de restitutie van 100+ werken door OCW?
    Ook hier blijft het stil.

  5. Bescheidenheid
  6. De Fundatie presenteert zich als koploper in teruggave.
    Maar anderen gingen het museum al voor.
    Waarom dan deze nadruk?
    Waarom deze omvangrijke presentatie rond één object?
    De tentoonstelling geeft geen antwoord.

Wat blijft er over?

Na het lezen van de catalogus en het zien van de tentoonstelling
blijft vooral dit over:
dat een tentoonstelling over restitutie zelf zo weinig openheid biedt
over haar eigen keuzes. Opnieuw.
Dat de vorm sterker is dan de inhoud.
Dat de teksten elkaar tegenspreken of overlappen.
Dat de route onduidelijk is.
Dat de vragen blijven liggen.
En dat de kunstwerken soms sterker zijn dan de context
waarin ze zijn geplaatst.
Misschien is dat wel de kern van mijn worsteling:
dat ik graag had willen begrijpen hoe deze tentoonstelling
tot stand is gekomen.
Wie welke keuzes heeft gemaakt.
Waarom bepaalde stemmen zijn gekozen en andere niet.
Hoe de samenwerking met Benin is verlopen.
Wat de rol van De Fundatie precies was.
Maar dat verhaal wordt niet verteld.

En dus blijft het zoeken naar helderheid
in een tentoonstelling die zelf vooral verhult.

Serindia: tussen Marco Polo en Aurél Stein

De titel is misschien een beetje een goedkoop trucje
om de aandacht van lezers te trekken.
Maar ik vermoed dat Stein de reizen van Marco Polo
wel in zijn achterhoofd had op zijn reis.
Polo reisde naar, door en terug van China.
In Serindia, het expeditieverslag van Stein, verwijst hij ook naar Polo.

De afgelopen tijd heb ik meer dan vijftig keer geschreven
op deze blog over voorwerpen die voortkwamen uit die expedities.
Stein ondernam een drietal expedities tussen 1900 en 1916.
Daarbij bezocht hij plaatsen in wat men toen ‘Centraal Azië’ noemde.
Een deel van de objecten die hij op die expedities vond, opgroef
of kocht, is in het National Museum in New Delhi te zien.

Ter voorbereiding en als verslag (en financiering?) van de expedities
schreef hij samen met andere onderzoekers een aantal boeken.
Eén ervan is:
Serindia: Detailed report of explorations in Central Asia and westernmost China

Deze uitgave bestaat uit 4 boeken en 1 cassette met kaarten.
Hierin worden ook zijn aankopen in Dunhuang beschreven.
Met name de handschriften, boeken, banieren
en gebruiksvoorwerpen die men aantrof in Grot 17:
de Library Cave.

Deze uitgave is op een aantal websites ook beschikbaar in PDF.
Van ieder deel heb ik een PDF naar mijn laptop gehaald
en die ben ik tegen het einde van mijn reeks gaan gebruiken.
Tot ik een paar weken geleden bedacht:
zou je de serie kunnen kopen?

Dat bleek mogelijk, want antiquariaat Kok in Amsterdam
had twee uitvoeringen van de serie.
Niet de versie uit 1921 maar een herdruk uit 1980.
Nadat ik gebeld had over wat ze precies hadden
en of de serie in de winkel te zien was,
ben ik naar Amsterdam gegaan.

IMG_9365AntiquariaatKokAmsterdam

Antiquariaat Kok, Amsterdam.


De winkel van Kok is precies zoals je daarop hoopt
als boekenliefhebber.
Boeken, veel boeken.
Hele series van oude pop-up boeken, een tunnelboek,
wereldbollen, typemachines, prenten, nog meer boeken,
vitrines met speciale onderwerpen zoals vogels.
Letterlijk te veel om op te noemen.

Maar ik ging voor Serindia en de set werd voor me klaar gelegd.

IMG_9367AurelSteinSerindiaHeleSetKokAmsterdamIMG_9369AurelSteinSerindiaVol3StofomslagKokAmsterdam

De staat van de boeken is wisselend.
In het algemeen zijn de teksten goed leesbaar.
De boeken zitten grotendeels nog in hun boekband.

Stofomslag:
bij één boek ontbreekt de stofomslag,
bij een tweede is de stofomslag gescheurd,
bij twee boeken is de stofomslag nog in redelijke staat.

IMG_9368AurelSteinSerindiaVol4Plaat3

De delen 1, 2 en 3 bevatten tekst.
Deel 4 bevat platen en foto’s van de verworven objecten,
en die lijken van betere kwaliteit dan in de PDF.
De cassette heeft veel geleden.

IMG_9370AurelSteinSerindiaVol5KokAmsterdam

Naast Serindia heb ik toen nog enkele boeken van Stein bekeken.
The art of Central Asia – The Stein collection in the British Museum,
deel 2, is een voorbeeld van de boeken die ik bekeek.

IMG_9371TheArtOfCentralAsiaIMG_9372TheArtOfCentralAsia

Kort na mijn bezoek aan Amsterdam zijn we het eens geworden
over de prijs en vandaag werden de boeken bezorgd.

IMG_9413Serindia


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLIX

– over donorfiguren en donoren:
lezen wat Stein en zijn team zagen, en wat ik zie –

DSC01401 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008

India, New Delhi, National Museum, Seated Buddha, Dunhuang, 9th – 10th century CE, silk painting, 52 x 31,2 cm. Acc.No. Ch.xlvi.008.


Twee donoren, prachtig gekleed.
De man links, de vrouw rechts.
Beide worden vergezeld door een bediende:
de man door een mannelijke bediende met een waaier.
De vrouw door een vrouwelijke bediende, die lijkt iets aan te dragen.
In beide gevallen staan de bedienden achter de donoren
en zijn kleiner afgebeeld.
De man heeft een klein draagbaar wierrookvat in zijn handen.
De rook kringelt omhoog.
Heeft hij daarom iemand nodig die frisse lucht toewuift?

De man draagt een zwarte kap.
Een bovenkleed met wijde mouwen waar een wit onderkleed zichtbaar wordt.
Hij draagt een ceintuur.
Er lijken voorwerpen voor hem te liggen, zelf zit hij in kleermakerszit.

De vrouw heeft haar haar opgestoken.
Ik tel tenminste 6 haarspelden in het haar.
Op haar voorhoofd draagt ze een decoratie
met daarin bloemen of zijn het veren?
Indrukwekkend.
Haar zichtbare kleding bestaat uit een onderkleed in lichte kleur
en een donkerder bovenkleed.
Is het een omslagdoek waarmee op haar rechterschouder
een mooie knoop wordt gemaakt?
Nee ze houdt een bloem omhoog in haar hand.
Op haar linkerschouder begint iets dat lijkt op een elegante,
met florale motieven gedecoreerde sjerp?
Om haar arm heen en tot aan de grond.

De man en vrouw lijken op een bedekte vloer te staan.

Ik ben benieuwd wat Stein daar allemaal ziet.

AurélSteinSerindiaVol2Page1047PDFPage548Kolom1AurélSteinSerindiaVol2Page1047PDFPage548Kolom2

Aurél Stein, Serindia, deel 2, pagina 1047.

Detailbeschrijving van Stein (Nederlandse vertaling)

Ch. xlvi. 008 — Gedateerde zijden schildering
Zijden schildering met Chinese inscriptie, voorstellend het Paradijs van Amitābha (?), in vereenvoudigde vorm, met de donorfiguren.
De datum die in de inscriptie wordt vermeld is 952 n.Chr.
De schildering is compleet met een rand van ongeveer tien centimeter en ophanglussen van roze‑paarse zijde; het werk is vrijwel intact, maar het oppervlak is enigszins versleten.

DSC01401 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008 CentraleBoeddha

Amitābha zit op een lotustroon op een met balustrade omgeven terras dat oprijst uit een meer, te midden van een gezelschap van zes Bodhisattva’s en vier gewapende Koningen die zich aan weerszijden dicht om hem heen bevinden.

DSC01401 03 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008 Bodhisattvas

Een klein deel van het meer is op de voorgrond zichtbaar, maar er verschijnen geen zielen in; er zijn geen altaren, dansers of musici, geen vogels of hemelse paleizen.

DSC01401 05 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008 Lake

In plaats daarvan is het bovenste deel van de afbeelding gevuld met tien kleine zittende Boeddha’s, die waarschijnlijk de Boeddha’s van de Tien Windstreken voorstellen.

DSC01401 04 IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008 BuddhasInTop

Drie van de 10 Boeddha’s aan de bovenrand van de banier..

De inscripties in de smalle cartouches van het universum zijn grotendeels uitgewist; voor zover leesbaar bevatten ze slechts groeten aan de Boeddha.
De houding, kleding en kleur van de centrale Boeddha zijn gelijk aan die in schildering Ch. xx. 003; ook de bomen, het baldakijn en de begeleidende Bodhisattva’s zijn van hetzelfde type en vrij ruw getekend.
Alle Bodhisattva’s hebben hun handen in aanbidding en dragen geen onderscheidende attributen; de Koningen dragen dezelfde uitrusting als in de Lokapāla‑banieren.

Indien de centrale Boeddha Amitābha is, vormt dit de enige voorstelling waarin de Koningen in zijn gevolg verschijnen.
Zij hebben een half‑groteske menselijke verschijning; hun huid is helder oranje geschilderd, die van de Bodhisattva’s wit of roze met een oranje schaduw.
Deze lichte kleuring en de decoratieve kleuren van de stralenkransen zijn echter bijna geheel verloren gegaan.
Het zwart dat voor het haar van alle figuren is gebruikt, heeft het merkwaardig dichte en korrelige karakter dat ook in schildering Ch. 00104 wordt waargenomen.

DSC01402IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008

De donorfiguren — een man knielend links en een vrouw rechts van het paneel met de dedicatie‑inscriptie aan de onderzijde — zijn op grote schaal weergegeven en vormen goede voorbeelden van kleding en kapsel uit de tiende eeuw, zoals ook te zien in andere schilderingen.
De man draagt een wierrookvat, de vrouw een rode lotusbloem; achter ieder staat een jonge dienaar of een jong familielid van hetzelfde geslacht.
Deze zijn gekleed als de grotere figuren, behalve dat de jas van de jongen lichtgroen is en hij onbedekt hoofd heeft, met het haar aan weerszijden in een knoop gebonden en een vrije lok (zoals in andere schilderingen).
Hij houdt een lang‑gesteelde waaier van vlak elliptische vorm; het meisje draagt een kistje.

Voor de inscriptie zie Petrucci, Appendix E, II.
Afmetingen van de schildering: ongeveer 125 × 76 cm.

Bodhisattva’s en Heavenly Kings

Voor de Heavenly Kings verwijst Stein ons naar de Lokapala banners.
Die staan beschreven bij CH.0010. Het is een tekst van enkele kolommen waarin hij allerlei aspecten van deze figuren beschrijft.
Van de gehurkte figuur waarop ze staan tot aan de sandalen.

De Boeddha’s van de Tien Windstreken

Langs de bovenrand van het doek zit een reeks
van tien kleine Boeddha‑figuren, elk zittend in meditatiehouding.
Ze verbeelden het kosmologische idee dat in alle richtingen
van het universum Boeddha’s aanwezig zijn
— niet alleen in de vier hoofdwindstreken, maar ook in de tussenrichtingen,
boven en beneden.
Samen vormen zij een kring van verlichting
die de ruimte rondom Amitābha’s paradijs vult.
Hun gelijke houding en herhaling drukken niet individualiteit uit,
maar alomtegenwoordigheid:
de Boeddha is overal, in elke richting, in elke wereld.
Deze bovenste zone fungeert zo als een visuele horizon van het paradijs,
een stille echo van de oneindige verspreiding van het boeddhistische licht.

De datering van de banier

SerindiaAppendixERaphaelPetrucciLaurenceBinyon

Serindia, titelblad van Appendix E.

In de detailbeschrijving van het object verwijst Stein naar Appendix E
in Serindia voor de vertaling van de inscripties.
Appendix E is het werk van Raphaël Petrucci en Laurence Binyon.
Maar Appendix E kent een bijzondere ontstaansgeschiedenis.
Aurél Stein wijdt daar een deel van de tekst aan:

[Noot]
Dit hoofdstuk (appendix E), dat oorspronkelijk bedoeld was om opgenomen te worden in het eerste deel van de publicatie zoals geschetst in het bovenstaande voorlopige plan (plan in een brief uit 1911 van Petrucci aan Stein), werd in 1913 ontvangen van Raphaël Petrucci in de vorm van een ruwe concepttekst.
De grondige herziening die het nodig had, met bijzondere aandacht voor de lezing van de inscripties en hun interpretatie, kon — vanwege de omstandigheden die samenhingen met de Eerste Wereldoorlog — niet worden uitgevoerd vóór Petrucci’s overlijden.

