De kunst van het reizen

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek02ArtikelBovensteHelft

De Tijd van Zaterdag 29 augustus 1953. Uit de serie ‘Van week tot week’ door Jan Engelman: De kunst van het reizen – Niet veel zaaks in Rome. Een recensie van het boek van Hella S. Haasse: Klein reismozaïek. Italiaanse impressies. Het Wereldvenster, 1953.


Ik heb geprobeerd het artikel in te scannen en het dan
zo leesbaar mogelijk te maken.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kop01
JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kop02

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom01

Zoals eerder neem ik nu ook weer de hele tekst van het artikel op
zodat het goed doorzoekbaar wordt.

De postkoets
Reizen naar het buitenland worden tegenwoordig met groot gemak ondernomen, snel volbracht en met vlotheid ingelijfd bij de herinneringen.
voor de reispenningen maakt men een potje en de reisgenoot is meestal door en door bekend, dus aan die kant zijn er geen moeilijkheden.
Struikrovers komen alleen nog in romantische opera’s voor, al schijnt er enige neiging te zijn tot wederinvoering van het instituut, het paspoort verleent legitimatie en beveiliging in “all the countries of the world”, men heeft zelf alleen te letten op zakkenrollers, lieden die het op uw auto of valies voorzien hebben en de gewone pogingen tot afzetterij, die in Nederland even frequent zijn als in Napels.

Wat let u dus verfrissing , ontwikkeling en verruiming van de blik te zoeken, door de foldertjes der reisbureaux zo ruimschoots beloofd?
Ieder jaar een ander land!
Zó zit men in de Goudsbloemdwarsstraat op het duivenplat in de motregen en twee dagen later bakt men bruin op een strandje van Mallorca.
Honkvast is alleen nog Godfried Bomans, die is van het Spaarne en Brinkmann niet weg te slaan.

Een speciale categorie van reizigers wordt gevormd door de “culturelen”, dat zijn de mensen die in de gaten hebben, dat een cocktail, volgens internationaal recept bereid, in het Victoriahotel in Amsterdam precies eender smaakt als bij Danieli te Venetië of het Waldorf-Astoriahotel te New York.
Zij willen niet, als de Amerikanen, het Prado “doen” in drie kwartier en zij laten zich niet “cooken”.
Zij zoeken zelf, zo goed en zo kwaad als het gaat, en zij hebben het land aan de Baedeker met zijn onaantastbaarheden.
De primus bij deze improviserenden is voor lange tijd Bertus Aafjes, die zijn reis te voet heeft volbracht, nog een weinig

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom02

in de stijl van de middeleeuwers, die naar Sint Jacob van Compostella togen, n’en déplaise (geen aanstoot) de kwaadsprekerij van enig zijner geloofsgenoten, toen hij eenmaal terug was en van zijn ervaringen in dichtmaat verslag had gedaan.

Tot die z.g. culturele reizigers mag men ook grif rekenen Hella S. Haasse, die het vorig jaar met haar man en zijn Renault naar Italië is geweest en daarover causerietjes voor de radio heeft gehouden, die zij thans verenigd heeft in een door “Het Wereldvenster” uitgegeven boekje 1).
Zij is echter niet zo maar een cultureel reizigster, die voor haar genot reist, uit nieuwsgierigheid of “uit verlangen een lang in gedachten gekoesterd beeld te toetsen aan de onberekenbare en daarom altijd boeiende werkelijkheid”, zoals zij het uitdrukt.
Tot deze genotzieken behoorde, als ik me goed herinner, Louis Couperus.
Hoe bestaat het, dat wij zijn stukjes over futiliteiten, in het buitenland gezien en beleefd, nooit meer vergeten.

Hella S. Haasse heeft diepere bedoelingen gehad, voor haar is reizen het “ik”, het “wij” verplaatsen “in vreemde werelden, om tegen een altijd wisselende achtergrond, in onvoorziene omstandigheden, temidden van mensen, dingen en landschappen, die hun eigen-aardigheid niet op de eerste blik prijsgeven, dat “ik”, dat “wij” te zien in nieuwe scherper reliëf…”
Door middel van het a n d e r e wil zij bereiken een reek van confrontaties met het e i g e n e, dat steeds ervaren wordt als de zwaarste, meest omvangrijke, nooit en nergens achter te laten bagage….
Dat is dus niet gering, het doet haast denken aan hetgeen Thomas á Kempis heeft gezegd over het feit, dat men, waar men ook heen tijgt, altijd zichzelf meeneemt.
De schrijfster meent niet volledig te zijn, als zij die “instelling”, zo drukt zij zich uit, niet bekent.
Verwacht wacht echter niet, dat men over die bagage verder wordt ingelicht.
Zij waarschuwt ons: van dat “grottenonderzoek” zal verder geen sprake zijn.

Omdat ik aan dit artikel begon ben ik op internet gaan zoeken
naar genoemd boek en dat heb ik gevonden.

HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-01Band

Hella S. Haasse, Klein reismozaïek. Italiaanse impressies. Het Wereldvenster, 1953. niet de meest spannende boekomslag. Maar wacht even. Hoe zit het er aan de binnenkant uit?


HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-02SchutbladISpreekmeester

Dat is al veel beter. Het schutblad is misschien zelfs wel speciaal voor dit boek gemaakt door I. Spreekmeester. De tekenaar tekent een druk toeristisch en cultureel Italië.


HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-03Titelblad

Dit is het titelblad van mijn exemplaar van Klein reismozaïek.


Maar de rest van het artikel?
Dat volgt hier.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03TekstBoven

Wat er bij het reisje aan diepten is blootgelegd, het wordt ons onthouden.
In de plaats daarvan wil zij ons geven “enkele spiegelbeelden van een werkelijkheid, die ik kon zien, ruiken, betasten, zonder veel dieper door te dringen dan de oppervlakte”.
Inderdaad, dat heeft zij verricht.
Een zekere teleurstelling maakt zich meester van de lezer van haar voorwoordje, na die bekentenis.
Maar waarom eigenlijk?
Hij zou het met dat zien, ruiken en betasten best kunnen stellen, wanneer het maar met de nodige intensiteit was geschied.
De lezer denkt weer aan Couperus en zijn gekeuvel over de rijtuigjes in Rome.
Aan Aafjes op de rommelmarkt.
Maar niets daarvan!
Zij heeft vergeefs gezocht naar het grootste monument van cultuur, waarover de Baedeker de Eeuwige Stad pleegt te houden.

