India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XXV

– over wijsheid, leegte en de stille aanwezigheid van Mañjuśrī –

DSC01342 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumBodhisattvaManjusriDunhuang8th-10thCentury CESilkPainting55-2x14-6CMAccNr-Ch-lxiv-005

India, New Delhi, National Museum, Bodhisattva Manjusri, Dunhuang, 8th – 10th century CE, silk painting, 55,2 x 14,6 cm. Acc. Nr. Ch.lxiv.005. Het accession‑nummer is op mijn foto van het zaalbord helaas niet leesbaar door bewegingsonscherpte. Op basis van de seriële logica van de Stein‑collectie reconstrueer ik dit voorlopig als Ch.lxiv.005.


Deze banier kon ik niet op internet vinden.
Niet met meer algemene zoektermen of op het ACC. Nr.

In deze Dunhuang‑banier verschijnt Mañjuśrī in een zuivere,
solitaire vorm.
Hij staat op een gestileerd lotusplateau, een ritueel voetstuk
dat hem letterlijk en symbolisch draagt.
Zijn houding is samapāda: beide voeten stevig naast elkaar geplaatst,
gelijk belast, volledig gecentreerd.
De schilder heeft de voeten niet anatomisch verfijnd weergegeven
— de tenen zijn nauwelijks aangeduid —
maar juist daardoor valt hun onwrikbare stabiliteit op.
Het gaat hier niet om elegantie, maar om de rust en onverzettelijkheid
die de houding uitstraalt.

Achter zijn aureool rijst een parasolachtige vorm op,
een teken van eer en bescherming
dat in Centraal‑Aziatische schildertradities vaak
boven verheven figuren wordt geplaatst.
Zijn kroon bestaat uit drie punten, een herkenbaar Dunhuang‑motief
dat zijn vorstelijke wijsheid markeert.

DSC01342 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumBodhisattvaManjusriDunhuang8th-10thCentury CESilkPainting55-2x14-6CMAccNr-Ch-lxiv-005

Het halssieraad is bijzonder opvallend:
een ritme van kralen in afwisselende kleuren, zorgvuldig geordend.
In andere regio’s draagt Mañjuśrī soms een leeuwenklauw‑halssieraad
(siṃha‑nakhāvalī), verwijzend naar zijn associatie met de leeuw.
In Dunhuang wordt dat motief niet letterlijk overgenomen,
maar gestileerd tot een kralenketting met een uitgesproken kleurpatroon.
Het fungeert hier als een subtiel maar duidelijk herkenningsteken
— een iconografisch signaal dat zijn identiteit bevestigt.

Aan zijn linkerzijde ontspringt een lotus
waarvan de steel langs zijn lichaam naar beneden loopt.
Op de geopende bloem rust de Prajñāpāramitā‑sūtra,
de tekst die de essentie van wijsheid belichaamt.
De schilder heeft het boek niet naturalistisch weergegeven,
maar als een compacte, bijna zwevende vorm:
een symbool van inzicht, niet een fysiek manuscript.

DSC01342 03 IndiaNewDelhiNationalMuseumBodhisattvaManjusriDunhuang8th-10thCentury CESilkPainting55-2x14-6CMAccNr-Ch-lxiv-005

Bija en de stengel van de lotusbloem. De stengel volgt prachtig de vorm en de richting van het lichaamen de kleding zonder uiteindelijk echt in de linkerhand te belanden.


In zijn rechterhand houdt Mañjuśrī het bīja, het zaad van dezelfde lotus.
Het is een ovaal, licht afgeplat element dat in Dunhuang‑schilderingen
de kiem van wijsheid aanduidt
— het potentieel dat zich ontvouwt tot inzicht.
In sommige sculpturale tradities verschijnt Mañjuśrī
met een kleine donor- of attendantfiguur aan zijn zijde,
maar in de Dunhuang‑schilderkunst is dat ongebruikelijk.
Deze banier volgt die conventie:
de bodhisattva staat volledig alleen, zodat alle aandacht uitgaat
naar zijn attributen en de rol die hij belichaamt
— de personificatie van wijsheid zelf.

