5996: Johan Cruijff en kunst?

Dit is mijn 5996-ste blogpost in 15 jaar.
Sinds maart 2005 blog ik.
Ik heb even op internet gezocht hoeveel dagen dat ongeveer zijn:

PeriodeTussenTweeDatumsBerekenen

Voor alles zijn er tegenwoordig websites. Dus van 1 maart 2005 tot 30 september 2018 zijn 4961 dagen. Dat brengt mijn blog (als ik deze maand de 6000-ste maak) gemiddelde op ongeveer 1,2 posts per dag.


Deze blog post gaat over de National Gallery in Londen.
Ik nam me voor er niet langer dan 1 uur te blijven.
Het werd natuurlijk anderhalf uur.
Wat een fantastische collectie.
Zomaar een paar Turners op een rij.
Prachtige middeleeuwse en renaissance werken.
Ik heb een paar foto’s gemaakt van wat me opviel.

050 WP_20180907_13_13_56_ProWorkshopOfDomenicoGhirlandaioPortraitOfAGirlCirca1490

Dit werk en de volgende foto, deze twee werken hingen naast elkaar. Prachtig. Workshop of Domenico Ghirlandaio, Portrait of a girl, circa 1490.


051 WP_20180907_13_14_19_ProSandroBotticelloPortraitOfAYoungManCirca1490-1495

Sandro Botticelli, Portrait of a young man, circa 1490 – 1495. Waarom bij dit portret sprake is van een ‘young man’ (een jonge man) en bij het vorige van ‘a girl’ (een meisje), weet ik niet. Ze lijken me ongeveer even oud.


052 WP_20180907_13_21_26_ProSassettaSaintFrancisBeforeThePopeTheStigmatisationOfSaintFrancis1437-1444 01

Ik liep zomaar een paar zalen door en plotseling zag ik een aantal werken die samen een altaarstuk of iets dergelijks zijn geweest. In het kader van de tentoonstelling een paar jaar terug over St. Franciscus in Utrecht heb ik toen dit werk of gezien of er over gelezen. Sassetta (Stefano di Giovanni Sasseta), Saint Francis before the Pope Honorius III / The stigmatisation of Saint Francis, 1437 – 1444. Dit is onderdeel van het San Sepolcro Altarpiece.


052 WP_20180907_13_21_26_ProSassettaSaintFrancisBeforeThePopeTheStigmatisationOfSaintFrancis1437-1444 02

Sassetta (Stefano di Giovanni Sasseta), The stigmatisation of Saint Francis, 1437 – 1444. Die engel die de stigmata aanbrengt komt bij mij altijd over als een soort drone die in de lucht hangt.


054 WP_20180907_13_23_28_ProSassettaTheWolfOfGubio1437-1444

Sassetta, The wolf of Gubbio, 1437 – 1444. Let ook op de halve cirkel met vogels in de lucht.


056 WP_20180907_13_27_46_ProHansMemlingTheDonneTriptychAbout1478SaintJohnTheBaptist

Dit schilderij en de volgende twee foto’s vormen samen een drieluik: Hans Memling, The Donne triptych, about 1478, Saint John the Baptist. Johannes de Doper.


057 WP_20180907_13_27_54_PrHaonsMemlingTheDonneTriptychAbout1478SirJohnDonneKneelsInAdorationVirginAndChild

Het centrale paneel. De aanbidding van de Maagd en het Kind, Hans Memling, Sir John Donne kneels in adoration before the Virgin and Child.


058 WP_20180907_13_28_02_ProHansMemlingTheDonneTriptychAbout1478SaintJohnTheEvangelist

Het rechterpaneel: Hans Memling, Saint John the Evangelist. Johannes de Evangelist. Alle drie de delen hebben zo’n prachtige vloer. Het centrale deel met een tapijt erop. Schitterend.


060 WP_20180907_13_29_30_ProRogierVanDerWeydenTheMagdalenReadingBefore1438

Dit vond ik super om te zien. Rogier van der Weyden gebruikte het beeld van Magdalena meerdere malen. En steeds heeft het kleed van de vrouw, dezelfde vouwen. “Je gaat het pas zien als je het door hebt.” zei Johan Cruijff, en als je het eenmaal gezien hebt, zie je dat iedere keer opnieuw. Rogier van der Weyden, The Magdalen Reading, before 1438.


062 WP_20180907_14_06_49_ProClaudeMonetIresesAbout1914-1917

Claude Monet, Irises, about 1914 – 1917.


064 DSC_4248LondenNationalGalleryLeonardoDaVinci

Leonardo da Vinci aks onderdeel van een deurpartij.


065 DSC_4249LondenNationalGalleryRembrandt

Rembrandt was daar ook te zien.


DSC_4250LondenNationalGallery

The National Gallery.


Mauritshuis

In plaats van in de FutureDome was ik gisteren in het
Mauritshuis in Den Haag.
Daar heeft men zo’n prachtige collectie!
Iedere keer als ik daar ben is het weer genieten.
Ik zie ook steeds weer ‘nieuwe’ schilderijen en oude vrienden.

WP_20180728_11_48_07_ProRogierVanDerWeydenDeBewening1460-1464InRestauratie

De aanleiding van het bezoek was de restauratie op zaal van het schilderij ‘De bewening’ van Rogier van der Weyden. Het schilderij dateert van 1460 – 164.


WP_20180728_12_01_44_ProJacobVanCampenDubbelportretVanConstantijnHuygensEnSuzanneVanBaerleC1635

Dit is zo’n verrassing. Ik heb het vast al meer keren gezien. Jacob van Campen. Om te beginnen is het een dubbelportret. De man – Constantijn Huygens – zit er nogal statisch en formeel op. Vanachter hem piept als het ware de vrouw tevoorschijn. Ze kijkt de toeschouwer ook recht aan. Haar naam is Suzanne van Baerle, ze was zijn vrouw.


