Aansluitend op het vorige bericht over Verso, gaat dit bericht ook over achterkanten met wapenschilden. In het vorige bericht ging het om een wapenschild dat de hele achterkant vulde en om twee veel kleinere wapenschilden op de achterkant van de mannelijke helft van een huwelijkstweeluik. Vandaag panelen die in de geschiedenis aanzienlijke wijzigingen en aanvullingen ondergingen.
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Hans Pleydenwurff, werkstatt, Man of sorrows, um 1456, mischtechnik auf lindenholz. Inv. 1651.
De vier hoeken van de lijst, de wapenschilden van de families van de man.
De tekst die je gespiegeld ziet kwam van een vn de tekstborden op de tentoonstelling.
#notalion
Het Baselse paneel met de Schmerzensmann / Man of Sorrows vormde ooit de linkerhelft van een tweeluik. De rechterhelft bevindt zich in Neurenberg en toont het portret van de Bamberger domheer Georg Graf von Löwenstein. Zijn wapen staat op de achterzijde van het Baselse paneel, terwijl in de vier hoeken van de lijst de wapens van aan hem verwante families zijn aangebracht. De verfijnde portretstijl contrasteert met de meer grafische uitvoering van de Man of Sorrows, die vermoedelijk door een medewerker naar Pleydenwurffs ontwerp werd geschilderd.
De tekst is spiegelschrift die over de verso-kant loopt was het gevolg van een spiegeling in het beschermend glas.
Copy after Hans Holbein the Younger, portrait-dyptich of Mayor Jacob Meyer zum Hasen and his wife Dorothea Kannengiesser, original: recto 1516 – verso 1520.
In deze copy after Holbein‑dyptich vallen vooral de subtiele spanningen tussen beide portretten op. De architectuur loopt naadloos van het ene paneel naar het andere, alsof man en vrouw zich in dezelfde ruimte bevinden, maar hun blikken vertellen bijna een ander verhaal: zij kijkt aandachtig naar hem, terwijl hij net langs haar heen lijkt te kijken. Ook hun hoofddeksels versterken dat contrast. Jacob Meyer zum Hasen draagt een brede, rode baret die zijn stedelijke status onderstreept, terwijl Dorothea Kannengiesser een gestreepte muts draagt — ingetogen, huiselijk, zorgvuldig geplooid.
De merkwaardige, verkort weergegeven hand van de burgemeester, met ringen aan duim en vinger en een muntstuk tussen de vingers, lijkt half naar haar te wijzen maar blijft uiteindelijk ambivalent.
Het geheel voelt daardoor als een zorgvuldig gecomponeerde dialoog tussen nabijheid en afstand, tussen burgerlijke representatie en innerlijke terughoudendheid.
Dit tweeluik is een kopie naar het verloren origineel van Hans Holbein de Jongere, die beide portretten in 1516 schilderde. De huidige versie wordt door het museum gedateerd tussen 1550 en 1770. Op de achterzijde van het rechterpaneel bevindt zich een wapen met het jaartal 1520 — een latere toevoeging dus.
Französischer Meister, The Virgin and Christ as Salvator Mundi, um 1478 – 1483, öl auf lindenholz. Inv. 458.
Het paneel wordt in Bazel toegeschreven aan een Franse meester en gedateerd rond 1478–1483. Op de achterzijde bevindt zich een ongeverniste wapenschildering met het jaartal 1511, waarvan de uitvoering duidelijk afwijkt van de fijnschilderende werkwijze van het oorspronkelijke paneel. Deze wapenschildering is daarom als een latere toevoeging te beschouwen, aangebracht enige tijd na de voltooiing van de voorzijde.
– over twee achterkanten en twee politieke werelden –
De tentoonstelling Verso – Tales from the Other Side was opgedeeld in secties. In de teksten wordt soms gesproken over ‘rooms’. Met dit bericht zijn we aangekomen bij de vijfde sectie waarin schilderijen aan bod kwamen waarop op de achterkant wapenschilden zijn te zien. In dit bericht de eerste twee schilderijen. Later volgen er nog een paar.
Bazel, Kunstmuseum Basel, Verso, Niederländischer Meister, Portait of Jacob of Savoy, Count of Romont, um 1475, mischtechnik auf eichenholz. Inv. 457.
Verso, de andere kant van de afbeelding.