Mañjuśrī als onderdeel van een trio

In veel Mahāyāna‑tradities verschijnt Mañjuśrī niet alleen,
maar als onderdeel van een drie-eenheid van kwaliteiten
die samen het pad naar verlichting verbeelden.
Deze triade bestaat uit:

  • Mañjuśrī – wijsheid (prajñā)
  • Avalokiteśvara – compassie (karuṇā)
  • Vajrapāṇi – kracht en bescherming (bala)

Samen vormen zij een soort geestelijke architectuur:
inzicht, mededogen en daadkracht als drie pijlers
van het boeddhistische pad.
In sommige regio’s worden ze als groep afgebeeld,
in andere tradities vooral conceptueel samen gedacht.
Dunhuang behoort tot die laatste categorie:
de drie verschijnen zelden samen in één beeld,
maar hun onderlinge verhouding was wel degelijk bekend.

Binnen dit trio neemt Mañjuśrī de rol van heldere,
onderscheidende wijsheid op zich
— het vermogen om te zien hoe dingen werkelijk zijn,
zonder projecties of vastklampen.
Waar Avalokiteśvara de wereld tegemoet treedt met mededogen,
en Vajrapāṇi met beschermende kracht,
vertegenwoordigt Mañjuśrī het heldere midden:
inzicht dat richting geeft aan handelen en mededogen.

Dat deze banier hem solitair toont, betekent dus niet
dat hij losstaat van die bredere context.
Integendeel: de afwezigheid van de andere twee
maakt zijn eigen kwaliteit des te zichtbaarder.
De lotus, het boek, de rustige samapāda-houding
— alles wijst op zijn rol binnen het grotere geheel van de Mahāyāna‑leer.

De Lotus en het Boek: over Mañjuśrī’s rol in de traditie van leegte

Mañjuśrī belichaamt in de Mahāyāna‑traditie wijsheid
— niet in de zin van geleerdheid of kennis,
maar als inzicht in de aard van de werkelijkheid.
In die traditie wordt vaak gesproken over leegte,
een woord dat gemakkelijk misleidt.
Het verwijst niet naar afwezigheid of nietsheid,
maar naar het idee dat verschijnselen geen vaste,
onveranderlijke kern hebben.
Alles ontstaat, verandert en verdwijnt
in afhankelijkheid van omstandigheden.

Dat inzicht is bevrijdend:
het maakt het mogelijk om minder te hechten
aan wat per definitie veranderlijk is,
en om met meer helderheid en soepelheid in de wereld te staan.
De Prajñāpāramitā‑sūtra’s
— waarvan Mañjuśrī hier een gestileerde versie op zijn lotus draagt —
verwoorden precies dit perspectief.
Ze vormen een van de oudste en invloedrijkste teksttradities
van het Mahāyāna‑boeddhisme,
ontstaan rond het begin van onze jaartelling
en verspreid via recitatie, vertaling en ritueel gebruik.

Voor monniken en geleerden waren deze teksten
een bron van studie;
voor leken waren ze vooral rituele objecten:

  • gereciteerd in vaste melodieën,
  • gekopieerd als verdienstelijke daad,
  • en herkend aan hun iconografische vorm.

De schilder van deze banier hoefde de tekst niet te kennen
om haar betekenis te dragen
— de lotus met sūtra was een visueel signaal
dat onmiddellijk verwees naar Mañjuśrī’s rol
als personificatie van wijsheid.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XXIV

– over kijken naar mededogen op golvend ramie –

DSC01340 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraBannerDunhuang9th-10thCenturyCEPaintedOnRamieAccNiChlxiv-001

India, New Delhi, National Museum, Avalokiteshvara Banner, Dunhuang, 9th – 10th century CE, painted on ramie. Acc.Nr. Ch.lxiv.001.


Mijn observatie:

Soms zitten er in deze reeks over het Nationaal Museum
afbeeldingen tussen die je als ‘aandoenlijk’ kunt omschrijven.
Dat klinkt misschien wat oneerbiedig.
Maar zo is het niet bedoeld.

Kijk eens naar deze bodhisattva Avalokiteshvara-banier.
Het hoofd ziet er goed uit.
Een beetje generiek.
Maar dat is zo bij de meeste boeddhistische voorstellingen.

