In Frauenhand II — De Hand van Merian

– over Suriname, kennis, en de gedeelde blik op insecten en planten –

Het avontuur zat hem deze keer in mezelf.
Terwijl ik er van uitging twee exemplaren te zien
van hetzelfde boek, was dat niet het geval.

Een tentoonstelling die aandacht wil schenken
aan de vrouwenhand in de kunst
kan maar moeilijk om Maria Sibylla Merian heen.
Met twee boeken over haar werk krijgt de tentoonstelling
meteen een Surinaams/Nederlands aspect en
staat het ook stil bij koloniale onderwerpen.

Merian had in Nederland een boek laten verschijnen
dat ook internationaal een succes was.
Een boek waarin met platen werd verteld hoe eitjes
rupsen werden, zich in een cocon opsloten om
er als vlinder uit te komen.
Dat op de plant die als hun voeding diende.

In Zürich zag ik twee voorbeelden van dat succes:

  • een Franse uitgave van Metamorphosis Insectorum Surinamensium
  • een uitgave waarbij de studie over Suriname werd
    gecombineerd met ander werk van Merian in Europa.

DSC05473ZürichInFrauenhandFriedrichOttensFrontispizKupferstichUndRadierungInMariaSibyllaMerianHistoireGénéraleDesInsectesDeSurinamEtDeTouteLÉuropeParis1771

Zürich, In Frauenhand / In Her Hand, Friedrich Ottens, frontispiz, kupferstich und radierung (kopergravure en ets). In: Maria Sibylla Merian, Histoire Générale des Insectes de Surinam et de toute l’Europe, 3. auflage, korr. und ergänzt von Buch’oz (3e druk, gecorrigeerd en uitgebreid door Pierre-Joseph Buch’oz, waarschijnlijk voegde hij een deel toe over ‘plantes bulbeuses, liliacées, caryophillées’ — dus bolgewassen, lelieachtigen en anjerachtigen), Paris, 1771. De uitgever was Desnos.


Het frontispice dat je hierboven ziet was deel
van mijn verwarring.
Ik herkende het als ‘hetzelfde ontwerp’ als wat ik
in 2022 had gezien in de Artis-bibliotheek.
In een Amsterdamse druk.
Het was hetzelfde ontwerp, maar deze keer zat de ets
in een ander boek.

DSC05474ZürichInFrauenhandFriedrichOttensFrontispizKupferstichUndRadierungInMariaSibyllaMerianHistoireGénéraleDesInsectesDeSurinamEtDeTouteLÉuropeParis1771DSC05475ZürichInFrauenhandFriedrichOttensFrontispizKupferstichUndRadierungInMariaSibyllaMerianHistoireGénéraleDesInsectesDeSurinamEtDeTouteLÉuropeParis1771DSC05476ZürichInFrauenhandFriedrichOttensFrontispizKupferstichUndRadierungInMariaSibyllaMerianHistoireGénéraleDesInsectesDeSurinamEtDeTouteLÉuropeParis1771


Het frontispice is heel mooi opgebouwd.
Je ziet op de voorgrond een allegorische voorstelling.
De voorstelling vindt plaats voor
een architectonisch element met een groot raam.

Een openliggend boek links voor op de grond.
Je ziet vaag afbeeldingen van planten en dieren.

Een vrouw zit aan een tafel.
Denk: Maria Sibylla Merian.
Maar die zag er in werkelijkheid anders uit,
dit is dus geen portret.

Ze heeft een tak in haar hand en op de tafel
liggen nog meer planten.

Ze is omringd door blanke (!) putti.
Mollige kinderfiguurtje, bijna altijd mannelijk
en meestal naakt.
Ze zijn als helpertjes bezig planten en insekten
te ordenen.

DSC05477ZürichInFrauenhandFriedrichOttensFrontispizKupferstichUndRadierungInMariaSibyllaMerianHistoireGénéraleDesInsectesDeSurinamEtDeTouteLÉuropeParis1771

Als je dan door het raam kijkt, zie je een
geidealiseerd beel van Suriname:

  • in het midden, in een open veld, een blanke vrouw,
    ze verzamelt met een netje vlinders en andere insekten,
    of is het een schepje waarmee ze planten uitgraaft?
  • rechts, tussen de bomen, twee heren is westerse kledij,
  • links met vracht op het hoofd/schouder, twee figuren van kleur.
  • in de verte een stad of dorp.
  • helemaal links een huis met een brug.
  • het geheel geeft geen beeld van woeste natuur maar
    van een goed georganiseerd landschap.

In één beeld de maakster van het boek en de voorgeschiedenis.

DSC05478ZürichInFrauenhandFriedrichOttensFrontispizKupferstichUndRadierungInMariaSibyllaMerianHistoireGénéraleDesInsectesDeSurinamEtDeTouteLÉuropeParis1771


DSC05479ZürichInFrauenhandMariaSibyllaMerianVigneBlancheD'AmeriqueKupferstichUndRadierungKoloriertInMetamorphosisInsectorumSurinamensium

Maria Sibylla Merian, Vigne blanche d’Amerique (de vlinder), kupferstich und radierung, koloriert. In: Metamorphosis Insectorum Surinamensium.

DSC05480ZürichInFrauenhandMariaSibyllaMerianVigneBlancheD'AmeriqueKupferstichUndRadierungKoloriertInMetamorphosisInsectorumSurinamensium


Specifiek aandacht voor Maria Sibilla Merian
is hier wel op zijn plaats.
Daarom een korte levensbeschrijving en haar activiteiten
rond Metamorphosis Insectorum Surinamensium.

Maria Sibylla Merian (1647–1717)

Maria Sibylla Merian was een uitzonderlijke kunstenaar‑onderzoeker
in een tijd waarin vrouwen nauwelijks toegang hadden
tot formele wetenschappelijke netwerken.
Opgegroeid in Frankfurt in een milieu van graveurs en uitgevers,
ontwikkelde zij al vroeg een scherp oog
voor de metamorfose van insecten.
Waar haar mannelijke tijdgenoten insecten vaak
als geïsoleerde dieren bestudeerden,
observeerde Merian ze in hun volledige ecologische context:
eitjes, rupsen, poppen, vlinders,
en ook planten, parasieten en roofdieren,
vormden voor haar één samenhangend web van leven.

In 1699 reisde zij met haar dochter Dorothea naar Suriname.
Daar werkte zij onder zware omstandigheden,
maar ook in een omgeving waar kennis over planten en dieren
diep verweven was met het dagelijks leven van
inheemse en tot slaaf gemaakte mensen.
Zij leefden letterlijk tussen de insecten en planten
die Merian wilde bestuderen.
Via gesprekken, observaties en gedeelde praktijken
kreeg Merian toegang tot inzichten
die in Europa onbekend waren:
welke rupsen giftig waren, welke planten geneeskrachtig,
welke dieren elkaar opzochten of juist meden.
Deze kennis, vaak mondeling en kwetsbaar,
vormt een stille maar cruciale laag in haar werk.

Het resultaat, Metamorphosis Insectorum Surinamensium (1705),
is zowel kunst als wetenschap:
een monument van nauwkeurigheid, kleur en ecologische verbeelding.
Merian plaatste zichzelf
— een vrouw, een immigrant, een kunstenaar —
midden in een wereld die haar formeel buitensloot.
Maar haar werk is ook het product van gedeelde kennis,
waarin de stemmen van Suriname,
lang onzichtbaar gehouden, opnieuw hoorbaar worden.

In Frauenhand / In Her Hand

– over vrouwelijke kunstenaars in de schatkamer van de geschiedenis –

Terwijl ik in Zürich was ben ik een tentoonstelling
gaan bekijken in de Schatzkammer van de Zentralbibliothek.
De tentoonstelling gaat in op het ‘achterblijven’ van
vrouwen in de kunsten en wil een begin maken
met het inhalen van de achterstand.

DSC05462ZürichSchatzkammerZentralbibliothekInFrauenhandInHerHand Txt

Those responsible for writing history have paid scant attention to women artists over the centuries. To this day, compared to their male counterparts, they are both vastly underrepresented in public collections and less prestigious financially.
What is the basis for this reluctance to recognise the creative drive of women and why have they been consistently omitted from the art history books? Were there certain favourable conditions which facilitated their succes despite societal restrictions?
The exhibits on display in the Schatzkammer look at art training and education, the choise of model and subject, self-depiction, how women artists carved out niches for themselves and strategies for self-promotion or concessions made to the art market. Female art photographers are brought under the spotlight in the Turicensia Lounge in the main library building.
And in the Reading Room, artistic interventions by three generations of women artists – Cornelia Hesse-Honegger, Elisabeth Eberle and Hanna Koepfle – open thought-provoking viewpoints on today’s world.

Een goede manier om een tentoonstelling in een bibliotheek
te beginnen is natuurlijk met een boek.

DSC05463ZürichInFrauenhand 01 GiorgioVasariTitelbladDerVitaVonProperziaDeRossiHoutsnedeInLeViteDePiuEccellentiPittiriScultoriEArchitettoriFlorenz1586

Zürich, In Frauenhand / In Her Hand, Giorgio Vasari, Titelblad Der Vita von Properzia de’ Rossi, houtsnede in Le vite de piu eccellenti pittiri, scultori e architettori, Florenz, 1586.


Properzia de’ Rossi is een vrouw die actief was
tijdens de Italiaanse Renaissance.
Ze is een van de zeer weinige vrouwen
die erkenning kreeg als beeldhouwer.

  • Geboren: ca. 1490 in Bologna
  • Overleden: 1530 in Bologna
  • Discipline: beeldhouwkunst, miniatuur‑snijwerk, later ook marmer en gravure

Ze geldt als een van de eerste professionele vrouwelijke beeldhouwers in West‑Europa.
Ze is de enige vrouw die een eigen hoofdstuk kreeg in Giorgio Vasari’s eerste editie van Le Vite (1550), tussen 142 mannelijke kunstenaars.

DSC05463ZürichInFrauenhand 02 GiorgioVasariTitelbladDerVitaVonProperziaDeRossiHoutsnedeInLeViteDePiuEccellentiPittiriScultoriEArchitettoriFlorenz1586

Dan vind ik het leuk dat Vasari haar ook aanduidt als ‘Scultrice’ – Beeldhouwster.


DSC05464ZürichInFrauenhandSuzannaMariaVonSandrartBrunnenAufPlatzDerHeiligenDreieinigkeit1675EtsInKoachimVonSandrartDieTeutscheAcademie

Suzanna Maria von Sandrart, Brunnen auf Platz der Heiligen Dreieinigkeit, 1675, ets in Joachim von Sandrart: Die Teutsche Academie der Edlen Bau-, Bild- und Mahlerey-Künste, Nürnberg.

DSC05465ZürichInFrauenhandSuzannaMariaVonSandrartBrunnenAufPlatzDerHeiligenDreieinigkeit1675EtsInKoachimVonSandrartDieTeutscheAcademie Txt


Suzanna (Susanna) Maria von Sandrart (1658–1716) was een Duitse tekenares en kopergraveerster uit Neurenberg, afkomstig uit een van de meest invloedrijke kunstenaarsfamilies van de 17e eeuw. Ze werkte binnen het familiebedrijf van uitgeverij en kunsthandel Sandrart en werd al vroeg erkend om haar talent.

Suzanna Maria von Sandrart geldt als een van de weinig goed gedocumenteerde vrouwelijke kunstenaars uit de Duitse barok. Haar eigen notities, haar rol in een prominente kunstenaarsdynastie en haar bijdrage aan de grafische productie van Neurenberg maken haar tot een belangrijke figuur in de kunstgeschiedenis.

Joachim von Sandrart was haar oom.

DSC05466ZürichInFrauenhandJohannRudolfSchellenbergPorträtVonAnnaWaserEtsInJohannCasparFüssliDÄGeschichteDerBestenKünstlerInDerSchweitzZürich1770DSC05467ZürichInFrauenhandJohannRudolfSchellenbergPorträtVonAnnaWaserEtsInJohannCasparFüssliDÄGeschichteDerBestenKünstlerInDerSchweitzZürich1770

Johann Rudolf Schellenberg, Porträt von Anna Waser, ets in Johann Caspar Füssli der Ältere, Geschichte der besten künstler in der Schweitz, Zürich, 1770.


Anna Waser (1678–1714) was een Zwitserse kunstenaar uit Zürich.
Ze is een van de eerste erkende vrouwelijke kunstenaars in Zwitserland.
Ze was actief als miniaturenschilderes, tekenares, etser
en kalligrafe in de periode van het hoogbarok.
Haar werk werd gewaardeerd aan vorstenhoven zoals die van
Stuttgart en Baden-Durlach,
en ze werd in 1700 benoemd tot hofschilderes op Schloss Braunfels
Ze werd daarnaast geprezen om haar brede humanistische opleiding en haar beheersing van talen zoals Latijn, Frans en Italiaans.

DSC05469ZürichInFrauenhandAntoinetteLisetteFäsiVraagtBombardementObDemLindenhofInZürichGeschehenDen13Herbstmonat1802Scherenschnitt

Antoinette Lisette Fäsi (?), Bombardement ob dem Lindenhof in Zürich, Geschehen den 13. Herbstmonat 1802, scherenschnitt (silhouetknipsel).


DSC05471ZürichInFrauenhandAntoinetteLisetteFäsiVraagtEinMögliches(Selbst)PorträtUm1800Scherenschnitt

Antoinette Lisette Fäsi (?), Ein mögliches (Selbst) Porträt, um 1800, scherenschnitt.


DSC05472ZürichInFrauenhandAntoinetteLisetteFäsiVraagtJohannCasperLavaterAmSchreibpultUm1790Scherenschnitt

Antoinette Lisette Fäsi (?), Johann Casper Lavater am schreibpult (schrijfmeubel), um 1790, scherenschnitt.


Een eerste introductie op een serieus onderwerp
maar met heel wat humor.

Een Omslag om te Strelen

Als het kwartaalblad op de spreekwoordelijke mat valt
kijk ik altijd blij verrast op.
Je weet zeker dat het blad een mooie omslag zal hebben.
Iedere keer gemaakt door een andere margedrukker.

Nieuwsbrief 195 was bijzonder geslaagd.
De omslag is heel aaibaar.
Zo kort na Driekoningen ontvang je ook de Koppermaandagprent.
Die zat er ook dit jaar weer bij.

De omslag was gemaakt in een atelier van het Nederlands Steendrukmuseum.
Door Ana Carolina de Março en Rolf Maas.
Nee, niet ouderwets of stoffig.
Het museum legt de grafische wortels van ASML bloot!

Het drukken met een lithosteen leverde een tactiel resultaat op.
Veel mensen smelten bij het zien van een kat of poes.
Mijn buurvrouw ook.
Toen ik haar de omslag liet zien,
zag ik hoe het beeld haar meteen meenam.

Kijk met me mee.

IMG_8801 01 AnaCarolinaDeMarçoDrukwerkInDeMargeNr195NederlandsSteendrukMuseumOpal250grPapier

Omslag van Nieuwsbrief 195 van DidM door Ana Carolina de Março en Rolf Maas.


