Aug. Melai

Naar aanleiding van een log met een aantal foto’s over Breda
kreeg ik vandaag een heel vriendelijke e-mail,
met een toelichting op mijn foto’s.
De log kan men hier vinden: Breda in foto’s

Twee foto’s hadden als vermelding dat ze gemaakt waren
door Aug. Melai, Firma A. aan Erp.
Ik kon op het web echter niets terugvinden over de fotograaf of het bedrijf.
Dat is met onderstaande informatie die in vandaag ontving veranderd.
Hartelijk bedankt!




Firma A. van Erp was een fotograaf in Ginneken.
De firma gaf tevens ansichtkaarten uit in eigen beheer.
De heer van Erp had een fotozaak en atelier op de Ginnekenmarkt 8.
De fotograaf Augustinus Melai nam de zaak en ’t fotoatelier over
en zette die voort vanaf 1911.
Tot eind jaren ’70 ongeveer heeft Aug. Melai daar zijn zaak gehad.




Hieronder herhaal ik de ansichtkaarten nogmaals.



Aug. Melai, Firma A. aan Erp, Breda, Chassxc3xa9 kazerne, ansichtkaart, Legermuseum.






Aug. Melai, Firma A. van Erp, Kloosterkazerne, Breda, ansichtkaart, Legermuseum.

Op vakantie in Bavel

In het boek: Breda, stad van borderlords en baronnen
van Leo Nierse, las ik een verhaal over het Begijnhof in Breda.
Het verhaal heet “Het eerste Begijnhof” en uit directe kring
kan ik een korte aanvulling op het verhaal geven.

Zo wilde de traditie.
Diezelfde traditie stond de begijnen toe te leven
zonder strenge kloosterregels;
ze vormden immers een vrij orde.
Eventuele bezittingen hoefden ze niet af te staan
ze bleven financieel onafhankelijk.
En ze mochten zich vrijelijk buiten hun hoven begeven,
zelfs voor langere tijd.
Een gelofte van zuiverheid (kuisheid) en gehoorzaamheid
aan hun meesteres (dus niet: “overste”) volstond.
Met eenvoudige textielarbeid voorzagen de niet-belastingplichtige zusters
in hun eigen onderhoud.
Ze verzorgden zieken, waakten bij de doden,
baden en zongen bij de altaren in de Grote- of Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Kortom, ze verrichtten “goede werken”.

Op Goede Vrijdag 13 mei 1990 overleed Cornelia Frijters,
de laatste Begijn van het Bredase begijnhof.
Vrijwel zeker bestond er in Breda al een begijnengemeenschap
toen Breda in 1252 zijn stadsrechten kreeg.

Uit eigen informatie kan ik over de werkzaamheden
van de begijnen, het volgende toevoegen.

Mijn moeder vertelde me onlangs het volgende verhaal.
Toen ze nog een klein kind was (11 of 12 jaar)
mocht ze eens op vakantie bij een tante in Bavel.
Mijn oma kwam uit Bavel.
Haar zussen en broer woonden daar en hadden boerderijen.
Mijn oma woonden met haar gezin aan de rand van Breda
op de Blauwe Kei. Aan de Poolseweg.
Het zal dus in 1944 of 1945 geweest zijn.
De tante waar ze op bezoek ging had zelf geen kinderen
en mijn moeder speelde in Bavel dan ook met haar nichtjes
die vlakbij woonden.
De tante en oom waren wel in goeden doen.
Ze konden zich veroorloven om een maal in de veertien dagen
een begijntje te laten langskomen voor verstelwerk.
Er was altijd wel wat te doen aan de kleding
of het andere textiel dat in huis was.
Zo ook die vrijdag.
Het begijntje was ook die vrijdag bij tante aan de slag geweest
en zou aan het eind van de werkdag naar huis gaan.
Te voet.
Mijn moeder greep die kans met beide handen aan
want ze vond dat ze al te lang bij tante op visite was.
Samen met het begijntje liep ze die avond terug naar Breda.

Koning Willem III



De Nassau’s hebben het een en ander met Breda en omgekeerd.
Zo staat er op het Kasteelplein een beeld van Koning Willem III.
Een ruiterstandbeeld op een hoge voet.
Rechts zie je op de foto de cadettenflat.
Op de achtergrond, links van het beeld de ingang van de KMA.

De lente knalt!

Vanmiddag maakte ik onderstaande foto’s op de Galderse Hei bij Breda.
Meer bewijs dat de lente is begonnen lijkt me overbodig.






































Fotomontage.


Dit is een fotomontage van twee foto’s gemaakt in hetzelfde stuk bos.
Rechts is twee weken geleden gemaakt, vochtig,
geen zon, weinig kleur, somber.
Links was vandaag, groen, zon, kleur.
Allebei berk.





De hei wil nog niet.











Grote Kerk Breda

Vanmiddag had ik natuurlijk ook
de gelegenheid weer wat foto’s te maken in de Grote Kerk.
Je kunt hier meegenieten (of niet).



Epitaaf Dirk van Assdelft en Adriana van Nassau.






Grafmomument Jan I van Polanen en zijn vrouwen Oda van Hoorne en Machteld van Rotselaar.






Pasfoto’s.






Grafmomument Jan II van Polanen .
















Albert Servaes in Breda: weg van passie

In de Goede Week of Passieweek
hoort de kruisweg.
In de Grote Kerk te Breda is een bijzondere uitvoering
van de kruisweg te zien.
De versie van Albert Servaes.
Ik heb vanmiddag geprobeert wat foto’s te maken.
Alle afbeeldingen zitten achter een glazen plaat.
Dat levert steeds schittering op.
En dat is erg lastig bij zwart/wit afbeeldingen.


Albert Servaes: Jezus ter dood veroordeeld, 1919.






Albert Servaes: Jezus neemt het kruis op, 1919.






Albert Servaes: Jezus valt eene eerste maal, 1919.






Albert Servaes: Jezus ontmoet zijne moeder, 1919.






Albert Servaes: Jezus geholpen door Simon, 1919.






Albert Servaes: Jezus bijgestaan door Veronica, 1919.






Albert Servaes: Jezus de wenende vrouwen, detail, 1919.


Helaas bewogen foto.