DSC01340 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraBannerDunhuang9th-10thCenturyCEPaintedOnRamieAccNiChlxiv-001

Het zijn vooral de houding, de stand van de handen,
de kleding, de attributen en de enscenering
die betekenis geven aan een boeddhistische voorstelling,
niet de gelaatstrekken van de figuren.

DSC01340 03 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraBannerDunhuang9th-10thCenturyCEPaintedOnRamieAccNiChlxiv-001DSC01340 04 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraBannerDunhuang9th-10thCenturyCEPaintedOnRamieAccNiChlxiv-001

Kijk eens hoe de vingers geschilderd zijn.
Ze lijken wel te golven.
Of de voeten.
Voor hele korte schoentjes.
Met tenen die zich niet schikken naar maat of volgorde.

DSC01340 05 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraBannerDunhuang9th-10thCenturyCEPaintedOnRamieAccNiChlxiv-001DSC01340 06 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraBannerDunhuang9th-10thCenturyCEPaintedOnRamieAccNiChlxiv-001

Kijk nog eens naar de Boeddha,
helemaal bovenaan de banier.
Meer een icoon dan een persoonlijkheid.
Aandoenlijk toch?


Ramie

Ramie is een van de oudste plantaardige vezels ter wereld:
een bastvezel uit de stengel van een netelachtige plant
die al duizenden jaren in China, India en Egypte wordt gebruikt.
Het is een glanzende, bijna zijdeachtige vezel, opvallend wit van nature,
en zo sterk dat het zelfs in natte toestand nog sterker wordt.
Toch is ramie nooit zo alomtegenwoordig geworden als katoen of zijde.
Niet omdat de plant zeldzaam is
— ze kan meerdere keren per jaar geoogst worden —
maar omdat de verwerking arbeidsintensief en kostbaar is.
De vezels zitten stevig vast in de bast en moesten in de tijd van Dunhuang
door langdurig weken in water worden ‘ontgomd’
voordat ze tot draad konden worden gesponnen.
Dat maakt ramie historisch gezien een luxevezel
die vooral in specifieke regio’s en toepassingen werd gebruikt,
van Chinese kleding tot Egyptische mummiewindsels.
In vergelijking met zijde of hennep heeft ramie een eigen karakter.
Ze deelt met zijde een natuurlijke glans,
maar mist de soepelheid en elasticiteit van echte zijden draden.
Met hennep heeft ze de baststructuur gemeen,
maar ramie is fijner, witter en sterker
— bijna twee keer zo sterk als vlas en veel sterker dan katoen.

Ramie werd in Dunhuang vooral gebruikt voor banners en rituele textielen,
maar minder vaak dan zijde.
Daardoor — én door de gevoeligheid van deze lichte stoffen
voor vocht en veroudering —
zijn ramie‑objecten in museale collecties
zoals die van het Nationaal Museum
relatief zeldzaam.

Driehoek

Hoewel de driehoekige top ook voorkomt
bij memorial banners en sutra wrappers,
wijst de combinatie van verticale compositie,
centrale bodhisattva en de Boeddha bovenaan in deze banner
eerder op gebruik als tempelhanger
— vandaar de suggestie in de zaaltekst.

Avalokiteśvara ?

Het is niet zo dat men Avalokiteśvara “bedenkt”
omdat bepaalde kenmerken ontbreken;
de identificatie ontstaat juist door een combinatie van wat wél aanwezig is
en wat níet past bij andere bodhisattva’s.

De lotusbasis, de kroon, de aureool en de verticale hiërarchie
met een Boeddha bovenaan
sluiten nauw aan bij de manier
waarop Avalokiteśvara in Dunhuang doorgaans wordt afgebeeld.
Tegelijkertijd ontbreken de specifieke attributen
die andere bodhisattva’s onmiddellijk herkenbaar zouden maken
— zoals het zwaard of boek van Mañjuśrī,
de stupa van Maitreya,
of de vajra van Vajrapāṇi.
Zo ontstaat een iconografisch profiel dat niet toevallig,
maar vrij consistent naar Avalokiteśvara wijst.


DSC01341IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraBannerDunhuang9th-10thCenturyCEPaintedOnRamieAccNiChlxiv-001 txt

Zaaltekst: This painting shows a Bodhisattva standing on lotus, with the right hand hanging down and left placed at chest. The presence of triangular headpiece is suggestive of the banner being used as a temple hanging.


