Over Argusvlinder

Living in Breda, in the Netherlands, likes to blog about all the things that keep me busy.

Suikerfabriek / CSM in de sloop

Gistermiddag een paar foto’s gemaakt
van de sloop van de Suikerfabriek in Breda.
Je kunt helaas alleen maar van heel ver af foto’s maken.
Het terrein is helemaal afgezet met containers en staal.





Bijna vanaf de Lunetstraat.






Vanaf het Spinveld.












Vanaf het centrum gezien. Zie de bergen puin op de voorgrond





Duran-Madonna

Gisteren al werd ik gewezen op een fout in mijn log van gisteren.
De afbeelding van de Maria en het kind is niet van een Middelrijns Altaarstuk
maar is een deel van een schilderij van Rogier van der Weyden:
Madonna in rood, Duran Madonna.
Al speurend op het internet om een en ander te bevestigen
kwam ik het volgende artikel tegen over Rogier van der Weyden.

ROGIER VAN DER WEYDEN
door Lucette ter Borg

Hij was de beroemdste schilder van zijn tijd,
geloofd en geprezen omdat hij
‘zo lovenswaardig menselijke zieleroerselen als droefheid,
boosheid of vreugde’ kon weergeven.
Maar over het leven en de persoon van Rogier van der Weyden,
geboren als Rogelet de la Pasture,
tast de wetenschap in het duister.
Soms is hij opgesplitst in drie verschillende kunstenaars.
Een andere keer is hij zowel de zoon als schoonzoon
van zijn grote voorbeeld Jan van Eyck.

Als kletspraat zich stapelt op kletspraat,
als de fantasie van de een zich vermengt met die van de ander
en als spinsel na spinsel mag woekeren en tieren, eeuwenlang,
dan is er eigenlijk sprake van groot geluk.
Wat een onderzoeksterrein ontvouwt zich
voor de preciese historicus die wil ontwarren en verklaren
dit zou zijn definitieve meesterwerk kunnen worden.
Wat een groots labyrint voor de woelmuis die wil wroeten
in archieven en kronieken en die iedere bron,
hoe onbeduidend ook, duidt, besnuffelt en betast.

Zo’n labyrint is de vijftiende-eeuwse schilder Rogier van der Weyden.
Hij is een groots, maar ook een rampzalig labyrint.
Groots, omdat de kunstenaar na zijn dood in 1464
veel gedaanten en rollen krijgt aangemeten.
Rampzalig, omdat over Van der Weyden haast niets
met zekerheid bekend is, behalve dat hij een beroemd meester was
met een bloeiend atelier in Brussel.

Als je terugkijkt, systematisch de bronnen afspeurt en aftast
tot het onzekere jaar bijvoorbeeld waarin de schilder geboren werd,
dan valt voor wat betreft Rogier van der Weyden
de ene na de andere zekerheid in duigen.

Neem de schilderijen.
Meer dan veertig daarvan gingen verloren in de loop der eeuwen:
ze verdwenen in de golven, werden in stukken gebeukt
door beeldenstormers of door vuur verteerd.
Zesendertig panelen hebben de tand des tijds doorstaan:
zij worden door de meeste, maar niet alle, experts
aan Van der Weyden en zijn atelier toegeschreven.
Van der Weyden zelf liet geen geschreven merkteken op zijn panelen na:
anders dan zijn tijdgenoot Van Eyck signeerde hij niets.

Dan zijn er de geschreven bronnen; beter gezegd,
die zijn er haast niet.
Van Van der Weyden is geen geboorteakte bewaard,
hoewel men aanneemt dat hij ergens tussen 1398 en 1400
in Doornik is geboren als Rogelet de la Pasture.
Zijn sterfdatum is wel bekend: op 18 juni 1464
werd hij begraven in de kapel
van de heilige Catharina in Sint-Goedele,
onder een steen waarop: ‘een doye’ staat.
In die tijd noemde hij zichzelf ‘Rogier uit Doornik, schilder te Brussel’.

Van alle jaren daartussen zijn nauwelijks documenten bewaard.
‘Maitre Rogier’ opent in augustus 1432 een eigen atelier in Doornik
– waarvan akte – en verhuist ergens in 1435 naar Brussel,
waar Filips de Goede zetelt in het hertogelijk paleis
op de Coudenberg in Brussel.
Hij trouwt en krijgt vier kinderen.
Maar alle verdere koopcontracten, inventarissen,
atelierinboedels, testamenten en reisbescheiden zijn verdwenen.

