Figuren op de rand van het menselijke

Inleiding

De drie Nayarit‑beelden in dit bericht
lijken op het eerste gezicht varianten van hetzelfde type figuur.
Maar ze gaan verschillend om met vorm, oppervlak en betekenis.
Ze delen een aantal opvallende kenmerken
— het langgerekte hoofd, de nadrukkelijke schouderpartijen,
de gestileerde gelaatstrekken —
maar elk beeld accentueert iets anders:
het ene speelt met proportie en abstractie,
het andere met huid en krassen,
het derde met ornament en kleding.

Samen vormen ze een kleine reeks
waarin de sculpturale logica van de Nayarit‑traditie zichtbaar wordt:
niet als etnografische documentatie,
maar als een zoektocht naar gestileerde aanwezigheid,
naar figuren die meer idee zijn dan individu.

DSC06061 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
Mexico, Oaxaca, Museum of Mexican Prehispanic Art, Figura del preclasico tardio de Nayarit, 1250 a.C. – 200 d.C.
DSC06061 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06061 03 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06061 04 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06061 05 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC

Swedish chef?

Het hoofd van deze figuur is misschien wel het meest abstracte element:
langgerekt, maskerachtig, bijna losgezongen van de menselijke proporties.
Die abstractie zit niet alleen in de lengte,
maar ook in de manier waarop de gelaatstrekken zijn vormgegeven.

De ogen bestaan uit een strak gevormd boven‑ en onderooglid
met daartussen een eenvoudige ovale oogbal,
zonder verdere modellering of diepte
— precies genoeg om een oog te suggereren,
maar niet genoeg om het anatomisch te maken.

De neus is een scherp, geometrisch volume zonder zachte overgangen.

De mond is een smalle, uitgesneden lijn
die eerder een opening in een masker lijkt dan een anatomische mond.

De oren zijn volledig geïntegreerd in het sieraad dat erdoorheen loopt,
waardoor de oorschelp als zelfstandig lichaamsdeel bijna verdwijnt.

De kin steekt scherp naar voren, als een punt
die het hele hoofd nog verder verlengt.

De enige poging om nog naar anatomie te verwijzen
zijn misschien de tanden
— kleine, regelmatige markeringen
die als laatste restje van een menselijk gezicht
in een verder volledig gestileerde vorm blijven staan.

Je ziet dat vaker bij kunstenaars die maskers
of sterk gestileerde figuren maken:
zodra je gaat abstraheren, worden fysieke realiteiten minder belangrijk
en krijgt het materiaal de ruimte om een eigen logica te volgen.

Denk aan Giacometti, die zijn figuren tot smalle, verticale silhouetten uitrekte;
aan Afrikaanse maskers, waarin ogen, neuzen en kinnen
tot pure vormen worden teruggebracht;
of aan Cycladische idolen, waar het gezicht
tot een glad, bijna architectonisch vlak wordt gereduceerd.

Een menselijk hoofd is nu eenmaal maar een bepaald aantal centimeters lang,
maar een sculptuur hoeft zich daar niet aan te houden.
Door het hoofd nog verder te verlengen met een hoofddeksel
ontstaat een vorm die niet meer anatomisch is,
maar conceptueel:
een gestileerde, verticale aanwezigheid die eerder een idee belichaamt
dan een gezicht.

De noppen op de schouders

Wat bij deze drie Nayarit‑figuren blijft intrigeren
zijn de noppen op de schouders:
zo nadrukkelijk aanwezig dat ze om een verklaring vragen,
maar geen enkele hypothese overtuigt volledig.

Ornamenten lijken het meest aannemelijk
— een soort algemeen gedragen schouderstuk,
zoals Nederlanders ooit klompen droegen,
herkenbaar maar niet noodzakelijk voor iedereen en of altijd.

Littekens zijn onlogisch,
daarvoor zouden ze te specifiek en te herkenbaar moeten zijn.