WP_20180728_12_12_44_ProJanSteenZoalsDeOudeZongenPiepenDeJongen

Dit is een oude bekende: Jan Steen, Zoals de ouden zongen, piepen de jongen.


WP_20180728_12_13_33_ProJohannesVermeerMeisjeMetDeParel1665-1667

Nog een oude bekende: Johannes Vermeer, Meisje met de parel. Of al die prachtige Rembrandts of De Stier van Paulus Potter.


Meeterwerk

Ik heb het boek zaterdag al even in de hand gehad.
Even mogen bladeren door de prachtige afbeeldingen.
Genieten van de kleuren en details.
Kopen kon ik het niet want er was een koper voor me.
Die was op slag verliefd op het boek, kocht het en nam het mee.
Ik moet dus nog een paar dagen wachten.
Hier alvast de recensie zoals die vorige week in de Volkskrant stond.

 photo Till-HolgerBorchertMeesterwerkTitelMetSterren.jpg

Sommige schilderijen zijn het artistieke equivalent van een sluipmoordenaar. Ze zijn stil en hebben eindeloos geduld. Je kunt een schilderij jaren kennen voordat het binnenkomt. Er steeds weer langslopen en één detail zien, een gezicht of een vaas, en de impact van het geheel totaal missen. Of andersom; die vertrouwde compositie, die kleuren, kunnen steeds weer een belangrijk detail of verhaal voor je verhullen. Een goed werk bekruipt je, draalt om je heen als een meisje dat aandacht weet te vangen zonder het te vragen. Tot het moment daar is.

Till-Holger Borchert, als hoofdconservator hoeder van een magische collectie Vlaamse Primitieven in het Groeningemuseum in Brugge en groot cultureel-kenner-in-de-breedte, kent dat mechanisme. Hij weet hoe mensen kijken, en vermoedelijk hoe mensen minder zien naarmate ze meer denken te weten. De rest vullen we immers zelf wel in. Hij zal ook de bewegingen kennen die mensen maken als ze voor de Madonna met kanunnik Joris van der Paele van Jan van Eyck staan, het Moreel-triptiek van Hans Memling of Hugo van der Goes’ Dood van Maria. Zij die de tijd nemen, maken een langzame dans; heen en weer, een stap terug, vooruit, een beetje buigen, en weer achteruit.

In Meesterwerk, een boek als een privétentoonstelling, beantwoordt Borchert aan dat mechanisme – de relatie tussen geheel en detail, vorm en verhaal, gevoel en kennis. Per kunstenaar voert hij exemplarische kunstwerken op en zoomt in tekst en beeld per pagina in op details, als een regisseur die zijn objecten met de camera streelt. Hij stelt de kunstwerken voor, geeft ze context, reikt details aan die je nooit zag of die je eerder zag, maar die nu van jou zijn. De pagina’s zijn groot (A3), de beelden zonder kadrering geplaatst, vaak zijn details groter afgebeeld dan ze in werkelijkheid zijn geschilderd.

 photo Till-HolgerBorchertMeesterwerkOmslag.jpg

Je oog wordt aldus zelf een camera die als Google Art rolt langs duivels met vlindervleugels, egels in zeepbellen, vallende kinderen in het vuur van de hel, edelstenen in een kroon van bont. Een uitgeblazen kaars, een mistig landschap, een zoom van brokaat. Gillende monsters, de vertrokken pijn van een gemartelde rechter of de tranen van Maria bij de kruisafneming van Christus, druppelend langs haar rode neus en lippen, omdat ze buigt in wanhoop.

En je weet weer; het is om te huilen zo mooi, deze aandacht voor details en menselijkheid. Van Rogier van der Weyden, Hieronymus Bosch of Rubens, Gerard David of Dieric Bouts.

Het is wonderlijk dat het zo werkt, want van het belangrijkste zijn we immers verstoken in dit boek: de verflaag zelf. Wat deze kunstwerken niet kunnen bieden, geeft dit boek: langdurige nabijheid en een uitlichting van details die je misschien nog niet kende. En wat het boek niet kan bieden, biedt het kunstwerk als je het weer bezoekt: de diepte van de verf, de transparantie van het materiaal, het geheel en de details waartoe je je fysiek kunt verhouden.

Meesterwerk is een herinnering daaraan, een indicator. Die pagina voor pagina wijst op het soms onbevattelijk diepe begrip en de kennis van de wereld en de mens die de beste kunstenaars hadden. En waaraan ze vorm gaven in hun kunst.

(Recensie door Wieteke van Zeil, gepubliceerd op 07-12-2013)

Filosofie van de kunst, Anne Sheppard

Het vervolg van de samenvatting van hoofdstuk 3.
Na Tolstoj bespreekt Sheppard twee mensen Croce en Collingwood.
Daar nemen we de draad weer mee op:

Croce en Collingwood.

Bij het lezen van dit deel was het voor mij niet altijd duidelijk
vanuit welk oogpunt het verhaal geschreven werd:
dat van de kunstenaar of van de toeschouwer.
blijkt verder op dat de theorie beide gezichtspunten
probeert te verduidelijken.

Volgens de samenvatting van Sheppard ga je door drie fases heen
bij het tot uitdrukking brengen van emotie in kunst:

1. ontvangst van de ruwe gegevens

De eerste indruk en de spontane, onbewuste reactie.

2. verbeelding / intuitie

De imaginatieve expressie kan plaatsvinden.
Ben ik in fase 1 gelukkig en fase 2 maak je een liefdesgedicht
of een schilderij.
Dit eist de actieve verbeelding van de toeschouwer.
Met die verbeelding kan de toeschouwer dan de ervaring
van de kunstenaar herscheppen.

3. mentale activiteit

Begrippen worden geformuleerd, begrijpen.