Die trieste speling van het lot heeft heel wat kunsthistorici
aan het werk gezet.
Wat nou, geen bronnen? Welgemoed ging men aan de slag.
Vlak na Van der Weydens dood al.
En waar de feiten stokten, kwam de fantasie te hulp.

Karel van Mander, de beroemde zestiende-eeuwse kunstenaarsbiograaf,
maakt het bont.
Op gezag van een iets oudere Italiaanse kunstenaarsbiograaf – Vasari;
splitst hij in zijn Schilderboeck (1604) Van der Weyden op in twee,
eigenlijk drie kunstenaars: de een woonde in Brugge,
de ander in Brussel (maar deze stierf weer als een ander).

Neem het Van Mander eens kwalijk,
die vermenging van Brugge met Brussel.
Hoe vrij ging men in de vijftiende eeuw met namen om:
Brussel kan ‘Prussel’ zijn, maar ook ‘Burselles’;
Brugge is ‘Brugia’, ‘Bruza’, ‘Brugies’ maar ook ‘Brugghe’.
Een druppel regenwater op het inkt van een contract,
en Brugge wordt Brussel, of omgekeerd.

Die in Brugge, zegt Van Mander, is een bekwaam tekenaar,
een leerling van Van Eyck.
Van Mander ‘meent’ enige werken van de schilder in Brugge te hebben gezien.
Maar zeker weet hij het niet.

Met meer zekerheid schrijft hij over
de ‘uitmuntende’ Rogier van der Weyden uit Brussel,
die zo ‘lovenswaardig’ ‘menselijke zieleroerselen als droefheid,
boosheid of vreugde’ kon weergeven.
Over zijn afkomst in Doornik weet Van Mander niets.
Hij laat de schilder geboren worden in Vlaanderen,
‘of van Vlaamse ouders in Brussel’.
Ook vertelt hij dat de kunstenaar rijk werd
hetgeen klopt, want Van der Weyden gaf tijdens zijn leven
veel aan charitatieve instellingen.
Een paar bewijzen daarvan zijn in kerk- en kloosterarchieven opgespoord.
Maar over de laatste uren van Van der Weyden
schrijft Van Mander weer lariekoek.
Volgens de biograaf sterft Van der Weyden in 1529
aan de ‘swetende sieckte’ – en verwart hem zo met Quinten Metsijs.
Ook over Van der Weydens leertijd is weinig bekend.
In de meest recente, kolossale, monografie
over de kunstenaar draagt de Vlaamse kunsthistoricus Dirk de Vos
vooral argumenten aan voor de gedachte dat Van der Weyden
een leerling is geweest van Robert Campin in Doornik,
die ook wel wordt vereenzelvigd met de Meester van Flemalle.

In de jaren vijftig echter denkt de kunsthistoricus Erwin Panofsky,
beroemd om zijn studie naar de verborgen symboliek
in het naturalisme van de Vlaamse primitieven,
dat Van der Weyden een leerling van Van Eyck is in Brugge.
En weer vijftig jaar daarvoor, in de negentiende eeuw,
is Van der Weyden schoonzoon en zoon van Van Eyck.

Een hechte familie dus volgens de overlevering.
En al is het onwaarschijnlijk dat Van der Weyden
werkelijk een leerling van Van Eyck is geweest,
verwantschap bestaat er ontegenzeggelijk tussen de twee.
Het is een verwantschap die natuurlijk is in de eerste helft
van de vijftiende eeuw.
Want Jan van Eyck zal met zijn perspectivisch correcte ars nova,
zijn meesterlijke scheppingen van tronende Madonna’s,
lijdende Christussen en van licht gloeiende portretten,
een voorbeeld zijn voor alle meesters die na hem komen.
Ook Van der Weyden leent zijn motieven
een handgebaar, een tafereel – en kopieert soms zodanig zijn stijl,
dat zelfs z’n grootste werk – het Laatste Oordeel
in het Hotel-Dieu in Beaune – heel lang aan Van Eyck zelf wordt toegeschreven.

Niemand evenaart Van Eyck, ook niet Van der Weyden.
Toch groeit hij na Van Eycks dood in 1441 uit tot de beroemdste schilder
van zijn tijd, met opdrachten voor vorsten en prelaten in Italie,
Frankrijk en Bohemen. Waarom?