India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XXIII

– over een hemels landschap dat zich laag voor laag ontvouwt –

DSC01337 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumParadiseOfAmitabhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCh-lviii-0011

India, New Delhi, National Museum, Paradise of Amitabha, Dunhuang, 9th – 10th century CE, silk painting. Acc.No. Ch.lviii.0011.


Mijn observatie

Het schilderij is donker maar lijkt opgebouwd in vijf zones.
Van boven naar beneden:

Zone 1: zonder figuren, er staan gebouwen aan een plein
met daarop twee fonteinen (?) of symbolische waterornamenten.

DSC01337 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumParadiseOfAmitabhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCh-lviii-0011 Zone1Detail

Zone 1: waterpartij.


Zone 2: met drie belangrijke figuren.
De middelste, en grootste zal wel Amitabha zijn.
De drie figuren zitten op lotustronen en er is bij alle drie een aureool te zien.
Achter hen een cirkelvormige troonwand.
Helemaal links, tussen de tronen en helemaal rechts zitten vier figuren.
Alle vier met aureool.

DSC01337 03 IndiaNewDelhiNationalMuseumParadiseOfAmitabhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCh-lviii-0011 Zone2DetailLinks

Zone 2, de meest linkse van de drie hrote figuren met helemaal links op deze afbeelding een veel kleinere figuur.


Zone 3: direct voor Amitabha, zitten figuren met aureolen aan 3 tafels,
een links, een rechts en een, meer naar achter, een tafel met offergaven (?)

DSC01337 04 IndiaNewDelhiNationalMuseumParadiseOfAmitabhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCh-lviii-0011 Zone3DetailLinks

Zone 3, de meest linkse tafel.


Zone 4: in het midden lijken musicerende figuren te zitten,
drie links, drie rechts en een in het midden.
Geen aureool.
Speelt de middelste figuur een harp? De konghou (Chinese harp)?

DSC01337 05 IndiaNewDelhiNationalMuseumParadiseOfAmitabhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCh-lviii-0011 Zone4Muziek

Zone 4 met de muzikanten.


Zone 5: op twee tronen met verhoogde platforms,
vergelijkbaar met keizerlijke zetels uit latere Chinese tradities,
die schuin staan opgesteld, zien we 2 belangrijke figuren
voor een amandelvormige troonwand zitten.
Geflankeerd, aan iedere kant, door een kleiner figuur. Allen met aureool.
De grote tronen hebben een klein trapje naar het hoogste plateau.
Tussen de tronen lijkt een Boeddhabeeld te staan
op een kleed versierd met zwanen (?)

DSC01337 06 IndiaNewDelhiNationalMuseumParadiseOfAmitabhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCh-lviii-0011 Zone5HogeTroon

Zone 5, de rechtse troon.

DSC01337 07 IndiaNewDelhiNationalMuseumParadiseOfAmitabhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCh-lviii-0011 Zone5BeeldOpKleed

Zone 5, Boeddha beeld op kleed met afbeelding van een zwaan.


Het hele schilderij is voorzien van een smalle rand met een florale decoratie.

DSC01338IndiaNewDelhiNationalMuseumParadiseOfAmitabhaDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCh-lviii-0011Txt


Iconografische duiding (wat zien we volgens de literatuur)

Wanneer je deze schildering aandachtig bekijkt,
ontvouwt zich langzaam een wereld die sterk doet denken aan
Amitabha’s Westerse Paradijs, Sukhāvatī
— een hemels landschap dat in Dunhuang door de eeuwen heen
steeds opnieuw werd verbeeld.
Kunstenaars uit de 9e en 10e eeuw werkten binnen een traditie
die zo rijk en zo zorgvuldig doorgegeven werd,
dat je bijna van een visuele grammatica kunt spreken.
Ondanks variaties in stijl, kleur en detail
keren bepaalde structuren steeds terug,
alsof elke schilder opnieuw een eeuwenoud verhaal in lagen opbouwt.

Bovenaan begint het meestal:
hemelse architectuur, paviljoenen en terrassen die de sfeer
van een verheven rijk oproepen.
Soms zie je waterpartijen of vijvers die in de teksten worden beschreven
als “met zeven juwelen versierd”. Ze vormen de drempel naar het paradijs.