IMG_8801 02 AnaCarolinaDeMarçoDrukwerkInDeMargeNr195NederlandsSteendrukMuseumOpal250grPapier

De letters zijn niet zo strak en vol gevuld, dat wekt de suggestie van zachtheid op. Ze versterken daardoor de zachtheid van de vacht van het dier.

IMG_8801 03 AnaCarolinaDeMarçoDrukwerkInDeMargeNr195NederlandsSteendrukMuseumOpal250grPapier

Met slechts drie kleuren is het resultaat heel geslaagd.

IMG_8800AnaCarolinaDeMarçoDrukwerkInDeMargeNr195NederlandsSteendrukMuseumOpal250grPapier

Om iedereen optimaal te laten genieten terwijl de breedte van mijn blog beperkt is, heb ik de lengte van kat ook nog een keer gekanteld opgenomen.

Het papier.
De omslag is gemaakt van Opal 250 grams papier.
Dat papier heeft een hele zachte uitstraling en
voelt zo ook aan.
Dat past perfect bij de vacht van het dier.

Koppermaandag.
Middeleeuws feest voor drukkers.
Melanie van der Linde toont haar vaardigheden.
Ze tovert een zomerse foto om van een botenkerkhof en
de daarbij horende geschiedenis,
naar een prent die ons tot nadenken verleidt over erfgoed.

In haar prent legt Melanie van der Linde een onverwachte lijn
tussen de wrakken van de vissersboten,
hun erfgoedfunctie voor het dorp in Bretagne
en het behoud van drukkerserfgoed.

IMG_8802Koppermaandagprent2026MelanieVanDerLindeLaMereRetientLeursOmbres

Koppermaandagprent 2026, Melanie van der Linde, La mere retient leurs ombres.


De klim naar binnen: Petrarca op Mont Ventoux

– hoe een bergtocht verandert in een zoektocht tussen klassieke en christelijke teksten –

Een klassieke opleiding heb ik niet.
Dus voor mij geen Latijn of Grieks.
Maar een uitgave van Factotum Pers
vind ik steeds opnieuw de moeite waard.

Deze keer een Latijnse brief van Francesco Petrarca:
Beklimming van de Mont Ventoux.
In een Nederlandse vertaling van Vincent Hunink.

IMG_8794FrancescoPetrarcaBeklimmingVanDeMontVentouxVertalingVincentHuninkFactotumPers

Francesco Petrarca, Beklimming van de Mont Ventoux, vertaling Vincent Hunink, Uitheverij Factotum Pers.


Met veel plezier las ik dit boek dat op het eerste gezicht
toeristische informatie gaat geven
over een wandeltocht naar de top van de berg.

Maar al snel blijkt het een boek met vele lagen:
een verslag van een wandeling
met dwalende gedachten van de wandelaar;
maar ook klassieke en christelijke teksten
die dienen zodat Petrarca zich kan herbronnen.

Het exemplaar dat ik kocht is hand gebonden,
heeft mooie blauwe schutbladen die heel goed passen
bij de illustratie op de titelpagina van Mont Ventoux.

IMG_8796FrancescoPetrarcaBeklimmingVanDeMontVentouxVertalingVincentHuninkFactotumPersIMG_8797FrancescoPetrarcaBeklimmingVanDeMontVentouxVertalingVincentHuninkFactotumPers

Het zijn dit soort op het eerste gezicht kleine elementen
die het boek interessant maken.
Die elementen zie je in de fysieke uitvoering van het boek
en in de tekstbehandeling.

De tekst is opgedeeld in 8 delenen nadat ik begon te lezen
kwam ik er al snel achter dat in ieder deel allerlei interessants zat.
Een aantal van die zaken loop ik hieronder door.

De tekst verdient ook een meer poëtische inleiding
in een tweede stem:

Inleiding

Francesco Petrarca’s brief over de beklimming van de Mont Ventoux
is veel meer dan een verslag van een bergtocht.
Het is een tekst waarin persoonlijke ervaring, klassieke eruditie
en christelijke reflectie samenkomen.

De brief, gericht aan Dionigi da Borgo San Sepolcro,
is doordrenkt van citaten en verwijzingen
die Petrarca’s intellectuele identiteit onthullen:
een humanist die zoekt naar het gelukzalige leven,
balancerend tussen aardse schoonheid en innerlijke plicht.

In deze bespreking verken ik hoe Petrarca
klassieke en christelijke referenties verweeft,
van Vergilius tot Paulus, van Hannibal tot Augustinus,
en hoe hij zijn fysieke klim gebruikt als metafoor
voor een veel grotere, innerlijke stijging.

Haemus in Thessalië
Eind december was ik al in gesprek over een geografische kwestie
waarover Vincent van Hunink mij al snel de juiste gegevens kon aanleveren.
Al in de Latijnse tekst staat de ligging van de berg Haemus verkeerd.

ScreenshotBrontekst

Paulus brief aan Korinthe
In de brief beschrijft Petrarca hoe hij zijn klimgenoten koos.
Kort samengevat voldeden de meeste van zijn vrienden niet
omdat hij vermoedde dat een uitdaging als het beklimmen van een berg
een te zware wissel op hun vriendschap zou trekken.
Hij besloot zijn broer mee te vragen.

In de noten verwijst Vincent Hunink naar de eerste brief van Paulus
aan de gemeente in Korinthe.
Toen ik die opzocht bleek dat een prachtige tekst te zijn over liefde.
Ook los van Petrarca absoluut de moeite waard om eens te lezen.

Vergilius en ‘gelijke pas’
In boek 2 van Vergilius’ Aeneis
zien we Aeneas niet als een triomfator,
maar als een vluchteling.

Troje brandt, de stad is verloren,
en toch kiest Aeneas niet voor roekeloze strijd.
Hij kiest voor pietas: zorg voor zijn vader Anchises,
zijn zoon Ascanius en de huisgoden.

Dit moment, waarin zij “met gelijke pas” vertrekken, lijkt klein,
maar draagt een enorme symbolische kracht.
Het is een beeld van orde te midden van chaos,
een rituele beweging die de kiem van Rome in zich draagt.

Vergilius transformeert nederlaag tot lotsbestemming.
Het lot bepaalt dat Troje moet vallen,
maar dat Aeneas een nieuwe stad zal stichten.
Zijn vlucht is geen teken van zwakte,
maar een noodzakelijke stap in een goddelijk plan.

Door Anchises te dragen en Ascanius te leiden,
belichaamt Aeneas niet alleen Romeinse waarden,
maar ook een tijdslijn: Anchises staat voor het verleden van Troje,
Aeneas voor het heden van plicht en strijd en
Ascanius voor de toekomst van Rome.

Hun gezamenlijke beweging is een levend symbool van continuïteit:
uit de as van Troje groeit een nieuwe beschaving.

Vergilius laat zien dat grootse beschaving
niet ontstaat uit brute kracht,
maar uit samenhang en plichtsbesef.
Zelfs in ondergang is er een kern van orde
die kan uitgroeien tot een rijk.

Voor Vergilius’ Romeinse lezers was dit herkenbaar en ideologisch geladen.
In een tijd waarin Keizer Augustus vrede en stabiliteit bracht na burgeroorlogen,
bevestigde de Aeneis dat Rome’s grootheid niet toevallig was,
maar geworteld in lotsbestemming en morele waarden.
Uit de as van Troje verrijst Rome – niet door chaos, maar door eenheid.
Saamhorigheid is een sleutel tot het succes van Rome.

IMG_8795FrancescoPetrarcaBeklimmingVanDeMontVentouxVertalingVincentHuninkFactotumPers

De bergtocht en religieuze groei
De tocht staat niet alleen voor religieuze groei,
maar voor een bredere humanistische ontwikkeling.
Petrarca’s beklimming van de Mont Ventoux is
een metafoor voor het streven naar een hoger leven.
Maar dat “gelukzalige leven” (vita beata) is niet uitsluitend christelijk.

Het begrip komt uit de klassieke filosofie van Cicero en Seneca,
waar het een leven in wijsheid en deugd betekent.
Petrarca speelt bewust met die dubbele traditie:
hij citeert Augustinus en verwijst naar Paulus,
maar gebruikt tegelijk Vergiliaanse frasen en stoïcijnse ideeën.

Zijn tocht is daarom niet enkel een spirituele klim,
maar een intellectuele en morele zoektocht.
Het uitzicht op de natuur, zijn reflectie op eigen zwakheid
en de spanning tussen aardse schoonheid en innerlijke plicht
tonen een humanistische synthese:
een poging om klassieke erfenis en christelijke moraal te verenigen
in één ideaal van persoonlijke groei.

Hannibal, vuur en azijn
De verwijzing naar Hannibal is geen losse anekdote,
maar een retorisch middel om Petrarca’s klim
te presenteren als een heroïsche, morele onderneming.
Door Hannibal te noemen, roept Petrarca het beeld op
van een legendarische tocht vol ontberingen en doorzettingsvermogen.
Hannibal overwon fysieke obstakels om een militair doel te bereiken;
Petrarca gebruikt die vergelijking om zijn eigen inspanning
te verheffen tot een strijd tegen innerlijke zwakheid en aardse verlangens.

De anekdote dat Hannibal rotsen splijt met vuur en azijn
past prima in dit retorische middel:
het benadrukt vindingrijkheid en volharding tegenover natuurkrachten.
Zo wordt de beklimming van de Mont Ventoux niet slechts een wandeling,
maar een symbolische klim naar inzicht en deugd

IMG_8798FrancescoPetrarcaBeklimmingVanDeMontVentouxVertalingVincentHuninkFactotumPers

“Haten en anders tegen mijn zin”
Het retorische contrast in
“Ik zal haten als ik kan. Zo niet, dan liefde voelen, tegen mijn zin”
versterkt Petrarca’s innerlijke strijd.
De eerste zin is actief:
Petrarca presenteert zichzelf als handelend,
vastbesloten om zich los te maken van liefde door haar te haten.
De tweede zin keert dit om:
hij wordt passief, Petrarca als een lijdend voorwerp
dat tegen zijn wil door liefde wordt overweldigd.

Dit contrast tussen wilskracht en onmacht
creëert een dramatische spanning die de psychologische diepte van de brief vergroot.
Het laat zien hoe Petrarca niet alleen worstelt met aardse verlangens,
maar ook erkent dat menselijke wil begrensd is.

Climax
Tegen het slot van de brief bereikt Petrarca zijn morele climax
met een gedachte die wortelt in zowel Seneca als Augustinus.
De zin “terwijl er toch niets bewondering verdient behalve de ziel:
wanneer die groot is, is voor haar niets groot”
echoot Seneca’s stoïcijnse overtuiging dat uiterlijke dingen
geen werkelijke grootheid bezitten;
alleen de ziel verdient bewondering.

Tegelijk sluit dit aan bij Augustinus’ Belijdenissen (10,15),
waar hij bekritiseert dat mensen zich verliezen in uiterlijke wonderen
– bergen, zeeën, sterren –
en zich afkeren van hun eigen ziel,
terwijl juist daar de ware grootheid ligt:
“En ze gaan weg bij zichzelf.”

Petrarca verbindt deze twee tradities tot één humanistische boodschap:
de beklimming van een berg is indrukwekkend,
maar de ware hoogte ligt in de innerlijke klim van de ziel.

IMG_8799FrancescoPetrarcaBeklimmingVanDeMontVentouxVertalingVincentHuninkFactotumPers

Dionigi da Borgo San Sepolcro
Het zal iedere lezer van dit bericht wel duidelijk zijn
dat de brief van Petrarca niet een soort ansichtkaart vanaf een vakantiebestemming is.
De geadresseerde is dan ook een bijzonder persoon:

Dionigi da Borgo San Sepolcro (ca. 1300–1342)
was een Augustijner monnik en geleerde uit Toscane.
Hij studeerde theologie aan de Sorbonne in Parijs
en werd later actief in Avignon, waar hij Petrarca leerde kennen.
Dionigi fungeerde daar als Petrarca’s biechtvader en adviseur,
en bracht hem in contact met werken van Augustinus,
waaronder de Belijdenissen.
Deze ontmoeting speelde een grote rol in Petrarca’s spirituele en intellectuele ontwikkeling,
maar hij bleef ook andere invloeden volgen.

Dionigi werd in 1340 benoemd tot bisschop van Monopoli (Zuid Italië)
en overleed in 1342 in Napels.

Conclusie

De Mont Ventoux-brief laat zien dat Petrarca niet simpelweg een berg beklimt,
maar een literair en filosofisch experiment uitvoert.
Hij gebruikt klassieke stemmen zoals Vergilius, Ovidius, Hannibal en Seneca,
naast christelijke bronnen als Paulus en Augustinus,
om zijn eigen zoektocht vorm te geven.

De tekst beweegt tussen actieve wil en passieve overgave,
tussen uiterlijke hoogte en innerlijke grootheid.
Uiteindelijk klinkt in het slot de humanistische synthese door:
“En ze gaan weg bij zichzelf”
– een waarschuwing van Augustinus die Petrarca tot zijn eigen motto maakt.

De beklimming van een berg is indrukwekkend,
maar de ware hoogte ligt in de klim van de ziel.

Ontwerp voor lino

Een tijdje terug kocht ik een linopers.
Dus alle reden om linosnedes te gaan maken.
Daarbij begin je bij inspiratie.

De laatste tijd ben ik intensief bezig geweest
met de verzameling van het National Museum
in New Delhi.
Het ligt dan voor de hand iets uit die collectie te nemen
dat als voorbeeld gaat dienen.

Een van de eerste vazen uit Harappa, heb ik gekozen.
Het is een lage, bolle vaas met twee motieven.
Door de manier waarop de vaas in de vitrine staat
zie je op mijn foto het motief maar half.
Dat is geen ramp. Het motief is heel geometrisch.

Ik ben begonnen het motief over te nemen
op een stuk karton, een oude envelop.
Het gaat me er om gevoel te krijgen bij het motief.
Dat pak ik als volgt aan:

IMG_8788Harappa

Op het scherm zie je de foto van de vaas met aan de rechterkant het motief. Voor het pc-scherm ligt het stuk karton waarop ik begonnen ben.

IMG_8789Harappa

Ik ben al weer wat verder. Dat ik niet bij de rechte lijnen moet beginnen maar met de ovalen, is me intussen al duidelijk geworden.


Misschien schiet de vraag bij je te binnen
waarom ik niet aan AI vraag het motief
te isoleren en glad te strijken.
Dat heb ik gedaan en dat leverde een bijzonder ontwerp op.
Misschien ga ik dat ook wel gebruiken.
Maar het is een heel ander motief
dan dat je op de vaas ziet.

CopilotHarappa

Dit is zoals Copilot het motief ziet.


‘En u weet,’ zei ze, ‘dáárheen is niks!’

– over een essay dat me in verwarring achterliet –

IMG_8791Je mot naar 't Oostfront gaan

Ellen Krol, Uitgeverij Fragment, Je mot naar ’t Oostfront gaan, dan ken je dik op je donder krijgen.


Uitgeverij Fragment publiceerde onlangs in boekvorm het essay
‘Je mot naar ’t Oostfront gaan, dan ken je dik op je donder krijgen’
van Ellen Krol.
Het essay gaat over het boek ‘De oorlog in stukjes’, een keuze
uit de Kronkels van Simon Carmiggelt die over de oorlog gaan.

