Leven in verbeelding

Al weer een tijdje was ik bezig een volgend knipsel
met een interview met Hella S. Haasse te bewerken.
Toen las ik via Twitter dat er later dit jaar een biografie
uitkomt van Hella Haasse.

AleidTruijensLevenInVerbeeldingHellaSHaassePreview

De biografie is geschreven door Aleid Truijens en heeft als titel ‘Leven in verbeelding’. een prachtige titel. Ze schreef eerder over Haasse en haar werk. Ik kijk er naar uit.


Dus maak ik van de gelegenheid gebruik beide zaken
te combineren.
Hierboven de aankondiging van het boek en hieronder
het artikel van André Rutten.

IMG_5627AndreRuttenDeTijd18Februari1972HellaSHaasse

Het artikel verscheen in De Tijd op 18 februari 1972.


IMG_5627 01KopIMG_5632AndreRuttenDeTijd18Februari1972HellaSHaasse

Het succes van Hella S. Haasse

Geen historische romans meer,
wel flash backs uit de historie

Hella S. Haasse heeft een groep kritische leraren op bezoek gehad, die na het zien van haar toneelstuk ‘Geen bacchanalen’ eerst laaiend enthousiast waren, maar bij nader inzien hoe langer hoe minder.
Het is niet maatschappij-kritisch.

“Dat is het ook niet,” zegt Hella Haasse.
“We hebben er samen uitvoerig over gepraat en ik geloof dat ik ze toch weer een beetje heb omgeturnd, dat ze toen weer wat positiever over mijn stuk dachten.
Het eigenaardige van het stuk is, dat het de groei naar een conflict laat zien, maar ophoudt als de conflictsituatie er is.
Alles is nog open.
Ik schrijf niet maatschappij-kritisch, maar wel vanuit een betrokkenheid bij het probleem dat ik aan de orde stel.
Ik zie mij zelf als schrijfster die de elementen van een probleem direct uitstalt in een bepaalde vorm.”
‘Geen Bacchanalen’ gespeeld door de Nieuwe Comedie, slaat wel erg goed aan.
Op een iets andere manier dan de voorstellingen die Cor Stedelinck en Lodewijk de Boer bij hetzelfde gezelschap gemaakt hebben,
Daar komt vooral een jonger publiek in drommen naar toe, bij Hella Haasse komen natuurlijk ook veel jongeren, maar een veel groter aantal ouderen.
De grote toeloop is, denk ik, hieruit te verklaren dat er een wereldje vertoond wordt, dat direct herkenbaar is voor iedereen die iets (ouders en zo) of veel (leerlingen en leraren) met scholengemeenschappen te maken heeft.
Het stuk maakt, ook misschien omdat er in feite geen enkele echt onsympathieke figuur in voorkomt, een erg eerlijke indruk.
“Pierre H. Dubois heeft me dat in ‘Het Vaderland’ verweten dat ik veel te zachtzinnig ben, te veel geloof dat de mensen het bijna altijd goed bedoelen.
Misschien heeft hij gelijk, maar ik geloof echt dat de meeste mensen helemaal niet zo kwaad zijn als zij misschien soms wel lijken.
Het pijnlijke is alleen, dat de beste bedoelingen soms helemaal verkeerd kunnen uitpakken.

IMG_5633AndreRuttenDeTijd18Februari1972HellaSHaasseIMG_5634AndreRuttenDeTijd18Februari1972HellaSHaasseIMG_5635AndreRuttenDeTijd18Februari1972HellaSHaasse

