Ook op de Rietberg kom je boomnimfen tegen

– Over yakshi, Mathura‑stijl en de kunst van het kijken –

Twee beelden van steen,
elk met een natuurgeest als enige onderwerp.
Yakshi verschijnen vaker op reliëfs
— pas nog in een blogbericht als helpers van de Boeddha,
die hem en zijn paard zachtjes van de grond tilden.
Maar hier staan ze alleen.

Het mooie van deze beelden is het materiaal
waarin ze gemaakt zijn.
Zandsteen geeft vaak een warme en zachte uitstraling.
Het Mathura‑zandsteen heeft een warme gloed
— soms roze, soms honingkleurig —
die de figuur een zachte aanwezigheid geeft.
Haast liefkozend.

Omdat beide reliëfs Yakshi als onderwerp hebben,
komen er vragen naar boven die ik anders
niet zo snel zou stellen:

De vorm van het hoofddeksel — is dat standaard?
Is er een iconografie voor Yakshi?
En die zwierige sjerp om haar middel — leeft de maker zich daar uit?”

En hoe zit het met de haardracht of het hoofddeksel van het tweede reliëf?
Zijn Yakshi altijd vrouwen?
Wat een prachtig uitbundige bundel lotusbloemen boven haar hoofd. Waarom?
Zie je die lotus in haar hand?

Het zijn deze en nog meer vragen waarop ik hieronder
ga proberen antwoord te geven.
Maar eerst de twee beelden.

DSC05425ZürichMuseumRietbergYakshiIndienUttarPradeshMathura1st2ndCCESandstein

Zürich, Museum Rietberg, Yakshi, Indien, Uttar Pradesh, Mathura, 1st – 2nd century CE, sandstein.

DSC05427ZürichMuseumRietbergYakshiIndienUttarPradeshMathura1st2ndCCESandstein


DSC05428ZürichMuseumRietbergYakshiIndienUttarPradeshMathura2ndCCESandstein2005-14

Zürich, Museum Rietberg, Yakshi, Indien, Uttar Pradesh, Mathura, 2nd century CE, sandstein, 2005.14.


De volgende tabel plaatst de yakshi‑voorstellingen
uit de boeddhistische, hindoeïstische en jaïntraditie
in hun historische context, in Zuid‑Azië en daarbuiten
Tussen de regels door zie je hoe motieven
uit oorspronkelijke lokale tradities
langzaam in de drie godsdiensten doorwerken.

Periode Religieuze ontwikkeling Kunsthistorische ontwikkeling
ca. 2000–1500 v.Chr. Pre-Vedische, lokale culten. Verering van natuurgeesten, bomen, bronnen, rotsen; vroege lagen van yaksha/yakshi. Geen schriftelijke bronnen; reconstructie via latere teksten en antropologie.
ca. 1500–500 v.Chr. Vedische periode (Veda’s). Integratie en herinterpretatie van lokale natuurculten binnen een priesterlijke rituele religie. Vroege rituele kunst en symboliek, maar nog geen uitgewerkte yaksha/yakshi-iconografie.
ca. 6e–5e eeuw v.Chr. Leven van de Boeddha (ca. 480–400 v.Chr.). Ontstaan van het boeddhisme. Parallel: jaïnisme met Mahavira (ca. 599–527 v.Chr.). Begin van boeddhistische en jaïnistische beeldtradities; lokale natuurgeesten worden beschermers van de dharma.
ca. 4e–2e eeuw v.Chr. Vormgeving van epen en teksten: Ramayana krijgt zijn vorm in mondelinge traditie; verdere ontwikkeling van het vroege hindoeïsme. Eerste monumentale architectuurprojecten die later met yaksha/yakshi geassocieerd worden.
ca. 2e–1e eeuw v.Chr. Boeddhisme, jaïnisme en vroege hindoeïstische tradities bestaan naast en door elkaar. Bharhut en Sanchi: stupa’s met yakshi als boomnimfen en yaksha als wachters.
1e–2e eeuw n.Chr. Lokale culten en grote religies blijven verweven; yaksha/yakshi functioneren als beschermgeesten. Periode van de beelden uit Museum Rietberg: vroege Mathura‑stijl; verfijnde yakshi‑iconografie en robuuste yaksha‑figuren.
1e–3e eeuw n.Chr. Verdere institutionalisering van de drie religies; lokale geesten worden vaste beschermfiguren. Mathura- en Amaravati-scholen: canonieke vormgeving van yakshi (śālabhañjikā) en yaksha-figuren.
4e–5e eeuw n.Chr. Gupta-periode: klassieke formulering van hindoeïstische, boeddhistische en jaïnistische tradities. Gupta-stijl: ideaalbeeld van het menselijk lichaam; yakshi-motieven blijven belangrijk als beeld van overvloed en vruchtbaarheid.
na 5e eeuw n.Chr. Verspreiding van hindoeïsme en boeddhisme naar Zuidoost-Azië; lokale varianten van natuurgeesten blijven bestaan. Ontwikkeling van verwante figuren (zoals apsara-achtige vormen); voortleven van yaksha/yakshi in volksreligies en lokale culten.