Albert Servaes: Jezus de wenende vrouwen, 1919.






Albert Servaes: Jezus valt eene derde maal, 1919.


Jammer dat ook deze foto bewogen is.
De ontreddering is op dit werk totaal.
Jezus ligt op zijn rug, volledig uitgeteld.
Het kruis ligt boven op hem.
Hulpeloosheid. Radeloos.





Albert Servaes: Jezus ten grave gedragen, 1919.




Industrieel erfgoed Breda

Tijdens de fotorapportage rond de Suikerfabriek,
kwamen nog een paar andere plaatsen die aan het
industrieel verleden (en heden) van Breda herinneren.



Voormalig Dagblad De Stem..


In dit gebouw heb ik zelf nog gewerkt.
Zo’n 25 jaar geleden.
Het gebouw oogt heel recent.
Dat klopt ook in die zin dat het recent nog een een nieuwe
glazen voorkant gekregen heeft (links op de foto is daar een deel van te zien).
Spinveld.





Breda, De Belcrum.






De foto van de Belcrum is genomen vanaf de Stulemeijerbrug.


De brug is deel van de Backer en Rueb weg.
Op dit kaartje is het gemarkeerd met een rood bolletje.
De plaats van de silo’s van de Suikerfabriek staat aangegeven
met een zwarte pijl (onderaan).
Op de foto zijn ze ook te zien, klein aan de einder (zie hieronder).





Silo’s van de CSM.






Charles Stulemeijer.


Carel Lambertus Stulemeijer werd op 20 september 1880
in Rotterdam geboren als zoon
van Adrianus Hendricus Stulemeijer (1842-1890),
schoenmaker en timmerman/aannemer,
en Catharina Agatha van Heck (1836-1905).
Charles Stulemeijer overleed op 24 januari 1968 te Breda.

Charles Stulemeijer bezocht in zijn jonge jaren
het pensionaat St.-Louis in Oudenbosch en het college St.-Rombout te Mechelen.
Hij keerde met zijn moeder en andere familieleden
in 1898 terug naar Breda,
waar de Van Hecks al minstens sinds het begin van de achttiende eeuw
tot 1861 gewoond en gewerkt hadden.
De drie broers Stulemeijer, Jacques Marie, Frans en Charles,
begonnen in 1898 een handel in bouwmateriaxc2xadlen,
die in korte tijd uitgroeide tot een bouwbedrijf,
gespeciaxc2xadliseerd in het gebruik van gewapend beton.
De firma F.J. Stulemeijer (1898) ontwikxc2xadkelde zich zo
tot de N.V. Internaxc2xadtionale Gewaxc2xadpend-beton Bouw (IGB) in 1918.

Medegexc2xadfinancierd door de IGB stichtte hij in 1919 in Breda
de N.V. Hollandsche Kunstzijde Industrie (HKI),
waarop hij zijn werkxc2xadkracht enige tijd concentreerde.
Terwijl hij van na de Eerste tot aan de Tweede Wereldxc2xadoorlog
gedelegeerd commissaris van de IGB was,
nam hij in 1933 de dagelijkse leiding van de HKI op zich
en behield die tot 1952 (hij was toen 72!).
Nog was zijn bemoeienis met dit bedrijf niet afgelopen,
want van 1952 tot 1964 bleef hij werkzaam
als gedelegeerd lid van de raad van bestuur.

Al vrij kort na de oprichting ontstond samenwerking
met de N.V. Nederlandse Kunstzijdefaxc2xadbriek (Enka),
in 1929 met de Duitse Vereinigte Glanzstoff Fabriken gefuseerd
tot de Algemeene Kunstzijde Unie (AKU).
Stulemeijer loodste de HKI door de malaise- en oorlogsjaren
en legde daarbij de basis voor een spectaculaire naoorlogse groei.

In de vooroorlogse jaren had hij via eigen beleggingen
en via deelnemingen van HKI en AKU
in de Machinefabriek Breda de basis gelegd
voor een stevige belangengemeenschap.

Nauw verbonden met zijn ondernemerschap
was voor Stulemeijer zijn deelnemen aan de werkzaamheden
van de katholieke werkgexc2xadversverenigingen.
Zijn grote energie bleek ook hieruit dat hij de stoot gaf
tot de oprichting van de R.-K. Openbare Leeszaal en Biblioxc2xadtheek
en tot de stichting van het Onze Lieve Vrouwe Lyceum, beide te Breda,
en dat hij ook bij de vorming van de R.-K. Handelsxc2xadhoogxc2xadeschool
te Tilburg, thans KUB, was betrokken.
Het is duidelijk dat Stulemeijer in en rond Breda
boven allen uittorende.

Auteur: J.P.A. van den Dam (Thuis in Brabant)





Charles Stulemeijer.


Hij staat er niet op als een zonnetje.
De brug (of liever de omgeving ervan) raakt wat in verval.
Een mooier plaatsje verdient hij eigenlijk wel.





Voormalige Machinefabriek Breda, Backer en Rueb. Nu Van Puijfelik, papierverwerkers.




De oude suikerfabriek II

Het krantenartikel van gisteren
was de aanleiding om zelf ook eens wat foto’s
te gaan maken van de Suikerfabriek in Breda.
Helaas geen foto’s van de stoom die soms over de straat
aan de andere kant van de Mark hing.
Niet die zoet, weexc3xafge lucht die er hing in het suikerbietenseizoen.
Geen foto’s van de wegen bedekt met slib of
van de volle schepen die gelost werden aan de kade.
Maar wel foto’s van de silo’s en de lege fabrieksterreinen.


De silo’s bepaalden bijna 40 jaar de skyline van Breda.






Mooi? Zeker niet!.






Zondag had zo zijn sombere momenten.












De verstevigde kademuren worden al lang niet meer gebruikt.












De losplaats aan de Mark.






Donkere wolken pakken zich samen…..






Een deel van het metaal is al weg en de rest gaat snel volgen.












CSM, blijkbaar mag het geen naam meer hebben.


















Ook hier is de techniek enorm ontwikkeld. Deze toren stond er in mijn jeugd nog niet.






Bolder.


Wikipedia:
Een bolder is:
= een inrichting aan de wal, waar een schip, door middel van een tros
of landvast, aan vastgelegd kan worden.
= dat onderdeel van de scheepsconstructie,
waarmee een schip wordt vastgelegd.