Satire

In haar jongste roman ‘Huurders en onderhuurders’ (drie drukken binnen één jaar) ligt dat iets anders.
“De these ervan is het manipuleren van mensen door mensen, ook in kringen waarin je dat helemaal niet zou verwachten.
Maar het is geen tranche de vie. (Argus: slice of life; de weergave van alledaagse ervaringen in kunst en amusement)
Meer een satire, al ben ik daar misschien niet ver genoeg in gegaan.
In ieder geval is het een gelijkenis.
sommige vinden het een bezwaar dat het te schematisch is gebleven.
Toch heb ik dat bewust gedaan,
Soms moet je dingen sterk vereenvoudigen om ze duidelijk te laten werken.”
Ik schrijf maar even over wat er op de achterkant van ‘Huurders en onderhuurders’ staat: Een huis in een tuin (zo’n huis als omstreeks de eeuwwisseling wel bij het Amsterdamss Vondelpark is gebouwd) wordt bewoond door een echtpaar en zijn drie onderhuurders.
Deze vijf mensen, drie vrouwen en twee mannen, leven alleen in ficties, pathologisch, misdadig, geschiedschrijvend, primitief dagdromend.
Allen zijn zij ook min of meer dupes van elkaars illusies en vooral van de huiseigenaar, wiens onzichtbare hand en geheime handlangers veel noodlottigs teweeg brengen.
Er zijn veel spiegeleffecten in het boek, want het verleden in de geleerde geschriften herhaalt zich in het heden maar wordt niet opgemerkt en de “decadentie” die bestreden wordt.

Historische stof heeft Hella Haasse altijd aangetrokken.
Denk maar aan haar eerste grote roman ‘Het woud der verwachtingen’ uit 1949: het veelbewogen leven van Charles van Orléans, politicus en dichter uit het herfsttij der middeleeuwen, en aan ‘Charlaken stad’ (Argus: het staat er echt maar tegenwoordig noemen we het boek ‘De scharlaken stad’) uit 1953, het Rome en het pauselijke hof uit de zestiende eeuw, brandpunt van het wereldgebeuren en verzamelplaats voor grote mannen als Michelangelo, Macchielvelli, Aretino.
“Daar heb ik met volle inzet aan gewerkt,” zegt Hella Haasse,
“Een inzet die ik nu niet meer heb, ik zou het niet meer kunnen, die naïeve overgave aan het materiaal.
Ik wil er nu directer dingen van mezelf en van mijn tijd in betrekken.”
Historisch materiaal blijft me wel boeien, omdat je er dingen in kunt tegenkomen die nu weer gebeuren.
Je kunt historisch materiaal gebruiken om het te hebben over dingen van nu.”

IMG_5636AndreRuttenDeTijd18Februari1972HellaSHaasse

Historie

In de roman ‘huurders en onderhuurders’ heeft ze ook historisch materiaal gebruikt, hetzelfde als in het toneelstuk, maar niet op dezelfde manier.
Materiaal uit de oude Romeinse geschiedenis: de bloedige onderdrukking door de Romeinse overheid van een uit het Oosten overgekomen ritus, de Bacchanalia.
In het toneelstuk heeft de rector van een scholengemeenschap daar in zijn jonge jaren een stuk over geschreven, dat gymnasiasten nu repeteren, in de roman is een schrijfster bezig daar een roman over te schrijven.
Rector en schrijfster zien het alleen maar als een brok interessante geschiedenis, zij merken geen van beiden op hoezeer de dingen die zij nu meemaken lijken op wat er toen gebeurde.
“Wat mij boeit is de manier waarop mensen samen een maatschappij weven, hoe de tijd, waarin zij leven, op de mensen inspeelt, hoe zij daardoor veranderen, in hun onderlinge verhoudingen, maar ook persoonlijk.
Als je zo werkt kies je natuurlijk wel personen of gebeurtenissen of tijdperken die voor jezelf relevant zijn, verhelderend voor je eigen kijk op de problemen, omdat je die daarin weerspiegelt ziet.
Wat de Romeinse Bacchanalia betreft, zoals Titus Livius ze in caput 39 beschrijft, die begrijp ik wel.
Ook het verzet ertegen.
Het is binnendringen van ervaringen, benaderingswijzen van buiten af in een vrij gesloten, starre, Romeinse maatschappijvorm.
Een uit noodzaak gesloten vorm, want een verdediging tegen wat er om heen was.
Bij de uitbreiding van Rome’s macht en territorium dringt er natuurlijk can alles binnen, infiltreren allerlei vreemde invloeden, die een proces van assimilatie op gang brengen.
Zo kwam ook die roesachtige Bacchusritus uit het Oosten Rome binnen.
De reactie van de Romeinen er op laat zich wel begrijpen.
Sommigen trok het erg aan, anderen waren er bang voor, vonden het staatsgevaarlijk, een dodelijke bedreiging van de eigen waardigheid.
Het was zoiets als de bijna mondiale uitbreiding van bewustzijnsmogelijkheden zoals die zich nu ook voordoet, waarbij je vreemde, andere elementen te verwerken krijgt.”