Korte toelichting

Pre‑Vedisch
Periode vóór de opkomst van de Vedische gezangen en rituelen,
die lange tijd uitsluitend mondeling werden doorgegeven (vóór ca. 1500 v.Chr.).
In deze tijd bestonden plaatsgebonden, oorspronkelijke lokale tradities
waarin natuurgeesten, bomen, bronnen en rotsen werden vereerd.
Yaksha (man) en yakshi (vrouw) komen uit deze vroege lagen van natuurverering.

Mathura‑traditie
Stijlcentrum in Noord‑India (1e eeuw v.Chr. – 3e eeuw n.Chr.),
bekend om beelden in roze‑rode of warmgele zandsteen.
Yaksha en yakshi worden hier als zelfstandige,
monumentale figuren uitgebeeld, met volle vormen,
frontale houding en verfijnde details.

Terug naar mijn vragen.

Die spiraalvormige massa aan één zijde van het hoofd
bij het eerste reliëf
-is zeer waarschijnlijk een zorgvuldig gestileerde haardracht,
passend binnen de Mathura‑traditie,
waar complexe en asymmetrische kapsels vaak voorkomen.

Yakshi‑figuren uit deze periode dragen geen hoofddoek,
maar tonen hun haar als sculpturaal ornament:
asymmetrisch, gedraaid, en monumentaal.
Het maakt haar geen helperfiguur,
maar geeft haar een autonome, sensuele aanwezigheid
als zelfstandige natuurgeest.

De slanke heupgordel is een Mathura‑motief;
de uitbundige zwier ervan in dit reliëf toont
hoe de maker binnen dat motief zijn eigen ritme en flair toevoegt.
De beweging van de sjerp is niet alleen decoratief,
maar laat zien hoe de beeldhouwer de statige houding van de yakshi
doorbreekt met een speels, bijna dansend element.

Iconografie van Yakshi

Algemeen
Yakshi behoren tot de oorspronkelijke lokale tradities
van natuurverering in Zuid‑Azië.
Daardoor hebben ze geen strakke, religieuze iconografie
zoals latere godinnen, maar wel een herkenbare beeldtaal
die draait om vruchtbaarheid, overvloed en vrouwelijke aanwezigheid.

Typische elementen zijn:
De vrouwelijke vorm:
volle heupen, ronde borsten, een lichte contrapost of sensuele houding.
Rijke haardracht:
hoge knopen, gedraaide lokken, asymmetrische of volumineuze kapsels.
Sieraden en gordels:
dunne heupgordels met sierlijke uiteinden die beweging suggereren.
Vegetatie:
lotusbloemen, ranken of bomen die reageren op haar aanwezigheid.
Autonomie:
yakshi verschijnen vaak als zelfstandige figuren,
niet als helpers in een verhalende scène.

Het is een flexibele beeldtaal:
herkenbaar, maar nooit volledig vastgelegd.

Specifiek voor reliëf 1
In het eerste reliëf is de iconografie opvallend sober,
maar juist daardoor helder.
De figuur toont de essentie van de yakshi‑beeldtaal
zonder uitgebreide attributen.

Kenmerkend zijn:
De zorgvuldig gestileerde haardracht:
een asymmetrische, spiraalvormige massa aan één zijde van het hoofd,
passend binnen de Mathura‑traditie waarin complexe kapsels vaak voorkomen.
De heupgordel:
in de basis een Mathura‑motief; de uitbundige zwier ervan
laat zien hoe de maker binnen dat motief zijn eigen ritme en flair toevoegt.
De houding:
één hand op de heup, de andere met een staf of tak
— een eenvoudige maar zelfbewuste pose die haar autonomie benadrukt.
De sierraden:
Aan haar enkels draagt ze sierlijke banden,
en rond haar hals een breed, massief ornament dat haar borstpartij omlijst.
Deze sieraden zijn geen religieuze attributen,
maar wereldse accenten die haar sensualiteit versterken.
Ze passen binnen de Mathura‑traditie,
waar sieraden het lichaam niet verhullen maar juist ritmisch begeleiden
— als glanzende markeringen van haar autonome aanwezigheid.

