Robert van Gulik, …, schreef Nagels in Ning-Tsjo in Beiroet, gedurende de zomer van 1958. De Libanon was weer eens in rep en roep en de burgeroorlog had zich tot de voorsteden van Beiroet verspreid maar Van Gulik was onze gevolmachtigde minister voor het Midden-Oosten en er werd van hem verwacht dat hij op zijn post zou blijven. Alleen, zijn familie was al enige tijd geëvacueerd, woonde hij in zijn met zandzakken gebarricadeerde huis en amuseerde zich met het op schrift stellen van de lotgevallen van zijn held, Rechter Tie.
Helaas is de inleiding van Nagels in Ning-Tsjo van een ongepaste luchtigheid die je vaker tegenkomt als er in het westen gesproken wordt over gewelddadige conflicten ergens in de wereld. Een soort van neokoloniale houding.
Robert van Gulik, Nagels in Ning-Tsjo. De omslag valt een beetje uit de toon omdat er deze keer geen mooi, oud, Chinees voorwerp te zien is.
Het is intussen 2026, achtenzestig jaar later, en er vallen nog iedere dag slachtoffers in Libanon. Dit jaar door Israël.
Iemand (LV?) tekende aan, het boek gelezen te hebben in 1981. Ik heb me aangesloten bij de gewoonte dit te vermelden.
Ook in deze Rechter Tie-roman lost Tie meerdere moorden op. Het boek in zijn geheel eindigt in een enorme climax waarbij de carrière van Rechter Tie zowel op het spel staat als nieuwe hoogtes bereikt.
In veel deeltjes heeft Van Gulik een stadsplattegrond opgenomen om het voor de lezer eenvoudiger te maken de verwikkelingen te volgen. Iedere keer moet ik naar het stadscentrum van Xi’an denken dat nog steeds een ommuurd, rechthoekig plan heeft.
Helaas is Het Onthoofde Lijk een complex verhaal dat tegelijk elementen bevat die wel erg onwaarschijnlijk zijn. We zien dat ook bij De Vermoorde Koopman maar daar zet Van Gulik deze zwakte om in een heel sterk slot. De nieuwe benoeming wordt dan de kers op de taart.
30/06/2026 Ik ben helemaal vergeten te vermelden dat in Nagels in Ning-Tsjo wachtmeester Hoeng Liang vermoord wordt. Deze oudste en trouwe raadgever van Rechter Tie. Hoeng werkte al voor de familie van Rechter Tie toen Tie nog een klein kind was. Zijn overlijden krijgt maar een mager plaatsje in deze detectiveroman.
Er lag iets op de rand van de oude put waar ze zwijgend naar bleef staren. Geen zuchtje wind bewoog in de bomen en de vochtige, hete lucht in de donkere tempeltuin was benauwend. Een paar amandelbloesems dwarrelden neer van de uitstekende takken boven hun hoofd. Ze leken heel wit in het licht van de lantaarn, en nog witter toen ze in de bloedplas op de verweerde stenen vielen.
Nou, dat is een manier om een detective te beginnen. Het spook in de tempel is wederom een complex verhaal. Een hele reeks moorden en verdwijningen die in het begin niets met elkaar te maken lijken te hebben. Maar naar het einde toe blijken de verdwijningen ook moorden. Er worden zelfs moordenaars vermoord.
Toch is het verhaal op zijn best een middenmoter. Het verhaal lijkt vertrokken van een heel goed plan maar bij het uitschrijven zijn sommige delen te weinig tot zijn recht gekomen. In het voorlaatste hoofdstuk brengt de rechter alle mogelijke betrokkenen bij elkaar. Dat doet hij buiten de rechtbank, meestal kiest Van Gulik voor de rechtbank als decor voor de oplossing. Voor de mogelijke hoofdrolspelers verloopt dat hoofdstuk naar tevredenheid (in zoverre je daarvan kunt spreken als je slachtoffer bent van een misdrijf). Maar voor de lezer staan nog wel wat punten open. Die worden in het laatste hoofdstuk opgelost. Maar het gevoel bij deze werkwijze is er een van haast.