Restant van een aanlegsteiger.












Ik ken maar een plaats in Breda waar dit bord staat..












Alle pogingen om contact met iemand te maken zijn inmiddels tevergeefs (neem ik aan).





Breda

Vanochtend heb ik een twintigtal pagina’s doorgenomen over Breda
op de nieuwe zoekmachine voor kunst en cultuur
van de Europese gemeenschap: Europeana.
Je kunt die website vinden op de volgende plaats: Europeana
Er is nog veel meer te vinden maar vandaag
heb ik me beperkt tot de eerste 20-25 pagina’s foto’s.
En ik vond daar een aantal foto’s die ook op mijn weblog kunnen:



Kaart over de belegering of Beleg van Breda door Ambrogio Spinola, Atlas van Loon, Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, 1624.






Atlas van Loon, Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, Kaart van Breda, 1624.






Aug. Melai, Firma A. aan Erp, Breda, Chassxc3xa9 kazerne, ansichtkaart, Legermuseum.


Op het internet kan ik geen referentie vinden waaruit ik kan opmaken
wie of wat de Firma A. van Erp was/is.





Aug. Melai, Firma A. van Erp, Kloosterkazerne, Breda, ansichtkaart, Legermuseum.






B. van Gils, Begijnhof Breda, Rijksdienst voor de Monumentenzorg.






B. van Gils, Breda, Politiebureau, Veemarktstraat 23, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, OF-03088.


Sindsdien zat daar in ieder geval Mannaerts.
Een firma die aardewerk en glaswerk verkocht.
Nu is het een kledingzaak.





B. van Gils, Breda, Vismarkt, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, OF-04164.


Tegenwoordig ziet deze hoek er gelukkig veel beter uit.





B. van Gils, De Beyerd, Oudemannenhuis, Boschstraat 22, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, OF-03072.


Nu Grafic Design Museum.





Atlas van Loon, Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, Kaart van Breda, 1649.






Atlas van Loon, Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, Kaart van Breda, 1649.






Atlas van Loon, Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, Kaart van Breda, 1649: Grote Markt, Grote Kerk en Haven.






G. de Hoog, Breda: panorama vanaf de watertoren, 30/09/1908.






G. de Hoog, Breda, Seelig kazerne, Groot Arsenaal met dubbel zadeldak, Fellenoordstraat 93, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 07/09/1906.






G . de Hoog, Breda, Vleeshal, Grote Markt 19, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 23/08/1906.


Breda’s museum, Bisschoppelijk museum en nu een cafe/restaurant.





G. de Hoog, Medaillon binnenplein hoofdgebouw Kasteel Breda, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 28/08/1906.


De hier afgebeelde persoon is Solon van Athene.
Wikipedia:
Solon van Athene (circa 640 xe2x80x93560 v.Chr.) is de oudst bekende Atheense dichter
en ook de eerste beroemde politicus van zijn stad.





G. de Hoog, Stadhuis, Breda, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 30/101908.






Breda, Waterpoort en zicht op de stadsmuur en poort aan de stadzijde, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, OF-01151.






Kelfkens, Koninklijke IJzergieterijen en Emailleerfabrieken De Etna, Breda, Poster, 1950-1975.






Parochie H. Anna, Breda, Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen, TF1B01176.






Parochie H. Anna, Breda, Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen, TF1B01177.






Parochie H. Anna, Breda, Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen, TF1B01178.






Poster Breda Bier, Bierbrouwerij De Drie Hoefijzers voorheen Firma F. Smits van Waesberghe: Cloeck en Moedigh, 1950-1975.






Spanjaardsgat en Grote Kerk Breda, Granaattoren en Toren Kerk, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, OF-01830.


Volgens mij is deze foto gemaakt vanaf het KMA-terrein.
Dus vanaf achter het Spanjaardsgat.
Vanaf het terrein dus waarop je als publiek normaal gesproken niet komt.



Badboeken voor mijn verjaardag

Ik heb gisteren twee boeken gekocht van geld
dat ik voor mijn verjaardag heb gekregen.
Allebei boeken over Breda.
Heerlijk om in bad te lezen: badboeken dus.


John van Ierland, Het ijzeren hek, het groot Breda’s verhalenboek, deel 2..






Leo Nierse, Breda, stad van borderlords en baronnen.





Binnenkort een verslag hierover.

Signatuur II

Zoals ik al eerder heb aangegeven, is de tentoonstelling Signatuur
zeer de moeite waard.
Het laat op een mooie manier de ontwikkeling en veelzijdigheid
van het kunstwereldje van Breda en omgeving zien.
Zoals de uitnodiging zegt:

Een keuze van ruim 140 werken van 80 verschillende kunstenaars
verbindt oude en hedendaagse kunst.


De tentoonstelling wordt zo een spannende wandeling door de tijd.
Zoals de uitnodiging zegt:

(de werken)….markeren een boeiende wandeling door een tijdperk
waarin Breda en omstreken langzaam maar zeker
aansluiting vonden op een grotere wereld.


Van een aantal van deze werken kon ik gisteren een foto maken.
En die zie je natuurlijk terug op deze website.



