De heks van Dongen

Hij is een beetje dik aangezet, de titel van de tentoonstelling
in het Stedelijk Museum Breda.
Maar het museum komt van ver en maakt een inhaalslag met deze goede
tentoonstelling over de schilders die halverwege de 19de eeuw
naar het dorp Dongen trokken om er het ongerepte Brabantse land
met eigen ogen te zien en te schilderen.

IMG_1959DeHeksVanDongenEenKunstenaarsdorpInDe19eEeuwText

Een kunstenaarsdorp in de 19e eeuw.

Het Noord-Brabantse dorp Dongen was ooit een geliefd kunstenaarsoord.
Schilders kwamen van heinde en verre om hier studies te maken van het landschap en de bewoners.
Dongen was al vroeg in de 19e eeuw in trek.
Passend bij de romantische trend van die tijd vonden schilders er pittoreske bos- en heidegezichten, oude boerderijen en een bijzonder duingebied.
De omgeving lokte ook talrijke veeschilders.

Toen meer interesse ontstond voor binnenhuis- en volkstaferelen, vonden de kunstenaars onder de dorpsbewoners volop excentrieke types.
August Allebé ontdekte hier zijn ‘toverkol’.
Deze oude boerin met haar karakteristieke Dongense muts poseerde onder meer voor Petrus van der Velden, Johannes Albert Neuhuys en Suze Robertson.

Ook oude ambachten zijn vaak verbeeld op de Dongense schilderijen.
De Duitser Max Liebermann schilderde een Schoenmakerswerkplaats, dat op de Parijse Salon werd geprezen vanwege de losse, impressionistische stijl.
Jozef Israëls vond er zijn schoenmakersgezin aan de aardappelmaaltijd.
Hiermee inspireerde hij op zijn beurt Vincent van Gogh tot diens beroemde Aardappeleters.

IMG_1960WillenDeKlerkBivakInEenBosBijBreda1832OlieverfOpDoek

De interesse voor het Brabantse land werd onder andere aangewakkerd door de legering van troepen in Brabant rond de Belgische opstand. Willen de Klerk, Bivak in een bos bij Breda, 1832, olieverf op doek.


IMG_1961WillenDeKlerkBivakInEenBosBijBreda1832OlieverfOpDoekText

Willem de Klerk had als bijnaam de ‘Dordtse Koekkoek’: in zijn werk is de invloed merkbaar van Barend Koekkoek.
De Klerk woonde tijdens de Belgische Opstand twee jaar in Breda.
In die periode schilderde hij in de bosrijke omgeving dit tafereel van een militaire bivak.
Een van zijn studenten was de Dordtse veeschilder Frans Lebret, die ook in Dongen heeft gewoond.

IMG_1962ConstantCHuijsmansEenVanZijnSchetsboeken1832-1850

Constant C. Huijsmans was een van de eerste die Dongen als bijzonder dorp zag. Op deze foto een van zijn schetsboeken, 1832 – 1850.


IMG_1966ConstantCHuijsmansHetLandschapEeneVolgreeksVanOorspronkelijkeVoorbeeldenEnStudienVoorHetTeekenenMetPotloodVormendeEenenLeercursusInDitGenre

Constant C. Huijsmans werkte onder andere als tekenleraar aan de KMA in Breda. Voor zijn tekenpnderwijs ontwikkelde hij een methode. Die methode is hier op de foto te zien: ‘Het Landschap – Eene volgreeks van oorspronkelijke voorbeelden en studien voor het teekenen met potlood vormende eenen leercursus in dit genre’.


IMG_1964ConstantCHuijsmansHetLandschapEenFragmentVanEenVoorbeeld

Dit is fragment van een van de voorbeelden in de methode ‘Het landschap’ van Constant Huijsmans.


IMG_1968VoorbeeldBrabantseMuts

Voorbeeld van een Brabantse muts. Verder op de tentoonstelling wordt de muts van de Dongense boerinnen vaker genoemd. Ik heb wat moeite deze muts te herkennen op de schilderijen en tekeningen.