Het Parool publiceerde de stukjes van Carmiggelt, de Kronkels,
van januari 1945 tot aan zijn dood in 1987.
Ellen Krol geeft aan dat twee zaken missen in dat boek:
– ze mist annotaties en tekstkritiek
– er is geen verantwoording afgelegd over waarom deze stukjes
het tot in het boek gehaald hebben en anderen niet.
Voor mij betekent dit dat het boek niet de ambitie heeft
een wetenschappelijk werk te zijn, maar wil het een boek
voor het grote publiek zijn.
Niks mis mee, zeker bij Carmiggelt.
Maar ik verwachtte een essay dat een interpretatie bood,
maar kreeg vooral een thematische inventarisatie.

Dat mevrouw Krol meer wil bij ‘De oorlog in stukjes’
kan ik me goed voorstellen.
Daarom was/ben ik benieuwd naar het doel van haar essay.
Ze zegt daarover:

Vooraf dus de vraag welk beeld van eigen verzetsbetrokkenheid de ‘ik’ gaf in deze gebundelde Kronkels. Vooral gaat het mij verder om de vraag welk beeld Carmiggelt geeft van de Nederlanders onder Duitse bezetting, en meer specifiek van de relatie tussen vervolgden en niet-vervolgden.

Een paar regels verder voegt ze daar nog aan toe:

Mijn conclusies gelden alleen voor deze bundel van eenenvijftig Kronkels, …

en

Daarnaast zijn er typeringen van Duitsers op straat, Duitsers na de oorlog, toevallige helden, uitgesproken profiteurs, sappelaars voor de goede zaak en overgebleven stille betrokkenen.

Ellen Krol beschrijft haar onderzoeksvragen helder,
maar werkt deze in het essay niet uit tot conclusies.

In 2024 verscheen van haar hand het boek ‘Onbevrijd gevoel’
waarin ‘Ellen Krol werk van schrijvers over de Jodenvervolging (herleest) uit de periode 1957 tot 2019, zoals van Marga Minco, Ida Vos, Gerhard Durlacher, Hanny Michaelis, Clarissa Jacobi en Armando. Aangevuld met besprekingen van bloemlezingen over de oorlog wordt van een grote groep schrijvers als Simon Carmiggelt, Gerrit Kouwenaar, Bob den Uyl, Andreas Burnier, M. Vasalis, Jacov Lind, Sal Santen, F.B. Hotz, Jan Wolkers e.a. duidelijk hoe gedacht werd over de verhouding tussen de wel- en niet-vervolgde bevolkingsgroepen.’

Dit essay lijkt een vervolgopdracht.

Maar het essay laat me in verwarring achter omdat
Ellen Krol haar onderzoeksvragen helder beschrijft,
maar het essay vooral een inventarisatie blijft van de Kronkels
en ik de beloofde conclusies mis.

Mevrouw Krol schrijft eerst over het verschil tussen
‘gewone’ Nederlanders en Simon Carmiggelt.
Voor mij wordt niet duidelijk wat dit precies toevoegt
aan haar verhaal.

Dan volgt het hart van haar essay:
een inleiding gevolgd door een indeling per periode met een reeks citaten.
Die citaten zijn charmant — je hoort Carmiggelt bijna spreken —
maar ze worden niet ingebed in een analytisch betoog

Echte conclusies ontbreken. Dat lijkt me ook erg moeilijk
omdat het essay reageert op een boek dat een keuze in de Kronkels bevat.
Om goed conclusies te kunnen trekken zou een gedegen analyse
van alle Kronkels nodig zijn op het aspect oorlog.

Daarom is voor mij de opmerking op pagina 16 over het moment
waarop Carmiggelt schrijft over de Jodenvervolging niet
een echte conclusie:

‘Dat er in 1947 en 1958 Kronkels over deportaties in de krant stonden, is vroeg als je in aanmerking neemt dat de Jodenvervolging in de jaren ’50 bijna uit het collectieve geheugen gewist leek….’

Het essay verschijnt op de vertrouwde manier.
Een heel verzorgd uiterlijk, met een mooie omslag
die prettig in de hand ligt.

De titel van dit bericht is de laatste zin van het essay.
Wat mij betreft erg goed gekozen.
Het citaat van de Kronkel ‘Niks’ is typisch Carmiggelt.
Hij loopt op straat in Amsterdam en wordt dan aangesproken.
Een vrouw vertelt hem een verhaal en besluit met dat ze
nog steeds Duitsers de verkeerde kant op stuurt
als haar naar de weg gevraagd wordt.

Natuurlijk moest ik meteen denken aan de uitzending uit 1985
‘Gedane zaken gaan niet meer tekeer / Do ist der Bahnhof!’.
Waarin Gé en Arie Temmes filosoferen over de dodenherdenking
en vertellen hoe ze nog steeds Duitse vakantiegangers
in de verkeerde richting sturen voor het station.
Is daar een relatie?

Misschien is het precies deze mengeling van observatie en
gemis aan duiding die me achterlaat met het gevoel dat er
minder is dan ik had gehoopt.

Museum of Mexican Prehispanic Art

In Oaxaca is een heel apart museum.
Er zijn wel meer musea in Mexico met voorwerpen
van de volkeren van vóór de Spaanse bezetting.
Maar die musea zijn bijna nooit opgericht en
ingericht door een kunstenaar,
zodat de nadruk niet op de archeologische kwaliteiten
van de voorwerpen liggen, maar op de kunstzinnige.

De kunstenaar die hiermee begonnen is, heet Rufino Tamayo.
Zelf actief als kunstenaar in Mexico maar ook internationaal.

Rufino Arellanes Tamayo (Oaxaca, 28 augustus 1899 – Mexico-Stad, 24 juni 1991) was een Mexicaans kunstschilder.

Tamayo was een Zapoteek uit de staat Oaxaca. Zijn werken zijn vooral geïnspireerd door het indiaanse Mexico en hij heeft zich altijd afgezet tegen de heersende ‘revolutionaire’ schilders in Mexico als David Alfaro Siqueiros en Diego Rivera. Deels daardoor verbleef hij samen met zijn echtgenote een groot deel van zijn leven buiten Mexico, voornamelijk in New York en in Parijs. Hoewel hij zich wel heeft laten inspireren door onder andere het kubisme, impressionisme en fauvisme heeft hij altijd geweigerd zichzelf tot een bepaalde stroming te rekenen.

De werken die Tamay heeft verzameld en samengebracht
zijn niet naar tijdvak of functie georganiseerd.
Ze zijn samengebracht in zalen die ieder voor zich
een eigen kleur hebben.
We kijken in de eerste plaats naar kunstwerken.
Werken die zo zijn geplaatst dat ze optimaal uitkomen.

IMG_8724MuseumOfMexicanPrehispanicArtRufinoTamayo CatalogusIMG_8725MuseumOfMexicanPrehispanicArtRufinoTamayoIMG_8726MuseumOfMexicanPrehispanicArtRufinoTamayoIMG_8727MuseumOfMexicanPrehispanicArtRufinoTamayo

In de toekomst ga je daar nog heel wat voorbeelden van zien.


Grounding / STANDVAST

– Zoektocht naar ritme, klank en betekenis.
Van whispers naar sussend, van deed naar was, van Grounding naar STANDVAST –

Een paar weken geleden kocht ik van Helen Moss
een drukker uit Schotland een boekje.
De titel is Grounding.
Ze noemt het zelf een pamflet.

IMG_8097LauraMRHarrisonHelenMossGroundingPoemEngravingAwenPressCreetownScotland2025 Omslag

Laura M.R, Harrison (poem) and Helen Moss (engraving, printing) , Grounding, Awen Press, Creetown, Scotland, 2025.

Het boekje bevat een gedicht en een gravure en
het is gedrukt door de private press / margedrukker
Awen Press.
Na wat gedoe met invoerrechten had ik vandaag
tijd er nog eens goed naar te kijken.

IMG_8098LauraMRHarrisonHelenMossGroundingPoemEngravingAwenPressCreetownScotland2025 Bericht

Het boekje is een eenvoudige binding maar
met heel veel zorg gemaakt en gedrukt.
Al bladerend wilde ik zeker weten of ik
het gedicht begreep en besloot het te vertalen.

IMG_8099LauraMRHarrisonHelenMossGroundingPoemEngravingAwenPressCreetownScotland2025 Watermerk

Watermerk in het papier.

Door in dit bericht mijn proces te beschrijven
komen er misschien lezers op suggesties.
Ik hoor ze graag.
Ik las en werkte met Copilot.

Vandaag begon ik met het lezen
van het gedicht van Laura M.R. Harrison:

Grounding

I stand ground in place
And the earth whispers
As wisely as it ever did

De eerste stap was het analyseren van
de structuur en het ritme.
De eerste twee regels hebben een cadans
van 123, 12 / 123, 12.
(I stand ground= 123, in place= 12)
Waarbij de slotwoorden (in place, whispers)
kort afbreken.
De derde regel wijkt bewust af van dit patroon.

Dat ritme, dat is natuurlijk interpretatie
In de eerste twee regels van Harrison
staan daarvoor geen aanwijzingen.
Maar in de Nederlandse versie benadruk ik
het ritme met extra spaties.

Daarna onderzocht ik de klankkleur.
Het Engelse ‘whispers’ heeft zachte s‑klanken,
die de regel ademend en vloeiend afsluiten.
Terwijl het voor de hand liggende, Nederlandse ‘fluistert’
harder eindigt met een t en de regel abrupt afsluit.
Daarom koos ik voor ‘sussend’.
Daarmee blijft de adem open, de klank zachter,
en de cadans dichter bij het origineel.

De eerste vertaling van de slotzin was
“Zo wijs als ze altijd deed”.
Waarbij ‘deed’ terug voerde op het Engelse ‘did’.
Daarmee verwees de wijsheid van de slotzin,
naar het handelen van whispers zelf.
Toch klonk dit in het Nederlands stroef:
‘deed’ sluit hard af en legt de nadruk op een handeling
die niet goed past bij het zachte ‘sussend’.
Daarom koos ik uiteindelijk voor
“Zo wijs als ze altijd was”.
Daarmee verschuift de betekenis van een handeling
naar een toestand: de aarde ís wijs, en blijft dat.
Het resultaat klinkt natuurlijker in het Nederlands en
behoudt de kwaliteit van Harrison’s slotregel.

Ten slotte de titel.
Waar Harrison ‘Grounding’ gebruikt
— een proces van aarden —
kies ik voor STANDVAST.
Dit woord is ongebruikelijk, maar prikkelend:
het suggereert zowel standhouden als een verankering.
De hoofdletters ondersteunen dat.
Het past bij de eerste regel ‘Ik sta vast plaats rust’ en
geeft de vertaling een eigen kracht.

IMG_8101LauraMRHarrisonHelenMossGroundingPoemEngravingAwenPressCreetownScotland2025 PoemEngraving

Dan nog even over de gravure.
Helen Moss koos voor de meidoorn.
Een struik of boom met stevige doornen.
Daardoor is hij moeilijk te snoeien
of te verwijderen.
Dat fysieke “weerbarstige” karakter kan
heel goed aansluiten bij het gedicht:
een beeld van iets dat standhoudt.

Eindresultaat

STANDVAST

Ik sta vast   plaats rust
De aarde    sussend
Zo wijs als ze altijd was

IMG_8102LauraMRHarrisonHelenMossGroundingPoemEngravingAwenPressCreetownScotland2025 Colofon


Lessons of love

“I’m not proud, I was wrong — and the truth is hard to take”

Lessons of love verwijst naar het gelijknamige essay van Arends,
waarin liefde wordt benaderd als een leerproces:
een manier van kijken, luisteren en leven.

De titel echoot ook de popsong Lessons in Love van Level 42,
waarin verlies, reflectie en herwaardering centraal staan.
Het verschil tussen of en in is geen toeval:
waar de song spreekt over lessen binnen de liefde,
gaat het hier om lessen vanuit de liefde
Lessen die zich uitstrekken tot onze omgang met natuur,
zorg en verbondenheid.

En dan is er nog de heart-shaped rhododendron die Wang Preston
vaak fotografeerde:
een tastbare vorm van liefde in het landschap.

IMG_8054BergitArendsLessonsOfLove(Rhododendron)

Zo krijgt de titel een driedubbele betekenis:
geleerd door liefde,
geleerd over liefde, en
liefde als vorm in de wereld.

In het boek With love, from an invader staan foto’s
en teksten van Yan Wang Preston en verwante schrijvers.
Zo is er een tekst opgenomen van Dr Bergit Arends,
curator moderne kunst, kunsthistoricus met een speciale
interesse voor ecologie.

Terwijl ik het essay ‘Lessons of love’ van Arends las,
kwamen er Engelse begrippen langs
waarvan ik vermoedde dat er meer achter zat
dan ik door de vertaling van de woorden kon achterhalen.

Het waren vooral de volgende begrippen:
= spontaneous human-plant communications, en
= multi-species assembles of plants within their habitat.

Nadat ik via Copilot ontdekte wat met de begrippen
bedoeld wordt, werd duidelijk dat achter deze begrippen,
een hele denkwereld zit.
Een denkwereld die nog niet breed gedeeld is met iedereen.

Vandaar uit ontstond het idee een soort van overzicht
te maken met de centrale begrippen en hun samenhang,
van wat je Ecologisch posthumanisme kunt noemen.

In het westerse denken over mens en natuur is lange tijd uitgegaan
van het model van rentmeesterschap:
het idee dat de natuur door God aan de mens is toevertrouwd om te beheren.
De mens als beheerder, verantwoordelijk maar ook boven de natuur geplaatst.

Maar met het verdwijnen van soorten, het afnemen van biodiversiteit en
het versneld veranderen van ecosystemen,
wordt steeds duidelijker dat dit model tekortschiet.
Het heeft geleid tot uitputting in plaats van zorg.

IMG_8041Welke natuurbeelden ken je

Als gevolg van het inzicht dat het Rentmeesterschap model
tot uitputting leidt, ontstaat er onder kunstenaars, ecologen en filosofen
een ander beeld:
een visie waarin de scheiding tussen mens en natuur vervaagt.
Niet langer een duidelijke afbakening van rollen,
maar een groeiend besef van onderlinge verwevenheid
— van relaties in plaats van hiërarchie.

Begrippen als inheems en invasief, natuurlijk en kunstmatig,
cultuur en natuur lijken houvast te bieden,
maar verhullen vaak een complexere werkelijkheid.

Een boom leeft niet alleen: hij deelt zijn wortels met schimmels,
zijn stam met insecten, zijn kruin met vogels.
Een rhododendron houdt water vast, beschermt stenen, vormt een berg.
Ook mensen en hun technologieën maken deel uit van zulke ecologische verbanden
— al is hun rol vaak dubbel en moeilijk te duiden.
Deze verwevenheid wordt in kunst en ecologie aangeduid als
een multi-species assemblage:
een levend netwerk van relaties, zorg en spanning.

IMG_8044Kun je een moment herinneren

In deze verwevenheid zijn planten, dieren, landschappen en zelfs technologieën
niet alleen decor of hulpmiddel, maar medereizigers.
Kunstenaars als Yan Wang Preston spreken van
spontaneous human-plant communications
— een manier van omgaan met andere levensvormen die niet draait om controle,
maar om nabijheid, ritme en wederkerigheid.