De Geboorte van Christus
Petrus van Schendel
Olieverf op doek
1858

Dit monumentale doek is ruim twee jaar geleden herontdekt
in de H. Kruiskerk in de Brusselse deelgemeente Elsene.
Het was daar buiten gebruik en dientengevolge is het schilderij
nu als langdurig bruikleen terechtgekomen in de verzameling
van het museum.
In het najaar van 2008 is het doek hier in deze zaal gerestaureerd
en vervolgens in de vaste expositie opgenomen.
Het is het grootste schilderij dat van Van Schendel bewaard
is gebleven en waarschijnlijk ook het grootste dat hij ooit heeft gemaakt.
De kunstenaar maakte dit werk niet in opdracht,
maar voor eigen risico.
Na voltooiing heeft Van Schendel het op enkele plaatsen tentoongesteld
en er veel waardering voor gekregen.
Een keer heeft hij een bod op het werk afgeslagen.
Voor een schilder die zich specialiseerde in nachtelijke taferelen
en daarbij de historieschilderkunst als hoogste ambitie koesterde,
is de kerstvoorstelling natuurlijk de uitdaging bij uitstek.
En Van Schendel moet van voorbeelden
van de hand van meesters van vxc3xb3xc3xb3r zijn tijd op de hoogte zijn geweest,
al weten we nog niet hoe precies.
Zijn compositie en stoffering daarvan met figuren vertonen
duidelijke overeenkomsten met nachtelijke kerstvoorstellingen
van Guido Reni en Correggio.
De voorstelling is klassiek van compositie,
met de menselijke figuren in een driehoek gevat.
Links van de kribbe met het Christuskind Maria en Jozef.
De overige personen zijn de herders en herderinnen
die als eersten getuigen waren van de geboorte.
Zij hebben geschenken meegenomen, zoals een mand met duiven
en een brood en, op de achtergrond, een amfoor met drank.
De os en de ezel zijn links, respectievelijk rechts in de voorstelling te zien.
Als plaats heeft Van Schendel gekozen voor een klassieke ruxc3xafne
en niet voor een stal.
Hij heeft deze ruxc3xafne geschilderd naar een voorbeeld
uit de Romeinse stad Palmyra in Syrixc3xab,
waarvan in Van Schendels tijd prenten waren gepubliceerd.



Licht en diepte crexc3xabert Van Schendel met twee fakkels
terwijl de stralen van de ster van Bethlehem het geheel
in een zacht aanvullend licht brengen.
Om ruimtelijke redenen is de originele, monumentale lijst
van het schilderij niet in zijn geheel benut kunnen worden.
Nu is alleen de binnenlijst aangebracht.

Inv.nr. G 2503
Langdurig bruikleen Heilige Kruiskerk, Brussel



Bivak bij Gageldonk
Constant Huijsmans
Olieverf op doek
1832



In verband met de Belgische Opstand moest Huijsmans
zijn studie aan de academie in Antwerpen afbreken
en werd hij gedwongen terug te keren naar Breda.
Hij nam dienst bij de vrijwillige schutterij en trok als foerier door Brabant.
Hij vertoefde onder meer enige tijd op de hei bij Dongen
en maakte daar waarschijnlijk de schetsen voor schilderijen.
Dat zullen veelal details geweest zijn van het soldatenleven
die hij later verwerkte in een romantische landschappelijke omgeving.
In dit geval heeft hij het huis Gageldonk in de Haagse Beemden
bij Breda gebruikt als een fantasievolle stoffering in een heuvellandschap.
De kleurstelling met het morgen- of avondrood
doet denken aan de Duitse romantische landschapskunst uit zijn tijd.


Constant Huijsmans, Bivak bij Gageldonk, detail.

Inv.nr. S 5368
Bruikleen Stichting Stedelijk Museum Breda



Stilleven met sierkistje en anemonen
Jan Bogaerts
Olieverf op doek
1912
Inv.nr. G 30
Bruikleen Vereniging Vrienden van Bredaxe2x80x99s Museum






Umbrische vrouw
Akke Sins
Houtsnede
1966

Akke Sins (1928) is grafisch kunstenares.Ze is van Friese afkomst maar woont al vele jaren in Breda.
Naast vrije grafiek maakt ze veel gelegenheidsgrafiek,
geboorteaankondigingen, ex-libris, vignetten en dergelijke.
Ook monumentale opdrachten heeft ze uitgevoerd,
bijvoorbeeld glas in loodramen voor de Driesprongkerk in Breda.



Deze houtsneden uit de jaren zestig maakte Sins in een figuratieve stijl
die in de verte is afgeleid van het kubisme.
Vele kunstenaars met haar bezigden deze stijl die behalve in grafiek
ook veel werd toegepast in monumentale kunst
als wandschilderingen en glas in lood.

Inv.nr. G 750
Breda!s Museum



Zonder titel
Tom Claassen
Brons
1995

De beelden van de beeldhouwer Tom Claassen (Heerlen 1964)
zijn ooit getypeerd als ‘psychomorfisch’.
De vorm waarin hij zijn mens- en dierfiguren en ook dingen brengt,
roepen meteen een gevoel of een sensatie op.
Hij weet dat effect te bereiken door vormen sterk te vereenvoudigen
en door materiaalgebruik en overdrijving tegelijk ook een karakter
of een toestand uit te beelden.
Dit menselijke figuurtje (ondanks zijn formaat
ziet het er namelijk toch klein uit) wekt de indruk zojuist
heel hard op de grond neergestort te zijn.
Zo hard dat zijn vorm zich op een heel kunstmatige wijze
aan de gevolgen van die val heeft aangepast.
Zulke effecten kennen we van tekenfilms of strips
waarin figuren een harde klap krijgen of van grote hoogte
op de grond vallen en dan helemaal plat worden
of de vorm aannemen van datgene waarin ze terechtgekomen zijn.
Even later zijn ze meestal weer helemaal de oude.



Tom Claassen laat met xc3xa9n rondom zijn sculpturen
een andere wereld ontstaan, waar we ons bevinden in een tekenfilm,
een strip of een kinderboekillustratie.
De fantasiexc3xabn uit die wereld worden ineens een tastbare realiteit,
vaak op een groter formaat dan we verwachten.
Het knappe is dat Claassen deze sensatie weet op te roepen
zonder te leunen op directe ontleningen uit bekende cartoons.
En of het nu voorstellingen zijn van dierlijke en menselijke figuren
of van voorwerpen, al zijn beelden dreigen elk moment
te kunnen gaan leven.
We hebben de neiging ze aan te raken, het materiaal
van hun huid te voelen.
Verleidelijke beelden maar ook een beetje beangstigend.
Een kinderdroom op de grens van het griezelige.

Inv.nr. G 4155
Breda!s Museum



Versteende beweging
Rini Hurkmans
Keramiek
1981

Rini Hurkmans (Deurne 1954) maakt beelden, installaties, foto!s en videofims.
Ze studeerde aan St. Joost maar woont reeds lang in Amsterdam
waar ze doceert aan de Rietveld academie.
Dit keramisch werk is afkomstig uit het stadhuis
van de voormalige gemeente Teteringen.
Bij het werk hingen foto!s waarop de losse delen
op een strand waren geplaatst en werden overspoeld door de opkomende vloed.
Dat is ook het proces die dit werk uitbeeldt:
de kleine golfbewegingen van opkomend water op het zand van een strand.



