De kunst van het reizen

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek02ArtikelBovensteHelft

De Tijd van Zaterdag 29 augustus 1953. Uit de serie ‘Van week tot week’ door Jan Engelman: De kunst van het reizen – Niet veel zaaks in Rome. Een recensie van het boek van Hella S. Haasse: Klein reismozaïek. Italiaanse impressies. Het Wereldvenster, 1953.


Ik heb geprobeerd het artikel in te scannen en het dan
zo leesbaar mogelijk te maken.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kop01
JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kop02

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom01

Zoals eerder neem ik nu ook weer de hele tekst van het artikel op
zodat het goed doorzoekbaar wordt.

De postkoets
Reizen naar het buitenland worden tegenwoordig met groot gemak ondernomen, snel volbracht en met vlotheid ingelijfd bij de herinneringen.
voor de reispenningen maakt men een potje en de reisgenoot is meestal door en door bekend, dus aan die kant zijn er geen moeilijkheden.
Struikrovers komen alleen nog in romantische opera’s voor, al schijnt er enige neiging te zijn tot wederinvoering van het instituut, het paspoort verleent legitimatie en beveiliging in “all the countries of the world”, men heeft zelf alleen te letten op zakkenrollers, lieden die het op uw auto of valies voorzien hebben en de gewone pogingen tot afzetterij, die in Nederland even frequent zijn als in Napels.

Wat let u dus verfrissing , ontwikkeling en verruiming van de blik te zoeken, door de foldertjes der reisbureaux zo ruimschoots beloofd?
Ieder jaar een ander land!
Zó zit men in de Goudsbloemdwarsstraat op het duivenplat in de motregen en twee dagen later bakt men bruin op een strandje van Mallorca.
Honkvast is alleen nog Godfried Bomans, die is van het Spaarne en Brinkmann niet weg te slaan.

Een speciale categorie van reizigers wordt gevormd door de “culturelen”, dat zijn de mensen die in de gaten hebben, dat een cocktail, volgens internationaal recept bereid, in het Victoriahotel in Amsterdam precies eender smaakt als bij Danieli te Venetië of het Waldorf-Astoriahotel te New York.
Zij willen niet, als de Amerikanen, het Prado “doen” in drie kwartier en zij laten zich niet “cooken”.
Zij zoeken zelf, zo goed en zo kwaad als het gaat, en zij hebben het land aan de Baedeker met zijn onaantastbaarheden.
De primus bij deze improviserenden is voor lange tijd Bertus Aafjes, die zijn reis te voet heeft volbracht, nog een weinig

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom02

in de stijl van de middeleeuwers, die naar Sint Jacob van Compostella togen, n’en déplaise (geen aanstoot) de kwaadsprekerij van enig zijner geloofsgenoten, toen hij eenmaal terug was en van zijn ervaringen in dichtmaat verslag had gedaan.

Tot die z.g. culturele reizigers mag men ook grif rekenen Hella S. Haasse, die het vorig jaar met haar man en zijn Renault naar Italië is geweest en daarover causerietjes voor de radio heeft gehouden, die zij thans verenigd heeft in een door “Het Wereldvenster” uitgegeven boekje 1).
Zij is echter niet zo maar een cultureel reizigster, die voor haar genot reist, uit nieuwsgierigheid of “uit verlangen een lang in gedachten gekoesterd beeld te toetsen aan de onberekenbare en daarom altijd boeiende werkelijkheid”, zoals zij het uitdrukt.
Tot deze genotzieken behoorde, als ik me goed herinner, Louis Couperus.
Hoe bestaat het, dat wij zijn stukjes over futiliteiten, in het buitenland gezien en beleefd, nooit meer vergeten.

Hella S. Haasse heeft diepere bedoelingen gehad, voor haar is reizen het “ik”, het “wij” verplaatsen “in vreemde werelden, om tegen een altijd wisselende achtergrond, in onvoorziene omstandigheden, temidden van mensen, dingen en landschappen, die hun eigen-aardigheid niet op de eerste blik prijsgeven, dat “ik”, dat “wij” te zien in nieuwe scherper reliëf…”
Door middel van het a n d e r e wil zij bereiken een reek van confrontaties met het e i g e n e, dat steeds ervaren wordt als de zwaarste, meest omvangrijke, nooit en nergens achter te laten bagage….
Dat is dus niet gering, het doet haast denken aan hetgeen Thomas á Kempis heeft gezegd over het feit, dat men, waar men ook heen tijgt, altijd zichzelf meeneemt.
De schrijfster meent niet volledig te zijn, als zij die “instelling”, zo drukt zij zich uit, niet bekent.
Verwacht wacht echter niet, dat men over die bagage verder wordt ingelicht.
Zij waarschuwt ons: van dat “grottenonderzoek” zal verder geen sprake zijn.

Omdat ik aan dit artikel begon ben ik op internet gaan zoeken
naar genoemd boek en dat heb ik gevonden.

HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-01Band

Hella S. Haasse, Klein reismozaïek. Italiaanse impressies. Het Wereldvenster, 1953. niet de meest spannende boekomslag. Maar wacht even. Hoe zit het er aan de binnenkant uit?


HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-02SchutbladISpreekmeester

Dat is al veel beter. Het schutblad is misschien zelfs wel speciaal voor dit boek gemaakt door I. Spreekmeester. De tekenaar tekent een druk toeristisch en cultureel Italië.


HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-03Titelblad

Dit is het titelblad van mijn exemplaar van Klein reismozaïek.


Maar de rest van het artikel?
Dat volgt hier.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03TekstBoven

Wat er bij het reisje aan diepten is blootgelegd, het wordt ons onthouden.
In de plaats daarvan wil zij ons geven “enkele spiegelbeelden van een werkelijkheid, die ik kon zien, ruiken, betasten, zonder veel dieper door te dringen dan de oppervlakte”.
Inderdaad, dat heeft zij verricht.
Een zekere teleurstelling maakt zich meester van de lezer van haar voorwoordje, na die bekentenis.
Maar waarom eigenlijk?
Hij zou het met dat zien, ruiken en betasten best kunnen stellen, wanneer het maar met de nodige intensiteit was geschied.
De lezer denkt weer aan Couperus en zijn gekeuvel over de rijtuigjes in Rome.
Aan Aafjes op de rommelmarkt.
Maar niets daarvan!
Zij heeft vergeefs gezocht naar het grootste monument van cultuur, waarover de Baedeker de Eeuwige Stad pleegt te houden.

 

“De werkelijkheid is anders.
In die huizenzee op de zeven heuvels, in dat doolhof van straten, pleinen en stegen moet men vaal moeizaam zoeken naar de beroemde gebouwen, gedenktekens en ruïnes, die in onze verbeelding, gevoed door indrukken van lezen en platen kijken, al een eigen imposante gestalte gekregen hadden.
De levende, hedendaagse stad eist alle aandacht op.
Men komt tot de ontdekking, dat het Rome van de Baedeker en van kunstgeschiedenis niet bestaat.
Dat is een fata morgana, een schijnstad die alleen kunstmatig gehandhaafd wordt naast het Rome van 1952.
Nergens in Italië beseft men zo goed als in Rome, dat de antieke Latijnse wereld en ook de in Italië tot rijping gekomen renaissance-wereld even onherroepelijk verdwenen zijn als Atlantis”.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03Foto

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03TekstOnder

Dat lijkt mij een ernstige visie.
Het was tevens vreselijk warm in Rome, overdag tussen 32 en 37 graden en de Renault had grote moeite om tussen al die Lambretta’s en Vespa’s door te komen.
De fonteinen spoten niet, de bekoringen van het lustoord Tivoli bleven verborgen, bij de Villa d’Este was de entreeprijs te hoog.
Neen, het was niet veel gedaan, daar in die wijd vermaarde stad.
En tijd om tot September of October te wachten had men niet.
San Gimigniano moest nog gedaan worden, en Siena en Florence en een stukje van de Italiaanse Riviera, zij het cultureel en met verborgen grottenonderzoek.
Geen wonder dar al die pracht en praal van de barok toen niet meer leven wilde en dat Hella S. Haasse de Sint-Pieter maar een basiliek van pompeuze lelijkheid vond en alles erg profaan.
Zij deed wat volksstammen uit het Noorden hebben gedaan, die gaarne koeien met paarden of noten met perziken vergelijken, zij concludeerde dat de majesteitelijke rust van de kathedraal van Reims toch maar heel wat anders is en liet de koepel van Michelangelo en de getordeerde (=gedraaide) zuilen van Bernini voor wat zij zijn, een soort van verdacht theater, waarvan de “vergulde en bont gekleurde vormen niet meer corresponderen met het bestaansbewustzijn buiten de Bronzen Deuren”.
Ja, wat zal men daaraan doen?
Men beziet, beruikt en betast de dingen met de gretigheid van Couperus en Aafjes of men doet het wat gematigder.
Een feit is echter, dat de reisimpressies van de schrijfster geen flauw idee geven van de ziel en van de schoonheid van Italië, dat zij niet bemerkt heeft dat ook de ruïnes er nog levend en bewoond zijn, dat naast de luxe-badplaats Ostia fantastische opgravingen liggen en dat het onzin is om op de Janiculus te klimmen zonder het goddelijke tempeltje van Bramante op te merken.
Wat zij geeft is een reisverslag zonder kraak of smaak, dat haar doot legers van journalisten zonder pretenties verbeterd zal worden.
Hier en daar onderbreekt zij het om een stukje geschiedkundige compilatie in te lassen, korte levensbeschrijvingen van Bernardo Occhino, Da Vinci of Macchiavelli.
Maar alles geschiedt met een gebrek aan geestdrift en scherpte van blik, dat in geen verhouding staat tot de grootse uitingen van de menselijke geest waaraan zij zich waagt.
Kenmerkend daarvoor is haar schets van “de” Renaissance-mens.

Hella S. Haasse heeft zichzelf een beetje te veel meegenomen, toen zij op reis ging.
Zij had haar “ik” en haar “wij” eens moeten vergeten.
Heus, de Baedeker is een voortreffelijk boek.
Wanneer men gezien heeft wat er in staat, heeft men ongelofelijke schatten genoten, als het tenminste met dat zien, ruiken en betasten in orde is.
En wil men de Baedeker niet, neem dan het oude, mijnentwege verouderde, maar nog altijd voorbeeldige Italiaanse reisboek van Goethe ter hand, waar men lezen kan: “Sinds de dag dat ik Rome betrad, beschouw ik mij als voor de tweede maal geboren: een ware wedergeboorte heeft met mij plaatsgehad!”
Goethe begreep, dat men in een land als Italië op reis zijnde, alvorens een oordeel te kunnen uitspreken, alles bijeen moet zamelen, “uit een onmetelijke, ofschoon buitengewoon rijke hoeveelheid overblijfselen.”
Het is weinig vreemdelingen werkelijk ernst, iets grondig in zich op te nemen en te bestuderen, zo vervolgt hij.
Zij volgen slechts hun grillen en hun eigenwaan.
Misschien was de postkoets toch een cultureler vervoermiddel dan de Renault.

1) Hella S. Haasse: “Klein reismozaïek”, Italiaanse impressies.
Baarn, Het Wereldvenster, 1953.

Zelf heb ik het boek van Haasse nog niet gelezen.
Als we later dit jaar naar Italië op vakantie gaan,
met de nadruk op ‘Als’, dan zal ik het zeker meenemen en lezen.

Hella S. Haasse, Krassen op een rots besproken door Hans Warren

Een tijd terug kocht ik een kleine partij boeken van Hella S. Haasse.
Bij de boeken zat een map met krantenknipsels.
Daarvan probeer ik zo af en toe er een op mijn blog te zetten.

DSC_4184HellaHaasseKrassenOpEenRots

Het gaat hier om een recensie van Hans Warren in zijn beroemde reeks ‘Letterkundige kroniek’ van het boek Krassen op een rots.


LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17AuteurHansWarren
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 01 Intro
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 02 Kolom1
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17Koptekst
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 03 Kolom2
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 04 Kolom3
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 05 Kolom4
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 06 Kolom5

De kolommen van de Provinciale Zeeuwse Courant zijn een beetje ‘digitaal schoongemaakt’. Dit artikel verscheen op 31 oktober 1970 en stond op pagina 17.


DSC_4186HellaHaasseKrassenOpEenRotsSomsIsDeAchterkantVanEenKrantenknipselNetZoInteressantAlsDeVoorkant

De advertenties op de achterkant zijn ook leuk om door te nemen.


Zoal eerder heb ik de hele tekst uitgetypt.
Daardoor wordt de hele tekst doorzoekbaar en kun je er
eenvoudig een citaat uithalen.
Er zullen vast typefouten in staan maar ik heb geprobeerd
de spelling van Warren (bladzijs) in het artikel over te nemen.

Over Hans Warren:

Een belangrijke bijdrage aan het literaire leven in Zeeland leverde Warren met zijn ‘Letterkundige Kroniek’.
Vanaf 11 oktober 1951 was hij als criticus verbonden aan de Provinciale Zeeuwse Courant.
Voor zijn kritische arbeid ontving hij in 1970 de Pierre Bayleprijs.
Warren schreef vijftig jaar lang de Letterkundige Kroniek.
Ter gelegenheid daarvan werd het boek de Oost uitgegeven.
Twee dagen na zijn overlijden verscheen de wekelijkse bijdrage voor het laatst in de PZC.