Nabijheid betekent hier:
aanwezig zijn zonder te overheersen.

Ritme
verwijst naar het tempo en bijvoorbeeld de seizoenen van andere levensvormen
— niet alles beweegt zoals wij.

Wederkerigheid
vraagt om een houding van geven én ontvangen:
niet alleen nemen van de omgeving, maar ook zorg teruggeven.

Deze manier van omgaan geldt niet alleen voor planten,
maar voor alles waarmee we samenleven:
vogels, stenen, water, schimmels, wind, machines.
Het is een uitnodiging om relaties te zien waar eerst grenzen waren.
Het is een vorm van luisteren die voorbij woorden gaat:
via aanraking, herhaling, aanwezigheid.

IMG_8040Hoe zou jou omgeving veranderen

De scheiding tussen natuur en cultuur, ooit zo vanzelfsprekend,
begint volgens sommigen te vervagen.
Niet langer staat de natuur als iets wilds en buiten ons
tegenover cultuur als iets door mensen gevormd.
In werkelijkheid dragen landschappen sporen van menselijke handelingen,
terwijl onze levens worden gestuurd door seizoenen, bodem, water en wind.
Mens en omgeving blijken met elkaar verweven
— een gedachte die in kunst en ecologie steeds vaker wordt verwoord als
natureculture entanglement.
Niet ‘de natuur’ als iets buiten ons, maar als iets waarin we meebewegen
en mee-verantwoordelijk zijn.

IMG_8057Natuur en cultuur

Tegelijkertijd groeit het besef dat veel van onze ideeën over natuur
voortkomen uit manieren van denken die gericht zijn op
ordening, toe-eigening en beheersing.
Denk aan classificaties die planten en dieren indelen volgens menselijke maatstaven,
vaak ten dienste van nut en controle.
Zulke structuren hebben niet alleen landschappen veranderd,
maar ook de manier waarop we natuur begrijpen.
Dit streven om de wereld onder controle te krijgen, noemen we koloniseren.

Kunstenaars en denkers proberen deze denkwijzen zichtbaar te maken en te doorbreken.
Ze brengen vergeten ecologische geschiedenissen aan het licht,
en pleiten voor zorgzame, wederkerige relaties met de omgeving
— gebaseerd op luisteren, herinneren en herstellen.
Deze beweging wordt vaak aangeduid als decolonizing nature.

IMG_8055Verhalen over natuur

En dan is er het besef dat we leven in een tijd
waarin menselijke activiteit een dominante invloed heeft
op het klimaat, de biodiversiteit en zelfs de geologische processen van de aarde.
Dit tijdperk wordt aangeduid als het Anthropoceen.
Kunst biedt hier geen antwoorden, het geeft toeschouwers de kans
bij hun wereld vragen te stellen — via aanraking, ritme, stilte en verbeelding.

Samengevat:

DenkwereldVanVerwevenheid


Heel Breda leest, ik lees Slauerhoff

Terwijl de stad in de Nieuwe Veste zich onderdompelt in verhalen,
duik ik onder in de zinnen van een dichter die liever zeeman was.

Vandaag heb ik niet zoveel gedaan.
Voornamelijk gelezen.
De natuur heeft het water nodig,
maar ik heb een hekel aan de herfstregen.
Geen korte plensbui maar een hele dag door
miezer.

Daarom ben ik gaan lezen.
Heerlijk weer een aantal bladzijden gelezen
in Het Verboden Rijk.
Ik kan maar niet begrijpen waarom mensen op
de middelbare school wel vol passie
konden spreken over Jan Wolkers
maar zwegen over Slauerhoff.

De eerste pagina’s zijn beter dan de platte
verhaallijnen van de Jack Sparrow-films.
Bij Slauerhoff heb je een boek in handen dat
je op het eerste gezicht kunt lezen
als een avonturenverhaal.

Maar Het Verboden Rijk kun je ook lezen, als
een Portugese koloniale roman, als
een verhaal over botsende culturen, als
ridderverhaal over een falende ridder die
in bomen klimt om bij zijn geliefde te komen
maar over bloemenvazen struikelt, als
… ik ga het aanvullen als ik verder met lezen ben.

Ik ben pas op bladzijde 50.
Ik verwacht dat er nog heel veel lagen gaan volgen.

Natuurlijk, het leest niet zo eenvoudig als
de Jack Sparrow-films.
Je moet als lezer meer je best doen.
Toegegeven,
ik lees het boek met op de ene stoelleuning
mijn telefoon waarop ik Copilot open heb, en
op de andere leuning het boek.

De zinsconstructies vind ik fantastisch.
Soms moet ik ze even teruglezen.
De zinnen zijn lang.
Het later in de zin gebruiken van persoonlijke voornaamwoorden
als ‘hij’ en ‘zij’ in plaats van ‘Velho’ of ‘Pilar’,
of het gebruik van oud-Nederlandse woorden
als edik (azijn),
maken het bij een eerste lezing soms verwarrend.

Maar als je er even tijd aan besteed, wordt
de poëtische taal van Slauerhoff een lust
voor het oog en je geest.

Want nooit saai, naast de poging tot schaken,
lees je een pagina verder over de fricties
tussen koloniale, Portugese ambtenaren of
de waardering van een koopman voor de
verfijnde Chinese cultuur of een
voorspellende droom over schipbreuk.

Door onze afstand tot het taalgebruik van Slauerhoff
vertraagt de taal ons bij het lezen,
maar de gebeurtenissen en het drama
versnellen het verhaal juist.

De dynamiek is weergaloos.
Je kunt er zo ontelbare avondvullende films mee maken.

Vandaag las ik onder andere het volgende fragment:

Na een paar uren sloop ze naar de deur,
maar deze werd terstond weer toegedrukt.
Tegen het donkere hout zag zij nogmaals,
en nu helderder,
het gezicht van deze nacht:
in een stuk van de zee,
door een wolkendek afgesloten,
op monsterlijke golven
door strakke regen gestriemd
als het treffen een dwergen- met een reuzenleger,
waggelde een groot schip, dat zonk,
de hoge achtersteven het laatst.
Toen sprong de man af en zwom door de woedende wateren,
steeds de hand in de hoogte gestoken,
naar de zwarte, steile kust.
en nu zag zij verder: een geel glooiend strand,
daarvoor, scheen plotseling onder de zwemmende geschoven
die roerloos liggen bleef;
toen bedekten de wolken alles,
de deur ging plotseling open
en trof haar aan het voorhoofd.
Zij sprong achteruit en liep weer op het raam toe,
terwijl een bediende een schotel binnenbracht.
Zok zag niet om,
en de bediende, voelende dat hij onbespied bleef,
raapte rustig een zilveren gesp op
die bij een tafelpoot lag.

Het Chinese Rijk, pagina 43.

Zie je hoe de spanning wordt opgebouwd?
Las je de ‘monsterlijke golven’ en de ‘woedende wateren’?
Dat detail, die opgestoken hand.
Er gebeurt in een paar regels heel veel,
en de vraag die bij mij blijft rondspoken is:
‘van wie is die hand’?

Ik ga weer gauw verder lezen,
misschien lees je Slauerhoff met me mee?

IMG_8015Boekenpost200Slauerhoff

Vanmiddag was ik nog even bij het Heel Breda Leest Feest in de Nieuwe Veste. Ik zag dat in de actuele Boekenpost een artikel staat over Slauerhoff en Het Verboden Rijk. Het artikel gaat niet specifiek in op die roman.

IMG_8019SlauerhoffWolkers

In dit artikel maak ik een opmerking over Jan Wolkers. Vat dit niet verkeerd op. Voor mij horen Slauerhoff en Wolkers net zo broederlijke bij elkaar als dat ik ze in de winkel zag.


With love, from an invader

Een ontmoeting met een boek dat wortel schiet.

Deze week ging ik brood halen, zoals altijd
liep ik langs de boekhandel.
Dat is altijd gevaarlijk.
Ze hebben er met regelmaat boeken die me meteen doen vergeten
wat ik al thuis heb liggen.
En al neem ik me iedere keer voor eerst de stapel boeken
maar eens te lezen die ik al in mijn kamer heb liggen,
tuin ik er toch ook nu weer in: ik ga naar binnen en
koop het boek dat me was opgevallen.
Het boek waar nu mijn oog op viel
was niet erg groot en zeker niet te duur.

Er lag namelijk een boek met een aparte vorm in de etalage.
Ik zag dat de breedte van het boekblok per hoofdstuk toenam.
De omslag was me onduidelijk. Er staat tekst op maar
wat is precies de titel?

IMG_7954YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMe

Yan Wang Preston, With love from an invader – rhododendrons, empire, China and me. Boekontwerp en uitgeverij: The Eriskay Connection.


Deze boekenwinkel verkoopt sinds enige tijd ook boeken van
The Eriskay Connection, een ontwerpstudio en uitgever van
kunstenaarsboeken die gevestigd is in Breda.

Op hun website stellen ze zich zo voor:

The Eriskay Connection is a Dutch studio for book design and an independent publisher. We focus on contemporary storytelling at the intersection of photography, research and writing. In close collaboration with authors we make books as autonomous bodies of work that provide us with new and necessary insights into the world around us. The key for us is to convey the essence of their work through high-quality editing, design, and production. Our editions are mainly offset printed and bound in the Netherlands and we strive to work with local producers and sustainable materials as much as possible.

In mijn Nederlandse hertaling:
The Eriskay Connection is een Nederlandse studio
voor boekontwerp en een uitgeverij.
We richten ons op hedendaagse vormen van vertellen,
op het snijvlak van fotografie, onderzoek en tekst.
In nauwe samenwerking met makers ontstaan boeken
die niet alleen documenteren,
maar ook nieuwe en noodzakelijke inzichten bieden
over de wereld om ons heen.
Wat voor ons telt, is de essentie van hun werk overbrengen
via zorgvuldige redactie, ontwerp en productie.
Onze uitgaven worden zoveel mogelijk gedrukt en gebonden in Nederland,
en we streven ernaar zoveel mogelijk samen te werken
met lokale producenten en duurzame materialen.

Toen ik de winkel inliep kon ik het boek niet zo snel vinden
en vroeg daarom aan de verkoper of ik het boek kon zien.
Maar hoe vraag je naar een boek die achter een kast in de etalage
ligt waarvan je de titel en schrijver niet weet?
We kwamen er achter en er bleek toch een exemplaar in de winkel te liggen.
Dat exemplaar kon ik in de hand nemen en doorbladeren.
De verkoper was erg behulpzaam toen bleek dat het exemplaar
in de etalage nog het enige in folie was.
Hij haalde het uit de etalage zodat het exemplaar in de folie
de versie is dat ik nu thuis heb.

Maar wat voor een boek is het?
Het is goed om te weten: het boek is in het Engels
Het boek heeft een lange titel waar heel veel informatie in staat:

With love, from an invader. – rhododendrons, empire, China and me

De maker is de Engelse Yan Wang Preston.

Ze is geboren in China waar ze haar opleiding anesthesie volgde.
Later is ze geëmigreerd naar Engeland waar ze verder studeerde
in fotografie en waar ze nu woont.

Haar persoonlijke geschiedenis geeft al hints naar de inhoud
van sommige woorden in de titel van haar boek:

Empire:
‘Empire’ is de term die in de UK gebruikt wordt om te verwijzen
naar het koloniale verleden.

China:
De verwijzing naar het geboorteland van de maker.

Me:
Yan Wang Preston, het is een persoonlijk verhaal maar ze is niet
de hoofdpersoon in het boek. Dat is de Rhododendron ponticum–struik.
Haar fysiek onderzoeksobject en, niet toevallig, ook afkomstig uit Azië.

Op de website van de uitgeverij staat een toelichting op het boek.
Weer in mijn hertaling:

Het boek is een verslag van een intensief veldonderzoek.
Gedurende een jaar bezocht Yan Wang Preston, om de dag
een specifieke Rhododendron ponticum–struik,
van bovenaf gezien een hartvormige struik.
Ze fotografeerde deze.
De regelmatige wandelingen boden haar tijd en ruimte
om het landschap op verschillende manieren te ervaren,
te observeren en te verkennen.
Ze keek, luisterde, raakte aan, bewoog en experimenteerde,
en gebruikte uiteenlopende methoden om de ‘onzichtbare’ aspecten
van het verder kale terrein zichtbaar te maken.
Haar infraroodcamera’s registreerden meer dan twintig diersoorten;
haar geluidsopnames vingen het gezang van meer dan vijfenveertig vogelsoorten.

IMG_7955YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMe

Naast het observeren en documenteren koos ze een tweede,
kleinere rhododendronstruik voor directe interactie.
In de herfst verzamelde ze alle gevallen bladeren,
in de winter de zaaddozen en afgevallen bloemknoppen,
in de lente en zomer de verwelkende bloemen.
Deze langdurige verzamelpraktijk leidde tot
een fysieke en intuïtieve verbondenheid
met het Britse landschap,
en vormde de basis voor een aanvullende serie:
Autumn Winter Spring Summer.

IMG_7956YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMeDeHoofdstukken

Het boek ligt al twee dagen in huis maar ik aarzel
om de folie van het boek te halen.
Er zit zoveel informatie aan het boek vast.
Zo heb ik al een paar keer geluisterd naar
de soundscape die Monty Adkins maakte en die
op YouTube te beluisteren is.

IMG_7957YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMeInhousopgave

Intussen is de folie van het boek en heb ik al wat kunnen
bladeren door het boek. Met mijn fotocamera bij de hand.
Alsof het boek zelf een landschap is dat ik mag betreden
en vastleggen. De foto’s zie je in dit bericht.

IMG_7958YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMeInhoudsopgave

Ik kijk in een boek altijd het eerst naar dingen als
het colofon en de inhoudsopgave.
Ik heb al geleerd dat het boek ook onderdeel kan zijn van
uitgebreidere edities. Deze bevatten ook fysieke artefacten,
zoals een knop in kunsthars gegoten.
Zulke elementen maken het boek tot een ritueel object:
een tastbare herinnering aan het veldwerk,
waarin aanraking, seizoen en plaats zijn opgeslagen.

IMG_7960YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMe

De Rhododendron ponticum–planten bevinden zich
aan de rand van Burnley, Lancashire.
Ze gedijen daar als nalatenschap van een jachtlandgoed
uit de 19e eeuw, waar ze dienden als schuilplaats en onderkomen
voor de dieren, en decor voor het jachtspel.
Alle Britse rhododendrons zijn geïntroduceerde soorten,
afkomstig uit Zuid-Europa en Oost-Azië, meegebracht
voor wetenschappelijke en tuinbouwkundige doeleinden.
In de Victoriaanse tijd waren ze het onderwerp
van een ware “rhodo-gekte”,
maar sinds halverwege de 20e eeuw
is hun reputatie drastisch veranderd.
Hoewel ze nog steeds veel voorkomen en geliefd zijn
in Britse tuinen, wordt een gekruiste rhododendron soort,
de ponticum-variant, in het natuurbeheer vaak bestempeld
als invasieve exoot, en met harde middelen bestreden.
Soms werden ‘kettingzagen, pesticiden en aanzienlijke mankracht
ingezet om deze ongewenste vreemdeling te verwijderen’.

