Een gemiste kans voor Van Gulik

Er lag iets op de rand van de oude put waar ze zwijgend naar bleef staren. Geen zuchtje wind bewoog in de bomen en de vochtige, hete lucht in de donkere tempeltuin was benauwend. Een paar amandelbloesems dwarrelden neer van de uitstekende takken boven hun hoofd. Ze leken heel wit in het licht van de lantaarn, en nog witter toen ze in de bloedplas op de verweerde stenen vielen.

Nou, dat is een manier om een detective te beginnen.
Het spook in de tempel is wederom een complex verhaal.
Een hele reeks moorden en verdwijningen
die in het begin niets met elkaar te maken lijken te hebben.
Maar naar het einde toe blijken de verdwijningen ook moorden.
Er worden zelfs moordenaars vermoord.

Toch is het verhaal op zijn best een middenmoter.
Het verhaal lijkt vertrokken van een heel goed plan
maar bij het uitschrijven zijn sommige delen
te weinig tot zijn recht gekomen.
In het voorlaatste hoofdstuk brengt de rechter
alle mogelijke betrokkenen bij elkaar.
Dat doet hij buiten de rechtbank, meestal kiest
Van Gulik voor de rechtbank als decor voor de oplossing.
Voor de mogelijke hoofdrolspelers verloopt dat hoofdstuk
naar tevredenheid (in zoverre je daarvan kunt spreken
als je slachtoffer bent van een misdrijf).
Maar voor de lezer staan nog wel wat punten open.
Die worden in het laatste hoofdstuk opgelost.
Maar het gevoel bij deze werkwijze is er een van haast.

In het Naschrift schrijft Van Gulik:

‘De nieuwe esoterische secte van het Boeddhisme waar in dit boek herhaaldelijk over gesproken wordt, is het Tantrisme, dat destijds in India en daarbuiten heeft gebloeid’

Teleurstellend is de manier waarop Van Gulik
die belofte van ‘herhaaldelijk bespreken’ probeert in te vullen.

Hoewel Van Gulik in Het spook in de tempel
nadrukkelijk verwijst naar het tantrisme
als een “uit India afkomstige esoterische sekte”,
is dat beeld inmiddels door de moderne sinologie sterk bijgesteld.
Waar hij het tantrisme vooral inzet als exotisch element
— een manier om een tempel, een monnik
of een ritueel een zweem van vreemdheid te geven —
laten recente studies zien dat de werkelijkheid in de Tang‑tijd
veel complexer en vooral veel Chinees‑eigener was
dan zijn naschrift suggereert.
Het esoterisch boeddhisme kwam weliswaar
via Indiase meesters naar China,
maar het wortelde er snel en diep,
en ontwikkelde zich tot een hybride traditie
waarin Indiase rituele methodes
en Chinese religieuze praktijken elkaar beïnvloedden.
Het was geen geïsoleerde, uitheemse stroming,
maar een levendige mengvorm
die zich aanpaste aan Chinese rituele logica,
staatsceremonies en lokale culten.

Ook het beeld van “Indiase architectuur”
dat Van Gulik herhaaldelijk oproept,
blijkt bij nader inzien vooral een echo
van oudere westerse sinologie.
Chinese tantrische tempels waren in hun bouwstijl
vrijwel altijd Chinees, met houten constructies, daklijnen
en plattegronden die passen
binnen de eigen architectonische traditie.
Alleen de iconografie en rituele inrichting
droegen sporen van Indiase oorsprong.
De nadruk die Van Gulik legt op het uitheemse karakter
van de tempel — alsof de hele structuur uit India is overgewaaid —
weerspiegelt eerder een negentiende‑eeuws idee
van “oosterse mystiek” dan de historische werkelijkheid.

Daarmee hangt samen dat tantrisme in de Tang‑tijd
allerminst een marginale of verdachte randreligie was.
Integendeel: het speelde een centrale rol aan het hof,
waar figuren als Amoghavajra politieke invloed uitoefenden
en rituelen uitvoerden voor staatsbescherming,
diplomatie en militaire doeleinden.
Het esoterisch boeddhisme was geen geheimzinnige sekte,
maar een vorm van religieuze machtspolitiek
die nauw verweven was met de elitecultuur.
Dat Van Gulik het in zijn verhaal vooral koppelt aan bedrog,
gevaar en misleiding, zegt meer over zijn literaire voorkeuren
dan over de historische positie van deze traditie.

De moderne sinologie benadrukt bovendien dat China
niet slechts een ontvanger was van Indiase ideeën,
maar ook een producent van nieuwe tantrische vormen.
Chinese monniken schreven eigen esoterische teksten,
ontwikkelden rituelen die in India onbekend waren
en combineerden tantrische concepten
met yin‑yang‑denken, vijf‑fasenleer en daoïstische rituele magie.
Het tantrisme werd zo een Chinese innovatie,
niet alleen een importproduct.
In dat licht krijgt Van Guliks herhaalde verwijzing naar India
iets eenzijdigs:
hij ziet vooral de oorsprong, niet de transformatie.

Dat alles maakt duidelijk waarom zijn naschrift vandaag de dag
wat vreemd aanvoelt.
Hij presenteert het tantrisme als een exotisch element
dat “herhaaldelijk” in het verhaal voorkomt,
maar in de roman zelf blijft het vooral decor.
De verwijzingen naar India versterken dat exotische effect,
maar sluiten niet aan bij wat we nu weten
over de manier waarop esoterisch boeddhisme
in China functioneerde.
Het is een beeld dat inmiddels is ingehaald
door onderzoek:
historisch begrijpelijk vanuit zijn tijd, literair effectief,
maar wetenschappelijk te smal.

IMG_9612RobertVanGulikHetSpookInDeTempelInleidingJanwillemVanDeWeteringElsevier
Robert van Gulik, Het spook in de tempel.

Hoewel de Nederlandse titel Het spook in de tempel inmiddels vertrouwd klinkt
binnen de Tie‑reeks, blijft het eigenlijk een merkwaardige vertaling
van The Phantom of the Temple.
Het Engelse phantom suggereert iets ongrijpbaars, een verschijning
die even goed illusie als werkelijkheid kan zijn,
terwijl spook in het Nederlands veel concreter en bijna kinderlijk aandoet.
Een titel als De tempelverschijning zou dichter bij de sfeer van het origineel liggen: subtieler, minder folkloristisch, en beter passend bij de ambiguïteit
die Van Gulik in het verhaal zelf probeert op te roepen.
Want, spoiler, het spook is geen geest.