IMG_5637AndreRuttenDeTijd18Februari1972HellaSHaasse

Dimensies

Hella Haasse is wel anders gaan schrijven dan toen ze begon.
“Ik schrijf tegenwoordig minder wijdlopig, geserreerder, strakker, compacter.
Zo romantisch als ik in ‘De verborgen bron’ was zou ik niet meer kunnen zijn.
De thema’s die ik kies houden zich altijd bezig met clusters, met verhoudingen tussen mensen.
Mensen die leven uit een geheim, uit een bron die zij ontdekken moeten vóór ze verder kunnen.
Mensen die voor de noodzaak van een innerlijke verandering staan.
De inhoud van die verandering wil ik zichtbaar maken.
Ik ben gaan proberen meer uit te laten komen hoe de onderlinge verhoudingen zich ontwikkelen en hoe daar ook persoonlijke ontwikkelingen bij voorkomen.
Ik vertel de gebeurtenissen, waarin die ontwikkelingen zich voordoen, door elkaar heen.
Daardoor ontstaat die kaleidoscopische indruk in mijn verhaalvorm.
Er zijn meerdere dimensies, verschillende facetten in de werkelijkheid, die ik wil laten zien.
Ik beschrijf niet iets van één standpunt uit.
Ik haal wat er gebeurt via het bewustzijn van meerdere personages naar voren.
Ik ben ook uit op een uitbreiding in de tijd.
Ik zet een handeling van heden tegen een parallel uit het verleden,
Ik werk met flash backs uit de historie om wat er nu gebeurt reliëf te geven en gemakkelijker te doen identificeren.”

IMG_5627 02Foto


Zoals eerder heb ik de tekst uitgetypt.
Dat maakt het zoeken in de tekst eenvoudiger, de
kwaliteit van het krantenartikel is na al die jaren moeizaam,
soms moeilijker leesbaar en het helpt mij om de tekst
helemaal goed door te nemen.
Ik probeer de spelling zoveel mogelijk over te nemen.
De Tijd was een deftige krant!

De laatste lantaarnopsteker

IMG_5601DeTijdVrijdag18Februari1972DeLaatsteLantaarnopsteker

De laatste lantaarnopsteker van Londen heeft nog nooit zo’n goed werk gedaan als nu met de huidige elektriciteitsschaarste. Terwijl een groot deel van Londen ’s avonds zeer schaars is verlicht, houdt hij in het oude Temple-district van Londen de gaslantaarns brandend.


De Tijd, vrijdag 18 februari 1972.
Hoe vind je zo’n krantenknipsel?
Ik jou niet van dubbele teksten maar een tekst in een plaatje
is (nog) niet eenvoudig doorzoekbaar.

Geen Bacchanalen

HellaHaasseGeenBacchanalen 01 DeTijd19711213 Kop00
Het is al weer even geleden dat ik een stapel krantenartikelen
kocht die gaan over het werk van Hella Haasse.
Af en toe laat ik een van die stukken terug komen op mijn
blog. Soms is het voor mij aanleiding om een boek te kopen en lezen.
Maar in het geval van “Geen Bacchanalen”, een recensie
uit De Tijd van maandag 13 december 1971, gaat het om een
toneelstuk. Zelfs Boekwinkeltjes heeft dan geen resultaat.

HellaHaasseGeenBacchanalen 01 DeTijd19711213 Kop01

Het formaat van het artikel is zo dat ik dat moeilijk kan omzetten tot iets dat ik hier kan tonen. Maar met een beetje digitaal knip- en plakwerk lukt dat nog best met de titel van het artikel van André Rutten.


Maar de tekst van het artikel kan ik hier wel overnemen:

GESPANNEN AANDACHT,
ruim twee uur lang van een jong publiek voor het nieuwe toneelstuk van Hella Haasse: “Geen Bacchanalen”.