Niederländischer Meister
In de 15e eeuw vormden de Bourgondische hertogen een uitgestrekt rijk dat zich uitstrekte van Dijon tot aan de Noordzee. Het bestond uit twee delen: het zuidelijke hertogdom Bourgondië in het huidige Frankrijk, en de noordelijke Bourgondische Nederlanden — Vlaanderen, Brabant, Holland, Zeeland en de omliggende gewesten. Aan het hof van Karel de Stoute groeide deze noordelijke regio uit tot een centrum van verfijnde schilderkunst, met meesters als Rogier van der Weyden en Hans Memling. Wanneer een museum in het Duits spreekt van een Niederländischer Meister, bedoelt het daarom de schildertraditie van deze Bourgondische Nederlanden. Het is een stilistische aanduiding: een manier om een anonieme schilder te plaatsen binnen de Vlaamse/Nederlandse hofkunst van de 15e eeuw, zonder een specifieke naam of atelier te claimen.
Binnen dat Bourgondische netwerk bewoog Jacob II van Savoye zich als bondgenoot van Karel de Stoute tussen Dijon, Brussel en de Vlaamse steden. Zijn portret past precies in die wereld: het is geschilderd in de verfijnde stijl die aan het Bourgondische hof tot bloei kwam, met aandacht voor stofuitdrukking, sieraden en een beheerste, bijna sculpturale weergave van het gezicht. Omdat de maker onbekend is, maar duidelijk tot deze Vlaamse‑Nederlandse hoftraditie behoort, gebruikt het museum de brede term Niederländischer Meister. Zo wordt het werk geplaatst in de schilderkunst van de Bourgondische Nederlanden, zonder een specifieke meester of atelier te hoeven noemen.
Een korte biografische schets
Jacob II van Savoye (geboren 1450) was een jongere zoon uit het machtige huis Savoye, een dynastie die haar invloed uitstrekte over de Alpen en het gebied rond het Meer van Genève. Als tiener kreeg hij het Pays de Vaud als apanage: een samenhangende regio van steden, kastelen en landerijen in het westen van het huidige Zwitserland, met Romont als een van de centrale plaatsen. Het was geen strak afgebakend territorium zoals moderne staten, maar een herkenbare machtszone waar de Savoyaardse hertog daadwerkelijk gezag uitoefende. Voor Jacob betekende dit dat hij niet alleen een titel droeg, maar een reëel gebied bestuurde — met inkomsten, soldaten en een eigen regionale identiteit.
In de jaren 1470 sloot hij zich aan bij Karel de Stoute, de Bourgondische hertog, en bewoog zich in de hoogste kringen van een hof dat bekendstond om zijn ceremonie, pracht en verfijnde kunst. Na Karels dood in 1477 bleef Jacob trouw aan diens erfgename Maria van Bourgondië, wat hem in 1478 een plaats opleverde in de Orde van het Gulden Vlies, het exclusieve riddergenootschap van de Bourgondische elite. Hij stierf enkele jaren later, vermoedelijk rond 1485/86, waardoor zijn portret een zeldzaam venster vormt op een edelman die zijn politieke en militaire rol binnen het Bourgondische netwerk maar gedeeltelijk heeft kunnen vervullen.
Portret
Het portret dat Jacob rond 1475 toont, past precies in de Bourgondische hofcultuur. Zijn blik is licht asymmetrisch, maar daar is geen historische aanwijzing voor: geen enkele bron vermeldt een oogafwijking, en Vlaamse meesters gebruikten subtiele variatie om een gezicht levendiger te maken. Hij draagt een meerlagige ketting met kralen en een zware hanger — geen officieel insigne zoals het Gulden Vlies, maar een persoonlijk sieraad dat binnen hofportretten minder gebruikelijk is dan formele orde‑tekens. Daarnaast draagt hij een pinkring met een steen, een subtiel teken van persoonlijke status. Zijn handen liggen ongewoon laag in beeld, met de vingers over elkaar — een ingetogen, bijna zuinige houding die het portret een opvallende terughoudendheid geeft.