Rituele markeringen kunnen altijd,
maar zonder aanwijzingen blijft dat een zwakke restcategorie.
Juist doordat de noppen steeds op dezelfde plek verschijnen,
lijken ze eerder een visuele conventie:
een beschermend of ceremonieel gewaad
dat zijn oorspronkelijke betekenis misschien allang verloren had,
maar als stijlkenmerk bleef voortleven.

Vijf, zes, zeven of acht?

De hand met zeven of acht vingers
is misschien wel het meest onthullende detail:
een beeldhouwer weet hoe een hand werkt, niet theoretisch maar lichamelijk,
omdat hij zijn eigen handen voortdurend ziet en gebruikt tijdens het boetseren.
Afwijken van vijf vingers is dus nooit een vergissing
maar een bewuste keuze,
en bovendien een keuze die méér werk en materiaal kost.
In plaats van te abstraheren door weg te laten,
heeft de maker hier juist toegevoegd
— een indringende aanwijzing dat deze hand niet menselijk bedoeld is,
maar een geladen, symbolische vorm.


DSC06062 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
Figura del preclasico tardio de Nayarit.
DSC06062 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06062 03 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06062 04 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC

Krassen

Bij het tweede beeld zien we meteen
de krassen in de hals en op de schouderpartij.
Ze variëren in lengte, precies zoals de beschikbare ruimte het toelaat.
Ze lijken door hun plaats iets over de huid te zeggen:
een geactiveerde textuur die het bovenlichaam
een levendig, bijna vibrerend oppervlak geeft.

De sporen hebben die zachte, ingedrukte randen
die ontstaan wanneer ze in natte klei worden aangebracht,
alsof de maker het materiaal bewust liet reageren.

Samen met de elegante overgang van kleding naar voet
en het kapsel dat het hoofd opnieuw verlengt,
suggereren deze krassen een sculpturale huid
— geen anatomische weergave,
maar een betekenisdragend oppervlak
binnen de gestileerde logica van het beeld.


DSC06063 01 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06063 02 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06063 03 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06063 04 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC
DSC06063 05 MexicoOaxacaMuseumOfMexicanPrehispanicArtFiguraDelPreclasicoTardioDeNayarit1250AC-200DC

Decoratie

Opvallend bij dit derde beeld zijn de zware, gelaagde oorbellen
en de fijn getekende kledij.

De oorbellen bestaan uit bundels van cilindrische segmenten
die ritmisch langs de wangen hangen,
alsof ze niet alleen versiering zijn
maar ook een teken van status of rituele functie.
Hun plastische massa versterkt de monumentaliteit van het hoofd
en maakt het gezicht tot een centrum van gewicht en betekenis.

De kledij is niet geboetseerd maar getekend:
diagonale lijnen en V‑vormige patronen
liggen als een ritmisch schema over het onderlichaam heen.
Ze suggereren een patroon dat het oppervlak ordent en zones aanbrengt,
waardoor het lichaam een duidelijkere structuur en richting krijgt.

Samen vormen oorbellen en kledij een subtiel samenspel
van zwaarte en ritme, ornament en oppervlak,
dat de figuur een ceremoniële intensiteit geeft.

Afsluiting

Uiteindelijk blijft de grote vraag wat het idee is dat deze figuren belichaamt.
Het langgerekte hoofd, de gestileerde gelaatstrekken,
de uitvergrote hand en de nadrukkelijke schouderpartijen
wijzen niet naar individuen, maar naar een aanwezigheid
die boven het gewone menselijke niveau uitstijgt.

Misschien gaat het om een verheven gestalte, een soort rituele identiteit;
misschien om een vorm van kracht
die in de extra vingers wordt gesymboliseerd;
misschien om een overgangsvorm die,
zoals bij Giacometti, Afrikaanse maskers of Cycladische idolen,
het lichaam uitrekt naar een andere staat;
of misschien om een rol
— een functie binnen een ritueel of gemeenschap —
die alleen in deze gestileerde vorm zichtbaar kon worden.