Hella Haasse: ‘Krassen op een rots’

letterkundige kroniek door hans warren

HELLA HAASSE werd in 1918 te Batavia geboren, en ze kwam in 1939 naar Nederland.
Haar hele jeugd ligt dus in Indië, op Java, in een zeer interessant tijdsgewricht, waarvan ze overigens en uiteraard niet zo veel heeft gemerkt.
De overgang van tempo dulu, zoiets als de goeie ouwe tijd, naar de moderne tijd van bewustwording en zelfstandigheid.
Hella Haase leefde in een vrij beschermd en volkomen Europees milieu, haar ouders waren “import”-Nederlanders, zij heeft geen druppel Indisch bloed in de aderen.
Zo lang zij op Java woonde heeft zij, volkomen natuurlijk, heel haar omgeving als vanzelfsprekend aanvaard.

Zij heeft; als kind en als jong meisje, wel dingen opgeschreven, bijvoorbeeld in een dagboek, maar die notities missen ‘coleur locale’.
Zelf zegt zij hierover: ‘In het dagboek, dat ik als dertien-veertienjarige bijhield, vind ik louter verslagen en beschrijvingen van het leven op school, gesprekken en avonturen met vrienden en vriendinnen, van uitstapjes en vakantietochten, kortom van alledaags gebeuren, waarin exotische elementen volstrekt ontbreken, om de eenvoudige reden, dat ik die vanzelfsprekend en dus niet het vermelden waard vond.’
En dan laat zij een paar van die dagboeknotities uit 1932 volgen (waarschijnlijk wat bijgeschaafd, want ze hebben niets leuks-kinderlijks meer).
Vervolgens schrijft ze: ‘Pas toen ik allang in Nederland was, vijftien, twintig jaar later, zou ik de behoefte voelen woorden te zoeken voor de geuren, kleuren en geluiden van de werkelijkheid van mijn jeugd op Java’.
Waarna vele citaten volgen uit ‘Oeroeg’ (haar prozadebuut en mogelijk haar mooiste boekje), ‘Zelfportret al legkaart’ en andere geschriften van haar hand.
Inderdaad, hoewel Hella Haasse, als we rubriceren moeten, in het vak ‘historische romans’ terecht komt en niet bij de ‘Indische belletrie’ is toch menig werk van haar gestempeld door die Indische jeugd.
Hoe kan het anders, zou men denken, en toch.

Wie ongeveer van Hella Haasses generatie is, of iets jonger, en zeker wie ouder is, zou best heimwee naar Indië hebben ook al is hij er nooit geweest.
Herinner u hoe we alles moesten kennen: de blinde kaart van Java met alle steden, vulkanen en rivieren, de eilandengroepen, reeksen exotische prachtige namen die deden dromen.
Later de foto’s, lichtbeelden, films; gamelan- en dansvoorstellingen, het Tropenmuseum, cadeautjes over en weer van familieleden en vrienden daarginds.
Boeken, van en over Indië – kortom, er was een band heel sterk en heel innig, ook al was je er niet geweest, had je er niet rechtstreeks mee te maken.
Je benijdde degenen die land en volk uit eigen aanschouwing kenden: ze waren in het paradijs geweest.
Nogmaals: het was een soort heimwee naar iets vertrouwds dat je toch vreemd was.
Toen kwam de breuk.
Wat moest dit betekenen voor wie hier zijn jeugd had liggen, als Hella Haasse.
Wordt je dan niet verteerd van verlangen naar een weerzien met dat verloren paradijs, al is het dan als toerist, wat vernederend als toekijker, als vreemdeling?

Zoveel hoofden, zoveel zinnen.
We spraken er over met een vriend, die als Hella Haasse, zijn hele jeugd op Java heeft doorgebracht, en die pas na de Japanse nederlaag naar Nederland is gekomen.
Omstandigheden verder vergelijkbaar: volbloed europeaan, beschermd milieu, kunstenaar.
Hij zou onder geen enkele voorwaarde nog eens een reis naar zijn geboorteland willen maken, kan er letterlijk niets mee beginnen.

Hella Haasse is, toen ze de gelegenheid kreeg, wel als toeriste teruggegaan, ze heeft in de zomer van 1969, met haar man een reis over Java en naar Bali gemaakt.
Na dertig jaar.
Maar ze kon er, kennelijk, ook niet erg veel mee beginnen.
We weten niet of ze schrijf-verplichtingen had aangegaan vóór ze die reis ondernam, maar in elk geval moet het een boek worden, en daar zitten we nu mee.
‘Krassen op een rots’.
Het is een allegaartje van journalistieke notities, herinneringen, citaten uit vroeger werk en uit oude dagboeken, bijzonder wijdlopige en vaak zeurderige cultuurhistorische beschouwingen, gelardeerd met de tekst van een lezing en met twee – voortreffelijke, dat moet gezegd worden – oude, niet eerder gepubliceerde novellen van haar hand en met andere fremdkörper, als gedichten van W. S. Rendra, in Maleis en vertaling van Hella Haasse.
Uiteraard zijn er in een boek van tweehonderd bladzij’s enkele pagina’s met aardige of treffende opmerkingen te vinden, maar als geheel krijgt men toch de indruk: Hella Haasse is naar Indië teruggeweest en moest er, hoe dan ook, een boek van maken.
Hoe teleurstellend.
We gaan met haar naar het Diëng-plateau, en denken een goede gids te hebben.
Onderweg een journalistiek verslag, geïllustreerd met niet helemaal bijpassende kleurenfoto’s van Tibet uit de “National Geographic”.
En als we er zijn ‘Er groeit onkruid in de lege nissen, er hangt een stank van urine’. (…) ‘Dit is het hart van het antieke sacrale Java’.
Humor, spot zelfs kent Hella Haasse niet, of nauwelijks.
Alles is bij haar op een damesachtige manier ernstig.
Anders lag hier nog een kans.
Een enkele keer krijgt haar pen vaart, zoals bij de beschrijving van een Balinese tempeldans, weliswaar opgevoerd voor toeristen in technicolor: ‘De prins, gedanst door een kind van een jaar of tien, twaalf, een klein tenger hoekig figuurtje in goud en brokaat, met een gespannen nobel maskertje onder zijn glinsterende hoofdtooi; de hemelnimfen en hun minnaars, in groen en violet, met vergulde waaiers en vonkenspattende trilbloemen in hun haren; en bovenal de Gendarwa’s, demonen, kwelgeesten, wezens op de grens tussen mens en insekt of vogel, potsierlijk schrijdend met spitse vingers en rollende ogen, spiegelgevechten uitvoerend in een warreling van bontgekleurde slippen, franjes en siersprieten – zij allen bleven wenden en keren op het platform tegen een achtergrond van tempelpoort en nachtelijk loof, bewegende juwelen onder de zwartblauwe hemel waarin de melkweg en glinsterend spoor trok'(pag.178).
Van haar cultuurfilosofische digressies zijn voornamelijk die welke handelen over het in wezen nog zo archaïsche bestaan van de Javanen heel interessant.
‘Enerzijds is de Javaanse mens kwetsbaar en overgevoelig, aan de andere kant bezit hij een verbazingwekkend uithoudingsvermogen.
Onuitputtelijk plezier beleeft hij aan zo maar kijken en luisteren naar wat er gebeurt; hij kan zich echter ook innerlijk volkomen afsluiten.
Het besef opgenomen te zijn in een gemeenschap, ergens helemaal bij te horen, houdt hem in leven; is die saamhorigheid verbroken, de harmonie met de omgeving aangetast, dan lijdt hij, sterft hij.
Het is dit mee-ademen, mee-bewegen in een grote collectieve stroom van nog ten dele onbewust, met de natuur verbonden leven, dit inderdaad van uit de moderne beschaving bekeken archaïsche bestaan, dat door Indonesische intellectuelen van nu wordt beschouwd als het struikelblok bij uitstek voor de vooruitgang van hun land, al geven zij tevens in een adem toe, dat er grote, elementaire kracht van uitgaat.
Er is, zeggen zij, geen gezonde hedendaagse economie, geen moderne staat, op te bouwen met mensen die van de ene op de andere dag in de andere, van de hand in de tand leven; die zich het meest ‘senang’, lekker voelen, als alles maar zo’n beetje zijn gewone gang gaat, ook al betekent dat vaak ongemak en ontbering; die eerder het gevoel hebben dat zij lijden door het ongewone, en door veranderingen die inspanning vergen, dan door een minimumbestaan. om de eenvoudige reden dat zij in de meest letterlijke zin van het woord genoegen nemen met zeer weinig, met bijna niets, als een en ander zich maar voltrekt in een vertrouwd, dat wil zeggen voor hen harmonisch kader; die als zij ziek zijn, of pijn of tegenslag hebben, zich – indien alle burenhulp en magie falen – liever terugtrekken om volgens onverbiddelijke natuurwetten dood of ten onder te gaan, dan dat zijzorg of hulp van een onpersoonlijke overheid eisen of verwachten; ja; die zich van het gemis aan dergelijke middelen en mogelijkheden niet eens voldoende rekenschap geven’.

Men merkt overigens zelfs reeds in dit citaat, hoe juist de opmerkingen ook mogen zijn, dat de schrijfster zich weldra in wijdlopigheid verliest en gaat irriteren.
Leuk zijn soms enkele simpel vertelde voorvallen, zoals de ontmoeting met de zelfbewuste dessavrouw in de bus (pag 125), maar dat zijn uitzonderingen, meestal moet men ploegen door deze teksten.

Voortreffelijk zijn daarentegen, zoals gezegd, de twee novellen.
De mooiste is ‘De Lidah Buaja’ (Krokodillentong), die uit 1948, een delicaat, ragfijn verhaal over een Japans echtpaar, als spionnen naar Batavia uitgezonden voor de tweede wereldoorlog.
Het is geheimzinnig, geraffineerd, werkelijk een meesterlijk neergezet in nog geen twintig bladzijs.
Het andere verhaal is uit 1954, het heet ‘Een perkara (Het verhaal van Egbert’, een zeer Indische familiegeschiedenis, iets brokkelig, maar toch wel erg goed verteld.

Al met al is ‘Krassen op een rots’ toch wel een erg hybridisch en teleurstellend boek geworden. Een ‘mengelmoes van teksten’, zoals de schrijfster het zelf noemt, waaruit helaas niet veel méér overkomt dan een indruk van verwarring en breedsprakigheid.

Hella S. Haase: Krassen op een rots, notities bij een reis op Java, Querido, Amsterdam.

HelleSHaasseKrassenOpEenRotsNotitiesBijEenReisOpJaveDerdeDruk1972

Dit is mijn exemplaar van het boek ‘Krassen op een rots’. Dit is een derde druk uit 1972.


Zelfportret als legkaart

HellaSHaasseZelfportretAlsLegkaartKrantOnbekendSchrijverRBoekZelfportretAlsLegkaart1954Fase1 (2)

Schrijver van dit krantenartikel is bij mij onbekend. Ik zie alleen de initiaal “R”, Ook de datum en de krant/tijdschrift van publicatie is bij mij onbekend. Al kunnen we van de datum zeggen dat het boek waarover het artikel gaat, in 1954 is gepubliceerd. Hella S. Haasse: Zelfportret als legkaart.


Hella S. Haasse:
Zelfportret als legkaart

Hella S. Haasse is in Indië geboren, gedeeltelijk daar en gedeeltelijk in Nederland – maar hier zonder ouders – opgevoed.
Zij beschrijft nu van die jaren – afgewisseld met beschouwingen en overdenkingen – een aantal feiten, die zij zich herinnerde toen ze er over na ging denken.
Het zijn uiterlijke feiten, die een innerlijke en blijvende klank hadden, maar die is zij zich dikwijls pas later, misschien zelfs pas duidelijk bij het schrijven van haar “Zelfportret als legkaart” 1), bewust geworden.
Zoals zij zich waarschijnlijk pas nu bewust is, dat zij door die omstandigheden is gegroeid tot een vroegtijdige zelfstandigheid, die tevens eenzaamheid was.
Soms, bij periodes, heeft zij zich uit die eenzaamheid proberen te bevrijden door nadrukkelijk aansluiting bij en erkenning door een groep te zoeken (door kwajongensstreken, die eigenlijk niet bij haar aard pasten) en ook door op te gaan in dromerijen en fantasieën.
Uit die ontwikkelingsgeschiedenis probeert zij na te gaan, wie zij eigenlijk geworden is.
Een zelfstandig denkende en nuchter oordelende vrouw, concludeert de lezer, tot op zekere hoogte nog eenzaam, waaruit haar drang tot schrijven zich ook zou laten verklaren.
Het schrijven, het bedenken van verhalen lokt haar op het ogenblik niet aan, sinds zij “door het rookgordijn van de eigen verzinsels” heen heeft gezien en er uitingen van het eigen “ik”, hij het schrijven nog onbewust, in herkend: haar eigen onzekerheid tegenover het leven, die zich het veiligst voelt in de “ivoren toren” in de figuur van Charles d’Orleans in Het woud der Verwachting, en dezelfde onzekerheid, maar duidelijker geformuleerd in het “wie ben ik, wat ben ik” van Giovanni Borgia in de Scharlaken Stad.

In haar zelfportret probeert Hella Haasse bewuster dan in haar romans haar problemen te onderscheiden.
In eerste visie lijken zij hierop neer te komen: Dat het alledaagse bestaan haar niet voldoet en dat haar geestelijke activiteit daar naast lijkt te staan en haar voorkomt als een vlucht uit de realiteit.
Bij nader inzien blijkt de tweespalt dieper te gaan: haar ontgaat de zin van haar leven, voor zover zij er slechts de waarneembare realiteit, de innerlijke zowel als de uiterlijke, van kan waarnemen.
Dat waarnemen is al zo moeilijk, omdat de grens tussen schijn en werkelijkheid, russen wat men zou wensen te zijn en wat men feitelijk is, nauwelijks is te ontdekken.
Wat zij tot dusverre geschreven heeft, beseft zij, is uit die tweespalt tussen schijn en werkelijkheid ontstaan, een bijna onbewuste poging tot bewustwording.
Zij vermoedt, dat zij de echte realiteit boven de waarneembare werkelijkheid, de derde dimensie, zal kunnen achterhalen, als zij zich de zin van de herhalingen in haar leven bewust wordt: telkens immers, ziet zij zich in situaties geplaatst, die s(t)eeds weer dezelfde keuze vragen.
In feite is die derde realiteit, waarin het evenwicht bereikt wordt, voor de mens onzichtbaar.
Hij heeft een geloof nodig, om het te bereiken, zij het een geloof “zonder God”.
Waarom zonder God?
Omdat de religie, de filosofie en het politiek systeem tegenover de onzekerheden van de eigen tijd geen toereikend passe-partout zijn.
Dat is juist: pasklare oplossingen vindt men nergens ook niet in het geloof, alhoewel dat een stevig houvast blijkt.
Maar laten we daar niet op doorgaan en constateren, dat het Zelfportret een eerlijk en boeiend boek is, dat ook voor wie de schrijfster in vele opvattingen niet kan volgen toch verhelderend blijkt.
R.