De inhoud van fase 3 wordt me in het boek van Sheppard niet duidelijk.
Ik ben dan ook op zoek gegaan naar meer (beschrijvingen van) werk
van Croce en Collingwood.
Ik heb twee artikelen gevonden en zal die in een latere blog bespreken.

Een conclusie van de theorieen van Croce en Collingwood zou kunnen zijn
dat het kunstwerk eigenlijk alleen in het hoofd van de kunstenaar bestaat.

En dat brengt Sheppard bij een aantal kritiekpunten:

= de meeste toeschouwers/toehoorders zijn niet in staat
het ‘ware kunstwerk’ in het hoofd van de kunstenaar herscheppen.
Bovendien ervaren toeschouwers zaken die de kunstenaar
en niet in gelegd heeft.
Daarnast zijn er verschillende manieren om emoties op te wekken:
snel en oppervlakkig en ingewikkeld en diepgaand (afstandelijk esthetisch).
Snel en oppervlakkig is niet waar men in de kunst naar op zoek is.

= Er zijn heel veel, zeer verschillende reacties op een en hetzelfde werk.

= Er wordt in deze theorieen geen acht geslagen op de verschillen
tussen de verschillende kunstvormen.


Giovanni Bragolin, Huilend jongetje: snel en oppervlakkig?.

Wikipedia:

Bruno Amadio (1911-1981), popularly known as Bragolin, and also known as Franchot Seville, Giovanni Bragolin, and J. Bragolin, was the creator of the group of paintings known as Crying Boys. The paintings feature a variety of tearful children looking morosely straight ahead. They are sometimes called “Gypsy boys” although there is nothing specifically linking them to the Romani people.He was an academically trained painter, working in post-war Venice, producing the Crying Boy pictures for tourists. 27 such paintings were made under the name Bragolin, reproductions of which were sold worldwide. In the 1970s he was found to be alive and well-to-do and still painting in Padua.

 


Positieve kanttekeningen zijn:

= Er wordt een verschil gemaakt tussen kunst en de conceptuele gedachte.

= Het maken van een kunstwerk is niet perse een intelectuele
activiteit.

= esthetische waardering is ongelijk aan verstandelijk begrijpen
(maar hoeft dat niet te zijn).

Door deze theorieen doemen er twee vragen op:
1. Zijn er hoedanigheden die objectief te beschrijven zijn
in termen van emotie om alle kunst te beschrijven?
2. Wat bedoelen we als we zeggen dat we ons voorstellen
hoe het is om bijvoorbeeld verdrietig te zijn
op een speciale, afstandelijke esthetische manier?

Interessant is dat duidelijk wordt dat er zich hier taalkundige
problemen voordoen.
Voor emotie kunnen we eigenlijk geen sluitende definitie geven
die door alle culturen onderschreven kan worden.

Wat we wel kunnen is:

1. objecten van emotie vaststellen.

Op wie of wat is de emotie van toepassing.

2. formuleren van conventies.

Droevige mensen bewegen langzaam en spreken zacht.
Dat is een soort spelregel die we kunnen afspreken
onafhankelijk van de vraag of dit in de werkelijkheid
ook echt zo is.

3. onze eigen gevoelens proberen te beschrijven.


Rogier van der Weyden, De Kruisafneming, Tranen (detail).


“Expressie = emotie in vorm”
staat in potlood onder de titel van hoofdstuk 3 geschreven.
Emotie is naast verstand een drijvende kracht
achter het creatieve proces en speelt een belangrijke rol
in de communicatie tussen het de toeschouwer.
Emotie appeleert.
Soms is emotie zelfs het doel van de communicatie.
Ja, “Expressie = emotie in vorm”.

Maar wat is emotie en hoe vindt de vertaalslag van de emotie
van de kunstenaar naar het werk en vervolgens naar de toeschouwer plaats?
Wat is nog mis in het model van gezichtspunten zoals dat hier eerder
getoond is, zijn invloeden zoals het oeuvre van een kunstenaar,
de school, de leermeester, de stroming en de tijd waarin
die verschillende actoren zich bevinden.

Tot zover even de samenvatting van hoofdstuk 3.

Vijf foto’s van evenzoveel beroemde fotografen

Abelardo Morell, Water alphabet, 1998.


Andres Serrano, Interpretation of dreams, 2001.

De enscenering en het kleurgebruik doen je direct denken
aan Rogier van der Weyden.
Ongelofelijk mooi.


Annie Leibovitz, Meryl Streep, New York, 1981.


Irving Penn, Cuzco children, December 1948.


Louis Faurer, Bowing for the Vogue collection, 1972.


 

Duran-Madonna

Gisteren al werd ik gewezen op een fout in mijn log van gisteren.
De afbeelding van de Maria en het kind is niet van een Middelrijns Altaarstuk
maar is een deel van een schilderij van Rogier van der Weyden:
Madonna in rood, Duran Madonna.
Al speurend op het internet om een en ander te bevestigen
kwam ik het volgende artikel tegen over Rogier van der Weyden.

ROGIER VAN DER WEYDEN
door Lucette ter Borg

Hij was de beroemdste schilder van zijn tijd,
geloofd en geprezen omdat hij
‘zo lovenswaardig menselijke zieleroerselen als droefheid,
boosheid of vreugde’ kon weergeven.
Maar over het leven en de persoon van Rogier van der Weyden,
geboren als Rogelet de la Pasture,
tast de wetenschap in het duister.
Soms is hij opgesplitst in drie verschillende kunstenaars.
Een andere keer is hij zowel de zoon als schoonzoon
van zijn grote voorbeeld Jan van Eyck.