Daaronder verschijnt dan het hart van de voorstelling:
Amitabha, groter dan alle anderen,
gezeten op een lotustroon die zijn verheven staat markeert.
Hij wordt bijna altijd geflankeerd door zijn twee trouwe begeleiders
Avalokiteśvara (Guanyin) aan de ene zijde en Mahāsthāmaprāpta aan de andere.
Samen vormen zij een soort hemels drieluik, een rustpunt in de compositie.

Rondom hen bewegen zich bodhisattva’s en hemelse assistenten,
herkenbaar aan hun aureolen en hun gracieuze houdingen.
Vaak presenteren zij offergaven of rituele objecten op tafels
die in drievoud zijn opgesteld.
Die tafels, rijk gedecoreerd, benadrukken de overvloed en zuiverheid van Sukhāvatī.

Verder naar beneden wordt de sfeer speelser.
Daar verschijnen de hemelse musici — de apsara’s en gandharva’s —
die zonder aureool maar met een bijna gewichtloze elegantie
muziek maken.
Hun instrumenten, waaronder de karakteristieke konghou‑harp,
brengen het paradijs tot leven.
Je ziet bijna hoe de muziek door de lucht zweeft.

En dan, in de onderste zone, wordt het verhaal vaak losser.
Hier laten kunstenaars zich meer vrijheid.
Soms tonen ze predikende Boeddha’s,
soms zielen die opnieuw geboren worden in lotusknoppen,
soms rituele scènes of symbolische voorstellingen
die niet in één vaste categorie passen.
Deze zone is als een echo van het paradijs:
herkenbaar, maar altijd net iets anders ingevuld.

Tot slot wordt het geheel vaak omkaderd door een smalle florale rand,
een soort visuele ademhaling die de voorstelling afsluit en tegelijk beschermt.

Amitabha, Avalokiteśvara en Mahāsthāmaprāpta?

Amitabha wordt in deze traditie vrijwel altijd geflankeerd
door twee bodhisattva’s:
Avalokiteśvara, de belichaming van compassie,
en Mahāsthāmaprāpta, de personificatie van wijsheid en spirituele kracht.
Samen vormen zij het hemelse drieluik dat de weg naar Sukhāvatī begeleidt.

De plaats van de voorstelling binnen de theologie en de praktijk

Binnen de boeddhistische wereld van Dunhuang
had een voorstelling van Amitabha’s Westerse Paradijs
niet alleen een esthetische of devotionele waarde;
ze was ingebed in een veel bredere theologische en rituele logica.
In de leer van het Zuivere Land (Pure Land‑boeddhisme)
gold Sukhāvatī als een toevluchtsoord:
een paradijs waar zielen opnieuw geboren konden worden
om daar, onder ideale omstandigheden, het pad naar verlichting
voort te zetten.
Amitabha had in zijn geloften immers beloofd
dat iedereen die zijn naam met oprechte intentie reciteerde,
in zijn paradijs zou worden ontvangen.

In dat licht functioneerden schilderingen zoals deze
als visuele bruggen tussen de aardse wereld en dat hemelse rijk.
Ze boden gelovigen een concrete, herkenbare voorstelling van een plaats
die in de teksten vaak in overvloedige, bijna ongrijpbare termen
werd beschreven.
Door te kijken, te reciteren en te mediteren voor zo’n afbeelding
kon men zich als het ware in de richting van Sukhāvatī oriënteren.

In tempels en grotten werden deze schilderingen gebruikt
tijdens rituelen van devotie, recitatie van Amitabha’s naam,
en herdenkingsceremonies voor overledenen.
Ze fungeerden als focuspunt voor meditatie:
een plek waar de blik kon rusten terwijl de geest zich op het paradijs richtte.
Soms werden ze ook geschonken door families als verdienstelijke daad,
in de hoop dat de verdiensten zouden bijdragen
aan een gunstige wedergeboorte
— voor henzelf of voor een dierbare.