 

“De werkelijkheid is anders.
In die huizenzee op de zeven heuvels, in dat doolhof van straten, pleinen en stegen moet men vaal moeizaam zoeken naar de beroemde gebouwen, gedenktekens en ruïnes, die in onze verbeelding, gevoed door indrukken van lezen en platen kijken, al een eigen imposante gestalte gekregen hadden.
De levende, hedendaagse stad eist alle aandacht op.
Men komt tot de ontdekking, dat het Rome van de Baedeker en van kunstgeschiedenis niet bestaat.
Dat is een fata morgana, een schijnstad die alleen kunstmatig gehandhaafd wordt naast het Rome van 1952.
Nergens in Italië beseft men zo goed als in Rome, dat de antieke Latijnse wereld en ook de in Italië tot rijping gekomen renaissance-wereld even onherroepelijk verdwenen zijn als Atlantis”.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03Foto

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03TekstOnder

Dat lijkt mij een ernstige visie.
Het was tevens vreselijk warm in Rome, overdag tussen 32 en 37 graden en de Renault had grote moeite om tussen al die Lambretta’s en Vespa’s door te komen.
De fonteinen spoten niet, de bekoringen van het lustoord Tivoli bleven verborgen, bij de Villa d’Este was de entreeprijs te hoog.
Neen, het was niet veel gedaan, daar in die wijd vermaarde stad.
En tijd om tot September of October te wachten had men niet.
San Gimigniano moest nog gedaan worden, en Siena en Florence en een stukje van de Italiaanse Riviera, zij het cultureel en met verborgen grottenonderzoek.
Geen wonder dar al die pracht en praal van de barok toen niet meer leven wilde en dat Hella S. Haasse de Sint-Pieter maar een basiliek van pompeuze lelijkheid vond en alles erg profaan.
Zij deed wat volksstammen uit het Noorden hebben gedaan, die gaarne koeien met paarden of noten met perziken vergelijken, zij concludeerde dat de majesteitelijke rust van de kathedraal van Reims toch maar heel wat anders is en liet de koepel van Michelangelo en de getordeerde (=gedraaide) zuilen van Bernini voor wat zij zijn, een soort van verdacht theater, waarvan de “vergulde en bont gekleurde vormen niet meer corresponderen met het bestaansbewustzijn buiten de Bronzen Deuren”.
Ja, wat zal men daaraan doen?
Men beziet, beruikt en betast de dingen met de gretigheid van Couperus en Aafjes of men doet het wat gematigder.
Een feit is echter, dat de reisimpressies van de schrijfster geen flauw idee geven van de ziel en van de schoonheid van Italië, dat zij niet bemerkt heeft dat ook de ruïnes er nog levend en bewoond zijn, dat naast de luxe-badplaats Ostia fantastische opgravingen liggen en dat het onzin is om op de Janiculus te klimmen zonder het goddelijke tempeltje van Bramante op te merken.
Wat zij geeft is een reisverslag zonder kraak of smaak, dat haar doot legers van journalisten zonder pretenties verbeterd zal worden.
Hier en daar onderbreekt zij het om een stukje geschiedkundige compilatie in te lassen, korte levensbeschrijvingen van Bernardo Occhino, Da Vinci of Macchiavelli.
Maar alles geschiedt met een gebrek aan geestdrift en scherpte van blik, dat in geen verhouding staat tot de grootse uitingen van de menselijke geest waaraan zij zich waagt.
Kenmerkend daarvoor is haar schets van “de” Renaissance-mens.

Hella S. Haasse heeft zichzelf een beetje te veel meegenomen, toen zij op reis ging.
Zij had haar “ik” en haar “wij” eens moeten vergeten.
Heus, de Baedeker is een voortreffelijk boek.
Wanneer men gezien heeft wat er in staat, heeft men ongelofelijke schatten genoten, als het tenminste met dat zien, ruiken en betasten in orde is.
En wil men de Baedeker niet, neem dan het oude, mijnentwege verouderde, maar nog altijd voorbeeldige Italiaanse reisboek van Goethe ter hand, waar men lezen kan: “Sinds de dag dat ik Rome betrad, beschouw ik mij als voor de tweede maal geboren: een ware wedergeboorte heeft met mij plaatsgehad!”
Goethe begreep, dat men in een land als Italië op reis zijnde, alvorens een oordeel te kunnen uitspreken, alles bijeen moet zamelen, “uit een onmetelijke, ofschoon buitengewoon rijke hoeveelheid overblijfselen.”
Het is weinig vreemdelingen werkelijk ernst, iets grondig in zich op te nemen en te bestuderen, zo vervolgt hij.
Zij volgen slechts hun grillen en hun eigenwaan.
Misschien was de postkoets toch een cultureler vervoermiddel dan de Renault.

1) Hella S. Haasse: “Klein reismozaïek”, Italiaanse impressies.
Baarn, Het Wereldvenster, 1953.

Zelf heb ik het boek van Haasse nog niet gelezen.
Als we later dit jaar naar Italië op vakantie gaan,
met de nadruk op ‘Als’, dan zal ik het zeker meenemen en lezen.

Hella S. Haasse, Krassen op een rots besproken door Hans Warren

Een tijd terug kocht ik een kleine partij boeken van Hella S. Haasse.
Bij de boeken zat een map met krantenknipsels.
Daarvan probeer ik zo af en toe er een op mijn blog te zetten.

DSC_4184HellaHaasseKrassenOpEenRots

Het gaat hier om een recensie van Hans Warren in zijn beroemde reeks ‘Letterkundige kroniek’ van het boek Krassen op een rots.


LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17AuteurHansWarren
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 01 Intro
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 02 Kolom1
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17Koptekst
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 03 Kolom2
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 04 Kolom3
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 05 Kolom4
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 06 Kolom5

De kolommen van de Provinciale Zeeuwse Courant zijn een beetje ‘digitaal schoongemaakt’. Dit artikel verscheen op 31 oktober 1970 en stond op pagina 17.


DSC_4186HellaHaasseKrassenOpEenRotsSomsIsDeAchterkantVanEenKrantenknipselNetZoInteressantAlsDeVoorkant

De advertenties op de achterkant zijn ook leuk om door te nemen.


Zoal eerder heb ik de hele tekst uitgetypt.
Daardoor wordt de hele tekst doorzoekbaar en kun je er
eenvoudig een citaat uithalen.
Er zullen vast typefouten in staan maar ik heb geprobeerd
de spelling van Warren (bladzijs) in het artikel over te nemen.

Over Hans Warren:

Een belangrijke bijdrage aan het literaire leven in Zeeland leverde Warren met zijn ‘Letterkundige Kroniek’.
Vanaf 11 oktober 1951 was hij als criticus verbonden aan de Provinciale Zeeuwse Courant.
Voor zijn kritische arbeid ontving hij in 1970 de Pierre Bayleprijs.
Warren schreef vijftig jaar lang de Letterkundige Kroniek.
Ter gelegenheid daarvan werd het boek de Oost uitgegeven.
Twee dagen na zijn overlijden verscheen de wekelijkse bijdrage voor het laatst in de PZC.

Hella Haasse: ‘Krassen op een rots’

letterkundige kroniek door hans warren

HELLA HAASSE werd in 1918 te Batavia geboren, en ze kwam in 1939 naar Nederland.
Haar hele jeugd ligt dus in Indië, op Java, in een zeer interessant tijdsgewricht, waarvan ze overigens en uiteraard niet zo veel heeft gemerkt.
De overgang van tempo dulu, zoiets als de goeie ouwe tijd, naar de moderne tijd van bewustwording en zelfstandigheid.
Hella Haase leefde in een vrij beschermd en volkomen Europees milieu, haar ouders waren “import”-Nederlanders, zij heeft geen druppel Indisch bloed in de aderen.
Zo lang zij op Java woonde heeft zij, volkomen natuurlijk, heel haar omgeving als vanzelfsprekend aanvaard.