Arthur D. Waley, van de afdeling Prints and Drawings van het British Museum, nam in 1917 deze moeilijke taak op zich en wijdde veel zorgvuldige arbeid aan de verificatie van de originele dedicatie‑inscripties en verwante documenten.
De talrijke correcties die hij voorstelde, en die de instemming kregen van Édouard Chavannes, zijn verwerkt in de tekst zoals die nu wordt gepresenteerd.

— Aurel Stein

Dit wil zeggen dat er uiteindelijk bij de tekst van Appendix E
4 mensen betrokken zijn geweest:
Petrucci als de schrijver van de basistekst
afgestemd met Binyon en later
gecontroleerd en eventueel verbeterd door Waley
met Chavannes op de achtergrond.
Een internationaal vlechtwerk.

Petrucci en Binyon: bruggenbouwers tussen Oost en West

In Serindia vormt Appendix E een bijzonder hoofdstuk:
de essays van Raphaël Petrucci en Laurence Binyon
over de boeddhistische schilderingen uit de grotten
van de Duizend Boeddha’s in Dunhuang.
Beide auteurs waren pioniers in de Europese studie
van Aziatische kunst, maar hun invalshoeken verschilden subtiel.

De Fransman Raphaël Petrucci (1872–1917) was sinoloog,
diplomaat en kunsthistoricus.
Hij introduceerde de esthetische principes van de Chinese schilderkunst
in het Westen en stond bekend om zijn precieze,
filologisch onderbouwde analyses.
In zijn bijdragen aan Serindia beschreef hij de schilderingen
met een scherp oog voor stijl, iconografie en inscripties,
waarbij hij de Chinese traditie als uitgangspunt nam.

De Brit Laurence Binyon (1869–1943), dichter en conservator
aan het British Museum, benaderde dezelfde werken
vanuit een meer esthetisch en museaal perspectief.
Zijn poëtische gevoeligheid en zijn ervaring met Aziatische prenten
gaven zijn analyses een bredere culturele resonantie.

Samen vormden Petrucci en Binyon een intellectuele brug
tussen veldonderzoek en kunsthistorische interpretatie.
Waar Stein de archeologische context leverde,
boden zij het kader waarin de schilderingen konden worden gelezen
als getuigen van een verfijnde visuele en spirituele traditie.

Waley en Chavannes: filologische fundamentbouwers van Appendix E

Waar Petrucci en Binyon de kunsthistorische en esthetische dimensies van de Dunhuang‑schilderingen vormgaven, rust de wetenschappelijke betrouwbaarheid van Appendix E op het werk van twee andere grootheden: Arthur Waley en Édouard Chavannes. Hun bijdrage ligt minder in interpretatie dan in de filologische en epigrafische onderbouw — het nauwkeurig lezen, controleren en corrigeren van de Chinese inscripties waarop de datering en context van de schilderingen berusten.

De Brit Arthur David Waley (1889–1966), verbonden aan
de afdeling Prints and Drawings van het British Museum,
was een uitzonderlijk begaafd sinoloog en vertaler.
Zijn naam is vooral verbonden met de introductie
van Chinese en Japanse literatuur in de Engelstalige wereld,
maar zijn werk aan Serindia toont een andere kant van zijn talent:
zijn vermogen om met uiterste precisie inscripties te ontcijferen
en tekstvarianten te beoordelen.
Toen Petrucci’s manuscript — nog ruw en onvolledig —
na diens overlijden moest worden herzien,
nam Waley deze taak op zich.
Hij controleerde de dedicatie‑inscripties op de originele schilderingen,
vergeleek lezingen, corrigeerde fouten
en bracht een filologische helderheid aan
die Appendix E zijn definitieve vorm gaf.

De Fransman Édouard Chavannes (1865–1918), hoogleraar
aan het Collège de France, was een
van de meest gezaghebbende sinologen van zijn tijd.
Zijn monumentale vertalingen van Chinese historische teksten
en zijn baanbrekende werk op het gebied van epigrafie
maakten hem tot een internationaal referentiepunt.
Dat juist Chavannes Waley’s correcties beoordeelde
en goedkeurde, verleende Appendix E een bijzondere autoriteit.
Zijn instemming fungeert als een keurmerk
van wetenschappelijke betrouwbaarheid:
een bevestiging dat de tekst niet alleen kunsthistorisch,
maar ook filologisch op het hoogste niveau is.

Samen zorgden Waley en Chavannes voor de nauwkeurige lezing
van de inscripties waarop het hele betoog rust.
Hun werk maakt duidelijk dat Serindia niet het product is van één auteur,
maar van een internationale samenwerking waarin archeologisch veldwerk, Britse oriëntalistiek en Franse sinologie elkaar aanvullen en versterken.

De specifieke tekst over CH.xlvi.008

De tekst van de bijlage E is in het Frans.
Hieronder volgt de Nederlandse vertaling door Copilot.

Een andere schildering (Ch. xlvi. 008) behoort tot de categorie van geloften die voor de doden worden gedaan. Ze stelt Amitābha voor. In het gedeelte dat voor de schenkers is gereserveerd, ziet men enerzijds een ambtenaar, de overleden vader Leang Tsin‑t’ong 梁進通, die een wierookvat vasthoudt en wordt bijgestaan door een kind met een waaier; anderzijds een vrouw, de overleden schoonmoeder, met de familienaam Ling‑hou 令狐. Zij houdt een bloem vast; ook zij wordt vergezeld door een kind dat een offer draagt. Uit de opschriften blijkt dat de schenking is gedaan door de zoon en de vrouw van de zoon van de afgebeelde personen. Het is een schenking ten bate van de overleden ouders.
De inscriptie in het middelste cartouche is vrijwel geheel verdwenen. Men kan er meer raden dan lezen, maar er zijn nog tekens zichtbaar die toelaten haar te dateren op de zevende maan van het tweede jaar K’ien‑te, dat wil zeggen augustus 964.

Stein vermeldt in eerder in Serindia in zijn overzicht van gedateerde banieren
Ch. xlvi.008 als gedateerd in AD 952.
In Appendix E geeft Petrucci, op basis
van de resterende tekens van de inscriptie, een alternatieve datering:
de zevende maan van het tweede jaar K’ien‑te (augustus 964).
De discrepantie lijkt voort te komen uit verschillende lezingen
van een zwaar beschadigde dateringstekst.

Over de zogenaamde ‘donorfiguren’

De figuren die in de literatuur vaak gemakshalve “donoren” worden genoemd,
zijn in werkelijkheid niet de personen zijn die de schildering
hebben geschonken, maar de overleden familieleden
voor wie de schenking is gedaan.
De dedicatie‑inscripties maken dit telkens opnieuw duidelijk: het zijn de zoon, schoondochter of andere nabestaanden die de opdracht geven, terwijl de afgebeelde mannen en vrouwen de overledenen zijn wier zielen men wil eren en ondersteunen.
Deze schilderingen functioneren dus niet als portretten van levende opdrachtgevers, maar als postume representaties.
De overledenen verschijnen in een rituele houding,
knielend met offergaven, begeleid door kinderen of dienaren,
en geplaatst in een paradijselijke context
— vaak het rijk van Amitābha.
De werkelijke donoren blijven buiten beeld
en zijn uitsluitend in de tekst aanwezig.
Dit inzicht verandert de manier waarop we de zogenaamde donorzone lezen:
het is geen familieportret, maar een visuele handeling
van verdienstentransfer, waarin de overledenen worden voorgesteld
op de plaats waar men hoopt dat zij zullen wedergeboren worden.
Wat wij “donorfiguren” noemen, zijn in feite voorstellingen
van de overledenen, en wat wij “donoren” noemen,
zijn de levende opdrachtgevers die hen via de schildering ritueel begeleiden.

DSC01403IndiaNewDelhiNationalMuseumSeatedBuddhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPainting52x31,2CmAccNOCh-xlvi-008

Afsluiting

Met de kennis van nu denk ik met ongerustheid terug
aan eerdere berichten over de Dunhuangbanieren op mijn blog.
Er bleek nu ook weer zoveel informatie te zijn over
een banier die op het eerste gezicht misschien niet
de meest interessante in de reeks lijkt.
Maar hij was wel erg interessant en er is, denk ik,
nog veel meer informatie.
Alleen heb ik die nog niet gevonden.
Gelukkig heb ik wel een beter beeld gekregen bij de
afgebeelde donorfiguren en de werkelijke schenkers van het object.


Van strenge transcendentie naar ontspannen nabijheid

– over een wandeling in Museum Rietberg van de Noordelijke Dynastieën naar de Jin‑tijd –

DSC05607ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Zürich, Museum Rietberg, Guanyin in Royal ease-pose, Northern China, Jin Dynasty, 12th – 13th century CE, holz, teilweise bemalt, geschenk Eduard von der Heydt, RCh 301.

DSC05608ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Ik zet weer wat stappen in de museumzaal.
De tijd maakt een sprong van minstens 700 jaar.
De figuur die ik voor me zie is van hout.
Hij kijkt me uit de hoogte en schijnbaar ongeïnteresseerd aan.
Grote oogkassen en neus
Een kleine, smalle mond.
Nadrukkelijke kin.
Lange oorlellen.

De kleding komt bekend voor.
Een kroon in het haar.
Sierraad op de arm.
Decoratie op de borst.
Zwierende sjerpen.
Geplooid.

De houding veel losser dan op de steles
of Dunhuangschilderingen op zijde.
Is dat een mudra?

Door de tijd zijn veel stukken van de verf verdwenen.
De ondergrond komt tevoorschijn.
Alles bij elkaar: intrigerend.

Noordelijke Dynastieën – canon en legitimatie

In de kunst van de Noordelijke Dynastieën (5e–6e eeuw)
vormt het boeddhisme een politiek en visueel bindmiddel
in een gefragmenteerd Noord‑China.
De heersende Xianbei‑elites gebruiken de religie om hun gezag te verankeren,
en de beeldtaal volgt die functie.
Bodhisattva’s verschijnen frontaal en symmetrisch, met langgerekte lichamen,
geometrische plooival en gestileerde gezichten.
De sculptuur is niet bedoeld om nabijheid te suggereren,
maar om een idee van verheven orde te bevestigen.

De monumentaliteit van de grotcomplexen van Yungang en Longmen
weerspiegelt die ideologische strengheid:
het goddelijke is ongenaakbaar, architectonisch,
een principe van stabiliteit te midden van politieke wisseling.

Jin‑dynastie – aristocratische elegantie en naturalisme

Zeven eeuwen later, in de Jin‑dynastie (12e–13e eeuw),
verschijnt een totaal andere beeldtaal.
De houten Guanyin uit Noord‑China, deels gepolychromeerd,
belichaamt een wereldse verfijning die de vroegere strengheid heeft losgelaten.
De figuur zit in royal ease pose (lalitāsana):
één been opgetrokken, één ontspannen hangend.
De plooien vloeien, de sjerpen bewegen vrij,
en de gelaatsuitdrukking is kalm maar niet afstandelijk.

Politiek gezien is ook dit een niet‑Han dynastie — de Jurchen —
maar artistiek staat zij onder invloed van de Song‑cultuur in het zuiden.
De voorkeur voor houtsculptuur, zachte modellering en subtiele polychromie
weerspiegelt een esthetiek waarin het heilige niet langer boven de wereld staat,
maar er deel van uitmaakt.
De bodhisattva is niet meer een abstract symbool,
maar een figuur met aristocratische rust en menselijke aanwezigheid.

De overgang – de rol van de Song en de verinnerlijking van het beeld

Tussen de strenge monumentaliteit van de Noordelijke Dynastieën
en de verfijnde elegantie van de Jin‑tijd ligt
de lange ontwikkeling van het Chinese boeddhistische beeld.
De Song‑dynastie vormt daarin het scharnierpunt.
Haar schilderkunst en hofesthetiek introduceren een nieuw naturalisme:
aandacht voor innerlijke rust, zachte contouren en een bijna poëtische menselijkheid.
De Jin‑kunst neemt deze gevoeligheid over en vertaalt haar in hout.
Waar de vroegere bodhisattva’s transcendent waren,
wordt de latere Guanyin een figuur van nabijheid
— niet langer een principe, maar een aanwezigheid.
De verf die nu grotendeels verdwenen is, getuigt van die oorspronkelijke levendigheid:
een beeld dat ooit glansde in kleur,
maar nu juist door zijn verweerde oppervlak de tijd voelbaar maakt.

DSC05611ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301DSC05609ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Is dit een mudrā ?

In de klassieke boeddhistische iconografie verwijst een mudrā
naar een gecodificeerd handgebaar met een vaste betekenis:
abhaya, vitarka, dhyāna, varada, dharmacakra, enzovoort.
Deze gebaren zijn herkenbaar door:

  • een specifieke positie van vingers en handpalm
  • een vaste hoogte ten opzichte van het lichaam
  • een canonieke symmetrie of richting

Bij het Jin‑dynastie Guanyin‑beeld, ontbreekt die canonieke precisie.
De handen:
rusten losjes op of nabij het opgetrokken been;
volgen de natuurlijke ontspanning van de royal ease pose (lalitāsana);
tonen geen specifieke vingerconfiguratie;
zijn niet op borsthoogte of voor het lichaam geplaatst, zoals bij formele mudrā’s.

