– over wat je ziet als je even niet naar het kapiteel kijkt –
De collectie van het Archaeological Museum Sarnath is veelomvattend:
Met één wereldberoemd object en heel veel andere vondsten.
In het centrum staat de pilaar van Ashoka met het leeuwenkapiteel.
Maar daaromheen, letterlijk, opent zich een hele wereld.
Dit bericht toont twee van die andere objecten.
CONTENTS OF KUMARDEVI’S INSCRIPTION
- This inscription was discovered in March 1908 in course of excavation conducted at Sarnath by Sir John Marshal and Sten Konow.
- Sten Konow deciphered this inscription and published it in Epigraphia Indica Vol‑IX in 1908.
- The inscription comprises of twenty‑six verses inscribed in Sanskrit in the character of Nagri script.
- The first two verses contain invocation of Goddess Vasudhara and the Moon.
- The eleven verses give the genealogy and dwell on the virtues of Kumaradevi, the Buddhist queen of Govindachandra (1114‑1154 A.D.) of Kanyakubja (Modern Kannauj).
- Verses fourteen to twenty mention the genealogy of the Gahadavala family of Govindachandra.
- The succeeding two verses specify that Kumaradevi built a vihara at Dharmachakra (Modern Sarnath) and that she caused a copper plate to be prepared in connection with the Teaching of the Lord of the wheel of law and then restored the image of Lord as it existed in the old days.
- The queen’s praise is sung in twenty‑fourth verse, while the last two verses inform that the inscription which is called Prashasti was composed by the poet Shrikunda & engraved by Vamana.
John Marshall en Sten Konow
De samenwerking tussen Sir John Marshall en Sten Konow
is een mooi voorbeeld van hoe archeologie
en filologie (de studie van taal, literatuur en cultuur,
met nadruk op historische ontwikkeling en tekstkritiek)
elkaar rond 1900 begonnen te versterken.
Marshall, de Britse directeur van de Archaeological Survey of India,
was verantwoordelijk voor het professionaliseren
van archeologisch onderzoek en voor grote opgravingen zoals die in Sarnath.
Konow daarentegen was een Noorse indoloog en epigraaf,
gespecialiseerd in oude Indiase talen en inscripties.
Dat een Noor zo’n centrale rol speelde in de studie van Indiase epigrafie
is inderdaad bijzonder:
het laat zien hoe internationaal de belangstelling
voor het subcontinent toen al was,
en hoe Europese geleerden zich toelegden
op het ontcijferen van teksten die cruciaal waren
voor het begrijpen van India’s religieuze en politieke geschiedenis.
Marshall bracht de inscripties aan het licht;
Konow gaf ze een stem door ze te lezen, te vertalen en te interpreteren
— een samenwerking die de studie van Sarnath blijvend heeft gevormd.
Epigraphia Indica: betekenis, doel en huidig bestaan
Epigraphia Indica, opgericht in 1892,
was het officiële tijdschrift van de Archaeological Survey of India
en groeide uit tot het belangrijkste platform
voor de publicatie en analyse van inscripties uit het Indiase subcontinent.
Het doel was helder: alle nieuwe epigrafische vondsten
systematisch documenteren, transcriberen, vertalen
en van context voorzien,
zodat ze toegankelijk werden voor onderzoekers wereldwijd.
Voor plaatsen als Sarnath, waar inscripties
vaak de enige directe historische stemmen zijn,
werd het tijdschrift een onmisbare bron.
Hoewel de frequentie van publicatie in de twintigste eeuw afnam,
bestaat Epigraphia Indica nog steeds als onderdeel van de ASI‑reeks
en blijft het een standaardreferentie voor epigrafen, historici en archeologen
die werken met primaire bronnen uit India’s verleden.
De inscriptie van Kumaradevi
De inscriptie van Kumaradevi, is een zeldzame bron
die ons rechtstreeks iets vertelt over Sarnath in de 12e eeuw.
Het is een tekst waarin een koningin uit een machtige Noord‑Indiase dynastie
– koningin Kumaradevi van de Gahadavala‑dynastie –
beschrijft hoe zij een nieuw klooster liet bouwen in Sarnath
en een koperen plaat liet maken ter ere van de boeddhistische leer.
Dat klinkt eenvoudig, maar het is historisch gezien bijzonder:
het laat zien dat Sarnath in deze periode
nog steeds actief werd ondersteund door koninklijke patronage,
op een moment dat veel boeddhistische centra in Noord‑India
onder druk stonden.
Dankzij deze inscriptie weten we dat Sarnath
toen nog een levendige, gerespecteerde plek was,
en dat het niet zomaar een ruïne was
die later door archeologen werd opgegraven.
Zonder deze tekst zouden we een belangrijk hoofdstuk
uit de geschiedenis van Sarnath missen.
Een paneel met de Ramagrama‑stupa — geen stupa zelf
In het museum wordt een zandstenen fragment tentoongesteld
onder de naam “Ramgram Stupa”.
Dat is eigenlijk misleidend, want het object is niet de stupa zelf,
maar een decoratief paneel of deurpost
uit de vroege boeddhistische periode (rond de 1e eeuw v.Chr.).