1) Uitg. De Bezige Bij.

Wat zou Hella Haasse van deze schilderijen gevonden hebben?

WP_20180728_12_05_07_ProGerardDavidWoordedLandscapeBoslandschapC1510-1515

Mauritshuis. Gerard David, Wooded landscape (Boslandschap), circa 1510 – 1515.


De set schilderijen zijn super modern.
De geheimzinnige uitstraling, en dan, al is het geen labyrint,
het ziet er uit alsof je er in zou kunnen verdwalen.
Mysterieus.
Wat is het verhaal bij die mensen?
Waarom dat gebouw.
Die prachtige kleuren groen van de bladeren.
Het decor van een roman van Hella S. Haasse.

De aantrekkingskracht van het labyrint

In de AO-reeks, een serie kleine boekjes waarin grote onderwerpen,
kort maar krachtig worden toegelicht, verscheen op 7-9-1984
een deel over de winnares van de P.C. Hooftprijs:
Hella Haasse.

AO-ReeksDeAantrekkingskrachtVanHetLabyrint7-9-1984Nr2030

De aantrekkingskracht van het labyrint – P.C. Hooftprijs voor Hella S. Haasse.


Het boekje geeft een korte biografische schets van Haasse en
bespreekt vervolgens een aantal van de boeken die tot op dat
moment (1984) van haar hand verschenen waren.
In leuke introductie.

Centraal staat de analyse van Hanneke van Buuren die drie fases
onderkent in het oeuvre van Haasse:
1. de confrontatie met het andere ligt ten grondslag aan ieder begin
van ik-bewustzijn;
Boeken als Oeroeg, Het Woud der Verwachting, De Verborgen Bron en
De scharlaken stad.
2. een in zelfbewustzijn groeiend ik – herkent zich als onderdeel van een
groter web van personen, relaties en gebeurtenissen – in een samenstel
van werkelijkheden waarin de ene weer achter een andere ligt, en de ene
naar de andere verwijst;
Boeken als De ingewijden, Cider voor arme mensen, De meermin.
3. krimpend bewustzijn.
Boeken als Huurders en onderhuurders

De typografie van het boekje in ronduit slecht.
Je kunt twisten over de voorkant, of de lettertypes die
daarvoor gekozen zijn, bij elkaar passen enz.
Maar de tekst in het boekje is soms moeilijk te volgen
omdat niet duidelijk is wat nu precies bij wat hoort.
De overgang van redactionele tekst naar boekcitaat en omgekeerd
is vaak onduidelijk.

Vandaag gekocht op de markt

De boekenmarkt wel te verstaan.
Ik ging tussen de middag even naar de bakker.
Ik kon de verleiding niet weerstaan om even te gaan kijken
in de bak Nederlandse literatuur.
Okay, de staat van de boeken is niet 100% maar
daarom ga ik er niet minder van genieten.

WP_20180718_19_05_40_ProJohanDiepstratenHellaSHaasseEenInterviewBZZTOH1984BibliografieCharlotteDeCloetBibliografieSecundairAloysVanDenBerk

Johan Diepstraten, Hella S. Haasse – Een interview. Uitgeverij BZZTÔH in 1984. In het boek is een bibliografie opgenomen samengesteld door Charlotte de Cloet; en een bibliografie van secundaire literatuur over Hella Haasse door Aloys van den Berk.

Deze publicatie verscheen ter gelegenheid van de uitreiking van de P.C. Hooftprijs 1983 aan de schrijfster Hella S. Haasse.


WP_20180718_19_06_33_ProHellaSHaasseMevrouwBentinckOfOnverenigbaarheidVanKarakterEenWareGeschiedenisQueridoZesdeDruk1982

Hella S. Haasse, Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter – Een ware geschiedenis. Uitgeverij Querido, zesde druk, 1982.


We praten – hoe kan het anders als twee Nederlanders praten – over het Huwelijk van de kroonprinses.

Ik koos bewust deze wat oubollige zin uit het interview
van Friso Endt met Hella Haasse.
Als het kan, dan wil ik naast de afbeeldingen van het krantenartikel
ook de letterlijke tekst opnemen op mijn blog.
Dat maakt de tekst doorzoekbaar.
Het interview heeft een paar momenten die naar de jaren ’50 en ’60 wijzen.
Maar als je die buiten beschouwing laat is het een interessant
verhaal over het leven van de schrijfster, haar schrijfmethode
en haar werk.

ProfielVaneenVrouwFrisoEndtFotoVanHellaSHaasseDoorAnneliesScholtzBewerkt

Dit is door mij bewerkte foto van Hella Haasse zoals die bij het artikel werd afgedrukt. Foto van Hella S. Haasse door Annelies Scholtz.


De interviewer gebruikt soms de treinreis als metafoor voor het interview.

Een fragment valt erg op in het interview. Het grootste deel
van het interview lijkt letterlijk het vraaggesprek te volgen:
vraag – antwoord – inleiding – vraag – antwoord.
Maar dan ineens:

‘Het is het enige authentieke ongecensureerde stuk geweest, eenvoudig omdat er met deze vrouw niet te marchanderen valt. En omdat deze vrouw nooit over een grens zal gaan, waar het begrippen als menselijk als fatsoen betreft.’

Door de structuur van het interview, werd ik helemaal gek bij het typen –
met twee vingers, niet mijn sterkste kant – van de interpunctie.
Ook de spellingscontrole in Word wist geen raad met alle é-s, “-tekens, enz.

Gelukkig gebruikt Haasse met enige regelmaat de constructie ‘je je’.
Zoals in:

Tegen zulke ideeën moet je je voortdurend teweer stellen.

Daar betrap ik mezelf ook weleens op.

Wat ik mooi vind is dat Haasse spreekt over ‘de schrijver’ en ‘hem’.
Ik snap dat ze met de schrijver niet zichzelf bedoelt, maar ik weet niet
of ik in een interview dat zo gescheiden zou houden in mijn taalgebruik.

Ergens zegt Hella Haasse in het interview: “Ik heb er Friedtländers Weltgeschichte voor gelezen.”
Het internet helpt me niet te achterhalen wie met Friedtländer wordt bedoeld
en welk boek die ‘Weltgeschichte ‘ precies is.
Als iemand een idee heeft?

‘Profiel van een vrouw’ lijkt me een serie interviews.
Annie M.G. Schmidt is volgens onderstaande tekst een van de geïnterviewden.
Over deze serie vond ik niets op het internet.

Grappig is de ondertekening met ‘Endt’. Misschien zoek ik er te veel achter
maar dit zit wel heel dicht tegen ‘Einde’ of ‘The End’.

======================================

Friso Endt – Profiel van een vrouw – Hella Haasse

“Wat is haar voorhoofd toch hoog,”denk ik.
We zitten in de trein, Hella Haasse, de schrijfster, en ik.
Het is een trein die naar het zuiden snelt, naar Brussel, waar zij die middag op een soort boekenbeurs gaat staan en waar zij die avond een lezing moet houden.
Later, als ik al weer in een trein terug zit, kan ik het allemaal lezen in haar autobiografische “Zelfportret als legkaart”: “Het lezingen-houden: evenzovele ontdekkingstochten.
Ten eerste geeft reizen mij de sensatie van vooruitgaan, van afstand, ruimte veroveren, een gewaarwording, die mijn diepste verlangen bevredigt.
Het in aanraking komen met andere mensen, andere werelden, schijnt mij in hoge mate een bijdrage tot die uitbreiding van de werkelijkheid waarin ik geloof als in het oefenmateriaal tot inzicht”. (pag. 73).
En ook (op pag. 65): “Bezeten te zijn van een nooit eindigende verwondering om alles zoals het reilt en zeilt, van nieuwsgierigheid naar het wezen van de mensen, naar de achtergrond van hun denken, de motieven van hun daden.
Het waarnemen is mij een even grote drift als het verlangen om weer te geven.”
Het is in de dagen na dit gesprek-in-de-trein dat ik, telkens weer grijpend links en rechts in haar boeken, gedachten en zinnen terugvind die zij in dit interview heeft uitgesproken.
Alleen weet ik dan weer een klein stukje meer.
En denk: “Hoe kan het allemaal opgestapeld zijn achter dat voorhoofd?”
We hebben eerst bij haar thuis gepraat.
Ze heeft gezegd: “Ik schrijf één hoogstens twee pagina’s per dag. Soms zit ik een hele dag op zo’n stukje.”
Ze duidt de afstand tussen duim en wijsvinger van één hand.
Ze zegt ook: “Ik zal even water opzetten voor thee. Over een uur moet je weg, want dan moet ik koken voor mijn oudste dochter. Ze moet ergens heen vanavond.”
In die twee opmerkingen ligt een deel van haar leven.
Namelijk dat werk, dat schrijven én het gezin.
Hella Haasse heeft een man – rechter bij de rechtbank te Den Haag – en twee dochters Ellen (18) en Marijn (15).
Bij het eerste gesprek zijn ze de een na de ander een ogenblik binnengekomen.
Met de gewone opmerkingen: “Wat zit er in dat trommeltje?” “Koekje?” “Ja, graag.”
En: “Heb je een paar kousen voor me?” “Die?” “Nee, die niet.”
In de trein zegt ze: “Ze vinden soms dat ik ze verwaarloos. Ik ben er voor mezelf van overtuigd dat het niet waar is. Ze hebben óók recht op een basis in hun leven, hun thuis.
Ik moet mezelf daarbij dan maar aanpassen, vind ik. Ik moet dat maar fiksen.”
Dit als antwoord op een opmerking van “heeft het gezin er last van , van het schrijven?”, omdat ze thuis gezegd heeft: “Ik ben niet altijd met mijn gedachten bij hen, dat is waar.
Ik doe zoveel mogelijk voor ze. ik praat met ze als ze dat willen. Ik kook. Natuurlijk.
Maar ze merken het dat ik er niet altijd bij ben. Het is een combinatie…”
En dat kwam dan weer voort uit de mededeling: “ik krijg een totaalbeeld van de wereld,
waar ik over schrijf in een roman. Het wordt een werkelijkheid voor me,
waar ik mee leef, voortdurend mee leef tot ik ze allemaal goed ken, de personen.
Op een gegeven ogenblik weet ik alles van ze af, waarom ze zo zijn, wat ze zijn.
Dan kun je ook een dwarsdoorsnee maken. Dan héb ik ze volledig. Ik weet alles van ze.”
Dat laatste zei ze verscheidene malen: “Ik weet écht alles van ze. Dan kun je in segmenten gaan snijden.
Want het is een werkelijkheid waar je voortdurend mee leeft.”
Daaroverheen, als een bijna achteloze mededeling: “Ik ben soms met méér dan één boek, één roman bezig.”
Het klinkt eenvoudig.

ALLES IN EEN HOOFD

Hella Haasse, opgevoed in het oude Indië, waar haar vader een hoog ambtenaar was, een paar jaar bij grootouders gewoond, toen haar moeder ernstig ziek was geworden, later opnieuw naar Indië en tenslotte in 1938 definitief naar Nederland om eerst Scandinavische talen te gaan studeren en te eindigen op de toneelschool.
Deze Hella Haasse is in ’39 al ontdekt door de Amsterdamse journaliste Wim Hora Adema, die ook Annie Schmidt heeft “gevonden”.
“Wim,” zei Hella Haasse, “heeft in 1939 een paar gedichten van me gelezen en aan Eddy Hoornik gegeven.
Hij plaatste ze toen in het blad “Werk”; na de oorlog zijn ze in de bundel “Stroomversnelling” verschenen.
Ik schreef toen gedichten om ze kwijt te moeten.
Wim Hora Adema kan iemand vinden en ontdekken.
Ik heb juist voor iemand in verband met een congres in Teheran een paar voorbeelden moeten geven van Nederlandse vrouwen die bijzondere dingen doen.
Ik heb Wim genoemd. Het aantrekken van goede mensen en goede talenten. Niemand die het zo kan en doet als zij.”
“Dicht je nog?”
“Het is iets wat ik eigenlijk helemaal niet kan.
Tussen verzen een beredenering zo verwerken en uitkienen dat het er in die regels uit komt.
Die gave heb ik helemaal niet.
Ik moet het in een groot geheel kunnen uitwerken.
Ik kan het niet zo in een paar regels.
Dat krijg ik niet gedaan.”
Al in de oorlog is het proza schrijven begonnen.
Woud der Verwachting, het boek over Charles D’ Orleans en François Villon op Blois.
Het is ook de enige echte historische roman geworden.
Ik heb later de historie alleen als voorwendsel, als instrument gebruikt voor wat ik te zeggen had.”
Bij het woord “voorwendsel” glimlacht ze een beetje ondeugend, verontschuldigend, met wijd open ogen en een wat nerveuze trek om de mond.
Vooral nerveus als ze woorden tracht te formuleren tot de zinnen die precies moeten weergeven wat ze op een bepaald moment bedoelt.
Ook heel eerlijk: “In interviews vraagt iedereen altijd iets van jezelf. Dan zeg je een aantal feiten en feiten.
De werkelijkheid kun je toch niet vertellen. Die publiciteit is er nou eenmaal.”
“Zou je dan liever anoniem blijven? Onder pseudoniem schrijven?”
Met de theepot in de hand, tuit boven het kopje, blijft ze even staan denken; zegt: “Oh, ja!”
Met grote gretigheid.
Weinig mensen kunnen zo graag “ja” zeggen (als ze het menen) als deze vrouw.
“Ja!” Dan na enig nadenken: “Maar dat gaat ook weer niet. Ze zouden het herkennen.
Of – nog steeds hardop denkend – of je zou nieuwe vormen moeten gaan vinden om onherkenbaar te zijn.
En dan zou je jezelf weer geweld aan doen. Het kan dus niet.”
Ze heeft in totaal 11 boeken geschreven.
Daarvan zijn er drie historische romans.
“Tegen Bibeb heb je in ’63 eens gezegd dat er “hier” – in je voorhoofd – een machientje zit dat bij het werk door beredenering afstand schept van emoties. Hoe werkt dat?”
Ze lacht: “Dat machientje? Dat is er om afstand te scheppen. En daardoor mensen te leren kennen. Daarom schrijf ik ook graag een roman. Het heeft te maken met communicatie.
Dat is ook met die historie het geval. Het geeft de gelegenheid, het voorwendsel – de lach wordt weer verontschuldigend – om tot werkelijkheid te geraken. Ik ben er altijd mee bezig.
Daar is iets bij wat ik eerder ben begonnen en weer had weggelegd. Ik wist er niet genoeg van. Ik kende de mensen nog niet genoeg.”
“En alles in één hoofd, jouw hoofd?”
Ze lacht nu van begrijp-je-dat-niet? “Ja natuurlijk in mijn hoofd. Daarom schrijf ik ook graag historische romans. Er is een hoop niet bekend. Dat kun je dan gaan invullen.
Dat is ook het geval geweest met het laatste boek “Nieuw Testament”.

