Deze keer loopt mijn weg naar Khotan via Rechter Tie

— over hoe drie kleine verwijzingen naar Khotan mijn lezing van Labyrinth in Lan‑Fang verdiepen —

Khotan wordt een paar keer genoemd in Labyrint in Lan-Fang.
Vermoedelijk is dat een poging om deze standplaats van Rechter Tie
geografisch te duiden.
Lan-Fang is geen historische plaatsnaam
van een Chinese grensplaats
in het westen van China rond 650 na Christus.

Er bestond wel een Republiek Lanfang
(蘭芳共和國 Lánfāng Gònghéguó) van 1777 tot 1884
in het huidige West‑Kalimantan (Indonesië).
Dat was een Chinese gemeenschap
van mijnwerkers en handelaren buiten China.
Een historisch opmerkelijke situatie.

Waarschijnlijk gebruikt Van Gulik die naam omdat
het een echte historische naam was,
bekend bij sinologen van zijn tijd.
Ook omdat die authentiek Chinees klinkt,
maar vrij inzetbaar is voor fictie.
Het gaf hem de gelegenheid vanuit een Chinees perspectief
een sfeer te creëren, typisch voor een betwiste grensstreek
zonder de historische ballast van de naam van een bestaande plaats.

IMG_9604RobertVanGulikLabyrinthInLan-FangInleidingJanwillemVanDeWeteringElsevier
Robert van Gulik, Labyrinth in Lan-Fang, met een inleiding door Janwillem van de Wetering, Elsevier.

Khotan wordt al genoemd op pagina 26

Nog tot voor enkele jaren liep de weg naar Khotan en de andere schatplichtige koninkrijken in het westen door Lan-fang en deze stad was toen een belangrijke stapelmarkt. Maar toen zijn drie oasen langs de woestijnweg opgedroogd en de handelsweg verlegde zich een honderd mijl naar het noorden.

Van Gulik verwijst hier duidelijk naar de Zijderoute.

Hoe liep de zuidelijke Zijderoute

Langs de zuidelijke rand van de Taklamakan‑woestijn
volgden karavanen die China verlieten een reeks oases
die als veilige rustpunten door de woestijn slingerden.
Vanuit het oostelijke Miran, met zijn Kushan‑invloeden
en kleurrijke muurschilderingen, trokken reizigers westwaarts
langs kleinere nederzettingen als Karadong en Endere,
plaatsen die bloeiden zolang hun rivieren water voerden
en die even snel weer verdwenen wanneer de bedding verschoof.
Verderop lag Niya, ooit een levendige gemeenschap
waarvan houten documenten en huisraad nu de stille sporen vormen
van een oase die door uitdroging werd verlaten.
Daarna bereikte men Keriya, een oase die afhankelijk was
van een grillige rivier die periodes
van voorspoed en verval afwisselde.
De route voerde vervolgens naar Yotkan,
de oude hoofdstad van het koninkrijk Khotan,
waar handelaren en ambachtslieden samenkwamen.
Uiteindelijk eindigde de zuidelijke route in het machtige Khotan zelf,
beroemd om zijn jade‑rivieren en boeddhistische kloosters,
en eeuwenlang het belangrijkste knooppunt
voor wie verder wilde reizen naar de oases en steden
voorbij de Pamirs, richting het gebied van Samarkand en Buchara.

Khotan wordt ook genoemd op pagina 82
en toont meteen dat ook Rechter Tie zo zijn blinde vlekken heeft:

Woe keek naar zijn schilderijen op de muur.
‘Vijf jaar geleden,’ antwoordde hij, ‘deed ik het eerste kandidaatsexamen.
Tot teleurstelling van mijn vader besloot ik mijn studie af te breken en mij geheel aan het schilderen te wijden. Ik werkte onder twee beroemde meesters in de hoofdstad, maar hun stijl lag mij niet.

Twee jaar geleden ontmoette ik toevallig een monnik die helemaal uit Khotan afkomstig was, het schatplichtig koninkrijk in het verre westen. Die man liet mij zijn stijl van schilderen zien, vol leven en felle kleuren. Ik besefte toen, dat onze Chinese kunstenaars die stijl moesten bestuderen om onze nationale kunst te vernieuwen. Ik dacht dat ik misschien een baanbreker kon worden en besloot zelf naar Khotan te trekken.’