Zij heeft; als kind en als jong meisje, wel dingen opgeschreven, bijvoorbeeld in een dagboek, maar die notities missen ‘coleur locale’.
Zelf zegt zij hierover: ‘In het dagboek, dat ik als dertien-veertienjarige bijhield, vind ik louter verslagen en beschrijvingen van het leven op school, gesprekken en avonturen met vrienden en vriendinnen, van uitstapjes en vakantietochten, kortom van alledaags gebeuren, waarin exotische elementen volstrekt ontbreken, om de eenvoudige reden, dat ik die vanzelfsprekend en dus niet het vermelden waard vond.’
En dan laat zij een paar van die dagboeknotities uit 1932 volgen (waarschijnlijk wat bijgeschaafd, want ze hebben niets leuks-kinderlijks meer).
Vervolgens schrijft ze: ‘Pas toen ik allang in Nederland was, vijftien, twintig jaar later, zou ik de behoefte voelen woorden te zoeken voor de geuren, kleuren en geluiden van de werkelijkheid van mijn jeugd op Java’.
Waarna vele citaten volgen uit ‘Oeroeg’ (haar prozadebuut en mogelijk haar mooiste boekje), ‘Zelfportret al legkaart’ en andere geschriften van haar hand.
Inderdaad, hoewel Hella Haasse, als we rubriceren moeten, in het vak ‘historische romans’ terecht komt en niet bij de ‘Indische belletrie’ is toch menig werk van haar gestempeld door die Indische jeugd.
Hoe kan het anders, zou men denken, en toch.

Wie ongeveer van Hella Haasses generatie is, of iets jonger, en zeker wie ouder is, zou best heimwee naar Indië hebben ook al is hij er nooit geweest.
Herinner u hoe we alles moesten kennen: de blinde kaart van Java met alle steden, vulkanen en rivieren, de eilandengroepen, reeksen exotische prachtige namen die deden dromen.
Later de foto’s, lichtbeelden, films; gamelan- en dansvoorstellingen, het Tropenmuseum, cadeautjes over en weer van familieleden en vrienden daarginds.
Boeken, van en over Indië – kortom, er was een band heel sterk en heel innig, ook al was je er niet geweest, had je er niet rechtstreeks mee te maken.
Je benijdde degenen die land en volk uit eigen aanschouwing kenden: ze waren in het paradijs geweest.
Nogmaals: het was een soort heimwee naar iets vertrouwds dat je toch vreemd was.
Toen kwam de breuk.
Wat moest dit betekenen voor wie hier zijn jeugd had liggen, als Hella Haasse.
Wordt je dan niet verteerd van verlangen naar een weerzien met dat verloren paradijs, al is het dan als toerist, wat vernederend als toekijker, als vreemdeling?

Zoveel hoofden, zoveel zinnen.
We spraken er over met een vriend, die als Hella Haasse, zijn hele jeugd op Java heeft doorgebracht, en die pas na de Japanse nederlaag naar Nederland is gekomen.
Omstandigheden verder vergelijkbaar: volbloed europeaan, beschermd milieu, kunstenaar.
Hij zou onder geen enkele voorwaarde nog eens een reis naar zijn geboorteland willen maken, kan er letterlijk niets mee beginnen.

Hella Haasse is, toen ze de gelegenheid kreeg, wel als toeriste teruggegaan, ze heeft in de zomer van 1969, met haar man een reis over Java en naar Bali gemaakt.
Na dertig jaar.
Maar ze kon er, kennelijk, ook niet erg veel mee beginnen.
We weten niet of ze schrijf-verplichtingen had aangegaan vóór ze die reis ondernam, maar in elk geval moet het een boek worden, en daar zitten we nu mee.
‘Krassen op een rots’.
Het is een allegaartje van journalistieke notities, herinneringen, citaten uit vroeger werk en uit oude dagboeken, bijzonder wijdlopige en vaak zeurderige cultuurhistorische beschouwingen, gelardeerd met de tekst van een lezing en met twee – voortreffelijke, dat moet gezegd worden – oude, niet eerder gepubliceerde novellen van haar hand en met andere fremdkörper, als gedichten van W. S. Rendra, in Maleis en vertaling van Hella Haasse.
Uiteraard zijn er in een boek van tweehonderd bladzij’s enkele pagina’s met aardige of treffende opmerkingen te vinden, maar als geheel krijgt men toch de indruk: Hella Haasse is naar Indië teruggeweest en moest er, hoe dan ook, een boek van maken.
Hoe teleurstellend.
We gaan met haar naar het Diëng-plateau, en denken een goede gids te hebben.
Onderweg een journalistiek verslag, geïllustreerd met niet helemaal bijpassende kleurenfoto’s van Tibet uit de “National Geographic”.
En als we er zijn ‘Er groeit onkruid in de lege nissen, er hangt een stank van urine’. (…) ‘Dit is het hart van het antieke sacrale Java’.
Humor, spot zelfs kent Hella Haasse niet, of nauwelijks.
Alles is bij haar op een damesachtige manier ernstig.
Anders lag hier nog een kans.
Een enkele keer krijgt haar pen vaart, zoals bij de beschrijving van een Balinese tempeldans, weliswaar opgevoerd voor toeristen in technicolor: ‘De prins, gedanst door een kind van een jaar of tien, twaalf, een klein tenger hoekig figuurtje in goud en brokaat, met een gespannen nobel maskertje onder zijn glinsterende hoofdtooi; de hemelnimfen en hun minnaars, in groen en violet, met vergulde waaiers en vonkenspattende trilbloemen in hun haren; en bovenal de Gendarwa’s, demonen, kwelgeesten, wezens op de grens tussen mens en insekt of vogel, potsierlijk schrijdend met spitse vingers en rollende ogen, spiegelgevechten uitvoerend in een warreling van bontgekleurde slippen, franjes en siersprieten – zij allen bleven wenden en keren op het platform tegen een achtergrond van tempelpoort en nachtelijk loof, bewegende juwelen onder de zwartblauwe hemel waarin de melkweg en glinsterend spoor trok'(pag.178).
Van haar cultuurfilosofische digressies zijn voornamelijk die welke handelen over het in wezen nog zo archaïsche bestaan van de Javanen heel interessant.
‘Enerzijds is de Javaanse mens kwetsbaar en overgevoelig, aan de andere kant bezit hij een verbazingwekkend uithoudingsvermogen.
Onuitputtelijk plezier beleeft hij aan zo maar kijken en luisteren naar wat er gebeurt; hij kan zich echter ook innerlijk volkomen afsluiten.
Het besef opgenomen te zijn in een gemeenschap, ergens helemaal bij te horen, houdt hem in leven; is die saamhorigheid verbroken, de harmonie met de omgeving aangetast, dan lijdt hij, sterft hij.
Het is dit mee-ademen, mee-bewegen in een grote collectieve stroom van nog ten dele onbewust, met de natuur verbonden leven, dit inderdaad van uit de moderne beschaving bekeken archaïsche bestaan, dat door Indonesische intellectuelen van nu wordt beschouwd als het struikelblok bij uitstek voor de vooruitgang van hun land, al geven zij tevens in een adem toe, dat er grote, elementaire kracht van uitgaat.
Er is, zeggen zij, geen gezonde hedendaagse economie, geen moderne staat, op te bouwen met mensen die van de ene op de andere dag in de andere, van de hand in de tand leven; die zich het meest ‘senang’, lekker voelen, als alles maar zo’n beetje zijn gewone gang gaat, ook al betekent dat vaak ongemak en ontbering; die eerder het gevoel hebben dat zij lijden door het ongewone, en door veranderingen die inspanning vergen, dan door een minimumbestaan. om de eenvoudige reden dat zij in de meest letterlijke zin van het woord genoegen nemen met zeer weinig, met bijna niets, als een en ander zich maar voltrekt in een vertrouwd, dat wil zeggen voor hen harmonisch kader; die als zij ziek zijn, of pijn of tegenslag hebben, zich – indien alle burenhulp en magie falen – liever terugtrekken om volgens onverbiddelijke natuurwetten dood of ten onder te gaan, dan dat zijzorg of hulp van een onpersoonlijke overheid eisen of verwachten; ja; die zich van het gemis aan dergelijke middelen en mogelijkheden niet eens voldoende rekenschap geven’.