Het is typisch “voer” voor dat jonge publiek, zeker als het in zo’n scholengemeenschap verkeert als er in het stuk op de planken komt: wat daar zo aan spanningen tussen leerlingen en docenten kan ontstaan.
Het leeft helemaal bij de dag van vandaag.
Daar heeft Hella Haasse niet meer voor nodig dan een conciërge, een rector, een lerares en vier scholieren.
Het verrassende is dat haar stuk ophangt aan een passage uit de geschiedenis van Rome, zoals Titus Livius die geschreven heeft, omdat zij daar een parallel in ziet met was er ook nu weer gaande is, en die parallel werkt zij op een eenvoudige heel menselijk-aansprekende manier uit.

Eerst maar even wat er ongeveer twee eeuwen vóór Christus in een bos buiten Rome gebeurde.
Daar was een on-Romeinse eredienst tot bloei gekomen, van oer-Griekse herkomst, in de rituelen waarvan mensen zich overgaven aan Dionysos (latijns: Bacchus).
De magie, de menselijke spontaniteit werd daarin als een wezenlijk bevrijdende ervaring ondergaan.
De nette burgers van Rome, en dus ook de overheid, die van gezag en orde hielden, dachten dat dit een vorm van zedenbederf was, en dat er subversieve activiteiten uit zouden ontstaan.
De overheid greep hard in.
Duizenden burgers werden in vijf jaar tijd gedood of verbannen.


HellaHaasseGeenBacchanalen 01 DeTijd19711213


Toen en nu

In het stuk van Hella Haasse heeft de rector van een scholengemeenschap (havo, atheneum, gymnasium) daar in zijn jonge jaren een toneelstuk van gemaakt, dat leerlingen van 5 gym alfa nu onder leiding van een jonge lerares gaan opvoeren.

DAAR GROEIT een levensgroot conflict uit.
De leerlingen, die aan het stuk repeteren, herkennen in de Bacchanalia zoiets als het Vondelparkgebeuren, de Damslaperij, het Fantasiobezoek, dingen waar zij zelf nog niet aan meedoen, maar die zij wel herkennen als iets van hun eigen wereld.
Zij hebben de pest aan het stuk van hun rector, omdat de hoofdfiguren daarin of oudere snobs op de hippietoer zijn, of handhavers van gezag en orde.
Tekenend is dat zij uit hun eigen gymnasiumklas geen speler hebben kunnen vinden voor de consul, de harde orde-handhaver, maar daar wel een hbs-er voor aanvaarden.
toch is het juist die hbs-er (of atheneumleerling), die op een kritiek moment het emotioneelst, het persoonlijkst reageert.


HellaHaasseGeenBacchanalen 02 DeTijd19711213


Voor de schrijver van het stuk, de rector, was de consul juist de ideale held, een projektie van zichzelf eigenlijk, zonder dat hij dat zelf zo ziet.
Hij ontdekt het pas, als hij op een repetitie een fragment uit die rol voorspeelt en ontdaan ervaart dat hij zichzelf speelt.

Dat is het hoogtepunt van het conflict tussen hem en de jonge lerares die in de leefwereld van de leerlingen thuis is, daar ook uitstekend in functioneert, al verknoeit zij het tenslotte ook.
Dat hangt samen met tweede kant van het conflict.
Een meisje , dat ook zou meespelen in het stuk, is van school gestuurd – het is zelfs in de kranten gekomen – omdat zij tegen het uitdrukkelijke verbod van de rector in toch in Dionysis – zoiets als Fantasio of Paradiso – geweest is.
De lerares wil dat meisje opvangen, helpen, redden.
Daar verzetten de andere leerlingen zich tegen: zij redt zich zelf wel.
Je kunt er hoogstens zijn als ze je nodig heeft.
Blijf er verder af, dring je niet op.
De laconieke conciërge blijkt nog het best te functioneren.

HELLA HAASSE kent door haar kinderen het huidige schoolmilieu, zoals ik het door mijn kinderen ken.
Dat herken ik in haar stuk en in de opvoering die de Nieuwe Komedie er onder regie van Erik Plooyer van gemaakt heeft.
De figuren er in worden ook zeer menselijk-herkenbaar gespeeld: Win de Haas de rector, Dore Smit de lerares, Niek Pankras, Robert Prager, Ineke Roosen, Ad Fernhout de leerlingen, Johan Sirag de conciërge.

