Kijken, vergelijken en opnieuw kijken

– ik zie verbaasd, doorboord, monumentaal. En jij? –

Inleiding

In het Museum of Mexican Prehispanic Art staan drie figuren
die uit één cultuur komen maar daardoor
nog niet vanzelfsprekend bij elkaar horen.
Ze zijn beschilderd, doorboord, verbaasd van blik
— en toch elk op een andere manier aanwezig.

Twee zitten, de derde is bijna een zuil.
Wat ze delen is een sculpturale logica
waarin ogen, neus, oren en mond door hun perforaties
sterker spreken dan anatomie.

Kijken naar deze beelden betekent telkens opnieuw kijken:
naar vorm, naar kleurresten,
naar wat de maker heeft benadrukt en wat hij heeft weggelaten.

DSC06057 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Figura de Nayarit, late preclassic, 1250 BC – AD 200.
DSC06057 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200
DSC06057 03 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200
DSC06057 04 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200

Een zittende Nayarit‑figuur

Een zittende figuur waarvan vooral de uitbundige,
gelaagde beschildering de aandacht trekt.
De verf is niet gelijkmatig verdeeld, maar vormt een complex geheel
van patronen die per lichaamsdeel variëren en elkaar ritmisch aanvullen.
Daardoor maakt het beeld een uitzonderlijk levendige en veelstemmige indruk.

Het hoofddeksel vormt een horizontale band die het hoofd omsluit;
aanvankelijk oogt het sober, maar bij close‑up
zijn er resten van een patroon zichtbaar
— kleine cirkels en stippen, waarschijnlijk ooit een subtiele decoratie
die door slijtage grotendeels vervaagd is.

Het gezicht is het meest levendige deel:
de schildering slingert in vloeiende lijnen rond ogen en neus,
bijna als keramische ornamentiek.

De ogen zijn gelaagd opgebouwd: een donkere pupil in een lichtgele iris, omlijst door een donkere ovaal die aan de onderzijde
nog eens wordt benadrukt met een boogvormige schaduw.

Onder de mond ligt een donker aangezette zone die de expressie versterkt; midden daarin loopt een smalle, verticale, lichtgekleurde streep over de kin.
Die markering is opvallend en geeft de kin
een zware, nadrukkelijke aanwezigheid,
alsof het een rituele of symbolische aanduiding is.

Aan weerszijden van het hoofd bevinden zich kleine,
nauwelijks gemodelleerde oren, terwijl de sierraden juist groot en complex zijn:
halfronde ringen met openingen en kleidetails
die zorgvuldig zijn aangebracht.
Het hoofd fungeert zo als drager van rituele versiering,
niet als naturalistische vorm.

Op het bovenlijf zet de beschildering zich voort vanaf de hals.
Onder de kin volgt een halszone waarin lichte stippen
en enkele donkere accenten in een bewuste verdeling zijn aangebracht.
Daaronder bevindt zich een halfronde, verhoogde richel klei
die de vorm van de kin doorgeeft aan de beschilderde textielstroken
op het torso.
Deze richel is later met donkere verf afgewerkt
en fungeert als een halssieraad,
een gemodelleerde overgang tussen gezicht en bovenlijf.
De textielstroken op het torso zelf
bestaan uit banen die de vorm van jaspanden aannemen,
beschilderd met een herhalend motief van dubbele H‑vormen.
Dit patroon is vooral zichtbaar op de linker lichaamshelft;
op de rechterzijde wordt het deels overschaduwd door arm en kom.
De herhaling van het motief suggereert een ritmische weefstructuur,
alsof het om een textiel gaat dat het bovenlijf omsluit.

De armen zijn verdeeld in banden:
een okergele zone met donkere stippen,
daaronder een bruine band met regelmatige lichte stippen,
en bij de pols een donker‑rode strook
met verticale strepen die de vingers voortzetten.
De hand is gestileerd, bijna ornamentaal,
en houdt een kom met opstaande rand,
beschilderd met een diamantpatroon dat uit twee omtreklijnen
in verschillende kleuren bestaat.
In het hart van elke diamant liggen lichte stippen,
alsof het object een zelfstandige betekenis heeft binnen het geheel.

De rokzone toont een doorlopend verticaal zigzagpatroon
op vlakken met verschillende tinten.
Het motief herhaalt zich minstens een keer
en lijkt geschilderd als een ritmische randversiering.
De verf is dun en deels verweerd, maar het ritme blijft herkenbaar:
een opeenvolging van licht‑donkere segmenten
die de onderzijde visueel omzoomt.
Het patroon doet denken aan geweven randen of borduursel,
een ornament dat beweging suggereert
binnen de statische houding van de figuur.

Zo ontstaat een ritmisch geheel waarin elk deel van het beeld
een eigen visuele taal spreekt
— floraal en vloeiend boven, symbolisch in het midden,
geometrisch‑ritmisch onder.
Het resultaat is een figuur die niet alleen een persoon voorstelt,
maar een samensmelting van patronen, materialen en betekenissen is:
een miniatuur‑wereld waarin verf, vorm en ritme
samen een verhaal vertellen over identiteit en ritueel.

In deze vormentaal klinkt duidelijk de traditie van Nayarit door:
de gemodelleerde halssieraad‑richel,
het repeterende dubbele‑H‑motief dat als geweven textiel om het torso ligt,
en de fijn verdeelde verfmarkeringen op hals en gezicht
vormen samen een beeldtaal die typisch is voor West‑Mexico.

Tegelijk laat dit beeld zien hoe binnen die traditie variatie mogelijk was:
een eigen ritme, een eigen combinatie van vorm en schildering,
een eigen manier om lichaam en ornament tot één geheel te maken.
Zo staat deze figuur niet alleen in een regionale stijl,
maar ook als een individueel werk
waarin de maker een herkenbare, bijna intieme visuele logica
heeft vastgelegd.


DSC06058 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200
Figura de Nayarit, late preclassic, 1250 BC – AD 200.
DSC06058 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200
DSC06058 03 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200

Zittende figuur met groot hoofd

Het tweede beeld toont een zittende figuur
met een groot, bijna kubusvormig hoofd
dat qua volume gelijkstaat aan de rest van het lichaam.

Het hoofddeksel bestaat uit een smalle band
met een diagonaal gestreept patroon.

De ogen zijn wijd geopend en bol, waardoor het gezicht
een verbaasde, alerte expressie krijgt.
Rond het oog zijn nog sporen van donkere verf zichtbaar:
vooral onder het oog ligt pigment precies op de overgang
van holte naar bolling.
De schilder heeft daarmee de topografie van de oogkas benadrukt,
waardoor het oog optisch dieper lijkt te liggen
en de verbaasde expressie wordt versterkt.

De neus is een driehoekige kleivorm met diepe, uitgesneden neusgaten,
waardoor hij als echte neus wordt gelezen
in plaats van als een eenvoudige kleidriehoek.
Onder de neus ligt een smalle mond waarin kleine gaatjes
de suggestie van tanden wekken
— een detail dat het gezicht een mengeling
van menselijkheid en stilering verleent.

Aan de zijkant van het hoofd is een oor zichtbaar.
Het is schelpvormig, met een duidelijke verdieping,
wat wijst op een poging tot anatomische uitwerking.
De bovenkant van de oorschelp is niet los van het hoofd gemodelleerd:
het oor vloeit daar in de massa van het hoofd over,
waardoor het compacter en massiever oogt dan een natuurlijk oor.
Aan de onderrand van het oor zit een kleine uitstulping,
die zowel kan worden gelezen als een versterkte oorlel
als een mogelijk restant van een oorsieraad.
Door de manier waarop het oor in het hoofd is opgenomen,
krijgt het geheel een robuuste, enigszins gestileerde vorm.

Het lichaam is compact en symmetrisch.
De figuur zit met gebogen benen, de voeten als een verlengde daarvan
— bijna als hoeven,
wat het beeld een aardse ondertoon geeft.

Op de linkerschouderkap is een duidelijke zone met oker pigment zichtbaar.
De tint ligt als een dunne laag bovenop het oppervlak
en wijkt af van de natuurlijke kleikleur,
wat erop wijst dat deze kap oorspronkelijk beschilderd was.
De kap lijkt lichter en egaler dan de rest van het lichaam,
wat mogelijk op restauratie duidt,
maar de okerlaag zelf is authentiek pigment.

Onder het sleutelbeen loopt aan beide zijden een zigzagmotief,
zichtbaar als lichte, ritmische lijnen die zich onderscheiden van de klei.
Links is het motief helder zichtbaar; rechts verschijnt het
in de buurt van een scheur, maar de herhaling van de vorm suggereert
dat het deel uitmaakt van een oorspronkelijk decoratief patroon,
mogelijk een textielrand of rituele beschildering.

De rechterhand houdt een bolvormig object
— mogelijk een bal, maar ook te lezen als een vrucht,
een steen of een ritueel attribuut.
De linkerhand rust op de buik.
De vingers zijn individueel gemodelleerd,
wat binnen deze stilistische context opvallend zorgvuldig is.

De oppervlakte van het beeld toont zowel pigmentresten
als natuurlijke verkleuringen.
Over het lichaam lopen scheuren die door ouderdom
en het bakproces zijn ontstaan;
in enkele daarvan is pigment blijven zitten.
Het zigzagmotief onder het sleutelbeen is echter te regelmatig
om toevallig te zijn en wijst op een bewust aangebracht decoratief patroon.

Kleurgebruik bij Nayarit‑beelden

De kleurverdeling van dit beeld — een oker gezicht, een roder lichaam,
donkere accenten rond de ogen en lichte patronen op borst en schouders
— past binnen het bekende palet van Nayarit‑beeldjes.
Makers uit West‑Mexico combineerden de natuurlijke variatie van de klei
(van oker tot roodbruin) met pigmenten op basis van mineralen
zoals rood ijzeroxide, wit kalk, zwart mangaan en oker.
Oker en donkergeel komen regelmatig voor, vooral op gezichten,
hoofddeksels en textielranden.

Hoewel de eerste indruk van dit beeld
— zeker wanneer men het na een drukker exemplaar bekijkt —
is dat het nauwelijks beschilderd is en een vrijwel egale toon heeft,
laat nauwkeurige observatie iets anders zien.
De combinatie van klei‑kleur en subtiele pigmentresten
wijst in de richting dat dit beeld oorspronkelijk
een complex, meerkleurig schema had,
waarin vorm en beschildering elkaar versterkten.


DSC06059 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200
Figura de Nayarit, late preclassic, 1250 BC – AD 200.
DSC06059 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDeNayaritLatePreclassic1250bc-ad200

Als een monument

Figuur drie staat als een monument:
opgericht, massief, bijna architectonisch in zijn aanwezigheid.
De figuur is niet zittend of gebogen zoals bij de vorige beelden,
maar vormt een zuil waarin hoofd, romp, armen en benen
in één doorlopende massa zijn opgenomen.
De schouders zijn hoekig, met scherpe overgangen
die het beeld een blokvormige, bijna constructieve uitstraling geven.

De armen zijn opvallend iel en lang, veel dunner dan de massieve romp.
Ze hangen strak langs het lichaam en eindigen in klauwachtige handen:
de vingers zijn kort, grof en licht gebogen,
waardoor de hand geen anatomische articulatie heeft
maar eerder een gestileerde grijpvorm.
Deze disproportie tussen de slanke armen en de zware romp
versterkt het sculpturale, bijna monumentale karakter van het beeld.

Het hoofd is opvallend:
de bovenkant is ingedeukt, alsof de schedel licht is ingezakt
of bewust is afgeplat.
Rondom loopt een duidelijke haarlijn, een smalle rand die het gezicht
scherp afbakent van de bovenkant van het hoofd.
In vergelijking met de andere beelden in dit bericht
is de neus kleiner en minder dominant,
terwijl ogen, oren en mond juist groot en uitgesproken zijn.
Daardoor krijgt het gezicht een bijna maskerachtige intensiteit,
met sterke accenten op de openingen en perforaties.

De ogen zijn sculpturaal bijzonder:
in een ovale ruimte, gevormd door keramieke oogleden,
liggen kleine bolletjes klei die de pupillen voorstellen.
Deze verhoogde pupillen liggen zichtbaar op het oppervlak van het oog,
waardoor een gelaagd, plastisch effect ontstaat.
De combinatie van de ovale uitsparing, de duidelijke oogleden
en de opgelegde pupillen
geeft de ogen een sterk gestileerde, bijna emblematische vorm
— minder anatomisch, meer maskerachtig.

De oren zijn groot en hoekig, met forse openingen in de oorlel
(denk aan Boeddhabeelden),
waardoor het oor een element wordt dat duidelijk bedoeld is
om iets los doorheen te steken
— een koord met veren, een ring, een los sieraad.

Ook de neusgaten zijn duidelijk ingeboorde perforaties,
diep en rond, wat opnieuw wijst op een sculpturale logica
waarin het lichaam wordt geperforeerd, doorboord, opengewerkt.

De mond is uitzonderlijk.
De tanden zijn bijzonder scherp en regelmatig,
wat de mond een sterk gestileerde, bijna geometrische uitstraling geeft.
Alsof de maker de mond eerder als een maskeropening heeft gedacht
dan als een anatomische mond.

In beide schouders, bijna als oksels,
bevinden zich bewust aangebrachte perforaties.
De bovenkanten liggen min of meer op gelijke hoogte,
zodat ophangen, bevestigen of dragen mogelijk was
en het beeld recht en monumentaal kon worden gepresenteerd.
De plaatsing van de gaten is te doelgericht om toevallig te zijn:
ze maken deel uit van de sculpturale logica van het object.

De klei van het hele beeld is grotendeels egaal van kleur,
maar er zijn donkerblauwe pigmentresten zichtbaar
die sporadisch beginnen boven de armen
en onder de armen een meer aaneengesloten zone vormen.
Deze donkere partijen volgen de centrale verticale as van het beeld
en benadrukken de monumentale, opgerichte aanwezigheid van de figuur.

De benen zijn kort en stevig,
nauwelijks als afzonderlijke volumes gemodelleerd, maar duidelijk aanwezig.
Ze sluiten direct aan op de romp en vormen samen
een compacte, massieve basis waarop het beeld rust.
Hierdoor staat de figuur als een blok, stevig en onverzettelijk,
alsof het eerder een monoliet is dan een anatomisch lichaam.

In zijn geheel maakt het beeld de indruk van een opgericht monument:
hoekig, zwaar, doorboord, met een gezicht
dat eerder maskerachtig dan menselijk is.
De combinatie van perforaties, de gestileerde tanden, de opgelegde pupillen,
de donkerblauwe verkleuringen en de ingedeukte bovenkant
geeft het beeld een functie die verder gaat dan representatie
— het lijkt een object dat kon worden opgehangen of gedragen,
en dat in zijn presentatie een duidelijke monumentaliteit moest uitdragen.

Afronding

Samen laten de drie beelden zien hoe binnen één cultuur
vormen kunnen verschillen en toch verwant blijven.

Elk beeld heeft zijn eigen logica, zijn eigen manier van aanwezig zijn,
maar ze delen een sculpturale taal
waarin ogen, neus, oren en mond
door hun perforaties sterker spreken dan anatomie.

Beschilderd, verbaasd, doorboord, opgericht:
ze tonen hoe expressie kan verschuiven van vorm naar opening,
van lichaam naar doorboring.

Ze vormen geen novelle, roman of bijbelboek
— eerder een reeks ontmoetingen waarin kijken het verhaal maakt.
En zo laat kijken, vergelijken en opnieuw kijken telkens iets anders zien.

Gestolde Aanwezigheid

– over een vrouwelijke figuur uit Veracruz –

DSC06055 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGranFiguraFemeninaDelPreclasicoMedioDeVeracruz1250AC-200DC
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Gran figura femenina del preclasico medio de Veracruz, 1250 A.C. – 200 D.C.
DSC06055 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGranFiguraFemeninaDelPreclasicoMedioDeVeracruz1250AC-200DC
DSC06055 03 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGranFiguraFemeninaDelPreclasicoMedioDeVeracruz1250AC-200DC
DSC06055 04 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGranFiguraFemeninaDelPreclasicoMedioDeVeracruz1250AC-200DC

Grote, zittende vrouw

In het Museum of Mexican Prehispanic Art
staat deze grote vrouwelijke figuur uit het Preklassieke Veracruz
als een geconcentreerde aanwezigheid, bijna meer ritueel dan mens.

Haar houding is streng frontaal, alsof het lichaam in een vaste as is gezet.
Bovenop die stille verticaliteit ligt een bekroning van banen en noppen,
meer architectonisch dan lichamelijk —
een vorm die het begin markeert van een ritueel hoofd.

Langs haar bovenarmen liggen afgeronde rechthoekige zones,
licht verdiept in het oppervlak en gemarkeerd met een donkere kleur.
In die panelen staan — of steken door — kleine noppen, zes,
waarschijnlijk acht, elk met een inboring
alsof ze één voor één zijn aangebracht.
Het zijn geen sieraden die op de schouders rusten,
maar rituele markeringen die als symbolische velden
tegen het lichaam zijn geplaatst,
zones waar het oppervlak wordt onderbroken en geaccentueerd.

In de buik is een rond gat aangebracht, op de plaats van de navel,
vermoedelijk met rituele of technische functie.

De ledematen lijken op het eerste gezicht onaf
— stompjes met kleine gaten en ingekraste lijnen —
maar juist die reductie maakt duidelijk
dat ze niet bedoeld zijn om te handelen of te bewegen.
Ze fixeren de figuur in een toestand van rituele stilte.

Het gezicht is opgebouwd uit volumes en indrukken:
de ogen bestaan uit drie kleine gaten naast elkaar,
waarvan de randen met klei zijn opgeduwd,
zodat een bolle bovenrand, een scherp ingesneden onderrand
en een smalle, schaduwrijke spleet ontstaan.

De neus is spits en draagt een neussieraad
dat de verticale as van het gezicht benadrukt.

De mond toont een vergelijkbare techniek als de ogen:
direct achter de lip liggen kleine inkepingen,
sommige donker gepigmenteerd, andere vrijwel ongekleurd,
waardoor een ritmisch patroon van licht en schaduw ontstaat
dat de suggestie van tanden wekt.
Rond de mond zijn moderne krassen zichtbaar
die niets met de oorspronkelijke modellering te maken hebben.

Ogen, neus en mond samen vormen een ingekeerde expressie,
waar het rituele hoofd zijn volle intensiteit krijgt.
Een gezicht dat niet naar buiten spreekt maar naar binnen is gericht.

Alles aan deze figuur suggereert een gestolde staat van concentratie:
een lichaam dat niet spreekt maar bewaart.

Het museum noemt stilistische analogieën
met de latere Huasteekse traditie.
Die vergelijking zegt minder over afkomst dan over functie:
beide tradities gebruiken zittende, ingekeerde figuren
als rituele tegenwoordigheid in kleine, lokale contexten.

Ook dit beeld lijkt te hebben gefungeerd
als ingekeerde tegenwoordigheid in een lokale rituele praktijk —
mogelijk binnen beschermingsrituelen, rituelen rond vruchtbaarheid
of voorspoed, momenten van rituele stilte of meditatieachtige handelingen,
of als drager van voorouderlijke aanwezigheid.

Wanneer je van het beeld opkijkt en zoekt naar een bredere context,
blijkt dat deze figuur geworteld is in een Preklassiek beeldlandschap
dat langs de oostkust van Mexico tot ontwikkeling kwam:

Traditie

In het gebied langs de oostkust van Mexico
— vooral in de huidige staten Veracruz, Tamaulipas
en delen van San Luis Potosí —
ontstond in de Preklassieke periode een beeldtraditie
waarin zittende vrouwelijke figuren een opvallende rol spelen.

Deze regio vormt een eigen vroeg‑Meso‑Amerikaans kunstlandschap,
anders dan bijvoorbeeld Oaxaca in het zuiden
of West‑Mexico (Colima, Jalisco, Nayarit).

De zitbeelden uit de oostkust zijn geen portretten
maar gestolde rituele figuren, gemaakt om een toestand van concentratie,
bescherming of aanwezigheid te belichamen.
De zittende houding
— knieën opgetrokken, armen tegen het lichaam, romp frontaal —
verankert het lichaam en sluit elke suggestie van beweging uit.

Vrouwelijke figuren dragen in deze context vaak de last van symboliek:
zij vertegenwoordigen vruchtbaarheid, continuïteit, de aarde,
maar evenzeer de stilte van het ritueel,
het moment waarop het lichaam niet handelt maar ontvangt.

Hun ornamenten markeren zones van kracht;
hun ledematen worden bewust gereduceerd;
hun gezichten tonen geen expressie maar een innerlijke spanning.
In zulke beelden wordt het vrouwelijke lichaam
niet als individu weergegeven,
maar als drager van een rituele staat,
een vorm die de gemeenschap moest begeleiden, beschermen of bezweren.

DSC06055 05 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGranFiguraFemeninaDelPreclasicoMedioDeVeracruz1250AC-200DC
DSC06055 06 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGranFiguraFemeninaDelPreclasicoMedioDeVeracruz1250AC-200DC
DSC06055 07 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtGranFiguraFemeninaDelPreclasicoMedioDeVeracruz1250AC-200DC

India 24/25: Varanasi, dag 3 – Archaeological Museum Sarnath 09

– over zandsteen waarin tijd en aandacht samen zijn achtergebleven –

In dit bericht laat ik een laatste reeks reliëfs zien
uit het Archaeological Museum Sarnath.
Het zijn fragmenten uit verschillende panelen
— sommige zacht en verzonken, andere scherp en energiek —
maar allemaal geworteld in dezelfde laat‑Gupta traditie.

Samen geven ze een indruk van de rijkdom van Sarnath:
van devotie en bescherming tot strijd, beweging en verstilling.

DSC01773IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathLifeScenesOfBuddha6thCenturyCESandstoneAccNo262
India, Varanasi, Archaeological Museum Sarnath, Life scenes of Buddha, 6th century CE, sandstone. Acc. No. 262.
DSC01775IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathLifeScenesOfBuddha6thCenturyCESandstoneAccNo262 PanelDepictingFourImportantEventsOfBuddha'sLife

Vier heilige momenten in steen

In het Sarnath‑museum staat een hooggerekt reliëf
dat de levensweg van de Boeddha samenvat
als een verticale pelgrimage.
Van onder naar boven ontvouwt zich de cyclus
van geboorte, verlichting, leer en bevrijding:
Lumbinī, Bodhgayā, Sarnath en Kuśinagara.

De stupa‑vorm waarin deze scènes zijn gevat, maakt van het beeld
een miniatuurwereld van de dharma:
de Boeddha verschijnt, ontwaakt, onderwijst en verdwijnt
— maar zijn leer blijft als een stille as door alle lagen heen.

Stijl en herkomst

Het reliëf past duidelijk binnen de laat‑Gupta traditie
die in Sarnath zo herkenbaar is:
zachte, bijna vloeibare contouren, een serene gelaatsuitdrukking
en een voorkeur voor slanke, licht geabstraheerde proporties.
Het atelier in Sarnath stond bekend om zijn verfijnde zandsteenwerk,
waarbij de beeldhouwers de scènes
niet dramatisch maar contemplatief vormgaven
— alsof elke figuur een echo is van innerlijke rust.