Dit is dus geen formele mudrā, maar een houding
die past bij de aristocratische, ontspannen Guanyin‑typen uit de 12e–13e eeuw.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVIII

– over een versleten banier van buiten de bibliotheekgrot –

DSC01398 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumVotiveBodhisattvaBannerDunhuang8th-9thCenturyCESilkPainting79x25,3CmAccNoCh-lv-0036

India, New Delhi, National Museum, Votive bodhisattva banner, Dunhuang, 8th – 9th century CE, silk painting, 79 x 25,3 cm. Acc.No. Ch.lv.0036.


Je kunt zeggen dat de banier niet heel mooi is,
Kijk zelf maar mee, hij oogt erg versleten.
Zijde heeft gevoelsmatig een zachte uitstraling
terwijl het materiaal hier grof en ruw overkomt.
Natuurlijk is het maar een foto en zegt die indruk niet zo veel.
Maar Stein en het National Museum zeggen hier ook verschillende dingen:

Dit zegt de zaaltekst:

This silk banner with a triangular headpiece depicts bodhisattva Avalokiteshvara standing in threequarter profile on a lotus. A scarf can be seen fluttering around his body.

En in Serindia zegt Stein dat het om linnen gaat:

AurelSteinSerindiaVol2Page1069PagePDF573 Ch lv 0036

Er zijn een aantal bijzondere zaken:

  1. de driehoek aan de bovenkant die onderdeel van het ophangmechanisme
  2. DSC01398 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumVotiveBodhisattvaBannerDunhuang8th-9thCenturyCESilkPainting79x25,3CmAccNoCh-lv-0036

  3. het hoofd is erg aansprekend
  4. DSC01399IndiaNewDelhiNationalMuseumVotiveBodhisattvaBannerDunhuang8th-9thCenturyCESilkPainting79x25,3CmAccNoCh-lv-0036

  5. de inscriptie ‘Kuan-yin of long life’
  6. De woorden “Kuan‑yin of long life” vormen een korte aanroep
    tot Guanyin (Kuan‑yin), de Chinese naam voor Avalokiteśvara,
    de bodhisattva van mededogen.
    In de Chinese traditie wordt Guanyin vaak verbonden
    met bescherming, genezing en levensverlenging.
    Zo’n korte formule functioneerde als een votieve wens:
    een klein gebed om een lang leven voor de schenker of diens familie.

  7. de banier is groot
  8. wat is Ch’ien-fo-tung of waar ligt dat?

Dat is de Chinese naam voor de “Grotten van de Duizend Boeddha’s
— de Mogao‑grotten bij Dunhuang, in de provincie Gansu.
Letterlijk: Qiānfódòng (千佛洞).
Daar vond Aurel Stein in 1900–1908 de beroemde manuscripten
en banieren in de verzegelde bibliotheekgrot (Grot 17).
Maar in totaal zijn er meer dan 400 grotten.
Om die allemaal in kaart te brengen ging Stein niet lukken.
En dat wist hij getuige het volgende vertaalde citaat:

De algemene beschrijving die ik in hoofdstuk XXI heb gegeven van de vindplaats en haar grote reeks grot‑tempels is op zichzelf al voldoende om te verklaren waarom het voor mij onmogelijk was een gedetailleerde studie te maken van deze honderden uit de rots gehouwen heiligdommen. Los van de zeer beperkte tijd die het zomerprogramma van geografische verkenningen in de Nan‑shan‑ketens mij liet, besefte ik ten volle dat voor een taak van deze omvang bijzondere deskundigheid nodig zou zijn, evenals technische ondersteuning waarover ik niet beschikte. Zonder kennis van het Chinees en zonder voldoende vertrouwdheid met de in China ontwikkelde boeddhistische iconografie kon ik onmogelijk hopen op een juiste interpretatie van deze immense hoeveelheid muurschilderingen, laat staan aanwijzingen vinden om hun chronologische volgorde — en die van de grotten die zij sierden — te bepalen. Tegelijkertijd ontbrak het mij pijnlijk aan de technische ervaring en getrainde hulp die nodig waren om binnen redelijke tijdslimieten fotografische reproducties te maken van de belangrijkste schilderingen en beelden, en om toegang te krijgen tot die grot‑tempels die hoog op de rotswand lagen en zonder speciale voorzieningen niet veilig te bereiken waren.

Serindia, deel 2, pagina 926.

Afsluiting

Op het eerste oog leek de banier niet zo heel bijzonder.
Maar als we even verder kijken dan is ook dit object
weer een heel uitgebreid verhaal.
En dan heb ik nog niets over de voeten en de lotus daaronder geschreven.


Echo van een Gitaarspeler

– over wat kijken kan oproepen wanneer je begint te luisteren –

IMG_9377IsaacIsraëlsGitaarspelerLithografie1890-1934

Associaties zijn vreemde dingen.
Je ziet iets, leest iets, ruikt iets,
voelt iets op de tast –
en je gedachten brengen je naar onverwachte plaatsen.
Je heb er weinig controle over,
gelukkig maar, want het kan je veel plezier doen beleven.

Afgelopen woensdag was ik in Amsterdam.
Ik maakte er een reeks foto’s.
Een deel van die foto’s maakte ik met een doel:
ik ging iets bekijken om te kopen.
Ik wilde daarom als geheugensteun een paar dingen vastleggen.
Daar kom ik later op terug.

IMG_9360Amsterdam4MeiKransenIMG_9361AmsterdamDeDamKoninklijkPaleisIMG_9364AmsterdamBlowverbodIMG_9373 01 AmsterdamOudeHoogstraatOudeDoelenstraatBakstenenFiguurOpBrugIMG_9373 02 AmsterdamOudeHoogstraatOudeDoelenstraatBakstenenFiguurOpBrug

Maar de andere foto’s maakte ik omdat ze me opvielen:
een verkeersbord met blowverbod, een bakstenen figuur bij een brug.
Mijn tweede doel van die dag was de tentoonstelling Metamorfosen
in het Rijksmuseum.
Die had ik een paar weken geleden al gezien
– blogberichten volgen nog.
Maar thuisgekomen dacht ik dat ik een zaal overgeslagen had.
Dat wilde ik even gaan zien.

IMG_9374ShivaNatarajIMG_9375IsaacIsraëls 01 TweeSchetsboekjes

Twee schetsboeken van Isaac Israëls.

IMG_9375IsaacIsraëls 02 TweeSchetsboekjesIMG_9376 01 IsaacIsraëlsTweePortrettenVanEenVrouwZwartKrijtEnPenseelInRoodEnZwartKrijt1865-1934

Isaac Israëls, Twee portretten van een vrouw, zwart krijt en penseel in rood en zwart krijt, 1865 – 1934.

IMG_9376 02 IsaacIsraëlsTweePortrettenVanEenVrouwZwartKrijtEnPenseelInRoodEnZwartKrijt1865-1934IMG_9377IsaacIsraëlsGitaarspelerLithografie1890-1934

Isaac Israëls, Gitaarspeler, lithografie, 1890 – 1934.

IMG_9378IsaacIsraëlsGitaarspelerLithografie1890-1934TxtIMG_9379JozefIsraëlsPortretVanMathildeIsraëls1887Aquarel

Jozef Israëls, Portret van Mathilde Israëls, 1887, aquarel.

IMG_9380JozefIsraëlsPortretVanMathildeIsraëls1887AquarelTxtIMG_9381RijksmuseumJoodsKunstbezitEnDeTweedeWereldoorlogTekst

Maar ik zag er ook ander werk, onderdeel van een tentoonstelling
van het Rijksprentenkabinet.
Die tentoonstelling vindt dan plaats
in ruimtes tussen de vaste collectie.
Een beetje onduidelijk. Ik vond slechts op één plaats werken.
Daar maakte ik foto’s en zag onder meer dit:
Isaac Israëls, Gitaarspeler.

Een aantal van de associaties staan in onderstaande Word Cloud.

Gitaarspeler


Benin: de Teruggave en de Tien Stemmen 7

Soms voelt dit zevende bericht als het lastigste:
niet omdat de tentoonstelling in Zwolle geen indruk maakt,
maar omdat het werk dat ik hier bespreek op momenten wankelt.
Waar begint kunst die uit een opdracht groeit,
en waar begint het object dat vooral een duur souvenir wil zijn?

We dragen de schaamte van 1897 mee — terecht.
Het staat niet op zichzelf;
het is slechts één episode in een lange reeks koloniale vernederingen.

Maar die schaamte ontslaat ons niet van het stellen
van kritische vragen aan hedendaagse makers.
Integendeel:
als we uit schuldgevoel elk nieuw werk heilig verklaren,
doen we zowel de geschiedenis als de kunst tekort.

De schande blijft, maar ze mag ons zicht niet vertroebelen.

Daarom nodig ik iedereen uit nu onbevangen te kijken,
zonder defensie en zonder eerherstel als reflex.
Open ogen voor het nieuwe

DSC09607 01 BackTo BeninDSC09727DeFundatieBackToBeninEnotieOgbeborWhispersOfMoralGuidanceAndEhi2025BrassBronzeNicholasOmoruyiAigbeFoundry

De Fundatie, Back to Benin, Enotie Ogbebor, Whispers of moral guidance and Ehi, 2025, brass (bronze). Productie-assistent: Nicholas Omoruyi, Aigbe Foundry.

DSC09728DeFundatieBackToBeninEnotieOgbeborWhispersOfMoralGuidanceAndEhi2025BrassBronzeNicholasOmoruyiAigbeFoundry Detail


DSC09729DeFundatieBackToBeninOsazeAmadasunObaOzoluaTheConqueror2020AcrylicOnCharcoalBoard

Osaze Amadasun, Oba Ozolua the conqueror, 2020, acrylic on charcoal board.

DSC09732DeFundatieBackToBeninOsazeAmadasunLyaseAndAttendant2021AcrylicOnAcidFreePaper

Osaze Amadasun, Lyase and attendant, 2021, acrylic on acid free paper.

DSC09734DeFundatieBackToBeninWanneerDePlaquettesTerugblikkenText


DSC09735DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaper

Victor Ehikhamenor, Holy – Hallow, 2025, installation of 7 perforations on handmade paper.

DSC09736DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperDSC09737DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperDSC09738DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperTxtDSC09739DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperDSC09740DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperDSC09741DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaperIMG_9252DeFundatieBackToBeninVictorEhikhamenorHolyHallow2025Installation7PerforationsOnHandmadePaper


Wat incompleet is, blijft toch een bijzondere plaats van rust

In de vorige berichten bewoog ik me vooral langs banieren en steles
— niet omdat dat het enige was wat er te zien viel,
maar omdat de route door de zaal me daar telkens naartoe leidde.
Nu ik langzaam richting het einde van die zaal liep,
begon het meanderen vanzelf:
van de ene vitrine naar de volgende,
zonder het houvast van steeds weer
een Boeddhistische banier of een Northern‑Wei stele.

Daar, in die laatste meters, stond een object dat niet in dat patroon past.
Een onderstel, incompleet maar opvallend aanwezig,
dat zich niet meteen laat plaatsen en juist daardoor uitnodigt om even stil te staan.

DSC05600ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115DSC05601ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115

Zürich, Museum Rietberg, Pedestal of a sarcophagus, China, Northern Dynasties, first half of the 6th century CE, kalkstein. Geschenk Eduard von der Heydt, RCh 115.


In de zaal van het Museum Rietberg staat het object
als een zelfstandige steenmassa:
lang, laag, en met als eerste horizontale strook een decoratie
die als een soort stenen kleed over de bovenrand hangt.
Vervolgens loopt er een reeks banden met kabel‑, wolk‑ en ruitmotieven,
als sierlijke dragers van het dode mensenlichaam dat er op zal rusten.
Eén band bevat ruitvormige kaders waarvan enkele dieren of mensfiguren bevatten,
andere florale patronen;
de variatie is groot, maar door de fragmentarische staat
door mij niet volledig te inventariseren.

DSC05604ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115DSC05605ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115DSC05606ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115

Samen met de grote reliëfs op de poten van dit onderstel
vormt het de solide basis voor een laatste rustplaats.

Aan beide uiteinden van het onderstel verschijnen op de poten
geestwezens met tijgers
— hybride figuren met maskerachtige gezichten en verbrede,
vleugelachtige schouderpartijen.
De armen zijn gespreid in een houding die eerder zwevend dan anatomisch is,
terwijl de benen — menselijk van vorm maar gestileerd —
een beweging suggereren die tussen rennen en zweven in ligt.
Onder de figuren bewegen de tijgers, rank en gespierd, met de kop naar voren gericht.
De lijnen zijn diep en helder, alsof ze niet alleen contouren
maar ook energie vastleggen:
momenten van beweging die in steen tot rust komen.