‘Persoonlijk ben ik van mening,’merkte de rechter droog op, ‘dat onze nationale kunst volkomen bevredigend is en het ontgaat me wat een barbaars en vreemd volk ons nog kan leren. Maar ik wil niet beweren dat ik een kenner ben. Gaat u door!’

In deze korte dialoog tussen Woe en Rechter Tie
laat Van Gulik mooi zien hoe de Tang‑wereld
niet alleen een Chinees decor is,
maar een kruispunt van culturen.
De jonge schilder die zich laat inspireren door een Khotanese monnik
staat voor de openheid en nieuwsgierigheid
die de Zijderoute mogelijk maakte:
ideeën, kleuren en stijlen reisden net zo goed mee als zijde en jade.

Tie’s droge afwijzing — half ironisch, half oprecht —
weerspiegelt juist de zelfverzekerde blik
van een Confuciaanse magistraat
die de Chinese kunst als maat der dingen ziet.
Precies in dat spanningsveld,
tussen vernieuwing van buiten en de zekerheid van binnen,
situeert Van Gulik zijn wereld:
historisch geloofwaardig, licht gefictionaliseerd,
en altijd gevoed door de stille bewegingen
van uitwisseling langs de randen van het rijk.

Dan komt Khotan nog een derde keer in beeld, op pagina 123:

Vele jaren geleden, toen de weg naar het westen nog door deze stad leidde, hebben monniken uit Khotan die tempel gebouwd. Later hebben ze die weer verlaten. De tempel raakte in verval, bewoners uit de buurt haalden de deuren en ander houtwerk weg als brandhout. Maar de prachtige muurschilderingen, door de monniken gemaakt, zijn gebleven.

In de derde passage duikt Khotan opnieuw op,
ditmaal als de herkomst van een vervallen tempel
waarvan alleen de muurschilderingen nog getuigen
van een vroegere bloeitijd.
Van Gulik gebruikt dit soort details om de Zijderoute
een voelbare diepte te geven:
monniken die ooit tot hier reisden,
een tempel die gebouwd werd toen de handelsweg
nog door de stad liep,
en kunst die de tand des tijds beter doorstaat
dan de mensen die haar maakten.
Het is dezelfde beweging als in de eerdere scènes:
Khotan verschijnt telkens als een verre bron
van kleur, geloof en vakmanschap,
een plek die ooit invloed uitoefende op het Chinese rijk
maar nu vooral als echo aanwezig is.
Zo verweeft Van Gulik fictie met historische resonantie
en laat hij zien hoe culturele uitwisseling langs de randen van het rijk
niet alleen handel bracht, maar ook kunst die blijft hangen,
zelfs wanneer de route zelf allang is verschoven.

Het is vooral omdat ik de afgelopen tijd zelf bezig ben geweest
met Khotan (Yotkan) door het werk van Aurél Stein,
dat deze fragmenten me opvielen.
Voor een andere lezer zal Labyrinth in Lan-Fang
een spannende detective zijn.
Tao Gan en Rechter Tie bespreken alle gebeurtenissen met elkaar:

Tao Gan schudde verbijsterd het hoofd. Met een diepe zucht zei hij: ‘Edelachtbare, het komt mij voor dat wij nog nooit tevoren met zo’n groot aantal ingewikkelde problemen tegelijk te maken hebben gehad!’

‘Oppervlakkig gezien lijkt dat zo,’ antwoordde de rechter, ‘Maar feitelijk waren het de plaatselijke omstandigheden die ons zo verward maakten. Nu de verstrikte draden geleidelijk aan ontknoopt raken, komt er een duidelijk patroon tevoorschijn.
We hebben ten slotte maar drie werkelijke zaken. Ten eerste, de moord op Generaal Ting. Ten tweede, de zaak Yü contra Yü. Ten derde, de verdwijning van de dochter van Fang,
Onze maatregelen tegen Tsjièn Mo, onze ontdekking van het plan van Yü Tsjie en de verklaring van de moord op bestuurder Pan vormen tenslotte d lokale achtergrond…’

Hoe je de zaken ook indeelt, voor mij zes complexe zaken,
mooi door Van Gulik tot één verhaallijn geweven.
Aan het eind vind Rechter Tie ook nog de richting
die hij moet nemen uit zijn midlife-crises.
Een verrassende afronding
van een van de beste Rechter Tie-romans.

Nu heb ik nog vier titels te gaan in de reeks.
Dan heb ik alle Rechter Tie-romans (opnieuw) gelezen.