In de context van Dunhuang, waar de Zijderoute voortdurend reizigers,
monniken en ideeën samenbracht, waren zulke schilderingen
bovendien een didactisch middel.
Ze hielpen om de complexe theologie van het Zuivere Land
toegankelijk te maken voor een breed publiek.
De gelaagde zonestructuur
— van hemelse architectuur tot muziek,
van bodhisattva’s tot wedergeboorte —
fungeerde bijna als een visueel schema van de weg naar bevrijding.

Zo werd een schildering als deze niet alleen bewonderd,
maar gebruikt: als gids, als troost, als belofte.
Ze was een venster op een andere wereld,
maar ook een instrument om die wereld dichterbij te brengen.

De plaats van het Zuivere Land in Dunhuang en daarbuiten

Wanneer je door de grotten van Dunhuang wandelt
— of door hun schilderingen,
zoals deze zijde‑voorstelling van Amitabha’s paradijs —
merk je al snel dat het Zuivere‑Land‑boeddhisme
hier een bijzondere rol speelde.
Niet als enige stroming, maar wel als een van de meest zichtbare en geliefde.
Dunhuang was een kruispunt van karavanen, monniken en ideeën,
en juist in die mengeling vond de leer van Amitabha een vruchtbare bodem.
De belofte van Sukhāvatī, een paradijs waar iedereen
door oprechte devotie opnieuw geboren kon worden,
sprak tot de verbeelding
van gewone reizigers net zo goed als van geleerde monniken.

Toch was het Zuivere Land in Dunhuang nooit een alleenheerser.
De grotten tonen een rijk palet aan Mahāyāna‑tradities:
Maitreya die de toekomst belichaamt,
de Medicine Buddha die genezing brengt,
Avataṃsaka‑voorstellingen vol kosmische complexiteit,
en zelfs esoterische elementen die later zouden uitgroeien
tot Vajrayāna‑praktijken.
Maar tussen al die stemmen klinkt de lof van Amitabha het vaakst
en het duidelijkst.
Zijn paradijs werd een visueel ankerpunt,
een plek waar gelovigen hun hoop, hun verdriet
en hun verlangen naar bevrijding konden neerleggen.

Die prominente aanwezigheid in Dunhuang staat niet op zichzelf.
In China groeide het Zuivere Land vanaf de 6e eeuw uit
tot een van de meest toegankelijke en geliefde vormen van boeddhisme.
De eenvoud van de praktijk — het reciteren van Amitabha’s naam —
maakte de weg naar verlichting minder afhankelijk van scholing
of meditatie‑discipline.
In de eeuwen daarna verspreidde deze devotie zich verder naar Korea,
waar zij zich soepel verweefde met de Seon‑traditie,
en naar Japan, waar zij uiteindelijk haar meest uitgesproken vorm vond.
Daar ontstonden zelfstandige Pure Land‑scholen
zoals Jōdo‑shū en Jōdo Shinshū,
waarvan de laatste vandaag de dag
zelfs de grootste boeddhistische stroming van het land is.

Opmerkelijk genoeg ligt de oorsprong van dit alles in India,
waar de ideeën over Sukhāvatī weliswaar in Mahāyāna‑sutra’s
werden verwoord, maar nooit de dominante positie kregen
die ze later in Oost‑Azië zouden innemen.
In India bleef Amitabha één stem in een veelstemmig koor;
pas langs de Zijderoute, in plaatsen als Dunhuang,
werd zijn paradijs een levende, gedeelde verbeelding.

Zo staat deze schildering niet alleen in een artistieke traditie,
maar ook in een theologische beweging
die zich over een heel continent heeft uitgespreid.
Ze is een echo van India, een bloei in China,
een vertrouwde melodie in Korea,
en een diepgewortelde overtuiging in Japan.

En in Dunhuang — precies daar waar culturen elkaar ontmoetten —
werd het Zuivere Land
een van de meest herkenbare en geliefde vormen van boeddhistische devotie.

India 24/25: Delhi, dag 5 – National Museum XXI

– waar compassie door de slijtage heen ademt –

DSC01333 01 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460

India, New Delhi, National Museum, Avalokiteshvara, Dunhuang, 9th – 10th century CE, silk painting. Acc.No. CH.00460.

DSC01334IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460 Txt

Portayed here is a six-armed Avalokiteshvara seated in Padmasana on a lotus pedestal. His upper hands hold the sun and moon discs. He is surrounded by bodhisattvas and other divinities.