IMG_1969JanVethLezendeBoerinDongen1885EtsOpPapier

Jan Veth, Lezende boerin, Dongen, 1885, ets op papier.


IMG_1971AugustAllebéStaandeBoerinVrouwMuskens1869KrijttekeningOpPapier

August Allebé, Staande boerin – Vrouw Muskens, 1869, krijttekening op papier.


IMG_1973AugustAllebéBuurpraatje1869OlieverfOpPaneel

August Allebé, Buurpraatje, 1869, olieverf op paneel.


IMG_1975AugustAllebéBijDeWaterput1869OlieverfOpPaneel

August Allebé, Bij de waterput, 1869, olieverf op paneel.


IMG_1977ASmitsVrouwVerdiesenVoorDeHaanscheHoefTeDongen1905

A. Smits, Vrouw Verdiesen voor de Haansche Hoef te Dongen, 1905.


IMG_1978DeToverkolTXT

De toverkol

Bijgeloof speelde in de 19de eeuw nog een belangrijke rol op het Brabantse platteland.
Binnen de katholieke religie leefden oude heidense gebruiken gewoon voort.
Zo kalkten mensen naast de deur van hun boerderij heidense tekens om boze geesten af te weren.
Ook het geloof in spoken en heksen was nog niet uitgedoofd.
August Allebé, die Dongen typeerde als het ‘Heksenland’, speelde hier als eerste op in door een oude boerenvrouw als toverkol af te beelden.
Zijn model Pieternella Verhoeven (‘Pietje Verhoef uit de Biezen’) kreeg vervolgens diverse andere schilders op bezoek.
Ook in hun werk heeft zij de rol van sprookjesachtig type: de heks van Dongen.

IMG_1979AugustAllebéVinnenhuisTeDongen1868OlieverfOpDoek

August Allebé, Binnenhuis te Dongen, 1868, olieverf op doek.


IMG_1981AugustAllebéStudiesVanEenKnielendeEnStaandeBoerin-Dongen1868GewassenPentekening

August Allebé, Studies van een knielende en staande boerin – Dongen, 1868, gewassen pentekening.


IMG_1983RemigiusHaanenOpWegNaarHetDorp1834-1836OlieverfOpDoek

Remigius Haanen, Op weg naar het dorp, 1834 – 1836, olieverf op doek.


IMG_1985LijstMetKunstenaarsDieOpDeEenOfAndereManierAanDeOrdeKomenOpDeTentoonstelling

Dit is de lijst met kunstenaars die op de een of andere manier ook op de tentoonstelling aan de orde komen.


IMG_1986JohannesChristiaanKarelKlinkenbergLandschapMetBoerderijInDongen1871-1872OlieverfOpDoek

Johannes Christiaan Karel Klinkenberg, Landschap met boerderij in Dongen, 1871 – 1872, olieverf op doek.


IMG_1988JakobSmitsChristusBijDeBoerenCirca1920OlieverfOpDoek

Een fysiek groot werk in mijn geheugen dat veel indruk maakt: Jakob Smits, Christus bij de boeren, circa 1920, olieverf op doek. Afmetingen 103 x 128 cm.

IMG_1989JakobSmitsChristusBijDeBoerenCirca1920OlieverfOpDoekTXT


IMG_1990MaxLiebermannDeSpinster1880OlieverfOpPaneel

Max Liebermann, De spinster, 1880, olieverf op paneel.


IMG_2051DeSchildersVanDongenWBooks

Als er dan iets af re dingen is op de tentoonstelling dan is het wel de catalogus. Het boek bevat mooie afbeeldingen van de werken op de tentoonstelling maar de teksten zijn hetzelfde als op de tentoonstelling. Niet verkeerd maar je verwacht een catalogus om meer diepgang te krijgen.


Diepgang is er op een aantal punten nog zeker te realiseren.
Bijvoorbeeld rond de tekencursus van Huijsmans of de ‘heidens tekens’
die Brabanders naast hun deur schilderden.
Op de tentoonstelling zijn er voorbeelden van.
Op mijn foto’s staan er twee voorbeelden:

HeidenseTekens01IMG1973

Dit wordt genoemd als een afbeelding van de levensboom.