De beelden geven het antwoord niet prijs,
maar laten wel voelen dat het om meer gaat dan anatomie:
een idee dat zich aan de mens onttrekt
en in klei een eigen, stille logica heeft gekregen.


Nagekomen gedachten

De krassen in de hals en schouders bleven me bezighouden.
Ik zocht naar voorbeelden met ‘krassen’.
Twee kwamen er zo binnen:

‘Krassen in het tafelblad’, een in 1978 uitgegeven kinderboek,
geschreven door Guus Kuijer.
Het boek heb ik nooit gelezen, maar het beeld is blijven hangen.
Wikipedia vertelt dat in het boek de krassen zijn gemaakt door iemand
die de hoofdpersoon beter wilde leren kennen maar die er niet meer is.
De krassen ontstonden vanuit frustratie.
De hoofdpersoon ziet het spoor uit het verleden
en vergelijkt de diepe krassen met tralies.
Een mooi beeld.
De krassen in het tafelblad zijn niet ontstaan om gezien te worden.
Ze zijn niet gemaakt om een bericht uit te sturen.
Maar ze zijn er wel en zeggen later toch iets.

De krassen van Lucio Fontana.
Deze Italiaanse schilder maakte insnedes met een mes in een schilderdoek.
Daarmee slaat hij een brug tussen
het tweedimensionale vlak
en het driedimensionale
dat ontstaat door het doorsnijden van het doek.
Hij probeert een brug te slaan tussen schilderkunst en beeldhouwwerk.
De krassen zijn bewust aangebracht.
Een klein gebaar dat zorgt voor een grote verandering.

Maar deze ideeën zijn te modern.
Dit kunnen niet de ideeën zijn van een ambachtsman
in het Mexico van rond de eeuwwisseling.

Vraag aan Copilot was: hoe denken hedendaagse archeologen
en kunsthistorici over de krassen in het Nayarit-beeld?

In de literatuur worden verschillende verklaringen genoemd
voor de zeldzame krassen die op sommige Nayarit‑beelden voorkomen.

De eerste ziet zulke krassen als een manier
om het oppervlak leesbaar te maken:
kleine ingrepen die een te glad lichaam een tastbare,
gearticuleerde huid geven,
zodat het niet als één effen massa wordt ervaren.

De tweede verklaring beschouwt de kras als een accent in het volume:
een lijn die aangeeft waar het lichaam draait, buigt
of van richting verandert.

Een derde mogelijkheid is dat de kras deel uitmaakt
van het ritme van het modelleren:
ambachtslieden werkten in herhaalde gebaren
— drukken, gladstrijken, krassen —
waarbij zo’n lijn simpelweg een stap in dat proces is.

Ten slotte wordt wel gedacht dat de kras hoort bij een ambachtelijke traditie:
een gedeelde manier van werken
waarin zulke ingrepen vaker voorkomen.

Maar al deze verklaringen hebben één probleem:
ze veronderstellen dat de kras een herkenbare conventie is,
terwijl er geen groot corpus bestaat waarin dezelfde ingreep
op dezelfde plek terugkeert.
Daardoor blijven deze interpretaties uiteindelijk te speculatief.

Wat we wél kunnen zeggen, is veel soberder:

de kras is een individuele handeling van een ambachtsman,
niet ingebed in een breed gedeelde traditie,
en zijn functie laat zich niet met zekerheid reconstrueren.
Juist die zeldzaamheid maakt het gebaar intrigerend
— zichtbaar, maar niet te herleiden tot een systeem.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XLVI

– over hoe we uit fragmenten proberen te begrijpen wat ooit één geheel was –

De collectie van het National Museum in New Delhi is super!
De kwaliteit is indrukwekkend.
Zeker als je er naar kijkt in het licht van hun beperkte budget.

De Stein-collectie is daarbij voor mij een hoogtepunt maar
dat is ook het geval voor de stenen en metalen beelden,
friezen, steles enz.
De hele geschiedenis van Britisch India trekt aan je voorbij.