In het Naschrift schrijft Van Gulik:
‘De nieuwe esoterische secte van het Boeddhisme waar in dit boek herhaaldelijk over gesproken wordt, is het Tantrisme, dat destijds in India en daarbuiten heeft gebloeid’
Teleurstellend is de manier waarop Van Gulik die belofte van ‘herhaaldelijk bespreken’ probeert in te vullen.
Hoewel Van Gulik in Het spook in de tempel nadrukkelijk verwijst naar het tantrisme als een “uit India afkomstige esoterische sekte”, is dat beeld inmiddels door de moderne sinologie sterk bijgesteld. Waar hij het tantrisme vooral inzet als exotisch element — een manier om een tempel, een monnik of een ritueel een zweem van vreemdheid te geven — laten recente studies zien dat de werkelijkheid in de Tang‑tijd veel complexer en vooral veel Chinees‑eigener was dan zijn naschrift suggereert. Het esoterisch boeddhisme kwam weliswaar via Indiase meesters naar China, maar het wortelde er snel en diep, en ontwikkelde zich tot een hybride traditie waarin Indiase rituele methodes en Chinese religieuze praktijken elkaar beïnvloedden. Het was geen geïsoleerde, uitheemse stroming, maar een levendige mengvorm die zich aanpaste aan Chinese rituele logica, staatsceremonies en lokale culten.
Ook het beeld van “Indiase architectuur” dat Van Gulik herhaaldelijk oproept, blijkt bij nader inzien vooral een echo van oudere westerse sinologie. Chinese tantrische tempels waren in hun bouwstijl vrijwel altijd Chinees, met houten constructies, daklijnen en plattegronden die passen binnen de eigen architectonische traditie. Alleen de iconografie en rituele inrichting droegen sporen van Indiase oorsprong. De nadruk die Van Gulik legt op het uitheemse karakter van de tempel — alsof de hele structuur uit India is overgewaaid — weerspiegelt eerder een negentiende‑eeuws idee van “oosterse mystiek” dan de historische werkelijkheid.
Daarmee hangt samen dat tantrisme in de Tang‑tijd allerminst een marginale of verdachte randreligie was. Integendeel: het speelde een centrale rol aan het hof, waar figuren als Amoghavajra politieke invloed uitoefenden en rituelen uitvoerden voor staatsbescherming, diplomatie en militaire doeleinden. Het esoterisch boeddhisme was geen geheimzinnige sekte, maar een vorm van religieuze machtspolitiek die nauw verweven was met de elitecultuur. Dat Van Gulik het in zijn verhaal vooral koppelt aan bedrog, gevaar en misleiding, zegt meer over zijn literaire voorkeuren dan over de historische positie van deze traditie.
De moderne sinologie benadrukt bovendien dat China niet slechts een ontvanger was van Indiase ideeën, maar ook een producent van nieuwe tantrische vormen. Chinese monniken schreven eigen esoterische teksten, ontwikkelden rituelen die in India onbekend waren en combineerden tantrische concepten met yin‑yang‑denken, vijf‑fasenleer en daoïstische rituele magie. Het tantrisme werd zo een Chinese innovatie, niet alleen een importproduct. In dat licht krijgt Van Guliks herhaalde verwijzing naar India iets eenzijdigs: hij ziet vooral de oorsprong, niet de transformatie.
Dat alles maakt duidelijk waarom zijn naschrift vandaag de dag wat vreemd aanvoelt. Hij presenteert het tantrisme als een exotisch element dat “herhaaldelijk” in het verhaal voorkomt, maar in de roman zelf blijft het vooral decor. De verwijzingen naar India versterken dat exotische effect, maar sluiten niet aan bij wat we nu weten over de manier waarop esoterisch boeddhisme in China functioneerde. Het is een beeld dat inmiddels is ingehaald door onderzoek: historisch begrijpelijk vanuit zijn tijd, literair effectief, maar wetenschappelijk te smal.