HeidenseTekens02IMG1977

Voor dit teken was geen duiding aanwezig.


Aan de tentoonstelling is ook een kleinere tentoonstelling
gekoppeld met modern werk: ‘Dongen revisited’.

DongenRevisitedEenActueleTerugblikANewRetrospectiveStedelijkMuseumBreda

Ook deze publicatie blijft wat aan de oppervlakte.


IMG_1992MarenneWeltenDoNotComeCloserSeriesLemon2016OlieverfOpDoek

Marenne Welten, Do not come closer series – Lemon, 2016, olieverf op doek.


IMG_1994TessaChaplinZT2019OlieverfOpDoek

Tessa Chaplin, ZT, 2019, olieverf op doek.

IMG_1996TessaChaplinTXT


Al bij al een goede tentoonstelling.
een goed startpunt voor nog een aantal kleinere en grote
vervolgtentoonstellingen.

Constant Huijsmans' laatste reis

Gisteren gekocht.

Leuk boekje over een soort afscheidstoernee.
Constant Huijsmans, geboren in Breda, heeft gestudeerd
in Antwerpen en Parijs, heeft gewerkt in Breda en Tilburg,
was korte tijd leraar van Vincent van Gogh en was ontwikkelaar van
twee onderwijsmethodes voor het tekenonderwijs.
Woont in 1883 inmiddels in Den Haag.
Op 73-jarige leeftijd besluit hij zijn familie, vrienden
en bekenden te gaan bezoeken in Brabant.


Afd IV-23, Blad04 Twee mannen met hoed.

Van deze tiendaagse reis (zondag 17 juni 1883 – 26 juni 1883)
houdt hij dagboekaantekeningen bij.
Die staan in dit boekje centraal en geprobeerd wordt
om alle personen die in de aantekeningen voorkomen,
te identificieren en hen een gezicht te geven.
En dat is erg goed geslaagd.

Grappig is te lezen hoe klein Breda in die tijd eigenlijk was
en misschien vandaag de dag nog wel is.
De familie en bekenden wonen deels in wat we nu
de oude binnenstad van Breda noemen.
De mensen wonen soms naast elkaar:
`…eenige deuren naast Kerst woond zijn broer Eduard….`

Het is nog een wereld met dienstmeiden en knechten en
zomaar bij iemand binnenvallen was er niet bij:
`…Eene nette meid opende de deur, en ik gaf mijn kaartje
om te vragen of er belet was. …`

En net als in iedere familie zijn er zo wat eigenaardige relaties,
ruzies, oneigenlijkheden en huwelijken om kinderen
te wettigen kort voor het overlijden van de ouders.
Net een normale familie dus.

 

Afd IV-23, Blad18 Portret van een nors kijkende man.

Hieronder zie je het daadwerkelijke handschrift van de dagboekaantekeningen.

En dit handschrift is omgezet in de volgende tekst met het notenapparaat.

Het boekje bevat ook het portret van Constant Huijsmans.
Het is een afbeelding, een vroege foto denk ik,
die afkomstig is van het KMA in Breda.

Leuk is nog te vermelden dat het boekje verschenen is in 1989
in een oploage van 700 exemplaren.
Het is een heel mooi verzorgd boekje.
Dan is de uitgever Dhr. Thomas Leeuwenberg.
Dat is dezelfde Thomas Leeuwenberg waarvan ik gisteren
dit boekje gekocht heb in antiquariaat De Rijzende Zon in Tilburg.

Breda in de Gids

De Gids is een Nederlands maandblad.
Het bestaat al erg lang en op het web
zijn ook de oudere jaargangen te vinden.
Zo vond ik er een artikel dat interessant is in relatie tot Constant Huijsmans.

Allereerst, wat is de Gids:

De Gids is het oudste literaire en algemeen culturele tijdschrift van Nederland
en een van de langstbestaande tijdschriften van deze soort ter wereld.