IMG_7961YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMeHetProject

De Rhododendron ponticum is niet de enige soort
die op deze manier wordt behandeld.
De plant illustreert hoe de indeling ‘inheems’/‘niet-inheems’
niet neutraal is.
De vanzelfsprekende afwijzing van het niet-inheemse
baarde Wang Preston zorgen.
Net als miljoenen anderen is zij een migrant
in het Verenigd Koninkrijk.
Dat rhododendrons als ‘niet-inheems’ worden ingedeeld,
roept publieke verontwaardiging op.
Het maakt duidelijk dat politieke belangen meespelen
in wat als wetenschappelijke objectiviteit gepresenteerd wordt.
Maar wat is een ‘nationaal’ Brits landschap en
wat is de de bijbehorende ‘nationale ecologie’?
Wie bepaalt dat? En in wiens voordeel?

IMG_7962YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMe

Wang Preston probeerde zowel de rhododendrons
als haar eigen positie in dit land te begrijpen.
Wat ze ontdekte tijdens het maken van With Love. From an Invader.
en Autumn Winter Spring Summer,
is dat de rhododendrons in deze regio allerminst invasief zijn.
Integendeel, ze vormen een sleutelsoort die een centrale rol speelt
in de lokale ecologie.

IMG_7964YanWangPrestonWithLoveFromAnInvaderRhododendronsEmpireChinaAndMe

Het boek is een ode aan het leven en de veerkracht van de rhododendron.
Het leest als een liefdesbrief aan het Britse land,
geschreven door zijn niet-inheemse bewoners
(menselijk en plantaardig),
die het landschap opnieuw vormgeven als een thuis voor velen.

IMG_7963MontyAdkinsWithLoveFromAnInvader2001

Het project werd gerealiseerd in samenwerking met
de Royal Botanic Garden Edinburgh.

De eerste twee hoofdstukken heb ik vanmiddag al gelezen.
De hoofdtekst is in grote letters gedrukt en foto’s spelen
een belangrijke rol.
Hoe mooi het steeds breder wordende boek ook is,
het ritme ervan vraagt iets van de lezer.
Misschien had dat verloop niet over de volle hoogte
te worden doorgezet.
Het pakken van een pagina bij het omslaan lukt moeilijker
omdat pagina’s geregeld breder worden.
Ik verlegde de aanraking naar de boven- of onderkant
van het boek.
Misschien zou een vaste hoek onderaan het bladeren vergemakkelijken.
Maar misschien is het boek dan minder mooi.

Bliksoep en andere beproevingen van een heer

Al bij de inschrijving van het eerste Archiefstuk voor
het Bouillonistisch Archief kondigde ik, tussen de regels
door, het tweede Archiefstuk aan.
Tijd om daarvoor vandaag de officiële inschrijving
te voltrekken.

Het gaat om De avonturen van Olivier B. Bommel en zijn
jonge vriend Tom Poes.
Veel van die avonturen zijn doorspekt met eenvoudige
doch voedzame maaltijden, vaak bij de bezegeling van
het avontuur.

Met enige regelmaat verschijnt soep daarbij als onderdeel
van het verhaal of de epiloog..

IMG_7779PeterAbelBewogenAanhalingenEenOnthulendeLijstCiatenUitDeVerhalenVanMartenToonderUitgezochtEnVoorDagelijksGebruikGerangschiktDoorDeBezigeBij

Peter Abel, Bewogen Aanhalingen – Een onthulende lijst ciaten uit de verhalen van Marten Toonder. Uitgezocht en voor dagelijks gebruik gerangschikt door. De Bezige Bij.


Dankzij het werk van Peter Abel, die een inventarisatie
van Bewogen Aanhalingen in het werk van Marten Toonder
heeft gemaakt, kan ik vandaag een drietal soepsituaties,
elk een miniatuur van bouillonistische betekenis,
als Archiefstuk 002 opnemen:

8363
‘Ik heb mij verstout een eenvoudige Potage à la Conserve en enkele Saucisses Choucroutes voor te bereiden. Mag ik u voorgaan?’

6072
Een onverwachte wolkbreuk veranderde heer Bommels kampplaats in een modderpoel en verdunde zijn soep op onsmakelijke wijze.

4221
De bekwame bediende slaagde er in enkele blikjes te vinden, zodat hij binnen korte tijd een warm bord erwtensoep op tafel kon zetten. Daar hield heer Bommel toen een toespraak bij die het voedsel aanmerkelijk deed afkoelen.

De nummers verwijzen naar de tekeningen waar de tekst
bij hoort. In de boeken van Toonder worden de individuele
verhalen ook steeds begrensd met het begin- en eindnummer
van de tekeningen waarbinnen zich het verhaal afspeelt.
Als een verwijzing naar het recept.

In een eerste observatie op basis van deze drie fragmenten
kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het leven van
een heer zich zelden laat reduceren tot eenvoud.

In deze fragmenten wordt meermaals de maag bediend
met soep uit blik. Dat is niet per se slecht of zonder
smaak maar het getuigt ook niet een verfijnd verlangen
naar een vers bereide maaltijd.

Één van de teksten wekt de indruk dat het verdunnen
van soep tot een smakelijk resultaat leidt
terwijl een heer weet dat het verdunnen het tegenover
gestelde van verrijken is. Het verrijken van het leven
van andere is nu net een van de levenslessen van de
vader van Olie B. Bommel en van heren in het algemeen.

Gelukkig heeft de biograaf van de heer O.B. Bommel, de
heer Marten Toonder, ons vele bouillonistische kronieken
nagelaten waarin we kennis kunnen nemen van
de levensloop van een heer van stand.

Ook Godfried Bomans, in zijn hoedanigheid van
opvolger van burgemeester Dickerdack,
was zo goed om ons inzage te geven in het leven
van een heer. In zijn uitleiding van een van de
boeken introduceert hij Eduard Maurits Elias.

Deze nam zelf de pen ter hand en liet ons documentatie
na over zijn flaneuravonturen in Den Haag.
En hoewel Flaneur niet het centrale onderwerp vormt van
Archiefstuk 002, levert hij wel ondersteunende informatie
die een beeld geeft van het denkraam van een heer.

FlaneurHetVaderland19581017FlitsenVanFlaneur

FlaneurHetVaderland19580927FlaneurHetVaderland19580927HetAtomischEnSoepjaar

De pagina en de kolom waarin Eduard Elias ons laat proeven aan het leven van een heer in een “Het Atomische en Soepjaar”.


Flaneur, Het Vaderland, 27 september 1958:

Ik maak mij nu ten snelste los uit de ban van het jaar 1897, om mij met volle geestdrift terug te storten in de bewogenheid van het jaar 1958, dat door latere sociologen, naar ik vermoed, als het “Het Atomische en Soepjaar” zal worden gekenschetst, omdat het zowel de wonderen van het Atomium, als die van hart- en maag-verrukkende Soepen (met oogstverse groenten en lente-sappige stukjes vlees) bereikbaar maakte voor gans een volk.
Het is een goed ding dat gij, mijne wekelijkse leesklanten, wanneer gij, de begroting van hierboven met die van de here Hofstra vergelijkend, daarna wellicht een beetje mistroostig wordt, een mooi stuk blijdschap en lust in het leven kunt terugwinnen bij de gedachte aan de brede stromen soep, die door mensenminnende potagisten en consommenten over dit lage land, waar eens uw wiegje stond, worden uitgestort.

FlaneurHetVaderland19581017FlaneurHetVaderland19581017Soep03

‘als de soep maar op tafel en de jolijt op het televisievenster en het bioscoopscherm komt’, aldus Elias.


Flaneur, Het Vaderland, 17 oktober 1958:

Nog onlangs heeft de Utrechtse hoogleraar dr. Rümke een, in al zijn zakelijkheid, diep-aangrijpend vertoog gehouden over het feit zelfs de door van de mens ‘geleid’ wordt en dat het de mens niet meer vrij staat zijn eigen individuele dood te sterven. Alles wordt daarvoor in het ziekenhuis, naar de regelen der onpersoonlijke nuttigheid, in gereedheid gebracht.
Ik zal daar niet verder in treden. Ik zou te ver verwijderd geraken van de sfeer van deze zaterdagse kolommen.
Ik wilde eigenlijk alleen maar zeggen, dat de serie foto’s in onze krant voor de goede verstaander onthullend was. Hij wist het allemaal wel. Maar nu kon hij het duidelijk zien. Hoe ons leven door strepen en pijlen geleid wordt en hoe wij langs de kalklijnen, door de overheid getrokken, als onpersoonlijke kuddedieren onze weg moeten gaan.
Die plaatjes demonstreren dan nog maar alleen de mens-op-straat; de kudde in het verkeer. Maar de strepen en pijlen en de bordjes staan – zij het onzichtbaar voor het oog – overal. En de kalklijnen traceren ons gehele leven.
Wij laten ons maar doen.
De zwakke weerstand der individualisten wordt weggedrongen en overspoeld door de springvloeden van de steeds aangroeiende massa, die al best tevreden is als de soep maar op tafel en de jolijt op het televisievenster en het bioscoopscherm komt.

FlaneurHetVaderland19581129FlaneurHetVaderland19581129Soep

De echte cultivé parels.


Flaneur, Het Vaderland, 29 november 1958:

Mijn wandeling door het centrum bracht mij ook voor een juwelierszaak, waar ik in de etalage een bordje zag “Echte cultivé parels”.
Ik heb ze niet gekocht.
Ik ben een restaurant binnengelopen waar ik mij heb tegoed gedaan aan een kop echte mock turtle soep, gevolgd door wat gerookte zalm van echte gekleurde koolvis en een kreeftkokteel van veritabele krab.
Jammer dat ik een vlek maakte op mijn das van echte kunstzijde.

FlaneurHetVaderland19581017FlaneurOndertekening


Hieronder volgen nog foto’s over de boeken die ik van
Ollie B. Bommel heb. Daarin zal snel opvallen dat het
niet alleen de teksten over soep zijn die de garnering
van deze Nederlandstalige gerechten zo bijzonder maken.
Laten we niet vergeten hoe de humor, de prachtige
tekeningen, de karakters van de hoofdrolspelers,
het taalgebruik en de titels van de boeken en verhalen,
dit gerecht op de juist gebalanceerde
en delicate manier kruiden.
Ollie B. Bommel is hiermee gecanoniseerd als
Archiefstuk 002 in het Bouillonistisch Archief.

IMG_7783MartenToonderOllieBBommelEnDeBeuhaas

Marten Toonder, Ollie B. Bommel en de beuhaas. Of en in welke vorm dit verhaal in de handelgeweest is geweest weet ik niet. Dit is een afgeschreven exemplaar uit de bibliotheek.

IMG_7784MartenToonderOllieBBommelEnDeBeuhaasIMG_7785MartenToonderOllieBBommelEnDeBeuhaasOpenbareBibliothekenBredaFiliaalDeVlierenDrStruijckenstr161-Tel44178AfdelingJeugdC5028-74Afgeschreven

Marten Toonder, Ollie B. Bommel en de beuhaas. Openbare Bibliotheken Breda – Filiaal De Vlieren, Dr. Struijckenstr 161 – Tel 44178 – Afdeling Jeugd. C – 5028:74. Afgeschreven.

IMG_7786MartenToonderEenHeerMoetAllesAlleenDoenDeFunixDeToornviolenDeTriffelhoedster

Ook afgeschreven. Marten Toonder, Een heer moet alles alleen doen – de feunix, de toornviolen, de trullenhoedster.

IMG_7787 MartenToonderEenHeerMoetAllesAlleenDoen

Emoticons kende we toen ook al.

IMG_7789 MartenToonderEenHeerMoetAllesAlleenDoenIMG_7790MartenToonderEenHeerMoetAllesAlleenDoenDeFunixDeToornviolenDeTriffelhoedster1969

De tekstverwerker heette toen nog typemachine….

IMG_7791MartenToonderEenHeerMoetAllesAlleenDoenDeFunixDeToornviolenDeTriffelhoedster1969Uitleiding

In dit voorbeeld worden de nummers van de verhalen niet vermeld. De ‘Uitleiding’ staat in deze inhoudsopgave wel genoemd. De uitleiding was een overweging, in dit geval geschreven door Jan Gerard Toonder (de broer van Marten), van zo’n 18 pagina’s.

IMG_7793MartenToonderEenHeerMoetAllesAlleenDoenDeFunixDeToornviolenDeTriffelhoedster1969VoorbeeldEenvoudigeDochVoedzameMaaltijd

Marten Toonder, Een heer moet alles alleen doen, De feunix, de toornviolen, de trullenhoedster, 1969. Voorbeeld van een eenvoudige doch voedzame maaltijd. Joost laat een schaal uit de handen vallen maar geeft te kennen nog meer voedsel in de keuken te hebben en de gevallen bloemkool wel zelf te nemen.

IMG_7798MartenToonderDaarZitIetsAchterDeWeetmutsHetVergeetboekje1980

In mijn verzameling zitten ook boeken die ik later zelf kocht zoals dit exemplaar van: Marten Toonder, Daar zit iets achter met de verhalen De weetmuts en Het vergeetboekje, 1980.

IMG_7862MartenToonderDeTitels

Overzicht van mijn beperkte verzameling met veel intrigerende titels.


Officiële Opname in het Bouillonistisch Archief

Stuk nr. 002:
Het oeuvre van Marten Toonder, specifiek Olivier B. Bommel en de soepfragmenten

Titel:
De avonturen van Olivier B. Bommel en zijn jonge vriend Tom Poes, met bijzondere aandacht voor drie soepsituaties

Auteur:
Marten Toonder (specifieke fragmenten benoemd)
Inventarisatie: Peter Abel
Documentatie & Canonisering: Argus
Datum van opname: 20 oktober 2025
Locatie: Breda, Nederland

Reden van opname:
Dit Archiefstuk documenteert drie soepsituaties waarin de soep niet slechts voedsel is, maar een semiotisch vehikel voor status, mislukking en ritueel herstel. De soep komt uit blik, wordt verdund door wolkbreuken, en koelt af onder het gewicht van een toespraak. Toch blijft zij aanwezig. Als dampende getuige van het herenleven. De typografie met tekeningen zijn dienstbaar, de humor is gelaagd, de canonisering is onvermijdelijk. De heer Bommel flaneert, struikelt, spreekt, en eet. De soep luistert.

Ceremonieel besluit:
Met dit document wordt het werk van Marten Toonder, in de vorm van drie geciteerde soepsituaties en omliggende reflectie, officieel opgenomen als Archiefstuk nr. 002 in het Bouillonistisch Archief. Het dient als bewijs van de waarde van soep in het literaire herenleven. Het mag herlezen worden bij elke blikopener. Het mag geciteerd worden bij elke verdunning. Het mag dampen naast de het wrk van Daniil Charms.