ANDERé RUTTEN

Geen Bacchanalen, toneelstuk van Hella Haasse. Regie: Erik Plooyer. Decor: Wim Vesseur. Nieuwe Komedie, Hot, Den Haag t/m 16 december ’71.


HellaHaasseGeenBacchanalen 03 DeTijd19711213 Foto

De lerares (Dore Smit) en de rector (Wim de Haas) tijdens een repetitie in “Geen Bacchanalen”.


Ik ken Dore Smit wel (van tv-gezicht, niet van naam) maar
vond info op Wikipedia:

Theodora Adriana (Dore) Smit (Scheveningen, 27 juni 1933) is een voormalige omroepster op de Nederlandse televisie, en actrice.

Biografie

Na de MULO volgt Dore Smit een tijdje lessen aan de Toneelschool in Amsterdam. Hier krijgt ze les van Elise Homans, Jaap Hoogstra, Kees van Iersel en Peter van der Linden. Nadat ze de toneelschool voortijdig afbreekt, werkt ze enige tijd op een advocatenkantoor. In de tussentijd is ze verbonden aan de toneelgroep Studio, waar ze 14 jaar aan verbonden blijft, tot 1970.

Nadat ze een rolletje in een thriller van Agatha Christie speelt, benadert regisseur Erik de Vries haar voor een instructief filmpje. Drie maanden later laat hij haar een screentest doen voor omroepster. In 1960 als omroepster en presentatrice in dienst bij het IKOR, dat wordt opgevolgd door de IKON.

Naast omroepster is ze soms te zien als presentatrice, of is ze te horen als commentator bij een aantal producties, bijvoorbeeld Woord voor Woord en God in Frankrijk. Het acteren laat haar echter niet los, en ze speelt diverse rollen, bijvoorbeeld een aflevering van Memorandum van een Dokter en Het onvruchtbare Huwelijk.

Dore Smit krijgt haar grootste bekendheid als ‘gezicht’ van het programma Wilde Ganzen, een wekelijkse inzamelingsactie bestemd voor kleinschalige, praktische, eenmalige projecten om menselijk leed in de wereld te verzachten. Op 26 december 1999 presenteert zij voor de laatste maal Wilde Ganzen. Het is haar eigen wens om met het werk voor de camera te stoppen.

In de Theaterencyclopedie vind ik veel programma’s en stukken waar
ze in gespeeld heeft maar “Geen Bacchanalen” staat er niet tussen.

Ik vind er nog wel informatie over haar tegenspeler op de foto:
Wim de Haas.

Naam: Wim de Haas (Haas, Willem Frederik de)
Geboren: 20 april 1926, ‘s-Gravenhage
Overleden: 13 juli 2016

Biografie

Wim de Haas bracht de jaren 1950-1952 door op de Amsterdamse toneelschool, debuteerde daarop bij de Schouwspelers o.l.v. Theo van Duyn, en is sindsdien onafgebroken actief geweest in het theater. Naast een gemiddelde van ruim drie rollen per seizoen werkte hij ook nog mee aan enkele films, een vijftigtal televisieprodukties, nasynchronisaties (tekenfilms, enz.) en vele honderden hoorspelen.

Volgens André Rutten is het stuk geschreven naar aanleiding
van de beschrijving van de bacchanalen door Titus Livius.

Titus Livius (Padua, rond 59 voor Christus – aldaar, 17 na Christus) was een beroemd Romeins geschiedschrijver uit de tijd van Augustus. Hij schreef een algemene geschiedenis van Rome vanaf haar veronderstelde stichting in 753 voor Christus onder de titel Ab Urbe Condita.

Er wordt verder gesproken over Fantasio. Dat kende ik niet:

Fantasio
In 1968 opende psychedelische poptempel Fantasio haar deuren aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam.
Fantasio werd het internationale centrum van de jongeren en undergroundcultuur.