Robert van Gulik, Het spook in de tempel.
Hoewel de Nederlandse titel Het spook in de tempel inmiddels vertrouwd klinkt binnen de Tie‑reeks, blijft het eigenlijk een merkwaardige vertaling van The Phantom of the Temple. Het Engelse phantom suggereert iets ongrijpbaars, een verschijning die even goed illusie als werkelijkheid kan zijn, terwijl spook in het Nederlands veel concreter en bijna kinderlijk aandoet. Een titel als De tempelverschijning zou dichter bij de sfeer van het origineel liggen: subtieler, minder folkloristisch, en beter passend bij de ambiguïteit die Van Gulik in het verhaal zelf probeert op te roepen. Want, spoiler, het spook is geen geest.
— over hoe drie kleine verwijzingen naar Khotan mijn lezing van Labyrinth in Lan‑Fang verdiepen —
Khotan wordt een paar keer genoemd in Labyrint in Lan-Fang. Vermoedelijk is dat een poging om deze standplaats van Rechter Tie geografisch te duiden. Lan-Fang is geen historische plaatsnaam van een Chinese grensplaats in het westen van China rond 650 na Christus.
Er bestond wel een Republiek Lanfang (蘭芳共和國 Lánfāng Gònghéguó) van 1777 tot 1884 in het huidige West‑Kalimantan (Indonesië). Dat was een Chinese gemeenschap van mijnwerkers en handelaren buiten China. Een historisch opmerkelijke situatie.
Waarschijnlijk gebruikt Van Gulik die naam omdat het een echte historische naam was, bekend bij sinologen van zijn tijd. Ook omdat die authentiek Chinees klinkt, maar vrij inzetbaar is voor fictie. Het gaf hem de gelegenheid vanuit een Chinees perspectief een sfeer te creëren, typisch voor een betwiste grensstreek zonder de historische ballast van de naam van een bestaande plaats.
Robert van Gulik, Labyrinth in Lan-Fang, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.
Khotan wordt al genoemd op pagina 26
Nog tot voor enkele jaren liep de weg naar Khotan en de andere schatplichtige koninkrijken in het westen door Lan-fang en deze stad was toen een belangrijke stapelmarkt. Maar toen zijn drie oasen langs de woestijnweg opgedroogd en de handelsweg verlegde zich een honderd mijl naar het noorden.
Van Gulik verwijst hier duidelijk naar de Zijderoute.
Hoe liep de zuidelijke Zijderoute
Langs de zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn volgden karavanen die China verlieten een reeks oases die als veilige rustpunten door de woestijn slingerden. Vanuit het oostelijke Miran, met zijn Kushan‑invloeden en kleurrijke muurschilderingen, trokken reizigers westwaarts langs kleinere nederzettingen als Karadong en Endere, plaatsen die bloeiden zolang hun rivieren water voerden en die even snel weer verdwenen wanneer de bedding verschoof. Verderop lag Niya, ooit een levendige gemeenschap waarvan houten documenten en huisraad nu de stille sporen vormen van een oase die door uitdroging werd verlaten. Daarna bereikte men Keriya, een oase die afhankelijk was van een grillige rivier die periodes van voorspoed en verval afwisselde. De route voerde vervolgens naar Yotkan, de oude hoofdstad van het koninkrijk Khotan, waar handelaren en ambachtslieden samenkwamen. Uiteindelijk eindigde de zuidelijke route in het machtige Khotan zelf, beroemd om zijn jade‑rivieren en boeddhistische kloosters, en eeuwenlang het belangrijkste knooppunt voor wie verder wilde reizen naar de oases en steden voorbij de Pamirs, richting het gebied van Samarkand en Buchara.
