Hella S. Haasse, Krassen op een rots besproken door Hans Warren

Een tijd terug kocht ik een kleine partij boeken van Hella S. Haasse.
Bij de boeken zat een map met krantenknipsels.
Daarvan probeer ik zo af en toe er een op mijn blog te zetten.

DSC_4184HellaHaasseKrassenOpEenRots

Het gaat hier om een recensie van Hans Warren in zijn beroemde reeks ‘Letterkundige kroniek’ van het boek Krassen op een rots.


LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17AuteurHansWarren
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 01 Intro
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 02 Kolom1
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17Koptekst
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 03 Kolom2
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 04 Kolom3
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 05 Kolom4
LetterkundigeKroniekHansWarrenProvinciaaleZeeuwseCourant31oktober1970Pagina17 06 Kolom5

De kolommen van de Provinciale Zeeuwse Courant zijn een beetje ‘digitaal schoongemaakt’. Dit artikel verscheen op 31 oktober 1970 en stond op pagina 17.


DSC_4186HellaHaasseKrassenOpEenRotsSomsIsDeAchterkantVanEenKrantenknipselNetZoInteressantAlsDeVoorkant

De advertenties op de achterkant zijn ook leuk om door te nemen.


Zoal eerder heb ik de hele tekst uitgetypt.
Daardoor wordt de hele tekst doorzoekbaar en kun je er
eenvoudig een citaat uithalen.
Er zullen vast typefouten in staan maar ik heb geprobeerd
de spelling van Warren (bladzijs) in het artikel over te nemen.

Over Hans Warren:

Een belangrijke bijdrage aan het literaire leven in Zeeland leverde Warren met zijn ‘Letterkundige Kroniek’.
Vanaf 11 oktober 1951 was hij als criticus verbonden aan de Provinciale Zeeuwse Courant.
Voor zijn kritische arbeid ontving hij in 1970 de Pierre Bayleprijs.
Warren schreef vijftig jaar lang de Letterkundige Kroniek.
Ter gelegenheid daarvan werd het boek de Oost uitgegeven.
Twee dagen na zijn overlijden verscheen de wekelijkse bijdrage voor het laatst in de PZC.

Hella Haasse: ‘Krassen op een rots’

letterkundige kroniek door hans warren

HELLA HAASSE werd in 1918 te Batavia geboren, en ze kwam in 1939 naar Nederland.
Haar hele jeugd ligt dus in Indië, op Java, in een zeer interessant tijdsgewricht, waarvan ze overigens en uiteraard niet zo veel heeft gemerkt.
De overgang van tempo dulu, zoiets als de goeie ouwe tijd, naar de moderne tijd van bewustwording en zelfstandigheid.
Hella Haase leefde in een vrij beschermd en volkomen Europees milieu, haar ouders waren “import”-Nederlanders, zij heeft geen druppel Indisch bloed in de aderen.
Zo lang zij op Java woonde heeft zij, volkomen natuurlijk, heel haar omgeving als vanzelfsprekend aanvaard.

Zij heeft; als kind en als jong meisje, wel dingen opgeschreven, bijvoorbeeld in een dagboek, maar die notities missen ‘coleur locale’.
Zelf zegt zij hierover: ‘In het dagboek, dat ik als dertien-veertienjarige bijhield, vind ik louter verslagen en beschrijvingen van het leven op school, gesprekken en avonturen met vrienden en vriendinnen, van uitstapjes en vakantietochten, kortom van alledaags gebeuren, waarin exotische elementen volstrekt ontbreken, om de eenvoudige reden, dat ik die vanzelfsprekend en dus niet het vermelden waard vond.’
En dan laat zij een paar van die dagboeknotities uit 1932 volgen (waarschijnlijk wat bijgeschaafd, want ze hebben niets leuks-kinderlijks meer).
Vervolgens schrijft ze: ‘Pas toen ik allang in Nederland was, vijftien, twintig jaar later, zou ik de behoefte voelen woorden te zoeken voor de geuren, kleuren en geluiden van de werkelijkheid van mijn jeugd op Java’.
Waarna vele citaten volgen uit ‘Oeroeg’ (haar prozadebuut en mogelijk haar mooiste boekje), ‘Zelfportret al legkaart’ en andere geschriften van haar hand.
Inderdaad, hoewel Hella Haasse, als we rubriceren moeten, in het vak ‘historische romans’ terecht komt en niet bij de ‘Indische belletrie’ is toch menig werk van haar gestempeld door die Indische jeugd.
Hoe kan het anders, zou men denken, en toch.