De Gids besteedt aandacht aan literatuur, filosofie, sociologie, beeldende kunst,
politiek, wetenschap, geschiedenis; kortom aan alles wat interessant is,
mits er goed over geschreven wordt.
Het tijdschrift verschijnt maandelijks…

De Gids werd in 1837 opgericht door E.J. Potgieter en C.P.E. Robidé van der Aa.
In de loop van meer dan anderhalve eeuw hebben verscheidene uitgevers
zich over de uitgave van het tijdschrift ontfermd.
Van 1837 tot 1840 werd het uitgegeven door de Amsterdamse uitgever
en boekverkoper G.J.A. Beijerinck.
Vanaf 1840 werd De Gids vier generaties lang uitgegeven
door de eveneens Amsterdamse uitgever Van Kampen.
In 1962 nam uitgeverij J. M. Meulenhoff de zorg voor De Gids over.
Na driexc3xabnveertig jaar is de uitgave van De Gids door de redactie overgedragen
aan uitgeverij Balans.

Deze informatie is afkomstig van de website van de hedendaagse uitvoering
van de gids: De Gids Online

Er is ook een site waar Nederlanse literatuur digitaal wordt ontsloten.
De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
Een enorme schat aan oude literatuur.
Ook oude jaargangen van de Gids.

De site is hier te vinden: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren

Ik kwam hier op uit omdat ik op zoek was naar de tem ‘Hoofdwacht’.
Constant Huijsmans heeft in een van zijn schetsboeken een schets gemaakt
met als omschrijving ‘Hoofdwacht, 20 maart 1831’.
1831 is ook het jaartal waarin de 10-daagse veldtocht plaatsvond.
Belgie wordt dan zelfstandig.
Als grote legerplaats in het zuiden van het huidige Nederland
was dit een plaats waar veel activiteiten plaatsvonden.
Breda had immers een groot aantal kazernes.
Het verhaal wat ik las, en waarvan ik hier stukjes zal tonen,
is geschreven in 1881.
50 jaar na dato.

Constant Huijsmans, Afd IV-22, blad 15, Hoofdwacht, 20 Maart 1831.

De schetsboeken van Constant Huijsmans worden in deze tijd gemaakt.
Namelijk in 1831, 1852 en van het derde boekje is de datum onbekend.
Tussen 1837 en 1865 werkte hij aan de KMA
en zat dus midden in de militaire sfeer.
Dat blijkt uit vele tekeningen, onder andere aan al zijn schetsen
voor versieringen ter gelegenheid van 25-jarig jubileum
van Generaal Van Overstraten, de gouverneur van de KMA.

Constant Huijsmans, Afd. IV-23, blad 10, Militaire versierselen.

Maar wat is nu de ‘Hoofdwacht’?

Dhr. H.M.F. Landolt schreef een boekwerk getiteld: ‘Militair woordenboek’.
Landolt, geboren te Breda in 1828, werd in 1844 cadet
aan de Koninklijke Militaire Academie,
in 1848 tweede luitenant bij het 2de Regiment Infanterie,
in 1854 eerste luitenant en in 1861 kapitein het 7de Regiment Infanterie.
Hij overleed in 1871 te Bad Wildungen.
Zijn Militair woordenboek verscheen in 1861
en zegt het volgende over de ‘Hoofdwacht’:

Hoofdwacht.
1e. De voornaamste wacht van een garnizoen,
gewoonlijk door een officier gekommandeerd.
Aan de Hoofdwacht komen alle rapporten van de overige wachten in,
daarheen worden de arrestanten gebragt, enz.,
van daar ook worden meestal de overige wachten gevisiteerd.
2e. Het gebouw waarin zich de wacht bevindt.

Mijn indruk is dat een dergelijke organisatie (1) ook werd toegepast op steden.
De stad was ommuurd en had een aantal toegangspoorten.
’s Nachts gingen die min of meer dicht.
Dat wil niet zeggen dat je ’s nachts de stad niet meer in kon
maar een bezoek diende wel aangekondigd te zijn
of je werd wat diepgaander onderzocht.
In het geval van het verhaal uit de Gids ging het er om
dat er nog exctra postwagens werden verwacht,
in de nacht van 31 juli op 1 augustus 1831.
Op 2 augustus zou de 10-daagse veldtocht beginnen.