Ondertekend door:
– De curator (in flanerende tred)
– De zilveren blikopener
– De typografische schaduw van Peter Abel
– De wolkbreuk met canoniserende intenties
– De soepkom, licht verdund


De bibliofiele exorcist, corrector van de zetduivel

Bonaventura Kruitwagen verzamelde teksten over zetfouten, typografische missers en de beruchte ‘zetduivel’ — maar deed dat niet uit louter fascinatie. Hij had een uitgesproken afkeer van slordigheid in drukwerk. Zijn werk was ook een vorm van zuivering: het opsporen, benoemen en corrigeren van fouten als ritueel gebaar. Niet om te veroordelen, maar om het boek zijn waardigheid terug te geven.

De titel is gebaseerd op een zin van Ed Schilders op pagina 109 van het volgende boek.

IMG_7893StichtingDesiderataEdSchildersHetVerlorenLezenVanBonaventuraKruitwagen

Stichting Desiderata, Ed Schilders, Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen.


Een paar keer per jaar ontvang ik een e-mail van de stichting Desiderata.
Ze brengen met regelmaat een boek uit over boeken of mensen
die in het verleden op bijzondere manier omgingen met boeken.
Het zijn steeds goed leesbare boeken (ik ben geen boekhistoricus)
in een heel mooie uitvoering.
Daarom lees ik de mail vluchtig en koop het boek.

IMG_7894StichtingDesiderataEdSchildersHetVerlorenLezenVanBonaventuraKruitwagenStofomslag

Het boek komt met een heel mooie stofomslag. Meester E.S., Duitse prentmaker, Detail van een ingekleurde gravure van St. Antonius de heremiet.

Daardoor was ik verrast een doos te ontvangen met een boek en een op naam
gestelde envelop. Wat is dit? Wat heeft die brief, in de envelop,
een soort van kopie uit een oud vloeistofkopieerapparaat,
precies met het boek te maken. En van wie is die handtekening op de achterkant?

IMG_7899BonaventuraKruitwagenEncycliekInDeEnvelop

Het duurde even voor ik door had wat ik in mijn handen had:
het boek van Ed Schilders over Bonaventura Kruitwagen met daarin
een aantal van de publicaties van deze boekhistoricus.

IMG_7895 01 StichtingDesiderataEdSchildersHetVerlorenLezenVanBonaventuraKruitwagenSchutbladZetduiveltjes

Het schutblad bestaat uit een verzameling zetduiveltjes.

De brief bij het boek is het eerste levensteken van Kruitwagen na het
bombardement van Rotterdam.
Het bombardement was 14 mei 1940. Het huis waarin hij woonde werd
volledig verwoest, met alles wat er in stond of lag.
Pas op 20 juni 1940 verstuurde Kruitwagen de versie waarvan ik nu
een kopie kreeg.
In de brief beschrijft hij, met een plattegrond, wat hij meemaakte,
waar de bommen vielen en hoe al zijn boeken verdwenen.

De intrigerende titel van het boek van Schilders is:
Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen.

IMG_7895 02 StichtingDesiderataEdSchildersHetVerlorenLezenVanBonaventuraKruitwagenSchutbladZetduiveltjes

Detail van het schutblad.

Ik wil deze boekintroductie beginnen met te vertellen wie
Bonaventura Kruitwagen precies was:

Bonaventura Kruitwagen: boekhistoricus in de marge van het geheugen

Bonaventura Kruitwagen (1874–1954), geboren als Franciscus Josephus Kruitwagen, was een Nederlandse franciscaan en boekhistoricus die zich toelegde op de studie van oude drukken en religieuze teksten. Zijn aandacht ging uit naar incunabelen—boeken gedrukt vóór 1501, zoals vroege Latijnse missalen—en typografische curiosa: zetfouten, marginalia en eigenaardige lettervormen die hij niet als imperfecties zag, maar als sporen van menselijke aanwezigheid in het boek. Ook liturgische teksten, zoals handgeschreven gebedenboeken en gedrukt kerkelijk materiaal, vormden een belangrijk deel van zijn onderzoek.

Als lid van de kloosterorde der Minderbroeders in Wijchen, volgelingen van Franciscus van Assisi, en later werkzaam in Rotterdam, bouwde hij een bibliotheek van circa 9.000 boeken, voornamelijk religieuze drukken, liturgische handschriften, incunabelen en typografisch merkwaardige uitgaven. Deze verzameling weerspiegelde niet alleen zijn wetenschappelijke belangstelling, maar ook zijn rituele omgang met het boek als drager van menselijke sporen. De bibliotheek ging verloren bij het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940.

Kort daarna schreef hij een brief aan vrienden en kennissen, zijn zogenaamde ‘encycliek’, waarin hij verslag deed van zijn toestand en het verlies. Deze brief vormt het hart van Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen, een postuum eerbetoon samengesteld door Ed Schilders en uitgegeven door Stichting Desiderata.

Kruitwagen was geen canonieke geleerde, maar een rituele lezer: iemand die boeken niet alleen bestudeerde om te bestuderen, maar bewoonde. Zijn nalatenschap leeft voort in de typografische sporen die hij achterliet, en in de reconstructie van zijn leespraktijk door latere boekenvrienden.

De titel ‘boekhistoricus in de marge van het geheugen’ vat zijn positie treffend samen. ‘In de marge’ verwijst naar zijn aandacht voor zowel de letterlijke boekmarge—zetfouten, colofons, typografische eigenaardigheden—als de figuurlijke: boeken en drukken die buiten de canon vallen. ‘Van het geheugen’ wijst op zijn omgang met wat dreigt vergeten te worden. Zijn leespraktijk was geen reconstructie van het verleden, maar een rituele herbeleving van wat nog net aanwezig is—een vorm van herinneren die zich nestelt in typografische sporen, in verloren bibliotheken, in de brief na het bombardement. Zo werd zijn bibliotheek een geheugenarchief, en zijn encycliek een performatief gebed voor wat niet vergeten mocht worden.

Het avontuur van Ed Schilders leidde uiteindelijk tot het boek waar
dit bericht over gaat.
Centraal daarin staat de tweede Cambell van Kruitwagen.

IMG_7897BonaventuraKruitwagenDeTweedeCambellAnnalesDeLaTypographieNéerlandaiseAuXVeSiècle1874

De tweede Cambell, Annales de la typographie Néerlandaise au XVe siècle, 1874.

De Campbell verwijst naar het bibliografische standaardwerk van Marijn Campbell,
getiteld Annales de la typographie néerlandaise au XVe siècle (1874).
Het is een overzicht van Nederlandse incunabelen—boeken gedrukt in de 15e eeuw,
vlak na de uitvinding van de boekdrukkunst.
Campbell was directeur van de Koninklijke Bibliotheek en zijn werk geldt
als een fundament voor de studie van wiegendrukken.

Kruitwagen bezat een handexemplaar van dit boek dat verloren ging
in het bombardement. Later verving hij het door een ander exemplaar.
Waarin hij aantekeningen maakte en correspondentie in bewaarde.
Dat exemplaar werd decennia later teruggevonden door Ed Schilders.

IMG_7896StichtingDesiderataEdSchildersHetVerlorenLezenVanBonaventuraKruitwagen

Het boek is afwisselend van toon. Naast het bombardement komen er ook
luchtigere onderwerpen aan bod.
Zoals de zetduivel en de bijbehorende citaten.

IMG_7900BonaventuraKruitwagenEncycliekInDeEnvelop

Vandaag is de productie van een boek al een heel karwei.
Maar voor bijvoorbeeld Erasmus (geboren rond 1467 – 1536)
was het vaak nog veel ingewikkelder.
Het proces was veel gevoeliger voor fouten dan vandaag.

Als je een tekst schreef moest je er op vertrouwen dat de drukker goed werk
leverde. Natuurlijk, kon je je zelf actief bezighouden met bijvoorbeeld de
correctie van de drukproeven, maar reizen was in die tijd een hele onderneming.
De drukker zat meestal niet om de hoek.

Vaak was je dan dus afhankelijk van de zetter (de persoon die de loden letters,
een voor een, in de juiste volgorde moest zetten).
Dan had je een corrector nodig die de drukproef moest controleren. Die moest wel
de taal machtig zijn en het hielp als die de tekst ook begreep.

Vervolgens kostte al het werk natuurlijk geld en
de drukker wilde een snel resultaat.

IMG_7901BonaventuraKruitwagenVoorbeeldVanDeEncycliek

De encycliek.

Zetfouten (typo’s) zijn al aan de orde van de dag in mijn blog.
In boeken kwamen die natuurlijk dan ook voor.
Vaak werden de bekende zetfouten in een lijstje in het boek opgenomen.
Bij dat lijstje stond soms een inleiding met een verklaring voor de fouten.
De zetduivel, de (luie) drukker, de zetter en de corrector kregen met regelmaat de schuld.
Soms moest de lezer maar beter oppassen.

Kruitwagen verzamelde dit soort teksten en schreef er artikelen over.
In het boek zijn enkele van deze teksten opgenomen:

Zo beroept de Augustijn Matthijs Pauli (dat was een monnik, geen letterkorps) zich op zijn afwezigheid als hij zegt:
Goet-vvilligen Leser daer sijn door mijn af-vvesenin de tvveeden stuck ingedronghen sommighe Fouten die V.L. [Ulieden] aldus sal believen te verbeteren.

Pagina 95.

De tusschen-komende ziekte des Schryvers is oorzaak, dat de volgende en andere drukfouten die de goedgunstige lezer zal gelieven te verschoonen, zijn ingesloopen.

Pagina 97.

De Drukfouten, die door het uitlaaten of byvoegen van een n of e in den laatsen lettergreep, ook wel taalfouten kunnen maaken, zal men hier en elders mooglyk ook wel ontmoeten, alhoewel ons dus verre geene merkelyke fouten, die den zin veranderen, zyn voorgekoomen; doch Geleerde en Bescheide [= oordeelkundig] mannen, weetende, hoe gemeen dit gebrek is, en hoe bezwaarlyk het zy, een Werk zonder Drukfeilen in ’t licht te brengen, zullen de zelve met heusheid by zich selven gaarne verbeteren. Aan knibbelzuchtigen, die men nooit kan behaagen of voldoen, zullen wy ons niet kreunen.

Pagina 98-99.

….lezen we precies waarom Erasmus zijn lezers kon boeien: door zijn openhartigheid. Geen duiveltjes maar drukkertjes. Hij zei waarop het volgens hem stond, en schreef als een Rotterdammer:

De wet draagt er zorg voor dat niemand een schoen maakt of een kast vervaardigt die niet bevoegd verklaard is door het desbetreffende gilde. Maar de geschriften van zulke belangrijke auteurs, ten opzichte van welk een vrome eerbied op zijn plaats zou zijn, verspreiden ze terwijl ze zo ongeletterd zijn dat ze zelfs niet kunnen lezen, zo lui dat ze zelfs geen lust hebben om over te lezen wat gedrukt wordt[namelijk de proef corrigeren], en zo gierig dat ze liever dulden dar een goede tekst wemelt van fouten dan dat ze voor een paar goudstukken een corrector zouden huren. En juist de brutaalste tekstverknoeiers doen op hun titelpagina’s de schitterendste beloften.

Pagina 119.

Op pagina 109 noemt Ed Schilders Bonaventura Kruitwagen
“de bibliofiele excorsist, corrector van de zetduivel.”
Het is een rake typering, maar ook een ironische.
Want juist in dat citaat sluipt een zetfout binnen:
“excorsist” in plaats van “exorcist.”
Een slip van de pen?
Een echo van de zetduivel zelf?
Of een typografisch eerbetoon aan Kruitwagens obsessie met correctie en imperfectie?

Daarom sluit ik af met een foto van die pagina.
Niet als bewijs van slordigheid, maar als uitnodiging tot herlezing.
Want zelfs de corrector van de zetduivel ontkomt niet aan diens aanwezigheid.

IMG_7903StichtingDesiderataEdSchildersHetVerlorenLezenVanBonaventuraKruitwagenBibliofieleExorcistCorrectorVanDeZetduivel


Het kabinet in de kinderwagen

Een leesverslag in drie lagen: proza, poëtica en parafrase.

Als ik iedereen mag geloven, gaat de verhalenbundel ‘Het aanwezige been’
van Arnon Grunberg over gemis.
Volgens de achterflap gaat het over ‘verleiding, verraad en verlies’.

In het titelverhaal (het tweede verhaal in de bundel) speelt
Grunberg met een been: een been dat er is. En ook niet is.
Als het been er niet is, dan is dat zeker een gemis
voor een cellospeelster.

IMG_7776ArnonGrunbergHetAanwezigeBeen

Het eerste verhaal in deze verhalenbundel ‘The Waste Land
laat zich ook lezen als een verhaal over gemis:

het kind dat de vrouw nooit had en dat ze als een gemis heeft ervaren.
En dan: krijgt ze het.

Of het doel in het leven dat de vrouw ooit had als jonge ambtenaar,
dat ze intussen was verloren en mist. Vervolgens hervindt ze het als
vrijwilligster bij een niet-gouvernementele organisatie (NGO).

Of het verloren land van de man die in Londen studeerde en
daar humanist werd genoemd, maar intussen een blinde krijgsheer
en oorlogsmisdadiger was geworden, die op punt staat zijn
land te verliezen.

Allemaal vormen van gemis die in dit korte verhaal te vinden zijn.
Grunberg schetst met weinig zinnen een hele wereld met allerlei
belangen, besluiten en belevenissen.

Hij vertelt veel. En tegelijk: heel weinig
Daarom lees ik het ook als een moderne parabel.

Volgens Wikipedia:

Een parabel is een kort, symbolisch verhaal dat bedoeld is om een morele, religieuze of filosofische les over te brengen. Het verhaal speelt zich vaak af in een alledaagse context en gebruikt herkenbare situaties om abstracte ideeën aanschouwelijk te maken.

Als ik niet wist dat het verhaal in 2022 al was geschreven,
dan zou ik mijn uitleg misschien overtuigender vinden.
Ik leg het hieronder even uit:

Het verhaal ‘The Waste Land’ gaat over het kabinet Schoof.

De hoofdpersoon in het verhaal is een vrouw op leeftijd,
zelfbenoemd topambtenaar, ontevreden, uitgeblust zonder idealen.

‘- als haar werk in Den Haag haar iets had geleerd was het wel dat je nooit moet rekenen op andermans morele instincten en eigenlijk ook niet op die van jezelf -‘

De hoofdpersoon, lees: Dick Schoof.

De hoofdpersoon, meer dan overtuigd van het eigen kunnen,
‘krijgt’ een kind, het grote gemis in haar leven.

‘En toen ze iemand ontmoette met wie ze het (een kind maken, argus) wel wilde, wilde hij niet. Ze had er drie nachten om gehuild,’

‘We moeten het met elkaar doen. fluistert ze tegen het slapende kind, we moeten elkaar een beetje helpen. Je moet me helpen. Ik moet van je gaan houden en ik zal van je gaan houden.’

Het kind, lees: het kabinet.

De hoofdpersoon bindt nauwe banden aan met de blinde krijgsheer
en oorlogsmisdadiger.

‘De minnares van een blinde krijgsheer. Ze werd het met overgave, een onvoorwaardelijkheid die ze niet van zichzelf kende. Dat het geluk, het grote geluk, de vorm kan aannemen van een krijgsheer, een oorlogsmisdadiger, ze kon het amper geloven en ze wenste het niet te bevragen. Als het geluk eenmaal voor je staat moet je er niet te veel vragen over stellen.’