Het brengt de verplichting mee om nog kritischer te zijn op
Nederlandse musea, die vaak klagen over hun budget,
maar in werkelijkheid over veel ruimere mogelijkheden beschikken.

De afgelopen dagen heb ik veel moeite gehad om te achterhalen
wat ik nu precies zie bij drie objecten:

  • de muurschildering van Boeddha met discipelen uit Miran (zie eerder bericht)
  • een houten Boeddha-beeld uit Kichik-hassar (nooit eerder van gehoord, volgt)
  • en een pelgrimsfles uit Yotkan (een site in Khotan).

Over dit laatste object gaat dit bericht.
Ik stel het meteen voor:

DSC01393IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01

India, New Delhi, National Museum, Pilgrim’s bottle, Yotkan, 4th – 5th century CE, terracotta, 15 x12 cm.

DSC01394IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01Txt


Wat is Yotkan?

In de oase van het huidige Hotan (stad in China)
ligt Yotkan als een stille onderlaag van de tijd:
het archeologische hart van het oude koninkrijk Khotan.
Waar de moderne stad zich steeds verder oostwaarts ontwikkelde,
bleef Yotkan achter als de vroegste hoofdstad,
een plek waar de materiële cultuur van Khotan nog tastbaar is.
De terracotta‑vondsten, fragmenten van boeddhistische beeldtaal
en sporen van ambachtelijke productie
vormen samen een zeldzaam venster op een samenleving
die leefde van jade, irrigatie en de zuidelijke Zijderoute.
Yotkan is daarmee geen aparte wereld naast Khotan,
maar de bewaarde laag van zijn oorsprong
— een archeologische echo van het koninkrijk
dat hier meer dan een millennium bloeide.

Zoals vaker ben ik de zaaltekst gaan toetsen aan de informatie
die ik kon vinden in Serindia.
Het probleem daarbij is dat Stein zijn nummersysteem aanpast
aan de bron van de objecten.
Stein beschrijft wat die bronnen zoal zijn:

Serindia, Vol1, page 94

At Yotkan the great pit-like area resulting from the long years of washing for gold and ‘treasure’ at the site of the ancient capital, showed but slight change since 1900. A series of causes have tended to reduce the operations which have yielded as their by-product so many curious relics of ancient Khotan.

Serindia, Vol1, page 95

In spite of the restricted working the yield is small antiques, such as terracotta figurines, coins, cut stones, etc., still continued. This was proven by the relatively ample collection of such objects I was able to acquire that year both at Yotkan itself and at Khotan and during my subsequent visits in 1908.

Serindia, Vol1, page 97

As on my previous journey. I endeavoured, during my sucdcessive visits to the Khotan oasis in 1906 and again in 1908, te secure any antiques that were to be found either among the villagers engaged in the gold-washing operations at Yotkan or in the hands of those local agents who are in the habit of collecting such objects as ancient coins, cut stones, decorated pottery, etc., which find their way into the Khotan Bazars It is certain that the latter receive the main portion of their abundant supply of small antiques from the annual operations at Yotkan, and also relatively little from chance finds made by the ‘treasure-seekers’ who make a practice of visiting the eroded old sites around the oasis during the winter months. It has therefore appeared convenient to treat all the antiques which I obtained by purchase while in Khotan in one place.

All objects acquired by me either personally or through my thrustworthy local fctotum Badruddin Khan, the headman of the Indian and Afghan traders, as avowedly coming from Yotkan bear the distinguishing mark of Yo. in the descriptive list given in the section following. But even in the case of these objects the evidence as to their provenance can obviously not claim the same value as if they were finds resulting from systematic exploration on the spot. As regards antiques acquired through other channels there is still grater need for caution before making any individual piece a basis for antiquarian argument.
Yet with this reservation once made it is easy to recognize that the great mass of the objects are genuine relics left behind by the civilization which flourished during Buddhist times at the ancient capital of Khotan. So closely do they agree in character, style and material with the contents of collections previously secured from the ‘culture-strata’ of Yotkan.