Als kletspraat zich stapelt op kletspraat,
als de fantasie van de een zich vermengt met die van de ander
en als spinsel na spinsel mag woekeren en tieren, eeuwenlang,
dan is er eigenlijk sprake van groot geluk.
Wat een onderzoeksterrein ontvouwt zich
voor de preciese historicus die wil ontwarren en verklaren
dit zou zijn definitieve meesterwerk kunnen worden.
Wat een groots labyrint voor de woelmuis die wil wroeten
in archieven en kronieken en die iedere bron,
hoe onbeduidend ook, duidt, besnuffelt en betast.

Zo’n labyrint is de vijftiende-eeuwse schilder Rogier van der Weyden.
Hij is een groots, maar ook een rampzalig labyrint.
Groots, omdat de kunstenaar na zijn dood in 1464
veel gedaanten en rollen krijgt aangemeten.
Rampzalig, omdat over Van der Weyden haast niets
met zekerheid bekend is, behalve dat hij een beroemd meester was
met een bloeiend atelier in Brussel.

Als je terugkijkt, systematisch de bronnen afspeurt en aftast
tot het onzekere jaar bijvoorbeeld waarin de schilder geboren werd,
dan valt voor wat betreft Rogier van der Weyden
de ene na de andere zekerheid in duigen.

Neem de schilderijen.
Meer dan veertig daarvan gingen verloren in de loop der eeuwen:
ze verdwenen in de golven, werden in stukken gebeukt
door beeldenstormers of door vuur verteerd.
Zesendertig panelen hebben de tand des tijds doorstaan:
zij worden door de meeste, maar niet alle, experts
aan Van der Weyden en zijn atelier toegeschreven.
Van der Weyden zelf liet geen geschreven merkteken op zijn panelen na:
anders dan zijn tijdgenoot Van Eyck signeerde hij niets.

Dan zijn er de geschreven bronnen; beter gezegd,
die zijn er haast niet.
Van Van der Weyden is geen geboorteakte bewaard,
hoewel men aanneemt dat hij ergens tussen 1398 en 1400
in Doornik is geboren als Rogelet de la Pasture.
Zijn sterfdatum is wel bekend: op 18 juni 1464
werd hij begraven in de kapel
van de heilige Catharina in Sint-Goedele,
onder een steen waarop: ‘een doye’ staat.
In die tijd noemde hij zichzelf ‘Rogier uit Doornik, schilder te Brussel’.

Van alle jaren daartussen zijn nauwelijks documenten bewaard.
‘Maitre Rogier’ opent in augustus 1432 een eigen atelier in Doornik
– waarvan akte – en verhuist ergens in 1435 naar Brussel,
waar Filips de Goede zetelt in het hertogelijk paleis
op de Coudenberg in Brussel.
Hij trouwt en krijgt vier kinderen.
Maar alle verdere koopcontracten, inventarissen,
atelierinboedels, testamenten en reisbescheiden zijn verdwenen.

Die trieste speling van het lot heeft heel wat kunsthistorici
aan het werk gezet.
Wat nou, geen bronnen? Welgemoed ging men aan de slag.
Vlak na Van der Weydens dood al.
En waar de feiten stokten, kwam de fantasie te hulp.

Karel van Mander, de beroemde zestiende-eeuwse kunstenaarsbiograaf,
maakt het bont.
Op gezag van een iets oudere Italiaanse kunstenaarsbiograaf – Vasari;
splitst hij in zijn Schilderboeck (1604) Van der Weyden op in twee,
eigenlijk drie kunstenaars: de een woonde in Brugge,
de ander in Brussel (maar deze stierf weer als een ander).

Neem het Van Mander eens kwalijk,
die vermenging van Brugge met Brussel.
Hoe vrij ging men in de vijftiende eeuw met namen om:
Brussel kan ‘Prussel’ zijn, maar ook ‘Burselles’;
Brugge is ‘Brugia’, ‘Bruza’, ‘Brugies’ maar ook ‘Brugghe’.
Een druppel regenwater op het inkt van een contract,
en Brugge wordt Brussel, of omgekeerd.

Die in Brugge, zegt Van Mander, is een bekwaam tekenaar,
een leerling van Van Eyck.
Van Mander ‘meent’ enige werken van de schilder in Brugge te hebben gezien.
Maar zeker weet hij het niet.

Met meer zekerheid schrijft hij over
de ‘uitmuntende’ Rogier van der Weyden uit Brussel,
die zo ‘lovenswaardig’ ‘menselijke zieleroerselen als droefheid,
boosheid of vreugde’ kon weergeven.
Over zijn afkomst in Doornik weet Van Mander niets.
Hij laat de schilder geboren worden in Vlaanderen,
‘of van Vlaamse ouders in Brussel’.
Ook vertelt hij dat de kunstenaar rijk werd
hetgeen klopt, want Van der Weyden gaf tijdens zijn leven
veel aan charitatieve instellingen.
Een paar bewijzen daarvan zijn in kerk- en kloosterarchieven opgespoord.
Maar over de laatste uren van Van der Weyden
schrijft Van Mander weer lariekoek.
Volgens de biograaf sterft Van der Weyden in 1529
aan de ‘swetende sieckte’ – en verwart hem zo met Quinten Metsijs.
Ook over Van der Weydens leertijd is weinig bekend.
In de meest recente, kolossale, monografie
over de kunstenaar draagt de Vlaamse kunsthistoricus Dirk de Vos
vooral argumenten aan voor de gedachte dat Van der Weyden
een leerling is geweest van Robert Campin in Doornik,
die ook wel wordt vereenzelvigd met de Meester van Flemalle.

In de jaren vijftig echter denkt de kunsthistoricus Erwin Panofsky,
beroemd om zijn studie naar de verborgen symboliek
in het naturalisme van de Vlaamse primitieven,
dat Van der Weyden een leerling van Van Eyck is in Brugge.
En weer vijftig jaar daarvoor, in de negentiende eeuw,
is Van der Weyden schoonzoon en zoon van Van Eyck.