DSC05602ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115 GeistwesenDSC05602ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115 Geistwesen CentralImage

Aan het midden van het onderstel verschijnt een groot monstermasker
— symmetrisch, frontaal, en bijna architectonisch van opbouw.
De ogen zijn rond en wijd, de mond geopend
in een boog van tanden, slagtanden en een krullende snor.

DSC05603ZürichMuseumRietbergPedestalOfASarcophagusChinaNorthernDynastiesFirstHalf6thCenturyCEKalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh115 Monstermaske

Uit de bovenrand groeien hoornachtige vormen die zich vertakken tot ornament,
als een uitbundig Venetiaans masker.
Daarboven komen haast gewei‑achtige vormen tevoorschijn,
met daartussen gestileerd haar dat als een tweede laag uit het gezicht lijkt op te rijzen.
Aan de onderkant hangen links en rechts sieraad‑ en lint‑elementen.

Alles samen een masker dat niet alleen kijkt maar ook decoratie wil zijn.
Het lijkt niet te dreigen, maar te waken:
een gestileerde beschermer die de overledene omhult met aandacht en zorg.

De decoratie rondom — bloemen, spiralen, geometrische patronen —
vloeit samen met het masker, alsof het niet uit steen gehouwen is
maar uit de ornamenten zelf tevoorschijn komt.

In de zesde eeuw lag op dit onderstel een bedplaat — hout of steen —
direct op de bovenrand.
Rondom die bedplaat stonden panelen, die zijn nu verdwenen.
De panelen vormden een lage omheining, een soort miniatuurarchitectuur
waarin de overledene lag.
Niet in een kist, niet in een urn, maar op het bed zelf, gewikkeld in textiel.

De iconografie op het onderstel
— tijger, geestwezens, monstermasker,
maar ook de wolken‑ en bloemmotieven in de banden —
functioneerde als een beschermende en ondersteunende onderlaag.

Het geheel was een meubel én het begin van een kosmische structuur:
een rustplaats die eerbied en ontzag voor de overledene uitdrukt.

Wat nu in Zürich overblijft, is de onderste laag van dat geheel.
Een stille, massieve basis die nog altijd de contouren draagt
van wat er ooit boven stond.
Wie de tijd neemt, leest in de steen de afdruk van een verdwenen constructie
— en van een lichaam dat hier ooit, heel precies, zijn plaats had.

Noordelijke dynastieën

Museum Rietberg spreekt in de beschrijving van RCh 115 van
“China, Northern dynasties, first half of the 6th century CE”.
Dat men geen keuze maakt voor een specifieke dynastie wijst erop
dat de stijl aansluit bij bredere tradities uit de Noordelijke dynastieën
— Noordelijke Wei, Oostelijke Wei, Westelijke Wei, Noordelijke Qi
en Noordelijke Zhou —
maar dat de fragmentarische staat van het object
en de beperkte iconografie geen definitieve toewijzing toelaten.

Het blijft een vorm die zich tussen meerdere stijllijnen beweegt,
zonder zich volledig aan één daarvan te hechten.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVII

– Over een houten Boeddha uit een site die alleen Stein nog zag –

We denken vaak dat we alles weten.
Dat we alles gezien hebben.
Dat we overal kunnen komen.
Dat de wereld klein is.
We stonden al op de maan!

Maar dan sta je in New Delhi voor een klein houten beeldje,
uit een plek aan de Zijderoute.
Een plaats die Stein als laatste gezien heeft.
Als laatste?
Ook in 1906/1908 waren er nog karavanen
die gebruik maakten van deze handelsroutes.
Stein maakte er nog foto’s van.

SteinAurélMTACamelCaravanXinjiang1904 01

Foto van Aurél Stein, uit het digitale MTA archief (de Hongaarse Academie van Wetenschappen) met als omschrijving: Camel caravan, Xinjiang, 1904.

SteinAurélMTACamelCaravanXinjiang1904 02 Detail

Detail van bovenstaande foto.

Maar hij is wel de laatste die de plaats documenteerde.
En dat maakt dit houten beeldje wel heel bijzonder.

DSC01392 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaInDhyanaMudraKichik-Hassar7th-8thCenturyCEWood27x15,5CmAccNoH-B-III-001

India, New Delhi, National Museum, Buddha in Dhyana Mudra, Kichik-Hassar, 7th – 8th century CE, wood, 27 x 15,5 cm. Acc.No. H.B. III.001.

DSC01392 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaInDhyanaMudraKichik-Hassar7th-8thCenturyCEWood27x15,5CmAccNoH-B-III-001Txt


Om te achterhalen wat het voorwerp precies is, heb ik de online bronnen
bekeken:

AurelSteinSerindiaVol3Page1173PagePDF110Column1AurelSteinSerindiaVol3Page1173PagePDF110Column2

In het Nederlands staat er in Serindia, deel 3, pagina 1173:

H. B. iii. 001.
Houten beeldje van Boeddha, gezeten in meditatie op een drielaagse troon. Grof gesneden, waarbij alleen de voorzijde en zijkanten zijn afgewerkt; de achterkant is vlak, bedoeld om met houten pennen aan een muur of ander oppervlak te worden bevestigd, waarvan er enkele nog aanwezig zijn. Een extra, tongvormig stuk hout — vermoedelijk oorspronkelijk oprijzend uit een nu verdwenen basis — is vastgezet in een overeenkomstige uitsparing aan de onderzijde van de rug. De Boeddha heeft langgerekte, doorboorde oren en een uṣṇīṣa (schedeluitstulping). De plooien van het gewaad zijn zeer conventioneel weergegeven door een reeks halfronde groeven. Het geheel was oorspronkelijk beschilderd met een dikke witte sliblaag, met resten van rode verf in de groeven en sporen van zwarte verf op het haar. Sterk gebarsten en aan het oppervlak versleten. Afmetingen: 28 × 16,5 × 10 cm. (Pl. CXXXVIII.)

Er staat een verwijzing naar een plaat. Die vind je in deel 3 van Serindia:

AurelSteinSerindiaVol4Plate138 CXXXVIIIPagePDF292 01

Onder plaat 128 staat: Stucco relief base of image (MI.xviii.001) and reliefs in stucco and wood from MING.01 and other sites. Het Boeddha-beeldje van dit bericht valt onder ‘the other sites’. Volgens mij is het de Boeddha rechtsboven.

AurelSteinSerindiaVol4Plate138 CXXXVIIIPagePDF292 02

In Stein’s foto in Serindia is het beeld nog ongerestaureerd, met een zichtbaar gat in de troon waar misschien een houten pen of steun heeft gezeten. In de huidige museumversie is die opening gedicht, wat de overgang markeert van veldvondst naar geconserveerd tentoonstellingsobject.


Dhyāna mudrā?

Stein registreerde in het veld uitsluitend wat hij feitelijk kon waarnemen,
zonder iconografische termen.
Zijn beschrijvingen moesten later onderzoek mogelijk maken.
Het museum neemt die volgende stap door de houding
als Dhyāna mudrā te interpreteren
— een duiding die past binnen de boeddhistische beeldtraditie,
maar die Stein zelf bewust niet maakte.

Kichik‑Hassār op de foto

AurelSteinSerindiaVol3Fig270 PagePDF94

In de digitale versie van Serindia die ik ter beschikking heb (vrij online te raadplegen) staat deze foto. Ik ben toen verder gaan zoeken en vond een digitaal archief met meer dan 6000 foto’s van Stein. Deze foto zat er tussen.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 01 Foto 01

Stein, Aurél, Ruined shrines I-III, Kichik-hassar, seen from south, 1908. Je ziet de foto op een vel met instructies voor de opmaak en de drukker en links in de hoek het nummer 270. Dat is het ‘Figure’-nummer in Serindia.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 01 Foto 02

Dezelfde opname maar nu geconcentreerd op de foto zelf. Er staat nog iemand op de foto links en er ligt een hond rustig te slapen, links onder tegen de heuvel.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 02 Instructies

Als je op de MTA-website gaat kijken dan zie je ook deze foto van een halfdoorzichting vel papier met getypte tekst met aanvullende opmaakopdrachten. Op de achtergrond zie je de foto doorschijnen.


Op de heuvel staat een figuur die duidelijk als schaalreferentie is opgenomen.
Wie het precies is, valt niet met zekerheid vast te stellen:
op Stein’s veldfoto’s verschijnen zowel hijzelf als assistenten
in vergelijkbare kleding, en bij deze opname ontbreekt
elke expliciete persoonsvermelding.

De foto maakt deel uit van het digitale archief van het
MTA Könyvtár és Információs Központ
(de Hongaarse Academie van Wetenschappen),
dat een deel van Stein’s originele glasnegatieven beheert.

Deze collectie kwam daar terecht via Stein’s Hongaarse afkomst
en de overdracht van delen van zijn persoonlijke
wetenschappelijke nalatenschap aan Hongaarse instellingen.

De bij deze opname bewaarde archiefvellen
bevatten geen identificatie van de afgebeelde persoon,
zodat alleen kan worden vastgesteld dat het om een schaalfiguur gaat,
niet om een gedocumenteerd portret van Stein zelf.

Waar ligt Kichik‑Hassār eigenlijk?

Kichik‑Hassār ligt in het huidige China,
in de Xinjiang Uyghur Autonomous Region.
Maar dat moderne kader vertelt maar een deel van het verhaal.
In de tijd waarin het houten Boeddhabeeldje werd gemaakt
— ruwweg 7e–8e eeuw — maakte dit gebied geen deel uit
van een Chinees kerngebied, maar van het boeddhistische koninkrijk Khotan,
een oasecultuur langs de zuidelijke rand van de Taklamakan-woestijn.

Het was een regio met sterke Indiase, Iraanse en Centraal‑Aziatische invloeden, waar Sanskriet, Prakrit en Khotanees werden gebruikt, en waar boeddhistische kunst zich in een eigen, herkenbare stijl ontwikkelde.

Dat betekent dat het beeldje geografisch in China is gevonden, maar cultureel en artistiek tot Khotan behoort. Die nuance is belangrijk: het bepaalt hoe we naar het object kijken, welke vergelijkingen zinvol zijn, en waarom de stijl zo anders is dan wat we uit de Chinese boeddhistische traditie kennen.

Een site die alleen dankzij Stein bestaat

Kichik‑Hassār is een van die kleine heiligdommen
die we uitsluitend kennen dankzij Stein.
Hij bezocht de plek kort tijdens zijn tweede expeditie (1906–1908),
maakte enkele foto’s, beschreef drie kleine schrijnen en een stūpa‑groep,
en nam een handvol objecten mee — waaronder het houten Boeddhabeeldje.

Daarna is niemand ooit teruggekeerd.
Geen Chinese archeologen, geen Westerse teams,
geen moderne surveys.
De exacte locatie is onzeker, de ruïnes zijn waarschijnlijk
opnieuw door het zand opgeslokt,
en de regio is tegenwoordig grotendeels ontoegankelijk
voor systematisch archeologisch onderzoek,
zowel door buitenlandse als door de meeste binnenlandse teams.
Je kunt er zelfs geen gewone vakantie boeken;
het gebied is voor bezoekers vrijwel volledig afgesloten

De zuidelijke rand van de Taklamakan

De zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn vormde in de oudheid
een van de belangrijkste verkeersaders van de Zijderoute.
Het was de winterroute:
in de koude maanden trokken karavanen langs de oases van
Khotan, Keriya, Niya en Miran,
waar water, hout en beschutting te vinden waren.

In de zomer weken reizigers liever uit naar de noordelijke route,
langs Aksu, Kucha en Turfan,
omdat de zuidelijke rand dan extreem heet werd
en de afstand tussen de oases gevaarlijk groot kon zijn.

Die seizoensgebonden verschuiving is essentieel
om Kichik‑Hassār te begrijpen.
Het lag precies in die zuidelijke gordel van oases
die de winterroute mogelijk maakten.
Kleine heiligdommen zoals Kichik‑Hassār waren onderdeel van dit netwerk:
plekken waar reizigers konden bidden, waar monniken leefden,
en waar lokale gemeenschappen devotionele objecten produceerden
— zoals het eenvoudige houten Boeddhabeeldje dat Stein vond.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVI

– over hoe we uit fragmenten proberen te begrijpen wat ooit één geheel was –

De collectie van het National Museum in New Delhi is super!
De kwaliteit is indrukwekkend.
Zeker als je er naar kijkt in het licht van hun beperkte budget.

De Stein-collectie is daarbij voor mij een hoogtepunt maar
dat is ook het geval voor de stenen en metalen beelden,
friezen, steles enz.
De hele geschiedenis van Britisch India trekt aan je voorbij.

Het brengt de verplichting mee om nog kritischer te zijn op
Nederlandse musea, die vaak klagen over hun budget,
maar in werkelijkheid over veel ruimere mogelijkheden beschikken.