De krijgsheer/oorlogsmisdadiger, lees: Geert Wilders.

Natuurlijk kan dat niet goed blijven gaan.
Er wordt een coup gepleegd en de hoofdpersoon vlucht
met het kind, naar de luchthaven,
waar ze in een fuik terecht komt. Afloop: onbekend.

‘Naarmate ze dichter bij het vliegveld komt, neemt de drukte toe. … Ze tilt het schreeuwende kind uit de kinderwagen. Ze moet de kinderwagen hier achterlaten, anders komt ze er niet doorheen. … Ze drukt het kind stevig tegen zich aan, ook haar kleine koffer zal ze hier achterlaten. Alleen zij en het kind moeten erdoor. … En ze duwt, ze duwt met alle kracht tegen de mensen voor haar.’

De kinderwagen achterlaten, lees: het kabinet wordt demissionair.
Haar kleine koffer achterlaten, lees: kabinet voor een tweede maal gevallen.

De zielloze geschiedenis van het Kabinet Schoof valt
helemaal samen met het verhaal The Waste Land.
Dat kun je met literatuur doen.

Proza
Je kunt het verhaal lezen en genieten van de manier waarop
Grunberg het verhaal in elkaar zet, en blijven bij de betekenis
van de eerste lezing.
De tekst zoals die zich toont—zonder duiding, zonder versiering.

Poëtica
Je kunt achter de verhalen in de verhalenbundel een gezamenlijk
thema proberen te vinden.
Op zoek gaan naar de vorm, het ritmiek en de stilistische keuzes
die de verhaal dragen.

Parafrase
Maar je kunt ook vrij associëren en zoeken naar symboliek met
misschien een boodschap. Een lezing die naast het origineel mag bestaan

Je kunt het ook allemaal tegelijk doen en waarschijnlijk
zijn er nog veel meer manieren om met de tekst om te gaan.

Dat was nog maar verhaal 1 van de bundel met meer dan twintig verhalen!

Een titel die niet trekt, maar blijft trekken

Over grammatica, ontwerp en de kracht van twijfel.

IMG_7860UitgevrijFragmentOmHetOmslagJaapJungcurtKarelBeunisFrankVanInghHanSteenbruggen

Uitgevrij Fragment, met essay door Han Steenbruggen: Om het omslag – De omslagontwerpen van Jaap Jungcurt en Karel Beunis voor de reeks Literaire Pockets van De Bezige Bij 1957-1966,


Het boekje ontving ik vorige week.
Naast mijn stoel, op een steeds groeiende stapel boeken,
ligt het boekje.
Er komen meer boeken uit dan je kunt lezen.
Het lukt me niet een boek in een ruk uit te lezen.
Zelfs niet als het om het werkje ‘Om het omslag’ gaat.
De ondertitel vertelt je meteen waar het boekje om gaat:
De omslagontwerpen van Jaap Jungcurt en Karel Beunis
voor de reeks Literaire Pockets van De Bezige Bij 1957-1966.

DeBezigeBijLiterairePocketsJaapJungcurtKarelBeunisSybrenPoletKoncretePoezieLP781962

De Bezige Bij, reeks Literaire Pockets: Sybren Polet, Konkrete poezie (LP 78, 1962)


Maar het boekje trekt wel steeds mijn aandacht.
De titel wringt.
Had de titel niet ‘Om de omslag’ moeten zijn,
‘de’ in plaats van ‘het’?
Het blijft knagen tot ik vandaag besluit het eens
nader te onderzoeken.

Al snel blijkt dat het gevoel goed is:
als de betekenis een kaf of boekband is dan is de juiste
schrijfwijze ‘de omslag’.
Maar er zijn ook andere omslagen: het weer kan omslaan
en we kennen ook een omslag in de economie.

DeBezigeBijLiterairePocketsJaapJungcurtKarelBeunisGustGilsDriePartiturenLP961962

De Bezige Bij, reeks Literaire Pockets: Gust Gils, Drie partituren (LP 96, 1962)


Waarom deze keuze? Het is geen fout.
Het kan niet anders dan een bewuste keuze zijn.
De uitgeverij is Uitgeverij Fragment (Frank van Ingh).
Van hen koop ik vaker een boek vanwege de mooie uitvoering.
Het boek verschijnt bij een tentoonstelling rondom
de omslagen in Museum Belvédère.
De directeur van het museum, Han Steenbruggen,
schrijft het essay bij de afbeeldingen in het boek.
Er is te lang aan gewerkt: de eerste plannen voor een
tentoonstelling, bij het Groninger Museum,
dateren al van voor 2008.

IMG_7858UitgevrijFragmentOmHetOmslagPagina21

In de tekst wordt consequent ‘het’ gebruikt bij het
enkelvoudige woord ‘omslag’, bij meervoud gebruikt men ‘de’.
Een vermoedelijk, bewuste typografische keuze.

Wat de reden precies is, weet ik niet.
Maar ik kan enkele mogelijkheden bedenken::

– pockets waren in de jaren 50 een grote omslag.
Ze waren goedkoop, hadden een modern (Amerikaans?) imago
en waren heel succesvol.
– pocketreeksen waren daarbij ook nieuw en binnen de reeksen
in Nederland sprongen de Literaire Pockets van De Bezige Bij
er uit door hun moderne inhoud en vormgeving.
– de ontwerpers, Jaap Jungcurt (beeld) en Karel Beunis
(typografie) maakten in de serie drie keer een omslag:
de eerste serie werd ontworpen met de collagetechniek,
de tweede door gebruik van viltstift, de derde serie door het
werken op basis van tekeningen en de laatste omslagen
kenmerken zich door een zwart-wit beeld.
– door de jaren heen verandert de waardering voor de omslagen
van pockets. In het boek staat een citaat van Dick Bruna,
ontwerper van de omslagen van de ‘Zwarte beertjes’ waarin
hij beschrijft hoe de waardering omslaat: ‘Nu verbaas ik me
er weleens over dat er zo gewichtig over wordt gedaan.’ (pag 22)

Wat precies de reden is, daar zal ik wel niet achter komen.
Misschien moet ik daarvoor de tentoonstelling in
Museum Belvédère bezoeken.

Even over de inhoud, waarom waren die ontwerpen zo bijzonder?

‘In zijn ontwerpen verloor Jungcurt zich zelden in decoratie of routine. Steeds weer wist hij binnen het gekozen stramien van formaat en techniek nieuwe beeldoplossingen te vinden, waarin veelal het vermoeden sluimert van figuratie. Omdat de beelden nooit eenduidig zijn, geven ze alle ruimte tot associeren en dagen ze uit tot onderzoekend kijken.
De composities….., bestaan uit configuraties van scherp tegen elkaar afgezette, heldere kleurvlakken. Ze concentreren zich rond een of enkele motieven, maar zijn afgesneden aan de randen, waardoor ze de indruk wekken zich buiten de randen van het beeldvlak voort te zetten – in de meeste gevallen lijken de composities van in elkaar grijpende kleurvlakken fragmenten van een groter bestel van vormen en vlakken. De spanning die dat oplevert, draagt bij aan de expressieve kracht van elk ontwerp….’

Pagina 11.

Als ik dan toch iets te klagen heb: het gekozen lettertype.
Met name de cijfers ervan.
Als je kijkt naar bijvoorbeeld de jaartallen dan lijkt
de ‘1’ in ‘1958-1961’ visueel los te komen van de rest.
Dat wordt nog versterkt door het koppelteken dat wel heel
dicht aanschuift tegen de ‘8’ van ‘1958’.

IMG_7859UitgevrijFragmentOmHetOmslagPagina27

Verder is het een mooi boek geworden met veel afbeeldingen
ter ondersteuning van de tekst, een overzicht met paginagrootte
afbeeldingen van omslagontwerpen van Jaap Jungcurt en Karel Beunis
en een overzicht van alle deeltjes in de reeks Literaire Pockets.
Aanrader!

DeBezigeBijLiterairePocketsJaapJungcurtKarelBeunisWillemElsschotLijmenEnHetBeenLP561961

De Bezige Bij, reeks Literaire Pockets: Willem Elsschot, Lijmen en het been (LP 56, 1961). De foto’s van de omslagen komen van de website van Museum Belvédère.


Heb ik nou een halve Siebold gelezen?

Over boeken, gezinnen en de onvoltooide echo van een verzamelaar.

Een beetje ongelukkig verschenen in Nederland tegelijk
twee boeken over het leven, de carrière en de gezinnen van
Philipp Franz von Siebold.

Ik wist dat er een boek over Siebold was verschenen.
In een boekenwinkel zag ik er een liggen en kocht het,
niet wetende dat er op dat moment twee tegelijk waren uitgekomen.

De naam Siebold kende ik, ik ben een aantal keren in het
Japanmuseum Sieboldhuis in Leiden geweest.
Maar verder dan ‘iets met Japan’ reikte mijn kennis niet.

Intussen weet ik meer:
over het milieu van de Duitse familie Von Siebold,
zijn ambitie en opdracht als scheepsarts en
verzamelaar van kennis op Deshima.
Over zijn contacten met Japanse wetenschappers,
zijn Japanse gezin en de verbanning uit Japan.
Over zijn voortdurende geldnood,
zijn Europese gezin en zijn tweede bezoek aan Japan.

Hij doet denken aan Indiana Jones: altijd nieuwe plannen,
en steeds weer is Japan belangrijker dan alles,
zelfs belangrijker dan zijn families.

Het boek heb ik met veel plezier gelezen.

IMG_7826ArletteKouwenhovenBrandendeIJverSieboldDeBiografie

Arlette Kouwenhoven, Brandende IJver – Siebold de biografie.


Zwemmen of Baden: Over de Fijnheid van Herhaling

In Archiefstuk 001 van mijn Bouillonistisch Archief
werd het boek Charms, 50 verhalen al genoemd.
Het allereerste verhaal, en meteen de allereerste zin, staat
op een absurdistische wijze stil bij soep.
Nu ik de 50 verhalen gelezen heb blijkt dat dit
eerste verhaal meteen een van de meest aansprekende is.

IMG_7800DaniilCharms50verhalenStatenhofpers

Daniil Charms, 50 verhalen, Statenhofpers. In de vertaling vanuit het Russisch door Jan Paul Hinrichs die ook het nawoord verzorgd.

Er is veel te genieten aan deze kleine parels van verhalen.
Steeds slaagt Charms erin je op het verkeerde been te zetten.
Een verhaal springt er wat mij betreft echt uit, een kort verhaal
van vier zinnen waarin Charms vrijwel dezelfde geschiedenis
twee keer verteld.
Het is heel ontregelend voor de lezer. Het is een techniek die
Charms op meer plaatsen inzet.
Toegegeven: als je deze techniek een paar keer voorbij ziet
komen verliest hij aan kracht.
Maar de 4 zinnen zijn top:

Op een keer ging Semjonov wandelen. Het was een heel warme dag en daarom besloot Semjonov te gaan zwemmen in de rivier.
Semjonov wandelde heel lang, werd uiteindelijk moe en ging uitrusten op het gras langs de rivier.
Het was een warme dag en Semjonov besloot te baden in de rivier.

Het subtiele verschil: eerst ‘zwemmen’, later ‘baden’.
Een verschuiving die nauwelijks betekenis draagt,
maar des te meer bijdraagt aan de ontregeling.

Op andere plaatsen waar je deze techniek ziet is er soms een
meer algemeen deel en een meer specifiek deel.
Zoals het heel specifiek gedateerde verhaal van 8 maart 1938.
Deel 1 begin bijvoorbeeld met ‘Wanneer iemand de slaap niet kan vatten’,
terwijl deel 2 begint met ‘Iemand die Oknov heet lag op bed, de benen
dom uitgestrekt en probeerde in te slapen.’

In de verhalen ligt de nadruk op het ontregelen. Het zijn
absurdistische, korte verhalen. Wat ik lastig vond,
was dat ik gaandeweg steeds meer weerzin voelde opkomen
tegen het mensbeeld dat Charms hanteert.
De meeste mensen in zijn verhalen zijn niet slim, ze laten
het onheil dat hen overkomt, gelaten over zich heen komen.
Natuurlijk, dergelijke typetjes zijn gewillige slachtoffers
in komische situaties.
Zou Charms dit soort verhalen ook hebben kunnen schrijven
over intelligente en actieve mensen?

IMG_7778JanHanloBesteAdvisandaStatenhofpers

Jan Hanlo, Beste advisanda, Brieven aan Hajo Wong (en Willem K. Coumans), Statenhofpers. Voorzien van toelichtingen door Wiel Kusters.

Het tweede boek: Hanlo, Beste advisanda, Brieven aan Hajo Wong
(en Willem K. Coumans) heb ik ook met veel plezier gelezen.
Gelukkig lost Hanlo zelf de vraag op die mij vanaf het begin
bezighield: wat wordt bedoeld met ‘advisanda’?

Het komt nog al eens voor dat een verzameling brieven van
een schrijver vooral gaat over ditjes en datjes.
Bij Hanlo is dat niet. Zelfs de teksten van de briefkaarten
gaan over literatuur. Daardoor vond ik ze veel leuker om te lezen.

Soms in het wel Taalkunde met hoofdletter ‘T’,
maar het blijft steeds inhoudelijk relevant.
Zoals bijvoorbeeld in de brief van 20 januari 1960 waarin Hanlo
al schrijvend over spelfouten een definitie van een
dichter of schrijver geeft:

Niemand kan een dichteres of dichter of schrijver tenslotte de les lezen: als zij geen komma’s willen schrijven, doen ze ’t niet, zij maken de nieuwe spel-gewoonten (zij niet alleen , ook het volk, maar niet de boekjes).

IMG_7777JanHanloBesteAdvisandaStatenhofpers

Zoals steeds verzorgt Chang Chi Lan-Ying het zetwerk, leent met van Helmut Salden de letters voor de boekband en drukt Jan de Jong de tekst. De fijnste letter vond ik die van Charms, 50 verhalen (het lettertype wordt in de reeks, per boek aangepast naar de inhoud).


Nagekomen informatie over eerste stuk in het Amuseregister: het andere been

Wel schrijven over een boek maar het zelf niet kopen dat
kan voor mij niet. Dus heb ik gisteren Het aanwezige been
gekocht.
De winkelier wees me nog met trots op het
mannequinbeen in de etalage met handtekening.
Toen ik hem vroeg of het aanwezige been een stunt
van de uitgever was, bevestigde hij dit.
Er was in Breda ten minste nog één boekhandel
die een been heeft gekregen.

IMG_7776ArnonGrunbergHetAanwezigeBeenIMG_7795HetAanwezigeBeen

Toevallig liep ik vanmiddag langs die andere boekhandel en maakte er bovenstaande foto’s.


Grunberg in de etalage

Hoe een toevallige ontmoeting de jury voor het blok zette

Inleiding – Een been in de etalage

Als ik door de winkelstraten bij mij om de hoek loop,
kijk ik eigenlijk altijd even wat langer naar binnen bij de vaste winkels.
Natuurlijk ben ik ook benieuwd naar nieuwe zaken,
maar dat zijn tegenwoordig toch vaak daghoreca of modewinkels en
die trekken niet zo mijn aandacht.
Ik stop liever bij de groentenwinkel, de patissiers, de kookwinkel
en de betere boekhandel.