HellaSHaasseEenNieuwerTestamentDertiendeDruk2012

Argusvlinder: ik denk dat in de tekst hierboven het boek “Een Nieuwer Testament” wordt bedoeld. Dat boek had zijn eerste druk in 1966. De foto is van de dertiende druk uit 2012.

Ik las over die laatste periode van de Romeinse Keizers.
De invallen der Barbaren, de Goten. De overeenkomsten van de laatste keizers met de Goten, een soort monsterverbonden.
Ik heb er Friedtländers Weltgeschichte voor gelezen.
Toen stuitte ik op de naam van de dichter Claudius Claudianus.
Er waren een paar hele mooie verzen met beelden die me aanspraken.
Ze wisten maar tien jaar van ‘m.
Dat is dan natuurlijk “gefundenes Fressen” voor mij. Het voorwendsel om bepaalde ideeën uit te werken.”
Later in ons treingesprek vraag ik:
“Is dat laatste boek toch met de actualiteit verbonden?”
“Oh, ja” – weer dat volle ja – “een kritiek op de beginnende verstarring van het geloof dat tegelijkertijd staatsgodsdienst wordt.
Het compromis, dat de Kerk sluit als kerk en staatmacht samenvallen. Een compromis van het geloof.”
“Dat geldt ook voor deze tijd?”
“Dat geloof ik wel ja.”

PROVOCATIE VAN DE AUTORITEIT

Over zo’n boek doet ze minstens twee jaar. Dat brengt me terug tot het “iedereen kennen” van de personen in zo’n boek.
“Dan kun je dus zomaar middenin beginnen?”
“Als je alles al weet – en dat moet, anders kan het niet – dan geeft het niet waar ik begin. Ik weet toch alles al.”
Na een pauze: “er gebeurt zoveel om over te schrijven, zoveel dat me pakt, overal, op straat, als ik de deur uit ga.
Zo’n gebeurtenis heeft soms enkele verdiepingen. Behalve in de directe rechtstreekse informatie is er een niet rechtstreekse symbolische informatie.
De vorm groeit naarmate die symbolische lading sterker is. Ineens herken je dat. Je bent getroffen door een gebeurtenis.
Maar ik geloof dat je eigenlijk juist door die symbolische lading getroffen wordt. Die extra verdieping groeit mee terwijl je denkt dat je met de directe rechtstreekse informatie bezig bent.”
Inmiddels zijn de meisjes binnen geweest en weer weggegaan.
“Heeft het gezin er last van? Van dat “altijd bezig zijn met het andere?”
“Ja, ik leef natuurlijk op mijn zenuwen. Niet dat ik zo nodig moet. Maar ik moet! Natuurlijk vind ik het zelf ook fijn. Als het goed gaat. Als er een onderwerp is dat je iets doet. Dat houdt je dan bezig. Ik ben niet de enige. Een vrouw als de schilderes Han Mes verzorgt ook haar kinderen en werkt. Er zijn nu eenmaal vrouwen die begaafdheden hebben. Han Mes breekt er soms even uit, uit haar gezin, haar huishouden om een bepaald idee uit te werken.”
Het gesprek komt op directe actualiteit. De provo’s bijvoorbeeld. Hella Haasse leest krankzinnig veel. Veel boeken, veel kranten, ze moet zoveel mogelijk op de hoogte zijn. Ook om te kunnen interpreteren.
“De provo’s?, het is een feit dat dit nu op dit ogenblik gebeurt. Het is een test van de Autoriteit. Nou ja, een deel loopt natuurlijk ook mee voor de fijne rel, dat weet ik wel. Maar de vraag is toch gesteld: heeft de Autoriteit recht Autoriteit te zijn. Heeft-ie recht op gezag? Als die Autoriteit antwoordt met een knuppel op iemands kop te slaan heeft-ie geen Autoriteit meer, maar is afgegaan door de zijdeur.
Het is echt een provocatie van het Gezag. Tot nu toe heeft dat gezag geen wijs tegenspel gegeven. Dat zal die Autoriteit toch op een dag moeten doen.”
“Geloof je dat zoiets eerder gebeurd is, historisch bezien?”
“Natuurlijk. Maar er zijn perioden dat het minder als een behoefte gevoeld werd.”
Ik moet weg. Er moet gekookt worden.
“Je hebt inkt op je neus,” zegt Hella Haasse glimlachend.
We gaan twee dagen later verder. In de trein naar Brussel. Een dag tevoren is een dergelijke afspraak – voor de trein naar Groningen, ook een lezing – mislukt omdat we elkaar aan het station misliepen.
“Ik had brood voor je meegenomen,” zegt ze, “ik dacht: jij krijgt vast honger onderweg. Ik heb nu kaakjes voor je bij me.”
We praten over de techniek. Ik heb een televisieuitzending gezien van de schrijver Nabokov, die alles op vierkante kaarten noteert en dat weer efficiënt in een kaartsysteem onderbrengt. Hella heeft gezegd dat ze soms weleens iets tegen een pilaar op het centraal station op een papiertje heeft gekrabbeld.
Ze kijkt weer verontschuldigend: “Ik wilde dat ik alles zou kunnen organiseren. Ik heb overal aantekeningen.”

IK BEN SLORDIG MAAR IK HOU VAN ORDE

Ze haalt een opschrijfboekje, een agenda eigenlijk, te voorschijn, waar in schuin, zeer regelmatig handschrift een heleboel in opgeschreven staat.
“Ik vind soms aantekeningen terug die ik nooit gebruikt heb. Laatst nog voor “De Scharlaken Stad”, maar ik kon het toen weer voor een lezing gebruiken. Ik krabbel overal: op papiertjes, enveloppen, overal: Ik denk altijd, als ik eens tijd heb, zal ik het overzichtelijk indelen en opbergen. Ik gooi nu meestal op een hoop wat ik heb. In een paar mappen.
Voor een lezing maak ik die mappen altijd open. Soms vind ik dan verrassende dingen. Ik ben slordig, maar ik hou van orde.”
“En in je werk perfectionist?”
“Oh ja zeker. In mijn werk perfectionist!”
Dan praten we over lezingen.
“Ik doe dat te veel. Ik ga volgend seizoen beslist minder doen. Maar je hebt vaak goede, leuke ontmoetingen. Ik heb er hele fijne mensen ontmoet. Een man als professor Schillebeecks uit Nijmegen bijvoorbeeld. Mensen van buiten je eigen kring en dat is ook heel goed. Daarom doe ik het ook. Je bent er ook weer even uit, – weer de verontschuldigende glimlach -.
Vraag: “Ik merk – je hebt het gezegd in het eerste gesprek – dat je met een nieuw boek, of nieuwe boeken, bezig bent. Ik merk ook dat je er niet over wilt praten. Dat begrijp ik. Ik hoef ook niks te weten. Maar waarom?
Praat je met niemand? Ik bedoel: helemaal niemand?”
Antwoord: (regelrecht) “Ja……ja, dat is van mij. Dat boek is van mij. Mijn man weet het ook niet. Mijn man leest het pas als het helemaal klaar is.”
“Heeft hij kritiek?”
“Ja, en als ik het gevoel heb dat hij gelijk heeft, dat ik het ergens met hem eens ben, dan verander ik het wel. Maar het is van mij – bijna fel nu – het is m ij n boek. Ik kan er pas over praten, met wie dan ook, als het af is.
Mijn man heeft er grote belangstelling voor. Hij heeft eerst geschiedenis gestudeerd voor hij jurist werd. Je kan er altijd moeilijk over praten als je ermee bezig bent. Ik ben op atelier van Co Westerik geweest. Ik zag toen dat hij met een aantal doeken bezig was. Soms met hetzelfde motief. Dat is bij beeldende kunstenaars zo interessant. Je kan het zien. Hij probeert hier iets uit en daar iets uit. Dan komt hij tenslotte met wat voor hem essentieel is. En dat is dan zijn thema. Beeldende kunstenaars zijn zo in staat tot directheid. Bij ons staat het allemaal maar op papiertjes.”
We praten weer over haar dochters. Ze zegt dat beiden in Nederlands hoge cijfers hebben. De een kan goed samenvatten, de ander heeft de mogelijkheid zich in taal uit te drukken.
“Ze zeggen altijd: schrijven, nee dat nooit. Maar ik geloof wel dat ze er in hun hart veel waardering voor hebben. Een moeder die iets doet, iets werkt, geeft een kind altijd een zekere gène. Ze reageren, ze geven tegenvuur.
Mijn dochters zijn uitgesproken vrouwelijke meisjes en ik vind dat erg leuk. Ze zijn vol reactie tegen mij. Ze weten zich leuk te kleden, elegant.”
“Dat merkte ik aan die kousen.”
Lach: “Ja, ze vond dat die niet bij haar pasten, op dat ogenblik. Ze zijn in reactie, want ik ben wat slordig. Ik had een heel vrouwelijke moeder. Daarom was ik dus weer in reactie. Slordig.”
We praten over haar vader. Hij was een man die zijn leven lang veel heeft gelezen – “koffers vol detectives sleepte hij mee” – en ook weleens wat schreef. Toen hij met pensioen ging, zette hij zich definitief aan het schrijven onder de naam Van Eemlandt.
Hij schreef 13 detectives.
“Hij schreef met grote toewijding,” zegt ze, “het eerste boek schreef hij wel zes of zeven keer opnieuw. Ik ben dol op detectives, ik pak ze als ik ze krijgen kan.”
We beginnen te praten over Griekenland, waar haar “De Ingewijden” grotendeels speelt.
“We zijn er in 1955 geweest, in 1957 kwam het boek uit. Geweldig! Je hebt het gevoel alsof je verliefd bent. Het is ook iets in de lucht, de houtskool, het overrijpe fruit naast je in de manden of emmers. Het had iets van Indië, vond ik. Modern Griekenland…,
Oost en West tegelijk. De mensen daar zijn niet half; ze zijn zó héél. Ik was met zoiets als “De Ingewijden” al bezig. het boek is alleen maar Griekenland geworden. De mensen zijn tijdelijk overgeplant.”
“Maar die mensen zijn zichzelf niet.”
Glimlach. “Wie is dat daar wel?”
We praten – hoe kan jet anders als twee Nederlanders praten – over het Huwelijk van de kroonprinses. In 1956 heeft Hella Haasse, toen Beatrix 18 jaar werd, in een boek Beatrix-18-jaar een stuk geschreven ontstaan uit een aantal gesprekken met het toen 17-jarige meisje.
Het is het enige authentieke ongecensureerde stuk geweest, eenvoudig omdat er met deze vrouw niet te marchanderen valt. En omdat deze vrouw nooit over een grens zal gaan, waar het begrippen als menselijk als fatsoen betreft. Ze zegt:
“Ze hadden moeten trouwen zoals vorstenhuizen dat een eeuw geleden deden. De dominee werd ten paleize ontboden. de plechtigheid was privé. Daarmee zouden ze een hoop sympathie gewonnen hebben. De wijze waarop het nu moest gaan, vond ik vreemd.
Daartegenover vind ik wel dat ik me tegen de rellerigheid moet verklaren waarmee sommige menen deze zaak te moeten behandelen.
Als je daarin wilt meedoen, moet je je scharen bij partijen die een republiek wensen voor te bereiden. Dat is democratie.”