Zijn stijl is eerder hortend dan vloeiend zoals die van Van Eyck.
‘Geciselleerd’ noemt men dat, als men positief wil zijn,
alsof de schilder de bewegingen van zijn personages,
de plooien in hun kleding in steen heeft uitgehouwen
en niet in verf op hout heeft gezet.

Dirk de Vos vergelijkt de panelen van Van der Weyden
terecht met polyfone muziek.
Die afgebakende stemmen, ieder voor zich hun eigen melodielijn volgend,
zie je vertolkt in de contrasterende kleurvlakken,
het diepe rood van Maria’s jurk,
de roze bleekheid van haar langgerekte handen, en het witte kleed
van haar Kind (op de Duran-Madonna in het Prado).



De Maagd en het Kind (Madonna Duran), Rogier Van der Weyden, Museo Nacional del Prado, Madrid.


Ook de illusie van ruimtelijkheid is minder groot dan bij Van Eyck.
Vooral bij de Kruisafname in het Prado,
een van de beroemdste panelen van Van der Weyden,
is dat duidelijk.
Negen figuren klitten hier in wanhoop samen rond de gestorven Christus.
Tien figuren rond een kruis, dat moet dus heel wat diepte opleveren.
Maar niet bij Van der Weyden:
Maria Magdalena die radeloos haar handen vouwt,
lijkt zo van het hout de kijker tegemoet te vallen.
En ook de bezwijmende Maria en de dode Christus
tuimelen bijna van het paneel af.

Ons doet zo’n frontale, ondiepe compositie gekunsteld aan,
we prefereren de illusionaire ‘levensechtheid’ van Van Eyck.
Maar in de vijftiende eeuw zag men die levensechtheid anders.
Men bewonderde Van Eyck, maar ook Van der Weyden.
De laatste dichtte men het wonderbaarlijke talent toe
om de Maagd Maria, Jezus en andere heiligen
bijna lijfelijk aanwezig te laten zijn op aarde.
Vanwege die kwaliteit ongetwijfeld omschreef in 1551 een Spaanse diplomaat
het paneel als ‘het beste schilderij, geloof ik, in heel de wereld’.
Men prees ‘de ademende gezichten, in contrast met het lichaam
(van Christus – red) als van een dode’.

Heiligheid wordt dank zij Rogier van der Weyden
een bijna alledaagse zaak.
Zijn verkondiging aan Maria bijvoorbeeld,
een triptiek dat hij na 1434 schilderde,
vindt niet meer in een onbestemde, naar wierook wasemende ruimte plaats,
maar heel gewoon in de slaapkamer van de Maagd.
Het is een nieuw motief dat na zijn dood
honderden malen gekopieerd zou worden.

En als Van der Weyden een devotiepaneel maakt van Maria,
schildert hij er een pendant bij met een portret van een gewone sterveling
– altijd een jonge man.
Op die manier benadrukt Van der Weyden wat hij belangrijk vindt:
persoonlijk in gesprek komen met God.
Een gesprek waarin tranen kunnen vloeien
en lichamen mogen verkrampen van smart,
maar waarin nooit de ideale maat der dingen uit het oog wordt verloren.

Zelfs in de dramatische altaarstukken die Van der Weyden
tussen 1450 en zijn dood in 1464 maakt, zoekt hij dat ideaal.
De figuren zijn gestileerd, hun voorkomen is ascetisch,
met zeer lange slanke handen, en smalle gezichten.
Tranen rollen overvloedig en Maria’s kleed raakt meerdere malen
besmeurd door het bloed van haar dode zoon.
Er is verdriet, maar we gillen dat niet uit.
Het is zoals een Italiaans bewonderaar in 1456 over Van der Weyden opmerkt:
‘De waardigheid wordt behouden te midden van een stroom van tranen.’

Kerstmis 2009





Omslag misboekje Werkgroep voor Litergie Heeswijk, ‘De Maagd en het Kind’ (Madonna Duran), Rogier Van der Weyden, Museo Nacional del Prado, Madrid, circa 1440.





In de omgeving bevonden zich herders
die in het open veld, gedurende de nacht hun kudde bewaakten.
Plotseling stond een engel des Heren voor hen
en zij werden omstraald door de glorie des Heren
zodat zij door grote vrees werden bevangen.
Maar de engel sprak tot hen: ‘Vreest niet, want zie,
ik verkondig u een vreugdevolle boodschap
die bestemd is voor heel het volk.
Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer,
in de stad van David.
En dit zal voor u een teken zijn:
gij zult het pasgeboren kind vinden
in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.’