Khotan wordt ook genoemd op pagina 82 en toont meteen dat ook Rechter Tie zo zijn blinde vlekken heeft:
Woe keek naar zijn schilderijen op de muur. ‘Vijf jaar geleden,’ antwoordde hij, ‘deed ik het eerste kandidaatsexamen. Tot teleurstelling van mijn vader besloot ik mijn studie af te breken en mij geheel aan het schilderen te wijden. Ik werkte onder twee beroemde meesters in de hoofdstad, maar hun stijl lag mij niet.
Twee jaar geleden ontmoette ik toevallig een monnik die helemaal uit Khotan afkomstig was, het schatplichtig koninkrijk in het verre westen. Die man liet mij zijn stijl van schilderen zien, vol leven en felle kleuren. Ik besefte toen, dat onze Chinese kunstenaars die stijl moesten bestuderen om onze nationale kunst te vernieuwen. Ik dacht dat ik misschien een baanbreker kon worden en besloot zelf naar Khotan te trekken.’
‘Persoonlijk ben ik van mening,’merkte de rechter droog op, ‘dat onze nationale kunst volkomen bevredigend is en het ontgaat me wat een barbaars en vreemd volk ons nog kan leren. Maar ik wil niet beweren dat ik een kenner ben. Gaat u door!’
In deze korte dialoog tussen Woe en Rechter Tie laat Van Gulik mooi zien hoe de Tang‑wereld niet alleen een Chinees decor is, maar een kruispunt van culturen. De jonge schilder die zich laat inspireren door een Khotanese monnik staat voor de openheid en nieuwsgierigheid die de Zijderoute mogelijk maakte: ideeën, kleuren en stijlen reisden net zo goed mee als zijde en jade.
Tie’s droge afwijzing — half ironisch, half oprecht — weerspiegelt juist de zelfverzekerde blik van een Confuciaanse magistraat die de Chinese kunst als maat der dingen ziet. Precies in dat spanningsveld, tussen vernieuwing van buiten en de zekerheid van binnen, situeert Van Gulik zijn wereld: historisch geloofwaardig, licht gefictionaliseerd, en altijd gevoed door de stille bewegingen van uitwisseling langs de randen van het rijk.
Dan komt Khotan nog een derde keer in beeld, op pagina 123:
Vele jaren geleden, toen de weg naar het westen nog door deze stad leidde, hebben monniken uit Khotan die tempel gebouwd. Later hebben ze die weer verlaten. De tempel raakte in verval, bewoners uit de buurt haalden de deuren en ander houtwerk weg als brandhout. Maar de prachtige muurschilderingen, door de monniken gemaakt, zijn gebleven.
In de derde passage duikt Khotan opnieuw op, ditmaal als de herkomst van een vervallen tempel waarvan alleen de muurschilderingen nog getuigen van een vroegere bloeitijd. Van Gulik gebruikt dit soort details om de Zijderoute een voelbare diepte te geven: monniken die ooit tot hier reisden, een tempel die gebouwd werd toen de handelsweg nog door de stad liep, en kunst die de tand des tijds beter doorstaat dan de mensen die haar maakten. Het is dezelfde beweging als in de eerdere scènes: Khotan verschijnt telkens als een verre bron van kleur, geloof en vakmanschap, een plek die ooit invloed uitoefende op het Chinese rijk maar nu vooral als echo aanwezig is. Zo verweeft Van Gulik fictie met historische resonantie en laat hij zien hoe culturele uitwisseling langs de randen van het rijk niet alleen handel bracht, maar ook kunst die blijft hangen, zelfs wanneer de route zelf allang is verschoven.
Het is vooral omdat ik de afgelopen tijd zelf bezig ben geweest met Khotan (Yotkan) door het werk van Aurél Stein, dat deze fragmenten me opvielen. Voor een andere lezer zal Labyrinth in Lan-Fang een spannende detective zijn. Tao Gan en Rechter Tie bespreken alle gebeurtenissen met elkaar:
Tao Gan schudde verbijsterd het hoofd. Met een diepe zucht zei hij: ‘Edelachtbare, het komt mij voor dat wij nog nooit tevoren met zo’n groot aantal ingewikkelde problemen tegelijk te maken hebben gehad!’