EEN SOORT BOEGBEELD

We naderen het einddoel. De trein dendert over wissels en langs kleinere stations.
Ze vraagt: “In een van deze interviews heeft Annie Schmidt geprotesteerd tegen de image die mensen haar soms zouden opdringen. Wat voor image was dat?”
“De image, dat ze pedagoge zou moeten zijn omdat ze kinderboeken schrijft.”
Hella Haasse: “Ik wil daar wel iets over zeggen. Mensen denken altijd dat een schrijver een soort prediker is. Ze denken: het zijn een soort medicijnmannen.
Je moet een soort voorloper zijn. Je wordt tot een soort boegbeeld gemaakt. Maar je doet niet mee dan er over schrijven. Tegen zulke ideeën moet je je voortdurend teweer stellen.
Je moet je er met hand en tand tegen verzetten, opdat je niet overal voor gebruikt wordt. De schrijver verbeeldt een bepaalde gedachtengang (Argusvlinder: volgens de spellingscontrole moet dit gedachtegang zijn). Maar het kost hem zeker evenveel inspanning het te begrijpen.
De schrijver geeft geen preek, geen voorschrift. De schrijver geeft niet aan hoe het moet.”
“Maar schrijvers hebben soms toch wel een doorbraakfunctie?”
“Ja, ja. Dat kan negatief, soms ook positief zijn. Men realiseert zich te weinig dat die schrijver ook een mens is die zelf reageert op de wereld en die reactie onder woorden brengt.
Het is de indruk van een individu. Dat is het wat prikkelt. Het is de prikkel tot bewustwording van het leven. Het is nooit iets collectiefs. Het heeft niets te maken met de verkondiging van collectieve ideeën.
Clara Malraux heeft het eens gezegd…”
“Eh… eh?”
“Zij is de vrouw van André Malraux. Ze schrijft erg goed, vind ik. Ze heeft eens gezegd: een Roman is een Exercise Spirituelle. Dat is het natuurlijk ook helemaal.”
“Ook voor de lezer. Dank je wel Hella.”

ENDT

Friso Endt – Profiel van een vrouw – Hella Haasse

Volgens mij verscheen in 1966 onderstaand interview van Friso Endt
in de serie ‘Profiel van een vrouw’ met Hella Haasse.
Ik weet de datum niet zeker en ook de krant
of het tijdschrift zijn mij onduidelijk.

Op de website van NRC: ‘Hard-boiled’ voorbeeld voor veel jonge verslaggevers
staat het volgende van de pen van Joost van der Vaart over de journalist:

Journalist Friso Endt, die op 93-jarige leeftijd is overleden, maakte naam met talloze nieuwsverhalen en reportages in Nederlandse en buitenlandse kranten en weekbladen, gedurende een periode van bijna vijftig jaar.

Endt was nieuwsjager in hart en nieren. Hij schreef voor Het Parool en later NRC Handelsblad, voor de Britse kranten News Chronicle, Daily Mirror en Daily Herald en voor de Amerikaanse weekbladen Time/Life en Newsweek. Hij beschikte, mede door zijn nieuwsgaring voor tal van printmedia in de Angelsaksische wereld, over een uitgebreid internationaal bronnennetwerk.

Bekend werd hij met artikelen over het Koninklijk Huis, reportages over de Watersnoodramp van februari 1953, verslaggeving over de moord op de Amerikaanse president Kennedy, portretten van nieuwsmakers (onder anderen Johan Cruijff voor Time) en verhalen over de zakenwereld. Na zijn vroegtijdige pensionering midden jaren tachtig begon hij een eigen publicatie in drukvorm: Friso Endt’s Business Report, een nieuwsblad speciaal gericht op de top van bedrijfsleven, politiek en overheid.

Grote kans dat het artikel uit het Parool of de NRC is.

WP_20180618_20_05_04_ProEerstePaginaVanHetArtikel

Dit is de staat van het artikel zoals ik het ooit samen met een stapeltje krantenknipsels over en boeken van Hella S. Haasse ontving.


FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse01Bewerkt
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse02
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse03
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse04
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse05
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse06
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse07
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse08
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse09
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse10
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse11
FrisoEndtProfielVanEenVrouwHellaHaasse12

De datering van het artikel:

Ik denk dat het artikel uit 1966 is.
Waarom?

In de tekst staat:
“Ze heeft in totaal 11 boeken geschreven.
Daarvan zijn er drie historische romans.”

Volgens de opgave van Querido zijn de eerste 11 boeken van Hella S. Haasse:
Oeroeg (1948)
Het woud der verwachting (1949)
De verborgen bron (1950)
De scharlaken stad (1952)
De ingewijden (1957)
Cider voor arme mensen (1960)
De meermin (1962)
Een nieuwer testament (1966)
De tuinen van Bomarzo (1968)
Huurders en onderhuurders (1971)
De Meester van de Neerdaling (1973)

De Meester van de Neerdaling, nummer 11 kwam dus uit in 1973.
Dan zou het interview dus van 1973 of later moeten zijn.
Maar even later in de tekst staat:
Dat is ook het geval geweest met het laatste boek “Nieuw Testament”.
Maar “Een Nieuwer Testament” is uit 1966.

Nog meer informatie:
Dorian Cumps schrijft in haar essay ‘De bedrieglijke wegen der verbeelding’
in ‘Een doolhof van relaties’ op pagina 46:
In zijn definitieve versie hoort De Meester van de Neerdaling thuis
in een rijpe periode uit Haasses oeuvre:
het boek, haar elfde roman, verscheen in het verlengde
van het cultuurhistorische essay
De tuinen van Bomarzo (1968)
en de satirische roman
Huurders en onderhuurders (1971).

Dan wat mij betreft de ‘verlossing’
In dit interview bespreken Hella Haasse en Friso Endt het huwelijk van Beatrix
als een actualiteit.
Wikipedia:
‘Op 10 maart 1966 werd het burgerlijke huwelijk in het stadhuis van Amsterdam voltrokken’

Mijn conclusie is dat het artikel in 1966 is geschreven.

Wat inspireert?

Een van de artikelen die ik heb over Hella Haasse, is een interview
van Friso Endt met als titel ‘Profiel van een vrouw’.
Ik ken de verschijningsdatum niet en ook de krant of het tijdschrift
waarin het verscheen is me niet bekend.

Er staat een heel interessant stuk in over wat het is
dat je inspireert bij het bedenken en maken van iets.
Bij Hella Hasse is dat het bedenken van een verhaal /
realiseren van een boek.

Zo’n gebeurtenis heeft soms enkele verdiepingen.
Behalve in de directe rechtstreekse informatie is er een niet- rechtstreekse symbolische informatie.
De vorm groeit naarmate die symbolische lading sterker is.
Ineens herken je dat.
Je bent getroffen door een gebeurtenis.
Maar ik geloof dat je eigenlijk juist door die symbolische lading getroffen wordt.
Die extra verdieping groeit mee terwijl je denkt dat je met de directe rechtstreekse informatie bezig bent.

WP_20180618_20_05_04_ProEerstePaginaVanHetArtikel

Dit is het eerste blad van het artikel waar bovenstaand citaat uit komt.


Hella S. Haasse: recensie van De Scharlaken Stad

NieuweRomanEnOudeReportagesKrantOnbekendSchrijverOnbekendBoekDeScharlakenStad1952

Vermoedelijk is deze recensie verschenen bij het verschijnen van het boek in 1952. De zinsbouw en het woordgebruik die wijzen wel in die richting. Wie de schrijver is weet ik niet en ik weet ook niet wanneer dit in een krant verschenen is. De recensie gaat over De Scharlaken Stad van Hella S. Haasse.


De titel is bijzonder:
Nieuwe roman en oude reportages.

Toevallig was dit boek een van de boeken die bij de aankoop
betrokken was. Dus ik heb ook de roman.
Ik heb hem nog niet gelezen maar heb al wel ontdekt
dat er nog twee verrassingen in het boek zaten:
de waarschijnlijke naam van de vorige eigenaar en
een krantenknipsel over Machiavelli.
Daar over meer als ik het boek gelezen heb.

HellaSHaasseDeScharlakenStad1952Stofomslag

Het boek ‘De Scharlaken Stad’ in de stofomslag.


HellaSHaasseDeScharlakenStad1952Linnenomslag

Zo ziet het boek er uit zonder stofomslag. De linnen band.


WP_20180611_20_59_54_ProHellaSHaasseDeScharlakenStadZonderStofomslagMetRug

Dezelfde band maar nu zie je ook de rug.


Op de stofomslag staan op de voor- en achterflap
wervende reclameteksten.
Die laat ik je hier ook nog even zien:

HellaSHaasseDeScharlakenStad1952BinnenkantStofomslagDeScharlakenStad

Dit is de introductie op De Scharlaken Stad.


HellaSHaasseDeScharlakenStad1952BinnenkantStofomslagHetWoudDerVerwachting

Voor degene die meer wil stond op de achterflap een tekst over ‘Het Woud der Verwachting’


De recensie was trouwens niet mis:
= de eerste 40 pagina’s te veel feiten, al die historische
gegevens zijn volgens de recensist niet ‘roman’-makend;
= later weet ze op een geheimzinnige manier de geestdrift
van haar “vosserij” (?) voelbaar te maken.
Je zou denken dat de recensist Belgisch is.

Mijn nieuwsgierigheid is gewekt.

De tekst van de recensie is:

NIEUWE ROMAN en oude reportages

De nieuwste roman van Hella S. Haasse (Querido – A’dam, f 8,90) “De scharlaken Stad” is een allesbehalve aantrekkelijk boek.
Men zou geneigd zijn te beweren, dat van niemand behalve de bespreker, die de plicht heeft àlles te lezen alvorens iets te zeggen, geëist kan worden zich door de eerste 40 bladzijden van dit boek heen te worstelen.
Daar aangekomen heeft hij juist een verhandeling over Michel Angelo achter de rug die romantechnisch volkomen afunctioneel is.
Ook in het verdere verloop staat deze historische roman over Cesare Borgia-of-niet-Borgia vol met allerlei historische mededelingen en overpeinzingen, die wellicht voor velen interessant maar voor niemand “romanmakend” zijn.
Hella Haasse vertelt teveel en suggereert te weinig.
Zij is als de dood dat iemand zou veronderstellen dar ze er maar op los fantaseert of dat een of ander weinig begaafd lezer het niet zou snappen.
Gelukkig heeft deze hebbelijkheid – in voldoende sterke mate aanwezig om een hele serie romans te doen mislukken – een tegenwicht.
Vooreerst heeft de schrijfster een behoorlijk en vrij veelzijdig inzicht in het verschijnsel mens en de manieren waarop dit verschijnsel zich kan manifesteren.
Waardoor haar personen zich langzamerhand uit de historie-brij losmaken en een eigen gezicht krijgen.
Vervolgens – en dit is de reden waarom men toch eindigt met de roman boeiend te vinden – zij weet op een of andere geheimzinnige manier de geestdrift, die ten grondslag is van haar “vosserij”, voelbaar te maken.
We komen al lezende onder de indruk van deze hartstocht voor het verleden, gaan haar delen en zijn tenslotte genegen door iedere rijstebrijberg heen te eten.
Hella Haasse kan een eersterangs schrijfster van historische romans worden als ze wat minder “vosserig”, wat intuïtiever schrijft – zij wordt volstrekt uniek wanneer zij er in slagen zal haar hartstocht voor de historie over haar stof te doen zegevieren.

Hella S. Haasse – Krantenknipsels

Een tijd terug kocht ik een serie boeken, grote en kleinere,
van Hella S. Haasse. Tweede hands.
Toen ik de boeken ontving zat er tot mijn verrassing
een hele map met krantenknipsels bij, die de persoon
van wie de boeken waren, had verzameld.
Een heel leuk pakket waar ik nog veel uren aan ga besteden.

GeenTweeuurtjesOverKrantOnbekendSchrijverPieterSteinzDec2002-Begin2003BoekOeroeg

Helaas staat op de artikelen niet uit welke publicatie ze komen. In ieder geval niet op de knipsels die ik bekeken heb. Ook de schrijver is niet altijd duidelijk. Hier wel. Een deel van de titel is weggevallen. Waarschijnlijk heette het artikel ‘Boek eindelijk gelezen’, geschreven door Pieter Steinz.


Op de achterkant van het artikel wordt een ander boek besproken:
U Zult Versteld Staan Van Onze Beweeglijkheid van Dave Eggers.
De bespreking van Steinz zal dus wel uit een boekenbijlage komen.
het boek van Eggers verscheen in december 2002.
Grote kans dat het artikel dus uit het NRC Handelsblad is, Steinz werkte daar,
en dat het in december 2002 of begin 2003 verscheen.

Wikipedia:

Vanaf november 1989 werkte Steinz bij NRC Handelsblad, aanvankelijk als redacteur bij de Donderdag Agenda en het Cultureel Supplement, daarna als filmredacteur, literatuurredacteur en chef van de bijlage Boeken (2006-2012). Hij schreef interviews, beschouwingen en recensies over met name Amerikaanse en Nederlandse literatuur.

Op de site van Querido staan de volgende boektitels van Hella S. Haasse.
Dat is voor mijn een overzicht waarmee ik me kan oriënteren:

Oeroeg (1948, Verzameld werk 2006)
Het woud der verwachting (1949, VW 2012)
De verborgen bron (1950, VW 2012)
De scharlaken stad (1952, VW 2006)
De ingewijden (1957, VW 2007)
Cider voor arme mensen (1960, VW 2007)
De meermin (1962, VW 2012)
Een nieuwer testament (1966, VW 2008)
De tuinen van Bomarzo (1968, VW 2007)
Huurders en onderhuurders (1971, VW 2010)
De Meester van de Neerdaling (1973, VW 2006)
Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven (1976, VW 2008)
Mevrouw Bentinck. Onverenigbaarheid van karakter & De groten der aarde (1978/1996, VW 2007)
Ogenblikken in Valois (1982, VW 2018)
De wegen der verbeelding (1983, VW 2009)
Berichten van het Blauwe Huis (1986, VW 2012)
Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern. Kroniek van een leven (1989, VW 2012)
Heren van de thee (1992, VW 2008)
Transit (1994, VW 2012)
Zwanen schieten (autobiofictie, 1997, VW 2008)
Fenrir (2000, VW 2007)
Sleuteloog (2002, VW 2011)
Het dieptelood van de herinnering (1954/1993, VW 2003), bestaande uit: Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1970), Een handvol achtergrond, ‘Parang sawat’ (1993)
Oeroeg – een begin (facsimile-editie t.g.v. de Prijs der Nederlandse Letteren, 2004)
Het tuinhuis (verhalen, VW 2006)
Sterrenjacht (feuilleton, 2007)
Toen ik schoolging (novelle, 2007)
Uitzicht (essays, portretten en beschouwingen, VW 2008)
Inkijk (reflecties van een lezer, VW 2011)
Kleren maken de vrouw (2013)
Portret van prinses Beatrix (1955, 2013)

VW= Verzameld Werk.