De verticale ordening van de vier heilige plaatsen verraadt bovendien
een didactische bedoeling:
het paneel fungeerde waarschijnlijk als devotioneel object,
bedoeld om pelgrims te herinneren
aan de geografische én spirituele route die de Boeddha heeft afgelegd.

DSC01780IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathKirtimukha5thCenturyCESandstoneAccNo664
Kirtimukha, 5th century CE, sandstone. Acc. No. 664.
DSC01781IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathKirtimukha5thCenturyCESandstoneAccNo664

Kīrtimukha met opvliegende ganzen

Deze late Gupta‑steen uit Sarnath (5e eeuw) toont het mythische gezicht
dat als beschermend motief boven tempelpoorten en nissen werd geplaatst.
De Kīrtimukha — letterlijk “gezicht van glorie” —
lijkt te ontstaan uit ranken en wolkvormen, alsof hij zelf uit de steen groeit.
Aan weerszijden stijgen twee ganzen op,
symbolen van zuiverheid en spirituele vlucht;
de linker draagt een tak, een subtiele verwijzing naar leven en wedergeboorte.
De combinatie van dier en demonisch‑plantaardig ornament
is typisch voor Sarnath:
het decor is niet dreigend maar ritmisch,
bijna muzikaal, een spel van symmetrie en adem.

De poortwachter van de leegte

De Kīrtimukha ontstond volgens de mythe uit de woede van Śiva,
maar werd door zijn berouw tot een symbool van zelfoverwinning.
In de tempelarchitectuur bewaakt hij de grens tussen het wereldse
en het sacrale: zijn open mond verslindt alles wat nadert,
zodat enkel het zuivere de heilige ruimte kan betreden.
Wat ooit een demonisch gezicht was,
werd zo een beeld van transformatie
— een herinnering dat de weg naar inzicht begint
met het loslaten van eigen begeerte.
In Sarnath krijgt dit motief een zachte, bijna vegetale vorm,
alsof de steen zelf ademt en de poort niet bedreigt maar uitnodigt.

DSC01783 01 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathAssassinationOfDemonAndhakByShiva12thCenturyCESandstoneAccNo39
Assassination of demon Andhak by Shiva, 12th century CE, sandstone. Acc. No. 39.
DSC01783 02 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathAssassinationOfDemonAndhakByShiva12thCenturyCESandstoneAccNo39 Hands
Shiva met baard en drietand valt Andhak aan.
DSC01783 03 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathAssassinationOfDemonAndhakByShiva12thCenturyCESandstoneAccNo39 Hands
Tegelijk vertrapt Shiva een demon.
DSC01783 04 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathAssassinationOfDemonAndhakByShiva12thCenturyCESandstoneAccNo39 Hands
Zo telde ik de armen/handen. Ik kom tot acht.
DSC01785IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathAssassinationOfDemonAndhakByShiva12thCenturyCESandstoneAccNo39 Txt
Deze zaaltekst heeft het over 10 armen maar ik kan die niet alle tien vinden.

Shiva in strijd met Andhaka

Het reliëf toont een baardige Shiva in een krachtige,
bijna spiraalvormige houding.
Zijn lichaam draait licht naar links, terwijl zijn blik omhoog gericht is
naar de demon Andhaka, die hij met zijn drietand doorboort.
Rond zijn torso waaieren acht armen uit, elk met een wapen of attribuut:
boog, knots, trident, schaal, en andere rituele voorwerpen.
De compositie is dicht en energiek
— de armen vormen een ritmische kring rond het gelaat,
dat ondanks de woede een zekere concentratie behoudt.
Onder Shiva’s opgeheven been kronkelt een verslagen demon,
symbool van het kwaad dat onder de voet wordt gehouden.
De beitelsporen verraden dat het werk onvoltooid bleef,
maar juist daardoor blijft de beweging voelbaar:
het is alsof de steen nog trilt van de strijd.

De symboliek van de strijd

De mythe vertelt hoe Andhaka, een demon geboren uit blind verlangen,
Shiva’s echtgenote Pārvatī begeerde
en daarmee de orde van de wereld verstoorde.
Shiva trad hem tegemoet in een kosmische strijd
waarin elke druppel bloed van Andhaka nieuwe demonen voortbracht;
daarom moest Shiva hem met de drietand doorboren
en tegelijk het bloed opvangen,
zodat het kwaad zich niet kon vermenigvuldigen.
In het reliëf zie je die spanning: de blik omhoog,
de armen die als een kring van macht om het lichaam staan,
de demon onder de voet die het overwonnen verlangen belichaamt.
Het is een beeld van innerlijke strijd evenzeer als van goddelijke kracht
— de overwinning op Andhaka is uiteindelijk de overwinning
op het eigen verblindende ego.

Vreedzaamheid en geweld: een vergeten spanning

Voor veel westerse bezoekers botst dit reliëf
met het idee dat Oosterse religies
vooral zacht, sereen en meditatief zouden zijn.
Maar in werkelijkheid lopen geweld en devotie in India vaak door elkaar:
goden strijden, demonen worden onderworpen,
kosmische orde wordt hersteld door middel van vernietiging.
Het is geen gratuit geweld, maar een symbolische taal
waarin innerlijke conflicten, begeerte en verblinding worden verbeeld.
Shiva’s strijd met Andhaka laat zien dat spirituele tradities
niet alleen rust en inzicht tonen,
maar ook de rauwe energie die nodig is om het kwaad
— zowel buiten als binnen de mens — te doorbreken.
Juist die combinatie van contemplatie en agressie
maakt dit Sarnath‑reliëf zo indringend:
het is een spirituele wereld waarin sereniteit niet bestaat zonder strijd.

DSC01786IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathRiderOnLeogryph5thCenturyCESandstoneAccNo244
Rider on leogryph, 5th century CE, sandstone. Acc. No. 244.
DSC01788IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathRiderOnLeogryph5thCenturyCESandstoneAccNo249
Rider on leogryph, 5th century CE, sandstone. Acc. No. 249.

Twee leogryph‑ruiters, twee karakters

In het Sarnath‑museum staan twee reliëfs uit de 5e eeuw
die een ruiter op een leogryph tonen
— een mythisch dier dat de kracht van de leeuw
en de snelheid van het paard verenigt.

Ondanks het gedeelde motief hebben de panelen een heel eigen uitstraling.

Acc. 244 is dof en sterk afgesleten:
de zandsteen heeft een matte huid gekregen, de contouren zijn verzacht
en het geheel lijkt door tijd en aanraking gepolijst.

Acc. 249 is minder intact maar opvallend glanzend;
de breuklijnen zijn scherper, de steen vangt het licht
en de resterende vormen hebben een bijna metalen helderheid.

In beide reliëfs is de compositie gebogen
binnen een architectonische omlijsting,
wat suggereert dat ze ooit deel uitmaakten van een tempelbasis of poort.
Zo tonen ze dezelfde iconografie,
maar belichamen ze twee verschillende manieren
waarop tijd, slijtage en fragmentatie een beeld kunnen vormen
— één verzonken en zacht, één scherp en fragmentarisch aanwezig.

Waarom Sarnath‑zandsteen zo ongelijk veroudert

De verschillen tussen de twee leogryph‑panelen zijn niet uitzonderlijk:
Sarnath‑zandsteen staat bekend om zijn ongelijke veroudering.
Het materiaal is relatief zacht en reageert sterk op variaties in
vocht, temperatuur en blootstelling.
Sommige stukken worden door eeuwenlange aanraking
en luchtcirculatie mat en zijdeachtig,
terwijl andere fragmenten juist glans krijgen doordat de steen dichter,
harder of minder poreus is in bepaalde lagen.
Breuklijnen kunnen bovendien nieuwe, heldere vlakken openen
die het licht anders vangen dan het oorspronkelijke oppervlak.
Zo ontstaat een soort geologische biografie:
elk reliëf draagt de sporen van zijn eigen geschiedenis,
van waar het lag, hoe het werd gevonden,
en welke delen van de steen de tijd beter of slechter hebben doorstaan.

Symboliek en context

De leogryph fungeert vaak als drager van goddelijke of heroïsche figuren,
een hybride wezen dat de kracht van de leeuw
en de snelheid van het paard verenigt.
In Sarnath kan hij ook verwijzen naar de bewakers van de dharma
— wezens die de heilige ruimte beschermen tegen chaos.
De ruiter zelf blijft anoniem,
maar zijn houding en greep suggereren
beheersing van de oerkracht onder hem.
Zo wordt het beeld een allegorie van spirituele controle:
de mens die de instinctieve energie van het dier temt
zonder haar te vernietigen.

IMG_3530 01 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathPreachingBuddha5thCenturyCESandstoneAccNo340
Preaching Buddha, 5th century CE, sandstone. Acc. No. 340.
IMG_3530 02 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathPreachingBuddha5thCenturyCESandstoneAccNo340
IMG_3530 03 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathPreachingBuddha5thCenturyCESandstoneAccNo340
IMG_3530 04 IndiaVaranasiArchaeologicalMuseumSarnathPreachingBuddha5thCenturyCESandstoneAccNo340

Preaching Buddha

De Boeddha zit in de houding van het onderwijzen,
met beide handen voor de borst in de Dharmachakra‑mudrā,
het “in beweging zetten van het wiel van de leer”.
De gelaatstrekken zijn volmaakt symmetrisch en zacht,
de ogen halfgesloten in innerlijke concentratie.
Achter hem ontvouwt zich een rijk versierde aureool met florale motieven
en twee hemelse figuren die bloemen strooien
— een visuele echo van de eerste prediking in Sarnath.

Langs de zijkanten zie je gevleugelde dieren en wolkvormen,
symbolen van spirituele verheffing.
En onderaan, in de basis, bevindt zich een kleine scène
die vaak over het hoofd wordt gezien:
figuren rond een centraal object.
Dat detail verwijst waarschijnlijk naar de eerste discipelen
die de leer ontvingen in het hertenpark van Sarnath.

Een stille kern van beweging

Wat dit beeld zo bijzonder maakt, is de spanning
tussen absolute rust en innerlijke dynamiek.
De Boeddha zit onbeweeglijk, maar alles om hem heen
— aureool, wolken, dieren, leerlingen — beweegt.
De steen lijkt zelf te ademen.
In die zin is dit reliëf het tegenbeeld van de gewelddadige Shiva‑scène
die hierboven passeerde:
hier wordt de strijd niet buiten, maar binnenin gevoerd,
en de overwinning is stilte.

De basis: de eerste prediking in het hertenpark

In de nis onderaan het reliëf bevindt zich een compacte scène
met zes, mogelijk zeven figuren rond een centraal object
dat van opzij als een Dharmachakra te herkennen is.
Door beschadiging is de precieze vorm van één figuur links
niet meer te bepalen, maar de overige personen zijn duidelijk zichtbaar.
Voor deze groep zitten twee herten, beschadigd
maar nog goed herkenbaar in contour: de gebogen rug, de fijne snuit,
de aandachtige houding.
Ze richten hun kop naar het wiel.
De nis wordt links en rechts begrensd door gemodelleerde pilaren,
waardoor deze scène als een miniatuur‑heiligdom
binnen het grotere reliëf verschijnt.

Aantallen, symmetrie en historische verwijzing

Historisch verwijst deze scène naar de eerste prediking in het hertenpark,
waar de Boeddha zijn leer deelde met vijf discipelen
— een getal dat in de canonieke overlevering vastligt.
In dit reliëf zien we echter zes of misschien zeven figuren.
Dat verschil komt vaker voor in Sarnath‑kunst:
beeldhouwers kozen geregeld voor compositorische balans
boven strikte narratieve juistheid.
Extra figuren versterken de visuele harmonie
of breiden de kring van luisterenden symbolisch uit.
Door slijtage is niet te bepalen of de beschadigde vorm links
een zevende persoon was of een decoratief element,
maar de opzet blijft duidelijk:
een centrale leer, omringd door aandachtige wezens — mens en dier —
in een ritmische, zorgvuldig geordende scène.

Het hert als symbool in de boeddhistische kunst

Het hert is een van de oudste en meest constante symbolen
in de boeddhistische beeldtraditie.
In vrijwel alle scholen verwijst het naar het Hertenpark van Sarnath,
waar Boeddha zijn eerste leerrede gaf.
Die associatie blijft door de eeuwen heen herkenbaar,
maar de manier waarop herten worden afgebeeld
verschilt per periode en regio.

In vroege Indiase kunst staan ze dicht bij het Dharmachakra
en hebben ze een rustige, luisterende houding.
In de Tibetaanse en Nepalese tradities worden herten
vaak sierlijker en expressiever, soms met langere poten
en een meer gestileerde kop.
In de Chinese kunst krijgt het hert soms een extra laag van symboliek
als teken van lang leven en voorspoed.

Ondanks die variaties blijft de kern hetzelfde:
het hert markeert het moment waarop de leer van Boeddha
de wereld binnentreedt,
en staat voor aandacht, vrede en ontvankelijkheid — een dier dat luistert.

Afronding

Samen laten deze reliëfs zien hoe veelzijdig de beeldtraditie van Sarnath is.
Strijd en rust, bescherming en devotie, ornament en symboliek:
het bestaat hier naast elkaar zonder te botsen.
De zandsteen draagt de tijd, maar ook de aandacht
waarmee deze beelden ooit zijn gemaakt.
Zo blijft Sarnath een plaats waar de dharma niet alleen wordt verteld,
maar ook zichtbaar is — in elke houding, elke lijn, elke stilte.


Mensbeelden uit Jalisco

– over massa, beweging en het denken in klei –

Het was een zonovergoten dag in Oaxaca.
Het museum is een heel mooi, eenvoudig gebouw met rond een patio
de tentoonstellingsruimtes.
Elk met een eigen kleur als een soort thema.
De werken staan of hangen in speciale vitrines in de muur.
Soms staan de werken op zich zelf, midden op de vloer of tegen de wand.
Het is er rustig als ik er ben.
Je kunt goed rondlopen, terugkeren naar een vitrine om een indruk te toetsen,
de tuin is warm, maar de ruimtes zijn heel comfortabel.

Dat de hele wereld dag in dag uit naar Mexico, de VS en Canada zal kijken
om geen minuut te missen van het voetbal,
daar merk je in het museum nog helemaal niets van.
Hoewel, ik maakte van twee beeldjes foto’s.
Een er van heeft zeker te maken met sport.
Anders dan voetbal, maar waarschijnlijk heel populair in hun tijd.

DSC06043 01 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraFemeninaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Figura femenina, Jalisco, preclassico tardio, 1250 a.C. – 200 d. C. Vrouwfiguur gevonden in Jalisco.
DSC06043 02 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraFemeninaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
DSC06043 03 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraFemeninaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC

Een vinger is een teen is een uitsteeksel

Deze gedrongen figuur lijkt uit één compacte massa geboetseerd,
met een nadruk op volume eerder dan op anatomie.
De armen sluiten dicht aan tegen het lichaam,
de schouders zijn bezet met kleine bultjes
die als een korrelige huid of een rituele bekleding kunnen worden gelezen.
Handen en voeten zijn bijna identiek gevormd
— brede uiteinden met ingesneden lijnen
die vingers en tenen slechts suggereren.

Alles wijst op een maker die meer dacht dan keek:
de vormen volgen een innerlijke logica, niet de waarneming.
Het lichaam is niet geobserveerd maar geconstrueerd,
als een idee van menselijkheid dat in klei wordt vastgelegd.

De ruwe betonnen achtergrond van de vitrine versterkt dat effect:
beide delen dezelfde aardse stilte,
alsof het beeldje nog steeds in zijn eigen wereld van grond en ritueel staat.


DSC06044 01 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
Figura masculina, jugador de pelota, Jalisco, preclassico tardio, 1250 a.C. – 200 d.C. Mannelijke balspeler.
DSC06044 02 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
DSC06044 03 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
DSC06044 04 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC
DSC06044 05 MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtFiguraMasculinaJugadorDePelotaJaliscoPreclassicoTardio1250aC-200dC

Pelota

De speler staat in een compacte, bijna hoekige houding,
met de bal als verlengstuk van zijn lichaam.
Zijn gezicht is een masker: streng, geometrisch, met smalle ogen
en een scherpe neus die de expressie tot een teken reduceert.
Het lichaam lijkt gehuld in een glad oppervlak
dat aan een sportshirt doet denken,
maar de handen en voeten volgen elk hun eigen logica
— platgedrukte bolletjes als vingers, tegenover voeten met volume en gewicht.

De maker heeft niet gekeken, maar gedacht:
hij boetseerde volgens een innerlijk schema
waarin de mens een symbool wordt van kracht en ritueel.
Zelfs de bal, ruw en onregelmatig, lijkt meer idee dan object
— een echo van het spel dat hier niet wordt gespeeld maar herinnerd.

Twee figuren, één vitrine — twee manieren om een mens te denken

Hoewel beide beeldjes uit Jalisco komen en naast elkaar
in dezelfde vitrine staan, lijken ze bijna uit verschillende werelden.

De vrouwelijke figuur is compact en gesloten,
een gedrongen lichaam dat als een blok aarde staat
— stil, massief, haast architectonisch.

De pelota‑speler daarentegen is beweeglijk:
zijn linkerarm buigt soepel, zijn romp lijkt licht te kantelen,
en zelfs zijn maskerachtige gezicht draagt een spanning die op actie wijst.

Het is alsof de ene maker in massa en rust dacht,
en de andere in lijn en beweging.
Twee kunstenaars, twee mentale modellen van menselijkheid:
een aanwezigheid of een gebaar.

Samen tonen ze hoe binnen één regio en één periode
de menselijke figuur niet één stijl volgde,
maar een hele waaier aan interpretaties
— van het statische tot het dynamische, van het aardse tot het rituele.

Afsluiting

Of de bal goedgekeurd zou worden door de FIFA betwijfel ik.
Maar deze beeldjes hebben geen erkenning nodig
— zeker niet van een corrupte organisatie.


Verso – Een ridder in Vaud, een vorst in Saksen

– over twee achterkanten en twee politieke werelden –

De tentoonstelling Verso – Tales from the Other Side
was opgedeeld in secties. In de teksten wordt soms gesproken over ‘rooms’.
Met dit bericht zijn we aangekomen bij de vijfde sectie
waarin schilderijen aan bod kwamen waarop op de achterkant wapenschilden zijn te zien.
In dit bericht de eerste twee schilderijen.
Later volgen er nog een paar.

DSC05767 01 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Niederländischer Meister, Portait of Jacob of Savoy, Count of Romont, um 1475, mischtechnik auf eichenholz. Inv. 457.
DSC05767 02 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz
DSC05766 01 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz Verso
Verso, de andere kant van de afbeelding.
DSC05766 02 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz Verso
DSC05766 03 BazelKunstmuseumBaselVersoNiederländischerMeisterPortaitOfJacobOfSavoyCountOfRomontUm1475MischtechnikAufEichenholz Verso

Niederländischer Meister

In de 15e eeuw vormden de Bourgondische hertogen een uitgestrekt rijk
dat zich uitstrekte van Dijon tot aan de Noordzee.
Het bestond uit twee delen:
het zuidelijke hertogdom Bourgondië in het huidige Frankrijk,
en de noordelijke Bourgondische Nederlanden
— Vlaanderen, Brabant, Holland, Zeeland en de omliggende gewesten.
Aan het hof van Karel de Stoute groeide deze noordelijke regio uit
tot een centrum van verfijnde schilderkunst,
met meesters als Rogier van der Weyden en Hans Memling.
Wanneer een museum in het Duits spreekt van een Niederländischer Meister,
bedoelt het daarom de schildertraditie van deze Bourgondische Nederlanden.
Het is een stilistische aanduiding:
een manier om een anonieme schilder te plaatsen
binnen de Vlaamse/Nederlandse hofkunst van de 15e eeuw,
zonder een specifieke naam of atelier te claimen.

Binnen dat Bourgondische netwerk bewoog Jacob II van Savoye zich
als bondgenoot van Karel de Stoute tussen Dijon, Brussel en de Vlaamse steden.
Zijn portret past precies in die wereld:
het is geschilderd in de verfijnde stijl die aan het Bourgondische hof tot bloei kwam,
met aandacht voor stofuitdrukking, sieraden en een beheerste,
bijna sculpturale weergave van het gezicht.
Omdat de maker onbekend is,
maar duidelijk tot deze Vlaamse‑Nederlandse hoftraditie behoort,
gebruikt het museum de brede term Niederländischer Meister.
Zo wordt het werk geplaatst in de schilderkunst van de Bourgondische Nederlanden,
zonder een specifieke meester of atelier te hoeven noemen.

Een korte biografische schets

Jacob II van Savoye (geboren 1450) was een jongere zoon
uit het machtige huis Savoye, een dynastie die haar invloed uitstrekte
over de Alpen en het gebied rond het Meer van Genève.
Als tiener kreeg hij het Pays de Vaud als apanage:
een samenhangende regio van steden, kastelen en landerijen
in het westen van het huidige Zwitserland,
met Romont als een van de centrale plaatsen.
Het was geen strak afgebakend territorium zoals moderne staten,
maar een herkenbare machtszone
waar de Savoyaardse hertog daadwerkelijk gezag uitoefende.
Voor Jacob betekende dit dat hij niet alleen een titel droeg,
maar een reëel gebied bestuurde
— met inkomsten, soldaten en een eigen regionale identiteit.

In de jaren 1470 sloot hij zich aan bij Karel de Stoute,
de Bourgondische hertog, en bewoog zich in de hoogste kringen van een hof
dat bekendstond om zijn ceremonie, pracht en verfijnde kunst.
Na Karels dood in 1477 bleef Jacob trouw aan diens erfgename
Maria van Bourgondië, wat hem in 1478 een plaats opleverde
in de Orde van het Gulden Vlies, het exclusieve riddergenootschap
van de Bourgondische elite.
Hij stierf enkele jaren later, vermoedelijk rond 1485/86,
waardoor zijn portret een zeldzaam venster vormt op een edelman
die zijn politieke en militaire rol binnen het Bourgondische netwerk
maar gedeeltelijk heeft kunnen vervullen.

Portret

Het portret dat Jacob rond 1475 toont, past precies in de Bourgondische hofcultuur.
Zijn blik is licht asymmetrisch, maar daar is geen historische aanwijzing voor:
geen enkele bron vermeldt een oogafwijking,
en Vlaamse meesters gebruikten subtiele variatie om een gezicht levendiger te maken.
Hij draagt een meerlagige ketting met kralen en een zware hanger
— geen officieel insigne zoals het Gulden Vlies,
maar een persoonlijk sieraad dat binnen hofportretten
minder gebruikelijk is dan formele orde‑tekens.
Daarnaast draagt hij een pinkring met een steen,
een subtiel teken van persoonlijke status.
Zijn handen liggen ongewoon laag in beeld, met de vingers over elkaar
— een ingetogen, bijna zuinige houding
die het portret een opvallende terughoudendheid geeft.