Men merkt overigens zelfs reeds in dit citaat, hoe juist de opmerkingen ook mogen zijn, dat de schrijfster zich weldra in wijdlopigheid verliest en gaat irriteren.
Leuk zijn soms enkele simpel vertelde voorvallen, zoals de ontmoeting met de zelfbewuste dessavrouw in de bus (pag 125), maar dat zijn uitzonderingen, meestal moet men ploegen door deze teksten.

Voortreffelijk zijn daarentegen, zoals gezegd, de twee novellen.
De mooiste is ‘De Lidah Buaja’ (Krokodillentong), die uit 1948, een delicaat, ragfijn verhaal over een Japans echtpaar, als spionnen naar Batavia uitgezonden voor de tweede wereldoorlog.
Het is geheimzinnig, geraffineerd, werkelijk een meesterlijk neergezet in nog geen twintig bladzijs.
Het andere verhaal is uit 1954, het heet ‘Een perkara (Het verhaal van Egbert’, een zeer Indische familiegeschiedenis, iets brokkelig, maar toch wel erg goed verteld.

Al met al is ‘Krassen op een rots’ toch wel een erg hybridisch en teleurstellend boek geworden. Een ‘mengelmoes van teksten’, zoals de schrijfster het zelf noemt, waaruit helaas niet veel méér overkomt dan een indruk van verwarring en breedsprakigheid.

Hella S. Haase: Krassen op een rots, notities bij een reis op Java, Querido, Amsterdam.

HelleSHaasseKrassenOpEenRotsNotitiesBijEenReisOpJaveDerdeDruk1972

Dit is mijn exemplaar van het boek ‘Krassen op een rots’. Dit is een derde druk uit 1972.


Zelfportret als legkaart

HellaSHaasseZelfportretAlsLegkaartKrantOnbekendSchrijverRBoekZelfportretAlsLegkaart1954Fase1 (2)

Schrijver van dit krantenartikel is bij mij onbekend. Ik zie alleen de initiaal “R”, Ook de datum en de krant/tijdschrift van publicatie is bij mij onbekend. Al kunnen we van de datum zeggen dat het boek waarover het artikel gaat, in 1954 is gepubliceerd. Hella S. Haasse: Zelfportret als legkaart.


Hella S. Haasse:
Zelfportret als legkaart

Hella S. Haasse is in Indië geboren, gedeeltelijk daar en gedeeltelijk in Nederland – maar hier zonder ouders – opgevoed.
Zij beschrijft nu van die jaren – afgewisseld met beschouwingen en overdenkingen – een aantal feiten, die zij zich herinnerde toen ze er over na ging denken.
Het zijn uiterlijke feiten, die een innerlijke en blijvende klank hadden, maar die is zij zich dikwijls pas later, misschien zelfs pas duidelijk bij het schrijven van haar “Zelfportret als legkaart” 1), bewust geworden.
Zoals zij zich waarschijnlijk pas nu bewust is, dat zij door die omstandigheden is gegroeid tot een vroegtijdige zelfstandigheid, die tevens eenzaamheid was.
Soms, bij periodes, heeft zij zich uit die eenzaamheid proberen te bevrijden door nadrukkelijk aansluiting bij en erkenning door een groep te zoeken (door kwajongensstreken, die eigenlijk niet bij haar aard pasten) en ook door op te gaan in dromerijen en fantasieën.
Uit die ontwikkelingsgeschiedenis probeert zij na te gaan, wie zij eigenlijk geworden is.
Een zelfstandig denkende en nuchter oordelende vrouw, concludeert de lezer, tot op zekere hoogte nog eenzaam, waaruit haar drang tot schrijven zich ook zou laten verklaren.
Het schrijven, het bedenken van verhalen lokt haar op het ogenblik niet aan, sinds zij “door het rookgordijn van de eigen verzinsels” heen heeft gezien en er uitingen van het eigen “ik”, hij het schrijven nog onbewust, in herkend: haar eigen onzekerheid tegenover het leven, die zich het veiligst voelt in de “ivoren toren” in de figuur van Charles d’Orleans in Het woud der Verwachting, en dezelfde onzekerheid, maar duidelijker geformuleerd in het “wie ben ik, wat ben ik” van Giovanni Borgia in de Scharlaken Stad.

In haar zelfportret probeert Hella Haasse bewuster dan in haar romans haar problemen te onderscheiden.
In eerste visie lijken zij hierop neer te komen: Dat het alledaagse bestaan haar niet voldoet en dat haar geestelijke activiteit daar naast lijkt te staan en haar voorkomt als een vlucht uit de realiteit.
Bij nader inzien blijkt de tweespalt dieper te gaan: haar ontgaat de zin van haar leven, voor zover zij er slechts de waarneembare realiteit, de innerlijke zowel als de uiterlijke, van kan waarnemen.
Dat waarnemen is al zo moeilijk, omdat de grens tussen schijn en werkelijkheid, russen wat men zou wensen te zijn en wat men feitelijk is, nauwelijks is te ontdekken.
Wat zij tot dusverre geschreven heeft, beseft zij, is uit die tweespalt tussen schijn en werkelijkheid ontstaan, een bijna onbewuste poging tot bewustwording.
Zij vermoedt, dat zij de echte realiteit boven de waarneembare werkelijkheid, de derde dimensie, zal kunnen achterhalen, als zij zich de zin van de herhalingen in haar leven bewust wordt: telkens immers, ziet zij zich in situaties geplaatst, die s(t)eeds weer dezelfde keuze vragen.
In feite is die derde realiteit, waarin het evenwicht bereikt wordt, voor de mens onzichtbaar.
Hij heeft een geloof nodig, om het te bereiken, zij het een geloof “zonder God”.
Waarom zonder God?
Omdat de religie, de filosofie en het politiek systeem tegenover de onzekerheden van de eigen tijd geen toereikend passe-partout zijn.
Dat is juist: pasklare oplossingen vindt men nergens ook niet in het geloof, alhoewel dat een stevig houvast blijkt.
Maar laten we daar niet op doorgaan en constateren, dat het Zelfportret een eerlijk en boeiend boek is, dat ook voor wie de schrijfster in vele opvattingen niet kan volgen toch verhelderend blijkt.
R.