GeenTweeuurtjesOverKrantOnbekendSchrijverPieterSteinzDec2002-Begin2003BoekOeroegBeetjeOpgeschoond

Soms zijn de krantenartikelen nog wel wat digitaal op te schonen.


de Gezellen van het woord

Het boek dat ik net gelezen heb is:
Hella S. Haasse
De wegen der verbeelding

Een verhaal dat vrij onschuldig begint:
een man en vrouw ontmoeten elkaar,
krijgen eerder dan verwacht kinderen
waardoor hun rollen veranderen en ook
hun relatie tot elkaar.
Omstandigheden stellen hun in staat
op vakantie te gaan in Frankrijk.
Uiteindelijk blijken er parallellen
te lopen tussen hun leven en de literaire
ontmoetingen daarin aan de ene kant en
de Griekse mythologie.

Zij lazen ook veel, hun wereld bestond uit bedrukt papier, uit geschreven en gesproken meningen, beschouwingen, overwegingen.
In de literatuur van hun voorkeur speurden zijn naar het tegendeel van fictie.
‘Poëzie is de meest integere vorm van informatie,’ zie Klaas, die vond dat er niets ging boven hermetisch verborgen waarheid.
Maja geloofde dat ook op een minder verheven peil een weergave van werkelijkheid mogelijk was die het predicaat ‘waarachtig’ verdiende.
Zij hadden voor het paar dat zij samen vormden een naam bedacht: de Gezellen van het woord.
Klaas hoopte ooit een tijdschrift op te richten dat zo zou heten.

Pagina 16.

Dan maak ik een hele sprong in het boek.
Jullie moeten een reden houden om het boek zelf te gaan leven.
Klaas doet een literaire ontdekking.

In de eerste fasen overheersen associaties met kalme kleurharmonieën, blauw, groen, violet, en met aan wind en water verwante vloeiende bewegingen, later is alles rood, zwart. vurig: gloeiende lava, vuur onder as, smeulend gesteente, orkaan en cycloon, vloedgolf, een kosmisch geweld, dat echter in het morgenlicht na het ontwaken slechts verbeelding blijkt te zijn, evenals de transparante klaarte en koelte van het begin.

Pagina 82 – 83.

Dan lijkt het er op dat Haasse ons aanwijzingen geeft
hoe haar boek gelezen moet worden.
Of verbeeld ik me nu te veel?

Aantal en lengte van de versregels zijn uitermate gevarieerd, alle denkbare mogelijkheden van rijmschikking en strofebouw komen aan bod, en het resultaat is toverachtig caleidoscopisch.
De lezer ontdekt steeds nieuwe verbanden, zowel waar het de betekenis als de klankkleur en de visuele suggestie van de woorden betreft.
Ik wil gedicht na gedicht, strofe na strofe, aandachtig – letterlijk op de versvoet – volgen, trachten de ongehoorde rijkdom van deze poezie zoal niet bloot te leggen (ik durf niet te beweren dat ik die in heel haar gelaagdheid doorzie), dan toch te signaleren…’

HellaSHaasseDeWegenDerVerbeeldingRainbowPocket2010

Hella S. Haasse, De wegen der verbeelding.


Pagina 82.

Misschien wil ik er te veel in lezen, maar de tekst vind ik gewoon mooi.
Ook Maja komt met bijzondere verhalen in contact.

De herinnering aan die gewaarwordingen gaf nu kleur aan haar versie van Joops verhaal.
De eenzaamheid van de nachtelijke rit, met die twee passagiers, die zij zich gaandeweg was gaan voorstellen als een soort van grote insecten, wandelende takken, beklemde haar terwijl ze schreef.
Zij dacht te voelen wat Hoop volgens zijn zeggen gevoeld had: een zuigkracht vanuit de duisternis, een krankzinnige aandrang om zich tegen de bomen te platter te rijden.
‘Verbeelde hij het maar, of dreigde hij werkelijk de macht over het stuur te verliezen?

Pagina 89.

Een soort ‘Stille kracht’.
Op pagina 95 wordt het zo letterlijk genoemd:

Zij is er als een stille kracht, die rondwaart door huis en tuin, als iets dat in wezen vijandig is aan wat de dichter bezielt, iets dat hij tracht te bezweren, onschadelijk te maken, door de omgeving waarin zij dagelijks bezig is, de voorwerpen die zij hanteert, op zijn manier onder woorden te brengen , een andere functie te geven dan die welke haar aangaat.
Haar louter materiële wereld wordt zo zijn geestelijk voertuig.
Lege eierdoppen, aardappelschillen in de gootsteen, een weerbarstige plant in de serre, die dood wil gaan ondanks nooit aflatende aandacht (van haar kant), het spiegelbeeld van de kamer in de met bijenwas glanzend gewreven kastdeuren, een in haast gelezen, slordig “ontbladerde” en neergeworpen krant, stuk voor stuk tekens van een gekweld bestaan, dat moeizaam naar wedergeboorte, verlossing, toe groeit…’

Intussen verschijnt de ‘verbeelding’ op verschillende manieren in het boek.

In gedachten speelde zij een geliefkoosd spel: zij moest een huis inrichten, een ander, ruimer, huis dan haar landarbeiderwoninkje, en kon zich uit een welvoorziene spaarpot aanschaffen wat zij mooi vond.
Om de zitkamer van haar verbeelding, reeds ingericht met een blauw fluwelen sofa, empirestoelen, een wortelnoten commode met koperbeslag, te vervolmaken zocht zij naar passende wandversiering.
In een zaak ontdekte zij tussen gravures en aquarellen een paar iconen, in hun dofgouden Byzantijnse pracht als verdwaald te midden van victoriana.

Pagina 98.

Of zoals in het volgende manuscript:

De eerste “Morgenliederen voor Eva” heb ik in die jaren geschreven.
Het was mijn voorstelling, mijn verbeelding van de liefde tussen man en vrouw.

Pagina 137.

Of in het derde gedicht:

Soms voelde ik mezelf als een van de twee, nu eens de een, dan weer de ander.
Dan zag ik mijzelf zoals zij mij zagen.
Vaak leek het alsof ik meer was dan de som van ons drieën.
Dat zijn raadsels die niemand kan oplossen.
Ik geloof niet dat u de poezie kunt verklaren uit het leven van B. Mork.
Misschien zijn die verbeeldingen het eigenlijke leven geweest.

Pagina 138.

Dan volgt voor mij op pagina 139 tot 141 de sleutelpassage.
In dat stuk komt heel veel bij elkaar.
Daarom neem ik dat stuk tekst niet in zijn geheel op.

WP_20180517_19_49_13_ProHellaSHaasseDeWegenDerVerbeeldingPagina140-141

Hella S. Haasse, De wegen der verbeelding: pagina 140 – 141.


De volgende tekst van Wikipedia helpt misschien wel
om dit deel beter te begrijpen:

Aristaios is een figuur uit de Griekse mythologie.
Aristaios is een satyr en zoon van Apollo en de nimf Kyrene.

Zijn bekendste optreden is wellicht in de mythe van Orpheus, waarin hij de mooiste waternimf Eurydice belaagt en opjaagt, met als gevolg dat ze in haar vlucht op een slang trapt die haar een dodelijke beet toebrengt.
Hierop nemen de andere nimfen wraak.
Ze straffen Aristaios, die imker was, door al zijn bijen te doden.
Aristaios kon niet verklaren waarom zijn bijen plots stierven, en zijn moeder stelde voor bij Proteus te rade te gaan.
Hier komt Aristaios te weten dat het een straf is voor zijn poging tot aanranding van de nimf Eurydice.
Als boete zal hij vier koeien, vier stieren, een kalf en bloemen moeten offeren aan de goden.
Negen dagen na het offer groeiden uit de kadavers van die runderen nieuwe bijenzwermen.

Een mooie bespreking van het boek vond ik hier.
Deze bespreking geeft wel veel details weg.
Ik ben blij dat ik hem achteraf gelezen heb.

Soms kan Hella S. Hasse ook venijnig schrijven:

Het was alsof hij op een ijsschots dreef in die kamer met gebloemd behang, gebloemde gordijnen, gebloemde tapijtjes, vazen en andere ornamenten van gebloemd aardewerk, platen van bloemen aan de muur.
Echte bloemen stonden er niet.

Pagina 142.

Het einde van het boek is mooi.
Typisch Haasse:

In de groenblauwe hemel werd de sikkel van de wassende maan zichtbaar.
Op de snelweg, parallel aan de spoorbaan, had het verkeer de koplampen ontstoken.
Boven de personenauto’s, die als lage, gestroomlijnde, stalzoekende dieren langszoefden, torenden kalmer, maar onweerhoudbaar opstomend, de zware trucks-met-oplegger, gekroond, behangen met witte lichten voor en rode lampjes en reflectoren aan zij- en achterkant.
Die in de schemering grauwe gevaarten maakten niet de indruk huiswaarts te keren: vol bedwongen kracht bewogen zij zich voort, de ondergegane zon achterna, of – in groteren getale, zo leek het – naar het oosten, de nacht.

Pagina 149.

In het boek vond ik achterin de volgende titel over Haasse:

Lisa Kuitert & Mirjam Rotenstreich (red.),
Een doolhof van relaties (Oerboek, 2002).
Dat heb ik deze week gekocht en bespreek ik misschien binnenkort hier.

Vrijmarkt = boeken

Voor mij is dat in ieder geval zo.
Ieder jaar ga ik op de vrijmarkt op zoek naar boeken.
Boeken zijn er over het algemeen voldoende te koop.

Voor het tweede jaar op rij kon ik een boek kopen van Hella S. Haasse.

HellaSHaasseDeWegenDerVerbeeldingRainbowPocket2010

De 6,95 was de prijs voor het nieuwe exemplaar in 2010 in de winkel. Ik heb natuurlijk minder betaald voor Hella S. Haasse ‘De wegen der verbeelding’. Een Rainbow Pocket. Ik noem het hier als eerste maar het was het laatste boek dat ik kocht. ‘Heren van de thee’ had de verkoper ook maar dat boek heb ik al.


HetJaarInWoordEnBeeldWinklerPrinsJaarboek1973EenEncyclopischVerslagVanHetJaar1972Elsevier

Dit is het tweede boek dat ik kocht: ‘Het jaar in woord en beeld’. ‘Winkler Prins jaarboek 1973’. Logisch natuurlijk dat het boek over 1972 gaat: ‘Een encyclopedisch verslag van het jaar 1972’ uitgegeven door Elsevier. Gewoon leuk om eens door te bladeren. Dat vond ik bij een deel van een encyclopedie ook altijd al.


RolfDockerMariusLemniscaat1991-2eDruk

Voor kenners is het gelijk duidelijk waarom ik dit kocht: Rolf Döcker, Marius. Een uitgave van Lemniscaat uit 1991. De 2e druk.


WP_20180427_15_12_07_ProRolfDockerMariusAfgeschrevenOpenbareBibliotheekDussenHank

Toen ik het open deed zag ik meteen dat het een afgeschreven exemplaar van de Openbare Bibliotheek Dussen/Hank is. De jonge verkoper gaf aan dat het boek maar een keer gelezen was maar hij vertelde me maar wat.


WP_20180427_15_12_26_ProRolfDockerMariusSchijnbaarToevalligeWoordenZijnGemarkeerd

Schijnbaar willekeurig zijn er op de eerste vier pagina’s, met even zoveel kleuren, woorden gemarkeerd. Soms dezelfde woorden. Onduidelijk voor me waarom nou net die woorden: ontbijt, hutje, visser, maar, wandeling, hemel, oost, west, …..


WP_20180427_15_21_06_ProMetSchoonmaakazijnEnSpiritusSchoongemaakt

Met schoonmaakazijn en spiritus heb ik de band een stuk schoner kunnen maken. Ik heb een plannetje met het boek maar dat wordt misschien de komende tijd duidelijk.


Gargouilles – het woord kwam vaag bekend voor, nu de uitleg

WP_20180404_12_19_54_ProHellaSHaasseOgenblikkenInValois

Hella S. Haasse, Ogenblikken in Valois.


Dit jaar kwam er naast de herinneringen van Yvonne Keuls aan
Hella S. Haasse en herdruk uit van een boek van Hella S. Haasse.

Het boek ‘Ogenblikken in Valois’ wordt bijna aangekondigd in ‘Zoals ik jou ken, ken je mij’:

‘Ja, ja goed,’ zei Jan, ‘maar het zit erin dat ik de Haagse rechtbank ga verlaten, vervroegd dus, omdat ik me niet verenigen kan met… met wat ik dus niet mag vertellen.’
Codetaal.
‘Ja, en daardoor komt iets anders voor ons dichterbij,’ zei Hella. ‘De streek boven Parijs, de Valois, dat gebied tussen de rivieren Oise, Aisne en Ourcq… We reizen er altijd doorheen als we naar het zuiden gaan, en we hebben er ons hart aan verpand.’ Het woud der verwachting speelt zich in die streek af, legde ze uit, de Franse koningen bezaten er uitgestrekte domeinen. Daar waren de bossen van Compiegne, waar de edelen gingen jagen, Charles van Orléans trad in het huwelijk in Compiegne in 1406.