Wapenschild

Het familiewapen van Jacob II van Savoye
is een uitgesproken voorbeeld van laatmiddeleeuwse heraldiek
waarin macht en afkomst visueel samenvallen.
In het midden staat het Savoyaardse kruis — wit op rood —
omgeven door een blauwe rand met gouden versiering.
Daarbuiten, op rood en tussen gouden stiksels,
staat een reeks goudkleurige tekens; ze lijken op letters,
maar zijn te gestileerd en te fragmentarisch
om als leesbare tekst te worden geïdentificeerd.
Daaromheen staan stralende punten die het geheel als een zon omringen.
Aan weerszijden houden beren het schild vast,
een verwijzing naar kracht en standvastigheid,
terwijl bovenop een gouden helm prijkt met een gevleugelde leeuwenkop
als helmteken: een symbool van moed en waakzaamheid.
De rode en witte bladkrullen verwijzen naar de kleuren van Savoye,
en onderaan verschijnt een kleine gevleugelde hengst,
een teken van snelheid en adel.

Op het eerste gezicht lijkt het wapen goed te lezen,
maar gaandeweg worden details zichtbaar die zich moeilijk laten duiden,
zoals de sporen van een tekst onder de gevleugelde hengst
waarvan geen letter meer te onderscheiden is.

Waarom hij zo’n typische “heraldieke persoonlijkheid” is

Jacob is precies het soort edelman dat trots was op afkomst en territorium,
en dat niet alleen kon maar ook moest zijn.
Als jongere zoon moest hij zich via titels, functies en symbolen profileren;
hij beschikte over een eigen machtsbasis in het Pays de Vaud;
hij leefde in een hofcultuur waarin identiteit zichtbaar werd gedragen
in kleding, sieraden en wapenschilden;
en hij vervulde militaire functies waarin banieren, kleuren en heraldiek
een centrale rol speelden.

Kortom:
Jacob II belichaamt het laatmiddeleeuwse idee dat macht en afkomst
niet alleen bezit waren, maar ook beeldtaal.
Hij is precies het type mens dat zijn achtergrond niet verbergt,
maar met overtuiging toont — in wapens, insignes en portretten.


DSC05769BazelKunstmuseumBaselVersoCoatOfArmsTxt
Zaaltekst bij de vijfde sectie van de tentoonstelling.

DSC05772 01 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
Lucas Cranach der Älter, Portrait of Johann Friedrich, The Magnanimous, Elector of Saxony, 1533, öl auf buchenholz. Inv. 1228.
DSC05772 02 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
DSC05772 03 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
DSC05773  01 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
DSC05773  02 BazelKunstmuseumBaselVersoLucasCranachDerÄlterPortraitOfJohannFriedrichTheMagnanimousElectorOfSaxony1533ölAufBuchenholzInv1228
Zo zijn de wapenschilden misschien nog iets duidelijker.

De Grootmoedige

Johann Friedrich (geboren 1503) was keurvorst van Saksen
— een van de zeer selecte vorsten binnen het Heilige Roomse Rijk
die het recht hadden om de keizer te kiezen.
Die positie gaf hem aanzienlijke politieke invloed
en maakte zijn dynastieke representatie extra belangrijk.
Hij stamde uit het Huis Wettin, een oude dynastie
die al sinds de middeleeuwen de Saksische gebieden bestuurde.
Binnen dat huis bestonden twee takken: de Albertijnse en de Ernestijnse linie.
Johann Friedrich behoorde tot die Ernestijnse tak,
die in zijn tijd de leiding had over Wittenberg en het Saksische keurvorstendom.

Als beschermheer van Luther en de universiteit van Wittenberg
speelde hij een sleutelrol in de verspreiding van het protestantse geloof.

Zijn bijnaam der Großmütige verwijst naar zijn reputatie
als loyale, principiële vorst.

In 1527 trouwde hij met Sibylle van Kleef,
waarmee hij de Saksische dynastie verbond aan het Rijnlandse huis Kleef‑Jülich‑Berg
— een alliantie die zowel politiek als symbolisch gewicht had
binnen het Heilige Roomse Rijk.

Hij overleed in 1554, 51 jaar oud, aan een plotselinge infectie die een lichaam trof
dat al verzwakt was door jaren van gevangenschap na de Schmalkaldische Oorlog.

Het portret en de achterkant

Lucas Cranach der Ältere schilderde Johann Friedrich in 1533,
in een sobere maar statige pose
— een stijl die zowel past bij de ingetogen Saksische hofcultuur
als bij de vroege protestantse voorkeur voor waardige eenvoud.
De keurvorst draagt een bontkraag en een rijk geborduurde halsband
met de inscriptie “ALS IN EREN”
— een morele uitspraak die Cranach niet als versiering
maar als karakterteken gebruikte.
De woorden, deels herhaald in het patroon van de stof,
presenteren de keurprins als iemand die leeft in overeenstemming met eer en waardigheid.
In de context van Wittenberg, waar geloof en gedrag nauw verbonden waren,
krijgt die korte tekst de kracht van een belofte:
een vorst die zijn positie niet door pracht maar door deugd bevestigt.
De meerlagige ketting en de ring met een steen onderstrepen zijn persoonlijke status,
terwijl de lage, verstrengelde handhouding een ingetogen waardigheid uitstraalt.

Op de achterkant van het paneel zijn, tussen twee later aangebrachte Franse briefjes,
twee kleine wapenschilden zichtbaar: het Saksische en het Kleefse wapen.
Die heraldische combinatie verwijst naar het huwelijk
tussen Johann Friedrich en Sibylle;
bij zulke vorstelijke verbintenissen was het gebruikelijk
dat er meerdere, vrijwel identieke portretten werden vervaardigd,
zodat ze konden functioneren als diplomatiek geschenk
én als publieke bevestiging van de huwelijksband tussen twee huizen.

De verso fungeert zo als heraldische pendant bij het portret,
en bevestigt dat het werk oorspronkelijk deel uitmaakte van een tweeluik.
Andere versies van dit portretpaar zijn bewaard gebleven,
onder meer in het Statens Museum for Kunst in Kopenhagen
— een teken dat het hof van Johann Friedrich
dit beeld bewust liet circuleren, en dat Cranach en zijn atelier
het portret daarom in serie vervaardigden als dynastiek en religieus statement.


Let their form and mysteries, their rhythm, their secret sense speak to you

– over kijken zonder houvast –

Toeval wil dat ik vandaag een begin maak met mijn serie
over het Museum of Mexican Prehispanic Art Rufino Tamayo.
Rufino Tamayo was een Mexicaanse moderne kunstenaar.
Hij werkte voor een deel van zijn loopbaan vanuit New York.

In 2008 maakte ik een bericht in de serie ‘Kunstvaria’
met daarin een afbeelding van een van zijn werken.
Dat deed ik nog een keer in 2012, in 2014 en eind vorig jaar.

Dat hij een verzamelaar was van Mexicaanse kunst was mij onbekend.
Nu ik in Oaxaca was had ik de kans zijn prachtige verzameling te zien.

Maar vanochtend las ik ook een bericht over de moord
op Francisco Leyva, een journalist in datzelfde Oaxaca.
Mexico is geen stabiel land.
Net als de meeste landen in Midden-Amerika.
Een agressieve en corrupte politicus als president in een machtig buurland
helpt dan natuurlijk niet.

NuNlOpnieuwJournalistGedoodInMexico
NU.nl vandaag.

IMG_9771MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtCatalogus
Catalogus van Museum of Mexican Prehispanic Art Rufino Tamayo.
IMG_9772MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtRafaelDonizPortraitOfRufinoTamayoAndOlgaFlores
Portret gemaakt door Rafael Doniz van Rufino Tamayo en zijn vrouw Olga Flores.

In de catalogus van het museum geeft Mariana Frenk-Westheim
– een van oorsprong Duitse schrijfster en onder andere museumcurator –
ons de volgende opdracht:

…open yourselves, open yourselves widely to the beauty and magic of the objects offered here to your eyes and spirit. Let their form and mysteries, their rhythm, their secret sense speak to you.

Do not try to measure or calculate nor to compare art with nature. This art is in no way a servile copy of nature, it has nothing to do with a flat realism devoted to reproduce faithfully the exterior aspect of the object. The exterior aspect is not enough for it. This is an imaginative and visionary art. What you can find here is a second nature, created by man’s phantasy, by his religious thought and his artistic intuition; it is the image of a universe which is nearer to dreams and magic than to daily reality.

Dit is een heel uitdagende opdracht, want het museum heeft gekozen
voor een opstelling waarin de beelden radicaal centraal staan:

  • niet als archeologische vondst (door beperkte zaalteksten)
  • los van het koloniale kader (ruimte om de beelden te laten spreken)
  • in een bijna rituele ruimte (felgekleurde belichting)
  • niet als etnografisch materiaal (de anonieme kunstenaars en hun wereldbeeld staan centraal)

Misschien kun je dat zelf ervaren door een serie van vier foto’s uit de Pink room te bekijken
en de zaaltekst die daar bij hoort.

DSC06009MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtXochipalaFiguurOlmekStaatGuerreroMiddenPreklassiek1250VChr–200NChr
DSC06010MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtXochipalaFiguurOlmekStaatGuerreroMiddenPreklassiek1250VChr–200NChr
DSC06011MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtXochipalaFiguurOlmekStaatGuerreroMiddenPreklassiek1250VChr–200NChr
DSC06012MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtXochipalaFiguurOlmekStaatGuerreroMiddenPreklassiek1250VChr–200NChr
DSC06013MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtXochipalaFiguurZaaltekst

De Nederlandse vertaling van de zaaltekst is:

Midden‑Preklassiek, 1250 v.Chr. – 200 n.Chr. Olmecoïde figuren uit de staat Guerrero, bekend als ‘Xochipala’: in het midden twee jonge figuren; aan de zijkanten drie vrouwelijke figuren, waarvan één een kind voedt; en een kleine, zeer fijn uitgevoerde mannelijke figuur.

In de Pink Room van het Tamayo‑museum staat een vitrine
die je niet zozeer iets vertelt, maar je in een bepaalde staat van kijken brengt.
De ruimte is zacht roze uitgelicht; de figuren staan dicht bij elkaar,
zonder individuele labels, alsof ze samen een ademhaling vormen.
Je leest één korte zaaltekst
— een datering, een herkomst, een naam van een stijl —
en daarna moet je het doen met wat er voor je staat.
Kleifiguren uit Xochipala, Midden‑Preklassiek,
maar verder geen aanwijzingen.

Je merkt hoe je blik langzaam verschuift:

  • van zoeken naar informatie naar kijken naar vorm.
  • de open monden bij alle figuren op één na,
  • zijn het hoofddeksels of wordt hun haar zo weergegeven,
  • ze lijken gaatjes in hun oorlel te dragen,
  • de gebogen armen voor de borst bij de meeste figuren,
  • de meesten lijken zonder kleding te zijn weergegeven,
  • sommige lijken mannelijk en andere vrouwelijk,
  • op de foto met twee figuren heeft de linker een opvallend ronde buik,
  • de rechtse figuur lijkt borstvoeding te geven,
  • de typische manier om knie en enkels weer te geven,
    alsof de kunstenaar weet dat er een gewricht is
    maar een standaard weergave ervoor hanteert, een ribbel,
  • de oorspronkelijk gladde huidoppervlakken,
  • de slijtage die iets van tijd laat zien.

Je weet dat er meer te weten valt, maar het museum houdt die kennis achter,
alsof het wil dat je eerst door deze stilte heen gaat.
En precies in die stilte begint hopelijk iets te werken:
je kijkt langer, aandachtiger, zonder houvast,
en de figuren beginnen een eigen aanwezigheid te krijgen
— als iets dat zich pas toont wanneer je de behoefte aan uitleg loslaat.

IMG_9774MexicoOaxacaMuseumMexicanPrehispanicArtCatalogusVoorbeeld

Waar de penseel danst, maar het brons spreekt

IMG_7676ZürichMuseumRietbergWo die Bäume flüsteren die Fische sich küssen und der Pinzel tanzt
In de tuin Van Museum Rietberg: “Waar de bomen fluisteren, de vissen elkaar kussen en de penseel danst.

Waar buiten de bomen fluisterden en de penseel danste,
stonden binnen veel objecten die geen penseel kennen
maar wel dezelfde reis maakten.
Gevormd door hun Indiase oorsprong,
ondergingen ze later een Chinese vertaling
en ontvingen in Tibet een actieve rol in de devotie.

Vandaag laat ik de laatste foto’s uit Zürich zien die ik maakte
in september 2025.
Mijn doel was de Shiva Nataraja van het Museum Rietberg
en hun Indiase en Chinese collectie.
Ik zag er nog veel meer zoals de bronzen uit Tibet
die hier gaan passeren als de laatste beelden van deze korte vakantie.
Het eerste is een beeld van de tantrisch boeddhistische godheid Achala.

DSC05674ZürichMuseumRietberg 01 AchalaTheImmovableTibet14th-15thCenturyCEKupferlegierungVergoldetSammlungBertiAschmannBA116
Zürich, Museum Rietberg, Achala, The Immovable, Tibet, 14th – 15th century CE, kupferlegierung, vergoldet, sammlung Berti Aschmann, BA 116.

Achala (in het Tibetaans Mi g.yo ba, in het Sanskriet Acala)
is een dharmapāla — een beschermer van de leer.
Zijn naam betekent de Onbewogen
— je zou ook kunnen zeggen: de Standvastige, de Onwrikbare, de Rots.

DSC05674ZürichMuseumRietberg 02 AchalaTheImmovableTibet14th-15thCenturyCEKupferlegierungVergoldetSammlungBertiAschmannBA116 Zwaard
Zwaard.

Maar zijn houding is allesbehalve statisch:
hij belichaamt de paradox van onbeweeglijkheid in actie.

DSC05674ZürichMuseumRietberg 03 AchalaTheImmovableTibet14th-15thCenturyCEKupferlegierungVergoldetSammlungBertiAschmannBA116 LassoEnKnie
Lasso en knie.

Eén knie rust op de grond, het lichaam helt voorover,
het zwaard geheven om onwetendheid te doorboren.
In zijn linkerhand houdt hij de lasso waarmee hij de krachten van de geest temt.
Rond zijn heupen hangt een leeuwenhuid, symbool van getemde kracht.
De sierlijke lijnen van haarlokken, sierbanden en lasso vormen samen
een ritme dat door het hele beeld loopt
— alsof de energie van de strijd niet buiten hem woedt,
maar in het brons zelf pulseert.

DSC05674ZürichMuseumRietberg 04 AchalaTheImmovableTibet14th-15thCenturyCEKupferlegierungVergoldetSammlungBertiAschmannBA116 Dierenhuid
De dierenhuid om de lendenen.

Ontwikkeling

De figuur van Achala heeft een lange reis afgelegd.
Hij ontstaat in India als tantrische beschermer (Acala),
een Wijsheidskoning die illusie en onwetendheid doorboort.
In China blijft zijn functie vrijwel onveranderd:
als Budong Mingwang is hij opnieuw een Wijsheidskoning,
een woeste maar compassievolle verdediger van de dharma.

DSC05676ZürichMuseumRietbergAchalaTheImmovableTibet14th-15thCenturyCEKupferlegierungVergoldetSammlungBertiAschmannBA116

Pas in Tibet krijgt hij als Mi g.yo ba een bredere en intensere rol.
Daar wordt hij niet alleen vereerd als dharmapāla,
maar ook actief ingezet in rituelen, meditatiepraktijken, amuletten en draagbare schrijnen.
Zijn functie wordt er niet anders, maar uitgebreider en centraler:
dezelfde Onbewogen Beschermer, maar met een grotere rituele aanwezigheid.
In al deze tradities blijft hij de paradox belichamen
van onbeweeglijke kracht
die juist door haar onverzettelijkheid in beweging komt.

DSC05677ZürichMuseumRietbergTravellingShrineTibetChinaSomeSammlungBertiAschmann
Travelling shrine, Tibet/China, some from the sammlung Berti Aschmann.

Slot


De reeks kleine draagbare schrijnen laat zien hoe de verering van tantrische godheden
ook buiten de tempel zijn plaats vond.
Elk huis, elke reiziger kon zo een eigen beschermende aanwezigheid meedragen.
Op de tafel in het museum stonden er vele — ik toon er slechts een paar.
De collectie metalen beelden uit Azië was veel uitgebreider dan ik liet zien;
ik koos enkel enkele hoofdmomenten.

Maar buiten scheen de zon uitbundig voor september.
Ik ben nog even gaan wandelen;
het leek alsof het licht van de beelden zich gewoon had verplaatst naar de dag zelf.


Twee beelden, in meerdere betekenissen, in één bericht

Twee metalen beelden in de collectie van Museum Rietberg
komen min of meer toevallig bij elkaar in dit bericht.

Ze staan in de presentatie van het museum niet bij elkaar.
Ik ben er zeker van dat ik op het moment van fotograferen
niet doorhad dat de beelden om dezelfde voorstelling gaan:
Tathagata Vairochana.
Daarbij wil de titel Tathagata benadrukken dat een figuur
een volledig verlichte Boeddha is.

DSC05664ZürichMuseumRietbergTathagataVairochanaWestTibet14thCenturyCEMessingSammlungBertiAschmannBA25
Zürich, Museum Rietberg, Tathagata Vairochana, West Tibet, 14th century CE, messing, Sammlung Berti Aschmann, BA 25.

Tussen de foto’s van het eerste en het tweede Vairochana-beeld
maakte ik nog een andere foto.
Maar per ongeluk schreef ik daar al eerder een bericht over.

DSC05666ZürichMuseumRietbergTathagataVairochanaWestTibet14thCenturyCEMessingSammlungBertiAschmannBA25

In de boeddhistische kunst van de Himalaya speelt Vairochana
vooral een rol binnen het Mahāyāna en het Vajrayāna,
tradities waarin Boeddha’s niet alleen historische figuren zijn
maar ook symbolische verbeeldingen van inzicht.

DSC05667ZürichMuseumRietbergTathagataVairochanaWestTibet14thCenturyCEMessingSammlungBertiAschmannBA25

Vanaf de 7e eeuw ontstaat in Tibet een beeldcultuur
waarin zulke ‘transcendente’ Boeddha’s een vaste plaats krijgen
in rituelen, in mandala’s — die als visuele schema’s van het universum functioneren —
en in de inrichting van kloosters.
Het Vajrayāna gebruikt deze beelden als hulpmiddel bij meditatie en visualisatie:
niet om een god te vereren, maar om een bepaalde helderheid van geest op te roepen.

DSC05668ZürichMuseumRietbergTathagataVairochanaWestTibet14thCenturyCEMessingSammlungBertiAschmannBA25

We doen in het Westen vaak alsof zulke boeddhistische beelden
iets diepzinnigs of ongrijpbaars verbeelden,
maar het mechanisme erachter is eigenlijk heel herkenbaar.
Ook wij geven dagelijks vorm aan abstracte ideeën met heel concrete beelden:
in reclame, in politiek, in campagnes.
Vrijheid krijgt vleugels, zekerheid wordt een schild,
een politieke boodschap krijgt een vriendelijk gezicht.
In die zin doet een Vairochana‑beeld niets anders:
het gebruikt een mensfiguur om dat vorm te geven wat geen vorm heeft
— helderheid, inzicht, het moment waarop iets opeens klopt.

DSC05673ZürichMuseumRietbergTathagataVairochanaTibet14thCenturyCEKupferlegierungVergoldetSammlungBertiAschmannBA26
Tathagata Vairochana, Tibet, 14th century CE, kupferlegierung, vergoldet, Sammlung Berti Aschmann, BA 26.

Wanneer je naar deze Vairochana‑beelden kijkt in Museum Rietberg,
zie je op het eerste gezicht een mens:
een lichaam, een gezicht, handen in een bepaalde houding.
Maar in de boeddhistische traditie is dat specifieke beeld van de mens
vooral een hulpmiddel om dat vorm te geven wat geen vorm heeft
— het inzicht dat alles helder wordt wanneer je zonder verwarring kijkt.
Daarom wordt Vairochana vaak met licht geassocieerd:
niet als een god die straalt,
maar als het moment waarop voor de kijker iets ineens helder wordt
— alsof er een lamp aangaat.

DSC05671ZürichMuseumRietbergTathagataVairochanaTibet14thCenturyCEKupferlegierungVergoldetSammlungBertiAschmannBA26

Laat het licht, maar dan het fysieke licht, nu net de factor zijn
die bepaalde hoe ik de foto’s maakte.
Het tweede, vergulde beeld van Vairochana stond voor een raam.
Het zonlicht dat binnen scheen, maakte een of meerdere frontale foto’s moeilijk.
Vandaar dat op de foto van opzij het beeld nog het best te zien is.
Van de twee is, ondanks de glans en het licht,
voor mij dat laatste beeld het meest sympathiek.


Tussen Aarde en Hemel: Figuren in Indiase Miniaturen

— over mijn laatste foto’s van miniaturen in Museum Rietberg —

Mijn vierde dag in Zürich.
De dag erop ga ik naar Basel om tegen het einde van de dag
met de nachttrein terug naar Nederland te gaan.
Na de vier miniaturen die ik in deze blog laat zien
zou ik nog even de bronzen, koperen en zilveren beelden
gaan bekijken.
Maar eerlijk gezegd, ik was al behoorlijk moe.
De vier miniaturen zijn pareltjes!

DSC05646ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntReiterMitSpeerIndiaPahari-GebietKulu1775-1800RVO1240LegatAliceBoner

Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Reiter mit speer, India, Pahari-gebiet, Kulu, 1775 – 1800, RVO 1240, Legat Alice Boner.


Pahari-gebied

De Pahari‑schilderkunst uit de westelijke Himalaya staat bekend
om haar heldere kleuren, verfijnde lijnen en intieme scènes,
maar in Kulu krijgt die traditie een eigen, robuustere toon.
De afgelegen ligging van het vorstendom lijkt de kunstenaars
meer vrijheid te hebben gegeven:
figuren worden krachtiger neergezet, de penseelstreek is minder gepolijst
maar des te levendiger, en thema’s als ruiters, jagers en goden in beweging
komen nadrukkelijker naar voren.
In zo’n context krijgt een voorstelling van een ruiter met speer
een bijna vanzelfsprekende plaats
— niet als hofportret in miniatuur, maar als een energiek, lokaal geankerd beeld
waarin de Pahari‑sierlijkheid en de bergwereld van Kulu elkaar raken.

Ruiter en paard

In deze miniatuur uit Kulu lijkt het paard meer een ritmisch motief
dan een dier van vlees en bloed.
De lange hals en hoekige benen volgen geen biologische regels,
maar een sierlijke lijn die de beweging accentueert.
De ruiter blijft onverstoorbaar, bijna ceremonieel, terwijl het paard de energie draagt.
Zo ontstaat een beeld waarin waardigheid en dynamiek
elkaar in evenwicht houden
— een typisch Pahari‑moment waarin de werkelijkheid zich voegt
naar het ritme van verf en lijn.

DSC05650ZürichMuseumRietbergMogulwerkstattEinHöflingBringtEinAnliegenDarIndia1560-1600RCD10DauerleihgabeCatharinaDohrn

Mogulwerkstatt, Ein höfling bringt ein anliegen dar, India, 1560 – 1600, RCD 10, dauerleihgabe Catharina Dohrn.