1) Uitg. De Bezige Bij.

Wat zou Hella Haasse van deze schilderijen gevonden hebben?

WP_20180728_12_05_07_ProGerardDavidWoordedLandscapeBoslandschapC1510-1515

Mauritshuis. Gerard David, Wooded landscape (Boslandschap), circa 1510 – 1515.


De set schilderijen zijn super modern.
De geheimzinnige uitstraling, en dan, al is het geen labyrint,
het ziet er uit alsof je er in zou kunnen verdwalen.
Mysterieus.
Wat is het verhaal bij die mensen?
Waarom dat gebouw.
Die prachtige kleuren groen van de bladeren.
Het decor van een roman van Hella S. Haasse.

De aantrekkingskracht van het labyrint

In de AO-reeks, een serie kleine boekjes waarin grote onderwerpen,
kort maar krachtig worden toegelicht, verscheen op 7-9-1984
een deel over de winnares van de P.C. Hooftprijs:
Hella Haasse.

AO-ReeksDeAantrekkingskrachtVanHetLabyrint7-9-1984Nr2030

De aantrekkingskracht van het labyrint – P.C. Hooftprijs voor Hella S. Haasse.


Het boekje geeft een korte biografische schets van Haasse en
bespreekt vervolgens een aantal van de boeken die tot op dat
moment (1984) van haar hand verschenen waren.
In leuke introductie.

Centraal staat de analyse van Hanneke van Buuren die drie fases
onderkent in het oeuvre van Haasse:
1. de confrontatie met het andere ligt ten grondslag aan ieder begin
van ik-bewustzijn;
Boeken als Oeroeg, Het Woud der Verwachting, De Verborgen Bron en
De scharlaken stad.
2. een in zelfbewustzijn groeiend ik – herkent zich als onderdeel van een
groter web van personen, relaties en gebeurtenissen – in een samenstel
van werkelijkheden waarin de ene weer achter een andere ligt, en de ene
naar de andere verwijst;
Boeken als De ingewijden, Cider voor arme mensen, De meermin.
3. krimpend bewustzijn.
Boeken als Huurders en onderhuurders

De typografie van het boekje in ronduit slecht.
Je kunt twisten over de voorkant, of de lettertypes die
daarvoor gekozen zijn, bij elkaar passen enz.
Maar de tekst in het boekje is soms moeilijk te volgen
omdat niet duidelijk is wat nu precies bij wat hoort.
De overgang van redactionele tekst naar boekcitaat en omgekeerd
is vaak onduidelijk.

Vandaag gekocht op de markt

De boekenmarkt wel te verstaan.
Ik ging tussen de middag even naar de bakker.
Ik kon de verleiding niet weerstaan om even te gaan kijken
in de bak Nederlandse literatuur.
Okay, de staat van de boeken is niet 100% maar
daarom ga ik er niet minder van genieten.

WP_20180718_19_05_40_ProJohanDiepstratenHellaSHaasseEenInterviewBZZTOH1984BibliografieCharlotteDeCloetBibliografieSecundairAloysVanDenBerk

Johan Diepstraten, Hella S. Haasse – Een interview. Uitgeverij BZZTÔH in 1984. In het boek is een bibliografie opgenomen samengesteld door Charlotte de Cloet; en een bibliografie van secundaire literatuur over Hella Haasse door Aloys van den Berk.

Deze publicatie verscheen ter gelegenheid van de uitreiking van de P.C. Hooftprijs 1983 aan de schrijfster Hella S. Haasse.


WP_20180718_19_06_33_ProHellaSHaasseMevrouwBentinckOfOnverenigbaarheidVanKarakterEenWareGeschiedenisQueridoZesdeDruk1982

Hella S. Haasse, Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter – Een ware geschiedenis. Uitgeverij Querido, zesde druk, 1982.


We praten – hoe kan het anders als twee Nederlanders praten – over het Huwelijk van de kroonprinses.

Ik koos bewust deze wat oubollige zin uit het interview
van Friso Endt met Hella Haasse.
Als het kan, dan wil ik naast de afbeeldingen van het krantenartikel
ook de letterlijke tekst opnemen op mijn blog.
Dat maakt de tekst doorzoekbaar.
Het interview heeft een paar momenten die naar de jaren ’50 en ’60 wijzen.
Maar als je die buiten beschouwing laat is het een interessant
verhaal over het leven van de schrijfster, haar schrijfmethode
en haar werk.

ProfielVaneenVrouwFrisoEndtFotoVanHellaSHaasseDoorAnneliesScholtzBewerkt

Dit is door mij bewerkte foto van Hella Haasse zoals die bij het artikel werd afgedrukt. Foto van Hella S. Haasse door Annelies Scholtz.


De interviewer gebruikt soms de treinreis als metafoor voor het interview.

Een fragment valt erg op in het interview. Het grootste deel
van het interview lijkt letterlijk het vraaggesprek te volgen:
vraag – antwoord – inleiding – vraag – antwoord.
Maar dan ineens:

‘Het is het enige authentieke ongecensureerde stuk geweest, eenvoudig omdat er met deze vrouw niet te marchanderen valt. En omdat deze vrouw nooit over een grens zal gaan, waar het begrippen als menselijk als fatsoen betreft.’

Door de structuur van het interview, werd ik helemaal gek bij het typen –
met twee vingers, niet mijn sterkste kant – van de interpunctie.
Ook de spellingscontrole in Word wist geen raad met alle é-s, “-tekens, enz.

Gelukkig gebruikt Haasse met enige regelmaat de constructie ‘je je’.
Zoals in:

Tegen zulke ideeën moet je je voortdurend teweer stellen.

Daar betrap ik mezelf ook weleens op.

Wat ik mooi vind is dat Haasse spreekt over ‘de schrijver’ en ‘hem’.
Ik snap dat ze met de schrijver niet zichzelf bedoelt, maar ik weet niet
of ik in een interview dat zo gescheiden zou houden in mijn taalgebruik.

Ergens zegt Hella Haasse in het interview: “Ik heb er Friedtländers Weltgeschichte voor gelezen.”
Het internet helpt me niet te achterhalen wie met Friedtländer wordt bedoeld
en welk boek die ‘Weltgeschichte ‘ precies is.
Als iemand een idee heeft?

‘Profiel van een vrouw’ lijkt me een serie interviews.
Annie M.G. Schmidt is volgens onderstaande tekst een van de geïnterviewden.
Over deze serie vond ik niets op het internet.

Grappig is de ondertekening met ‘Endt’. Misschien zoek ik er te veel achter
maar dit zit wel heel dicht tegen ‘Einde’ of ‘The End’.

