De parel van de Keizer is een van de beste Rechter Tie- verhalen.
Het is niet alleen een complexe detective met drie zaken,
het zet je er ook toe aan opnieuw na te denken over
- hoelang je doorgaat met het verzamelen van feiten,
- hoe snel je kunt overgaan tot het formuleren van theorieën
- en hoe je vervolgens met de theorieën omgaat.
Het zijn overwegingen voor iedere rechercheur en politieagent
maar ook voor iedereen die een spreekbeurt moet houden,
een werkstuk moet maken, een project gaat realiseren
of een artikel wil schrijven.
Rechter Tie geeft in De parel van de Keizer
een inkijkje in dat proces bij hem.
Ik moet eerlijk bekennen dat een paar pagina’s voor het einde
van dit boek dit bericht in mijn hoofd er nog anders uitzag.
Maar zoals vaak heeft Van Gulik op het einde
nog een verrassing voor de lezer.
Wat ik op het laatste moment nog gewijzigd heb
kan ik niet vertellen zonder een deel van het verhaal te onthullen.
Dat ga ik natuurlijk niet doen.
Blijft over dat ik nog wil bewijzen hoe Rechter Tie (Van Gulik)
ons nog eens uitdaagt op het vlak van het verzamelen van feiten
en formuleren van mogelijke scenario’s.
Het komt heel duidelijk aan bod op pagina 125 en 126:
Rechter Tie at zijn middagrijst achter zijn schrijftafel gezeten. Hij proefde het eten nauwelijks, hij werd geheel in beslag genomen door de drie moorden. Ja, het onderzoek was nu op het beslissende keerpunt, eindelijk was dan de beweegreden van de moordenaar komen vast te staan. Hij overzag nog eens het snelle verloop van deze zaak. Hij was begonnen met aan te nemen, dat de drijfveer gelddorst was en dat de misdadiger uit was geweest op de parel en het goud. Daarna had hij gelddorst verworpen, omdat hij, jaloezie voor het voornaamste motief houdend, tot de slotsom was gekomen, dat het verhaal van de parel van de keizer alleen een verzinsel was geweest. En thans moet hij ook jaloezie schrappen – althans als voornaamste drijfveer – want nu was komen vast te staan, dat de drijfveer vóór alles was vrouwen te kwellen, onverschillig welke vrouw. Toch nam dat niet weg, dat daarnaast de secundaire elementen ook van belang bleven ter identificatie van de moordenaar; de gelddorst was gebleken uit het stelen van het goud en het knoeien met de weddenschappen, en evenzeer was er jaloezie in het spel.
Maar de voornaamste aanwijzing was de perverse drang van de misdadiger. Dat maakte het een lelijk geval. Want werden personen door die drang bezeten in hun plannen gedwarsboomd, dan zouden ze niet aarzelen tot geweldplegingen over te gaan en zich daarbij niet om de gevolgen bekommeren. Jet aantal verdachten was nu beperkt tot drie hem bekende personen en misschien nog een vierde, vooralsnog onbekende. Hij zuchtte.
Op pagina 145 zijn de ontwikkelingen alweer verder
en dan lezen we:
Na een lange tijd ging hij rechtop zitten en mompelde: “Ja, dat zou wel eens de oplossing kunnen zijn. Alles klopt. Behalve de hoofdzaak: een goede beweegreden!”
Hij leunde achterover in zijn stoel en overdacht de maatregelen, die hij nu zou moeten nemen. De verklaring die hem zo juist was ingevallen, scheen zeer aannemelijk, maar mocht hij handelen alleen op grond van een vaag gevoel? Moest een theorie gebaseerd op logische overwegingen niet de voorrang hebben op wat per slot van rekening slechts een ingeving was? Of kon hij misschien een plan opstellen, dat hem in staat zou stellen, zowel die ingeving als zijn logische gevolgtrekkingen te verifiëren, beide tegelijk? Diep in gedachten bleef hij zitten, werktuigelijk langs zijn lange zwarte baard strijkend.
Op pagina 196 komt dan de vaak twijfelende Confucianist Tie
nog even om de hoek:
Uit het bronzen wierookvat op het altaar stegen blauwe wolken op, hun scherpe geur vulde de kleine hal. Door de rook heen zag de rechter het gelaat van de godin, de lippen geplooid in een vage glimlach.
Hij vouwde zijn armen in zijn wijde mouwen en bleef daar staan, opziend naar het stille gelaat. Hij let de gebeurtenissen van de laatste twee dagen nog eens aan zijn geestesoog voorbijgaan. Er waren vreemde toevalligheden geweest. Maar mocht men eigenlijk ooit van een toeval spreken? Hoe bitter weinig wist hij van wat er in zijn medemensen omging. Hoe zou hij dan ooit aandurven te trachten de Hemelse Machten te begrijpen, die over hun lot beschikten? Hij sprak zacht: “Ge zijt slechts een beeld door mensenhand gemaakt. Maar ge zijt toch een symbool van alles wat wij niet weten, ons niet beschikt is te weten. En daarom buig ik me ootmoedig voor u neer.”
De taal is ouderwets maar de boodschap lijkt me nog springlevend.
Robert van Gulik, De Parel van de Keizer, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.