Hier is Perzië niet ver weg

In deze Mogolminiatuur uit de late zestiende eeuw
is de Perzische invloed onmiskenbaar.
De verfijnde architectuur, de symmetrische compositie
en het sierlijke kleurgebruik verraden de hand van kunstenaars
die uit Herat en Tabriz naar de keizerlijke werkplaatsen in India waren gekomen.
Maar midden in die formele hofwereld schittert een uitgespreide pauw,
een motief dat zowel Perzische elegantie als Indiase symboliek draagt:
een teken van pracht, waakzaamheid en koninklijke waardigheid.
Het is dus geen zuiver Perzisch werk:
de levendige patronen, de verzadigde tinten (blauw, oranje, goud)
en de aandacht voor stoffering geven het een eigen, Indiase warmte.
De scène – een hoveling die een verzoek aanbiedt –
is niet alleen een hofmoment, maar ook een beeld van culturele uitwisseling,
waarin de Mogolstijl zich vormt uit de ontmoeting
tussen Perzische elegantie en Indiase verbeeldingskracht.

DSC05652ZürichMuseumRietbergMogulwerkstattEineFrauBindetSichEinenTurbanIndia1760-1780RIN2015-220GaneshaStiftung

Mogulwerkstatt, Eine frau bindet sich einen turban, India, 1760 – 1780, RIN 2015.220, Ganesha Stiftung.


Verfijning en rust

In deze miniatuur is alles gericht op verfijning en stilte.
De vrouwen zitten in een besloten ruimte, omgeven door zachte kleuren
en glanzende stoffen; hun gebaren zijn klein, bijna ceremonieel.
De schilder speelt met contrasten:
het donkere achtervlak laat de lichte huid en transparante sluiers oplichten,
terwijl de gouden omlijsting het tafereel tot een kostbaar juweel maakt.
Het is een beeld van rust en concentratie,
waarin de verfijning van lijn en kleur de intimiteit van het moment draagt.

DSC05652ZürichMuseumRietbergMogulwerkstattEineFrauBindetSichEinenTurbanIndia1760-1780RIN2015-220GaneshaStiftung Detail


DSC05654 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntDieProphetenDanielUndZachariasMitMozesUndJohannesDemTäuferIndiaAwadhLucknow1770-1780RCD21DauerleihgabeCatharinaDohrn

Urheber unbekannt, Die propheten Daniel und Zacharias mit Mozes und Johannes dem Täufer, India, Awadh, Lucknow, 1770 – 1780, RCD 21, dauerleihgabe Catharina Dohrn.


Vier figuren in drie religies

In deze Awadh‑miniatuur is geen sprake van een ordelijke rij profeten,
maar van een gelaagde, bijna visionaire scène.
Daniël en Zacharias lijken met elkaar in gesprek, stevig geworteld op de voorgrond,
terwijl Mozes en Johannes de Doper hoog boven hen zweven,
als verschijningen in een andere sfeer.
Die opstelling is theologisch gezien opmerkelijk
— de profeten leefden in totaal verschillende tijden —
maar in de Indiase schilderkunst van de achttiende eeuw
gaat het minder om historische chronologie dan om spirituele nabijheid.
De schilder brengt vier figuren uit drie religieuze tradities samen
in één beeldruimte, waarin aardse dialoog en hemelse aanwezigheid elkaar raken.

DSC05654 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntDieProphetenDanielUndZachariasMitMozesUndJohannesDemTäuferIndiaAwadhLucknow1770-1780RCD21DauerleihgabeCatharinaDohrn Daniel

Daniël.


Toen ik aangaf dat het om vier pareltjes ging
heb ik volgens mij niets te veel gezegd.
Het was een bijzondere ervaring om deze werken te kunnen zien.


Van Expressie naar Verfijning

Op deze rustige zondagmorgen,
niet te warm, heerlijke koele bries.
Ik luister op internet naar
Pandit Ravi Shankar – Morning Raga.

DSC05642 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntMalashriRaginiRagamala-serieIndiaRajasthanSirohi1630-1650RVI1863

Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Malashri ragini (part of a ragamala-serie), India, Rajasthan, Sirohi, 1630 – 1650, RVI 1863.


Malashri Ragini en de vroege Sirohi‑stijl (Algemeen)

Binnen de Ragamala‑traditie verschijnt Malashri Ragini
steevast als een figuur die rust, devotie en ingetogen concentratie belichaamt.
Zij is een van de vrouwelijke personificaties van muzikale modi,
en haar aanwezigheid wordt doorgaans verbonden
met een sfeer van verstilling:
een vrouw die een lamp draagt, een offer brengt,
of in de beslotenheid van een paviljoen in gebed verzonken zit.

In de zeventiende eeuw ontwikkelden de verschillende Rajput‑hoven
elk hun eigen beeldtaal voor deze Ragini,
maar de kern bleef herkenbaar:
een nachtelijke of schemerende setting,
een vrouwelijk figuur in verfijnde kleding,
en een architectonische omlijsting die de intimiteit van het moment versterkt.
De nadruk ligt minder op narratieve actie en meer op de innerlijke toestand
van de afgebeelde vrouw
— een stemming die de muzikale kwaliteit van de raga moet oproepen.

Wanneer zo’n voorstelling in de vroege Sirohi‑stijl wordt uitgevoerd,
zoals in een werk uit circa 1630–1650,
krijgt deze iconografie een heel eigen karakter.
Sirohi is een van de minst gedocumenteerde Rajput‑scholen,
en juist daarom vallen de werken uit deze periode op door hun zeldzaamheid.
De schilders uit Sirohi stonden in die tijd nog dicht bij de Mewar‑traditie,
wat zichtbaar is in de krachtige contourlijnen,
de heldere kleurvlakken en de hoekige, bijna gebeeldhouwde gezichtsprofielen.
Architectuur wordt vaak weergegeven als een strak, geometrisch kader
dat de scène ordent, terwijl de figuren een opvallende monumentaliteit hebben
ondanks hun kleine formaat.
De kleuren zijn intens maar niet overdadig;
rood, oker en diepblauw domineren,
en worden gebruikt om de emotionele lading van de Ragini te versterken.

In zo’n vroeg‑Sirohi‑context krijgt Malashri Ragini
een bijna sculpturale aanwezigheid.
Haar devotionele handeling
— het dragen van een lamp, het brengen van een offer, het zitten in meditatie —
wordt niet alleen een muzikale metafoor, maar ook een stilistisch statement.
De schilder benadrukt de sereniteit van het moment
door de compositie te vereenvoudigen en de figuur centraal te plaatsen,
vaak tegen een effen of ritmisch gestructureerde achtergrond.
Het resultaat is een beeld dat tegelijk ingetogen en intens is:
een Ragini die niet alleen een muzikale stemming verbeeldt,
maar ook de vroege identiteit van de Sirohi‑school zichtbaar maakt.

Tijd om eens naar het werk in Zürich van dichtbij te bekijken.

Er zitten twee vrouwen op een platform.
Ze bekijken en bespreken de lotus, die ieder één in de hand heeft.
Links van de zittende vrouwen kijkt een derde vrouw staande toe.
Wellicht is ze in beweging
en ondersteunt ze met het knippen van haar vingers het ritme.

DSC05642 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntMalashriRaginiRagamala-serieIndiaRajasthanSirohi1630-1650RVI1863

De meest rechtse vrouw zit op een kussen, met haar rug tegen een lage balustrade.
Alle drie dragen armbanden, kettingen en sieraden op het hoofd.
Alle drie dragen een dunne, doorzichtige sluier.
De vrouw rechts draagt een sieraad aan haar neus.

DSC05642 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntMalashriRaginiRagamala-serieIndiaRajasthanSirohi1630-1650RVI1863

De vrouwen zitten voor een paviljoen waarin tegen de achterwand
een bloemmotief als decoratie is aangebracht.
De lucht is donkerblauw zodat we kunnen aannemen dat het avond is.
Helemaal bovenaan verloopt de lucht naar een lichtere blauwtint,
alsof de hemel net nog een restje licht vasthoudt.
De staande vrouw staat voor een boom met een rijk bladerdak.
Tussen de boom en het paviljoen is een doek gespannen,
als een soort luifel die de scène beschut.
Of is het een symbolische afbakening van deze intieme ruimte?

DSC05642 04 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntMalashriRaginiRagamala-serieIndiaRajasthanSirohi1630-1650RVI1863DSC05643ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntMalashriRaginiRagamala-serieIndiaRajasthanSirohi1630-1650RVI1863

Resoneren

De voorstelling sluit naadloos aan bij de klassieke beeldtaal van de Ragamala‑traditie.
De drie vrouwen, gehuld in verfijnde gewaden en transparante sluiers,
bewegen in een stille harmonie die de muzikale stemming van de raga oproept.
De lotusbloemen die zij vasthouden vormen het zachte middelpunt van hun aandacht,
terwijl de architectuur achter hen de scène als een intieme nis omlijst.
De diepe, avondlijke hemel en de heldere kleuren — rood, geel en blauw —
versterken de sfeer van verstilling en concentratie.
Alles in het beeld lijkt in een rustige cadans te staan:
de gebaren van de handen, de ritmische houding van de staande vrouw,
de herhaling van vormen en kleuren.
Het is een compositie die niet alleen een moment toont,
maar een stemming laat resoneren.


DSC05644 01 ZürichMuseumRietbergRuknuddinCa1650-1697SignedVishnuMitLakshmiUmgebenVonDienerinnenIndiaRajasthanBikanerDatiert1678RVI1854

Ruknuddin (active between 1650 – 1697), signed, Vishnu mit Lakshmi umgeben von dienerinnen, India, Rajasthan, Bikaner, datiert 1678, RVI 1854.


Rajput‑schilders

Rajput‑schilders waren hofkunstenaars die tussen de 16e en 19e eeuw
werkten in de Noord‑Indiase vorstendommen van de Rajput‑heersers.
Zij ontwikkelden een herkenbare schildertraditie
met heldere kleuren, ritmische composities
en een sterke aandacht voor devotie, emotie en hofleven.
Hun werk ontstond in ateliers waar kennis van vader op zoon werd doorgegeven,
vaak in nauwe wisselwerking met de Mughal‑stijl
maar met behoud van een eigen esthetiek.
De meeste Rajput‑schilders bleven anoniem,
waardoor een gesigneerde meester als Ruknuddin uitzonderlijk waardevol is
voor het begrijpen van deze traditie.

Ruknuddin

Ruknuddin is een van de zeldzame Rajput‑schilders
van wie we niet alleen de naam kennen,
maar ook een reeks gesigneerde en gedateerde werken.
Hij werkte aan het hof van Bikaner in de tweede helft van de zeventiende eeuw,
in een omgeving waar Mughal‑invloeden en lokale tradities samensmolten
tot een uitzonderlijk verfijnde schilderstijl.
Zijn hand is onmiddellijk herkenbaar aan de precieze, bijna draadfijne lijnvoering,
de subtiele modellering van gezichten en de elegante, Mughal‑achtige behandeling
van textiel en ornament.
Opvallend is dat het Rietberg‑werk uit 1678 nét buiten de periode valt
die het museum zelf als zijn actieve jaren opgeeft
— een aanwijzing dat die datering eerder voorzichtig dan definitief is,
en dat zijn carrière waarschijnlijk iets ruimer moet worden gedacht.
Juist zulke gesigneerde en gedateerde miniaturen maken Ruknuddin
tot een sleutelpersoon in de reconstructie van de Bikaner‑school:
een kunstenaar met een duidelijk handschrift, een eigen verfijning
en een zeldzame mate van historische zichtbaarheid.

Vishnu

Vishnu is herkenbaar aan zijn vier attributen,
waarvan er in deze voorstelling drie duidelijk zichtbaar zijn.

In zijn onderste rechterhand houdt hij de schelp (śaṅkha),
symbool van de oerklank waaruit de wereld ontstaat.

DSC05644 02 ZürichMuseumRietbergRuknuddinCa1650-1697SignedVishnuMitLakshmiUmgebenVonDienerinnenIndiaRajasthanBikanerDatiert1678RVI1854

Boven de hand erboven zweeft de cakra, de gouden discus die in Bikaner‑miniaturen vaak als een bijna gewichtloze ring boven de vingers wordt weergegeven.

In zijn bovenste linkerhand draagt hij de gadā, de ceremoniële knots
die kracht en bescherming verbeeldt.

DSC05644 03 ZürichMuseumRietbergRuknuddinCa1650-1697SignedVishnuMitLakshmiUmgebenVonDienerinnenIndiaRajasthanBikanerDatiert1678RVI1854

Zijn onderste linkerarm rust om Lakshmi heen, waardoor het vierde attribuut
— de lotus —
hier niet zichtbaar is, maar wel impliciet aanwezig blijft in de iconografie.

Interactie en details

Persoonlijk vind ik twee details in dit werk erg mooi:

  • de details van het paviljoen waar Vishnu en Lakshmi voorzitten
    — de ingelegde bloemen en de ondiepe nissen in het marmer die zo passen bij India —

DSC05644 04 ZürichMuseumRietbergRuknuddinCa1650-1697SignedVishnuMitLakshmiUmgebenVonDienerinnenIndiaRajasthanBikanerDatiert1678RVI1854

  • de interactie tussen de bediendes, de verschillende voorwerpen die ze aandragen
    en de verschillende designs van hun sari’s.

DSC05644 05 ZürichMuseumRietbergRuknuddinCa1650-1697SignedVishnuMitLakshmiUmgebenVonDienerinnenIndiaRajasthanBikanerDatiert1678RVI1854

Deze schilder is hard op weg een fotograaf te worden.


Wanneer vorm, stemming en ritme samenkomen

In dit bericht passeren drie Indiase miniaturen die ik zag
in Museum Rietberg.
Ze zijn schitterend en ik heb er heel veel van geleerd.

DSC05636 01 ZürichMuseumRietbergWerkstattInKotaShrinathjiImWinterkleidIndiaRajasthanUm1850RVI2246

Zürich, Museum Rietberg, Werkstatt in Kota, Shrinathji im winterkleid, India, Rajasthan, um 1850, RVI 2246.


Shrinathji in het winterkleed

Shrinathji
— de kind‑Krishna die in Nathdwara als levende godheid wordt verzorgd —
verschijnt hier in zijn winterkleed.
In deze traditie wordt de godheid niet als een stilstaand beeld benaderd,
maar als een aanwezig lichaam:
zijn fysieke vorm, of die nu van marmer, brons of een ander materiaal is,
wordt dagelijks gewassen, aangekleed, gevoed
en volgens het seizoen van nieuwe gewaden voorzien.
Dat ritueel van zorg en nabijheid vormt de sleutel tot dit schilderij.

In de miniatuur uit de werkplaats van Kota (ca. 1850) staat Shrinathji
als een stil, donker middelpunt in een zon van geel.
Zijn gezicht, zwaar van sieraden, lijkt uit het gewaad zelf te ontstaan:
niet als portret, maar als aanwezigheid.

Rechtsonder ligt een kleine rode tulband, zorgvuldig neergelegd.
Dat detail, haast terloops, maakt het beeld intiem.
De godheid heeft zijn koninklijke teken afgelegd,
alsof hij zich terugtrekt in warmte en rust.
Het rood verankert de compositie, maar ook het ritueel
— een moment waarin het goddelijke lichaam
niet wordt verheerlijkt, maar verzorgd.
Het winterkleed wordt zo meer dan een kledingstuk:
het is een gebaar van nabijheid.
De schilder omhult Shrinathji met pigment zoals de priesters hem met stof omhullen
— een zorgzame handeling die de godheid tastbaar maakt, zelfs in verf.

Het perspectief

Het perspectief in deze miniatuur is geen venster op een ruimte,
maar een vlak dat zich naar voren duwt.
De schilder uit Kota kiest bewust voor een frontale,
bijna architectonische opstelling waarin elke diepte wordt afgevlakt.
De vloer helt licht omhoog, de achtergrond is een gesloten wand van kleur,
en Shrinathji staat niet in een kamer maar tegen het beeldvlak aan.
Het is een perspectief dat niet uitnodigt om binnen te treden, maar om te confronteren:
de godheid kijkt terug, niet vanuit afstand, maar vanuit nabijheid.
Deze ruimtelijke compressie is geen gebrek aan realisme,
maar een rituele keuze.
In de Pushtimarg‑traditie is het zien van de godheid — darshan —
een directe ontmoeting, geen optische illusie.
De schilder elimineert daarom elke afleiding van die blik.
De ruimte wordt een podium zonder diepte, een kleurveld dat de figuur draagt.
Het perspectief is zo niet optisch, maar devotioneel:
alles is gericht op het moment van aanschouwen.

De Kota‑stijl

Dat dit werk uit Kota komt, is op het eerste gezicht onverwacht.
Kota‑schilders zijn vooral bekend om hun levendige jachtpartijen,
paarden in volle galop, tijgers die uit het struikgewas springen,
en hofscènes vol beweging en energie.
Maar juist binnen die traditie ontwikkelden zij een vormtaal
die ook hier herkenbaar is:
een strakke frontale compositie, grote heldere kleurvlakken,
minimale dieptewerking en scherpe contourlijnen die elke vorm tegen het vlak plaatsen.

In deze miniatuur wordt die visuele grammatica ingezet
voor een onderwerp dat normaal niet tot het Kota‑repertoire behoort.
Het resultaat is een devotioneel beeld dat niet in een ruimte staat,
maar tegen het beeldvlak aan wordt geschoven
— helder, direct, en zonder afleiding.

Abstractie is geen moderne Westerse uitvinding

Ik liep nog wat na te denken over de miniatuur en kwam op het onderwerp abstractie.
De miniatuur gebruikt methodes die doen denken aan abstractie:
perspectief ontbreekt grotendeels
het onderwerp en de achtergrond zijn één
er is geen poging een ‘foto’ te maken maar een idee over te brengen.

Hoe is dat als je het vergelijkt met een kubistisch schilderij?
Mensen als Picasso realiseren zich dat er meerdere perspectieven zijn op één object.
Ze kiezen er bewust voor die tegelijk te laten zien.
Tegelijk ontbreekt het traditioneel perspectief bijna volledig.

DSC05636 02 ZürichMuseumRietbergWerkstattInKotaShrinathjiImWinterkleidIndiaRajasthanUm1850RVI2246

Daar waar in Kota in 1850 er wordt gekozen de techniek perspectief
niet te gebruiken omdat het niet nodig is voor het doel wat men wil bereiken:
niet nodig om de boodschap duidelijk te maken,
niet nodig om de god in het beeld te ervaren.
Daar kiest de kubist ervoor de methode perspectief verder te onderzoeken
door bijvoorbeeld meerdere perspectieven tegelijk te tonen.

Dat is niet bedacht in Europa en niet pas in 1910 voor het eerst.

DSC05638 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

Zürich, Museum Rietberg, Urheber (=maker) unbekannt, Nilambari ragini, folio aus Ragamala-serie, India, Southern Deccan, Wanparthy, um 1750, RVI 2064. Geschenk Horst Metzger.


Ragamala

Een Ragamala is voor westerlingen vaak lastig te begrijpen,
omdat het geen illustratie is van muziek.
Wat op zich een logische aanname kan zijn.
Maar dat is het niet.

Een Ragamala begint bij één schilderij dat een muzikale stemming verbeeldt:
in de Indiase traditie heeft elke rāga
— een melodisch patroon met een eigen emotie, seizoen en tijd van de dag —
een bijbehorend gedicht én een visuele personificatie,
vaak een geliefde, een eenzame figuur, een landschap of een nachtelijke scène.

Omdat een rāga nooit op zichzelf staat maar deel uitmaakt van een netwerk
van verwante stemmingen, ontstaat er vanzelf een krans van beelden:
ochtendrāga’s, middagrāga’s, avondrāga’s, seizoensrāga’s,
varianten en vrouwelijke tegenhangers.
De schilder volgt daarmee de logica van de muziek, die zelf cyclisch is.
Zo vloeien muziek, poëzie en schilderkunst samen tot één systeem
waarin dezelfde emotie drie vormen krijgt
— hoorbaar, denkbaar en zichtbaar —
en waarin een Ragamala niet één beeld is, maar een emotionele dag
en een emotioneel jaar in miniaturen.

DSC05638 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

Nilambari Ragini — nacht, rust en het wiegen van de wereld

Nilambari is een nacht‑rāginī: een vrouwelijke stemming
die traditioneel wordt geassocieerd met rust, verzachting
en het langzaam neerdalen van de nacht.
Haar naam betekent letterlijk “zij die in blauw is gehuld”
— een verwijzing naar de kleur van de nachtelijke hemel.

In de Ragamala‑traditie wordt Nilambari vaak voorgesteld als een vrouw
die alleen zit in een paviljoen, soms luisterend naar muziek, soms wachtend,
soms in een staat van zachte melancholie.
Het gedicht dat bij haar hoort beschrijft meestal een sfeer van nachtelijke stilte,
een geliefde die niet komt, of een moment van innerlijke rust waarin de wereld vertraagt.

De schilder uit Wanaparthy (ca. 1750) vertaalt die stemming niet
als een nacht van eenzaamheid,
maar als een ontmoeting waarin stilte en verleiding elkaar raken.
De vrouw in haar diepblauwe kleed
— de kleur van de nacht en van Nilambari zelf —
belichaamt de kalmte van de rāga,
terwijl de man met de bloem een gebaar van toenadering maakt.
Het blauw om haar heen is niet alleen decoratief, maar symbolisch:
het is de kleur van rust, van afstand, en tegelijk van het verlangen
dat de muziek oproept.

Zo wordt de miniatuur een beeld van de emotionele temperatuur van de nacht:
niet donker of leeg, maar gevuld met zachte spanning,
een moment waarin muziek, poëzie en schilderkunst samenvallen in één gebaar
— het aanbieden van een bloem, het wachten op een antwoord,
het wiegen van de wereld in blauw.

DSC05638 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntNilambariRaginiFolioAusRagamalaSerieIndiaSouthernDeccanWanparthyUm1750RVI2064GeschenkHorstMetzger

De muziek — waar kun je Nilambari horen?

Nilambari is een rāga die nog steeds wordt uitgevoerd,
vooral in Zuid‑Indiase (Carnatische) muziek.
Wie haar wil horen, kan dat op drie toegankelijke manieren:

  • YouTube

Zoek op: “Carnatic Nilambari raga”
Je vindt uitvoeringen op vina, fluit, viool en zang.
Nilambari wordt vaak gebruikt voor wiegeliederen (lullabies),
omdat de rāga een kalmerende, wiegende beweging heeft.

  • Spotify / Apple Music

Zoek op: “Raga Nilambari”
Er zijn meerdere klassieke opnames, o.a. door M.S. Subbulakshmi en T.M. Krishna.

  • Sangeethapriya (gratis archief, login verplicht)

Een groot archief van Carnatische muziek met veel Nilambari‑opnames.
Zoek op: Nilambari in de rāga‑lijst.

DSC05640 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Tanz der hirten, folio from Tularam-Bhagavata-Purana serie, India, Gujarat, Surat, um 1640, RVI 829.


Bhagavata‑Purana‑series

De Bhagavata‑Purana vertelt de jeugdverhalen van Krishna in losse,
levendige episodes: dansen, spel, wonderen, ontmoetingen met herders en herderinnen.