Op het reliëf is een gestileerde voorstelling te zien
van de Ramagrama‑stupa in Nepal,
een van de acht oorspronkelijke stupa’s
waarin volgens de traditie de relieken van de Boeddha werden verdeeld.
Zulke voorstellingen dienden als herkenbare symbolen voor pelgrims:
een manier om een heilige plaats zichtbaar te maken,
zelfs wanneer die ver weg lag.
Hoe een stupa wordt verbeeld in vroege boeddhistische kunst
Het paneel laat prachtig zien hoe kunstenaars uit die tijd
een stupa in beeldtaal samenvatten:
De halve bol (anda)
De ronde koepel vormt het hart van de stupa: de plek waar de relieken rusten. Op het reliëf is deze halve bol duidelijk herkenbaar.
De omheining rond de bol (vedika)
Rond de koepel staat een lage balustrade. Die markeert de heilige ruimte en verwijst naar de rituele ommegang (pradakshina) van pelgrims.
De parasol bovenop de stupa (chatra)
Boven op de bol staat een parasol, het klassieke symbool van koninklijke bescherming en spirituele verheffing.
De tweede omheining rond de parasol
Ook de top van de stupa is omheind. Dat benadrukt dat de bovenste zone net zo heilig is als de basis.
Wapperende banieren (dhvaja)
Aan de parasol hangen banieren die naar buiten waaieren. Ze symboliseren devotie, rituele activiteit en de voortdurende aanwezigheid van de leer.
Samen vormen deze elementen een iconografische formule:
een herkenbare manier om een stupa af te beelden
— een visuele hommage die de heilige plek verbindt met Sarnath.
Naast de Ramagrama‑stupa zien we nog meer.
De naga‑paren op de stupa
Op de koepel zelf kronkelen drie paren naga‑achtige wezens:
telkens twee slangen met opgerichte halzen
en een fijn schubbenpatroon.
Ze zijn ritmisch over de bol verdeeld, alsof ze de stupa omringen en bewaken.
In vroege boeddhistische kunst zijn naga’s beschermers van relieken
en heilige plaatsen.
Hun aanwezigheid verwijst naar het verhaal
dat juist de Ramagrama‑stupa door naga’s werd bewaakt,
zodat haar relieken nooit werden verdeeld.
Door de naga’s in paren te tonen — een typisch Śuṅga‑motief —
benadrukt de kunstenaar de heiligheid en bescherming van de stupa:
niet één bewaker, maar een hele kring van mythische wezens
die de relieken behoeden.
Het naga-motief is uitzonderlijk specifiek
en vormt waarschijnlijk de belangrijkste reden om dit fragment
te identificeren als een voorstelling van de Ramagrama‑stupa,
de enige stupa die volgens de traditie door naga’s werd bewaakt.
De olifant en zijn berijder
Links van de stupa zie je een olifant met een figuur bovenop.
In vroege boeddhistische kunst is de olifant een beschermend
en koninklijk dier, vaak verbonden met processies, relieken en heilige reizen.
De berijder — een hemelse of menselijke begeleider —
versterkt dat beeld:
hij fungeert als bewaker van de stupa of als deel van een rituele stoet.
De combinatie van olifant en ruiter is typisch voor reliëfs uit de Śuṅga‑periode,
waarin dieren en menselijke figuren samen een sacraal landschap vormen.
De decoratieve rand
Rechts van de stupa loopt een rijk versierde verticale zone
met bloemmotieven, vlechtwerk en geometrische patronen.
Dit soort ornamenten zijn kenmerkend voor deurposten
en panelen uit dezelfde periode.
Ze markeren de overgang tussen de buitenwereld
en de heilige ruimte,
en geven het object een architectonische functie:
dit was geen los reliëf, maar onderdeel van een ingang, poort of heiligdom.
Samen met de stupa‑voorstelling maken deze elementen duidelijk
dat het fragment ooit deel uitmaakte van een rituele architectuur:
een plek waar pelgrims binnenkwamen,
waar heilige plaatsen werden verbeeld,
en waar dieren, mensen en symbolen samen
een sacraal landschap vormden.
Slotbeschouwing
Het is begrijpelijk dat het leeuwenkapiteel in Sarnath
zoveel aandacht krijgt.
Het staat centraal opgesteld, met ruimte, licht
en een duidelijke museale focus
— en terecht, want veel bezoekers komen er speciaal voor.
Maar juist die prominente plaats biedt een kans om ook andere,
minder bekende stukken zichtbaar te maken.
Objecten zoals de inscriptie van Kumaradevi
en het paneel met de Ramagrama‑stupa
vertellen samen het bredere verhaal van Sarnath:
de politieke patronage, de religieuze betekenis,
de mythische bescherming van relieken,
en de verfijnde beeldtaal van de vroege boeddhistische kunst.
Door die context te tonen,
groeit het begrip voor het belang van Sarnath als heilige plaats.
Het museum zou daarmee niet alleen het beroemde kapiteel eren,
maar ook de rijke wereld eromheen
— een wereld die in deze fragmenten nog altijd zichtbaar is.