Wie ongeveer van Hella Haasses generatie is, of iets jonger, en zeker wie ouder is, zou best heimwee naar Indië hebben ook al is hij er nooit geweest.
Herinner u hoe we alles moesten kennen: de blinde kaart van Java met alle steden, vulkanen en rivieren, de eilandengroepen, reeksen exotische prachtige namen die deden dromen.
Later de foto’s, lichtbeelden, films; gamelan- en dansvoorstellingen, het Tropenmuseum, cadeautjes over en weer van familieleden en vrienden daarginds.
Boeken, van en over Indië – kortom, er was een band heel sterk en heel innig, ook al was je er niet geweest, had je er niet rechtstreeks mee te maken.
Je benijdde degenen die land en volk uit eigen aanschouwing kenden: ze waren in het paradijs geweest.
Nogmaals: het was een soort heimwee naar iets vertrouwds dat je toch vreemd was.
Toen kwam de breuk.
Wat moest dit betekenen voor wie hier zijn jeugd had liggen, als Hella Haasse.
Wordt je dan niet verteerd van verlangen naar een weerzien met dat verloren paradijs, al is het dan als toerist, wat vernederend als toekijker, als vreemdeling?

Zoveel hoofden, zoveel zinnen.
We spraken er over met een vriend, die als Hella Haasse, zijn hele jeugd op Java heeft doorgebracht, en die pas na de Japanse nederlaag naar Nederland is gekomen.
Omstandigheden verder vergelijkbaar: volbloed europeaan, beschermd milieu, kunstenaar.
Hij zou onder geen enkele voorwaarde nog eens een reis naar zijn geboorteland willen maken, kan er letterlijk niets mee beginnen.