De afgelopen dagen heb ik veel moeite gehad om te achterhalen
wat ik nu precies zie bij drie objecten:

  • de muurschildering van Boeddha met discipelen uit Miran (zie eerder bericht)
  • een houten Boeddha-beeld uit Kichik-hassar (nooit eerder van gehoord, volgt)
  • en een pelgrimsfles uit Yotkan (een site in Khotan).

Over dit laatste object gaat dit bericht.
Ik stel het meteen voor:

DSC01393IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01

India, New Delhi, National Museum, Pilgrim’s bottle, Yotkan, 4th – 5th century CE, terracotta, 15 x12 cm.

DSC01394IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01Txt


Wat is Yotkan?

In de oase van het huidige Hotan (stad in China)
ligt Yotkan als een stille onderlaag van de tijd:
het archeologische hart van het oude koninkrijk Khotan.
Waar de moderne stad zich steeds verder oostwaarts ontwikkelde,
bleef Yotkan achter als de vroegste hoofdstad,
een plek waar de materiële cultuur van Khotan nog tastbaar is.
De terracotta‑vondsten, fragmenten van boeddhistische beeldtaal
en sporen van ambachtelijke productie
vormen samen een zeldzaam venster op een samenleving
die leefde van jade, irrigatie en de zuidelijke Zijderoute.
Yotkan is daarmee geen aparte wereld naast Khotan,
maar de bewaarde laag van zijn oorsprong
— een archeologische echo van het koninkrijk
dat hier meer dan een millennium bloeide.

Zoals vaker ben ik de zaaltekst gaan toetsen aan de informatie
die ik kon vinden in Serindia.
Het probleem daarbij is dat Stein zijn nummersysteem aanpast
aan de bron van de objecten.
Stein beschrijft wat die bronnen zoal zijn:

Serindia, Vol1, page 94

At Yotkan the great pit-like area resulting from the long years of washing for gold and ‘treasure’ at the site of the ancient capital, showed but slight change since 1900. A series of causes have tended to reduce the operations which have yielded as their by-product so many curious relics of ancient Khotan.

Serindia, Vol1, page 95

In spite of the restricted working the yield is small antiques, such as terracotta figurines, coins, cut stones, etc., still continued. This was proven by the relatively ample collection of such objects I was able to acquire that year both at Yotkan itself and at Khotan and during my subsequent visits in 1908.

Serindia, Vol1, page 97

As on my previous journey. I endeavoured, during my sucdcessive visits to the Khotan oasis in 1906 and again in 1908, te secure any antiques that were to be found either among the villagers engaged in the gold-washing operations at Yotkan or in the hands of those local agents who are in the habit of collecting such objects as ancient coins, cut stones, decorated pottery, etc., which find their way into the Khotan Bazars It is certain that the latter receive the main portion of their abundant supply of small antiques from the annual operations at Yotkan, and also relatively little from chance finds made by the ‘treasure-seekers’ who make a practice of visiting the eroded old sites around the oasis during the winter months. It has therefore appeared convenient to treat all the antiques which I obtained by purchase while in Khotan in one place.

All objects acquired by me either personally or through my thrustworthy local fctotum Badruddin Khan, the headman of the Indian and Afghan traders, as avowedly coming from Yotkan bear the distinguishing mark of Yo. in the descriptive list given in the section following. But even in the case of these objects the evidence as to their provenance can obviously not claim the same value as if they were finds resulting from systematic exploration on the spot. As regards antiques acquired through other channels there is still grater need for caution before making any individual piece a basis for antiquarian argument.
Yet with this reservation once made it is easy to recognize that the great mass of the objects are genuine relics left behind by the civilization which flourished during Buddhist times at the ancient capital of Khotan. So closely do they agree in character, style and material with the contents of collections previously secured from the ‘culture-strata’ of Yotkan.

In het Nederlands:

Wanneer Stein in 1906 en 1908 opnieuw in Yotkan arriveert,
treft hij dezelfde enorme kuil aan die al decennia lang
door lokale bewoners wordt uitgegraven voor goud en ‘schatten’.
Die half‑industriële goudwassing levert als bijproduct
een constante stroom kleine antiquiteiten op:
terracotta figuurtjes, munten, geslepen stenen
en fragmenten van versierde keramiek.
Omdat de systematische opgraving van Yotkan onmogelijk is
— het terrein wordt immers door dorpelingen bewerkt,
niet door archeologen —
is Stein volledig afhankelijk van wat deze goudwassers
en lokale handelaren hem aanbieden.

Hij beschrijft hoe hij tijdens elk bezoek de dorpsbewoners langsgaat
die in de kuil werken, en daarnaast de tussenpersonen
die zulke vondsten verzamelen voor de bazaar van Khotan.
Het merendeel van de objecten die daar circuleren, zo stelt hij,
komt rechtstreeks uit de jaarlijkse werkzaamheden in Yotkan;
slechts een klein deel is afkomstig van schatzoekers
die ’s winters oude sites rond de oase afstruinen.

Stein markeert alle stukken waarvan de herkomst
volgens de verkopers “zeker Yotkan” is met het voorvoegsel Yo.,
maar hij benadrukt zelf dat deze provenance (oorsprong)
nooit dezelfde waarde heeft als vondsten uit gecontroleerde opgravingen.
Toch ziet hij in de grote hoeveelheid en de consistente stijl van de objecten
voldoende bewijs dat ze authentieke resten zijn
van de boeddhistische cultuur
die ooit in de oude hoofdstad van Khotan bloeide.

In Serindia zie je dan de volgende manieren om objecten uit Yotkan
te identificeren:

  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo.1.
  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo. 01. a.
  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo. 001. a-v.

Dus als de zaaltekst zegt dat de pelgrimsfles nummer Yo.01 is,
welk nummer bedoelen ze dan precies?

  • Yo.01.a. is een amfora maar de beschrijving is heel anders dan het object;
  • Yo.001. a-v zijn series van groteske maskers,
    afkomstig van ‘vazen’.

Nog even terug naar Stein:

SerindiaVol I Page98

In Serindia vol. I p. 98 beschrijft Stein dat de ornamentatie
van Yotkan‑vazen bestond uit afzonderlijk gemodelleerde appliqué‑stukken,
vooral groteske maskers en menselijke gezichten
(Yo. 001 a–v etc., Plates I & III).

SerindiaVol4Plaat3Detail

Mij lijken de twee maskers linksboven op plaat 3 (detail hierboven), wel erg veel op het gezichtje in het midden van de pelgrimsfles. Op de website van het International Dunhuang Project zie je meer van deze maskers met een sterke gelijkenis maar een veel hoger nummer.

DSC01393IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01 Detail

Let misschien ook eens op het kleurverschil tussen het masker en de fles.

De Pilgrim’s Bottle in het National Museum New Delhi
lijkt een moderne reconstructie van zo’n vaas,
waarin een van deze appliqué‑gezichten opnieuw is toegepast
om het oorspronkelijke decoratieve type te tonen.

SerindiaVol1Page104 Yo.001 a-v

Mijn voorlopige conclusie

De Pilgrim’s Bottle in het National Museum New Delhi
is vrijwel zeker een moderne reconstructie van een Yotkan‑vaas,
waarbij een van Stein’s appliqué‑maskers uit de reeks Yo. 001 a–v
als decoratief middelpunt is gebruikt.
Stein beschreef deze maskers als groteske menselijke gezichten,
oorspronkelijk aangebracht op terracotta vaten
— die het museum visueel heeft hersteld tot een complete flesvorm.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLV

– over een muurschildering uit een boeddhistische stupa –

Mijn plan was een bericht te schrijven over drie objecten.
Drie voorwerpen die ik zag in het National Museum in Delhi:

  • een ‘Pilgrim’s bottle’ uit Yotkan
  • een Boeddhabeeldje in dhyana-mudra uit Kichik-Hassar
  • en een muurschildering uit Miran

Drie voorwerpen uit de Aurél Stein collectie van het museum.
Alle drie verbonden aan de historische zijderoute.
Maar het lukte niet om alle informatie bij elkaar te krijgen
die ik nodig vond voor mijn verhaal.
De pelgrimsfles en het Boeddhabeeldje volgen daarom in een ander bericht.
Vandaag concentreer ik me op de muurschildering met
Buddha with six disciples, 3rd – 4th century CE.

DSC01395IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003 LeftPartDSC01396IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003 Complete

India, New Delhi, National Museum, Buddha with six disciples, Miran, 3rd – 4th century CE, wallpainting, 57,15 x 100,33 cm. Acc.No. M.III.003. Dat nummer heeft een betekenis de ‘M’ staat voor Miran, de plaats waar het is opgegraven. ‘III’ wil zeggen dat er meerdere fysieke plaatsen waren in Miran en dat dit object uit de derde plaats komt, ‘003’ is het volgnummer van de muurschildering in de reeks objecten die Aurel Stein ontdekte in de derde plaats van Miran, een stupa.


Natuurlijk ben ik mijn bronnen gaan bekijken en dat begon met de zaaltekst:

DSC01397IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003Txt

This fragment of a wall painting from a stupa in Miran shows the bust of the Buddha with six disciples. The scene probably depicts the conversation of the six Shakya princes. A story mentioned in the Buddhist Vinaya texts.


Vervolgens raadpleegde ik Serindia:

SerindiaVo1Page540Part01SerindiaVo1Page540Part02SerindiaVo1Page541Part01SerindiaVo1Page541Part02

Serindia, Vol 1, page 540 & 541.


M. III. 003. Fresco panel (incomplete) fallen in front of M. III. iv-v. On L. is upper half of a Buddha, three quarters to L., R. hand raised as in Abhaya-mudra but with thumb bent inwards touching second joint of third finger (eighth on hand). Dr. Venis suggests that this may symbolize Buddha expounding ‘the eight-fold way’ or the eight Paramitas. L. hand low, prob. gathering up drapery. Behind him are six disciples, in two rows of three, one above the other; the nearest to him in upper row holding a yak-tail fan in raised R. hand; to R. again of disciples appears naked R. arm which grasps handful of white buds or flowers, apparently in act of throwing. As background to arm appears part of dark conical (?) mass of black, covered with red and white flowers and poppy-like leaves in greenish grey; and on extreme L. is similar mass of black on which are scattered well-drawn leaves in greyish blue; both are intended to represent trees (cf. Figs 136-8). Background elsewhere vermillion, turning to pale buff between Buddha and disciples (paint probably lost); along top runs black band.
Buddha wears dark purple-brown robe, covering both shoulders; outlined black and lined with buff, which shows at turnover on L. shoulder. Head of Western, slightly Semitic type, with high straight forehead and somewhat domed top; large well-opened straight-set eyes, partially covered by eyelids; nose aquiline; short upper lip; small curved mouth; softly rounded cheeks and chin; ears are elongated and pierced, and there is small moustache and rippling lock before ear; eyebrows nearly meet over nose; L. strongly arched; hair in curves along forehead, receding at temples; uṣṇīṣa partly lost; all hair black.
Flesh pale buff; flat on face, but with grey shading on arm; contour lines rapidly drawn with broad brush in light red, and emphasized with lines of reddish-brown wherever a true outline is in question or strong outline of feature is required; elsewhere (along sides of nose, line of jaw against neck and of forehead under hair, round ball of chin and for wrinkles in neck) the light red only is used, giving effect of rough shading but producing required effect at a slight distance. Eyes look slightly downwards under eyelid, and are painted like those of ‘angels’ with white on eyeballs, brown on irises, and black for pupils and iris outline; behind head is circular halo of light buff bordered with red.
The disciples are of a strongly Western type, with decidedly hooked noses and fuller and more prominent eyes. Their heads are of a shorter and rounder type, and the method of painting is different from that of the Buddha but akin to that employed in the faces of M. III. 002 and of the ‘angels’ in the dado; the colouring, however, is much stronger and cruder that that of the latter. All heads are shaven and are seen threequarters to L.; fig. on L. in top row carries white cauri in R. hand uplifted behind Buddha, and wears bright green robe lined with white, leaving R. shoulder bare; next wears bright red robe lined with white, covering both shoulders; fig. on L. in lower row, light buff robe with folds indicated in red (R. shoulder broken off); and fig. at other end of row dark red robe covering both shoulders; a hand of the latter appears at edge of fr. from inside of breast of robe, fingers clasping edge; this fig. also has two transverse wrinkles in forehead and heavy double-curved eyebrows meeting over nose; ears are all pierced. The monotony of the heads is diversified by the difference of their gaze, some looking to their R., others straight before them, another more directly towards spectator and up under eyelids.
The flesh itself is painted in clear salmon or flesh pink, shaded with warm grey, and with high pink blush upon each cheek; all outlines are red-brown, and the shaven portions of the flesh are also represented in grey; the lips are vermilion; their treatment and colouring, like that of the eyes, being similar to that of the ‘angels’, M. III. i-v, etc.; cf. also M. III. 008. The white impasto of the eyes is particularly thick, catching real high lights.
The painting is of the same firm bold style as that of the dado, evidencing well-developed methods of producing a finished effect with economy of work. Colouring very fresh and surface well preserved. 3′ three and a half” x 1′ ten and a half” Pl. XLII.