DSC05640 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

In de 16e en 17e eeuw werden deze scènes in Gujarat en Noord‑India
omgezet in uitgebreide reeksen miniaturen,
niet als volksboeken maar als kostbare objecten voor hoven,
rijke handelaren en tempels.
De verhalen zelf waren wél breed bekend via mondelinge traditie, rituelen,
liederen en theater, maar de beeldreeksen waren bedoeld voor een kleine elite
die de tekst kende of liet voorlezen.
Zo ontstonden cycli van soms honderden bladen,
waarin elke miniatuur een helder venster vormt op Krishna’s wereld:
een manier om de verhalen te ordenen, te herinneren en te beleven in beeld.

DSC05640 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

De schilders kozen meestal de meest levendige momenten:
Krishna die danst, speelt, steelt boter, de slang Kaliya bedwingt,
of — zoals in deze miniatuur —
de herders laat dansen in een ritme dat zowel speels als kosmisch is.

DSC05640 04 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Tanz der Hirten (Dans van de herders)

In deze miniatuur uit Surat rond 1640 danst Krishna (in een blauw kleed)
tussen zijn herdersvrienden, omringd door een werveling van bladeren en bloemen.
De schilder kiest niet voor een realistische scène maar voor een compositie
waarin kleur en ritme samenvallen:
elke arm, elke bloem beweegt in dezelfde cadans.
De herders spelen fluit, trommel en hoorn, hun lichamen vormen een kring
die de natuur weerspiegelt
— alsof de wereld zelf meedanst.
Zo wordt de dans van de herders een beeld van kosmische vreugde:
het moment waarop spel, devotie en natuur één worden,
en Krishna’s aanwezigheid de hele omgeving in beweging zet.

DSC05640 05 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTanzDerHirtenFolioFromTularam-Bhagavata-PuranaSerieIndiaGujaratSuratUm1640RVI829

Ik heb er nu even niets meer aan toe te voegen.
Misschien dat ik maar eens naar een “Carnatic Nilambari raga”
ga beluisteren op YouTube.


Een boek dat door de tijd werd gemaakt

IMG_9200HuisVanHetBoekApocalyps HeleKortePoster

Op de tentoonstelling ‘Apocalyps, vrees en hoop’ ligt een topstuk.
Een handgeschreven boek uit 1332.
Misschien denken sommige dan aan iets stoffigs, kleurloos, saai.
Maar dat is de Rijmbijbel in ieder geval niet.
Hij is geschreven door Jacob van Maerlant
en geschilderd door Michiel van der Borch.
Hopelijk geven mijn foto’s een eerste indruk van hoe
indrukwekkend, kleurrijk en enerverend de Rijmbijbel is.

DSC09449HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch

Huis van het Boek, Apocalyps, Rijmbijbel van Jacob van Maerlant, handschrift, Utrecht, 1332, met illustraties door Michiel van der Borch.


Het boek is zo bijzonder dat ik het thema:
‘Apocalyps, vrees en hoop’
even uit het oog verlies om er bij stil te staan.

Wie waren de makers die we nu nog kennen?

Jacob van Maerlant (1230–1300)

Jacob van Maerlant werd waarschijnlijk geboren
in de buurt van Brugge.
We weten niet precies wanneer, want in die tijd
schreef bijna niemand zulke dingen op.
Maar we weten wél dat hij heel veel hield
van lezen, leren en schrijven.

DSC09450HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch DeScheppingVanEva

Als jonge man (rond 1260) werkte hij als koster
in Maerlant op Voorne (nu Voorne-Putte in Zuid-Holland).
Vanaf ongeveer 1270 woonde hij in Damme, waar hij als klerk
(assistent) van de stadsschepenen (wethouders) werkte.
Damme ligt ten noorden van Brugge.

Jacob vond dat gewone mensen recht hadden op kennis.
Daarom besloot hij boeken
die alleen in het Latijn of Frans bestonden,
om te zetten in Middelnederlands,
de taal die mensen toen thuis spraken.
In Damme schreef hij zijn grootste boeken.

Hij wilde dat mensen de wereld beter zouden begrijpen:
de natuur, de geschiedenis, de Bijbel,
en de verhalen die overal in Europa werden verteld.

DSC09451HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch

Belangrijkste werken

Rijmbijbel (1271) — een bijbelvertaling in rijmen, bedoeld om de de bijbel begrijpelijk te maken voor iedereen.
Der naturen bloeme — een encyclopedisch natuurboek, gebaseerd op Latijnse bronnen
Spieghel historiael — een wereldgeschiedenis
Historie van Troyen — het verhaal van Troje in verzen
Alexanders geesten — een levensbeschrijving van Alexander de Grote
Van den lande van Overzee — een kritische tekst over de kruistochten, opvallend door zijn politieke en morele scherpte.

DSC09452HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch

Dat we een versie zien uit 1332
betekent dat het boek erg populair was.
Al 30 jaar na zijn dood werd deze kopie gemaakt op perkament.
Prachtig geïllustreerd.

Michiel van der Borch (actief ca. 1320–1364)

Michiel van der Borch leefde na Jacob van Maerlant.
We weten niet precies wanneer hij geboren werd,
maar we weten wél dat hij een van de eerste kunstenaars was
die boeken versierde en daarbij zijn eigen naam opschreef.
Dat was heel bijzonder in die tijd.

Hij woonde in Utrecht, waar hij in 1322
als burger werd ingeschreven.
Waarschijnlijk kwam hij oorspronkelijk uit Vlaanderen,
want zijn manier van schilderen lijkt op de stijl
die daar toen populair was.

DSC09453HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch

Michiel werkte als miniaturist:
iemand die kleine schilderingen maakte in handschriften.
Hij schilderde met fijne penselen,
met kleuren die hij zelf maakte uit mineralen en planten.
Zijn werk was bedoeld om boeken mooier, duidelijker
en soms ook vrolijker te maken.

In 1332 versierde hij een prachtig handschrift
van Maerlants Rijmbijbel.
Hij maakte er 64 miniaturen in:
kleine schilderingen van bijbelverhalen,
maar ook grappige of wonderlijke figuren in de marge.
Op één grote afbeelding schreef hij zelfs zijn naam en het jaar.
Daarom weten we zeker dat híj het was.

DSC09454HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch VaderZoonHeiligeGeest

Michiel was getrouwd met Liesbet
en samen hadden ze twee kinderen: Jan en Barbara.
Hij werkte waarschijnlijk in een klein atelier,
misschien samen met leerlingen of familieleden.

Zijn schilderingen zijn belangrijk
omdat ze laten zien hoe boeken er in de middeleeuwen uitzagen
en hoe kunstenaars toen werkten.
Hij is de eerste bij naam bekende boekverluchter
uit de Noordelijke Nederlanden.

DSC09455HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch ScheppinfDetail

Dat maakt hem een soort pionier:
iemand die als eerste zijn handtekening achterliet
in een wereld die meestal anoniem bleef.

Afsluiting

De foto’s van de Rijmbijbel van Jacob van Maerlant
zijn van een boek dat al bekend was in 1330.
De tekst is wel bedacht is door Van Maerlant
maar deze versie is geschreven door iemand die Van Maerlant
niet persoonlijk kende.
De illustraties zijn daarna gemaakt door iemand die Van Maerlant
ook al niet persoonlijk kende.

DSC09456HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch ScheppingDetail

Dit was normaal in de middeleeuwen:

  • Een tekst was geen “kunstwerk van één maker”
  • Boeken waren gebruiksvoorwerpen.
    Niet uniek zoals kunstvoorwerpen vandaag.
  • De maker(s) was niet heilig
  • Kopiisten en verluchters kenden de auteur meestal niet
  • Een boek kon groeien door de tijd

We noemen het boek een handschrift,
maar de hand, de schrijver van de letters op het perkament,
die kennen we niet.

DSC09457HuisVanHetBoekApocalypsRijmbijbelJacobVanMaerlantHandschriftUtrecht1332MichielVanDerBorch Txt


Drie ontmoetingen in verf

— over drie scènes uit de miniaturencollectie van Museum Rietberg —

Het Museum Rietberg heeft een collectie miniaturen uit India.
Toen ik er was werd een deel ervan getoond in een apart vrijstaand gebouw
in het park waarin het museum gevestigd is.
Vandaag drie miniaturen uit die verzameling.

DSC05628 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTraurigePrinzessinMitFreundinUndDienerinImAlkovenBeidseitigBemaltesAlbumblattIndiaAwadhLucknow1725-1750RVI2205a

De eerste ontmoeting is tussen een treurende prinses en haar vriendin. Zürich, Museum Rietberg, Urheber unbekannt, Traurige prinzessin mit freundin und dienerin im Alkoven, beidseitig bemaltes albumblatt, India, Awadh, Lucknow, 1725 – 1750. RVI 2205a.

DSC05628 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntTraurigePrinzessinMitFreundinUndDienerinImAlkovenBeidseitigBemaltesAlbumblattIndiaAwadhLucknow1725-1750RVI2205a

Prachtig geschilderde omlijsting van een tafereel in een architectonische opzet.


DSC05632 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

De tweede ontmoeting in een tuin heeft een politieke kant: Urheber unbekannt, Fürst Mahmud Khan Dawudi mit gefolge bei audienz, India, Deccan, Kurnool, um 1750. RVI 838.


Deze tweede ontmoeting lijkt een beetje op een stripverhaal:
de namen van de personen staan er in de schilderij gekaligrafeerd.
Ik vroeg Copilot de tekst te vertalen uit het Perzisch.

DSC05632 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Ik kan niet beoordelen of de vertalingen correct zijn dus
als iemand dat wel kan dan hoor ik de reactie(s) graag.

De tekst benoemt de grootste en zittende figuur rechts als Mahmud Khan Dawudi, de Nawab van Kurnool, afgebeeld in audiëntie met zijn entourage.

De tweede man in wit met oranje tulband is de schoonzoon van Abd al‑Razzāq Khan, een verwant en hofbeambte van Mahmud Khan Dawudi.

De inscriptie identificeert de derde figuur van rechts (volledig is oranje) als Banda Khan Dawudi, een ondergeschikte of verwant van Mahmud Khan Dawudi, afgebeeld in een eerbiedige houding tijdens de audiëntie.

De tekst identificeert boven de twee kleinste, zittende mannen links — in rood en lichtpaars als Aziz Khan Abd al‑Razzāq, waarschijnlijk leden van dezelfde familie als de schoonzoon van Abd al‑Razzāq Khan, en dus verwanten binnen de entourage van Mahmud Khan Dawudi.

De staande man links is Hamid Khan, zoon van Abd al‑Razzāq, een familielid van de Dawudi‑dynastie en lid van de hofhouding van Mahmud Khan Dawudi.

De Abd‑al‑Razzāq‑familie was een lokale eliteclan in Kurnool rond 1750, nauw verbonden met Mahmud Khan Dawudi, en de miniatuur is waarschijnlijk de belangrijkste (misschien enige) bron die hun namen en onderlinge relaties documenteert.

Als je die gegevens weet dan zou de huidige titel van het werk
anders kunnen zijn. De zaaltekst natuurlijk ook.

DSC05632 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Voorstel voor museumvriendelijke titel nu:

Mahmud Khan Dawudi in audiëntie met leden van de Abd‑al‑Razzāq‑familie, India, Deccan (Kurnool), ca. 1750

Deze titel is veilig, feitelijk, en volledig gebaseerd op de inscripties.
Musea geven daar de voorkeur aan.

DSC05632 04 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Een inhoudelijk sterkere titel zou kunnen zijn:

Familie‑audiëntie van Mahmud Khan Dawudi met de Abd‑al‑Razzāq‑clan, India, Kurnool (zuidelijk India of Deccan), ca. 1750

DSC05632 05 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntFürstMahmudKhanDawudiMetGefolgeBeiAudienzIndiaDeccanKurnoolUm1750RVI838

Publiek‑vriendelijke en historisch correcte zaaltekst:

Deze miniatuur toont Mahmud Khan Dawudi, heerser van het kleine vorstendom Kurnool in het zuiden van India, ingeklemd tussen grotere regionale machten. De vorst is omringd door leden van één specifieke familie: de Abd‑al‑Razzāq‑clan. De Perzische inscripties identificeren zijn schoonzoon, de zonen van Abd al‑Razzāq Khan en andere verwanten.

De aanwezigheid van deze familieleden laat zien hoe lokale macht in Kurnool rond 1750 functioneerde: via verwantschap, loyaliteit en clanstructuren, in een politiek landschap dat werd gedomineerd door het hof van Hyderabad, de Maratha‑expansie en de opkomst van Europese invloed.

Deze miniatuur maakte waarschijnlijk deel uit van een hofalbum: een intern familie‑document waarin de heerser en zijn belangrijkste bondgenoten werden vastgelegd. Het is een kunstwerk dat je kunt bewonderen om de kleuren, de bloemen, de architectuur en de compositie, maar documenteert tegelijk de sociale en politieke verhoudingen binnen een kleine staat die haar autonomie probeerde te bewaren.


DSC05634 01 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

De derde ontmoeting gaat ook om politiek: Urheber unbekannt, Pritham Singh von Kulu (mit pfeife) mit Gamanchand von Kangra, India, Pahari-gebiet, um 1800. RVI 2005.119.

Wat zijn de Pahari‑staten?

De Pahari‑staten waren kleine vorstendommen in de uitlopers van de Himalaya,
in het huidige Himachal Pradesh,
grofweg ingeklemd tussen Pakistan, China en Nepal.
Ze bestonden uit regio’s als Kangra, Kulu, Guler, Chamba en Basohli,
elk met een eigen hof, eigen heersers en een bloeiende schildertraditie.
Door hun ligging in de bergen bleven deze staten relatief autonoom,
maar ze stonden onder wisselende invloed van grotere machten
zoals de Mughal‑keizers en later de Sikh‑rijken.

De schilderkunst uit deze regio’s — de Pahari‑stijl — staat bekend om:

  • heldere kleuren
  • verfijnde lijnen
  • intieme portretten
  • aandacht voor kleding, sieraden en gelaatsuitdrukking
  • een poëtische, vaak rustige sfeer

Hoe zie je de Pahari-stijl in dit werk?

  • Heldere kleuren

De compositie gebruikt een zuivere, bijna doorschijnende pigmentatie:
het roze van de vorst, het wit van de bezoeker, het blauw van de kussens en de vloer.
Die kleuren zijn niet overladen, maar licht en ademend,
typisch voor de Pahari‑traditie waarin verfijning boven pracht gaat.
De contrasterende tinten — roze tegenover wit en blauw —
brengen rust en hiërarchie in de scène.

DSC05634 03 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

  • Verfijnde lijnen

Kijk naar de contouren van de gezichten, handen en kledingplooien:
dun, ritmisch, bijna kalligrafisch.
De lijnvoering is niet schematisch maar levend,
met subtiele variaties in dikte die beweging suggereren.
Zelfs de inscriptie bovenaan sluit aan bij die lijngevoeligheid
— tekst en beeld ademen dezelfde precisie.

DSC05634 02 ZürichMuseumRietbergUrheberUnbekanntPrithamSinghVonKulu(mitPfeife)MitGamanchandVonKangraIndiaPahari-gebietUm1800RVI2005-119

  • Intieme portretten

Hoewel het een audiëntie is, voelt het persoonlijk:
de twee mannen kijken elkaar aan, de gebaren zijn klein en beheerst.
Er is geen druk hofgedruis, maar een gesprek in stilte.
Die intimiteit is kenmerkend voor Pahari‑portretten,
waarin macht wordt getoond via nabijheid, niet afstand.

  • Aandacht voor kleding, sieraden en gelaatsuitdrukking

De schilder heeft elk detail van de stoffen uitgewerkt
— de turban met patroon, de sjaal met groene strepen,
de fijne borduursels op het roze gewaad.
De gezichten zijn individueel, niet gestandaardiseerd:
de vorst met een lichte glimlach, de bezoeker met een ingetogen blik.
Het is een studie van karakter, niet van type.

  • Een poëtische, vaak rustige sfeer

De achtergrond is leeg, de ruimte stil.
Er is geen perspectiefdruk, geen decoratieve overdaad
— alleen licht, kleur en gebaar.
Die stilte maakt het beeld poëtisch:
het lijkt een moment dat blijft hangen, een gesprek dat niet hoeft te worden gehoord.

Wie zijn de twee belangrijke mannen?

Links zit Pritham Singh van Kulu, in wit gewaad en met een ingetogen houding.
Rechts zit Gamanchand van Kangra, op een tapijt en vergezeld door bedienden.
Hoewel geen van beiden als regerend vorst wordt aangeduid,
behoren zij duidelijk tot de hogere hofadel
die de politieke en militaire structuren van Kulu en Kangra droeg.
De miniatuur documenteert een ontmoeting binnen dit netwerk van regionale macht,
in een periode waarin Kangra onder Raja Sansar Chand II (regeert 1775–1823)
de dominante positie innam.

Wat zegt de inscriptie hier?

Bovenaan het blad staat een korte Perzische inscriptie,
deels beschadigd maar nog leesbaar als
“Rāhī ze taʿlīm‑e Sar‑Sākam”
— letterlijk: “Rāhī, leerling van Sar‑Sākam.”
De tekst fungeert als signatuur en verwijst naar de maker van de miniatuur.
In de Pahari‑traditie vermeldden schilders hun naam vaak bescheiden
in de marge of boven de voorstelling, soms met de toevoeging van hun leermeester.
De inscriptie maakt duidelijk dat het werk afkomstig is uit een lokaal atelier
waarin kennis en stijl via persoonlijke overdracht werden doorgegeven.
Daarmee vormt de tekst niet alleen een identificatie van de kunstenaar,
maar ook een getuigenis van de levendige schildergemeenschap
in de westelijke Himalaya rond 1800.

Wie of wat zijn de overige twee figuren?

Achter beide hoofdpersonen staat telkens één begeleider,
elk met een eigen functie binnen de audiëntie.

Achter Pritham Singh staat een man in wit die een staf
met een knop aan de bovenzijde vasthoudt, met beide handen.
Zo’n staf kan zowel een teken van rang als een praktisch attribuut zijn,
maar in deze context fungeert hij waarschijnlijk als hofdienaar
die de staf van zijn heer draagt tijdens het gesprek.

Achter Gamanchand staat een hofdienaar van hogere rang,
herkenbaar aan de flywhisk (waaier) in zijn rechterhand
en een gevouwen doek in zijn linkerhand, terwijl een korte dolk
aan zijn gordel zijn status binnen de hofhouding markeert.

Samen tonen deze begeleiders
dat beide mannen met hun eigen entourage verschijnen,
wat de formele en diplomatieke aard van de ontmoeting onderstreept.


Gedachte‑eiland of gedachten‑eiland

Één idee, één herinnering,
of velen.
Yoghurt, kaas,
of een hele boodschappenlijst.
Ik zie niet alles wat er drijft,
alleen dat wat aanspoelt.

Een museum als gedachten‑eiland

Ik zag de boekjes van ISOLARII in het Huis van het Boek,
tijdens hun tentoonstelling Apocalyps: vrees of hoop.
Het museum zelf voelt al als een gedachten‑eiland:
een plek waar de wereld even stilvalt
en waar je, tussen vitrines en papieren landschappen,
kunt nadenken zonder afleiding.

IMG_9200HuisVanHetBoekApocalypsVreesEnHoop

Dat juist daar deze kleine, geconcentreerde boekjes lagen
— elk een mini‑archipel van ideeën —
maakte de sprong naar de Venetiaanse isolari bijna vanzelfsprekend.

Wat waren Venetiaanse eilandboeken?

De term verwijst naar de isolari, een genre
van geïllustreerde boeken dat in Venetië
tussen de 15e en 17e eeuw tot bloei kwam.
Deze boeken verzamelden kaarten, reisverhalen,
geografische beschrijvingen, legendes en fantasieën
over eilanden in de Middellandse Zee en daarbuiten.
Ze boden lezers een manier om de wereld te verkennen
zonder te reizen — een papieren archipel van kennis en verbeelding.

Functie en betekenis

Venetië was in die tijd een maritieme republiek
met handelsroutes tot in het oosten.
De isolari weerspiegelden die wereldwijde blik:

  • Ze dienden als navigatiehulpmiddel voor zeelieden en ontdekkingsreizigers.
  • Tegelijk waren ze kunstzinnig en filosofisch, met kaarten die eilanden als miniatuurwerelden toonden.
  • Ze boden een encyclopedische blik op de wereld, waarin wetenschap, mythologie en politiek samenvloeiden.

Bekende voorbeelden

  • Cristoforo Buondelmonti, Liber Insularum Archipelagi
    (ca. 1420) – het eerste bekende eilandboek,
    met handgetekende kaarten van de Egeïsche eilanden.
  • Benedetto Bordone, Isolario
    (1528) – gedrukt in Venetië, met kaarten van de hele wereld,
    inclusief Amerika.
  • Later verschenen luxueuze edities waarin eilanden
    symbool stonden voor afzondering, identiteit en ontdekking.

Waar de Venetiaanse eilandboeken ooit de zeeën en kusten
van de wereld in kaart brachten,
richt de moderne uitgeverij ISOLARII zich
op de eilanden van het denken.
Hun kleine boekjes vormen geen geografische atlas,
maar een archipel van ideeën
— plekken van afzondering en concentratie in een tijd
van digitale overvloed.
Zoals de vroegmoderne isolari eilanden gebruikten
om de wereld te ordenen, zo gebruikt ISOLARII
het eiland als metafoor voor aandacht:
elk boekje is een miniatuurwereld waarin de lezer
even kan aanlanden, los van de stroom van schermen en scrollen.

DSC09428IsolariiTxtDSC09429IsolariiWillAlexanderCharismaticSpirals

In eerste instantie werd ik aangetrokken door de vormgeving: klein en creatief. Vervolgens gingen de titels mijn aandacht trekken: Will Alexander, Charismatic Spirals.

DSC09430IsolariiWillAlexanderCharismaticSpiralsDSC09431IsolariiCookingSectionsDanielFernándezPascualAndAlonSchwabeSalmon-ARedHerring

Van een willekeurig aantal maakte ik foto’s: Cooking Sections (dat is de naam van een duo, namelijk van Daniel Fernández Pascual en Alon Schwabe), Salmon: a red herring. Over het gebruik van kleurstoffen in de voedigsindustrie.

DSC09432IsolariiÉdouardGlissantHansUlrichObristArchipelago

Édouard Glissant, Hans Ulrich Obrist, Archipelago.

DSC09433IsolariiYevgeniaBelorusetsInTheFaceOfWarUkraine2022NikitaKadanLesiaKhomenko

Het dagboek van Yevgenia Belorusets, In the face of war over de oorlog in de Ukraine uit 2022. Kunstenaars Nikita Kadan en Lesia Khomenko gebruikte teksten in hun werk over de Oekraine.

DSC09434IsolariiRobertCooverArtSpiegelmanStreetCop

Robert Coover, StreetCop, met illustraties van Art Spiegelman.

DSC09435IsolariiRobertCooverArtSpiegelmanStreetCopDSC09436IsolariiPhilipKDickHowToBuildAUniverseThatDoesn'tFallApartTwoDaysLater

Philip K. Dick, How to build a universe that doesn’t fall apart two days later.