Zo liep ik deze week langs de boekhandel en zag daar een been
in de etalage liggen. Dat trekt om meerdere redenen de aandacht.
Wie kijkt er niet graag naar een elegant been met een lichtblauwe jarretel?
Bij beter kijken zag ik op de achtergrond het nieuwe boek
van Arnon Grunberg liggen, met de titel Het aanwezige been.
Het drong nog niet meteen tot me door dat ik voor de zomer
de bibliofiele uitgave van het titelverhaal gekocht had,
een uitgave van de Statenhofpers,
prachtig vormgegeven en typografisch dampend.

Nu komen deze twee zaken samen:
het been in de etalage en het been in de typografie.
Maar is het soep? Nee. Toch beroert het de lepel.

Overgang – Van soep naar amuse

Gisteren bedacht ik net het Bouillonistisch Archief,
een plek voor ritueel gebonden literatuur —
dampend, vloeibaar, en canoniek.
Maar wat doe je met zeer aansprekende titels of
bijzondere vondsten die niet helemaal voldoen aan
het Manifesto voor de Bouillonistische Literatuur?
Ik kan de regels van het Manifesto niet al bij
een tweede voorbeeld overtreden. Dat zou de lepel ontregelen.

Alle reden dus om daar een aparte lijst voor in het leven te roepen:
een zusterlijst, een voorgerechtenwand, een plek voor werken
die dampen maar niet drijven.
Zo ontstaat Het Amuseregister — een ritueel register voor amuse-werken,
licht verteerbaar en typografisch geladen, maar niet gebonden met bouillon.
Daarvoor ga ik vandaag de eerste inschrijving vastleggen.


Ceremonieel Openingsdocument

Het Amuseregister – Voorgerechten van de Archiefwand

Doel:
Het Amuseregister documenteert literaire, visuele en typografische werken
die ritueel relevant zijn, maar niet voldoen aan alle
bouillonistische criteria voor opname in het hoofdarchief.
Ze zijn geen soep — maar ze dampen.
Ze beroeren de lepel, zonder hem te vullen.

Kenmerken van een amuse-werk:
Licht verteerbaar, esthetisch geserveerd
Ritueel geladen, maar niet gebonden met bouillon
Visueel, typografisch, of absurdistisch van aard
Kan een zusterstuk zijn van een archiefstuk
Wordt besproken, maar niet opgenomen


Eerste opname in Het Amuseregister

Titel:
Het Aanwezige Been

Auteur:
Arnon Grunberg

Uitgave & visuele motief:

Bibliofiele editie door de Statenhofpers, deel 21
Typografie: Monotype Goudy Old Style
Papier: Geschept Madrid Litho
Bindwijze: Halflinnen met handgeschept Nepalees Khadi
Bijdrage: Piëzografie van fictieve kunstenaar Gregory Cole
(Nuffield 65 frontloader)
Signatuur: Arnon Grunberg én Gregory Cole

Etalage van De Vrije Boekhandel, Breda
Gesigneerd mannequinbeen, horizontaal gepositioneerd
Visuele echo van het verhaal, ritueel verlengstuk van de uitgave

IMG_7171StatenhofpersArnonGrunbergHetAanwezigeBeen

Typografisch reliek in halflinnen

IMG_7173StatenhofpersArnonGrunbergHetAanwezigeBeenIMG_7174StatenhofpersArnonGrunbergHetAanwezigeBeenGabriëlKousbroekTraktorschilderij

De tractor als pigmentmotief

IMG_7175StatenhofpersArnonGrunbergHetAanwezigeBeen

De typografische keten, met handtekening als rituele sluiting

IMG_7768HetBeenIsBehoorlijkAanwezig

Het been, gesigneerd en horizontaal — ritueel aanwezig, maar niet gebonden

Status:
Niet opgenomen in het Bouillonistisch Archief, wel eervol vermeld
in Het Amuseregister

Juryoverweging:
Het werk dampte, beroerde de lepel, en zinderde van ritueel.
Maar het voldeed niet aan alle bouillonistische criteria.
Het werd met liefde geweigerd, en met typografische ernst opgenomen
in Het Amuseregister.

Samenstelling van de jury:
De curator (met beenwarmer)
De zilveren lepel
Gregory Cole (fictief, maar aanwezig)
Een worm met beenambities
Het been
De etalageruit (als archiefwand)


Slotparagraaf – Het toeval en de volgende kandidaat

Het toeval van een bibliofiele uitgave en een been in de etalage
bleek een terechte kandidaat voor het Amuseregister.
Het werk dampte, beroerde de lepel, en zinderde van ritueel —
maar bleef net te droog voor opname in het Bouillonistisch Archief.
Daarom kreeg het een plek in de marge,
met typografische ernst en visuele bevestiging.

Natuurlijk staat het iedereen vrij om de jury voorstellen te doen,
voor het Bouillonistisch Archief of voor het Amuseregister.
Suggesties, zusterstukken, visuele echo’s, typografische vondsten:
ze zijn welkom. De lepel blijft alert.

Ik ga in ieder geval op zoek naar de volgende kandidaten.
Eerlijk gezegd zat er in Archiefstuk nr. 001 al een
verborgen kandidaat — maar daarover later meer.

Manifesto voor de Bouillonistische Literatuur

Hoe heet de soep gegeten wordt, of hoe men soep tot genre verheft

Iedere week maak ik soep.
Ik fotografeer haar ingrediënten en het resultaat van het kookavontuur.
Ik serveer haar, en publiceer haar onder het motto ‘Soep van de week’.
Maar vandaag kwam er iets bijzonders bij de post:
een klein boekje van Daniil Charms, deel 21 in een reeks
van de Statenhofpers.
En ineens smaakte de soep anders — alsof ze niet alleen gegeten,
maar ook gelezen kan worden.

Ik stelde me de vraag:
Is het verzamelen van verhalen over/met soep wel een hobby?

Het antwoord is JA.

Een hobby is in wezen een activiteit die iemand met plezier en regelmaat doet
in zijn of haar vrije tijd, vaak zonder direct praktisch doel.

Dus ik ga actief op zoek naar verhalen waarin soep een rol speelt.
Ik verzamel ze, categoriseer of analyseer ze.
Misschien ga ik zelf verhalen schrijven of illustraties maken.
Natuurlijk deel ik het Bouillonistisch Archief op mijn blog.

Je zou het zelfs kunnen omschrijven als een vorm van verhalencuratie.
Daarbij is Soep dan het verbindende motief — een soort glibberige rode draad.

En zoals elke hobby vraagt om een kader, een canon, een menukaart
voor een eenvoudig en voedzaam voorgerecht,
ontstond het volgende Manifesto voor de Bouillonistische Literatuur

Hoe heet de soep gegeten wordt, of hoe men soep tot genre verheft

1. De soep is het begin.
Niet als gerecht, maar als gedachte. Een vloeibare logica waarin alles kan drijven: vermicelli uit de 14e eeuw, een vergeten wortel, een lepel die zijn eigen schaduw roert. De soep is een ritueel — gemaakt in het weekend, gefotografeerd in twee fasen: ingrediënten en kom. Soms met brood. Soms met kaas. Soms met niets. Ze is het begin van een hobby, een verzameling, een genre-in-wording.

2. Bouillonisme is geen stijl, maar een toestand.
Wie bouillonistisch leest of schrijft, begeeft zich in een mentale soep — troebel, troostend, soms helder als consommé. Het is een manier van kijken: soep als lens, als ritueel, als genre. Soms absurd, soms lyrisch, soms documentair.

3. De soep mag spreken.
Of zwijgen. Of verdwijnen. Haar rol is niet vastgelegd. Ze kan decor zijn, metafoor, personage, of afwezigheid.

4. Korte verhalen zijn volwaardige bouillonistische universa.
Een zin kan een wereld zijn. Een dialoog een revolutie. Elk bouillonistisch verhaal is een kom op zichzelf — dampend, afgerond, en klaar om gelezen te worden.

5. De lezer is een lepel.
Niet om te consumeren, maar om te roeren. Bouillonistische literatuur vraagt om actieve verwarring, om interpretatie zonder houvast. De lepel is geen instrument, maar een houding.

6. Bouillonisme leeft vaak in de marge.
In kleine boekjes, obscure reeksen, typografische knipogen. Maar ook in het andere uiterste: de 24-delige encyclopedie van Larousse, waar soep verschijnt als lemma, als cultuurgoed, als classificatie. Of in een Sovjet-handleiding voor veldrantsoenen, waarin bouillon wordt beschreven als tactisch element, als draagbare troost. Bouillonistische literatuur nestelt zich overal waar taal begint te dampen — in de voetnoten, in de index, in de typografie van een vergeten reeks.

7. De canon is vloeibaar.
Ze groeit met elk archiefstuk: recepten, etiketten, handleidingen, brieven, typografische gebaren. Alles kan bouillonistisch zijn — mits met de juiste blik en een lichte roering.

8. Humor is ernst in soepvorm.
Lachen is toegestaan. Verwarring is gewenst. Ontregeling is een vorm van inzicht. De bouillonist glimlacht met een lepel in de hand.

9. De bouillonist verzamelt, schrijft, leest, zingt.
Een hobby, ja. Maar ook een levenshouding. Een manier om de wereld te benaderen via de damp van het absurde. De soep is een archief — van verhalen, van rituelen, van smaak.

10. Tot slot: soep is nooit zomaar soep.
Ze is een genre, een motief, een glibberige rode draad. Wie haar serieus neemt, heeft het begrepen. Wie haar niet begrijpt, mag gerust nog een lepel nemen.

Nu het Manifesto dampend op tafel ligt, is het tijd voor de eerste lepel.
De soep is verklaard tot genre, de lepel tot houding,
de canon tot vloeibaar beginsel.

En zoals het een goed ritueel betaamt, dient zich meteen een kans aan:
Vanochtend las ik het eerste verhaal in Deel 21 van de Salden-reeks,
Verhalen geschreven door Daniil Charms, uit het Russisch vertaald en
van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs

Het verhaal begon met een vraag over soep.
En eindigde met een meisje, een worm, en een fiets.
Het was kort, absurd, dampend.
Het was klaar om opgenomen te worden in het Bouillonistisch Archief.

IMG_7770HanloBesteAdvisandaCharms50VerhalenStatenhofpersDenHaag2025

Maar ik ontving niet één, maar twee boekjes.
Naast Charms verscheen ook Hanlo, als Deel 20,
een jubileumuitgave, niet in de handel verkrijgbaar.

Dat riep vragen op.
Waarom Hanlo en Charms, samen?
Waarom juist nu?
Is er een typografisch verband, een rituele reden, een canonieke knipoog?

Ik ging op zoek en las voor het eerst iets van Hanlo.
Het gedicht ‘Waarover zal ik zingen’ trof me direct.
Ritmisch, herhalend, zoekend.
Een opsomming van motieven, een inventaris van mogelijkheden,
als een lepelbeweging door de taal.

Waarover zal ik zingen

Waarover zal ik zingen
over regenjassen over het lover van geboomte
of zal ik van de liefde zingen

Waarover zal ik zingen over vliegmachines
blinkend aluminium in de zon en blauwe lucht
of zal ik zingen over de liefde

Over auto’s over steden en historie
of zal ik zingen over de liefde

Over vele vreemde dingen
over de gewone
of zal ik zingen over de liefde

Over bloemen over water
over mooie dingen of wat droevig is
of zal ik zingen over de liefde

Over tabak en vriendschap
over geur en wijn
over schepen zeilen meeuwen over ellende
over de ouderdom over de jeugd
of zal ik over de liefde zingen

Jan Hanlo
uit: Verzamelde gedichten
Amsterdam, Van Oorschot 2006

Hoewel Hanlo nog niet is opgenomen in het Bouillonistisch Archief,
roept dit gedicht een verwantschap op.
De herhaling, de opsomming, de twijfel — het is als een ritueel van roeren.
Maar het is geen soep, het had misschien de bereiding van soep kunnen zijn.

Hanlo’s gedicht is een menukaart van motieven,
een ritueel van afweging.
Maar het draait steeds om één zin:

of zal ik zingen over de liefde.

En hoewel die zin ritmisch verwant is aan het bouillonistisch roeren,
is de liefde hier geen soep.

Daarom blijft Hanlo voorlopig buiten het archief — als motiefverwant,
als een tekst die misschien later alsnog mag dampen.

En terwijl Hanlo nog in de marge blijft sudderen,
dient zich een verhaal aan dat klaar is om opgediend te worden.
Het is kort, absurd, en opent met een vraag over soep.
Het verscheen in Deel 21 van de Salden-reeks.

IMG_7771Charms50VerhalenUitHetRussischVertaaldEnVanEenNawoordVoorzienDoorJanPaulHinrichsStatenhofpersDenHaad2025Colofon

Het is tijd voor de eerste officiële opname in het Bouillonistisch Archief.


Officiële Opname in het Bouillonistisch Archief

Stuk nr. 001:
Daniil Charms
Titel:
Bobrov liep op straat en vroeg zich af waarom soep niet meer goed smaakt als men er zand in strooit.

Auteur:
Daniil Charms Vertaling: Jan Paul Hinrichs Uitgave: Statenhofpers, deel 21 Datum van opname: 25 september 2025 Locatie: Breda, Nederland

Reden van opname:
Dit verhaal opent met een bouillonistische kernvraag. Het is kort, ontregelend, dampend. De soep is geen decor, maar een katalysator voor verwarring. De typografie is marginaal en precies. De lepel trilt. De kom knikt. De worm applaudisseert.

Ceremonieel besluit:
Met dit document wordt het verhaal van Charms officieel opgenomen als Archiefstuk nr. 001 in het Bouillonistisch Archief. Het dient als begin, als bewijs, als bouillonistisch ijkpunt. Het mag herlezen worden bij elke zanderige lepel. Het mag geciteerd worden in toekomstige inducties. Het mag dampen in de marge.

Ondertekend door:
– De curator (in weekendkledij)
– De zilveren lepel
– De typografische ornamenten van Salden
– De worm met literaire ambities
– De soepkom, halfvol

Dan volgt hier het verhaal:

Bobrov liep op straat en vroeg zich af waarom soep niet meer goed smaakt als men er zand in strooit.
Intussen zag hij een heel klein meisje op straat zitten dat een worm in de hand had en luid huilde.
‘Waarom huil je’ vroeg Bobrov het kleine meisje.
‘Ik huil niet, ik zing,’ zei het kleine meisje.
‘Waarom zing je dan zo?’ vroeg Bobrov.
‘Om de worm wat op te vrolijken,’ zei het meisje, ‘en ik heet Natasja.’
‘Ach, dat zit zo?’ zei Bobrov verwonderd.
‘Ja, dat zit zo,’ zei het meisje, ‘tot ziens.’ Het meisje sprong op, stapte op haar fiets en reed weg.
Zo klein en al op een fiets rijden, dacht Bobrov.

Daniil Charms (pseudoniem van Daniil Ivanovitsj Joevatsjov), 1930, vertaald door Jan Paul Hinrichs.

IMG_7772HanloBesteAdvisandaCharms50VerhalenStatenhofpersDenHaag2025