======================================

Friso Endt – Profiel van een vrouw – Hella Haasse

“Wat is haar voorhoofd toch hoog,”denk ik.
We zitten in de trein, Hella Haasse, de schrijfster, en ik.
Het is een trein die naar het zuiden snelt, naar Brussel, waar zij die middag op een soort boekenbeurs gaat staan en waar zij die avond een lezing moet houden.
Later, als ik al weer in een trein terug zit, kan ik het allemaal lezen in haar autobiografische “Zelfportret als legkaart”: “Het lezingen-houden: evenzovele ontdekkingstochten.
Ten eerste geeft reizen mij de sensatie van vooruitgaan, van afstand, ruimte veroveren, een gewaarwording, die mijn diepste verlangen bevredigt.
Het in aanraking komen met andere mensen, andere werelden, schijnt mij in hoge mate een bijdrage tot die uitbreiding van de werkelijkheid waarin ik geloof als in het oefenmateriaal tot inzicht”. (pag. 73).
En ook (op pag. 65): “Bezeten te zijn van een nooit eindigende verwondering om alles zoals het reilt en zeilt, van nieuwsgierigheid naar het wezen van de mensen, naar de achtergrond van hun denken, de motieven van hun daden.
Het waarnemen is mij een even grote drift als het verlangen om weer te geven.”
Het is in de dagen na dit gesprek-in-de-trein dat ik, telkens weer grijpend links en rechts in haar boeken, gedachten en zinnen terugvind die zij in dit interview heeft uitgesproken.
Alleen weet ik dan weer een klein stukje meer.
En denk: “Hoe kan het allemaal opgestapeld zijn achter dat voorhoofd?”
We hebben eerst bij haar thuis gepraat.
Ze heeft gezegd: “Ik schrijf één hoogstens twee pagina’s per dag. Soms zit ik een hele dag op zo’n stukje.”
Ze duidt de afstand tussen duim en wijsvinger van één hand.
Ze zegt ook: “Ik zal even water opzetten voor thee. Over een uur moet je weg, want dan moet ik koken voor mijn oudste dochter. Ze moet ergens heen vanavond.”
In die twee opmerkingen ligt een deel van haar leven.
Namelijk dat werk, dat schrijven én het gezin.
Hella Haasse heeft een man – rechter bij de rechtbank te Den Haag – en twee dochters Ellen (18) en Marijn (15).
Bij het eerste gesprek zijn ze de een na de ander een ogenblik binnengekomen.
Met de gewone opmerkingen: “Wat zit er in dat trommeltje?” “Koekje?” “Ja, graag.”
En: “Heb je een paar kousen voor me?” “Die?” “Nee, die niet.”
In de trein zegt ze: “Ze vinden soms dat ik ze verwaarloos. Ik ben er voor mezelf van overtuigd dat het niet waar is. Ze hebben óók recht op een basis in hun leven, hun thuis.
Ik moet mezelf daarbij dan maar aanpassen, vind ik. Ik moet dat maar fiksen.”
Dit als antwoord op een opmerking van “heeft het gezin er last van , van het schrijven?”, omdat ze thuis gezegd heeft: “Ik ben niet altijd met mijn gedachten bij hen, dat is waar.
Ik doe zoveel mogelijk voor ze. ik praat met ze als ze dat willen. Ik kook. Natuurlijk.
Maar ze merken het dat ik er niet altijd bij ben. Het is een combinatie…”
En dat kwam dan weer voort uit de mededeling: “ik krijg een totaalbeeld van de wereld,
waar ik over schrijf in een roman. Het wordt een werkelijkheid voor me,
waar ik mee leef, voortdurend mee leef tot ik ze allemaal goed ken, de personen.
Op een gegeven ogenblik weet ik alles van ze af, waarom ze zo zijn, wat ze zijn.
Dan kun je ook een dwarsdoorsnee maken. Dan héb ik ze volledig. Ik weet alles van ze.”
Dat laatste zei ze verscheidene malen: “Ik weet écht alles van ze. Dan kun je in segmenten gaan snijden.
Want het is een werkelijkheid waar je voortdurend mee leeft.”
Daaroverheen, als een bijna achteloze mededeling: “Ik ben soms met méér dan één boek, één roman bezig.”
Het klinkt eenvoudig.

ALLES IN EEN HOOFD

Hella Haasse, opgevoed in het oude Indië, waar haar vader een hoog ambtenaar was, een paar jaar bij grootouders gewoond, toen haar moeder ernstig ziek was geworden, later opnieuw naar Indië en tenslotte in 1938 definitief naar Nederland om eerst Scandinavische talen te gaan studeren en te eindigen op de toneelschool.
Deze Hella Haasse is in ’39 al ontdekt door de Amsterdamse journaliste Wim Hora Adema, die ook Annie Schmidt heeft “gevonden”.
“Wim,” zei Hella Haasse, “heeft in 1939 een paar gedichten van me gelezen en aan Eddy Hoornik gegeven.
Hij plaatste ze toen in het blad “Werk”; na de oorlog zijn ze in de bundel “Stroomversnelling” verschenen.
Ik schreef toen gedichten om ze kwijt te moeten.
Wim Hora Adema kan iemand vinden en ontdekken.
Ik heb juist voor iemand in verband met een congres in Teheran een paar voorbeelden moeten geven van Nederlandse vrouwen die bijzondere dingen doen.
Ik heb Wim genoemd. Het aantrekken van goede mensen en goede talenten. Niemand die het zo kan en doet als zij.”
“Dicht je nog?”
“Het is iets wat ik eigenlijk helemaal niet kan.
Tussen verzen een beredenering zo verwerken en uitkienen dat het er in die regels uit komt.
Die gave heb ik helemaal niet.
Ik moet het in een groot geheel kunnen uitwerken.
Ik kan het niet zo in een paar regels.
Dat krijg ik niet gedaan.”
Al in de oorlog is het proza schrijven begonnen.
Woud der Verwachting, het boek over Charles D’ Orleans en François Villon op Blois.
Het is ook de enige echte historische roman geworden.
Ik heb later de historie alleen als voorwendsel, als instrument gebruikt voor wat ik te zeggen had.”
Bij het woord “voorwendsel” glimlacht ze een beetje ondeugend, verontschuldigend, met wijd open ogen en een wat nerveuze trek om de mond.
Vooral nerveus als ze woorden tracht te formuleren tot de zinnen die precies moeten weergeven wat ze op een bepaald moment bedoelt.
Ook heel eerlijk: “In interviews vraagt iedereen altijd iets van jezelf. Dan zeg je een aantal feiten en feiten.
De werkelijkheid kun je toch niet vertellen. Die publiciteit is er nou eenmaal.”
“Zou je dan liever anoniem blijven? Onder pseudoniem schrijven?”
Met de theepot in de hand, tuit boven het kopje, blijft ze even staan denken; zegt: “Oh, ja!”
Met grote gretigheid.
Weinig mensen kunnen zo graag “ja” zeggen (als ze het menen) als deze vrouw.
“Ja!” Dan na enig nadenken: “Maar dat gaat ook weer niet. Ze zouden het herkennen.
Of – nog steeds hardop denkend – of je zou nieuwe vormen moeten gaan vinden om onherkenbaar te zijn.
En dan zou je jezelf weer geweld aan doen. Het kan dus niet.”
Ze heeft in totaal 11 boeken geschreven.
Daarvan zijn er drie historische romans.
“Tegen Bibeb heb je in ’63 eens gezegd dat er “hier” – in je voorhoofd – een machientje zit dat bij het werk door beredenering afstand schept van emoties. Hoe werkt dat?”
Ze lacht: “Dat machientje? Dat is er om afstand te scheppen. En daardoor mensen te leren kennen. Daarom schrijf ik ook graag een roman. Het heeft te maken met communicatie.
Dat is ook met die historie het geval. Het geeft de gelegenheid, het voorwendsel – de lach wordt weer verontschuldigend – om tot werkelijkheid te geraken. Ik ben er altijd mee bezig.
Daar is iets bij wat ik eerder ben begonnen en weer had weggelegd. Ik wist er niet genoeg van. Ik kende de mensen nog niet genoeg.”
“En alles in één hoofd, jouw hoofd?”
Ze lacht nu van begrijp-je-dat-niet? “Ja natuurlijk in mijn hoofd. Daarom schrijf ik ook graag historische romans. Er is een hoop niet bekend. Dat kun je dan gaan invullen.
Dat is ook het geval geweest met het laatste boek “Nieuw Testament”.