SerindiaVol4PlateXLIIPDFPage100AccNoM-III-003

In de tekst wordt verwezen naar Plate XLII, dit is plaat 42. Dat helpt enorm om vast te stellen dat mijn foto’s en de tekst op hetzelfde object betrekking hebben.


Nederlandse vertaling:

M. III. 003. Onvolledig fresco‑paneel, gevallen vóór de ruimten M. III. iv–v. Aan de linkerzijde bevindt zich de bovenhelft van een Boeddha, driekwart naar links gewend, met de rechterhand opgeheven zoals in de abhaya‑mudrā, maar met de duim naar binnen gebogen zodat deze het tweede kootje van de derde vinger raakt (een “acht” op de hand). Dr. Venis suggereert dat dit de Boeddha kan voorstellen die de “achtvoudige weg” of de acht pāramitā’s uiteenzet. De linkerhand hangt laag, waarschijnlijk bezig de draperie op te nemen.
Achter hem staan zes discipelen, in twee rijen van drie, de ene boven de andere; de discipel die het dichtst bij hem staat in de bovenste rij houdt een jakstaart‑waaier in de opgeheven rechterhand; verder naar rechts verschijnt de ontblote rechterarm van een andere discipel, die een handvol witte knoppen of bloemen grijpt, blijkbaar in het gebaar van werpen.
Als achtergrond achter deze arm verschijnt een deel van een donkere, kegelvormige (?) massa zwart, bedekt met rode en witte bloemen en papaverachtige bladeren in groenachtig grijs; en uiterst links staat een vergelijkbare zwarte massa waarop goed getekende bladeren in grijsblauw zijn verspreid. Beide zijn bedoeld als bomen (vgl. figuren 136–138). De achtergrond elders is vermiljoen, overgaand in licht beige tussen Boeddha en discipelen (verf waarschijnlijk verloren); langs de bovenrand loopt een zwarte band.
De Boeddha draagt een donker purper‑bruine mantel die beide schouders bedekt; deze is met zwart omrand en gevoerd met licht beige, dat zichtbaar is bij de omslag op de linkerschouder. Het hoofd is van westers, licht semitisch type, met een hoog recht voorhoofd en een enigszins gewelfde kruin; grote, goed geopende, recht geplaatste ogen, gedeeltelijk bedekt door de oogleden; een neus met een lichte welving; korte bovenlip; kleine gebogen mond; zacht afgeronde wangen en kin. De oren zijn langgerekt en doorboord, en er is een kleine snor en een golvende haarlok vóór het oor; de wenkbrauwen komen bijna samen boven de neus; de linker wenkbrauw is sterk gebogen. Het haar loopt in bogen langs het voorhoofd en wijkt bij de slapen; de uṣṇīṣa is gedeeltelijk verloren; al het haar is zwart.
De huid is licht beige; vlak op het gezicht, maar met grijze arcering op de arm. De contourlijnen zijn snel getrokken met een brede kwast in lichtrood, en benadrukt met roodbruine lijnen waar een echte omtrek of een sterke gelaatslijn vereist is; elders (langs de zijkanten van de neus, de kaaklijn tegen de hals, het voorhoofd onder het haar, rond de bol van de kin en voor de plooien in de hals) is alleen het lichtrood gebruikt, wat een ruwe schaduwwerking geeft maar op enige afstand het gewenste effect oplevert. De ogen kijken iets naar beneden onder de oogleden en zijn geschilderd zoals die van de “engelen”, met wit op de oogbol, bruin op de iris en zwart voor pupil en irisomtrek. Achter het hoofd bevindt zich een cirkelvormige halo van licht beige met een rode rand.
De discipelen zijn van een uitgesproken westers type, met duidelijk gebogen neuzen en vollere, meer prominente ogen. Hun hoofden zijn korter en ronder van vorm, en de schilderwijze verschilt van die van de Boeddha maar lijkt op die toegepast in de gezichten van M. III. 002 en van de ‘engelen’ in de onderste wandzone; de kleuring is echter veel sterker en grover dan die van laatstgenoemden.
Alle hoofden zijn geschoren en driekwart naar links gewend. De figuur links in de bovenste rij draagt een witte yakstaart-waaier in de opgeheven rechterhand achter de Boeddha, en draagt een helder groene mantel, wit gevoerd, waarbij de rechterschouder bloot is; de volgende draagt een helder rode mantel, wit gevoerd, die beide schouders bedekt. De figuur links in de onderste rij draagt een licht beige‑kleurige mantel met plooien aangegeven in rood (rechterschouder afgebroken); en de figuur aan het andere uiteinde van de rij draagt een donkerrode mantel die beide schouders bedekt. Van deze laatste verschijnt een hand aan de rand van het fragment, vanuit de binnenzijde van de mantel, waarbij de vingers de rand vastgrijpen. Deze figuur heeft ook twee dwarsrimpels in het voorhoofd en zware dubbel gebogen wenkbrauwen die boven de neus samenkomen; alle oren zijn doorboord.
De monotonie van de hoofden wordt doorbroken door verschillen in hun blikrichting: sommigen kijken naar rechts, anderen recht vooruit, weer een ander meer direct naar de toeschouwer en omhoog onder de oogleden.
De huid is geschilderd in helder zalm‑ of vleeskleurig roze, gearceerd met warm grijs, en met een sterke roze blos op elke wang; alle contouren zijn roodbruin, en de geschoren delen van de huid zijn eveneens in grijs weergegeven. De lippen zijn vermiljoen; hun behandeling en kleuring, evenals die van de ogen, lijken op die van de “engelen”, M. III. i–v, enz.; vgl. ook M. III. 008. De witte impasto van de ogen is bijzonder dik, zodat echte lichtreflecties worden gevangen.
De schildering is in dezelfde stevige, gedurfde stijl als die van de onderste wandzone, en toont goed ontwikkelde methoden om met een zekere zuinigheid van arbeid een afgewerkt effect te bereiken. De kleuren zijn zeer fris en het oppervlak is goed bewaard gebleven. Afmetingen: drie voet en drie en een halve inch bij één voet en tien en een halve inch. Afgebeeld op plaat XLII.

SteinAurélMuralFromDadoOfShrineMIIIMiranSerPlateXLI

In de tekst is sprake van ‘Engelen’. Dit is een foto van Stein met een van die engelen die zich onder tegen de muur bevonden. In dezelfde ruimte als de ‘Boeddha met de zes volgelingen’.


Natuurlijk riepen de afbeelding en de teksten een paar vragen op
die hieronder probeer te beantwoorden.

Het verhaal van de zes Śākya‑prinsen

In de boeddhistische traditie vormen de Vinaya‑teksten
de kern van kloosterregels en de verhalen die deze regels verklaren.
Ze maken deel uit van de Tripiṭaka en bevatten naast voorschriften
ook talrijke anekdotes over het vroege kloosterleven,
evenals stambomen en familiegeschiedenissen van personen
rond de Boeddha.

In Centraal‑Azië, waaronder Miran,
was vooral de Mūlasarvāstivāda‑Vinaya de dominante versie.
Deze bevat onder meer het verhaal van zes jonge Śākya‑prinsen
—Bhaddiya, Anuruddha, Ānanda, Bhagu, Kimila en Devadatta—
die als verwanten van de Boeddha gezamenlijk besluiten
zich te laten wijden.
In sommige versies gaat dit vooraf aan een onderlinge discussie
over hun toekomst en plichten,
waardoor het motief van een “gesprek van zes prinsen”
in latere tradities herkenbaar werd.

De zaaltekst van het National Museum in New Delhi suggereert
dat het Miran‑fragment mogelijk naar deze episode verwijst.
Die interpretatie lijkt vooral gebaseerd op het aantal van zes:
achter de Boeddha zijn zes figuren gegroepeerd,
in twee rijen van drie.
Dit sluit oppervlakkig aan bij het canonieke aantal van de zes Śākya‑prinsen.

Bij nadere beschouwing is deze toewijzing echter problematisch.
De zes figuren achter de Boeddha zijn geen aristocratische prinsen,
maar geschoren monniken in eenvoudige gewaden,
zonder sieraden of koninklijke attributen.
Hun uiterlijk, kleding en houding passen volledig
binnen de conventionele iconografie van discipelen
in Centraal‑Aziatische boeddhistische muurschilderingen.
Bovendien bevindt zich rechts van deze groep een zevende figuur,
waarvan alleen een arm zichtbaar is
die witte bloemen of knoppen strooit.
Deze figuur staat duidelijk los van de groep van zes
en vervult een rituele, dienende rol die niet past
binnen het Vinaya‑verhaal van de prinsen.
Ook de compositie als geheel ondersteunt geen narratieve lezing.
De Boeddha is in driekwart profiel weergegeven,
met achter hem een compacte groep discipelen
en een afzonderlijke bloemenstrooier.
Dit schema komt veelvuldig voor in de schilderkunst van Miran,
Khotan en Kucha, waar het fungeert als een devotionele voorstelling
van de Boeddha met zijn volgelingen,
niet als een specifieke historische scène.
Stein zelf geeft dan ook geen enkele narratieve identificatie
en beschrijft uitsluitend wat zichtbaar is.

Hoewel de aanwezigheid van zes figuren in een groep
een associatie met de zes Śākya‑prinsen kan oproepen,
biedt het fresco geen iconografische aanwijzingen
die deze interpretatie ondersteunen.
De combinatie van zes monniken en een afzonderlijke bloemenstrooier
past beter binnen de algemene Centraal‑Aziatische traditie
van Boeddha‑met‑discipelen,
waarbij het aantal volgelingen kan variëren
en niet noodzakelijkerwijs een tekstuele episode weerspiegelt.

SteinAurélMuralMIII003MiranSerPlateXLII

Dit is een foto van Stein van het paneel ‘Boeddha met de zes volgelingen’.


Wie is ‘Dr. Venis’?

In de Mahāyāna‑traditie spelen de pāramitā’s
—de “volmaaktheden” of “deugden” van een bodhisattva—
een centrale rol.
Ze vormen een ideaal van morele en spirituele ontwikkeling
dat in grote delen van Azië, van India tot China, Korea en Japan,
diep in de religieuze cultuur is verankerd.
De pāramitā’s worden in verschillende tradities
in reeksen van zes, acht of tien geordend,
maar de kern blijft gelijk:
het zijn kwaliteiten die een bodhisattva cultiveert
om anderen te helpen en uiteindelijk verlichting te bereiken.

Voor veel boeddhisten in Azië zijn deze deugden geen abstracte filosofie,
maar praktische richtlijnen voor het dagelijks leven.
Vrijgevigheid (dāna), geduld (kṣānti), wijsheid (prajñā) en inzet (vīrya)
worden gezien als concrete manieren om het lijden van anderen te verlichten
en een ethisch leven te leiden.
In kunst en literatuur worden de pāramitā’s vaak geassocieerd
met bodhisattva‑idealen,
maar zelden met specifieke handgebaren van de Boeddha zelf.

Dat maakt de suggestie van Dr. H. H. Venis,
die door Stein in Serindia wordt vermeld, interessant maar ook problematisch.

Venis stelde dat het handgebaar van de Boeddha in het Miran‑fragment
mogelijk zou verwijzen naar de Achtvoudige Weg of naar de acht pāramitā’s.
Stein noteert deze opmerking, maar werkt haar niet verder uit.
Dat is kenmerkend voor zijn werkwijze:
Stein documenteert graag alle interpretaties die hij onderweg hoorde,
ook wanneer ze speculatief zijn.
Hij doet dat uit collegialiteit, uit beleefdheid,
en omdat hij vond dat zelfs losse observaties
deel uitmaken van de kenniscontext rond een object.

Toch is het belangrijk te benadrukken dat er
geen iconografische traditie bestaat waarin
een handgebaar van de Boeddha wordt gebruikt
om naar de acht pāramitā’s te verwijzen.
Evenmin is er een traditie waarin een mudrā
de Achtvoudige Weg symboliseert.
De suggestie van Venis moet daarom worden gezien
als een persoonlijke associatie, niet als een gevestigde interpretatie.

Daar komt bij dat er geen bekende correspondentie bestaat
tussen Stein en Dr. Venis waarin deze interpretatie wordt besproken.
In de archieven van de British Library,
waar Stein’s brieven en veldnotities worden bewaard,
is tot nu toe geen brief gevonden waarin Venis
over dit specifieke object schrijft.
Ook zijn er geen publicaties van Venis bekend
over boeddhistische kunst of iconografie.
Alles wijst erop dat Venis een tijdgenoot‑adviseur was
—een Britse arts in India met antiquarische belangstelling—
die Stein incidenteel van commentaar voorzag
op basis van foto’s of schetsen die Stein tijdens zijn expedities rondstuurde.