Inv.nr. G 4007
Breda!s Museum



Gestutte wolk
Sef Peeters
Polyester en beschilderd hout
1981/1983

Een wolk is niet blauw.
En een wolk zweeft uit zichzelf.
Met deze eenvoudige beeldtaal zet Sef Peeters ons even
op het verkeerde been.
Hij benadrukt het artificxc3xable van een kunstwerk.
En wat voor kunstwerk is het eigenlijk?
Een beeldhouwwerk? Een schilderij? Het is iets er tussenin.
Een schilderij dat in onderdelen uiteen is gehaald
en tot een sculptuur is omgevormd.
De vier stutten, zijn dat de vier latten van het spieraam of de lijst?
Het “doek! van het schilderij verwijst alleen door middel van zijn omtreksvorm
naar een wolk, maar bevat verder eigenlijk geen afbeelding.



Vluchtige ingevingen, een gedachte.
Sef Peeters probeert die zo direct mogelijk in zijn kunstwerken vorm te geven.
Woorden, begrippen zet hij om in een ruimtelijke gestalte.
Dat deed hij al in de jaren zeventig met performances en installaties.
En tegenwoordig vooral met taalkunst, het ruimtelijk in spanning brengen
van woorden zodat ze de beschouwer aanzetten tot zorgvuldig kijken en lezen.
En de waarde ervan goed tot zich kan laten doordringen.

Inv.nr. G 570
Breda!s Museum



Met deank aan de tekst:
Signatuur
Kunstenaars en collectie
1800 xe2x80x93 heden
Catalogus
Tekst: Jeroen Grosfeld

Waalse Kerk door Constant Huijsmans

Constant Huijmans is een belangrijke persoon
voor het tekenonderwijs in Nederland.
In een van zijn schetsboeken maakte hij een tekening
van de Waalse Kerk in Breda.
Vandaag maar eens wat foto’s gaan maken
om de tekening te kunnen vergelijken met de realiteit.



Constant Huijsmans, Waalse Kerk, 1831.






Waalse Kerk Breda, 1 maart 2009.








In 1440 sticht Johanna van Polanen een Gothische kapel,
die wordt toegewijd aan de heilige Wendelinus, een pestheilige.

In 1550 wordt deze kapel geschonken aan de Begijnen.

Als Prins Maurits Breda verovert (1590) brengt dat
een groot aantal protestanten en Frans sprekende protestanten
in het katholieke Breda.
De kapel wordt dan van de Begijnen afgenomen en wordt Waalse Kerk.

Maar in 1625 wordt Breda door Spinola ingenomen
en wordt de kapel aan de Begijnen teruggegeven.
Echter niet voor lang: als Prins Frederik Breda verovert (1637)
wordt de kapel weer Waalse Kerk,
hetgeen in 1648, bij de Vrede van Munster, zijn bekrachtiging krijgt.

De Sint Wendelinuskapel of Waalse Kerk is een zeldzaam exemplaar
van een oorspronkelijk middeleeuwse stadskapel,
die veel elementen uit de oudste tijd heeft behouden.
Voorbeelden daarvan zijn de fraaie,
met in diverse kleuren beschilderde sluitstenen
versierde kruisgewelven en de spitsboogvensters.





Moeilijk hetzelfde stanpunt te krijgen als de maker van de schets.






Het is toch wel dezelfde kerk.




Grote of Onze Lieve Vrouwe Kerk Breda

Dat we bijna werden tegengehouden door de bobo’s was lastig.
Het is vreemd dat je een dergelijke bijeenkomst niet eerder aankondigd.
Op zaterdagmiddag nog wel.
Maar goed, we hebben ons niet laten storen.
Voor mij was het de kerk zelf die vanmiddag
wederom de show stal.

Stemmige kerk.


Epithaaf.


Detail.


van Renesse.


Frederik van Renesse.


Jan van Dendermonde.

Detail.


Praalgraf Engelbert II van Nassau.

Praalgraf Engelbert II van Nassau: Julius Ceasar.


Grafmonument Engelbert I van Nassau.


 

Albert Servaes in Breda: weg van passie

Albert Servaes: Jezus valt een eerste maal, 1919.

In de Grote Kerk is vanaf Aswoensdag tot aan Pasen
een kruisweg te zien.
De werken zijn gemaakt door een Belgische kunstenaar in 1919.
Albert Servaes.
De verschikkingen van de eerste Wereldoorlog
nog vers in het geheugen.
De Roomskathlieke Kerk vond de werken te realistisch.
Het werk is ruw, somber, zwart.
Dat Servaes moest vluchten aan het eind van de Tweede
Wereldoorlog vanwege zijn bijdrage aan de Duitse cultuurpolitiek
wordt bij de werken niet vermeld.
De werken zijn afkomstig uit de abdij
Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven in Berkel-Enschot.


Jezus geholpen door Simon.


Jezus sterft aan het kruis.

Jezus sterft aan het kruis (detail).

Ik vermoed dat dergelijke details de kerkelijke leiding te ver gingen.


Jezus van het kruis genomen.


Volgens Wikipedia:

Albert Servaes (Gent, 4 april 1883 – Luzern, 19 april 1966)
was een kunstschilder en tekenaar
en wordt beschouwd als Belgies eerste expressionist.

In 1905 trok hij naar Sint-Martens-Latem
waar hij zich in een houten keet vestigde.
Hij was een diep religieus mens die in zijn kunst graag
de reeds verkende paden verliet.
Een van zijn geliefkoosde thema’s was het lijden van Jezus Christus.
Hij behoorde tot de eerste groep van de Latemse Scholen.

De dramatiek en de wrangheid die uit zijn werken spreekt
worden ondersteund door zijn donker coloriet
en de dikke lijnen waarmee hij zijn figuren gestalte gaf.
De Rooms-Katholieke Kerk en veel van zijn tijdgenoten
ergerden zich aan de rauwe werkelijkheid die hij schilderde.
De kruisweg die hij schilderde
(nu bewaard in de Abdij Koningshoeven van Berkel-Enschot)
is hiervan een voorbeeld.
Opmerkelijk in zijn werk zijn ook zijn landschappen en portretten.