Een hechte familie dus volgens de overlevering.
En al is het onwaarschijnlijk dat Van der Weyden
werkelijk een leerling van Van Eyck is geweest,
verwantschap bestaat er ontegenzeggelijk tussen de twee.
Het is een verwantschap die natuurlijk is in de eerste helft
van de vijftiende eeuw.
Want Jan van Eyck zal met zijn perspectivisch correcte ars nova,
zijn meesterlijke scheppingen van tronende Madonna’s,
lijdende Christussen en van licht gloeiende portretten,
een voorbeeld zijn voor alle meesters die na hem komen.
Ook Van der Weyden leent zijn motieven
een handgebaar, een tafereel – en kopieert soms zodanig zijn stijl,
dat zelfs z’n grootste werk – het Laatste Oordeel
in het Hotel-Dieu in Beaune – heel lang aan Van Eyck zelf wordt toegeschreven.

Niemand evenaart Van Eyck, ook niet Van der Weyden.
Toch groeit hij na Van Eycks dood in 1441 uit tot de beroemdste schilder
van zijn tijd, met opdrachten voor vorsten en prelaten in Italie,
Frankrijk en Bohemen. Waarom?

Zijn stijl is eerder hortend dan vloeiend zoals die van Van Eyck.
‘Geciselleerd’ noemt men dat, als men positief wil zijn,
alsof de schilder de bewegingen van zijn personages,
de plooien in hun kleding in steen heeft uitgehouwen
en niet in verf op hout heeft gezet.

Dirk de Vos vergelijkt de panelen van Van der Weyden
terecht met polyfone muziek.
Die afgebakende stemmen, ieder voor zich hun eigen melodielijn volgend,
zie je vertolkt in de contrasterende kleurvlakken,
het diepe rood van Maria’s jurk,
de roze bleekheid van haar langgerekte handen, en het witte kleed
van haar Kind (op de Duran-Madonna in het Prado).



De Maagd en het Kind (Madonna Duran), Rogier Van der Weyden, Museo Nacional del Prado, Madrid.


Ook de illusie van ruimtelijkheid is minder groot dan bij Van Eyck.
Vooral bij de Kruisafname in het Prado,
een van de beroemdste panelen van Van der Weyden,
is dat duidelijk.
Negen figuren klitten hier in wanhoop samen rond de gestorven Christus.
Tien figuren rond een kruis, dat moet dus heel wat diepte opleveren.
Maar niet bij Van der Weyden:
Maria Magdalena die radeloos haar handen vouwt,
lijkt zo van het hout de kijker tegemoet te vallen.
En ook de bezwijmende Maria en de dode Christus
tuimelen bijna van het paneel af.

Ons doet zo’n frontale, ondiepe compositie gekunsteld aan,
we prefereren de illusionaire ‘levensechtheid’ van Van Eyck.
Maar in de vijftiende eeuw zag men die levensechtheid anders.
Men bewonderde Van Eyck, maar ook Van der Weyden.
De laatste dichtte men het wonderbaarlijke talent toe
om de Maagd Maria, Jezus en andere heiligen
bijna lijfelijk aanwezig te laten zijn op aarde.
Vanwege die kwaliteit ongetwijfeld omschreef in 1551 een Spaanse diplomaat
het paneel als ‘het beste schilderij, geloof ik, in heel de wereld’.
Men prees ‘de ademende gezichten, in contrast met het lichaam
(van Christus – red) als van een dode’.

Heiligheid wordt dank zij Rogier van der Weyden
een bijna alledaagse zaak.
Zijn verkondiging aan Maria bijvoorbeeld,
een triptiek dat hij na 1434 schilderde,
vindt niet meer in een onbestemde, naar wierook wasemende ruimte plaats,
maar heel gewoon in de slaapkamer van de Maagd.
Het is een nieuw motief dat na zijn dood
honderden malen gekopieerd zou worden.

En als Van der Weyden een devotiepaneel maakt van Maria,
schildert hij er een pendant bij met een portret van een gewone sterveling
– altijd een jonge man.
Op die manier benadrukt Van der Weyden wat hij belangrijk vindt:
persoonlijk in gesprek komen met God.
Een gesprek waarin tranen kunnen vloeien
en lichamen mogen verkrampen van smart,
maar waarin nooit de ideale maat der dingen uit het oog wordt verloren.

Zelfs in de dramatische altaarstukken die Van der Weyden
tussen 1450 en zijn dood in 1464 maakt, zoekt hij dat ideaal.
De figuren zijn gestileerd, hun voorkomen is ascetisch,
met zeer lange slanke handen, en smalle gezichten.
Tranen rollen overvloedig en Maria’s kleed raakt meerdere malen
besmeurd door het bloed van haar dode zoon.
Er is verdriet, maar we gillen dat niet uit.
Het is zoals een Italiaans bewonderaar in 1456 over Van der Weyden opmerkt:
‘De waardigheid wordt behouden te midden van een stroom van tranen.’

Rogier van der Weyden 1400 | 1464 De Passie van de Meester

Rogier van der Weyden, de passie van de meester
is een schitterende tentoonstelling.
Helemaal als je bedenkt dat van alles wat er te zien is,
er slechts een handjevol werken is van Rogier van der Weyden.
Toch wordt duidelijk dat deze kunstenaar al in zijn tijd
een enorme invloed had op kunstenaars in heel Europa.
Heel veel werken op de tentoonstelling heben de aanduiding:
Rogier van der Weyden (atelier),
Wat wil zeggen dat helemaal niet zeker is of de meester
zelf meegewerkt heeft aan het werk.


Rogier van der Weyden, De lezende Maria Magdalena (detail), voor 1438.