De Theaterencyclopedie heeft een samenvatting van “Geen Bacchanalen”:

Titel: Geen bacchanalen
Producent: Nieuwe Komedie
Discipline: Toneel
Onderwerp: Nederland
Premièredatum: 10 december 1971
Seizoen: 1971/1972, 1972/1973
Locatie HOT, ‘s-Gravenhage

Geen bacchanalen van Hella Haasse

Team

Regie: Erik Plooyer
Decorontwerp: Wim Vesseur

Rolverdeling

Johan Sirag (Conciërge, Sneevoort)
Niek Pancras (Simon)
Wim de Haas (Rector, meneer van Duin)
Robert Prager (André)
Ineke Roosen (Delia)
Ad Fernhout (Rupert)
Dore Smit (Lerares, juffrouw Otterman)

De kunst van het reizen

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek02ArtikelBovensteHelft

De Tijd van Zaterdag 29 augustus 1953. Uit de serie ‘Van week tot week’ door Jan Engelman: De kunst van het reizen – Niet veel zaaks in Rome. Een recensie van het boek van Hella S. Haasse: Klein reismozaïek. Italiaanse impressies. Het Wereldvenster, 1953.


Ik heb geprobeerd het artikel in te scannen en het dan
zo leesbaar mogelijk te maken.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kop01
JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kop02

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom01

Zoals eerder neem ik nu ook weer de hele tekst van het artikel op
zodat het goed doorzoekbaar wordt.

De postkoets
Reizen naar het buitenland worden tegenwoordig met groot gemak ondernomen, snel volbracht en met vlotheid ingelijfd bij de herinneringen.
voor de reispenningen maakt men een potje en de reisgenoot is meestal door en door bekend, dus aan die kant zijn er geen moeilijkheden.
Struikrovers komen alleen nog in romantische opera’s voor, al schijnt er enige neiging te zijn tot wederinvoering van het instituut, het paspoort verleent legitimatie en beveiliging in “all the countries of the world”, men heeft zelf alleen te letten op zakkenrollers, lieden die het op uw auto of valies voorzien hebben en de gewone pogingen tot afzetterij, die in Nederland even frequent zijn als in Napels.

Wat let u dus verfrissing , ontwikkeling en verruiming van de blik te zoeken, door de foldertjes der reisbureaux zo ruimschoots beloofd?
Ieder jaar een ander land!
Zó zit men in de Goudsbloemdwarsstraat op het duivenplat in de motregen en twee dagen later bakt men bruin op een strandje van Mallorca.
Honkvast is alleen nog Godfried Bomans, die is van het Spaarne en Brinkmann niet weg te slaan.

Een speciale categorie van reizigers wordt gevormd door de “culturelen”, dat zijn de mensen die in de gaten hebben, dat een cocktail, volgens internationaal recept bereid, in het Victoriahotel in Amsterdam precies eender smaakt als bij Danieli te Venetië of het Waldorf-Astoriahotel te New York.
Zij willen niet, als de Amerikanen, het Prado “doen” in drie kwartier en zij laten zich niet “cooken”.
Zij zoeken zelf, zo goed en zo kwaad als het gaat, en zij hebben het land aan de Baedeker met zijn onaantastbaarheden.
De primus bij deze improviserenden is voor lange tijd Bertus Aafjes, die zijn reis te voet heeft volbracht, nog een weinig

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom02

in de stijl van de middeleeuwers, die naar Sint Jacob van Compostella togen, n’en déplaise (geen aanstoot) de kwaadsprekerij van enig zijner geloofsgenoten, toen hij eenmaal terug was en van zijn ervaringen in dichtmaat verslag had gedaan.

Tot die z.g. culturele reizigers mag men ook grif rekenen Hella S. Haasse, die het vorig jaar met haar man en zijn Renault naar Italië is geweest en daarover causerietjes voor de radio heeft gehouden, die zij thans verenigd heeft in een door “Het Wereldvenster” uitgegeven boekje 1).
Zij is echter niet zo maar een cultureel reizigster, die voor haar genot reist, uit nieuwsgierigheid of “uit verlangen een lang in gedachten gekoesterd beeld te toetsen aan de onberekenbare en daarom altijd boeiende werkelijkheid”, zoals zij het uitdrukt.
Tot deze genotzieken behoorde, als ik me goed herinner, Louis Couperus.
Hoe bestaat het, dat wij zijn stukjes over futiliteiten, in het buitenland gezien en beleefd, nooit meer vergeten.