Hella Haasse is, toen ze de gelegenheid kreeg, wel als toeriste teruggegaan, ze heeft in de zomer van 1969, met haar man een reis over Java en naar Bali gemaakt.
Na dertig jaar.
Maar ze kon er, kennelijk, ook niet erg veel mee beginnen.
We weten niet of ze schrijf-verplichtingen had aangegaan vóór ze die reis ondernam, maar in elk geval moet het een boek worden, en daar zitten we nu mee.
‘Krassen op een rots’.
Het is een allegaartje van journalistieke notities, herinneringen, citaten uit vroeger werk en uit oude dagboeken, bijzonder wijdlopige en vaak zeurderige cultuurhistorische beschouwingen, gelardeerd met de tekst van een lezing en met twee – voortreffelijke, dat moet gezegd worden – oude, niet eerder gepubliceerde novellen van haar hand en met andere fremdkörper, als gedichten van W. S. Rendra, in Maleis en vertaling van Hella Haasse.
Uiteraard zijn er in een boek van tweehonderd bladzij’s enkele pagina’s met aardige of treffende opmerkingen te vinden, maar als geheel krijgt men toch de indruk: Hella Haasse is naar Indië teruggeweest en moest er, hoe dan ook, een boek van maken.
Hoe teleurstellend.
We gaan met haar naar het Diëng-plateau, en denken een goede gids te hebben.
Onderweg een journalistiek verslag, geïllustreerd met niet helemaal bijpassende kleurenfoto’s van Tibet uit de “National Geographic”.
En als we er zijn ‘Er groeit onkruid in de lege nissen, er hangt een stank van urine’. (…) ‘Dit is het hart van het antieke sacrale Java’.
Humor, spot zelfs kent Hella Haasse niet, of nauwelijks.
Alles is bij haar op een damesachtige manier ernstig.
Anders lag hier nog een kans.
Een enkele keer krijgt haar pen vaart, zoals bij de beschrijving van een Balinese tempeldans, weliswaar opgevoerd voor toeristen in technicolor: ‘De prins, gedanst door een kind van een jaar of tien, twaalf, een klein tenger hoekig figuurtje in goud en brokaat, met een gespannen nobel maskertje onder zijn glinsterende hoofdtooi; de hemelnimfen en hun minnaars, in groen en violet, met vergulde waaiers en vonkenspattende trilbloemen in hun haren; en bovenal de Gendarwa’s, demonen, kwelgeesten, wezens op de grens tussen mens en insekt of vogel, potsierlijk schrijdend met spitse vingers en rollende ogen, spiegelgevechten uitvoerend in een warreling van bontgekleurde slippen, franjes en siersprieten – zij allen bleven wenden en keren op het platform tegen een achtergrond van tempelpoort en nachtelijk loof, bewegende juwelen onder de zwartblauwe hemel waarin de melkweg en glinsterend spoor trok'(pag.178).
Van haar cultuurfilosofische digressies zijn voornamelijk die welke handelen over het in wezen nog zo archaïsche bestaan van de Javanen heel interessant.
‘Enerzijds is de Javaanse mens kwetsbaar en overgevoelig, aan de andere kant bezit hij een verbazingwekkend uithoudingsvermogen.
Onuitputtelijk plezier beleeft hij aan zo maar kijken en luisteren naar wat er gebeurt; hij kan zich echter ook innerlijk volkomen afsluiten.
Het besef opgenomen te zijn in een gemeenschap, ergens helemaal bij te horen, houdt hem in leven; is die saamhorigheid verbroken, de harmonie met de omgeving aangetast, dan lijdt hij, sterft hij.
Het is dit mee-ademen, mee-bewegen in een grote collectieve stroom van nog ten dele onbewust, met de natuur verbonden leven, dit inderdaad van uit de moderne beschaving bekeken archaïsche bestaan, dat door Indonesische intellectuelen van nu wordt beschouwd als het struikelblok bij uitstek voor de vooruitgang van hun land, al geven zij tevens in een adem toe, dat er grote, elementaire kracht van uitgaat.
Er is, zeggen zij, geen gezonde hedendaagse economie, geen moderne staat, op te bouwen met mensen die van de ene op de andere dag in de andere, van de hand in de tand leven; die zich het meest ‘senang’, lekker voelen, als alles maar zo’n beetje zijn gewone gang gaat, ook al betekent dat vaak ongemak en ontbering; die eerder het gevoel hebben dat zij lijden door het ongewone, en door veranderingen die inspanning vergen, dan door een minimumbestaan. om de eenvoudige reden dat zij in de meest letterlijke zin van het woord genoegen nemen met zeer weinig, met bijna niets, als een en ander zich maar voltrekt in een vertrouwd, dat wil zeggen voor hen harmonisch kader; die als zij ziek zijn, of pijn of tegenslag hebben, zich – indien alle burenhulp en magie falen – liever terugtrekken om volgens onverbiddelijke natuurwetten dood of ten onder te gaan, dan dat zijzorg of hulp van een onpersoonlijke overheid eisen of verwachten; ja; die zich van het gemis aan dergelijke middelen en mogelijkheden niet eens voldoende rekenschap geven’.

Men merkt overigens zelfs reeds in dit citaat, hoe juist de opmerkingen ook mogen zijn, dat de schrijfster zich weldra in wijdlopigheid verliest en gaat irriteren.
Leuk zijn soms enkele simpel vertelde voorvallen, zoals de ontmoeting met de zelfbewuste dessavrouw in de bus (pag 125), maar dat zijn uitzonderingen, meestal moet men ploegen door deze teksten.