Een opmerking bij de tentoonstelling is ten aanzien van de opstelling.
Ik had de audiotour genomen en dan ligt het voor de hand de tentoonstelling
aan de hand van de nummers van de werken te volgen.
Maar vaak moet je op zoek naar de nummers.
De volgorde was mij niet altijd meteen duidelijk.
Dat kost veel tijd en heen en weer geloop.


Zijn ‘absolute meesterwerk’, De Kruisafneming,
is op de tentoonstelling niet aanwezig.
Maar op een zeer geslaagde manier drukt het werk toch zijn stempel
op deze tentoonstelling.
Dat gebeurt onder andere door de videoinstallatie Sliding Time.


Titel van de videoinstallatie van Walter Verdin.


Rogier van der Weyden, De Kruisafneming, 1438.


Rond 1435 schilderde Rogier van der Weyden
zijn absolute meesterwerk, ‘de Kruisafneming’
voor de Leuvense Gilde van de Grote Voetboog.
Meer dan een eeuw later verwierf Maria van Hongarije,
landvoogdes van de Nederlanden, het altaarstuk.
Koning Filips II nam het vervolgens mee naar Spanje.
Daar bevindt het zich vandaag nog steeds,
in het Museo del Prado in Madrid.
Om technische redenen kan het werk niet vervoerd worden.
Daarom brengt de Belgische videokunstenaar Walter Verdin
het tot leven in ‘Sliding Time’,
een installatie die hij speciaal voor de tentoonstelling
Rogier van der Weyden 1400 | 1464 De Passie van de Meester
heeft gemaakt. De tien personages worden in een langzaam
pulserende, repetitieve beweging uit en in elkaar geschoven.
Ze keren telkens weer terug naar hun oorspronkelijke positie.
Zo wordt duidelijk dat de ‘Kruisafneming, ‘
ogenschijnlijk de weergave van een eenvoudige gebeurtenis,
in feite een samenballing is van diverse momentopnames.

Tekst op de wand bij de installatie.




De videoinstallatie hangt in een heel stemmige ruimte.
Een ruimte die haast voor het werk gemaakt lijkt.
De emotie die het werk toont dwingt tot overweging.
Daar is deze ruimte uiterst geschikt voor.


De Kruisafneming is een werk dat in een vreemde omlijsting zit.
Misschien is dat wel omdat dit altaarstuk voor een bepaalde plaats is gemaakt
waar gewoonweg niet meer ruimte was.
Hoe dan ook, deze inklemming, deze beklemming,
werkt fantastisch op de stemming van het werk.
De volgelingen van Christus verkeren in choque.
Ze nemen het dode lichaam van hun kind en vriend van het kruis.
De kruisdood is een barbaarse en mensonterende gebeurtenis.
De ervaringen moeten verpletterend zijn geweest.
Tranen vloeien.
De krachteloze houding van handen en armen versterken
het gevoel van verdriet en machteloosheid
dat mensen treft die in rouw zijn.
Deze sfeer wordt nog eens versterkt door de letterlijke beklemming
waarin het schilderij zich bevindt.
Hierdoor heeft dit werk ook vandaag nog zo’n impact op de toeschouwer.


Rogier van der Weyden, De Kruisafneming, Maria (detail).


Rogier van der Weyden, De Kruisafneming, Tranen (detail).


De documentatie.


De catalogus bij deze tentoonstelling is enorm.
Ik heb het boek nog niet gewogen maar het gewicht is aanzienlijk.
Ik hoop dat de kwaliteit van de inhoud ook zo’n indruk maakt
.Maar tot nog toe heb ik het boek nog maar tot halverwege
kunnen doorbladeren om plaatjes te kijken.
En wat voor ‘plaatjes’.
‘Rogier van der Weyden 1400 | 1464 De Passie van de Meester’
is een aanrader!

Brugge: Hans Memling

Brugge was aan het eind van de Middeleeuwen een machtige stad.
Een economische kracht zonder weerga.
Dus ook een belangrijke culturele stad.
Op 30 januari 1465 laat Hans Memling zich inschrijven als burger van Brugge.
Hij doet dat onder de naam Jan van Mimnelinghe.
Hij is dan 25 jaar oud en waarschijnlijk had hij toen al een paar jaar
gewerkt als schilder bij Rogier van der Weyden en daarvoor
had hij waarschijnlijk zijn schildersopleiding genoten in Keulen.
Waarschijnlijk is hij geboren in Seligenstadt aan de Main.
Hij zal in Brugge blijven wonen en werken tot aan zijn dood in 1494.
In Brugge was hij de top op schildergebied, vooral in de jaren 1480.
In het Sint-Janshospitaal zijn een aantal werken van zijn hand te zien.
Sommige zijn ook in opdracht van dit verzorgings-/ziekenhuis gemaakt.
Zo kun je er zien:
= Triptiek van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist, 1474 – 1479.
= Triptiek van Jan Floreins, 1479.
= Diptiek van Maarten van Nieuwenhove, 1487.
= Reliekschrijn van de Heilige Ursula, voor 1489.
= Triptiek van Adriaan Reins, 1480.
= Portret van een jonge vrouw, 1480.
Vooral de Triptiek van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist,
de Diptiek van Maarten van Nieuwenhove en de Reliekschrijn
van de Heilige Ursula behoren tot de absolute top van de kunstwerken
die er nog zijn uit de Middeleeuwen.


Catalogus van het Memlingmuseum dat in het Sint-Janshospitaal in Brugge gevestigd is.

Dit museum is ook zonder de Memlings al een bezoek meer dan waard.
Zelden krijg je zo’n complete indruk van wat een Middeleeuws hospitaal
nu eigenlijk is.


Detail van de Triptiek van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.


Een echt Middeleeuws kunstwerk: de Reliekschrijn voor de Heilige Ursula.