Van strenge transcendentie naar ontspannen nabijheid

– over een wandeling in Museum Rietberg van de Noordelijke Dynastieën naar de Jin‑tijd –

DSC05607ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Zürich, Museum Rietberg, Guanyin in Royal ease-pose, Northern China, Jin Dynasty, 12th – 13th century CE, holz, teilweise bemalt, geschenk Eduard von der Heydt, RCh 301.

DSC05608ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Ik zet weer wat stappen in de museumzaal.
De tijd maakt een sprong van minstens 700 jaar.
De figuur die ik voor me zie is van hout.
Hij kijkt me uit de hoogte en schijnbaar ongeïnteresseerd aan.
Grote oogkassen en neus
Een kleine, smalle mond.
Nadrukkelijke kin.
Lange oorlellen.

De kleding komt bekend voor.
Een kroon in het haar.
Sierraad op de arm.
Decoratie op de borst.
Zwierende sjerpen.
Geplooid.

De houding veel losser dan op de steles
of Dunhuangschilderingen op zijde.
Is dat een mudra?

Door de tijd zijn veel stukken van de verf verdwenen.
De ondergrond komt tevoorschijn.
Alles bij elkaar: intrigerend.

Noordelijke Dynastieën – canon en legitimatie

In de kunst van de Noordelijke Dynastieën (5e–6e eeuw)
vormt het boeddhisme een politiek en visueel bindmiddel
in een gefragmenteerd Noord‑China.
De heersende Xianbei‑elites gebruiken de religie om hun gezag te verankeren,
en de beeldtaal volgt die functie.
Bodhisattva’s verschijnen frontaal en symmetrisch, met langgerekte lichamen,
geometrische plooival en gestileerde gezichten.
De sculptuur is niet bedoeld om nabijheid te suggereren,
maar om een idee van verheven orde te bevestigen.

De monumentaliteit van de grotcomplexen van Yungang en Longmen
weerspiegelt die ideologische strengheid:
het goddelijke is ongenaakbaar, architectonisch,
een principe van stabiliteit te midden van politieke wisseling.

Jin‑dynastie – aristocratische elegantie en naturalisme

Zeven eeuwen later, in de Jin‑dynastie (12e–13e eeuw),
verschijnt een totaal andere beeldtaal.
De houten Guanyin uit Noord‑China, deels gepolychromeerd,
belichaamt een wereldse verfijning die de vroegere strengheid heeft losgelaten.
De figuur zit in royal ease pose (lalitāsana):
één been opgetrokken, één ontspannen hangend.
De plooien vloeien, de sjerpen bewegen vrij,
en de gelaatsuitdrukking is kalm maar niet afstandelijk.

Politiek gezien is ook dit een niet‑Han dynastie — de Jurchen —
maar artistiek staat zij onder invloed van de Song‑cultuur in het zuiden.
De voorkeur voor houtsculptuur, zachte modellering en subtiele polychromie
weerspiegelt een esthetiek waarin het heilige niet langer boven de wereld staat,
maar er deel van uitmaakt.
De bodhisattva is niet meer een abstract symbool,
maar een figuur met aristocratische rust en menselijke aanwezigheid.

De overgang – de rol van de Song en de verinnerlijking van het beeld

Tussen de strenge monumentaliteit van de Noordelijke Dynastieën
en de verfijnde elegantie van de Jin‑tijd ligt
de lange ontwikkeling van het Chinese boeddhistische beeld.
De Song‑dynastie vormt daarin het scharnierpunt.
Haar schilderkunst en hofesthetiek introduceren een nieuw naturalisme:
aandacht voor innerlijke rust, zachte contouren en een bijna poëtische menselijkheid.
De Jin‑kunst neemt deze gevoeligheid over en vertaalt haar in hout.
Waar de vroegere bodhisattva’s transcendent waren,
wordt de latere Guanyin een figuur van nabijheid
— niet langer een principe, maar een aanwezigheid.
De verf die nu grotendeels verdwenen is, getuigt van die oorspronkelijke levendigheid:
een beeld dat ooit glansde in kleur,
maar nu juist door zijn verweerde oppervlak de tijd voelbaar maakt.

DSC05611ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301DSC05609ZürichMuseumRietbergGuanyinInRoyalEasePoseNorthernChinaJinDynasty12th-13thCenturyCEHolzTeilweiseBemaltGeschenkEduardVonDerHeydtRCh301

Is dit een mudrā ?

In de klassieke boeddhistische iconografie verwijst een mudrā
naar een gecodificeerd handgebaar met een vaste betekenis:
abhaya, vitarka, dhyāna, varada, dharmacakra, enzovoort.
Deze gebaren zijn herkenbaar door:

  • een specifieke positie van vingers en handpalm
  • een vaste hoogte ten opzichte van het lichaam
  • een canonieke symmetrie of richting

Bij het Jin‑dynastie Guanyin‑beeld, ontbreekt die canonieke precisie.
De handen:
rusten losjes op of nabij het opgetrokken been;
volgen de natuurlijke ontspanning van de royal ease pose (lalitāsana);
tonen geen specifieke vingerconfiguratie;
zijn niet op borsthoogte of voor het lichaam geplaatst, zoals bij formele mudrā’s.

Dit is dus geen formele mudrā, maar een houding
die past bij de aristocratische, ontspannen Guanyin‑typen uit de 12e–13e eeuw.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVII

– Over een houten Boeddha uit een site die alleen Stein nog zag –

We denken vaak dat we alles weten.
Dat we alles gezien hebben.
Dat we overal kunnen komen.
Dat de wereld klein is.
We stonden al op de maan!

Maar dan sta je in New Delhi voor een klein houten beeldje,
uit een plek aan de Zijderoute.
Een plaats die Stein als laatste gezien heeft.
Als laatste?
Ook in 1906/1908 waren er nog karavanen
die gebruik maakten van deze handelsroutes.
Stein maakte er nog foto’s van.

SteinAurélMTACamelCaravanXinjiang1904 01

Foto van Aurél Stein, uit het digitale MTA archief (de Hongaarse Academie van Wetenschappen) met als omschrijving: Camel caravan, Xinjiang, 1904.

SteinAurélMTACamelCaravanXinjiang1904 02 Detail

Detail van bovenstaande foto.

Maar hij is wel de laatste die de plaats documenteerde.
En dat maakt dit houten beeldje wel heel bijzonder.

DSC01392 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaInDhyanaMudraKichik-Hassar7th-8thCenturyCEWood27x15,5CmAccNoH-B-III-001

India, New Delhi, National Museum, Buddha in Dhyana Mudra, Kichik-Hassar, 7th – 8th century CE, wood, 27 x 15,5 cm. Acc.No. H.B. III.001.

DSC01392 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaInDhyanaMudraKichik-Hassar7th-8thCenturyCEWood27x15,5CmAccNoH-B-III-001Txt


Om te achterhalen wat het voorwerp precies is, heb ik de online bronnen
bekeken:

AurelSteinSerindiaVol3Page1173PagePDF110Column1AurelSteinSerindiaVol3Page1173PagePDF110Column2

In het Nederlands staat er in Serindia, deel 3, pagina 1173:

H. B. iii. 001.
Houten beeldje van Boeddha, gezeten in meditatie op een drielaagse troon. Grof gesneden, waarbij alleen de voorzijde en zijkanten zijn afgewerkt; de achterkant is vlak, bedoeld om met houten pennen aan een muur of ander oppervlak te worden bevestigd, waarvan er enkele nog aanwezig zijn. Een extra, tongvormig stuk hout — vermoedelijk oorspronkelijk oprijzend uit een nu verdwenen basis — is vastgezet in een overeenkomstige uitsparing aan de onderzijde van de rug. De Boeddha heeft langgerekte, doorboorde oren en een uṣṇīṣa (schedeluitstulping). De plooien van het gewaad zijn zeer conventioneel weergegeven door een reeks halfronde groeven. Het geheel was oorspronkelijk beschilderd met een dikke witte sliblaag, met resten van rode verf in de groeven en sporen van zwarte verf op het haar. Sterk gebarsten en aan het oppervlak versleten. Afmetingen: 28 × 16,5 × 10 cm. (Pl. CXXXVIII.)

Er staat een verwijzing naar een plaat. Die vind je in deel 3 van Serindia:

AurelSteinSerindiaVol4Plate138 CXXXVIIIPagePDF292 01

Onder plaat 128 staat: Stucco relief base of image (MI.xviii.001) and reliefs in stucco and wood from MING.01 and other sites. Het Boeddha-beeldje van dit bericht valt onder ‘the other sites’. Volgens mij is het de Boeddha rechtsboven.

AurelSteinSerindiaVol4Plate138 CXXXVIIIPagePDF292 02

In Stein’s foto in Serindia is het beeld nog ongerestaureerd, met een zichtbaar gat in de troon waar misschien een houten pen of steun heeft gezeten. In de huidige museumversie is die opening gedicht, wat de overgang markeert van veldvondst naar geconserveerd tentoonstellingsobject.


Dhyāna mudrā?

Stein registreerde in het veld uitsluitend wat hij feitelijk kon waarnemen,
zonder iconografische termen.
Zijn beschrijvingen moesten later onderzoek mogelijk maken.
Het museum neemt die volgende stap door de houding
als Dhyāna mudrā te interpreteren
— een duiding die past binnen de boeddhistische beeldtraditie,
maar die Stein zelf bewust niet maakte.

Kichik‑Hassār op de foto

AurelSteinSerindiaVol3Fig270 PagePDF94

In de digitale versie van Serindia die ik ter beschikking heb (vrij online te raadplegen) staat deze foto. Ik ben toen verder gaan zoeken en vond een digitaal archief met meer dan 6000 foto’s van Stein. Deze foto zat er tussen.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 01 Foto 01

Stein, Aurél, Ruined shrines I-III, Kichik-hassar, seen from south, 1908. Je ziet de foto op een vel met instructies voor de opmaak en de drukker en links in de hoek het nummer 270. Dat is het ‘Figure’-nummer in Serindia.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 01 Foto 02

Dezelfde opname maar nu geconcentreerd op de foto zelf. Er staat nog iemand op de foto links en er ligt een hond rustig te slapen, links onder tegen de heuvel.

SteinAurélRuinedShrinesKichik-hassarSeenFromSouth1908 02 Instructies

Als je op de MTA-website gaat kijken dan zie je ook deze foto van een halfdoorzichting vel papier met getypte tekst met aanvullende opmaakopdrachten. Op de achtergrond zie je de foto doorschijnen.


Op de heuvel staat een figuur die duidelijk als schaalreferentie is opgenomen.
Wie het precies is, valt niet met zekerheid vast te stellen:
op Stein’s veldfoto’s verschijnen zowel hijzelf als assistenten
in vergelijkbare kleding, en bij deze opname ontbreekt
elke expliciete persoonsvermelding.

De foto maakt deel uit van het digitale archief van het
MTA Könyvtár és Információs Központ
(de Hongaarse Academie van Wetenschappen),
dat een deel van Stein’s originele glasnegatieven beheert.

Deze collectie kwam daar terecht via Stein’s Hongaarse afkomst
en de overdracht van delen van zijn persoonlijke
wetenschappelijke nalatenschap aan Hongaarse instellingen.

De bij deze opname bewaarde archiefvellen
bevatten geen identificatie van de afgebeelde persoon,
zodat alleen kan worden vastgesteld dat het om een schaalfiguur gaat,
niet om een gedocumenteerd portret van Stein zelf.

Waar ligt Kichik‑Hassār eigenlijk?

Kichik‑Hassār ligt in het huidige China,
in de Xinjiang Uyghur Autonomous Region.
Maar dat moderne kader vertelt maar een deel van het verhaal.
In de tijd waarin het houten Boeddhabeeldje werd gemaakt
— ruwweg 7e–8e eeuw — maakte dit gebied geen deel uit
van een Chinees kerngebied, maar van het boeddhistische koninkrijk Khotan,
een oasecultuur langs de zuidelijke rand van de Taklamakan-woestijn.

Het was een regio met sterke Indiase, Iraanse en Centraal‑Aziatische invloeden, waar Sanskriet, Prakrit en Khotanees werden gebruikt, en waar boeddhistische kunst zich in een eigen, herkenbare stijl ontwikkelde.

Dat betekent dat het beeldje geografisch in China is gevonden, maar cultureel en artistiek tot Khotan behoort. Die nuance is belangrijk: het bepaalt hoe we naar het object kijken, welke vergelijkingen zinvol zijn, en waarom de stijl zo anders is dan wat we uit de Chinese boeddhistische traditie kennen.

Een site die alleen dankzij Stein bestaat

Kichik‑Hassār is een van die kleine heiligdommen
die we uitsluitend kennen dankzij Stein.
Hij bezocht de plek kort tijdens zijn tweede expeditie (1906–1908),
maakte enkele foto’s, beschreef drie kleine schrijnen en een stūpa‑groep,
en nam een handvol objecten mee — waaronder het houten Boeddhabeeldje.

Daarna is niemand ooit teruggekeerd.
Geen Chinese archeologen, geen Westerse teams,
geen moderne surveys.
De exacte locatie is onzeker, de ruïnes zijn waarschijnlijk
opnieuw door het zand opgeslokt,
en de regio is tegenwoordig grotendeels ontoegankelijk
voor systematisch archeologisch onderzoek,
zowel door buitenlandse als door de meeste binnenlandse teams.
Je kunt er zelfs geen gewone vakantie boeken;
het gebied is voor bezoekers vrijwel volledig afgesloten

De zuidelijke rand van de Taklamakan

De zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn vormde in de oudheid
een van de belangrijkste verkeersaders van de Zijderoute.
Het was de winterroute:
in de koude maanden trokken karavanen langs de oases van
Khotan, Keriya, Niya en Miran,
waar water, hout en beschutting te vinden waren.

In de zomer weken reizigers liever uit naar de noordelijke route,
langs Aksu, Kucha en Turfan,
omdat de zuidelijke rand dan extreem heet werd
en de afstand tussen de oases gevaarlijk groot kon zijn.

Die seizoensgebonden verschuiving is essentieel
om Kichik‑Hassār te begrijpen.
Het lag precies in die zuidelijke gordel van oases
die de winterroute mogelijk maakten.
Kleine heiligdommen zoals Kichik‑Hassār waren onderdeel van dit netwerk:
plekken waar reizigers konden bidden, waar monniken leefden,
en waar lokale gemeenschappen devotionele objecten produceerden
— zoals het eenvoudige houten Boeddhabeeldje dat Stein vond.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVI

– over hoe we uit fragmenten proberen te begrijpen wat ooit één geheel was –

De collectie van het National Museum in New Delhi is super!
De kwaliteit is indrukwekkend.
Zeker als je er naar kijkt in het licht van hun beperkte budget.

De Stein-collectie is daarbij voor mij een hoogtepunt maar
dat is ook het geval voor de stenen en metalen beelden,
friezen, steles enz.
De hele geschiedenis van Britisch India trekt aan je voorbij.

Het brengt de verplichting mee om nog kritischer te zijn op
Nederlandse musea, die vaak klagen over hun budget,
maar in werkelijkheid over veel ruimere mogelijkheden beschikken.

De afgelopen dagen heb ik veel moeite gehad om te achterhalen
wat ik nu precies zie bij drie objecten:

  • de muurschildering van Boeddha met discipelen uit Miran (zie eerder bericht)
  • een houten Boeddha-beeld uit Kichik-hassar (nooit eerder van gehoord, volgt)
  • en een pelgrimsfles uit Yotkan (een site in Khotan).

Over dit laatste object gaat dit bericht.
Ik stel het meteen voor:

DSC01393IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01

India, New Delhi, National Museum, Pilgrim’s bottle, Yotkan, 4th – 5th century CE, terracotta, 15 x12 cm.

DSC01394IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01Txt


Wat is Yotkan?

In de oase van het huidige Hotan (stad in China)
ligt Yotkan als een stille onderlaag van de tijd:
het archeologische hart van het oude koninkrijk Khotan.
Waar de moderne stad zich steeds verder oostwaarts ontwikkelde,
bleef Yotkan achter als de vroegste hoofdstad,
een plek waar de materiële cultuur van Khotan nog tastbaar is.
De terracotta‑vondsten, fragmenten van boeddhistische beeldtaal
en sporen van ambachtelijke productie
vormen samen een zeldzaam venster op een samenleving
die leefde van jade, irrigatie en de zuidelijke Zijderoute.
Yotkan is daarmee geen aparte wereld naast Khotan,
maar de bewaarde laag van zijn oorsprong
— een archeologische echo van het koninkrijk
dat hier meer dan een millennium bloeide.

Zoals vaker ben ik de zaaltekst gaan toetsen aan de informatie
die ik kon vinden in Serindia.
Het probleem daarbij is dat Stein zijn nummersysteem aanpast
aan de bron van de objecten.
Stein beschrijft wat die bronnen zoal zijn:

Serindia, Vol1, page 94

At Yotkan the great pit-like area resulting from the long years of washing for gold and ‘treasure’ at the site of the ancient capital, showed but slight change since 1900. A series of causes have tended to reduce the operations which have yielded as their by-product so many curious relics of ancient Khotan.

Serindia, Vol1, page 95

In spite of the restricted working the yield is small antiques, such as terracotta figurines, coins, cut stones, etc., still continued. This was proven by the relatively ample collection of such objects I was able to acquire that year both at Yotkan itself and at Khotan and during my subsequent visits in 1908.

Serindia, Vol1, page 97

As on my previous journey. I endeavoured, during my sucdcessive visits to the Khotan oasis in 1906 and again in 1908, te secure any antiques that were to be found either among the villagers engaged in the gold-washing operations at Yotkan or in the hands of those local agents who are in the habit of collecting such objects as ancient coins, cut stones, decorated pottery, etc., which find their way into the Khotan Bazars It is certain that the latter receive the main portion of their abundant supply of small antiques from the annual operations at Yotkan, and also relatively little from chance finds made by the ‘treasure-seekers’ who make a practice of visiting the eroded old sites around the oasis during the winter months. It has therefore appeared convenient to treat all the antiques which I obtained by purchase while in Khotan in one place.

All objects acquired by me either personally or through my thrustworthy local fctotum Badruddin Khan, the headman of the Indian and Afghan traders, as avowedly coming from Yotkan bear the distinguishing mark of Yo. in the descriptive list given in the section following. But even in the case of these objects the evidence as to their provenance can obviously not claim the same value as if they were finds resulting from systematic exploration on the spot. As regards antiques acquired through other channels there is still grater need for caution before making any individual piece a basis for antiquarian argument.
Yet with this reservation once made it is easy to recognize that the great mass of the objects are genuine relics left behind by the civilization which flourished during Buddhist times at the ancient capital of Khotan. So closely do they agree in character, style and material with the contents of collections previously secured from the ‘culture-strata’ of Yotkan.

In het Nederlands:

Wanneer Stein in 1906 en 1908 opnieuw in Yotkan arriveert,
treft hij dezelfde enorme kuil aan die al decennia lang
door lokale bewoners wordt uitgegraven voor goud en ‘schatten’.
Die half‑industriële goudwassing levert als bijproduct
een constante stroom kleine antiquiteiten op:
terracotta figuurtjes, munten, geslepen stenen
en fragmenten van versierde keramiek.
Omdat de systematische opgraving van Yotkan onmogelijk is
— het terrein wordt immers door dorpelingen bewerkt,
niet door archeologen —
is Stein volledig afhankelijk van wat deze goudwassers
en lokale handelaren hem aanbieden.

Hij beschrijft hoe hij tijdens elk bezoek de dorpsbewoners langsgaat
die in de kuil werken, en daarnaast de tussenpersonen
die zulke vondsten verzamelen voor de bazaar van Khotan.
Het merendeel van de objecten die daar circuleren, zo stelt hij,
komt rechtstreeks uit de jaarlijkse werkzaamheden in Yotkan;
slechts een klein deel is afkomstig van schatzoekers
die ’s winters oude sites rond de oase afstruinen.

Stein markeert alle stukken waarvan de herkomst
volgens de verkopers “zeker Yotkan” is met het voorvoegsel Yo.,
maar hij benadrukt zelf dat deze provenance (oorsprong)
nooit dezelfde waarde heeft als vondsten uit gecontroleerde opgravingen.
Toch ziet hij in de grote hoeveelheid en de consistente stijl van de objecten
voldoende bewijs dat ze authentieke resten zijn
van de boeddhistische cultuur
die ooit in de oude hoofdstad van Khotan bloeide.

In Serindia zie je dan de volgende manieren om objecten uit Yotkan
te identificeren:

  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo.1.
  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo. 01. a.
  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo. 001. a-v.

Dus als de zaaltekst zegt dat de pelgrimsfles nummer Yo.01 is,
welk nummer bedoelen ze dan precies?

  • Yo.01.a. is een amfora maar de beschrijving is heel anders dan het object;
  • Yo.001. a-v zijn series van groteske maskers,
    afkomstig van ‘vazen’.

Nog even terug naar Stein:

SerindiaVol I Page98

In Serindia vol. I p. 98 beschrijft Stein dat de ornamentatie
van Yotkan‑vazen bestond uit afzonderlijk gemodelleerde appliqué‑stukken,
vooral groteske maskers en menselijke gezichten
(Yo. 001 a–v etc., Plates I & III).

SerindiaVol4Plaat3Detail

Mij lijken de twee maskers linksboven op plaat 3 (detail hierboven), wel erg veel op het gezichtje in het midden van de pelgrimsfles. Op de website van het International Dunhuang Project zie je meer van deze maskers met een sterke gelijkenis maar een veel hoger nummer.

DSC01393IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01 Detail

Let misschien ook eens op het kleurverschil tussen het masker en de fles.

De Pilgrim’s Bottle in het National Museum New Delhi
lijkt een moderne reconstructie van zo’n vaas,
waarin een van deze appliqué‑gezichten opnieuw is toegepast
om het oorspronkelijke decoratieve type te tonen.

SerindiaVol1Page104 Yo.001 a-v

Mijn voorlopige conclusie

De Pilgrim’s Bottle in het National Museum New Delhi
is vrijwel zeker een moderne reconstructie van een Yotkan‑vaas,
waarbij een van Stein’s appliqué‑maskers uit de reeks Yo. 001 a–v
als decoratief middelpunt is gebruikt.
Stein beschreef deze maskers als groteske menselijke gezichten,
oorspronkelijk aangebracht op terracotta vaten
— die het museum visueel heeft hersteld tot een complete flesvorm.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLV

– over een muurschildering uit een boeddhistische stupa –

Mijn plan was een bericht te schrijven over drie objecten.
Drie voorwerpen die ik zag in het National Museum in Delhi:

  • een ‘Pilgrim’s bottle’ uit Yotkan
  • een Boeddhabeeldje in dhyana-mudra uit Kichik-Hassar
  • en een muurschildering uit Miran

Drie voorwerpen uit de Aurél Stein collectie van het museum.
Alle drie verbonden aan de historische zijderoute.
Maar het lukte niet om alle informatie bij elkaar te krijgen
die ik nodig vond voor mijn verhaal.
De pelgrimsfles en het Boeddhabeeldje volgen daarom in een ander bericht.
Vandaag concentreer ik me op de muurschildering met
Buddha with six disciples, 3rd – 4th century CE.