Mijn observatie:

Nogmaals Avalokiteshvara
Dezelfde maar heel anders:
Zes armen, en in de bovenste handen
de sun disc (sūrya-maṇḍala) en moon disc (candra-maṇḍala).
Het is niet eenvoudig om alle armen te vinden.
Maar na lang kijken meen ik er toch zes te zien
— vier met open handpalmen.

DSC01333 03 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460 SunDisc

Vermoedelijke is dit de sun disc in de bovenste rechterhand.

DSC01333 03B IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460 SunDisc

Die gele schijf met daarin een vorm die iets weg heeft van een takje. Maar waarschijnlijk is dat geen afbeelding maar schade als gevolg van de slijtage.

DSC01333 04 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460 MoonDisc

Dan vermoed ik dat je hier een oranje/rode moon disc ziet. Ook hier is een vorm te zien in de schijf die ik niet kan thuisbrengen. Suggesties zijn welkom.

DSC01333 04B IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460 MoonDisc


Het object bestaat uit twee grote stukken.
In de rechterhelft — midden voor Avalokiteśvara —
een rechthoekige vorm, vermoedelijk met twee handen,
bijna losgeraakt van het geheel.
Waarschijnlijk zijn er oorspronkelijk twee stukken zijde gebruikt?

De Avalokiteshvara heeft een ronde aureool.
Die ligt tegen een grotere sierrand —
een mandorla (de amandelvormige omlijsting rond heilige figuren)
of misschien een troonpaneel.

DSC01333 05 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460 Avalokiteshvara

Goed te zien zijn kleurige linten
die zwierig Avalokiteshvara omringen:
oranje/rood bij het hoofd,
groen/blauw rond de armen.

Is het een man? Is het een vrouw?
Bij Avalokiteshvara komen beide genders voor.

Avalokiteśvara zit in Padmāsana —
een gestileerde lotusbloem,
al zie je daar niet veel van.
Misschien die oranje/rode bladvormen op de grond?
Links in het zijdefragment. Rechts ook.

Links en rechts: bodhisattva’s.
Het hoofd van de linker is nog goed te herkennen.
De rechter?
Daar heeft de tijd minder compassie mee gehad.

DSC01333 02 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460 Bodhisattva

De bodhisattva voor de toeschouwer aan de linkerkant.

DSC01333 06 IndiaNewDelhiNationalMuseumAvalokiteshvaraDunhuang9th-10thCenturyCESilkPaintingAccNoCH-00460 Bodhisattva

Deze zie je aan de rechterkant.


Wat is Padmāsana?

Padmāsana is de klassieke lotushouding uit yoga en meditatie:

  • Je zit met gekruiste benen.
  • Elke voet rust op de tegenoverliggende dij.
  • De wervelkolom is recht, de handen rusten vaak in een meditatiemudra.
  • De houding symboliseert zuiverheid, stabiliteit, concentratie en verlichting.

Wat is een lotus pedestal (lotustroon)?

Een lotus pedestal is een gestileerde lotusbloem
die in kunst dient als voetstuk voor godheden, boeddha’s en heiligen.

  • Het stelt de geopende bloem van de Nelumbo nucifera (lotus) voor.
  • De lotus staat symbool voor zuiverheid, omdat zij uit modderig water oprijst zonder bezoedeld te raken.
  • In Sanskriet wordt dit voetstuk ook padmāsana of padmapīṭha genoemd.

25/01/2025 toegevoegd

Zon en maan: mogelijke iconografische parallel

Opmerkelijk is de aanwezigheid van een gele zonneschijf
en een rode maanschijf in de bovenste handen van de bodhisattva.
Bij eerste beschouwing leken de vage vormen binnen deze schijven
het gevolg van slijtage, maar recent onderzoek
naar een papieren schildering uit Dunhuang (9e–10e eeuw)
met een vergelijkbare voorstelling
suggereert dat hier mogelijk eveneens sprake is
van intentionele iconografie.
In dat werk zijn de zon en maan voorzien van
respectievelijk een plant en een dier,
wat een nieuwe interpretatie van dit zijden schilderij opent.
Een nadere bespreking volgt elders.