Hella S. Haasse heeft diepere bedoelingen gehad, voor haar is reizen het “ik”, het “wij” verplaatsen “in vreemde werelden, om tegen een altijd wisselende achtergrond, in onvoorziene omstandigheden, temidden van mensen, dingen en landschappen, die hun eigen-aardigheid niet op de eerste blik prijsgeven, dat “ik”, dat “wij” te zien in nieuwe scherper reliëf…”
Door middel van het a n d e r e wil zij bereiken een reek van confrontaties met het e i g e n e, dat steeds ervaren wordt als de zwaarste, meest omvangrijke, nooit en nergens achter te laten bagage….
Dat is dus niet gering, het doet haast denken aan hetgeen Thomas á Kempis heeft gezegd over het feit, dat men, waar men ook heen tijgt, altijd zichzelf meeneemt.
De schrijfster meent niet volledig te zijn, als zij die “instelling”, zo drukt zij zich uit, niet bekent.
Verwacht wacht echter niet, dat men over die bagage verder wordt ingelicht.
Zij waarschuwt ons: van dat “grottenonderzoek” zal verder geen sprake zijn.

Omdat ik aan dit artikel begon ben ik op internet gaan zoeken
naar genoemd boek en dat heb ik gevonden.

HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-01Band

Hella S. Haasse, Klein reismozaïek. Italiaanse impressies. Het Wereldvenster, 1953. niet de meest spannende boekomslag. Maar wacht even. Hoe zit het er aan de binnenkant uit?


HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-02SchutbladISpreekmeester

Dat is al veel beter. Het schutblad is misschien zelfs wel speciaal voor dit boek gemaakt door I. Spreekmeester. De tekenaar tekent een druk toeristisch en cultureel Italië.


HellaSHaasseKleineReismozaiekItaliaanseImpressiesHetWereldvenster1953-03Titelblad

Dit is het titelblad van mijn exemplaar van Klein reismozaïek.


Maar de rest van het artikel?
Dat volgt hier.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03TekstBoven

Wat er bij het reisje aan diepten is blootgelegd, het wordt ons onthouden.
In de plaats daarvan wil zij ons geven “enkele spiegelbeelden van een werkelijkheid, die ik kon zien, ruiken, betasten, zonder veel dieper door te dringen dan de oppervlakte”.
Inderdaad, dat heeft zij verricht.
Een zekere teleurstelling maakt zich meester van de lezer van haar voorwoordje, na die bekentenis.
Maar waarom eigenlijk?
Hij zou het met dat zien, ruiken en betasten best kunnen stellen, wanneer het maar met de nodige intensiteit was geschied.
De lezer denkt weer aan Couperus en zijn gekeuvel over de rijtuigjes in Rome.
Aan Aafjes op de rommelmarkt.
Maar niets daarvan!
Zij heeft vergeefs gezocht naar het grootste monument van cultuur, waarover de Baedeker de Eeuwige Stad pleegt te houden.

 

“De werkelijkheid is anders.
In die huizenzee op de zeven heuvels, in dat doolhof van straten, pleinen en stegen moet men vaal moeizaam zoeken naar de beroemde gebouwen, gedenktekens en ruïnes, die in onze verbeelding, gevoed door indrukken van lezen en platen kijken, al een eigen imposante gestalte gekregen hadden.
De levende, hedendaagse stad eist alle aandacht op.
Men komt tot de ontdekking, dat het Rome van de Baedeker en van kunstgeschiedenis niet bestaat.
Dat is een fata morgana, een schijnstad die alleen kunstmatig gehandhaafd wordt naast het Rome van 1952.
Nergens in Italië beseft men zo goed als in Rome, dat de antieke Latijnse wereld en ook de in Italië tot rijping gekomen renaissance-wereld even onherroepelijk verdwenen zijn als Atlantis”.