Yvonne Keuls, Zoals ik jou ken, ken je mij, pagina 166.

Eerder verwees ik al eens naar de recensie in de Volkskrant.
Bo van Houwelingen schreef die op 2 maart 2018 en zat er voor mij flink naast.

Lukraak slingeren we via nodeloos lange en complexe zinnen van de Keltische tijd naar de middeleeuwen,
van de Gallo-Romeinse tijd naar de Eerste Wereldoorlog,
van adellieden naar koningen,
van riviertje zus naar vallei zo,
van ruïne hier naar uitkijktoren daar,
ondertussen bedolven rakend onder een stortvloed van historische weetjes die je direct weer vergeet.

Het is verleidelijk om beide boeken in een recensie op te nemen.
De boeken zijn ongeveer tegelijkertijd uitgekomen, ter gelegenheid van
de 100ste geboortedag van de schrijfster (2 februari 1918)
die een van de boeken zelf schreef en van het andere boek het onderwerp is.

Maar het zijn wel twee verschillende boeken, elk met zijn eigen doel.
Niet twee boeken over Hella S. Haasse. Althans niet in de zin van een biografie.

Daar waar het boek van Yvonne Keuls (zoals ik jou ken, ken je mij) gaat
over de gezamenlijke avonturen van Haasse/Keuls en dus een kijkje geeft
op de persoon Hella S. Haasse, is Ogenblikken in Valois dat helemaal niet.
Het gaat over het beeld dat Valois bij Hella S. Haasse heeft opgeroepen.
Dat dit een beeld is waarin de historie een belangrijke rol speelt,
mag niet verrassen.

ik heb een paar stukjes uit het boek overgenomen.
Oordeel zelf.

Pagina 75 – 76: Mooi en belezen.

Feeën zijn bij uitstek Keltische toverwezens.
Van feeënbronnen, feeënrotsen, feeënweiden en -wouden wemelt het in de Franse folklore.
Ze heten altijd ‘Dames’, goede vrouwen, witte vrouwen of groende vrouwen.
Ze horen bij beken en meren, bij grote stenen, zij wonen in bomen in de wouden, bij voorkeur in beuken.
Niemand ziet hen ooit meer.
Er zijn alleen lange lage nevels, dunne mistslierten boven het water of tussen de stammen van het bos;
de boomstronken die de boeren hier en daar laten staan in hun akkers of aan de rand van een plek kreupelhout
lijken vaak op grillige gestalten met bezwerend geheven armen, als het ware in een danspas verstard.

Het is duidelijk dat hier iemand aan het werk is die zowel
een boodschap wil overbrengen als mooie Nederlandse taal schrijft.
Om zo’n stukje te schrijven moet je allereerst veel lezen.
anders kun je moeilijk beweringen doen over Franse folklore.
Daarnaast is het gewoon hard werk om de zinnen te maken zoals
je hier kunt lezen.

Haasse zegt het zelf als volgt in Zoals ik jou ken, ken je mij:

Hella reageerde afwijzend op Solzjenitsyns woorden en het feit dat Jan daarmee instemde. ‘Als je schrijft gaat het in de eerste plaats om je woordkeuze, om verbeelding, stijl, poëzie, fantasie, ritme, de emotie die je kunt overbrengen. Je onderwerp is daaraan ondergeschikt,’ zei ze.’ Als je als schrijver toevallig ook nog signaleert is dat meegenomen.’

Of ik het met haar eens ben is niet zo belangrijk.
Het is wel haar visie op schrijven.

Pagina 100: één lange zin.

De fraai gelegen schietbaan in Valois is in het oudste hooggelegen stadsdeel van La Ferté-Milon,
op de top van de heuvel, vlak onder de enige nog overeind staande, massieve, met boompjes en struiken begroeide, door duiven omfladderde frontale muur van de burcht
(omstreeks 1400 op last van Louis d’Orléans gebouwd),
die Henri IV liet ontmantelen,
omdat hij dat geducht sterke kasteel
– als het ooit in handen van zijn tegenstanders zou vallen –
een bedreiging achtte voor zijn koningschap.

Ook de lezer zal moeten werken bij Haasse.
Hierin lijkt Haasse totaal anders dan Yvonne Keuls die in korte zinnen schrijft
die minder werkt lijken te vragen.

Pagina 140: gargouilles – het woord kwam vaag bekend voor, nu de uitleg.

…..tot de klauwen van de waterspuwers, de gargouilles.
Het woord ‘gargouilles’ komt voor het eerst voor in een manuscript uit de veertiende eeuw.
Het was de naam van een bloeddorstige gevleugelde draak die, volgens de legende,
in een woud aan de oevers van de Seine huisde.
Omstreeks het jaar 700 zou het monster onschadelijk gemaakt zijn door de bisschop van Rouen, die zich,
bij gebrek aan andere vrijwilligers, op deze expeditie liet vergezellen door twee uit de kerker gerekruteerde misdadigers, een dief en een moordenaar.
Alleen de laatste had de moed de gargouille te lijf te gaan.
Oorsprong van dit verhaal is, meent men, het historische feit van het terugdringen van de buiten haar oevers getreden kronkelige ‘slang’ Seine,
en het droogleggen van het land rondom Rouen, dat bij iedere hoge waterstand tot een onafzienbaar moeras werd.

Pagina 173: Prachtig.

Eens, op een vroege ochtend in de herfst, zag ik bij Chantilly, tegen de achtergrond van het woud, uit de nevel een ruiter en zijn ros opdoemen:
het mooiste paard van de wereld, een schimmel met wuivende staart en manen, die op ranke benen met edel genegen hoofd licht dansend naderbij kwam door het lange gras.’

Als je zoals de schrijver van de recensie in de Volkskrant
meer van Haasse wilt te weten komen, dan kan dat wel in Ogenblikken in Valois.
De inleiding op bovenstaande tekst van Aleid Truijens
is volgens mij correct en geeft dat inzicht:

Voor Haasse is dat rijke verleden hier voelbaar,
het is de motor voor haar verbeelding.
Met gemak verplaatst ze zich naar vroeger tijden.

WP_20180404_12_21_45_ProHellaSHaasseOgenblikkenInValois

Het boek ligt wat ver weg op de foto. Dat is ook een beetje het perspectief dat Haasse geeft in het boek van Valois. Van heel dichtbij tot ver in het verleden.


Gelezen. Yvonne Keuls; Zoals ik jou ken, ken je mij

Natuurlijk kende ik Yvonne Keuls van naam.
Ook ‘Jan Rap en zijn maat’ is een boektitel die ik ken.
Maar gelezen, nee ik had nog nooit iets van haar gelezen.
Ik wist dus ook niet dat ze een koloniaal, Indonesische achtergrond heeft.
Dat ze Hella S. Haasse kende was me helemaal onbekend.

Ter gelegenheid van de 100ste geboortedag van Hella S. Haasse
zijn er twee boeken verschenen:
Yvonne Keuls; Zoals ik jou ken, ken je mij
Hella S. Haasse; Ogenblikken in Valois.
Beide boeken ben ik aan het lezen.
Het een lees ik thuis, het andere in de trein.

WP_20180321_09_26_48_ProYvonneKeulsZoalsIkJouKenKenJijMij

Yvonne Keuls, Zoals ik jou ken, ken je mij.


Het is fantastisch dat Yvonne Keuls dit boek heeft geschreven.
Het zijn haar herinneringen van de ontmoetingen en gesprekken
met Hella S. Haasse. Eerst vanuit het perpectief van een fan.
Later als een vriendin of zelfs nog meer:

Dat ‘zustergevoel’ werd versterkt gedurende het jaar dat ik in het opvanghuis werkte. Hella herinnerde me er later aan dat ik in die periode tegen haar gezegd heb: ‘Greetje is mijn enige echte, verloren zuster. Maar jij, Hella, jij bent bijna onmerkbaar voor haar in de plaats gekomen.’

Yvonne Keuls, ‘Zoals ik jou ken, ken je mij’, pagina 125.

Het beeld dat de meeste mensen van Hella S. Haasse hebben,
(ik heb zo’n beeld in ieder geval, van een rustige,
wat teruggetrokken, ambachtelijke schrijfster)
verbind je niet gauw met drugs, kindermishandeling,
kraakpanden, kindermisbruik, criminaliteit of theatervernieuwing.
Maar door Yvonne Keuls kun je nu die relaties wel leggen.

De man van Hella S. Haasse, Jan van Lelyveld, was een rechter die
vervroegd met pensioen zou gaan vanwege het feit dat er op de
rechtbank Den Haag dingen gebeurde die hij niet met zijn gevoel
van recht kon verenigen.
Daar waar Jan geruchten hoorde over collega-rechters. sprak
Yvonne Keuls met jongeren die misbruikt werden:

Bij justitie sloeg de paniek toe. Men begon daar meteen te ontkennen toen de kranten om een reactie vroegen. Woordvoerder mr. J.J.H. Suyver, voormalig officier van justitie in Den Haag, verklaarde niets te weten over een pedofiele kinderrechter. ‘Of het zou de pedofiele kinderrechter uit de zaak-Koos H. moeten zijn.’ Aha, er zijn er dus twee, dacht ik, en ik maakte meteen een aantekening. Mr. Suyver werd teruggefloten, hij had kennelijk te veel gezegd, en er kwam een andere woordvoerder, officier van justitie mr. De Wit. (Suyver en De Wit, de namen alleen al, twee heren die justitie schoon moesten poetsen.) Mr. De Wit moest de volgende dag toegeven dat er wel degelijk een kinderrechter was die pedofiele contacten onderhield met jonge delinquenten.

Yvonne Keuls, ‘Zoals ik jou ken, ken je mij’, pagina 222-223.

Het boek is erg prettig om te lezen: korte hoofdstukken, vlotte stijl
en een mengsel van avontuur, televisie, mannenwereld-vrouwenwereld,
drama, Indie, familie en haar liefdevolle beschrijving van Hella S. Haasse.

Grappig is ook dat het andere boek (Hella S. Haasse; Ogenblikken in Valois.)
kort genoemd wordt.
Maar daar kom ik nog wel op terug als er een blogje volgt over dat boek.

Er wordt nog een theorie over een boek van Haasse verteld:

Het was het moment -zo in het halfdonker- om Hella’s nieuwe roman De wegen der verbeelding met elkaar te bespreken. ….. Maja, de hoofdpersoon krijgt een lift van vrachtwagenchauffeur Joop, de man ‘met verbeelding’ Hij inspireert haar door haar verhalen te vertellen die zij opschrijft en vervolgens weer doorgeeft aan haar man die schrijver is, en die op zijn beurt weer in een andere vorm opschrijft… Het eeuwig doorgeven van verhalen, zoals ik dat ook kende. Mijn moeder die de verhalen van haar familie, haar volk aan me vertelde, ik die ze opschreef en doorgaf. De een die de ander nodig heeft om het systeem in stand te houden, maar vooral om te gedijen. een symbiose, een soort zwanger zijn van elkaar.

Yvonne Keuls, ‘Zoals ik jou ken, ken je mij’, pagina 206-207.

Dan voor de liefhebbers.
Op pagina 129 wordt geschreven over thee.
Thee en Indonesie, heel belangrijk.
Hella koopt thee voor de moeder van Yvonne Keuls.
Dat doet ze bij een winkel in den Haag en die blijkt nog steeds te bestaan.
Melatithee, Improc op de Denneweg.

WP_20180321_10_06_36_ProYvonneKeulsZoalsIkJouKenKenJijMijHellaSHaasseOgenblikkenInValois

Hella S. Haasse, ‘Ogenblikken in Valois’ en ‘Zoals ik jou ken, ken je mij’ van Yvonne Keuls.


Bredase vlaggenparade

 photo DSC_2106AlWatMeerOranje.jpg

Al wat meer oranje dan gister eind van de middag op het Kasteelplein.


 photo DSC_2107DeMarktOpHetKasteelplein.jpg

De markt op het Kasteelplein.


 photo DSC_2109.jpg


 photo DSC_2110.jpg

De vrijmarkt in het Valkenberg is nog rustig.


 photo DSC_2113KasteelEnBezoekers.jpg

Intussen op het kasteel.


 photo DSC_2116HierMoetHetGebeuren.jpg

Het centrum van de aandacht.


 photo DSC_2117KasteelEnGroteKerk.jpg


 photo DSC_2119MuziekEnCadettenTredenAan.jpg

Een deel van de muziek en de cadetten treden aan.


 photo DSC_2121.jpg


 photo DSC_2123.jpg

Genodigden.


 photo DSC_2124.jpg


 photo DSC_2125DeSprekers.jpg

Gevolgd door de sprekers.


 photo DSC_2128NederlandseVlag.jpg

De Nederlandse Vlag.


 photo DSC_2130BredaseVlag.jpg

De Bredase Vlag.


 photo DSC_2131BredaseVlag.jpg


 photo DSC_2132WatTeDenkenVanHetWeer.jpg

Wat te denken van het weer?


 photo DSC_2133Publiek.jpg


 photo DSC_2140BurgemeesterPaulDepla.jpg

Burgemeester Paul Depla.


 photo DSC_2144.jpg


 photo DSC_2147.jpg

Een cadet werd onwel. Ik kan me niet voorstellen dat het van de zon of de temperatuur was. Met moeite was het 10 graden.


 photo DSC_2148ErwerdErMaarEenOnwel.jpg


Na de toespraken ben ik naar het Valkenberg gegaan.
Even kijken hoe het is op de vrijmarkt.
Ik heb er een boek gekocht.
Ik zag een boek met essays leggen van Hella S. Haasse.
De verkoopster wilde 1 euro.
Maar ik heb niet meer zoveel klein geld bij me.
Het meeste dat je betaalt, betaal je electronisch.
Met veel moeite kreeg ik 80 cent bij elkaar.
Dat was ook goed.

 photo WP_20170427_002HellaSHaasseLezenAchterDeLetters.jpg

Hella S. Haasse, Lezen achter de letters.