In het Nederlands:

Wanneer Stein in 1906 en 1908 opnieuw in Yotkan arriveert,
treft hij dezelfde enorme kuil aan die al decennia lang
door lokale bewoners wordt uitgegraven voor goud en ‘schatten’.
Die half‑industriële goudwassing levert als bijproduct
een constante stroom kleine antiquiteiten op:
terracotta figuurtjes, munten, geslepen stenen
en fragmenten van versierde keramiek.
Omdat de systematische opgraving van Yotkan onmogelijk is
— het terrein wordt immers door dorpelingen bewerkt,
niet door archeologen —
is Stein volledig afhankelijk van wat deze goudwassers
en lokale handelaren hem aanbieden.

Hij beschrijft hoe hij tijdens elk bezoek de dorpsbewoners langsgaat
die in de kuil werken, en daarnaast de tussenpersonen
die zulke vondsten verzamelen voor de bazaar van Khotan.
Het merendeel van de objecten die daar circuleren, zo stelt hij,
komt rechtstreeks uit de jaarlijkse werkzaamheden in Yotkan;
slechts een klein deel is afkomstig van schatzoekers
die ’s winters oude sites rond de oase afstruinen.

Stein markeert alle stukken waarvan de herkomst
volgens de verkopers “zeker Yotkan” is met het voorvoegsel Yo.,
maar hij benadrukt zelf dat deze provenance (oorsprong)
nooit dezelfde waarde heeft als vondsten uit gecontroleerde opgravingen.
Toch ziet hij in de grote hoeveelheid en de consistente stijl van de objecten
voldoende bewijs dat ze authentieke resten zijn
van de boeddhistische cultuur
die ooit in de oude hoofdstad van Khotan bloeide.

In Serindia zie je dan de volgende manieren om objecten uit Yotkan
te identificeren:

  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo.1.
  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo. 01. a.
  • er is een reeks objecten te beginnen met Yo. 001. a-v.

Dus als de zaaltekst zegt dat de pelgrimsfles nummer Yo.01 is,
welk nummer bedoelen ze dan precies?

  • Yo.01.a. is een amfora maar de beschrijving is heel anders dan het object;
  • Yo.001. a-v zijn series van groteske maskers,
    afkomstig van ‘vazen’.

Nog even terug naar Stein:

SerindiaVol I Page98

In Serindia vol. I p. 98 beschrijft Stein dat de ornamentatie
van Yotkan‑vazen bestond uit afzonderlijk gemodelleerde appliqué‑stukken,
vooral groteske maskers en menselijke gezichten
(Yo. 001 a–v etc., Plates I & III).

SerindiaVol4Plaat3Detail

Mij lijken de twee maskers linksboven op plaat 3 (detail hierboven), wel erg veel op het gezichtje in het midden van de pelgrimsfles. Op de website van het International Dunhuang Project zie je meer van deze maskers met een sterke gelijkenis maar een veel hoger nummer.

DSC01393IndiaNewDelhiNationalMuseumPilgrim'sBottleYotkan4th-5thCenturyCETerracotta15x12CmAccNoYo.01 Detail

Let misschien ook eens op het kleurverschil tussen het masker en de fles.

De Pilgrim’s Bottle in het National Museum New Delhi
lijkt een moderne reconstructie van zo’n vaas,
waarin een van deze appliqué‑gezichten opnieuw is toegepast
om het oorspronkelijke decoratieve type te tonen.

SerindiaVol1Page104 Yo.001 a-v

Mijn voorlopige conclusie

De Pilgrim’s Bottle in het National Museum New Delhi
is vrijwel zeker een moderne reconstructie van een Yotkan‑vaas,
waarbij een van Stein’s appliqué‑maskers uit de reeks Yo. 001 a–v
als decoratief middelpunt is gebruikt.
Stein beschreef deze maskers als groteske menselijke gezichten,
oorspronkelijk aangebracht op terracotta vaten
— die het museum visueel heeft hersteld tot een complete flesvorm.