HellaSHaasseEenNieuwerTestamentDertiendeDruk2012

Argusvlinder: ik denk dat in de tekst hierboven het boek “Een Nieuwer Testament” wordt bedoeld. Dat boek had zijn eerste druk in 1966. De foto is van de dertiende druk uit 2012.

Ik las over die laatste periode van de Romeinse Keizers.
De invallen der Barbaren, de Goten. De overeenkomsten van de laatste keizers met de Goten, een soort monsterverbonden.
Ik heb er Friedtländers Weltgeschichte voor gelezen.
Toen stuitte ik op de naam van de dichter Claudius Claudianus.
Er waren een paar hele mooie verzen met beelden die me aanspraken.
Ze wisten maar tien jaar van ‘m.
Dat is dan natuurlijk “gefundenes Fressen” voor mij. Het voorwendsel om bepaalde ideeën uit te werken.”
Later in ons treingesprek vraag ik:
“Is dat laatste boek toch met de actualiteit verbonden?”
“Oh, ja” – weer dat volle ja – “een kritiek op de beginnende verstarring van het geloof dat tegelijkertijd staatsgodsdienst wordt.
Het compromis, dat de Kerk sluit als kerk en staatmacht samenvallen. Een compromis van het geloof.”
“Dat geldt ook voor deze tijd?”
“Dat geloof ik wel ja.”

PROVOCATIE VAN DE AUTORITEIT

Over zo’n boek doet ze minstens twee jaar. Dat brengt me terug tot het “iedereen kennen” van de personen in zo’n boek.
“Dan kun je dus zomaar middenin beginnen?”
“Als je alles al weet – en dat moet, anders kan het niet – dan geeft het niet waar ik begin. Ik weet toch alles al.”
Na een pauze: “er gebeurt zoveel om over te schrijven, zoveel dat me pakt, overal, op straat, als ik de deur uit ga.
Zo’n gebeurtenis heeft soms enkele verdiepingen. Behalve in de directe rechtstreekse informatie is er een niet rechtstreekse symbolische informatie.
De vorm groeit naarmate die symbolische lading sterker is. Ineens herken je dat. Je bent getroffen door een gebeurtenis.
Maar ik geloof dat je eigenlijk juist door die symbolische lading getroffen wordt. Die extra verdieping groeit mee terwijl je denkt dat je met de directe rechtstreekse informatie bezig bent.”
Inmiddels zijn de meisjes binnen geweest en weer weggegaan.
“Heeft het gezin er last van? Van dat “altijd bezig zijn met het andere?”
“Ja, ik leef natuurlijk op mijn zenuwen. Niet dat ik zo nodig moet. Maar ik moet! Natuurlijk vind ik het zelf ook fijn. Als het goed gaat. Als er een onderwerp is dat je iets doet. Dat houdt je dan bezig. Ik ben niet de enige. Een vrouw als de schilderes Han Mes verzorgt ook haar kinderen en werkt. Er zijn nu eenmaal vrouwen die begaafdheden hebben. Han Mes breekt er soms even uit, uit haar gezin, haar huishouden om een bepaald idee uit te werken.”
Het gesprek komt op directe actualiteit. De provo’s bijvoorbeeld. Hella Haasse leest krankzinnig veel. Veel boeken, veel kranten, ze moet zoveel mogelijk op de hoogte zijn. Ook om te kunnen interpreteren.
“De provo’s?, het is een feit dat dit nu op dit ogenblik gebeurt. Het is een test van de Autoriteit. Nou ja, een deel loopt natuurlijk ook mee voor de fijne rel, dat weet ik wel. Maar de vraag is toch gesteld: heeft de Autoriteit recht Autoriteit te zijn. Heeft-ie recht op gezag? Als die Autoriteit antwoordt met een knuppel op iemands kop te slaan heeft-ie geen Autoriteit meer, maar is afgegaan door de zijdeur.
Het is echt een provocatie van het Gezag. Tot nu toe heeft dat gezag geen wijs tegenspel gegeven. Dat zal die Autoriteit toch op een dag moeten doen.”
“Geloof je dat zoiets eerder gebeurd is, historisch bezien?”
“Natuurlijk. Maar er zijn perioden dat het minder als een behoefte gevoeld werd.”
Ik moet weg. Er moet gekookt worden.
“Je hebt inkt op je neus,” zegt Hella Haasse glimlachend.
We gaan twee dagen later verder. In de trein naar Brussel. Een dag tevoren is een dergelijke afspraak – voor de trein naar Groningen, ook een lezing – mislukt omdat we elkaar aan het station misliepen.
“Ik had brood voor je meegenomen,” zegt ze, “ik dacht: jij krijgt vast honger onderweg. Ik heb nu kaakjes voor je bij me.”
We praten over de techniek. Ik heb een televisieuitzending gezien van de schrijver Nabokov, die alles op vierkante kaarten noteert en dat weer efficiënt in een kaartsysteem onderbrengt. Hella heeft gezegd dat ze soms weleens iets tegen een pilaar op het centraal station op een papiertje heeft gekrabbeld.
Ze kijkt weer verontschuldigend: “Ik wilde dat ik alles zou kunnen organiseren. Ik heb overal aantekeningen.”