Infinit is gereed

 photo DSC_6298Geopend.jpg

Hier ligt mijn boek, opengeslagen, in de zon.


 photo DSC_6299Geopend.jpg

De deksel doet ook dienst als standaard voor de tekst.


 photo DSC_6300Uitgepakt.jpg

In de doos zitten naar Infinit met de tekst nog een voorwerp en een koordje.


 photo DSC_6301MetBok.jpg

Het voorwerp en het koordje vormen samen een soort bok zodat de tekst mooi rechtop blijft staan. Het chassis is de lessenaar.


 photo DSC_6302Infinit.jpg

Zo staat dan het boek en kan het gelezen worden.


De tekst bestaat uit 8 delen maar de delen vormen samen 1 tekst.
Om de leesvolgorde te ondersteunen begint ieder tekstdeel
met het paginanummer.

 photo DSC_6303EenTwee.jpg

Deel een en twee.


Tekst 1:

Een boek, voor mij, is een beschermings-mechanisme voor tekst, die het tegelijkertijd mogelijk maakt om van die tekst kennis te nemen.
B E S C H E R M I N G E N L E Z E N
Dat is nu een probleem met hoe het boekje Infinit wordt gepresenteerd. Infinit/infinite staat voor oneindig. Het is dan ook een presentatievorm van tekst die je ‘oneindig’ kunt omvouwen. Steeds kun je vanuit de binnenkant de volgende teksten openen. Om het lezen aangenaam en begrijpelijk te maken, kun je het boekje Infinit op verschillende manieren benaderen. Daarvoor heb ik een oplossing bedacht.
Dat voor wat betreft het lezen. Maar het element bescherming ontbreekt. Daarom heb ik een plat doosje gemaakt dat het boekje beschermt en tegelijk een presentatieplatform biedt.

Tekst 2:

Twee manieren, of misschien nog meer, zijn er om de pagina’s ‘om te slaan’. De doorlopende tekst wordt door die verschillende manieren van bladeren niet altijd goed leesbaar. Daarom begint iedere pagina van deze tekst met zijn paginanummer.
De bescherming van een tekst tegen vocht, licht, stof en gebruik, gebeurt vaak door een kaft. Maar soms is een doosje ook heel geschikt. Dit doosje heeft echter nog een functie.
P R E S E N T A T I E
Iedere keer als je een volgende tekst van het boekje wilt lezen, open je de pagina’s van de binnenzijde naar buiten, en draai je het boekje een kwartslag naar rechts. De opstaande zijkanten passen precies in de twee gleuven in de bodem van de doos. Zo kan de volgende tekst gelezen worden.

 photo DSC_6304DrieVier.jpg

Deel drie en vier.


Tekst 3:

Drie functies kan ik bedenken die een reden zijn om een boek te maken, naast de functies die al genoemd zijn: plezier, verspreiding en het bewaren van de tekst en/of afbeeldingen.
V R I J H E I D
Uiteindelijk zijn de ideeën die tot tekst gevormd zijn het belangrijkst. Die tekst mag vernieuwend, controversieel, wervend of uitdagend zijn. Dat hoeft natuurlijk niet. De vrijheid om dat wat je bezig houdt op ‘papier’ te zetten en het te verspreiden, is een fundamenteel recht. Dat kan schuren, wringen en weerstand oproepen, maar dat mag/moet dan ook. Iets anders is het als mensen het recht om te beledigen opeisen. Dan lijkt het niet meer om de zaak te gaan maar om de actie op zich. Duidelijk is dat die grens erg gevoelsmatig en grijs is. Beter van afblijven dus.

Tekst 4:

Vier dat recht op persvrijheid en vrije meningsuiting. Schrijf, spreek, blog, presenteer, schets, teken, maak foto’s, zing en maak games (volgens literatuurwetenschapper F.W. Korsten zijn games de toekomst van de literatuur. Arnon Grunberg sluit daar op aan met ‘Ook taal is een simulatie van de werkelijkheid. Een game.’ Volkskrant 21/02/2015)
H O R I Z O N T A A L
Lees in dit boek bij voorkeur de horizontaal liggende tekst. ‘Liggende’ is hier letterlijk bedoeld. Lees vervolgens de tekst van links naar rechts.
Je kunt de teksten op de opstaande randen ook zien en misschien met wat moeite ook lezen, maar als je steeds de horizontaal liggende paren tekst leest, weet je zeker dat na de teksten een en twee, drie en vier, tekst

 photo DSC_6305VijfZes.jpg

Deel vijf en zes.

Tekst 5:

Vijf komt, samen met zes, gevolgd door zeven en acht.
Teksten en tekeningen (of iedere andere vorm van afbeeldingen) zijn twee verschillende technieken om ideeën over te brengen. In die zin zijn ze voor mij hetzelfde en hebben ze, in relatie tot een boek, dezelfde functie. Maar ze zijn anders, ze kunnen elkaar versterken en sommige lezers beleven meer plezier aan een tekening dan aan een tekst en andersom. Met beide kun je een verhaal vertellen.
Het maken van een goed verhaal is een vak of kunst op zich.
V E R H A A L
Het is duidelijk dat schrijven niet een kunst is waar ik in uitblink. Deze tekst is dan ook een middel voor mij om het boekje Infinit te kunnen maken.

Tekst 6:

Zes dagen heeft het mij op zijn minst gekost om deze tekst te maken. De combinatie van het onderwerp en de eis, die ik mezelf had opgelegd, om iedere tekst met het paginanummer te laten beginnen, was veel gevraagd.
S C H R I F T
Maar het is gelukt en daarmee kunnen we nog even stilstaan bij de geschiedenis van het boek. Want al voel ik me soms een monnik, de geschiedenis van het boek is veel ouder dan dat van de Middeleeuwse monniken.
Al bij de oudste beschavingen (Soemerië, China, Egypte en de Indus-vallei) ontstonden verschillende vormen van het schrift (spijkerschrift, hiërogliefen, alfabet) en manieren om geschreven teksten te bewaren (klei, papyrus).


 photo DSC_6306ZevenAcht.jpg

Deel zeven en acht.


Tekst 7:

Zeven jaar duurt een bepaalde opleiding tot boekbinder. Dat is niet te combineren met mijn werk en privéleven. Het moet wel een hobby blijven. Bovendien zit de lol er voor mij niet in om voor andere mensen boeken te maken.
B O E K
Zusterboeken. Dat is het grote thema waarin een aantal van de toekomstige projecten zullen komen te staan. Zusterboeken zijn boeken waarvan/waarover ik meer dan 1 exemplaar heb of gemaakt heb. Een tijd terug kocht ik bijvoorbeeld een zesde druk van Hella S. Haasse ‘Het woud der verwachting’, 1962. Toen kreeg ik een paar weken geleden nog een versie van dit boek van mijn moeder. Een negenentwintigste druk uit 2011. Deze boeken zijn zusterboeken en die horen bij elkaar te blijven. Daar ga ik voor zorgen.

Tekst 8:

Acht pagina’s over wat ik denk dat een boek is. Maar wat denken anderen? Ik zocht en vond bijvoorbeeld de volgende vertaalde definitie van Philip Smith (boekbinder uit Engeland)
Een boek is de verpakking van meerdere oppervlaktes die samengehouden worden in een vaste of variabele volgorde door een scharniermechanisme, enige vorm van ondersteuning of een container, met daaraan verbonden zichtbaar of gesproken inhoud die we een tekst noemen.
SAMENGEHOUDEN DRAGER VAN TEKST
Volgens de auteur sluit deze definitie tekstdragers als kleitabletten en rollen uit, zo ook enkelvoudige oppervlaktes waarop een tekst is aangebracht (een tekst op een folder is geen boek).
Volgens deze definitie kan een CD een boek zijn.

Spiegelbeeld en schaduwspel

Citaten van pagina 174, 175 en 177.

Het is, zoals we al eerder zagen, een sleutelbegrip bij Haasse, het besef dat de mens als individu (en trouwens ook de maatschappij als geheel) een vorige fase achter zich laat en begint aan een nieuwe. Ze schrijft: ‘Als een volwassene erkennen dat de levensvormen van een rijpingsproces, de jeugd, plaatsgemaakt hebben voor die van een ander. Als gemeenschapswezen in zichzelf het begin beleven van de grote verandering van alleen maar westerse mens naar wereldmens.’ De mens groeit met andere woorden, hij gaat van de ene geestelijke toestand over in de andere, hij laat als een slang zijn oude huid achter zich en neemt een nieuwe aan. Het beeld van gestage, geleidelijke groei, van metamorfose, vind je terug in oude beschavingen en vele religies. Neem bijvoorbeeld de trappen van het boeddhisme, onder andere weergegeven in de terrassenopbouw van de Boroboedoer, de tempel op Java. De onderste terrassen symboliseren de gewone mens, die (nog) begeerten en ambities kent. De hoogste, het nirvana, wordt slechts bereikt door degene die totaal onthecht in de wereld staat.

 

Die overgang van de ene naar de andere fase gaat gepaard met crises in het leven van het individu, zoals de overgang van een weersgesteldheid van het ene type naar het andere gepaard gaat met storm en regen. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen in de samenleving. Dat moeizame proces, ‘de lange zwerftocht nodig om tot de inwijding te geraken’, schrijft Haasse, wordt symbolisch uitgedrukt ‘in meander- en spiraalvormen, in labyrinten’. Het dolen door een labyrint is dus een fase in een proces van bewustwording, een fase die aan verandering vooraf gaat. Het is ‘een afdaling in het eigen innerlijk voor het herboren worden in de nieuwe werkelijkheid.

 

Haasse: ‘Ik vermoed dat dat alles gebouwd was om mensen te verbazen en te ontregelen. Je moest je je verwonderen als je daar binnenkwam. Denk aan De verwondering van Hugo Claus uit 1962, ook een labyrintisch verhaal, waarin verwondering dezelfde betekenis heeft. In het Engelse amazement (verwondering) zit maze, wat doolhof betekent.

Margot Dijkgraaf over en met Hella S. Haasse in Spiegelbeeld en schaduwspel.

Spiegelbeeld en Schaduwspel

Citaat van pagina 151:

Waarom was geschiedenis voor Haasse als romanschrijfster zo belangrijk? ‘Als je je daarin verdiept, kun je een enorme ruimte bestrijken. De cultuur van het geschreven woord zal nooit verloren gaan. Iets bestaat pas als je er zelf een betekenis aan toekent, als je in woord interpreteert wat je ziet’. Sommige romans uit de wereldliteratuur (Madame Bovary van Flaubert, romans van Stendhal, Colette) herlas ze steeds weer, sommige had ze wel twintig keer gelezen. Het verveelde haar nooit. ‘Herlezen is alleen maar vervelend als je louter het verhaaltje wilt lezen en als je je niet voor mensen interesseert, of voor vormgeving in taal. De geschiedenis, de cultuurgeschiedenis is zo rijk – hoe kun je ooit het idee hebben dat je het allemaal gezien hebt? Je eigen veronderstellingen over wat er in het heden aan de hand is, kun je koppelen aan de gegevens die je uit vroeger tijden worden aangereikt. Daarom begrijp ik ook absoluut niet dat er mensen zijn die zich niet voor het verleden interesseren.

Margot Dijkgraaf over en met Hella S. Haasse.

Rustig

Het is een beetje rustig op mijn blog.
Dat is niet omdat ik niets doe, maar omdat de dingen
waar ik nu aan werk zoveel tijd in beslag nemen.
Een paar maanden geleden ben ik van baan veranderd
en kreeg bij mijn afscheid van mijn collega’s
een aantal cadeaubonnen.

Daar heb ik 4 boeken voor gekocht:

Els Snick,
Waar het me slecht gaat is mijn vaderland
Joseph Roth in Nederland en Belgie

Joseph Roth,
Job

Margot Dijkgraaf,
Spiegelbeeld en schaduwspel
Het oeuvre van Hella S. Haasse

Kristofer Schipper,
Confusius De gesprekken
Vertaald en toegelicht

Daar ben ik druk mee bezig.
Allereerst om de boeken te lezen.
Ik ben aan alle 4 begonnen maar eigenlijk is het boek
over Confusius het enige waar ik nog niet echt aan begonnen ben.
Dat komt omdat ik iemand ken in China waar ik regelmatig
contact mee heb en met wie ik over dit boek van gedachten wil wisselen.
Maar eerst wil ik hem deelgenoot maken van de publiciteit
rond het boek. Daarvoor moet ik de Nederlandse artikelen
wel eerst in het Engels vertalen.
Zijn Nederlands is niet zo goed.
Dat is een werk waar ik nog niet aan begonnen ben.
Ik wil eerst een van de artikelen leesbaar maken
zodat ik het kan opnemen op mijn blog.
Dat gaat over de boekbespreking/het interview dat in
de Volkskrant verscheen.
Nadeel van een krantenartikel is dat de leesbaarheid soms slecht is
door het slechte drukwerk.

 photo DSC_3991.jpg

Dit is het artikel uit de Volkskrant van 14 juni 2014: ‘Prettiger gesprekken’ door Wilma de Rek.


 photo DSC_3989Kolom02Detail.jpg

Dit is een voorbeeld van het druk werk na mijn bewerking (eerste vier regels) en voor mijn bewerking (rest van de tekst). Detail van kolom 2 van het artikel ‘Prettiger gesprekken’ .


Waarschijnlijk zal er eerst een reactie van me verschijnen op het boek
over het oeuvre van Hella Haasse.