Vanwege sympathieen die hij koesterde voor de Duitse cultuurpolitiek
tijdens het nazisme moest hij na de Tweede Wereldoorlog
de wijk naar Zwitserland nemen.

De Bas en Oranje

Ik heb beweerd dat F. De Bas bevooroordeeld was
als het ging om de familie Van Oranje.
Uit een paar stukken teksr wordt dat wel heel duidelijk:

Zoo wuft is soms de volksgunst!
In plaats van te denken aan menschelijke dwalingen
ook bij vorsten, of aan misleiding,
waaraan zij, meer dan alle andere kinderen Gods,
inzonderheid in tijden van beroering zijn blootgesteld,
deed de verontwaardiging over hetgeen voorviel in het Zuiden,
aan Noord Nederland vergeten,
dat Oranje’s helder inzicht in krijgszaken,
door zijn persoonlijken moed geschraagd,
te Quatre Bras de overwinning van Waterloo had voorbereid,
tot redding niet alleen van Nederland,
maar van gansch Europa.
Men vergat de aandoening, welke den gewonden Oranje-telg
in 1815 had gemaakt tot het troetelkind der geheele natie,
de lof betuigingen en het eerbetoon der vertegenwoordigers
van het gezag in kerk en staat.


Of wat te denken van het volgende citaat:

Met het terugzien naast Willem I van den vederbos,
welke het schoonste tijdvak van zestien vervlogen jaren
voor den geest riep, steeg de geestdrift ten top.
De oude liefde voor Oranje doortintelde
met onweerstaanbare macht de jonge krijgers;
bij hetgeen de toekomst beloofde, bleef er geen plaats
voor gedachten aan het verleden;
zelfs het hart van de meest overleggenden smolt,
zonder dat zij ontstelden.


Breda in de Gids

De Gids is een Nederlands maandblad.
Het bestaat al erg lang en op het web
zijn ook de oudere jaargangen te vinden.
Zo vond ik er een artikel dat interessant is in relatie tot Constant Huijsmans.

Allereerst, wat is de Gids:

De Gids is het oudste literaire en algemeen culturele tijdschrift van Nederland
en een van de langstbestaande tijdschriften van deze soort ter wereld.

De Gids besteedt aandacht aan literatuur, filosofie, sociologie, beeldende kunst,
politiek, wetenschap, geschiedenis; kortom aan alles wat interessant is,
mits er goed over geschreven wordt.
Het tijdschrift verschijnt maandelijks…

De Gids werd in 1837 opgericht door E.J. Potgieter en C.P.E. Robidé van der Aa.
In de loop van meer dan anderhalve eeuw hebben verscheidene uitgevers
zich over de uitgave van het tijdschrift ontfermd.
Van 1837 tot 1840 werd het uitgegeven door de Amsterdamse uitgever
en boekverkoper G.J.A. Beijerinck.
Vanaf 1840 werd De Gids vier generaties lang uitgegeven
door de eveneens Amsterdamse uitgever Van Kampen.
In 1962 nam uitgeverij J. M. Meulenhoff de zorg voor De Gids over.
Na driexc3xabnveertig jaar is de uitgave van De Gids door de redactie overgedragen
aan uitgeverij Balans.

Deze informatie is afkomstig van de website van de hedendaagse uitvoering
van de gids: De Gids Online

Er is ook een site waar Nederlanse literatuur digitaal wordt ontsloten.
De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
Een enorme schat aan oude literatuur.
Ook oude jaargangen van de Gids.

De site is hier te vinden: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren

Ik kwam hier op uit omdat ik op zoek was naar de tem ‘Hoofdwacht’.
Constant Huijsmans heeft in een van zijn schetsboeken een schets gemaakt
met als omschrijving ‘Hoofdwacht, 20 maart 1831’.
1831 is ook het jaartal waarin de 10-daagse veldtocht plaatsvond.
Belgie wordt dan zelfstandig.
Als grote legerplaats in het zuiden van het huidige Nederland
was dit een plaats waar veel activiteiten plaatsvonden.
Breda had immers een groot aantal kazernes.
Het verhaal wat ik las, en waarvan ik hier stukjes zal tonen,
is geschreven in 1881.
50 jaar na dato.

Constant Huijsmans, Afd IV-22, blad 15, Hoofdwacht, 20 Maart 1831.

De schetsboeken van Constant Huijsmans worden in deze tijd gemaakt.
Namelijk in 1831, 1852 en van het derde boekje is de datum onbekend.
Tussen 1837 en 1865 werkte hij aan de KMA
en zat dus midden in de militaire sfeer.
Dat blijkt uit vele tekeningen, onder andere aan al zijn schetsen
voor versieringen ter gelegenheid van 25-jarig jubileum
van Generaal Van Overstraten, de gouverneur van de KMA.

Constant Huijsmans, Afd. IV-23, blad 10, Militaire versierselen.

Maar wat is nu de ‘Hoofdwacht’?

Dhr. H.M.F. Landolt schreef een boekwerk getiteld: ‘Militair woordenboek’.
Landolt, geboren te Breda in 1828, werd in 1844 cadet
aan de Koninklijke Militaire Academie,
in 1848 tweede luitenant bij het 2de Regiment Infanterie,
in 1854 eerste luitenant en in 1861 kapitein het 7de Regiment Infanterie.
Hij overleed in 1871 te Bad Wildungen.
Zijn Militair woordenboek verscheen in 1861
en zegt het volgende over de ‘Hoofdwacht’:

Hoofdwacht.
1e. De voornaamste wacht van een garnizoen,
gewoonlijk door een officier gekommandeerd.
Aan de Hoofdwacht komen alle rapporten van de overige wachten in,
daarheen worden de arrestanten gebragt, enz.,
van daar ook worden meestal de overige wachten gevisiteerd.
2e. Het gebouw waarin zich de wacht bevindt.

Mijn indruk is dat een dergelijke organisatie (1) ook werd toegepast op steden.
De stad was ommuurd en had een aantal toegangspoorten.
’s Nachts gingen die min of meer dicht.
Dat wil niet zeggen dat je ’s nachts de stad niet meer in kon
maar een bezoek diende wel aangekondigd te zijn
of je werd wat diepgaander onderzocht.
In het geval van het verhaal uit de Gids ging het er om
dat er nog exctra postwagens werden verwacht,
in de nacht van 31 juli op 1 augustus 1831.
Op 2 augustus zou de 10-daagse veldtocht beginnen.