Wapenschild
Het familiewapen van Jacob II van Savoye is een uitgesproken voorbeeld van laatmiddeleeuwse heraldiek waarin macht en afkomst visueel samenvallen. In het midden staat het Savoyaardse kruis — wit op rood — omgeven door een blauwe rand met gouden versiering. Daarbuiten, op rood en tussen gouden stiksels, staat een reeks goudkleurige tekens; ze lijken op letters, maar zijn te gestileerd en te fragmentarisch om als leesbare tekst te worden geïdentificeerd. Daaromheen staan stralende punten die het geheel als een zon omringen. Aan weerszijden houden beren het schild vast, een verwijzing naar kracht en standvastigheid, terwijl bovenop een gouden helm prijkt met een gevleugelde leeuwenkop als helmteken: een symbool van moed en waakzaamheid. De rode en witte bladkrullen verwijzen naar de kleuren van Savoye, en onderaan verschijnt een kleine gevleugelde hengst, een teken van snelheid en adel.
Op het eerste gezicht lijkt het wapen goed te lezen, maar gaandeweg worden details zichtbaar die zich moeilijk laten duiden, zoals de sporen van een tekst onder de gevleugelde hengst waarvan geen letter meer te onderscheiden is.
Waarom hij zo’n typische “heraldieke persoonlijkheid” is
Jacob is precies het soort edelman dat trots was op afkomst en territorium, en dat niet alleen kon maar ook moest zijn. Als jongere zoon moest hij zich via titels, functies en symbolen profileren; hij beschikte over een eigen machtsbasis in het Pays de Vaud; hij leefde in een hofcultuur waarin identiteit zichtbaar werd gedragen in kleding, sieraden en wapenschilden; en hij vervulde militaire functies waarin banieren, kleuren en heraldiek een centrale rol speelden.
Kortom: Jacob II belichaamt het laatmiddeleeuwse idee dat macht en afkomst niet alleen bezit waren, maar ook beeldtaal. Hij is precies het type mens dat zijn achtergrond niet verbergt, maar met overtuiging toont — in wapens, insignes en portretten.
Zaaltekst bij de vijfde sectie van de tentoonstelling.
Lucas Cranach der Älter, Portrait of Johann Friedrich, The Magnanimous, Elector of Saxony, 1533, öl auf buchenholz. Inv. 1228.
Zo zijn de wapenschilden misschien nog iets duidelijker.
De Grootmoedige
Johann Friedrich (geboren 1503) was keurvorst van Saksen — een van de zeer selecte vorsten binnen het Heilige Roomse Rijk die het recht hadden om de keizer te kiezen. Die positie gaf hem aanzienlijke politieke invloed en maakte zijn dynastieke representatie extra belangrijk. Hij stamde uit het Huis Wettin, een oude dynastie die al sinds de middeleeuwen de Saksische gebieden bestuurde. Binnen dat huis bestonden twee takken: de Albertijnse en de Ernestijnse linie. Johann Friedrich behoorde tot die Ernestijnse tak, die in zijn tijd de leiding had over Wittenberg en het Saksische keurvorstendom.
Als beschermheer van Luther en de universiteit van Wittenberg speelde hij een sleutelrol in de verspreiding van het protestantse geloof.
Zijn bijnaam der Großmütige verwijst naar zijn reputatie als loyale, principiële vorst.
In 1527 trouwde hij met Sibylle van Kleef, waarmee hij de Saksische dynastie verbond aan het Rijnlandse huis Kleef‑Jülich‑Berg — een alliantie die zowel politiek als symbolisch gewicht had binnen het Heilige Roomse Rijk.
Hij overleed in 1554, 51 jaar oud, aan een plotselinge infectie die een lichaam trof dat al verzwakt was door jaren van gevangenschap na de Schmalkaldische Oorlog.
Het portret en de achterkant
Lucas Cranach der Ältere schilderde Johann Friedrich in 1533, in een sobere maar statige pose — een stijl die zowel past bij de ingetogen Saksische hofcultuur als bij de vroege protestantse voorkeur voor waardige eenvoud. De keurvorst draagt een bontkraag en een rijk geborduurde halsband met de inscriptie “ALS IN EREN” — een morele uitspraak die Cranach niet als versiering maar als karakterteken gebruikte. De woorden, deels herhaald in het patroon van de stof, presenteren de keurprins als iemand die leeft in overeenstemming met eer en waardigheid. In de context van Wittenberg, waar geloof en gedrag nauw verbonden waren, krijgt die korte tekst de kracht van een belofte: een vorst die zijn positie niet door pracht maar door deugd bevestigt. De meerlagige ketting en de ring met een steen onderstrepen zijn persoonlijke status, terwijl de lage, verstrengelde handhouding een ingetogen waardigheid uitstraalt.