Hier volgt het stukje tekst uit ‘Twee wapenschouwingen in 1831′,
geschreven door F. de Bas, ’s Gravenhage, 23 Juli 1881.

‘Het middernachtelijk uur van Zondag 31 Juli (Maandag 1 Augustus)
was reeds lang verstreken; de wachter op den x91langen Janx92
had al dikwerf zijn lang gerekt hoorngeschal herhaald,
en Breda verkeerde in diepe rust.
De inrijpoort vxf3xf3r het groote hoofdkwartier
was echter nog niet gesloten; en in den x91Prins Kardinaalx92,
het logement op den hoek van de markt
en het Kasteelplein, werden blijkbaar nog gasten verwacht,
hoewel de diligence van Oosterhout
reeds een uur geleden aan,
de hoofdwacht was gevisiteerd.
Inderdaad had de wachtcommandant aan de Boschpoort
mededeeling ontvangen, dat er gedurende den nacht
extra postwagens zouden aankomen.’

Uit deze tekst maak ik op dat de Hoofdwacht bij de Boschpoort was.

Breda, Boschpoort, Maker en datum van foto onbekend. OF-01158.

Wie was nu De Bas?
Ik weet het niet zeker maar ik denk dat de volgende beschrijving
bij de hiervoor aangehaalde auteur past:

Franxe7ois de Bas, krijgshistoricus
(‘s-Graven-hage 10-9-1840 – ‘s-Gravenhage 22-2-1931).
Nog geen zestien jaar oud deed De Bas
op 4 september 1856 zijn intrede
als cadet der cavalerie op de Koninklijke Akademie
voor de Zee- en Landmagt te Breda.
De benoeming tot 2e luitenant op 1 juli 1860
bij het 3e Regiment Dragonders
sloot zijn opleiding
bij de Koninklijke Militaire Academie af.
In het voorjaar van 1868 was hij
xe9xe9n van de vier leerlingen
die werden toegelaten tot de toen in het leven geroepen
‘school tot voorlopige opleiding van stafofficieren’,
de voorloper van de sedert 1 november 1875 geheten
‘krijgsschool voor officieren’ te Breda.
De Bas volgde tot 1872 gedurende de wintermaanden
en het voorjaar
de lessen aan de school, terwijl hij in de zomermaanden
werd gedetacheerd bij verschillende legeronderdelen,
Twee van de vier officieren
die in 1868 de cursus waren begonnen
slaagden in 1872 voor het eindexamen, onder wie De Bas, …

Bovenstaande tekst is afkomstig van de website van
Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis

Terug naar de tekst.
Er waren twee stukken die ik wilde laten lezen.
1. een beschrijving van Breda en zijn inwoners
en hun binding met Oranje;
2. een beschrijving van versieringen
van een kampement (de link naar Huijsmans).

Twee wapenschouwingen in 1831.