Hier volgt het stukje tekst uit ‘Twee wapenschouwingen in 1831′,
geschreven door F. de Bas, ’s Gravenhage, 23 Juli 1881.

‘Het middernachtelijk uur van Zondag 31 Juli (Maandag 1 Augustus)
was reeds lang verstreken; de wachter op den x91langen Janx92
had al dikwerf zijn lang gerekt hoorngeschal herhaald,
en Breda verkeerde in diepe rust.
De inrijpoort vxf3xf3r het groote hoofdkwartier
was echter nog niet gesloten; en in den x91Prins Kardinaalx92,
het logement op den hoek van de markt
en het Kasteelplein, werden blijkbaar nog gasten verwacht,
hoewel de diligence van Oosterhout
reeds een uur geleden aan,
de hoofdwacht was gevisiteerd.
Inderdaad had de wachtcommandant aan de Boschpoort
mededeeling ontvangen, dat er gedurende den nacht
extra postwagens zouden aankomen.’

Uit deze tekst maak ik op dat de Hoofdwacht bij de Boschpoort was.

Breda, Boschpoort, Maker en datum van foto onbekend. OF-01158.

Wie was nu De Bas?
Ik weet het niet zeker maar ik denk dat de volgende beschrijving
bij de hiervoor aangehaalde auteur past:

Franxe7ois de Bas, krijgshistoricus
(‘s-Graven-hage 10-9-1840 – ‘s-Gravenhage 22-2-1931).
Nog geen zestien jaar oud deed De Bas
op 4 september 1856 zijn intrede
als cadet der cavalerie op de Koninklijke Akademie
voor de Zee- en Landmagt te Breda.
De benoeming tot 2e luitenant op 1 juli 1860
bij het 3e Regiment Dragonders
sloot zijn opleiding
bij de Koninklijke Militaire Academie af.
In het voorjaar van 1868 was hij
xe9xe9n van de vier leerlingen
die werden toegelaten tot de toen in het leven geroepen
‘school tot voorlopige opleiding van stafofficieren’,
de voorloper van de sedert 1 november 1875 geheten
‘krijgsschool voor officieren’ te Breda.
De Bas volgde tot 1872 gedurende de wintermaanden
en het voorjaar
de lessen aan de school, terwijl hij in de zomermaanden
werd gedetacheerd bij verschillende legeronderdelen,
Twee van de vier officieren
die in 1868 de cursus waren begonnen
slaagden in 1872 voor het eindexamen, onder wie De Bas, …

Bovenstaande tekst is afkomstig van de website van
Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis

Terug naar de tekst.
Er waren twee stukken die ik wilde laten lezen.
1. een beschrijving van Breda en zijn inwoners
en hun binding met Oranje;
2. een beschrijving van versieringen
van een kampement (de link naar Huijsmans).

Twee wapenschouwingen in 1831.

De oude stad van Noord Brabant,
die haar naam ontleent
aan de verbreeding van de Aa
door het stroompje den Bijloop
alvorens samen te vloeien met de Mark,
legde sinds kort het krijgshaftige keurslijf af,
hetwelk vijf eeuwen lang haar leest had omkneld.
Beletten de hooge borstweringen, door kalk en steen
en de wortels van breedgetakte olmen
tot een vaste massa te zamen gegroeid,
de uitbreiding van de stad,
tevens bedekten zij als een sluier
de rimpels op het voorhoofd der nog altijd behaagzieke
en strijdlustige matrone.
Maar toen de bolwerken vielen
en de bemuurde ravelijnen waren geslecht,
kwamen eensklaps
al de gebreken van den ouderdom te voorschijn.
Naarmate echter de vervallen buitenwijken worden herbouwd,
breede straten van lachende villa’s
en bekoorlijke wandelingen
verrijzen uit de weleer doodsche grachten,
gaat de knorrige bui over en toont de grijze vrijvrouwe,
nu zij wel een verjongingskuur schijnt te ondergaan,
weer een vriendelijk gelaat.
Alleen de exercitiebatterij
van de Koninklijke Militaire Akademie
en de dicht met beukenhagen
en meidoorns beplante omwalling
van den hof van Valkenberg herinneren nog
aan de vroegere beteekenis van Breda,
laatstelijk voor 50 jaar het hart en de polsslag
der militaire beweging in Noord Nederland.
Omtrent den ouderdom van de stad
en de baronie van Breda
verkeert men sinds den brand van het stadhuis in 1534
eenigszins in onzekerheid.
De ‘Lex Seala’ der Pranken in de 5de eeuw
spreekt het eerst van de landstreek, alwaar in 888 Breda
tot een stad werd verheven en met wallen omgraven
door Witger IV, den zevenden graaf van Strijen.
Hare bevolking was meerendeels samengesteld
uit eenvoudige visschers,
die in de rivieren langs deze vruchtbare landouwen
ruimschoots hun brood vonden.
Niet lang nadat het gedeelte van de stad,
hetwelk thans nog
door de oude vest wordt begrensd,
tot vesting was ingericht, bracht Johanna van Polanen,
Jonkvrouwe van de Leck en Breda,
in 1404 door haar huwelijk met graaf Engelbert,
stadhouder van Brabant, de heerlijkheden van haar vader
over in het doorluchtige huis van Nassau.
De Groote Zwijger was de eerste,
die dezen vorstentitel vereenigde
met den in Nederland zoo geliefden naam
der prinsen van Oranje,
wier lotwisselingen Breda
immer deelde met beproefde trouw
en onwrikbare aankleve.

Ik vermoed dat er een fout staat in bovenstaande tekst.
In plaats van ‘Lex Seala der Pranken’ wordt hier
waarschijnlijk de Salische Wet bedoeld
(in het Latijn Lex Salica).
Een typefout vermoed ik.