Stein vermeldt Venis’ opmerking dus vooral als documentatie
van een tijdgenoot‑observatie, niet als een interpretatie
die hij zelf onderschrijft.
Dat is des te relevanter omdat het Miran‑fragment zelf
geen enkele iconografische aanwijzing bevat
die een verband met de acht pāramitā’s ondersteunt.
De compositie is devotioneel, niet doctrinair;
de discipelen zijn monniken, geen bodhisattva’s;
en het handgebaar past binnen bekende mudrā‑varianten
zonder numerieke symboliek.

De ‘yakstaart‑waaier’

De yakstaart‑waaier (chauri, chowrie) is een ritueel attribuut
dat in grote delen van Azië wordt gebruikt als teken van eerbetoon.
Het object bestaat uit een bundel lang, wit yakhaar
die aan een handvat is bevestigd.
In boeddhistische kunst wordt de waaier vaak gedragen door dienaren
of hemelse begeleiders die de Boeddha omringen.
De functie is deels praktisch
—het wegjagen van insecten—
maar vooral symbolisch:
de waaier markeert de sacrale status van degene
voor wie hij wordt gezwaaid.

In het Miran‑fragment is de waaier bijzonder elegant weergegeven.
De lange haren vormen geen brede pluim, maar lopen opvallend spits toe,
alsof de kunstenaar de beweging van het haar
in de lucht heeft willen vangen.
Die slanke, naar één punt toelopende vorm versterkt
het rituele karakter van het gebaar:
de volgeling heft de waaier niet zomaar op, maar presenteert hem
in een gecontroleerde, bijna ceremoniële houding.
De combinatie van het lichte, bijna glanzende wit van het yakhaar
en de smalle, spits toelopende contour
maakt de waaier tot een subtiel
maar krachtig visueel signaal van devotie binnen de compositie.

Boeddha: westers, licht semitisch type?

Opvallend is het verschil in taal waarmee Stein
de Boeddha en zijn discipelen beschrijft.
Het gelaat van de Boeddha noemt hij een “Western, lightly Semitic type”,
een vroeg‑20e‑eeuwse kunsthistorische term
voor een geïdealiseerd, klassiek geïnspireerd Boeddha‑type
dat hij herkent uit de Grieks‑Boeddhistische traditie van Gandhāra.

De discipelen daarentegen worden door Stein niet individueel beschreven.
Hij gebruikt geen onderscheidende of gedifferentieerde observaties,
maar plaatst hen onder één verzamelcategorie:
“strongly Western type, with decidedly hooked noses
and fuller and more prominent eyes”.
Dit is geen poging om variatie te benoemen,
maar juist een vormbeschrijvende generalisatie
waarin alle gezichten tot één type worden samengevoegd.

Het contrast tussen beide beschrijvingen weerspiegelt
een toen gangbare kunsthistorische benadering:
de Boeddha als ideaaltype dat in een klassieke traditie wordt geplaatst,
de discipelen als uniforme groep die via brede,
typologische termen wordt aangeduid.

Stein’s woordkeuze zegt daarmee meer
over de classificerende categorieën van zijn tijd
dan over de feitelijke diversiteit van de afgebeelde gezichten.

Beide zijn bedoeld als bomen

Als achtergrond achter deze arm verschijnt een deel van een donkere, kegelvormige (?) massa zwart, bedekt met rode en witte bloemen en papaverachtige bladeren in groenachtig grijs; en uiterst links staat een vergelijkbare zwarte massa waarop goed getekende bladeren in grijsblauw zijn verspreid. Beide zijn bedoeld als bomen (vgl. figuren 136–138).

SerindiaFig136Page521DetailTree

Dit is een dergelijke boom die op de foto’s staat waar Stein naar verwijst. Dit is en detail van Fig 136. Je ziet een donkere achtergrondkleur waar een boomstam, takken en bladeren op te herkennen zijn.


Stein noemt de donkere, met bladeren bestrooide vlakken
achter de arm “trees”,
verwijzend naar vergelijkbare voorbeelden in Miran
waar een donkere achtergrondmassa wél duidelijk een boom vormt
met stam en takken.
In het fragment zelf ontbreekt die structuur echter volledig:
er is geen stam, geen vertakking, slechts een verzameling bladeren
die over een donker vlak zijn verspreid.
Het resultaat is eerder een decoratieve vegetatiemassa
dan een herkenbare boom.

Stein’s classificatie weerspiegelt daarmee zijn vergelijkende methode
—hij herkent een motief uit andere schilderingen—
maar sluit niet precies aan bij wat hier visueel te zien is.


Deze prachtige muurschildering roept bijna net zo veel vragen op
als dat het antwoorden geeft.
Maar het mooiste vond ik het verslag van Stein over hoe
de betreffende site gevonden werd.
Het geeft een beeld van de moeilijke omstandigheden waaronder
er gewerkt werd en hoeveel Stein diende te regelen.
Om een gevoel te krijgen bij dat verslag heb ik een aantal citaten
uit zijn verhaal gehaald en die wil ik hier delen.

Daarbij is het misschien goed een idee te hebben
van hoe het verslag van Stein is opgebouwd.
Een eerste aanzet voor een leeshulp:

De boekenreeks Serindia is zo opgebouwd dat per vindplaats
Stein eerst in grote stappen beschrijft hoe ze er kwamen,
wat ze er aantroffen, welke activiteiten er allemaal werden uitgevoerd
en wat belangrijke vondsten waren.
Daarna volgt er een genummerde lijst
met een beschrijving van ieder voorwerp.
De afgelopen weken, en ook in dit bericht, waren die beschrijvingen te zien.
Steeds bij een of meerdere foto’s van het voorwerp waar het over ging.
Maar van de meer algemene inleidingen wil ik vandaag wat citaten delen.

Serindia Vol. 1, page 450

On the morning of December 29, 1906, we left the Lou-lan ruins to regain ground where there still was water and with it life. The journey was to be made in two separate parties. The large band of labourers, whom the constant exertions and privations had severely tried, was to return to Abdal by the route previously followed, together with those camels which showed signs of exhaustion. Rai Ram Singh, the Surveyor, who was still suffering from acute attacks of rheumatism and was thus unfit at the time for fresh surveys such as I should otherwise have liked him to undertake in the desert eastwards, was put in charge of this party.
I myself, taking ten of the fittest camels and a small number of men, set out to the south-west in order to reach the terminal course of the Tarim River across the unknown desert area separating it from the small ruined site of Merked-tim, which Dr. Hedin had visited in 1896 on his journey along the Ilek branch of the Tarim, and which I wished to examine before returning to my tasks at the ruins of Miran.

Serindia Vol. 1, page 455

Next day I marched back to Charkhlik, where a variety of tasks, as described in my personal narrative, and the need of giving my worn-out followers a chance of recovering from fatigues and exposure, urgently called me. These tasks, which included the raising of fresh supplies and transport for the long journey ahead as well as of labour for the excavations at Miran, detained me at the Lop headquarters from the 17th to the 21st of January.
On the morning of January 22 I started back to Miran with diggers and fresh supplies. Late on the following evening I had the great satisfaction of finding myself again by the bank of the Miran stream, now hard frozen, and reunited to my devoted Chinese helpmate, Chiang Ssu-yeh.

Serindia Vol. 1, page 456

SerindiaVol1Fig111Page456PagePDF536

Dit is een foto van de vlakte waarin bij Miran de stupa lag. Deze foto is uit Serindia, deel 1 (fig 111, page 456).


To this I moved out on the morning of January 23 and had our camp pitched under its walls in order to be near our work and to secure what shelter they might give from the icy winds which rarely cease sweeping the bare desert glacis at this season. Then the men, nearly fifty in number, were promptly set to work to continue the systematic clearing of the interior where our first excavation had stopped a month and a half earlier.

Serindia Vol. 1, pp. 492–493

SteinAurélRuinsOfShrinesAndStupasMiii-viMiranSiteSeenFromWest111 01

Dit is de foto van Stein die voor Serindia gebruikt werd. Ik vond hem op een Hongaarse website. Stein, Aurél, Ruins of shrines and stupas M. iii-vi, Miran, site seen from west.


On January 31, while the ‘re-burying’ of the quarters, etc., dug up in the Tibetan fort still kept most of the labourers busy, I started work at the group of small ruined mounds rising above the bare gravel Sai about a mile to the west-north-west of the fort. I had cursorily inspected a cluster of five of them found just east of the raised line marking an ancient canal. I had received the impression that they were much-decayed ruins of Stupas of the usual type.

Serindia Vol. 1, page 496

AurelSteinRuinsOfDesertCathayVol1 1912 Page339-Fig108

Stein had de foto al eens eerder gebruikt. Dit is zijn persoonlijk verhaal over zijn reizen. Aurel Stein, Ruins of desert Cathay, Vol 1, 1912, page 339 (fig 108). Nu staan onder de foto’s letters om aan te geven wat je precies ziet. Bij de letter ‘C’ zien we de stupa waar de muurschildering ontdekt is.


It meant an illuminating discovery, but also the rise of new problems. Among them there was one which had to be faced at once and which was of practical nature. For the fine wall-paintings now about to rise from their grave there was no chance of thorough study and protection but by removal. To effect this and the distant transport in safety was bound to prove a task of very serious technical difficulty. The remains of wall-paintings, whether still in their original position or lying as detached fragments of varying size among the debris, were all executed in tempera on a stucco backing which consisted of nothing but a layer of friable clay mixed with short straw of cut reeds. It showed ominous cracks even where it still adhered to the wall, and it had become very brittle. This was particularly the case with the fallen pieces, though the thickness of the plaster was here often greater. Both the detaching and the handling of these fragile panels of stucco demanded the utmost care, and the method and means for safely dealing with them had still to be improvised.

Serindia Vol. 1, page 499, note 9

In order to protect the brittle pieces of painted plaster from further injury and to render their safe fixing and handling possible, it was necessary to replace the friable clay and straw at the back of the smooth surface layer which bears the tempera pigments by a fresh backing of plaster of Paris. This removal of the coarse original backing was absolutely necessary as a preliminary safeguard. Otherwise the salts with which, like all the clay remains of these ruins, it had become permeated in abundance would have exuded on the coloured surface under the influence of the moisture absorbed from the plaster of Paris that was needed to hold together and strengthen the whole. But without this preparatory measure it would also have been impossible to make the separated surface pieces join accurately or the many serious cracks, etc., close up again. This very delicate operation of first removing the clay backing from the several detached fresco pieces which formed part of the same panel, and then bringing their surface layers into close contact in the correct position, was effected—

Serindia Vol. 1, page 500, note 9

—at the British Museum during the years 1910–1911 by Mr. F. H. Andrews and, under the direction of his artist eye, by my second assistant Mr. J. P. Droop, with extreme care and skill.
It may be useful to record here the exact technical method followed. The painted fragments were placed with their surface downwards on strong panes of plate glass. After the backing of clay and straw had been slowly removed by careful scraping, etc., until only the smooth surface layer of plaster of Paris remained, the several pieces belonging to one panel could be moved into the position requisite for correct junction by the guidance of the image which was reflected on a mirror placed at a suitable distance below the glass pane. Care was taken to use, for all the larger panels, panes of glass bent exactly to the curve which the known diameter of the rotunda indicated for the surfaces originally occupied by them. After the several pieces had thus been reassembled in their correct position, a thin layer of plaster of Paris was spread over the whole as a new backing. This was subsequently strengthened by a wire grating connected with a wooden frame, and finally an outer and thicker layer of plaster of Paris was applied, in which the grating became embedded. After having been treated in this manner the panels could be handled with perfect ease and safety.
It ought to be clearly recorded that the slightest attempt at supplementing missing bits of the original painted surface or at other ‘restoration’ of any sort has been rigorously avoided.

SteinAurélMIIIvMiranUnderGlassInWorkshopOrStoreRoom

Deze foto van Stein illustreert de werkwijze bij het reconstrueren van de fresco’s. Onderop zie je de spiegel met daarboven het gebogen glas. Op het glas worden de stukken fresco samengevoegd en met gips (plaster of Paris) aan elkaar gehecht.


Bewerkte Nederlandse vertaling:

Aan het begin van de ochtend van 29 december 1906 verlieten we de ruïnes van Lou‑lan om opnieuw terrein te bereiken waar nog water — en daarmee leven — te vinden was. De terugtocht moest in twee groepen worden gemaakt. De grote ploeg arbeiders, die zwaar had geleden onder de voortdurende inspanningen en ontberingen, werd samen met de uitgeputte kamelen teruggestuurd naar Abdal langs de eerder gevolgde route. Rai Ram Singh, de landmeter, die nog steeds hevige reumatische aanvallen had en daardoor niet in staat was nieuwe opmetingen in het oosten te verrichten, kreeg de leiding over deze groep.
Zelf vertrok ik met tien van de sterkste kamelen en een kleine ploeg mannen in zuidwestelijke richting, om de eindloop van de Tarim te bereiken door het onbekende woestijngebied dat deze scheidt van de kleine ruïnes van Merked‑tim — een plek die Dr. Hedin in 1896 had bezocht tijdens zijn tocht langs de Ilek‑tak van de Tarim, en die ik wilde onderzoeken voordat ik mijn werk in Miran hervatte.