DSC01395IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003 LeftPartDSC01396IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003 Complete

India, New Delhi, National Museum, Buddha with six disciples, Miran, 3rd – 4th century CE, wallpainting, 57,15 x 100,33 cm. Acc.No. M.III.003. Dat nummer heeft een betekenis de ‘M’ staat voor Miran, de plaats waar het is opgegraven. ‘III’ wil zeggen dat er meerdere fysieke plaatsen waren in Miran en dat dit object uit de derde plaats komt, ‘003’ is het volgnummer van de muurschildering in de reeks objecten die Aurel Stein ontdekte in de derde plaats van Miran, een stupa.


Natuurlijk ben ik mijn bronnen gaan bekijken en dat begon met de zaaltekst:

DSC01397IndiaNewDelhiNationalMuseumBuddhaWithSixDisciplesMiran3rd-4thCenturyCEWallPainting57,15x100,33CmAccNoM-III-003Txt

This fragment of a wall painting from a stupa in Miran shows the bust of the Buddha with six disciples. The scene probably depicts the conversation of the six Shakya princes. A story mentioned in the Buddhist Vinaya texts.


Vervolgens raadpleegde ik Serindia:

SerindiaVo1Page540Part01SerindiaVo1Page540Part02SerindiaVo1Page541Part01SerindiaVo1Page541Part02

Serindia, Vol 1, page 540 & 541.


M. III. 003. Fresco panel (incomplete) fallen in front of M. III. iv-v. On L. is upper half of a Buddha, three quarters to L., R. hand raised as in Abhaya-mudra but with thumb bent inwards touching second joint of third finger (eighth on hand). Dr. Venis suggests that this may symbolize Buddha expounding ‘the eight-fold way’ or the eight Paramitas. L. hand low, prob. gathering up drapery. Behind him are six disciples, in two rows of three, one above the other; the nearest to him in upper row holding a yak-tail fan in raised R. hand; to R. again of disciples appears naked R. arm which grasps handful of white buds or flowers, apparently in act of throwing. As background to arm appears part of dark conical (?) mass of black, covered with red and white flowers and poppy-like leaves in greenish grey; and on extreme L. is similar mass of black on which are scattered well-drawn leaves in greyish blue; both are intended to represent trees (cf. Figs 136-8). Background elsewhere vermillion, turning to pale buff between Buddha and disciples (paint probably lost); along top runs black band.
Buddha wears dark purple-brown robe, covering both shoulders; outlined black and lined with buff, which shows at turnover on L. shoulder. Head of Western, slightly Semitic type, with high straight forehead and somewhat domed top; large well-opened straight-set eyes, partially covered by eyelids; nose aquiline; short upper lip; small curved mouth; softly rounded cheeks and chin; ears are elongated and pierced, and there is small moustache and rippling lock before ear; eyebrows nearly meet over nose; L. strongly arched; hair in curves along forehead, receding at temples; uṣṇīṣa partly lost; all hair black.
Flesh pale buff; flat on face, but with grey shading on arm; contour lines rapidly drawn with broad brush in light red, and emphasized with lines of reddish-brown wherever a true outline is in question or strong outline of feature is required; elsewhere (along sides of nose, line of jaw against neck and of forehead under hair, round ball of chin and for wrinkles in neck) the light red only is used, giving effect of rough shading but producing required effect at a slight distance. Eyes look slightly downwards under eyelid, and are painted like those of ‘angels’ with white on eyeballs, brown on irises, and black for pupils and iris outline; behind head is circular halo of light buff bordered with red.
The disciples are of a strongly Western type, with decidedly hooked noses and fuller and more prominent eyes. Their heads are of a shorter and rounder type, and the method of painting is different from that of the Buddha but akin to that employed in the faces of M. III. 002 and of the ‘angels’ in the dado; the colouring, however, is much stronger and cruder that that of the latter. All heads are shaven and are seen threequarters to L.; fig. on L. in top row carries white cauri in R. hand uplifted behind Buddha, and wears bright green robe lined with white, leaving R. shoulder bare; next wears bright red robe lined with white, covering both shoulders; fig. on L. in lower row, light buff robe with folds indicated in red (R. shoulder broken off); and fig. at other end of row dark red robe covering both shoulders; a hand of the latter appears at edge of fr. from inside of breast of robe, fingers clasping edge; this fig. also has two transverse wrinkles in forehead and heavy double-curved eyebrows meeting over nose; ears are all pierced. The monotony of the heads is diversified by the difference of their gaze, some looking to their R., others straight before them, another more directly towards spectator and up under eyelids.
The flesh itself is painted in clear salmon or flesh pink, shaded with warm grey, and with high pink blush upon each cheek; all outlines are red-brown, and the shaven portions of the flesh are also represented in grey; the lips are vermilion; their treatment and colouring, like that of the eyes, being similar to that of the ‘angels’, M. III. i-v, etc.; cf. also M. III. 008. The white impasto of the eyes is particularly thick, catching real high lights.
The painting is of the same firm bold style as that of the dado, evidencing well-developed methods of producing a finished effect with economy of work. Colouring very fresh and surface well preserved. 3′ three and a half” x 1′ ten and a half” Pl. XLII.

SerindiaVol4PlateXLIIPDFPage100AccNoM-III-003

In de tekst wordt verwezen naar Plate XLII, dit is plaat 42. Dat helpt enorm om vast te stellen dat mijn foto’s en de tekst op hetzelfde object betrekking hebben.


Nederlandse vertaling:

M. III. 003. Onvolledig fresco‑paneel, gevallen vóór de ruimten M. III. iv–v. Aan de linkerzijde bevindt zich de bovenhelft van een Boeddha, driekwart naar links gewend, met de rechterhand opgeheven zoals in de abhaya‑mudrā, maar met de duim naar binnen gebogen zodat deze het tweede kootje van de derde vinger raakt (een “acht” op de hand). Dr. Venis suggereert dat dit de Boeddha kan voorstellen die de “achtvoudige weg” of de acht pāramitā’s uiteenzet. De linkerhand hangt laag, waarschijnlijk bezig de draperie op te nemen.
Achter hem staan zes discipelen, in twee rijen van drie, de ene boven de andere; de discipel die het dichtst bij hem staat in de bovenste rij houdt een jakstaart‑waaier in de opgeheven rechterhand; verder naar rechts verschijnt de ontblote rechterarm van een andere discipel, die een handvol witte knoppen of bloemen grijpt, blijkbaar in het gebaar van werpen.
Als achtergrond achter deze arm verschijnt een deel van een donkere, kegelvormige (?) massa zwart, bedekt met rode en witte bloemen en papaverachtige bladeren in groenachtig grijs; en uiterst links staat een vergelijkbare zwarte massa waarop goed getekende bladeren in grijsblauw zijn verspreid. Beide zijn bedoeld als bomen (vgl. figuren 136–138). De achtergrond elders is vermiljoen, overgaand in licht beige tussen Boeddha en discipelen (verf waarschijnlijk verloren); langs de bovenrand loopt een zwarte band.
De Boeddha draagt een donker purper‑bruine mantel die beide schouders bedekt; deze is met zwart omrand en gevoerd met licht beige, dat zichtbaar is bij de omslag op de linkerschouder. Het hoofd is van westers, licht semitisch type, met een hoog recht voorhoofd en een enigszins gewelfde kruin; grote, goed geopende, recht geplaatste ogen, gedeeltelijk bedekt door de oogleden; een neus met een lichte welving; korte bovenlip; kleine gebogen mond; zacht afgeronde wangen en kin. De oren zijn langgerekt en doorboord, en er is een kleine snor en een golvende haarlok vóór het oor; de wenkbrauwen komen bijna samen boven de neus; de linker wenkbrauw is sterk gebogen. Het haar loopt in bogen langs het voorhoofd en wijkt bij de slapen; de uṣṇīṣa is gedeeltelijk verloren; al het haar is zwart.
De huid is licht beige; vlak op het gezicht, maar met grijze arcering op de arm. De contourlijnen zijn snel getrokken met een brede kwast in lichtrood, en benadrukt met roodbruine lijnen waar een echte omtrek of een sterke gelaatslijn vereist is; elders (langs de zijkanten van de neus, de kaaklijn tegen de hals, het voorhoofd onder het haar, rond de bol van de kin en voor de plooien in de hals) is alleen het lichtrood gebruikt, wat een ruwe schaduwwerking geeft maar op enige afstand het gewenste effect oplevert. De ogen kijken iets naar beneden onder de oogleden en zijn geschilderd zoals die van de “engelen”, met wit op de oogbol, bruin op de iris en zwart voor pupil en irisomtrek. Achter het hoofd bevindt zich een cirkelvormige halo van licht beige met een rode rand.
De discipelen zijn van een uitgesproken westers type, met duidelijk gebogen neuzen en vollere, meer prominente ogen. Hun hoofden zijn korter en ronder van vorm, en de schilderwijze verschilt van die van de Boeddha maar lijkt op die toegepast in de gezichten van M. III. 002 en van de ‘engelen’ in de onderste wandzone; de kleuring is echter veel sterker en grover dan die van laatstgenoemden.
Alle hoofden zijn geschoren en driekwart naar links gewend. De figuur links in de bovenste rij draagt een witte yakstaart-waaier in de opgeheven rechterhand achter de Boeddha, en draagt een helder groene mantel, wit gevoerd, waarbij de rechterschouder bloot is; de volgende draagt een helder rode mantel, wit gevoerd, die beide schouders bedekt. De figuur links in de onderste rij draagt een licht beige‑kleurige mantel met plooien aangegeven in rood (rechterschouder afgebroken); en de figuur aan het andere uiteinde van de rij draagt een donkerrode mantel die beide schouders bedekt. Van deze laatste verschijnt een hand aan de rand van het fragment, vanuit de binnenzijde van de mantel, waarbij de vingers de rand vastgrijpen. Deze figuur heeft ook twee dwarsrimpels in het voorhoofd en zware dubbel gebogen wenkbrauwen die boven de neus samenkomen; alle oren zijn doorboord.
De monotonie van de hoofden wordt doorbroken door verschillen in hun blikrichting: sommigen kijken naar rechts, anderen recht vooruit, weer een ander meer direct naar de toeschouwer en omhoog onder de oogleden.
De huid is geschilderd in helder zalm‑ of vleeskleurig roze, gearceerd met warm grijs, en met een sterke roze blos op elke wang; alle contouren zijn roodbruin, en de geschoren delen van de huid zijn eveneens in grijs weergegeven. De lippen zijn vermiljoen; hun behandeling en kleuring, evenals die van de ogen, lijken op die van de “engelen”, M. III. i–v, enz.; vgl. ook M. III. 008. De witte impasto van de ogen is bijzonder dik, zodat echte lichtreflecties worden gevangen.
De schildering is in dezelfde stevige, gedurfde stijl als die van de onderste wandzone, en toont goed ontwikkelde methoden om met een zekere zuinigheid van arbeid een afgewerkt effect te bereiken. De kleuren zijn zeer fris en het oppervlak is goed bewaard gebleven. Afmetingen: drie voet en drie en een halve inch bij één voet en tien en een halve inch. Afgebeeld op plaat XLII.

SteinAurélMuralFromDadoOfShrineMIIIMiranSerPlateXLI

In de tekst is sprake van ‘Engelen’. Dit is een foto van Stein met een van die engelen die zich onder tegen de muur bevonden. In dezelfde ruimte als de ‘Boeddha met de zes volgelingen’.


Natuurlijk riepen de afbeelding en de teksten een paar vragen op
die hieronder probeer te beantwoorden.

Het verhaal van de zes Śākya‑prinsen

In de boeddhistische traditie vormen de Vinaya‑teksten
de kern van kloosterregels en de verhalen die deze regels verklaren.
Ze maken deel uit van de Tripiṭaka en bevatten naast voorschriften
ook talrijke anekdotes over het vroege kloosterleven,
evenals stambomen en familiegeschiedenissen van personen
rond de Boeddha.

In Centraal‑Azië, waaronder Miran,
was vooral de Mūlasarvāstivāda‑Vinaya de dominante versie.
Deze bevat onder meer het verhaal van zes jonge Śākya‑prinsen
—Bhaddiya, Anuruddha, Ānanda, Bhagu, Kimila en Devadatta—
die als verwanten van de Boeddha gezamenlijk besluiten
zich te laten wijden.
In sommige versies gaat dit vooraf aan een onderlinge discussie
over hun toekomst en plichten,
waardoor het motief van een “gesprek van zes prinsen”
in latere tradities herkenbaar werd.

De zaaltekst van het National Museum in New Delhi suggereert
dat het Miran‑fragment mogelijk naar deze episode verwijst.
Die interpretatie lijkt vooral gebaseerd op het aantal van zes:
achter de Boeddha zijn zes figuren gegroepeerd,
in twee rijen van drie.
Dit sluit oppervlakkig aan bij het canonieke aantal van de zes Śākya‑prinsen.

Bij nadere beschouwing is deze toewijzing echter problematisch.
De zes figuren achter de Boeddha zijn geen aristocratische prinsen,
maar geschoren monniken in eenvoudige gewaden,
zonder sieraden of koninklijke attributen.
Hun uiterlijk, kleding en houding passen volledig
binnen de conventionele iconografie van discipelen
in Centraal‑Aziatische boeddhistische muurschilderingen.
Bovendien bevindt zich rechts van deze groep een zevende figuur,
waarvan alleen een arm zichtbaar is
die witte bloemen of knoppen strooit.
Deze figuur staat duidelijk los van de groep van zes
en vervult een rituele, dienende rol die niet past
binnen het Vinaya‑verhaal van de prinsen.
Ook de compositie als geheel ondersteunt geen narratieve lezing.
De Boeddha is in driekwart profiel weergegeven,
met achter hem een compacte groep discipelen
en een afzonderlijke bloemenstrooier.
Dit schema komt veelvuldig voor in de schilderkunst van Miran,
Khotan en Kucha, waar het fungeert als een devotionele voorstelling
van de Boeddha met zijn volgelingen,
niet als een specifieke historische scène.
Stein zelf geeft dan ook geen enkele narratieve identificatie
en beschrijft uitsluitend wat zichtbaar is.

Hoewel de aanwezigheid van zes figuren in een groep
een associatie met de zes Śākya‑prinsen kan oproepen,
biedt het fresco geen iconografische aanwijzingen
die deze interpretatie ondersteunen.
De combinatie van zes monniken en een afzonderlijke bloemenstrooier
past beter binnen de algemene Centraal‑Aziatische traditie
van Boeddha‑met‑discipelen,
waarbij het aantal volgelingen kan variëren
en niet noodzakelijkerwijs een tekstuele episode weerspiegelt.

SteinAurélMuralMIII003MiranSerPlateXLII

Dit is een foto van Stein van het paneel ‘Boeddha met de zes volgelingen’.


Wie is ‘Dr. Venis’?

In de Mahāyāna‑traditie spelen de pāramitā’s
—de “volmaaktheden” of “deugden” van een bodhisattva—
een centrale rol.
Ze vormen een ideaal van morele en spirituele ontwikkeling
dat in grote delen van Azië, van India tot China, Korea en Japan,
diep in de religieuze cultuur is verankerd.
De pāramitā’s worden in verschillende tradities
in reeksen van zes, acht of tien geordend,
maar de kern blijft gelijk:
het zijn kwaliteiten die een bodhisattva cultiveert
om anderen te helpen en uiteindelijk verlichting te bereiken.

Voor veel boeddhisten in Azië zijn deze deugden geen abstracte filosofie,
maar praktische richtlijnen voor het dagelijks leven.
Vrijgevigheid (dāna), geduld (kṣānti), wijsheid (prajñā) en inzet (vīrya)
worden gezien als concrete manieren om het lijden van anderen te verlichten
en een ethisch leven te leiden.
In kunst en literatuur worden de pāramitā’s vaak geassocieerd
met bodhisattva‑idealen,
maar zelden met specifieke handgebaren van de Boeddha zelf.

Dat maakt de suggestie van Dr. H. H. Venis,
die door Stein in Serindia wordt vermeld, interessant maar ook problematisch.

Venis stelde dat het handgebaar van de Boeddha in het Miran‑fragment
mogelijk zou verwijzen naar de Achtvoudige Weg of naar de acht pāramitā’s.
Stein noteert deze opmerking, maar werkt haar niet verder uit.
Dat is kenmerkend voor zijn werkwijze:
Stein documenteert graag alle interpretaties die hij onderweg hoorde,
ook wanneer ze speculatief zijn.
Hij doet dat uit collegialiteit, uit beleefdheid,
en omdat hij vond dat zelfs losse observaties
deel uitmaken van de kenniscontext rond een object.

Toch is het belangrijk te benadrukken dat er
geen iconografische traditie bestaat waarin
een handgebaar van de Boeddha wordt gebruikt
om naar de acht pāramitā’s te verwijzen.
Evenmin is er een traditie waarin een mudrā
de Achtvoudige Weg symboliseert.
De suggestie van Venis moet daarom worden gezien
als een persoonlijke associatie, niet als een gevestigde interpretatie.

Daar komt bij dat er geen bekende correspondentie bestaat
tussen Stein en Dr. Venis waarin deze interpretatie wordt besproken.
In de archieven van de British Library,
waar Stein’s brieven en veldnotities worden bewaard,
is tot nu toe geen brief gevonden waarin Venis
over dit specifieke object schrijft.
Ook zijn er geen publicaties van Venis bekend
over boeddhistische kunst of iconografie.
Alles wijst erop dat Venis een tijdgenoot‑adviseur was
—een Britse arts in India met antiquarische belangstelling—
die Stein incidenteel van commentaar voorzag
op basis van foto’s of schetsen die Stein tijdens zijn expedities rondstuurde.

Stein vermeldt Venis’ opmerking dus vooral als documentatie
van een tijdgenoot‑observatie, niet als een interpretatie
die hij zelf onderschrijft.
Dat is des te relevanter omdat het Miran‑fragment zelf
geen enkele iconografische aanwijzing bevat
die een verband met de acht pāramitā’s ondersteunt.
De compositie is devotioneel, niet doctrinair;
de discipelen zijn monniken, geen bodhisattva’s;
en het handgebaar past binnen bekende mudrā‑varianten
zonder numerieke symboliek.

De ‘yakstaart‑waaier’

De yakstaart‑waaier (chauri, chowrie) is een ritueel attribuut
dat in grote delen van Azië wordt gebruikt als teken van eerbetoon.
Het object bestaat uit een bundel lang, wit yakhaar
die aan een handvat is bevestigd.
In boeddhistische kunst wordt de waaier vaak gedragen door dienaren
of hemelse begeleiders die de Boeddha omringen.
De functie is deels praktisch
—het wegjagen van insecten—
maar vooral symbolisch:
de waaier markeert de sacrale status van degene
voor wie hij wordt gezwaaid.

In het Miran‑fragment is de waaier bijzonder elegant weergegeven.
De lange haren vormen geen brede pluim, maar lopen opvallend spits toe,
alsof de kunstenaar de beweging van het haar
in de lucht heeft willen vangen.
Die slanke, naar één punt toelopende vorm versterkt
het rituele karakter van het gebaar:
de volgeling heft de waaier niet zomaar op, maar presenteert hem
in een gecontroleerde, bijna ceremoniële houding.
De combinatie van het lichte, bijna glanzende wit van het yakhaar
en de smalle, spits toelopende contour
maakt de waaier tot een subtiel
maar krachtig visueel signaal van devotie binnen de compositie.

Boeddha: westers, licht semitisch type?

Opvallend is het verschil in taal waarmee Stein
de Boeddha en zijn discipelen beschrijft.
Het gelaat van de Boeddha noemt hij een “Western, lightly Semitic type”,
een vroeg‑20e‑eeuwse kunsthistorische term
voor een geïdealiseerd, klassiek geïnspireerd Boeddha‑type
dat hij herkent uit de Grieks‑Boeddhistische traditie van Gandhāra.

De discipelen daarentegen worden door Stein niet individueel beschreven.
Hij gebruikt geen onderscheidende of gedifferentieerde observaties,
maar plaatst hen onder één verzamelcategorie:
“strongly Western type, with decidedly hooked noses
and fuller and more prominent eyes”.
Dit is geen poging om variatie te benoemen,
maar juist een vormbeschrijvende generalisatie
waarin alle gezichten tot één type worden samengevoegd.

Het contrast tussen beide beschrijvingen weerspiegelt
een toen gangbare kunsthistorische benadering:
de Boeddha als ideaaltype dat in een klassieke traditie wordt geplaatst,
de discipelen als uniforme groep die via brede,
typologische termen wordt aangeduid.

Stein’s woordkeuze zegt daarmee meer
over de classificerende categorieën van zijn tijd
dan over de feitelijke diversiteit van de afgebeelde gezichten.

Beide zijn bedoeld als bomen

Als achtergrond achter deze arm verschijnt een deel van een donkere, kegelvormige (?) massa zwart, bedekt met rode en witte bloemen en papaverachtige bladeren in groenachtig grijs; en uiterst links staat een vergelijkbare zwarte massa waarop goed getekende bladeren in grijsblauw zijn verspreid. Beide zijn bedoeld als bomen (vgl. figuren 136–138).

SerindiaFig136Page521DetailTree

Dit is een dergelijke boom die op de foto’s staat waar Stein naar verwijst. Dit is en detail van Fig 136. Je ziet een donkere achtergrondkleur waar een boomstam, takken en bladeren op te herkennen zijn.


Stein noemt de donkere, met bladeren bestrooide vlakken
achter de arm “trees”,
verwijzend naar vergelijkbare voorbeelden in Miran
waar een donkere achtergrondmassa wél duidelijk een boom vormt
met stam en takken.
In het fragment zelf ontbreekt die structuur echter volledig:
er is geen stam, geen vertakking, slechts een verzameling bladeren
die over een donker vlak zijn verspreid.
Het resultaat is eerder een decoratieve vegetatiemassa
dan een herkenbare boom.

Stein’s classificatie weerspiegelt daarmee zijn vergelijkende methode
—hij herkent een motief uit andere schilderingen—
maar sluit niet precies aan bij wat hier visueel te zien is.


Deze prachtige muurschildering roept bijna net zo veel vragen op
als dat het antwoorden geeft.
Maar het mooiste vond ik het verslag van Stein over hoe
de betreffende site gevonden werd.
Het geeft een beeld van de moeilijke omstandigheden waaronder
er gewerkt werd en hoeveel Stein diende te regelen.
Om een gevoel te krijgen bij dat verslag heb ik een aantal citaten
uit zijn verhaal gehaald en die wil ik hier delen.

Daarbij is het misschien goed een idee te hebben
van hoe het verslag van Stein is opgebouwd.
Een eerste aanzet voor een leeshulp:

De boekenreeks Serindia is zo opgebouwd dat per vindplaats
Stein eerst in grote stappen beschrijft hoe ze er kwamen,
wat ze er aantroffen, welke activiteiten er allemaal werden uitgevoerd
en wat belangrijke vondsten waren.
Daarna volgt er een genummerde lijst
met een beschrijving van ieder voorwerp.
De afgelopen weken, en ook in dit bericht, waren die beschrijvingen te zien.
Steeds bij een of meerdere foto’s van het voorwerp waar het over ging.
Maar van de meer algemene inleidingen wil ik vandaag wat citaten delen.