‘Oppervlakkig gezien lijkt dat zo,’ antwoordde de rechter, ‘Maar feitelijk waren het de plaatselijke omstandigheden die ons zo verward maakten. Nu de verstrikte draden geleidelijk aan ontknoopt raken, komt er een duidelijk patroon tevoorschijn. We hebben ten slotte maar drie werkelijke zaken. Ten eerste, de moord op Generaal Ting. Ten tweede, de zaak Yü contra Yü. Ten derde, de verdwijning van de dochter van Fang, Onze maatregelen tegen Tsjièn Mo, onze ontdekking van het plan van Yü Tsjie en de verklaring van de moord op bestuurder Pan vormen tenslotte d lokale achtergrond…’
Hoe je de zaken ook indeelt, voor mij zes complexe zaken, mooi door Van Gulik tot één verhaallijn geweven. Aan het eind vind Rechter Tie ook nog de richting die hij moet nemen uit zijn midlife-crises. Een verrassende afronding van een van de beste Rechter Tie-romans.
Nu heb ik nog vier titels te gaan in de reeks. Dan heb ik alle Rechter Tie-romans (opnieuw) gelezen.
De parel van de Keizer is een van de beste Rechter Tie- verhalen.
Het is niet alleen een complexe detective met drie zaken,
het zet je er ook toe aan opnieuw na te denken over
hoelang je doorgaat met het verzamelen van feiten,
hoe snel je kunt overgaan tot het formuleren van theorieën
en hoe je vervolgens met de theorieën omgaat.
Het zijn overwegingen voor iedere rechercheur en politieagent
maar ook voor iedereen die een spreekbeurt moet houden,
een werkstuk moet maken, een project gaat realiseren
of een artikel wil schrijven.
Rechter Tie geeft in De parel van de Keizer
een inkijkje in dat proces bij hem.
Ik moet eerlijk bekennen dat een paar pagina’s voor het einde
van dit boek dit bericht in mijn hoofd er nog anders uitzag.
Maar zoals vaak heeft Van Gulik op het einde
nog een verrassing voor de lezer.
Wat ik op het laatste moment nog gewijzigd heb
kan ik niet vertellen zonder een deel van het verhaal te onthullen.
Dat ga ik natuurlijk niet doen.
Blijft over dat ik nog wil bewijzen hoe Rechter Tie (Van Gulik)
ons nog eens uitdaagt op het vlak van het verzamelen van feiten
en formuleren van mogelijke scenario’s.
Het komt heel duidelijk aan bod op pagina 125 en 126:
Rechter Tie at zijn middagrijst achter zijn schrijftafel gezeten. Hij proefde het eten nauwelijks, hij werd geheel in beslag genomen door de drie moorden. Ja, het onderzoek was nu op het beslissende keerpunt, eindelijk was dan de beweegreden van de moordenaar komen vast te staan. Hij overzag nog eens het snelle verloop van deze zaak. Hij was begonnen met aan te nemen, dat de drijfveer gelddorst was en dat de misdadiger uit was geweest op de parel en het goud. Daarna had hij gelddorst verworpen, omdat hij, jaloezie voor het voornaamste motief houdend, tot de slotsom was gekomen, dat het verhaal van de parel van de keizer alleen een verzinsel was geweest. En thans moet hij ook jaloezie schrappen – althans als voornaamste drijfveer – want nu was komen vast te staan, dat de drijfveer vóór alles was vrouwen te kwellen, onverschillig welke vrouw. Toch nam dat niet weg, dat daarnaast de secundaire elementen ook van belang bleven ter identificatie van de moordenaar; de gelddorst was gebleken uit het stelen van het goud en het knoeien met de weddenschappen, en evenzeer was er jaloezie in het spel.