Kunstvaria





Calligraffiti.


Vor mij een nieuwe naam, een combinatie van Kalligrafie
en Graffiti. Leuk gevonden en mooi resultaat.
Hier Chinese karakters in combinatie met graffiti.
de maker is mij onbekend.





Emil Nolde, Verspottung, 1909.


Natuurlijk hoort deze bespotting van Christus bij het Paasfeest
en niet bij vandaag, de dag voor Kerstmis.
Maar het is een prachtig werk.





Fernand Fonssagrives, Contours, 1954 – 1958..






Georges Seurat, Horses in the water, circa 1883.






Giorgione, Le tre etxc3xa0 dell’uomo, 1500 – 1501.


De volledige naam van de kunstenaar is Giorgio o Zorzi da Castelfranco.
Hij was een schilder in de hoog renaissance.
De titel is vertaald: de drie leeftijden van de man.
Zeg maar: Portret van de jongeling, de volwassen man en de oude man.





Giotto di Bondone, detail of two angels, 1304 – 1306.


Het fresco heet Noli me tangere, raak mij niet aan.
Het fresco bevindt zich in de Arena-kapel in Padua.
De tekst is uit de bijbel en werd gesproken door Christus tot Maria Magdalena.
Magdalena komt bij het graf van Christus en herkent daar Christus.
Ze wil hem aanraken maar Jezus zegt: raak me niet aan want
ik ben nog niet naar mijn vader gegaan.
Dit moment is onderwerp van veel kunstwerken.
De engelen vermoeden dus op het eerste gezicht een verwijzing naar
de kersttijd maar in werkelijkheid gaat het ook hier om Pasen.
Als ik naar afbeeldingen kijk met de titel Noli me tangere
zie je steeds het moment van de herkenning van Magdalena.
De engelen zie je dan niet.
Dat is omdat dit werk uit meerdere fresco’s bestaat.





Karel Appel, Tete tragique, 1961.






Marc Chagall, Woman circus ryder, 1956.






Max Ernst, The Kiss (Le Baiser), 1927.






Michelangelo Merisi da Caravaggio, The supper at Emmaus, 1601.


Het spijt me maar ook dit prachtige werk van Caravaggio is uit de Paastijd.
Om precies te zijn de tijd kort na Pasen als Christus een aantal malen verschijnt
aan zijn volgelingen zoals hier in Emmaus.





Michelangelo Buonarroti, Study of a man’s face for The Flood, Sistine Chapel ceiling, 1509 – 1510.






Mourner no 52 from the tomb of Jean Sans Peur (John the Fearless), completed 1457.


Dit is een genre op zich.
Al eerder waren er pleurant te zien op mijn web log.
Deze beelden van treurende mensen waren onderdeel van grafmonumenten
van onder andere de Bourgondische vorsten zoals hier Jan zonder Vrees.





Rene Magritte, Le temps menecant (Threatening weather), 1929.


Ik kende dit werk natuurlijk maar had eigenlijk nog nooit
naar de titel gekeken: Dreigend weer.
Ten minste als ik de Engelse vertaling mag geloven.
De Franse titel laat zich eerder vertalen als “Dreigende tijd”
of “Dreigende lucht”.
Wat is er dreigend aan een vrouwenlichaam, een tuba en een stoel?





Yayoi Kusama, Pumpkin.





Chinese kalligrafie

Sinds kort verdiep ik me een beetje in Chinese kalligrafie.
Sommige mensen vinden dat misschien vreemd maar
kijk eens naar het volgende kunstwerk.
Het is een schilderij van de Amerikaanse kunstenaar
Jackson Pollock.
Er is niet veel fantasie voor nodig om in dit werk een Chinees karakter te zien.


Jackson Pollock, Silver and Black, 1950.


 

20 december 2009: een dag vol sneeuwgemak en -ongemak

Over het afgeven van een weeralarm op het moment
dat mensen al lang niet meer buiten kunnen….











Sneeuwduintjes op ons parkeerdek.

































































Mocht je denken ergens op de foto’s de Argusvlinder (mij) te herkennen
dan moet ik je teleur stellen.
De Argusvlinder is niet buiten geweest voor deze foto’s.

Morgenochtend wordt zeker interessant.