Voortreffelijk zijn daarentegen, zoals gezegd, de twee novellen.
De mooiste is ‘De Lidah Buaja’ (Krokodillentong), die uit 1948, een delicaat, ragfijn verhaal over een Japans echtpaar, als spionnen naar Batavia uitgezonden voor de tweede wereldoorlog.
Het is geheimzinnig, geraffineerd, werkelijk een meesterlijk neergezet in nog geen twintig bladzijs.
Het andere verhaal is uit 1954, het heet ‘Een perkara (Het verhaal van Egbert’, een zeer Indische familiegeschiedenis, iets brokkelig, maar toch wel erg goed verteld.

Al met al is ‘Krassen op een rots’ toch wel een erg hybridisch en teleurstellend boek geworden. Een ‘mengelmoes van teksten’, zoals de schrijfster het zelf noemt, waaruit helaas niet veel méér overkomt dan een indruk van verwarring en breedsprakigheid.

Hella S. Haase: Krassen op een rots, notities bij een reis op Java, Querido, Amsterdam.

HelleSHaasseKrassenOpEenRotsNotitiesBijEenReisOpJaveDerdeDruk1972

Dit is mijn exemplaar van het boek ‘Krassen op een rots’. Dit is een derde druk uit 1972.


Spiegelbeeld en schaduwspel

Citaten van pagina 174, 175 en 177.

Het is, zoals we al eerder zagen, een sleutelbegrip bij Haasse, het besef dat de mens als individu (en trouwens ook de maatschappij als geheel) een vorige fase achter zich laat en begint aan een nieuwe. Ze schrijft: ‘Als een volwassene erkennen dat de levensvormen van een rijpingsproces, de jeugd, plaatsgemaakt hebben voor die van een ander. Als gemeenschapswezen in zichzelf het begin beleven van de grote verandering van alleen maar westerse mens naar wereldmens.’ De mens groeit met andere woorden, hij gaat van de ene geestelijke toestand over in de andere, hij laat als een slang zijn oude huid achter zich en neemt een nieuwe aan. Het beeld van gestage, geleidelijke groei, van metamorfose, vind je terug in oude beschavingen en vele religies. Neem bijvoorbeeld de trappen van het boeddhisme, onder andere weergegeven in de terrassenopbouw van de Boroboedoer, de tempel op Java. De onderste terrassen symboliseren de gewone mens, die (nog) begeerten en ambities kent. De hoogste, het nirvana, wordt slechts bereikt door degene die totaal onthecht in de wereld staat.

 

Die overgang van de ene naar de andere fase gaat gepaard met crises in het leven van het individu, zoals de overgang van een weersgesteldheid van het ene type naar het andere gepaard gaat met storm en regen. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen in de samenleving. Dat moeizame proces, ‘de lange zwerftocht nodig om tot de inwijding te geraken’, schrijft Haasse, wordt symbolisch uitgedrukt ‘in meander- en spiraalvormen, in labyrinten’. Het dolen door een labyrint is dus een fase in een proces van bewustwording, een fase die aan verandering vooraf gaat. Het is ‘een afdaling in het eigen innerlijk voor het herboren worden in de nieuwe werkelijkheid.

 

Haasse: ‘Ik vermoed dat dat alles gebouwd was om mensen te verbazen en te ontregelen. Je moest je je verwonderen als je daar binnenkwam. Denk aan De verwondering van Hugo Claus uit 1962, ook een labyrintisch verhaal, waarin verwondering dezelfde betekenis heeft. In het Engelse amazement (verwondering) zit maze, wat doolhof betekent.

Margot Dijkgraaf over en met Hella S. Haasse in Spiegelbeeld en schaduwspel.