Op de achterkant van het paneel zijn, tussen twee later aangebrachte Franse briefjes, twee kleine wapenschilden zichtbaar: het Saksische en het Kleefse wapen. Die heraldische combinatie verwijst naar het huwelijk tussen Johann Friedrich en Sibylle; bij zulke vorstelijke verbintenissen was het gebruikelijk dat er meerdere, vrijwel identieke portretten werden vervaardigd, zodat ze konden functioneren als diplomatiek geschenk én als publieke bevestiging van de huwelijksband tussen twee huizen.
De verso fungeert zo als heraldische pendant bij het portret, en bevestigt dat het werk oorspronkelijk deel uitmaakte van een tweeluik. Andere versies van dit portretpaar zijn bewaard gebleven, onder meer in het Statens Museum for Kunst in Kopenhagen — een teken dat het hof van Johann Friedrich dit beeld bewust liet circuleren, en dat Cranach en zijn atelier het portret daarom in serie vervaardigden als dynastiek en religieus statement.
Er komt veel informatie tot je op de tentoonstelling ‘Kracht
van Kronieken’, die je gelukkig middels een paar boeken
thuis nog eens rustig tot je kunt nemen.
Eigenlijk wil je dan nog een keer gaan kijken.
Maar nu vervolg ik mijn fotoserie.
In de illustraties van middeleeuwse kronieken komen veel wapenschilden terug. Er worden zelfs hele boeken aan gewijd. Wapenboek van Hendrik van Heesel, Holland (Den Haag). Circa 1456. Leuk die puntschoenen. Links het wapen van de Heren van den Bergh.
Dit is een prachtig Getijdenboek. Voor de tentoonstelling gaat het vooral om de mooie afbeelding die hieronder volgt maar die hoofdletter aan het begin van de tekst (Initiaal) is zo mooi! Getijdenboek, Rijnland, Keulen, 1486.
De rijkheid van de versieringen in een boek is vooral afhankelijk waarvoor men het boek wil gaan gebruiken. Het is minder afhankelijk van de inhoud van de tekst al bestaat daar natuurlijk wel heel vaak een relatie tussen. Een gebedenboek is vooral voor prive-gebruik en zo rijk versierd voornamelijk voor iemand van adel. Getijdenboek, Rijnland, Keulen, 1486.
Dit boek is van een andere kwaliteit dan het vorige. Het is ook een getijdenboek maar de afbeelding op de linkerpagina is er pas later ingelijmd. Niets mis mee maar minder kostbaar. Getijdenboek met ingelijmde tekening (links), Noord Frankrijk (Amiens). Eind 15e eeuw. Dis is een boek uit de collectie van Kasteel Huis Bergh.
Vanwege het linkse wapen (van de familie Van den Bergh) en omdat dit zo’n prachtig juweel is: Koormantelspeld van de Heilige Vitus, circa 1335. Een koorkap is een mantel met een speld als sluiting.
Veel van de kronieken proberen te reconstrueren wat een bijzondere oorsprong de familie van hun graaf, koning of keizer is. Bij een stad als Nijmegen (Ymmaghen) is het eenvoudig de oorsprong te herleiden naar de Romeinen en wie beter dan Julius Caesar? Die jeeste van Julius Caesar, Govert van Ghemen, Holland (Gouda), 1486 – 1487. Caesar eerder als ridder dan Romeins veldheer. ‘Die jeeste’ betekent ‘het waargebeurde verhaal’.
Een van de belangrijke kronieken in het Berghse Kroniekenhandschrift is de Pausenkroniek. Daarbij ging men vaak terug op een tekst die iemand anders al eerder had geschreven, om dat, indien nodig, aan te passen en te vervolmaken. De ‘Chronicon Pontificum et Imperatorum’ werd daar vaak voor gebruikt. Er bestaan dan ook veel versies van deze tekst. Ook daarin een afbeelding met de Paus en de Keizer. Dit is de versie: Martinus von Troppau, Pausen en Keizerkroniek, Chronicon Pontificum et Imperatorum, Hagenau. Circa 1460.
Het wapen van de Bisschop van Utrecht is hier duidelijk te zien. Dit betreft de Kattendijkekroniek, Noord Holland. Mogelijk uit de omgeving van Haarlem. Circa 1491 – 1493. Maar let nog eens goed op die afbeelding:
Het is een ingekleurde houtsnede van een lezende Bisschop!