De oude stad van Noord Brabant,
die haar naam ontleent
aan de verbreeding van de Aa
door het stroompje den Bijloop
alvorens samen te vloeien met de Mark,
legde sinds kort het krijgshaftige keurslijf af,
hetwelk vijf eeuwen lang haar leest had omkneld.
Beletten de hooge borstweringen, door kalk en steen
en de wortels van breedgetakte olmen
tot een vaste massa te zamen gegroeid,
de uitbreiding van de stad,
tevens bedekten zij als een sluier
de rimpels op het voorhoofd der nog altijd behaagzieke
en strijdlustige matrone.
Maar toen de bolwerken vielen
en de bemuurde ravelijnen waren geslecht,
kwamen eensklaps
al de gebreken van den ouderdom te voorschijn.
Naarmate echter de vervallen buitenwijken worden herbouwd,
breede straten van lachende villa’s
en bekoorlijke wandelingen
verrijzen uit de weleer doodsche grachten,
gaat de knorrige bui over en toont de grijze vrijvrouwe,
nu zij wel een verjongingskuur schijnt te ondergaan,
weer een vriendelijk gelaat.
Alleen de exercitiebatterij
van de Koninklijke Militaire Akademie
en de dicht met beukenhagen
en meidoorns beplante omwalling
van den hof van Valkenberg herinneren nog
aan de vroegere beteekenis van Breda,
laatstelijk voor 50 jaar het hart en de polsslag
der militaire beweging in Noord Nederland.
Omtrent den ouderdom van de stad
en de baronie van Breda
verkeert men sinds den brand van het stadhuis in 1534
eenigszins in onzekerheid.
De ‘Lex Seala’ der Pranken in de 5de eeuw
spreekt het eerst van de landstreek, alwaar in 888 Breda
tot een stad werd verheven en met wallen omgraven
door Witger IV, den zevenden graaf van Strijen.
Hare bevolking was meerendeels samengesteld
uit eenvoudige visschers,
die in de rivieren langs deze vruchtbare landouwen
ruimschoots hun brood vonden.
Niet lang nadat het gedeelte van de stad,
hetwelk thans nog
door de oude vest wordt begrensd,
tot vesting was ingericht, bracht Johanna van Polanen,
Jonkvrouwe van de Leck en Breda,
in 1404 door haar huwelijk met graaf Engelbert,
stadhouder van Brabant, de heerlijkheden van haar vader
over in het doorluchtige huis van Nassau.
De Groote Zwijger was de eerste,
die dezen vorstentitel vereenigde
met den in Nederland zoo geliefden naam
der prinsen van Oranje,
wier lotwisselingen Breda
immer deelde met beproefde trouw
en onwrikbare aankleve.

Ik vermoed dat er een fout staat in bovenstaande tekst.
In plaats van ‘Lex Seala der Pranken’ wordt hier
waarschijnlijk de Salische Wet bedoeld
(in het Latijn Lex Salica).
Een typefout vermoed ik.

Laten we eerst maar vaststellen dat deze geschiedschrijving
niet helemaal objectief is.
Het hele verhaal (het stuk hierboven is er slechts een klein deel van)
is heel erg gericht op het steunen van de Koning en Prins
van Oranje.
Nederland is vervolgens goed en Belgie niet.
Nederland houdt zich aan de afspraken:
het zijn de andere grote mogendheden (Frankrijk en Engeland)
die zich niet houden aan de afspraak Belgie te zien als onderdeel
van het Nederlandse koninkrijk.
Door deze constructie zou de veiligheid en vrede
in Europa worden gerealiseerd.
De 10-daagse veldtocht is dan ook geen verloren oorlog maar
een eervol gewonnen conflict zonder gebiedsbehoud.
Tegenwoordig kijken we er iets anders tegen aan:

De site van het Legermuseum verwoordt het als volgt:

De Tiendaagse Veldtocht, Belgische troebelen 1830-1839
In 1815 waren het huidige Nederland en Belgie
verenigd in een staat.
Onder invloed van overal opkomend nationaal besef,
kwamen de Belgen hiertegen in 1830 in opstand.
Dat betekende dat het oude leger
in feite in tweeen werd gesplitst.
In het noorden leidde de opstand tot een opleving
van nationalistische en militaristische gevoelens.
Vrijwilligers eenheden schoten aan beide kanten
van de nieuwe grens als paddenstoelen uit de grond.
Deze bepaalden veelal hun eigen uniformering,
wat tot bonte en kleurrijke uitdossingen leidde.
In het begin werd er veel gevochten.
In 1830 waren er straatgevechten in Brussel;
in 1831 openlijke veldslagen tijdens
de Tiendaagse Veldtocht
in 1832 werd een Nederlands garnizoen belegerd
in de citadel van Antwerpen.
Franse interventie ten gunste van de Belgen
leidde echter tot een status quo.
Koning Wilem I hield tot 1839 zijn leger gemobiliseerd
om zijn onderhandelingspositie
kracht bij te kunnen zetten.

Legermuseum

Het tweeede stuk tekst is een klein deel van de beschrijving
van een groot kampement dat de koning bezoekt.