Serindia Vol. 1, page 450

On the morning of December 29, 1906, we left the Lou-lan ruins to regain ground where there still was water and with it life. The journey was to be made in two separate parties. The large band of labourers, whom the constant exertions and privations had severely tried, was to return to Abdal by the route previously followed, together with those camels which showed signs of exhaustion. Rai Ram Singh, the Surveyor, who was still suffering from acute attacks of rheumatism and was thus unfit at the time for fresh surveys such as I should otherwise have liked him to undertake in the desert eastwards, was put in charge of this party.
I myself, taking ten of the fittest camels and a small number of men, set out to the south-west in order to reach the terminal course of the Tarim River across the unknown desert area separating it from the small ruined site of Merked-tim, which Dr. Hedin had visited in 1896 on his journey along the Ilek branch of the Tarim, and which I wished to examine before returning to my tasks at the ruins of Miran.

Serindia Vol. 1, page 455

Next day I marched back to Charkhlik, where a variety of tasks, as described in my personal narrative, and the need of giving my worn-out followers a chance of recovering from fatigues and exposure, urgently called me. These tasks, which included the raising of fresh supplies and transport for the long journey ahead as well as of labour for the excavations at Miran, detained me at the Lop headquarters from the 17th to the 21st of January.
On the morning of January 22 I started back to Miran with diggers and fresh supplies. Late on the following evening I had the great satisfaction of finding myself again by the bank of the Miran stream, now hard frozen, and reunited to my devoted Chinese helpmate, Chiang Ssu-yeh.

Serindia Vol. 1, page 456

SerindiaVol1Fig111Page456PagePDF536

Dit is een foto van de vlakte waarin bij Miran de stupa lag. Deze foto is uit Serindia, deel 1 (fig 111, page 456).


To this I moved out on the morning of January 23 and had our camp pitched under its walls in order to be near our work and to secure what shelter they might give from the icy winds which rarely cease sweeping the bare desert glacis at this season. Then the men, nearly fifty in number, were promptly set to work to continue the systematic clearing of the interior where our first excavation had stopped a month and a half earlier.

Serindia Vol. 1, pp. 492–493

SteinAurélRuinsOfShrinesAndStupasMiii-viMiranSiteSeenFromWest111 01

Dit is de foto van Stein die voor Serindia gebruikt werd. Ik vond hem op een Hongaarse website. Stein, Aurél, Ruins of shrines and stupas M. iii-vi, Miran, site seen from west.


On January 31, while the ‘re-burying’ of the quarters, etc., dug up in the Tibetan fort still kept most of the labourers busy, I started work at the group of small ruined mounds rising above the bare gravel Sai about a mile to the west-north-west of the fort. I had cursorily inspected a cluster of five of them found just east of the raised line marking an ancient canal. I had received the impression that they were much-decayed ruins of Stupas of the usual type.

Serindia Vol. 1, page 496

AurelSteinRuinsOfDesertCathayVol1 1912 Page339-Fig108

Stein had de foto al eens eerder gebruikt. Dit is zijn persoonlijk verhaal over zijn reizen. Aurel Stein, Ruins of desert Cathay, Vol 1, 1912, page 339 (fig 108). Nu staan onder de foto’s letters om aan te geven wat je precies ziet. Bij de letter ‘C’ zien we de stupa waar de muurschildering ontdekt is.


It meant an illuminating discovery, but also the rise of new problems. Among them there was one which had to be faced at once and which was of practical nature. For the fine wall-paintings now about to rise from their grave there was no chance of thorough study and protection but by removal. To effect this and the distant transport in safety was bound to prove a task of very serious technical difficulty. The remains of wall-paintings, whether still in their original position or lying as detached fragments of varying size among the debris, were all executed in tempera on a stucco backing which consisted of nothing but a layer of friable clay mixed with short straw of cut reeds. It showed ominous cracks even where it still adhered to the wall, and it had become very brittle. This was particularly the case with the fallen pieces, though the thickness of the plaster was here often greater. Both the detaching and the handling of these fragile panels of stucco demanded the utmost care, and the method and means for safely dealing with them had still to be improvised.

Serindia Vol. 1, page 499, note 9

In order to protect the brittle pieces of painted plaster from further injury and to render their safe fixing and handling possible, it was necessary to replace the friable clay and straw at the back of the smooth surface layer which bears the tempera pigments by a fresh backing of plaster of Paris. This removal of the coarse original backing was absolutely necessary as a preliminary safeguard. Otherwise the salts with which, like all the clay remains of these ruins, it had become permeated in abundance would have exuded on the coloured surface under the influence of the moisture absorbed from the plaster of Paris that was needed to hold together and strengthen the whole. But without this preparatory measure it would also have been impossible to make the separated surface pieces join accurately or the many serious cracks, etc., close up again. This very delicate operation of first removing the clay backing from the several detached fresco pieces which formed part of the same panel, and then bringing their surface layers into close contact in the correct position, was effected—

Serindia Vol. 1, page 500, note 9

—at the British Museum during the years 1910–1911 by Mr. F. H. Andrews and, under the direction of his artist eye, by my second assistant Mr. J. P. Droop, with extreme care and skill.
It may be useful to record here the exact technical method followed. The painted fragments were placed with their surface downwards on strong panes of plate glass. After the backing of clay and straw had been slowly removed by careful scraping, etc., until only the smooth surface layer of plaster of Paris remained, the several pieces belonging to one panel could be moved into the position requisite for correct junction by the guidance of the image which was reflected on a mirror placed at a suitable distance below the glass pane. Care was taken to use, for all the larger panels, panes of glass bent exactly to the curve which the known diameter of the rotunda indicated for the surfaces originally occupied by them. After the several pieces had thus been reassembled in their correct position, a thin layer of plaster of Paris was spread over the whole as a new backing. This was subsequently strengthened by a wire grating connected with a wooden frame, and finally an outer and thicker layer of plaster of Paris was applied, in which the grating became embedded. After having been treated in this manner the panels could be handled with perfect ease and safety.
It ought to be clearly recorded that the slightest attempt at supplementing missing bits of the original painted surface or at other ‘restoration’ of any sort has been rigorously avoided.

SteinAurélMIIIvMiranUnderGlassInWorkshopOrStoreRoom

Deze foto van Stein illustreert de werkwijze bij het reconstrueren van de fresco’s. Onderop zie je de spiegel met daarboven het gebogen glas. Op het glas worden de stukken fresco samengevoegd en met gips (plaster of Paris) aan elkaar gehecht.


Bewerkte Nederlandse vertaling:

Aan het begin van de ochtend van 29 december 1906 verlieten we de ruïnes van Lou‑lan om opnieuw terrein te bereiken waar nog water — en daarmee leven — te vinden was. De terugtocht moest in twee groepen worden gemaakt. De grote ploeg arbeiders, die zwaar had geleden onder de voortdurende inspanningen en ontberingen, werd samen met de uitgeputte kamelen teruggestuurd naar Abdal langs de eerder gevolgde route. Rai Ram Singh, de landmeter, die nog steeds hevige reumatische aanvallen had en daardoor niet in staat was nieuwe opmetingen in het oosten te verrichten, kreeg de leiding over deze groep.
Zelf vertrok ik met tien van de sterkste kamelen en een kleine ploeg mannen in zuidwestelijke richting, om de eindloop van de Tarim te bereiken door het onbekende woestijngebied dat deze scheidt van de kleine ruïnes van Merked‑tim — een plek die Dr. Hedin in 1896 had bezocht tijdens zijn tocht langs de Ilek‑tak van de Tarim, en die ik wilde onderzoeken voordat ik mijn werk in Miran hervatte.

De volgende dag keerde ik terug naar Charkhlik, waar uiteenlopende taken — zoals ik in mijn persoonlijke verslag beschrijf — en de noodzaak mijn uitgeputte volgelingen tijd te geven om te herstellen van vermoeidheid en blootstelling, mij dringend riepen. Het bijeenbrengen van nieuwe voorraden, transportmiddelen voor de lange reis die nog voor ons lag, en arbeiders voor de opgravingen in Miran hield mij van 17 tot 21 januari in het hoofdkwartier van Lop.
Op de ochtend van 22 januari vertrok ik opnieuw naar Miran, vergezeld door graafwerkers en verse voorraden. Laat op de avond van de volgende dag bereikte ik tot mijn grote voldoening opnieuw de oever van de Miran‑stroom — nu hard bevroren — en werd ik herenigd met mijn toegewijde Chinese helper, Chiang Ssu‑yeh.

Op 23 januari trok ik verder naar het fort en liet ons kamp onder de muren opslaan, dicht bij het werk en enigszins beschut tegen de ijzige winden die in dit seizoen vrijwel onafgebroken over het kale woestijnplateau razen. De bijna vijftig mannen werden onmiddellijk aan het werk gezet om het systematische vrijleggen van het interieur voort te zetten, precies waar onze eerste opgraving anderhalve maand eerder was gestopt.

Op 31 januari, terwijl het ‘herbegraven’ van de vertrekken die in het Tibetaanse fort waren blootgelegd het grootste deel van de arbeiders nog bezighield, begon ik met onderzoek aan een groep kleine, vervallen heuvels die boven de kale grindvlakte uitstaken, ongeveer een mijl ten west‑noordwesten van het fort. Een cluster van vijf ervan, net ten oosten van een verhoogde lijn die een oude kanaalbedding markeerde, had ik eerder vluchtig bekeken. Ze maakten op mij de indruk resten te zijn van sterk verweerde stoepa’s van het gebruikelijke type.

Wanneer Stein in de boeddhistische stupa aan het werk gaat,
ontdekt hij dat de fresco’s
die op de binnenkant van de koepel waren aangebracht,
naar beneden zijn gevallen.
De fresco’s tegen de muren, net boven de vloer, zijn dan nog intact.
Stein vertelt dan:

Het was een verhelderende vondst, maar ook een die nieuwe problemen opriep. De fijne muurschilderingen die nu uit hun graf tevoorschijn kwamen, konden alleen grondig bestudeerd en beschermd worden door ze te verwijderen. Dat, en het veilig vervoeren ervan over grote afstand, zou een technisch uiterst moeilijke onderneming blijken. De schilderingen waren in tempera uitgevoerd op een stuclaag van brokkelige klei vermengd met korte rietstengels. Die laag vertoonde al scheuren waar zij nog aan de muur hechtte, en was bijzonder broos — vooral bij de gevallen fragmenten, die soms zelfs dikker waren. Het losmaken en hanteren van deze kwetsbare panelen vereiste de grootste zorg, en de methode om dit veilig te doen moest nog volledig worden geïmproviseerd.

Om de broze stukken beschilderd stucwerk te beschermen en ze veilig te kunnen fixeren en hanteren, was het noodzakelijk de oorspronkelijke klei‑ en strodrager te verwijderen en te vervangen door een nieuwe laag gips. Zonder deze voorbereidende stap zouden de zouten in de klei — zoals in alle resten van deze ruïnes overvloedig aanwezig — door het vocht van het gips naar het oppervlak zijn getrokken en de schilderingen hebben aangetast. Bovendien zouden de losse fragmenten dan nooit nauwkeurig hebben aangesloten, en zouden de vele scheuren niet opnieuw gesloten kunnen worden. Het uiterst delicate proces van het verwijderen van de kleilaag en het weer samenbrengen van de oppervlaktelagen in de juiste positie werd later, in 1910–1911, in het British Museum uitgevoerd door F. H. Andrews en, onder zijn artistieke leiding, door mijn tweede assistent J. P. Droop, met grote zorg en vaardigheid.

De fragmenten werden met de beschilderde zijde naar beneden op dikke glasplaten gelegd. Nadat de klei‑ en strolaag langzaam was weggekrabd tot alleen de gladde gipslaag overbleef, konden de stukken worden verschoven tot ze precies aansloten, geleid door het spiegelbeeld dat zichtbaar werd in een spiegel onder de glasplaat. Voor de grotere panelen werden glasplaten gebruikt die exact waren gebogen volgens de kromming van de oorspronkelijke koepel. Nadat de fragmenten in de juiste positie waren samengebracht, werd een dunne laag gips aangebracht als nieuwe drager, versterkt met een draadnet en een houten frame, en vervolgens afgewerkt met een dikkere laag gips waarin het net werd ingesloten. Zo behandeld konden de panelen veilig worden gehanteerd.
Het moet nadrukkelijk worden vermeld dat men elke poging tot aanvulling van ontbrekende delen of enige andere vorm van ‘restauratie’ strikt heeft vermeden.


Een detective die veel groter is dan hij lijkt

– over de vertaling van Dee Goong An, 18e eeuwse verhalen uit China –

In 1947 werkte Robert van Gulik
als Nederlands diplomaat in Washington.
In zijn vrije uren vertaalde hij een Chinese detectiveroman
uit de 18e eeuw: Dee Goong An
(ook geschreven als Tie goong an, De zaken van Rechter Tie).

IMG_9335RobertVanGulikJanwillemVanDeWeteringDeVergiftigdeBruidDeeGoongAn

Robert van Gulik, De vergiftigde bruid. Door Van Gulik bewerkt en uit het Chinees vertaald in het Engels en vervolgens door Janwillem van de Wetering in het Nederlands. De vertaling van Van Gulik is uit 1947 en de vertaling van Van de Wetering uit 1982.

Van Gulik was toen hij pas 23 jaar oud was
cum laude afgestudeerd als sinoloog in Leiden,
had in Japan en China gewoond
en beheerste een indrukwekkend aantal talen
— waaronder het Chinees.
Zijn vertaling is niet alleen een literaire prestatie,
maar ook een inkijkje in zijn fascinatie
voor Chinese rechtspraak, cultuur en verteltradities.

Ik vond het boek om twee redenen bijzonder om te lezen:

  • de drie verhalen zijn sterk opgebouwd en verrassend complex
  • de inleiding en het naschrift van Van Gulik zijn bijna
    even boeiend als de verhalen zelf

In De vergiftigde bruid lost Rechter Tie
— tegelijk districtshoofd, rechter, openbaar aanklager,
rechercheur én belastinginner —
drie zaken op:

  • Dubbele moord bij dageraad
  • Het merkwaardige lijk
  • en De vergiftigde bruid.

Alle drie vragen ze om scherp denkwerk
en een bijna bovenmenselijke combinatie
van logica, intuïtie en kennis van menselijke zwakheden.

Van Gulik legt in zijn inleiding uit hoe
Chinese detectiveromans verschillen van westerse:

  1. De dader wordt vaak al in het eerste hoofdstuk onthuld (al niet in dit boek).
  2. Het bovennatuurlijke speelt een rol.
  3. De verhalen gaan tot in de kleinste details.
  4. Er komen veel personages voorbij.
  5. Chinese lezers hechten waarde aan de volledige afwikkeling, inclusief de bestraffing — niet alleen aan de ontmaskering.

Van Gulik weet die Chinese sfeer en verteltraditie
overtuigend te bewaren,
terwijl zijn verhalen voor westerse lezers soepel leesbaar blijven.
De Nederlandse vertaling is van Janwillem van de Wetering,
die de toon van Van Gulik mooi weet te behouden.

Een detective die groter is dan hij lijkt:
Rechter Tie is niet alleen een speurder,
maar een venster op een wereld die
tegelijk vreemd en vertrouwd aanvoelt.
Dat maakt dit boek nog steeds verrassend fris.

Wachter, Reiziger, Ambtenaar

– over China in een eeuw van verschuivingen –

Meanderen,
ik verlaat het Rietberg Museum nog niet
maar de reeks berichten over vroeg Chinees aardewerk
en daarna over Chinese boeddhistische steles
laat ik achter me.
Voor mijn gevoel was dat als zeilen in een kanaal:
alsmaar rechtdoor.
Een beetje slingerend vervolg ik nu mijn weg.
In de berichten op mijn blog — maar ook
toen ik op dinsdag 9 september 2025 door het museum liep.
Kronkelend tussen de vitrines en opstellingen
in de kelder van het museum.
De geschiedenis van China strekt zich uit over millennia,
en de afstanden in dit uitgestrekte land—door alle tijden heen—zijn enorm..
Ik sla om de bocht en maak met een paar stappen
een ruimte- en tijdreis.
Zo vraag ik de lezer ook om steeds opnieuw
een draai te maken.

DSC05591 01 ZürichMuseumRietbergDvarapalaTemplewachterChinaNördlicheQiDynastie550-577KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh143

Zürich, Museum Rietberg, Dvarapala, templewachter, China, Nördliche Qi-Dynastie, 550 – 577, kalkstein, geschenk Eduard von der Heydt, RCh 143.

DSC05591 02 ZürichMuseumRietbergDvarapalaTemplewachterChinaNördlicheQiDynastie550-577KalksteinGeschenkEduardVonDerHeydtRCh143

Wat mij bij deze Dvarapala uit de Noordelijke Qi‑periode treft,
is de uitgesproken spiermassa:
een lichaam dat niet alleen kracht uitstraalt,
maar bijna anatomisch bewust is gemodelleerd.
Het is een overdrijving die ik herken uit een heel andere traditie
— de manier waarop Hendrick Goltzius in de zestiende eeuw zijn helden opblies
tot gespannen spierbundels, vol torsie en theatrale spanning.

HendrickGoltziusHoratiusCoclesFromTheRomanHeroes1586Ets

Hendrick Goltzius, Horatius Cocles, from the Roman Heroes, 1586, ets.

HendrickGoltziusHoratiusCoclesFromTheRomanHeroes1586EtsDetail

Natuurlijk staan deze werelden los van elkaar,
maar de visuele strategie is verwant:
in beide gevallen wordt het lichaam opgevoerd tot een expressief instrument,
een middel om kracht, dreiging of heroïek te laten resoneren.
Bij Goltzius is het virtuositeit; bij de tempelwachter is het bescherming.
Maar in die gedeelde overdrijving, in dat lichaam dat meer is dan een lichaam,
raken de twee elkaar even.

DSC05593ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203

Dit is een ensemble dat is samengesteld uit drie beelden: Kamel, Pferd und fremdländische stallknecht, China, Region Shaanxi/Henan, Tang Dynastie, 7th century, tonware mit driefarben glazur, MYT 1200 (kameel), MYT 1198 (paard), MYT 1203 (knecht). Dauerleihgabe Meiyintang Stiftung.

DSC05594ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203

Bij dit ensemble van kameel, paard en de buitenlandse stalbedienden
valt me op hoe vanzelfsprekend het publiek ernaartoe wordt getrokken.
Je ziet dit soort groepen vaker samen opgesteld,
alsof musea intuïtief weten dat ze publiekslievelingen zijn.
Het komt door die directe expressie
— de gezichten die bijna karikaturaal lijken, maar toch raak zijn —
en door het glazuur dat in de Tang‑tijd zo’n levendige huid aan de figuren geeft.
De driekleuren glazuur maakt ze tegelijk speels en tastbaar,
en in combinatie met de herkenbare dieren ontstaat er een ensemble
dat onmiddellijk aanspreekt,
zelfs zonder dat je de context van de Zijderoute of de grafcultuur kent.
Het zijn beelden die je bijna vanzelf in hun wereld trekken.

DSC05597ZürichMuseumRietbergKamelPferdUndFremdländischeStallknechtChinaRegionShaanxiHenanTangDynastie7thCenturyTonwareMitDriefarbenGlazurMYT1200-MYT1198-1203


DSC05598ZürichMuseumRietbergBeamterChinaHebeiSuiDynastieLate6thCenturyCESteinzeugMetWeisserUndBraunerGlazurMYT1380b

Beamter, China, Hebei, Sui-Dynastie, late 6th century CE, Steinzeug mit weisser und brauner glazur, MYT 1380 b. Dauerleihgabe Meiyintang Stiftung.

Dit beeldje is vermoedelijk een grafambtenaar uit de Sui‑tijd,
een van die gestileerde figuren die in het hiernamaals
de orde en waardigheid van de bureaucratie moesten vertegenwoordigen.

Maar wat mij hier vooral treft, is het voorwerp waarop hij met beide handen rust:
een lange, donker geglazuurde staf die tot op de grond reikt,
met vlak onder zijn handen een opvallend dwarsblok met twee afgeronde knoppen.
Het is geen schrijftablet, geen zwaard, geen rol
— en juist omdat het zo afwijkt van de gestandaardiseerde Sui‑iconografie
ben ik gaan zoeken naar vergelijkbare voorbeelden.
Online vond ik er geen één.
Dat maakt dit attribuut des te intrigerender:
een zeldzame, misschien werkplaats‑specifieke staf
die de figuur een eigen, bijna raadselachtige autoriteit verleent.

Aan zijn voeten draagt hij twee gesloten, donker geglazuurde laarzen
met een brede, afgeronde neus
— compacte, bijna paddestoelvormige schoenen die typisch zijn voor Sui‑beeldjes
en zijn ceremoniële waardigheid onderstrepen.
Hij staat op een lotusvoet:
een bloemvormige sokkel die in de Sui‑tijd niet alleen heiligen,
maar ook wereldlijke figuren een verheven, bijna serene waardigheid verleent.

Wat mij bij dit beeldje steeds opnieuw treft, is hoe vriendelijk de ambtenaar kijkt.
Zijn gezicht is niet streng of autoritair, maar zacht, bijna glimlachend
— alsof hij eerder iemand is die je geruststelt dan iemand die je commandeert.
De donkere wenkbrauwen, de fijn aangezette snor en baard,
en vooral de lichte buiging van de mondhoeken geven hem
een onverwachte menselijkheid.
Daarboven draagt hij een prachtig, gelaagd hoofddeksel:
strak opgebouwd, met duidelijke randen en een bijna architectonische vorm, een guan.
Een ceremoniële hoofddeksel van burgerlijke ambtenaren.
Het is een teken van rang, maar het wordt gedragen met een soort rustige waardigheid.
Het hoofddeksel verheft hem, maar zijn gezicht haalt hem weer naar beneden,
terug naar een persoon van vlees en bloed.

Afsluiting

In dit bericht komen drie beelden samen die in het museum bijna naast elkaar staan,
maar historisch uit verschillende hoeken van de tijdlijn komen:
de ambtenaar uit de late zesde eeuw,
de gespierde tempelwachter uit de Noordelijke Qi‑periode (550–577),
en het Tang‑ensemble van kameel, paard en stalbediende uit de zevende eeuw.
Het is maar een korte periode, nauwelijks meer dan een eeuw,
maar de dynastieën wisselen elkaar snel af:
Sui, Noordelijke Qi, Tang.
In het museum zie je die overgang niet als een breuk, maar als een zachte verschuiving.
De stijlen verschillen
— de ingetogen ambtenaar, de krachtige wachtersfiguur, de levendige Tang‑dieren —
en toch vormen ze samen een doorlopende stroom van vormen, houdingen en blikken.
Alsof je in één wandeling ziet hoe China zich in die tijd hertekent:
politiek verandert er veel, maar in de kunst blijft een herkenbare gevoeligheid bestaan,
een continuïteit die je pas ziet wanneer je,
al meanderend,
van vitrine naar vitrine beweegt.