De Middeleeuwen waren het tijdperk waarin de heiligen en hun leven
in het middelpunt van de belangstelling stonden.
Deze schrijn, kist of bewaarplaats, is tot stand gekomen
door de samenwerking van verschillende ambachtsmensen:
tenminste de schrijnwerker (timmerman) en de schilder.
De ‘daken’, de smalle kanten en de brede kanten, rondom,
zijn voorzien van schilderingen.
Hierna volgen de schilderingen die op de brede kanten staan.
Ze verbeelden het heiligenleven van Ursula.
Ursula was een vrome Bretonse prinses die door een heidense prins
(de zoon van de koning van Engeland) ten huwelijk was gevraagd.
Zij vroeg hem (Eutherius) zich te bekeren en met haar op een
pelgrimstocht te gaan.
Goed plan, moeten ze hebben gedacht.
Samen met 11.000 maagden reisden ze via Keulen en Basel naar paus Cyriacus in Rome.
Op de weg terug werden ze overvallen door de Hunnenkoning Guamen omgebracht.
De reis, de ontmoeting met de Paus en hun marteldood zijn
door Memling op de schrijn geschilderd.


Hans Memling: Aankomst in Keulen.


Hans Memling: Aankomst in Basel.


Hans Memling: Aankomst in Rome en ontvangst door Paus Cyriacus.


Hans Memling: Vertrek uit Basel.


Hans Memling: De marteldood bij aankomst in Keulen.


Hans Memling: De marteldood van Ursula.


Karel de Stoute, Pracht en Praal in Bourgondie

Ik heb de vier inleidende studies gelezen van de catalogus
behorende bij de tentoonstelling
Karel de Stoute, Pracht en Praal in Bourgondië.
Ik wil in deze log even stil staan bij die vier studies en mijn reactie
op die stukken geven.
Natuurlijk heb ik geprobeerd mijn reactie te voorzien
van een paar mooie afbeeldingen.



Catalogus: Karel de Stoute, Pracht en Praal in Bourgondië.


De namen van de studies staan in het Engels omdat
ik de Nederlandse titels niet ken.
De Nederlandse catalogi waren uitverkocht toen ik
in Brugge was.

Reasonable foly: Charles the Bold,
Duke of Burgundy (1433 – 1477)

Werner Paravicini.

  Volgens deze introductie/samenvatting van de tentoonstelling was Karel de Stoute een…just, hardworking, bureaucratic, absolute, rigorous, moral, thrifty, ostentatious, ceremonious, ambitious, proud, impatient, cruel and feared ruler.In het Nederlands een rechtvaardige, hardwerkende, bureaucratische, absolute, rigoreuze, moreel, gedreven, opzichtige, ceremoniële, trotse, ongeduldige, wrede en gevreesde heerser.
De schrijver probeert te bewijzen dat Karel de Stoute een van de eerste, moderne, politiek bewuste leiders in Europa was.
Een claim die niet helemaal stand houdt door het onnodig wreed en uiteindelijk niet succesvol optreden.
Daardoor vraag je je af of zijn tegenstanders dan wel zo ouderwets waren.

Rogier van der Weyden, Chroniques de Hainaut, Opdrachtpagina, 1448.Philips de Goede staat hier afgebeeld met de jonge Karel de Stoute.Koninklijke Bibliotheek van België, MS. 9242 f.1r.


Rogier van der Weyden, Chroniques de Hainaut, Opdrachtpagina, 1448 (detail).


Rogier van der Weyden, Chroniques de Hainaut, Opdrachtpagina, 1448 (detail).Philips de Goede met Karel de Stoute.Leuke schoenen!


Palaces and tent filled with art:
the court culture of Charles the Bold.

Birgit Franke en Barbara Welzel.
Op overtuigende wijze beargumenteren de schrijfsters
dat de luxe waarmee de Bourgondische vorsten zich omringden,
meer functies had dan een platte pronkzucht alleen.
De hofcultuur was een van de vele middelen die ingezet werden
in de strijd en consolidatie van de macht.


 photo PeterPaulRubensKarelDeStouteC1618GG.jpg

Peter Paul Rubens, Karel de Stoute, omstreeks 1618.



The vestments of the Order of the Golden Fleese.
A major work of Burgundian court art.

Katia Schnitz-von Ledebur
Korte maar grondige inleiding op de visuele aspecten
van de religieuze gewaden die deel uitmaakten
van de inventaris van de Orde van het Gulden Vlies.
De analyse toont aan hoe doordacht deze geborduurde
kunstwerken zijn ontwikkeld.


Kazuifel, Transfiguratie van Christus, Bourgondische religieuze gewaden, 1425 – 1440.

Op de inventaris van de Orde van het Gulden Vlies
komen een aantal liturgische gewaden en voorwerpen voor.
Onderdeel van die voorwerpen zijn een aantal kazuifels en koorkappen.
Deze zijn bijzonder mooi geborduurd.
Hier ziet u een afbeelding van God de Vader.


Kazuifel, Transfiguratie van Christus, 1425 – 1440.

De afbeelding van God de Vader bevindt zich op het kasuifel
in het midden aan de top.
De transfiguratie van Christus wordt weergegeven in het midden
van de kazuifel. Daar is in een kruisvorm afgebeeld hoe Christus
ten hemel vaart. Beneden Petrus, de plaatsvervanger van Christus (de Paus)
Boven God de Vader.
Dit is de achterzijde van het kazuifel.
Dit is de kant die de mensen zagen tijdens de eucharistieviering.
Links en rechts van het kruis zijn heiligen te zien.
Links de vrouwen, rechts de mannen.


Transfiguratie van Christus, 1425 – 1440.

Dit is de voorzijde van hetzelfde kazuifel als hierboven getoond.
In het midden is onderaan de doop van Christus te zien.
Daarboven de duif als symbool voor De Heilige Geest
en God de Vader bovenaan.