Q-koorts

In mijn gedachten loop ik al een tijd te spelen met het onderwerp Q-koorts.
Tenslotte woon ik in Brabant en wij zijn het hardst getroffen.
Dit keer niet door een griep bedacht door aandeelhouders
van farmaceutische bedrijven die griepprikken (virale middelen)
aan ons willen verkopen en waar onze overheid als een blok voor gevallen is.
Nee dit keer een echte ziekte, een dierenziekte die bedrijven
in de problemen brengt en mensen werkelijk ziek maakt
met zelfs dodelijke slachtoffers.

Ik zat te denken aan het woord Q-koortskaart. Lijkt me een goed woord voor scrabble.
Maar terwijl de overheid komt met een belachelijke ‘stippenkaart’
waar werkelijk niets op te zien is behalve dan dan Brabant het hardst getroffen wordt,
was ik er nog niet helemaal uit.

Totdat ik gisteren in mijn brievenbus keek.





Citaat uit de brief van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.





De brief bevat eigenlijk geen informatie.
Alle informatie staat in het citaat hierboven.
Er is Q-koorts in de buurt.
Alle andere tekst in de brief is er om de aandacht van het probleem af te leiden.
Om te verdoezelen dat de politiek heeft zitten slapen.

Waar is nu precies die Q-koorts vastgesteld?
Dat staat natuurlijk niet in de brief.
Aan de Q-koortskaart waar de brief naar verwijst heb je ook niets.
Rond Breda staan 8 stippen met rode kringen.
Maar het is onduidelijk welke boerderij er nu verantwoordelijk is voor deze brief.

Ik moet me ongerust maken want ik krijg een brief.
De brief zegt dat ik me niet ongerust moet maken.
Waarom krijg ik dan de brief?
Nu ik de brief heb, wil ik weten waar er problemen zijn.
Dat vertelt de brief niet.
De website (www.qkoortsinnederland.nl) waar de brief naar verwijst ook niet.
Het schijnt dat de VWA die informatie wel heeft alleen hun web site
wordt niet genoemd.
Al de andere ‘informatie’ gaat over aflammeren (wat is dat?), fokverbod,
uitbreidingsverbod, vervoersbeperkingen, mest- en hygienemaatregelen.
Daarnaast gaat het over ziekteverschijnselen die zo algemeen zijn
(koorts met hoofdpijn en hoesten)
dat 80% van de Nederlanders naar de huisarts kan lopen
met de boodschap dat hij of zij verschijnselen van Q-koorts heeft.

Ik vermoed, gebaseerd op een lijst van de ggd/vwa,
dat de boerderij met Q-koorts die het dichtst bij mijn huis is,
de boerderij aan de Mastdreef 21 is.
Een boerderij in het buitengebied van Breda, richting Rijsbergen.
De overheid heeft dit vastgesteld op 12 november 2009.
Meer dan 1 maand geleden.
Waarom krijg ik nu een brief?





Q-koortsbrief: Blablabla van de overheid.





Zomaar drie foto's uit de Bredase binnenstad

Van laag naar hoog!





Iris Bouwmeester, Kalypso, Van Coothplein Breda.






Hoek Van Coothplein – Ginnekenstraat.






Grote Kerk vanaf de Havermarkt. De Korenmaet in kerstversiering, het dak van de Vrachtwagen nog net in de zon.





Aanwinst 2009

Een van de aanwinsten dit jaar van het Breda’s Museum is deze prent
die het interieur toont van de Grote Kerk in Breda.





Remigius Haanen, Interieur Grote Kerk Breda, circa 1825.





De makers is waarschijnlijk Remigius Haanen.
Remigius Haanen werd geboren in Oosterhout bij Breda.
Zijn familie bestond uit kunstschilders.
Remi ontwikkelde zich vroeg tot landschapsschilder
en maakte daarmee internationaal carriere.
Remigius Haanen 1812 – 1894.
Informatie van de web site van het Breda’s Museum.

Op de tekening zie je rechts, ter hoogte van de man met het hondje,
een soort uitbouw de kerk insteken.
Dat is het hek dat de Prinsenkapel afschermt van de kerk.
Links daar tegen over, bij het groepje mensen waarvan er een
uitleg lijkt te geven aan de andere personen,
is het grafmonument te zien van Engelbrecht I van Nassau.
Ook wel ‘Praalgraf van Engelbrecht I van Nassau’ genoemd.
De muur die links te zien is schermt het hoofdaltaar af van de omgang.