Maar de voornaamste aanwijzing was de perverse drang van de misdadiger. Dat maakte het een lelijk geval. Want werden personen door die drang bezeten in hun plannen gedwarsboomd, dan zouden ze niet aarzelen tot geweldplegingen over te gaan en zich daarbij niet om de gevolgen bekommeren. Jet aantal verdachten was nu beperkt tot drie hem bekende personen en misschien nog een vierde, vooralsnog onbekende. Hij zuchtte.
Op pagina 145 zijn de ontwikkelingen alweer verder
en dan lezen we:
Na een lange tijd ging hij rechtop zitten en mompelde: “Ja, dat zou wel eens de oplossing kunnen zijn. Alles klopt. Behalve de hoofdzaak: een goede beweegreden!”
Hij leunde achterover in zijn stoel en overdacht de maatregelen, die hij nu zou moeten nemen. De verklaring die hem zo juist was ingevallen, scheen zeer aannemelijk, maar mocht hij handelen alleen op grond van een vaag gevoel? Moest een theorie gebaseerd op logische overwegingen niet de voorrang hebben op wat per slot van rekening slechts een ingeving was? Of kon hij misschien een plan opstellen, dat hem in staat zou stellen, zowel die ingeving als zijn logische gevolgtrekkingen te verifiëren, beide tegelijk? Diep in gedachten bleef hij zitten, werktuigelijk langs zijn lange zwarte baard strijkend.
Op pagina 196 komt dan de vaak twijfelende Confucianist Tie
nog even om de hoek:
Uit het bronzen wierookvat op het altaar stegen blauwe wolken op, hun scherpe geur vulde de kleine hal. Door de rook heen zag de rechter het gelaat van de godin, de lippen geplooid in een vage glimlach.
Hij vouwde zijn armen in zijn wijde mouwen en bleef daar staan, opziend naar het stille gelaat. Hij let de gebeurtenissen van de laatste twee dagen nog eens aan zijn geestesoog voorbijgaan. Er waren vreemde toevalligheden geweest. Maar mocht men eigenlijk ooit van een toeval spreken? Hoe bitter weinig wist hij van wat er in zijn medemensen omging. Hoe zou hij dan ooit aandurven te trachten de Hemelse Machten te begrijpen, die over hun lot beschikten? Hij sprak zacht: “Ge zijt slechts een beeld door mensenhand gemaakt. Maar ge zijt toch een symbool van alles wat wij niet weten, ons niet beschikt is te weten. En daarom buig ik me ootmoedig voor u neer.”
De taal is ouderwets maar de boodschap lijkt me nog springlevend.
Robert van Gulik, De Parel van de Keizer, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.
Met Het Rode Paviljoen begint de tweede reeks van de Tie‑romans.
Na een eerste serie boeken bleef er onder lezers
een vraag naar meer titels.
Robert van Gulik ging daarop in met boeken waarin Tie
veel meer de centrale figuur is.
Robert van Gulik, Het Rode Paviljoen (The red paviljon).
Bij het oplossen van de zaken schakelt Tie
minder vaak al zijn helpers tegelijk in.
In het Rode Paviljoen bijvoorbeeld alleen Ma Joeng.
Hoewel dat gecompenseerd wordt door het opvoeren
van twee rechercheurs van de eilandbeheerder:
Krab en Sprot.
Van Gulik laat de hoofdstuktitels en ondertitels weg.
Dat is een element dat ik wel mis.
Het vooruit kunnen kijken
werkt voor mij motiverend om door te lezen.
In dit specifieke geval zijn er wel erg veel toevalligheden
en onwaarschijnlijkheden die het verloop bepalen.
Natuurlijk: als iets theoretisch kan gebeuren
zal het in de praktijk ook gebeuren.
Maar het wordt in dit boek wel erg theoretisch.
Verrast Rechter Tie bijna altijd?