‘Op de uitgestrekte vlakte
ongeveer halverwege Breda en Tilburg,
tusschen Haansbergen en de Vijf Eiken
nabij het tegenwoordige station Gilze-Rijen,
verhief zich een stad van linnen tenten,
door fluweelachtig mos, paarsche heidebloemen
en wilde hraamstruiken bevloerd,
hier en daar aanleunende tegen ruischende zeeen
van rijpend graan en aan de zuidzijde begrensd
door den graszoom met statige beuken langs den straatweg.
De langwerpige ruimte, 1600 meter lang
en 300 meter diep, was verdeeld in twaalf wijken
voor evenveel bataljons,
elke met twee dubbele rijen van acht tenten,
evenwijdig aan de frontlijn van het kamp,
en door een breede compagnies-straat gescheiden.
Het voorfront werd gedekt
door de in rotten staande geweren,
als een heg van hout en staal aan weerszijden
van de keurig versierde vaandelstoelen,
met de oranje-kleur boven stapels
van koperen trommen en horens:
Om die stoelen waren van zand,
roode en witte kiezelsteenen perken gestrooid
met allerlei figuren, meestal koninklijke kronen,
W’s en F’s als mozaik ingelegd.

Constant Huijsmans, AfdIV-23, blad 34, Schets voor versiering. Rechts de letter ‘W’.

Voor de officiers- en de hoofdofflcierstenten,
aan de overzijde van de veldkeukens
met hare glinsterende randen pan blikken eetketeltjes,
vertolkte eigenaardig de omvang
der achter naaldhout verscholen zodenbanken
den hoogeren of lageren rang van de bewoners.
Boven de blauwe kappen der langwerpige tenten
van het hoofdkwartier,
hetwelk door groen en bloemen
tot een schoon park was ingericht,
en voor het paviljoen van den hertog van Saksen-Weimar
wapperde vroolijk en fier de driekleur hoog in de lucht.

Constant Huijsmans, Afd. IV-23, blad 24, Schets voor vlaggestok.

Een vijftig meter breede ruimte,
tot publieken weg bestemd,
scheidde het eigenlijke kamp van de lijn der cantines,
houten loodsen, winkels en opstallen
van allerlei grootte en soort.
De tot societeit en gemeenschappelijke tafel dienende
officiers-cantines waren smaakvol met vlaggedoek
en banieren gedrapeerd
en van een gezellige voorgalerij voorzien.

Constant Huijsmans, Afd. IV-23, blad 11, Ingekleurde schets.

De loodsen voor onderofficieren en minderen
hadden nevens den groenen krans, bont beschilderde borden,
portretten van het koninklijke huis,
chassinetten en dergelijken uitgehangen.
Zelfs poffertjeskramen stalden in het kamp
hare pracht uit van koperen suiker- en meelvaten,
waarbij het knetterende houtvuur
en de gloeiende pan bewezen,
dat een soldatenmaag zich des noods ook
met kindergebak tevreden stelt.
Daarnaast stonden een goocheltent van Bamberg,
kijkkasten en beschilderde zeilen
met allerlei koddige toespelingen
op de Belgische staatslieden
van die dagen en op de pretendenten der kroon.
Bijzonder was het daarbij gemunt op De Potter,
de Celles, Mxc3xa9rode, Beauharnais, den graaf van Nemours,
bovenal op den Regent Surlet de Chokier,
een ‘gentilhomme campagnard;,
die thans te Brussel
tot een belangrijke politieke rol was geroepen.’

Overigens, een chassinet is een houten lijst
met daarin een (verwisselbare) afbeelding.
De afbeelding werd op papier geschilderd,
dat met lijnolie doorzichtig werd gemaakt.
Een of meer kaarsen erachter en de voorstelling kwam tot leven.

Regent Surlet de Chokier was regent van Belgie
en werd het eerste staatshoofd
tot het aantreden van Koning Leopold I van Saksen Coburg-Gotha.

Het laatste stuk tekst schetst, erg optimistisch,
de sfeer in het leger en rond het koningshuis.
Dat is de sfeer, vermoed ik, waarin Constant Huijsmans
zijn schetsen maakt.
De sfeer waarin het belang van tekenonderwijs,
als een militair strategisch instrument werd gewaardeerd.
Heel bepalend voor zijn carriere.