De volgende dag keerde ik terug naar Charkhlik, waar uiteenlopende taken — zoals ik in mijn persoonlijke verslag beschrijf — en de noodzaak mijn uitgeputte volgelingen tijd te geven om te herstellen van vermoeidheid en blootstelling, mij dringend riepen. Het bijeenbrengen van nieuwe voorraden, transportmiddelen voor de lange reis die nog voor ons lag, en arbeiders voor de opgravingen in Miran hield mij van 17 tot 21 januari in het hoofdkwartier van Lop.
Op de ochtend van 22 januari vertrok ik opnieuw naar Miran, vergezeld door graafwerkers en verse voorraden. Laat op de avond van de volgende dag bereikte ik tot mijn grote voldoening opnieuw de oever van de Miran‑stroom — nu hard bevroren — en werd ik herenigd met mijn toegewijde Chinese helper, Chiang Ssu‑yeh.

Op 23 januari trok ik verder naar het fort en liet ons kamp onder de muren opslaan, dicht bij het werk en enigszins beschut tegen de ijzige winden die in dit seizoen vrijwel onafgebroken over het kale woestijnplateau razen. De bijna vijftig mannen werden onmiddellijk aan het werk gezet om het systematische vrijleggen van het interieur voort te zetten, precies waar onze eerste opgraving anderhalve maand eerder was gestopt.

Op 31 januari, terwijl het ‘herbegraven’ van de vertrekken die in het Tibetaanse fort waren blootgelegd het grootste deel van de arbeiders nog bezighield, begon ik met onderzoek aan een groep kleine, vervallen heuvels die boven de kale grindvlakte uitstaken, ongeveer een mijl ten west‑noordwesten van het fort. Een cluster van vijf ervan, net ten oosten van een verhoogde lijn die een oude kanaalbedding markeerde, had ik eerder vluchtig bekeken. Ze maakten op mij de indruk resten te zijn van sterk verweerde stoepa’s van het gebruikelijke type.

Wanneer Stein in de boeddhistische stupa aan het werk gaat,
ontdekt hij dat de fresco’s
die op de binnenkant van de koepel waren aangebracht,
naar beneden zijn gevallen.
De fresco’s tegen de muren, net boven de vloer, zijn dan nog intact.
Stein vertelt dan:

Het was een verhelderende vondst, maar ook een die nieuwe problemen opriep. De fijne muurschilderingen die nu uit hun graf tevoorschijn kwamen, konden alleen grondig bestudeerd en beschermd worden door ze te verwijderen. Dat, en het veilig vervoeren ervan over grote afstand, zou een technisch uiterst moeilijke onderneming blijken. De schilderingen waren in tempera uitgevoerd op een stuclaag van brokkelige klei vermengd met korte rietstengels. Die laag vertoonde al scheuren waar zij nog aan de muur hechtte, en was bijzonder broos — vooral bij de gevallen fragmenten, die soms zelfs dikker waren. Het losmaken en hanteren van deze kwetsbare panelen vereiste de grootste zorg, en de methode om dit veilig te doen moest nog volledig worden geïmproviseerd.

Om de broze stukken beschilderd stucwerk te beschermen en ze veilig te kunnen fixeren en hanteren, was het noodzakelijk de oorspronkelijke klei‑ en strodrager te verwijderen en te vervangen door een nieuwe laag gips. Zonder deze voorbereidende stap zouden de zouten in de klei — zoals in alle resten van deze ruïnes overvloedig aanwezig — door het vocht van het gips naar het oppervlak zijn getrokken en de schilderingen hebben aangetast. Bovendien zouden de losse fragmenten dan nooit nauwkeurig hebben aangesloten, en zouden de vele scheuren niet opnieuw gesloten kunnen worden. Het uiterst delicate proces van het verwijderen van de kleilaag en het weer samenbrengen van de oppervlaktelagen in de juiste positie werd later, in 1910–1911, in het British Museum uitgevoerd door F. H. Andrews en, onder zijn artistieke leiding, door mijn tweede assistent J. P. Droop, met grote zorg en vaardigheid.

De fragmenten werden met de beschilderde zijde naar beneden op dikke glasplaten gelegd. Nadat de klei‑ en strolaag langzaam was weggekrabd tot alleen de gladde gipslaag overbleef, konden de stukken worden verschoven tot ze precies aansloten, geleid door het spiegelbeeld dat zichtbaar werd in een spiegel onder de glasplaat. Voor de grotere panelen werden glasplaten gebruikt die exact waren gebogen volgens de kromming van de oorspronkelijke koepel. Nadat de fragmenten in de juiste positie waren samengebracht, werd een dunne laag gips aangebracht als nieuwe drager, versterkt met een draadnet en een houten frame, en vervolgens afgewerkt met een dikkere laag gips waarin het net werd ingesloten. Zo behandeld konden de panelen veilig worden gehanteerd.
Het moet nadrukkelijk worden vermeld dat men elke poging tot aanvulling van ontbrekende delen of enige andere vorm van ‘restauratie’ strikt heeft vermeden.


Wachter, Reiziger, Ambtenaar

– over China in een eeuw van verschuivingen –

Meanderen,
ik verlaat het Rietberg Museum nog niet
maar de reeks berichten over vroeg Chinees aardewerk
en daarna over Chinese boeddhistische steles
laat ik achter me.
Voor mijn gevoel was dat als zeilen in een kanaal:
alsmaar rechtdoor.
Een beetje slingerend vervolg ik nu mijn weg.
In de berichten op mijn blog — maar ook
toen ik op dinsdag 9 september 2025 door het museum liep.
Kronkelend tussen de vitrines en opstellingen
in de kelder van het museum.
De geschiedenis van China strekt zich uit over millennia,
en de afstanden in dit uitgestrekte land—door alle tijden heen—zijn enorm..
Ik sla om de bocht en maak met een paar stappen
een ruimte- en tijdreis.
Zo vraag ik de lezer ook om steeds opnieuw
een draai te maken.

DSC05591 01 ZürichMuseumRietbergDvarapalaTemplewachterChinaNördlicheQiDynastie550-577KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh143

Zürich, Museum Rietberg, Dvarapala, templewachter, China, Nördliche Qi-Dynastie, 550 – 577, kalkstein, geschenk Eduard von der Heydt, RCh 143.

DSC05591 02 ZürichMuseumRietbergDvarapalaTemplewachterChinaNördlicheQiDynastie550-577KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh143

Wat mij bij deze Dvarapala uit de Noordelijke Qi‑periode treft,
is de uitgesproken spiermassa:
een lichaam dat niet alleen kracht uitstraalt,
maar bijna anatomisch bewust is gemodelleerd.
Het is een overdrijving die ik herken uit een heel andere traditie
— de manier waarop Hendrick Goltzius in de zestiende eeuw zijn helden opblies
tot gespannen spierbundels, vol torsie en theatrale spanning.

HendrickGoltziusHoratiusCoclesFromTheRomanHeroes1586Ets

Hendrick Goltzius, Horatius Cocles, from the Roman Heroes, 1586, ets.

HendrickGoltziusHoratiusCoclesFromTheRomanHeroes1586EtsDetail

Natuurlijk staan deze werelden los van elkaar,
maar de visuele strategie is verwant:
in beide gevallen wordt het lichaam opgevoerd tot een expressief instrument,
een middel om kracht, dreiging of heroïek te laten resoneren.
Bij Goltzius is het virtuositeit; bij de tempelwachter is het bescherming.
Maar in die gedeelde overdrijving, in dat lichaam dat meer is dan een lichaam,
raken de twee elkaar even.

DSC05593ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203

Dit is een ensemble dat is samengesteld uit drie beelden: Kamel, Pferd und fremdländische stallknecht, China, Region Shaanxi/Henan, Tang Dynastie, 7th century, tonware mit driefarben glazur, MYT 1200 (kameel), MYT 1198 (paard), MYT 1203 (knecht). Dauerleihgabe Meiyintang Stiftung.

DSC05594ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203

Bij dit ensemble van kameel, paard en de buitenlandse stalbedienden
valt me op hoe vanzelfsprekend het publiek ernaartoe wordt getrokken.
Je ziet dit soort groepen vaker samen opgesteld,
alsof musea intuïtief weten dat ze publiekslievelingen zijn.
Het komt door die directe expressie
— de gezichten die bijna karikaturaal lijken, maar toch raak zijn —
en door het glazuur dat in de Tang‑tijd zo’n levendige huid aan de figuren geeft.
De driekleuren glazuur maakt ze tegelijk speels en tastbaar,
en in combinatie met de herkenbare dieren ontstaat er een ensemble
dat onmiddellijk aanspreekt,
zelfs zonder dat je de context van de Zijderoute of de grafcultuur kent.
Het zijn beelden die je bijna vanzelf in hun wereld trekken.

DSC05597ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203


DSC05598ZürichMuseumRietbergBeamterChinaHebeiSuiDynastieLate6thCenturyCESteinzeugMetWeisserUndBraunerGlazurMYT1380b

Beamter, China, Hebei, Sui-Dynastie, late 6th century CE, Steinzeug mit weisser und brauner glazur, MYT 1380 b. Dauerleihgabe Meiyintang Stiftung.

Dit beeldje is vermoedelijk een grafambtenaar uit de Sui‑tijd,
een van die gestileerde figuren die in het hiernamaals
de orde en waardigheid van de bureaucratie moesten vertegenwoordigen.

Maar wat mij hier vooral treft, is het voorwerp waarop hij met beide handen rust:
een lange, donker geglazuurde staf die tot op de grond reikt,
met vlak onder zijn handen een opvallend dwarsblok met twee afgeronde knoppen.
Het is geen schrijftablet, geen zwaard, geen rol
— en juist omdat het zo afwijkt van de gestandaardiseerde Sui‑iconografie
ben ik gaan zoeken naar vergelijkbare voorbeelden.
Online vond ik er geen één.
Dat maakt dit attribuut des te intrigerender:
een zeldzame, misschien werkplaats‑specifieke staf
die de figuur een eigen, bijna raadselachtige autoriteit verleent.

Aan zijn voeten draagt hij twee gesloten, donker geglazuurde laarzen
met een brede, afgeronde neus
— compacte, bijna paddestoelvormige schoenen die typisch zijn voor Sui‑beeldjes
en zijn ceremoniële waardigheid onderstrepen.
Hij staat op een lotusvoet:
een bloemvormige sokkel die in de Sui‑tijd niet alleen heiligen,
maar ook wereldlijke figuren een verheven, bijna serene waardigheid verleent.

Wat mij bij dit beeldje steeds opnieuw treft, is hoe vriendelijk de ambtenaar kijkt.
Zijn gezicht is niet streng of autoritair, maar zacht, bijna glimlachend
— alsof hij eerder iemand is die je geruststelt dan iemand die je commandeert.
De donkere wenkbrauwen, de fijn aangezette snor en baard,
en vooral de lichte buiging van de mondhoeken geven hem
een onverwachte menselijkheid.
Daarboven draagt hij een prachtig, gelaagd hoofddeksel:
strak opgebouwd, met duidelijke randen en een bijna architectonische vorm, een guan.
Een ceremoniële hoofddeksel van burgerlijke ambtenaren.
Het is een teken van rang, maar het wordt gedragen met een soort rustige waardigheid.
Het hoofddeksel verheft hem, maar zijn gezicht haalt hem weer naar beneden,
terug naar een persoon van vlees en bloed.

Afsluiting

In dit bericht komen drie beelden samen die in het museum bijna naast elkaar staan,
maar historisch uit verschillende hoeken van de tijdlijn komen:
de ambtenaar uit de late zesde eeuw,
de gespierde tempelwachter uit de Noordelijke Qi‑periode (550–577),
en het Tang‑ensemble van kameel, paard en stalbediende uit de zevende eeuw.
Het is maar een korte periode, nauwelijks meer dan een eeuw,
maar de dynastieën wisselen elkaar snel af:
Sui, Noordelijke Qi, Tang.
In het museum zie je die overgang niet als een breuk, maar als een zachte verschuiving.
De stijlen verschillen
— de ingetogen ambtenaar, de krachtige wachtersfiguur, de levendige Tang‑dieren —
en toch vormen ze samen een doorlopende stroom van vormen, houdingen en blikken.
Alsof je in één wandeling ziet hoe China zich in die tijd hertekent:
politiek verandert er veel, maar in de kunst blijft een herkenbare gevoeligheid bestaan,
een continuïteit die je pas ziet wanneer je,
al meanderend,
van vitrine naar vitrine beweegt.