Nou, in ieder geval vaak genoeg dat het me ook nu weer opviel.
Op mijn blog was al te zien dat ik Klokken van Kao-Yang las.
Intussen is dat verhaal uitgelezen.
Een goed verhaal, maar niet het sterkste.
Ook Robert van Gulik trapt in de val waar veel schrijvers inlopen.
Laat in het verhaal worden er feiten aangevoerd
die voor de lezer tot dan toe onbekend waren.
In Klokken van Kao-Yang gaat het niet om beslissende informatie
maar in een van de zijplots wordt halverwege het verhaal ineens informatie verstrekt over staatseigendom van landerijen.
Die informatie was eerder onbekend en ontbreekt ook
op de meegeleverde plattegrond.
Maar in De Klokken van Kao‑Yang toont Tie zich ook
een moderne profiler:
hij vindt de dader niet door harde feiten alleen,
maar door een psychologisch profiel op te stellen
— en legt zijn methode rustig uit aan zijn volgers.
Robert van Gulik, Halssnoer en Kalebas met een inleiding van Janwillem van de Wetering. Een uitgave van Elsevier.
Volgens Janwillem van de Wetering is Halssnoer en Kalebas
een bijzonder verhaal. Dat blijkt te kloppen.
Rechter Tie is alleen op pad;
zijn helpers zijn druk met andere zaken.
Van Gulik grijpt de kans aan om de lezer meer
te informeren over de superspeurder dan hij doorgaans doet.
Er kan zo een hechtere band tussen Tie en de lezers groeien.
Terwijl Tie voor zijn omstanders in Rivierstad anoniem moet blijven.
De rivier komt steeds terug in het verhaal maar
het geeft zijn geheimen moeilijk prijs.
Terwijl men op de rivier meer dan alleen vis aan de haak
probeert te slaan.
Tegelijk zien we dat Rechter Tie steeds hogerop
in de staatshiërarchie zichtbaar wordt.
Er zijn loopbaankansen.
Als Rechter Tie na het oplossen van de misdrijven
naar huis gaat, blijkt er nog een geheim te zijn
dat hij kan ontrafelen.
En die ontrafeling is essentieel om de plot
rond het keizerlijk gezin volledig te begrijpen.
Surprise!
De detectiveverhalen met Rechter Tie zitten
vol moord en vergelding.
Maar het belangrijkste accent ligt steeds
op de intellectuele uitdaging om het op te lossen.
Het bereiken van de laatste bladzijde is zo,
een opluchting met voldoening: een klus geklaard.
Het Spookklooster is anders.
Rechter Tie vindt een oplossing en in twee situaties
is die zelfs positief in de zin dat Rechter Tie knorrig zegt:
Ik kan de magistratuur er beter aan geven en als huwelijksmakelaar beginnen! Ik heb twee jonge paren bij elkaar gebracht, maar een gevaarlijke moordenaar, nee, die kan ik blijkbaar niet vatten!
Maar de sfeer van het verhaal is anders.
Bedrukkend, somber.
Een echt andere Rechter Tie.
Robert van Gulik, Het Spookklooster. Deze uitgave van Elzevier wordt ingeleid door Janwillem van de Wetering. Daarnaast ligt Robert Coover, Street Cop, met illustraties van Art Spiegelman.
Wel een heel klein eiland
Een paar weken geleden schreef ik over de titels van Isolarii.
Toen heb ik ook een titel gekocht: Street Cop.
Robert Coover met illustraties van Art Spiegelman.
Het boekje kwam gisteren met de post:
Gedrukt in Italië en verzonden vanuit de UK.
Het formaat is veel kleiner dan dat van de boekjes
die ik in het Huis van het Boek zag.
Ik geloof niet dat er zulke kleine iPhone‑tjes zijn.
Maar wel compleet met een bedrukte stofomslag.
Gauw gaan lezen.
Street Cop met links de half doorzichtige stofomslag.