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03Foto

JanEngelmanDeKunstVanHetReizen-NietVeelZaaksInRomeDeTijd19530829VanWeekTotWeek01Kolom03TekstOnder

Dat lijkt mij een ernstige visie.
Het was tevens vreselijk warm in Rome, overdag tussen 32 en 37 graden en de Renault had grote moeite om tussen al die Lambretta’s en Vespa’s door te komen.
De fonteinen spoten niet, de bekoringen van het lustoord Tivoli bleven verborgen, bij de Villa d’Este was de entreeprijs te hoog.
Neen, het was niet veel gedaan, daar in die wijd vermaarde stad.
En tijd om tot September of October te wachten had men niet.
San Gimigniano moest nog gedaan worden, en Siena en Florence en een stukje van de Italiaanse Riviera, zij het cultureel en met verborgen grottenonderzoek.
Geen wonder dar al die pracht en praal van de barok toen niet meer leven wilde en dat Hella S. Haasse de Sint-Pieter maar een basiliek van pompeuze lelijkheid vond en alles erg profaan.
Zij deed wat volksstammen uit het Noorden hebben gedaan, die gaarne koeien met paarden of noten met perziken vergelijken, zij concludeerde dat de majesteitelijke rust van de kathedraal van Reims toch maar heel wat anders is en liet de koepel van Michelangelo en de getordeerde (=gedraaide) zuilen van Bernini voor wat zij zijn, een soort van verdacht theater, waarvan de “vergulde en bont gekleurde vormen niet meer corresponderen met het bestaansbewustzijn buiten de Bronzen Deuren”.
Ja, wat zal men daaraan doen?
Men beziet, beruikt en betast de dingen met de gretigheid van Couperus en Aafjes of men doet het wat gematigder.
Een feit is echter, dat de reisimpressies van de schrijfster geen flauw idee geven van de ziel en van de schoonheid van Italië, dat zij niet bemerkt heeft dat ook de ruïnes er nog levend en bewoond zijn, dat naast de luxe-badplaats Ostia fantastische opgravingen liggen en dat het onzin is om op de Janiculus te klimmen zonder het goddelijke tempeltje van Bramante op te merken.
Wat zij geeft is een reisverslag zonder kraak of smaak, dat haar doot legers van journalisten zonder pretenties verbeterd zal worden.
Hier en daar onderbreekt zij het om een stukje geschiedkundige compilatie in te lassen, korte levensbeschrijvingen van Bernardo Occhino, Da Vinci of Macchiavelli.
Maar alles geschiedt met een gebrek aan geestdrift en scherpte van blik, dat in geen verhouding staat tot de grootse uitingen van de menselijke geest waaraan zij zich waagt.
Kenmerkend daarvoor is haar schets van “de” Renaissance-mens.

Hella S. Haasse heeft zichzelf een beetje te veel meegenomen, toen zij op reis ging.
Zij had haar “ik” en haar “wij” eens moeten vergeten.
Heus, de Baedeker is een voortreffelijk boek.
Wanneer men gezien heeft wat er in staat, heeft men ongelofelijke schatten genoten, als het tenminste met dat zien, ruiken en betasten in orde is.
En wil men de Baedeker niet, neem dan het oude, mijnentwege verouderde, maar nog altijd voorbeeldige Italiaanse reisboek van Goethe ter hand, waar men lezen kan: “Sinds de dag dat ik Rome betrad, beschouw ik mij als voor de tweede maal geboren: een ware wedergeboorte heeft met mij plaatsgehad!”
Goethe begreep, dat men in een land als Italië op reis zijnde, alvorens een oordeel te kunnen uitspreken, alles bijeen moet zamelen, “uit een onmetelijke, ofschoon buitengewoon rijke hoeveelheid overblijfselen.”
Het is weinig vreemdelingen werkelijk ernst, iets grondig in zich op te nemen en te bestuderen, zo vervolgt hij.
Zij volgen slechts hun grillen en hun eigenwaan.
Misschien was de postkoets toch een cultureler vervoermiddel dan de Renault.

1) Hella S. Haasse: “Klein reismozaïek”, Italiaanse impressies.
Baarn, Het Wereldvenster, 1953.

Zelf heb ik het boek van Haasse nog niet gelezen.
Als we later dit jaar naar Italië op vakantie gaan,
met de nadruk op ‘Als’, dan zal ik het zeker meenemen en lezen.