— over nabijheid, verbeelding en een dichter die niet terugschrijft —
Patrizia Filia, Brief aan J. Slauerhoff, uitgave van Elettra, 2026.
Beste mevrouw Filia,
we kennen elkaar niet maar ik las uw gepubliceerde brief
aan de schrijver J. Slauerhoff.
Toen ik las dat de brief verschenen was, intrigeerde het me onmiddellijk.
Hoe schrijf je een brief aan iemand die al 90 jaar geleden overleed?
Waarom een brief aan een schrijver en waarover dan?
Wordt het een fictieve uitwisseling van literaire ideeën?
Bent u zelf ook reislustig?
Heeft u een voorkeur voor Portugese literatuur?
Houdt u ook zo van Azië?
U begint de brief heel persoonlijk: “Mijn lieve Jan”.
Dat klinkt meteen intiem.
Het ‘mijn’ drukt een vertrouwdheid uit die moeilijk is bij iemand
die U niet fysiek gekend heeft.
Sommige zullen beweren dat er niet veel liefs is aan Slauerhoff.
In 1936 spreek je iemand niet zomaar aan bij zijn voornaam.
Als ik een brief aan Slauerhoff zou schrijven zou ik formeler beginnen,
bijvoorbeeld met: ‘Beste meneer Slauerhoff’.
Maar U hebt 121 gedichten van hem vertaald
en veel van en over hem gelezen.
Daarom maakte de aanhef me zo nieuwsgierig.
De mooiste delen van uw brief zijn die waarin de fantasie
— is dat het juiste woord — misschien de droom,
het voortouw neemt:
“Misschien zou het beter zijn als ik je ’s nachts schrijf,
niet zozeer onder het toezicht van de sterren,…
maar in de stilte die het donker gratis schenkt.
Maar het beste zou zijn om je te schrijven vanaf de zee
of vanaf het eiland…”
of
“Net als jij zag ik de Lanterna de Zena, haar vuurtoren;
net als jij zag ik de stad zich ontvouwen op de heuvels,
al haar beklimmingen en afdalingen,
die soms in mijn dromen terugkomen.”
In de brief stelt u zich voor als de geliefde van Slauerhoff:
“Soms betrap ik mezelf erop dat ik aan jou en mij samen denk,”.
Ik zag dat ‘Filia’ dochter betekent in het Latijn.
Misschien zou die rol, als literaire dochter,
nog beter passen bij de toon van uw brief
Met vriendelijke groet,
de Argusvlinder.