IK BEN SLORDIG MAAR IK HOU VAN ORDE

Ze haalt een opschrijfboekje, een agenda eigenlijk, te voorschijn, waar in schuin, zeer regelmatig handschrift een heleboel in opgeschreven staat.
“Ik vind soms aantekeningen terug die ik nooit gebruikt heb. Laatst nog voor “De Scharlaken Stad”, maar ik kon het toen weer voor een lezing gebruiken. Ik krabbel overal: op papiertjes, enveloppen, overal: Ik denk altijd, als ik eens tijd heb, zal ik het overzichtelijk indelen en opbergen. Ik gooi nu meestal op een hoop wat ik heb. In een paar mappen.
Voor een lezing maak ik die mappen altijd open. Soms vind ik dan verrassende dingen. Ik ben slordig, maar ik hou van orde.”
“En in je werk perfectionist?”
“Oh ja zeker. In mijn werk perfectionist!”
Dan praten we over lezingen.
“Ik doe dat te veel. Ik ga volgend seizoen beslist minder doen. Maar je hebt vaak goede, leuke ontmoetingen. Ik heb er hele fijne mensen ontmoet. Een man als professor Schillebeecks uit Nijmegen bijvoorbeeld. Mensen van buiten je eigen kring en dat is ook heel goed. Daarom doe ik het ook. Je bent er ook weer even uit, – weer de verontschuldigende glimlach -.
Vraag: “Ik merk – je hebt het gezegd in het eerste gesprek – dat je met een nieuw boek, of nieuwe boeken, bezig bent. Ik merk ook dat je er niet over wilt praten. Dat begrijp ik. Ik hoef ook niks te weten. Maar waarom?
Praat je met niemand? Ik bedoel: helemaal niemand?”
Antwoord: (regelrecht) “Ja……ja, dat is van mij. Dat boek is van mij. Mijn man weet het ook niet. Mijn man leest het pas als het helemaal klaar is.”
“Heeft hij kritiek?”
“Ja, en als ik het gevoel heb dat hij gelijk heeft, dat ik het ergens met hem eens ben, dan verander ik het wel. Maar het is van mij – bijna fel nu – het is m ij n boek. Ik kan er pas over praten, met wie dan ook, als het af is.
Mijn man heeft er grote belangstelling voor. Hij heeft eerst geschiedenis gestudeerd voor hij jurist werd. Je kan er altijd moeilijk over praten als je ermee bezig bent. Ik ben op atelier van Co Westerik geweest. Ik zag toen dat hij met een aantal doeken bezig was. Soms met hetzelfde motief. Dat is bij beeldende kunstenaars zo interessant. Je kan het zien. Hij probeert hier iets uit en daar iets uit. Dan komt hij tenslotte met wat voor hem essentieel is. En dat is dan zijn thema. Beeldende kunstenaars zijn zo in staat tot directheid. Bij ons staat het allemaal maar op papiertjes.”
We praten weer over haar dochters. Ze zegt dat beiden in Nederlands hoge cijfers hebben. De een kan goed samenvatten, de ander heeft de mogelijkheid zich in taal uit te drukken.
“Ze zeggen altijd: schrijven, nee dat nooit. Maar ik geloof wel dat ze er in hun hart veel waardering voor hebben. Een moeder die iets doet, iets werkt, geeft een kind altijd een zekere gène. Ze reageren, ze geven tegenvuur.
Mijn dochters zijn uitgesproken vrouwelijke meisjes en ik vind dat erg leuk. Ze zijn vol reactie tegen mij. Ze weten zich leuk te kleden, elegant.”
“Dat merkte ik aan die kousen.”
Lach: “Ja, ze vond dat die niet bij haar pasten, op dat ogenblik. Ze zijn in reactie, want ik ben wat slordig. Ik had een heel vrouwelijke moeder. Daarom was ik dus weer in reactie. Slordig.”
We praten over haar vader. Hij was een man die zijn leven lang veel heeft gelezen – “koffers vol detectives sleepte hij mee” – en ook weleens wat schreef. Toen hij met pensioen ging, zette hij zich definitief aan het schrijven onder de naam Van Eemlandt.
Hij schreef 13 detectives.
“Hij schreef met grote toewijding,” zegt ze, “het eerste boek schreef hij wel zes of zeven keer opnieuw. Ik ben dol op detectives, ik pak ze als ik ze krijgen kan.”
We beginnen te praten over Griekenland, waar haar “De Ingewijden” grotendeels speelt.
“We zijn er in 1955 geweest, in 1957 kwam het boek uit. Geweldig! Je hebt het gevoel alsof je verliefd bent. Het is ook iets in de lucht, de houtskool, het overrijpe fruit naast je in de manden of emmers. Het had iets van Indië, vond ik. Modern Griekenland…,
Oost en West tegelijk. De mensen daar zijn niet half; ze zijn zó héél. Ik was met zoiets als “De Ingewijden” al bezig. het boek is alleen maar Griekenland geworden. De mensen zijn tijdelijk overgeplant.”
“Maar die mensen zijn zichzelf niet.”
Glimlach. “Wie is dat daar wel?”
We praten – hoe kan jet anders als twee Nederlanders praten – over het Huwelijk van de kroonprinses. In 1956 heeft Hella Haasse, toen Beatrix 18 jaar werd, in een boek Beatrix-18-jaar een stuk geschreven ontstaan uit een aantal gesprekken met het toen 17-jarige meisje.
Het is het enige authentieke ongecensureerde stuk geweest, eenvoudig omdat er met deze vrouw niet te marchanderen valt. En omdat deze vrouw nooit over een grens zal gaan, waar het begrippen als menselijk als fatsoen betreft. Ze zegt:
“Ze hadden moeten trouwen zoals vorstenhuizen dat een eeuw geleden deden. De dominee werd ten paleize ontboden. de plechtigheid was privé. Daarmee zouden ze een hoop sympathie gewonnen hebben. De wijze waarop het nu moest gaan, vond ik vreemd.
Daartegenover vind ik wel dat ik me tegen de rellerigheid moet verklaren waarmee sommige menen deze zaak te moeten behandelen.
Als je daarin wilt meedoen, moet je je scharen bij partijen die een republiek wensen voor te bereiden. Dat is democratie.”

EEN SOORT BOEGBEELD

We naderen het einddoel. De trein dendert over wissels en langs kleinere stations.
Ze vraagt: “In een van deze interviews heeft Annie Schmidt geprotesteerd tegen de image die mensen haar soms zouden opdringen. Wat voor image was dat?”
“De image, dat ze pedagoge zou moeten zijn omdat ze kinderboeken schrijft.”
Hella Haasse: “Ik wil daar wel iets over zeggen. Mensen denken altijd dat een schrijver een soort prediker is. Ze denken: het zijn een soort medicijnmannen.
Je moet een soort voorloper zijn. Je wordt tot een soort boegbeeld gemaakt. Maar je doet niet mee dan er over schrijven. Tegen zulke ideeën moet je je voortdurend teweer stellen.
Je moet je er met hand en tand tegen verzetten, opdat je niet overal voor gebruikt wordt. De schrijver verbeeldt een bepaalde gedachtengang (Argusvlinder: volgens de spellingscontrole moet dit gedachtegang zijn). Maar het kost hem zeker evenveel inspanning het te begrijpen.
De schrijver geeft geen preek, geen voorschrift. De schrijver geeft niet aan hoe het moet.”
“Maar schrijvers hebben soms toch wel een doorbraakfunctie?”
“Ja, ja. Dat kan negatief, soms ook positief zijn. Men realiseert zich te weinig dat die schrijver ook een mens is die zelf reageert op de wereld en die reactie onder woorden brengt.
Het is de indruk van een individu. Dat is het wat prikkelt. Het is de prikkel tot bewustwording van het leven. Het is nooit iets collectiefs. Het heeft niets te maken met de verkondiging van collectieve ideeën.
Clara Malraux heeft het eens gezegd…”
“Eh… eh?”
“Zij is de vrouw van André Malraux. Ze schrijft erg goed, vind ik. Ze heeft eens gezegd: een Roman is een Exercise Spirituelle. Dat is het natuurlijk ook helemaal.”
“Ook voor de lezer. Dank je wel Hella.”

ENDT