Laten we eerst maar vaststellen dat deze geschiedschrijving
niet helemaal objectief is.
Het hele verhaal (het stuk hierboven is er slechts een klein deel van)
is heel erg gericht op het steunen van de Koning en Prins
van Oranje.
Nederland is vervolgens goed en Belgie niet.
Nederland houdt zich aan de afspraken:
het zijn de andere grote mogendheden (Frankrijk en Engeland)
die zich niet houden aan de afspraak Belgie te zien als onderdeel
van het Nederlandse koninkrijk.
Door deze constructie zou de veiligheid en vrede
in Europa worden gerealiseerd.
De 10-daagse veldtocht is dan ook geen verloren oorlog maar
een eervol gewonnen conflict zonder gebiedsbehoud.
Tegenwoordig kijken we er iets anders tegen aan:

De site van het Legermuseum verwoordt het als volgt:

De Tiendaagse Veldtocht, Belgische troebelen 1830-1839
In 1815 waren het huidige Nederland en Belgie
verenigd in een staat.
Onder invloed van overal opkomend nationaal besef,
kwamen de Belgen hiertegen in 1830 in opstand.
Dat betekende dat het oude leger
in feite in tweeen werd gesplitst.
In het noorden leidde de opstand tot een opleving
van nationalistische en militaristische gevoelens.
Vrijwilligers eenheden schoten aan beide kanten
van de nieuwe grens als paddenstoelen uit de grond.
Deze bepaalden veelal hun eigen uniformering,
wat tot bonte en kleurrijke uitdossingen leidde.
In het begin werd er veel gevochten.
In 1830 waren er straatgevechten in Brussel;
in 1831 openlijke veldslagen tijdens
de Tiendaagse Veldtocht
in 1832 werd een Nederlands garnizoen belegerd
in de citadel van Antwerpen.
Franse interventie ten gunste van de Belgen
leidde echter tot een status quo.
Koning Wilem I hield tot 1839 zijn leger gemobiliseerd
om zijn onderhandelingspositie
kracht bij te kunnen zetten.

Legermuseum

Het tweeede stuk tekst is een klein deel van de beschrijving
van een groot kampement dat de koning bezoekt.

‘Op de uitgestrekte vlakte
ongeveer halverwege Breda en Tilburg,
tusschen Haansbergen en de Vijf Eiken
nabij het tegenwoordige station Gilze-Rijen,
verhief zich een stad van linnen tenten,
door fluweelachtig mos, paarsche heidebloemen
en wilde hraamstruiken bevloerd,
hier en daar aanleunende tegen ruischende zeeen
van rijpend graan en aan de zuidzijde begrensd
door den graszoom met statige beuken langs den straatweg.
De langwerpige ruimte, 1600 meter lang
en 300 meter diep, was verdeeld in twaalf wijken
voor evenveel bataljons,
elke met twee dubbele rijen van acht tenten,
evenwijdig aan de frontlijn van het kamp,
en door een breede compagnies-straat gescheiden.
Het voorfront werd gedekt
door de in rotten staande geweren,
als een heg van hout en staal aan weerszijden
van de keurig versierde vaandelstoelen,
met de oranje-kleur boven stapels
van koperen trommen en horens:
Om die stoelen waren van zand,
roode en witte kiezelsteenen perken gestrooid
met allerlei figuren, meestal koninklijke kronen,
W’s en F’s als mozaik ingelegd.

Constant Huijsmans, AfdIV-23, blad 34, Schets voor versiering. Rechts de letter ‘W’.

Voor de officiers- en de hoofdofflcierstenten,
aan de overzijde van de veldkeukens
met hare glinsterende randen pan blikken eetketeltjes,
vertolkte eigenaardig de omvang
der achter naaldhout verscholen zodenbanken
den hoogeren of lageren rang van de bewoners.
Boven de blauwe kappen der langwerpige tenten
van het hoofdkwartier,
hetwelk door groen en bloemen
tot een schoon park was ingericht,
en voor het paviljoen van den hertog van Saksen-Weimar
wapperde vroolijk en fier de driekleur hoog in de lucht.

Constant Huijsmans, Afd. IV-23, blad 24, Schets voor vlaggestok.

Een vijftig meter breede ruimte,
tot publieken weg bestemd,
scheidde het eigenlijke kamp van de lijn der cantines,
houten loodsen, winkels en opstallen
van allerlei grootte en soort.
De tot societeit en gemeenschappelijke tafel dienende
officiers-cantines waren smaakvol met vlaggedoek
en banieren gedrapeerd
en van een gezellige voorgalerij voorzien.

Constant Huijsmans, Afd. IV-23, blad 11, Ingekleurde schets.

De loodsen voor onderofficieren en minderen
hadden nevens den groenen krans, bont beschilderde borden,
portretten van het koninklijke huis,
chassinetten en dergelijken uitgehangen.
Zelfs poffertjeskramen stalden in het kamp
hare pracht uit van koperen suiker- en meelvaten,
waarbij het knetterende houtvuur
en de gloeiende pan bewezen,
dat een soldatenmaag zich des noods ook
met kindergebak tevreden stelt.
Daarnaast stonden een goocheltent van Bamberg,
kijkkasten en beschilderde zeilen
met allerlei koddige toespelingen
op de Belgische staatslieden
van die dagen en op de pretendenten der kroon.
Bijzonder was het daarbij gemunt op De Potter,
de Celles, Mxc3xa9rode, Beauharnais, den graaf van Nemours,
bovenal op den Regent Surlet de Chokier,
een ‘gentilhomme campagnard;,
die thans te Brussel
tot een belangrijke politieke rol was geroepen.’

Overigens, een chassinet is een houten lijst
met daarin een (verwisselbare) afbeelding.
De afbeelding werd op papier geschilderd,
dat met lijnolie doorzichtig werd gemaakt.
Een of meer kaarsen erachter en de voorstelling kwam tot leven.

Regent Surlet de Chokier was regent van Belgie
en werd het eerste staatshoofd
tot het aantreden van Koning Leopold I van Saksen Coburg-Gotha.

Het laatste stuk tekst schetst, erg optimistisch,
de sfeer in het leger en rond het koningshuis.
Dat is de sfeer, vermoed ik, waarin Constant Huijsmans
zijn schetsen maakt.
De sfeer waarin het belang van tekenonderwijs,
als een militair strategisch instrument werd gewaardeerd.
Heel bepalend voor zijn carriere.