– over de aarde als getuige: een symmetrische wereld rond de verlichte Boeddha –
Er doet zich iets merkwaardigs voor met het nummer
van het beeld waarover dit bericht gaat.
Bij het beeld waren twee zaalteksten te zien:
- een klein bordje met een korte samenvatting
- en een tweede bord met een uitgebreidere beschrijving.
Op het beeld zelf was bovendien een wit etiket geplakt
met daarop enkele tekens en een nummer.
Het nummer op het etiket op het beeld luidt: 1104 (met dank aan Copilot).
Het inventarisnummer op het kleine bordje is: Arch.-1104.
Het nummer in de uitgebreide zaaltekst is: Arch.-11104.
Opmerkelijk genoeg wordt dat laatste nummer, Arch.-11104,
zowel in de Hindi- als in de Engelstalige tekst vermeld.
Voorlopig biedt het internet nog geen oplossing voor deze kleine puzzel.
Daarom houd ik voor de foto’s het nummer van het etiket
en het kleine bordje aan,
terwijl ik de uitgebreide zaaltekst
onder het nummer Arch.-11104 heb opgenomen.
De stèle is opgebouwd rond een streng geordende
en vrijwel volledig symmetrische compositie.
Alleen de centrale figuur van de Boeddha doorbreekt die symmetrie;
alle andere elementen zijn in paren georganiseerd
en verwijzen terug naar het moment van de verlichting.
Helemaal bovenaan verschijnen aan weerszijden van de nimbus
bladeren van de peepal of heilige vijgenboom (Ficus religiosa).
Zij verwijzen naar de Bodhiboom waaronder Siddhartha
zijn verlichting bereikte.
Opvallend is dat de boom zelf niet wordt afgebeeld.
Enkele karakteristieke bladeren volstaan om de heilige plaats
en het beslissende moment in het leven van de Boeddha op te roepen.
De bladeren fungeren daarbij als een visuele omlijsting
van de bovenste zone van de stèle.
Onder de bladeren zweven twee gevleugelde hemelwezens,
waarschijnlijk gandharva’s.
Ook zij zijn spiegelbeeldig gerangschikt en, omgeven door energie,
lijken ze een gestileerde bloemenkrans of offergave te dragen.
Hun aanwezigheid markeert het kosmische belang
van de gebeurtenis die centraal in de voorstelling staat.
Zij verschijnen niet als zelfstandige personages,
maar als hemelse vereerders die de verlichte Boeddha eren.
Aan weerszijden van de troon staan twee bodhisattva’s opgesteld.
Links voor de toeschouwer bevindt zich waarschijnlijk Avalokiteśvara.
In zijn kroon is een klein zittend figuurtje opgenomen
dat doet denken aan een Boeddha-afbeelding,
een bekend kenmerk van deze bodhisattva.
Rechts voor de toeschouwer staat waarschijnlijk Maitreya,
herkenbaar aan de stūpa die zijn kroon bekroont.
Hoewel beide figuren door hun attributen van elkaar verschillen,
zijn zij qua houding, plaatsing en schaal elkaars tegenhangers.
Samen bewaken zij de centrale ruimte waarin de Boeddha verschijnt.
De Boeddha zelf vormt het vaste middelpunt
waar de gehele compositie omheen is georganiseerd.
Achter hem verrijst een zorgvuldig uitgewerkte architectonische omlijsting
met pilasters, kapitelen, ornamentale banden en een rijke nimbus.
Deze architectuur functioneert niet als achtergrond in moderne zin,
maar als een heilig kader dat de centrale positie van de Boeddha benadrukt.
De bodhisattva’s lijken in nissen naast hem te staan,
terwijl de hemelwezens en de bladeren zijn hoofdzone markeren.
Hierdoor krijgt de voorstelling een monumentale rust
en een bijna architectonische orde.
Ook onder de lotustroon wordt dit principe voortgezet.
In de onderste zone van de stèle liggen aan weerszijden
twee gestileerde leeuwachtige dieren of simha’s.
Hun koppen zijn wel smal dus het kan best een ander dier zijn.
Tussen hen knielen twee figuren die spiegelbeeldig zijn weergegeven.
Zij wenden zich naar het midden en maken met hun opgeheven armen
een gebaar dat aan presentatie, verering of eerbetoon doet denken.
De linker figuur lijkt een klein object vast te houden,
mogelijk een offergave, al laat de huidige toestand van het reliëf
geen zekere identificatie toe.
Opvallend is dat de compositie ook hier volledig op evenwicht berust:
dier tegenover dier, figuur tegenover figuur.
Juist die uitgesproken symmetrie maakt duidelijk
hoe de voorstelling gelezen moet worden.
Vrijwel ieder element bezit een tegenhanger aan de andere zijde
van de centrale as.
Blad tegenover blad, gandharva tegenover gandharva,
Avalokiteśvara tegenover Maitreya, vereerder tegenover vereerder
en simha tegenover simha.
Midden in deze zorgvuldig uitgebalanceerde wereld
zit de Boeddha in bhūmisparśa-mudrā, het aardaanrakingsgebaar.
Met zijn rechterhand raakt hij de aarde aan
en roept haar op als getuige van zijn recht op verlichting.
Daarmee ontstaat een tweede, intellectuele vorm van symmetrie.
De spiegelbeeldig geordende figuren en motieven
brengen het beeld visueel in evenwicht,
terwijl de bhūmisparśa-mudrā hun betekenis samenbindt.
De rechterhand van de Boeddha raakt de aarde aan
en vormt daarmee letterlijk het punt
waarop de gehele compositie samenkomt.
Alle onderdelen van de voorstelling verwijzen uiteindelijk
naar hetzelfde beslissende ogenblik:
het moment waarop de Boeddha onder de Bodhiboom de verlichting bereikt.

















































