Het lezen van dit stuk of aanverwante stukken is misschien voor sommige
moeilijk zonder toelichting op de gebruikte begrippen.
Daarom hier een woordenlijst.

Albe   Veelal wit onderkleed te dragen onder een kazuifel
Amict Rechthoekige doek met twee linten die onder religieuze gewaden wordt gedragen ter bescherming van die gewaden.
Antipendia   Afneembare versiering/front van de altaartafel.
Bursa  Opbergplaats/houder van de corporale
Cingel   Koord dat gebruikt wordt om de albe op maat te maken en de stola vast te houden
Ciborie Kelk in de katholieke kerk waarin geconsacreerde hosties worden bewaard.
Corporale   Wit linnen doek, vierkant. Wordt op het altaar gelegd waarna de kelk en dergelijke er op worden geplaatst.
Dalmatiek  Gewaad voor de diaken.
Kazuifel Liturgisch gewaad dat een priester draagt tijdens de eucharistie. Uitgevoerd in de liturgische kleuren en op verschillende manieren versierd.
Kelkdoekje Doekje dat gebruikt wordt om de kelk schoon te maken na gebruik.
Koorkap  Liturgische mantel gebruikt in processies en andere gelegenheden. Niet tijdens de dienst.
Manipel   Op de linker onderarm gedragen smalle doek. Verbeeld de zweetdoek van Christus.
Monstrans  Hostiehouder die gebruikt wordt om de hostie te tonen. Gebruikt in processies.
Palla   Met witte stof overtrokken karton dat gebruikt wordt om tijdens de dienst de kelk af te dekken.
Paramenten   Verzamelnaam voor de textiele voorwerpen die in Christelijke diensten worden gebruikt.
Pateen Plat schaaltje van edelmetaal dat gebruikt wordt  om tijdens de eucharistie de hostie op te leggen.
Superplie Een wijd, wit linnen hemd, dat reikt tot aan de knieën en gedragen wordt over een toog.
Toog Lang en wijd gewaad voor bijvoorbeeld misdienaars.
Velum Doek die gebruikt wordt om bijvoorbeeld een monstrans of ciborie te dragen zonder die voorwerpen met blote hand aan te raken.

The image of Charles the Bold.
Till-Holger Borchert.
Interessant stuk over de afbeeldingen van Karel de Stoute.
Ook over hoe speculatief “wetenschap” soms is.
Van alle portretten waarvan we zeggen dat Karel de Stoute
er op staat afgebeeld, is er maar 1 die waarschijnlijk
van de levende Karel is gemaakt:
het portret gemaakt (?) door Rogier van der Weyden
rond 1640 van de dan nog jonge erfgenaam.
Alle andere portretten zijn geschilderd naar andere,
inmiddels verloren gegane werken.
Het onthoudt ons er echter niet van om op schilderijen
van Van der Weyden en Memling,
Karel te herkennen in een van de Wijzen bij de Kerststal
en in een apostel bij het Laatste Oordeel!


Rogier van der Weyden, Karel de Stoute, circa 1460.


Karel de Stoute: portretten

Hoe zag die Karel de Stoute er eigenlijk uit.
Is er een mooi portret van?
Gelukkig wel, want het portret van Rogier van der Weyden
geeft Karel een gezicht.
Maar er zijn best heel wat portretten.
Kijk maar.

Anoniem, Een in rouw gehulde Karel de Stoute omringd door hovelingen en ridders van het gulden vlies, 1500.

Parijs, Bibliotheque Nationale de France, Ms.Fr. 2689 Fol.10.
Karel de Stoute wordt ter gelegenheid van zijn troonsbestijging in 1467
aangemaand tot matigheid en geduld.
Miniatuur in Georges Chastellain,
Advertissement au Duc Charles soubs fiction de son propre entendementparlant a luy-mesme.


Anoniem, Karel de Stoute draagt Orde van het Gulden Vlies, circa 1500.


Anoniem, Portret van Karel de Stoute, hertog van Bourgondie, Rijksmuseum SK-A-3836, 1460 – 1480.


Gerard Loyet, Reliekhouder met Karel de Stoute en St. Joris, 1467 – 1471.

Idem, detail.


Giovani Filangeieri De Candida, Portret van Karel de Stoute, 1468.


Karel de Stoute te paard.

Uit:
GESCHIEDENIS VAN BELGIEx8b DOOR Hendrik Conscience.
VERSIERD MET 200 HOUTSNEDEN GETEEKEND DOOR WAPPERS, HAMMAN, LAUTERS, JACOB-JACOBS,
LIES, HENDRICKX, CAROLUS, BAUGNIET, VAN LERIUS, DE HOY, ENZ.
in hout gesneden door
H. EN W. BROWN, VERMORCKEN, HEMELEER, PANNEMAKER, ENZ.
Antwerpen, J.-E. BUSCHMANN.
Brussel, ALEX. JAMAR.1845.

Het lijk van Karel de Stoute wordt gevonden.

Dezelfde bron als hierboven.


Miniatuur, Karel de Stoute deelt nieuwe ordinantie uit in 1473, The British Library, Add.Ms. 36619 F 5R.

Twee details van deze miniatuur wil ik er even uitlichten:

1. de wandversiering voor de kijker rechts van Karel;
2. het vloerkleed. Dat hebben we reeds eerder gezien.

Vuursteen, vuurslag en vuur.

Vloerkleed met wapens van de ‘verzamelde’ gebieden waarover werd geregeerd.


Karel de Stoute zit bijeenkomst van de ridders van het Gulden Vlies voor, in Brugge in
1468, miniatuur Fillastre’s Histoire de la Toison d’or, 1472.


Lievin van Lathem, miniatuur Karel de Stoute en St. Joris.


Rogier van der Weyden, Karel de Stoute, circa 1460.