Het ontbreken van uitgebreide attributen:
geen lotusbloemen, geen boom, geen dieren.
Dit maakt haar geen figurant, maar een solitaire natuurgeest,
volledig aanwezig in haar eigen lichaam en houding.

Zo laat reliëf 1 zien hoe een yakshi ook zonder rijke symboliek
herkenbaar blijft:
door vorm, houding, haar en ritme — de kern van haar iconografie.

Het tweede setje vragen, nu bij reliëf 2:

En hoe zit het met de haardracht of het hoofddeksel van het tweede reliëf?
In reliëf 2 zie je een veel rijkere, meer uitgewerkte hoofdpartij dan in reliëf 1.

Wat opvalt:

De hoge haarpartij:
met duidelijke segmenten of rollen.
Het geheel lijkt bijna op een diadeemachtige structuur,
maar blijft sculpturaal haar.

Haarlokken of oorbellen:
Aan weerszijden van het gelaat hangen grote, volumineuze haarlokken
die als ornament functioneren
— geen oorhangers, maar onderdeel van de haardracht.

De vorm:
deze is symmetrischer en verticaler dan bij reliëf 1.

De bovenrand van het haar:
Het haar sluit visueel aan op de lotusbundel,
waardoor hoofd en bloemen één compositie vormen.

Dit is typisch voor Mathura‑kunst in haar meer decoratieve fase:
haar wordt geen realistisch kapsel, maar een architectonisch element
dat de figuur optilt en verbindt met de vegetatie boven haar.

Kort gezegd:
Het is geen hoofddeksel, maar een rijk gestileerde haardracht
die als sculpturaal ornament functioneert en de figuur
letterlijk laat “opbloeien” onder de lotusbundel.

Zijn yakshi altijd vrouwen?

Ja — in de kunsthistorische traditie zijn yakshi altijd vrouwelijk.
Hun mannelijke tegenhangers bestaan wel, maar heten yaksha.

Het verschil is niet alleen biologisch, maar iconografisch:

Yakshi:

  • vrouwelijk
  • sensueel, sierlijk
  • verbonden met vruchtbaarheid, groei, overvloed
  • vaak in relatie tot bomen, bloemen, water
  • lichamen met zachte rondingen en sieraden

Yaksha:

  • mannelijk
  • forser, krachtiger
  • soms bewakers of beschermers
  • minder sensueel, meer monumentaal

In de praktijk zijn yakshi veel vaker afgebeeld dan yaksha,
vooral in Mathura en Bharhut.
Hun aantrekkingskracht ligt in hun levenskracht, sensualiteit
en natuurlijke overvloed
— precies wat de kunst van die periode wilde vieren.

Wat een prachtig uitbundige bundel lotusbloemen boven haar hoofd. Waarom?
De lotusbundel is het meest expressieve element van reliëf 2
— en hij is iconografisch rijk.

1. De lotus als symbool van vruchtbaarheid en zuiverheid
De lotus groeit uit modderig water maar blijft onbesmet.
In de context van yakshi staat hij voor:

  • levenskracht
  • bloei
  • voortdurende vernieuwing
  • natuurlijke overvloed

2. De lotus reageert op haar aanwezigheid
In veel vroege Indiase kunst “bloeit” de natuur
wanneer een yakshi verschijnt.
De bloemen zijn dus geen decor,
maar een visuele echo van haar energie.

3. De lotus in haar handen
In haar linkerhand houdt ze duidelijk de stengels vast
die doorlopen naar de grote bundel boven haar hoofd.
In haar rechterhand ligt mogelijk geen knop, maar het hart van de lotus
— de ronde zaadpod, herkenbaar aan het stukje stengel
dat achter haar hand uitsteekt.

Het is een subtiel maar krachtig symbool van vruchtbaarheid
en overvloed: de bloem boven haar hoofd toont de bloei,
de pod in haar hand de volheid en het potentieel van de plant.
Zo belichaamt zij de hele cyclus van groei — van stengel, tot bloem, tot zaad.

4. De bundel als compositie‑anker
De grote, waaierende lotusbladeren:

  • creëren een visuele halo
  • verbinden haar met de bovenrand van het reliëf
  • maken haar monumentaler
  • geven een bijna kosmische uitstraling

Het is een manier om te zeggen:
Deze figuur is geen gewone vrouw, maar een natuurkracht
die de wereld om haar heen laat openbloeien.

5. Mathura‑stijl: exuberantie als expressie
In Mathura‑kunst worden bloemen vaak groter dan het leven weergegeven.
Niet realistisch, maar symbolisch en ritmisch.
De bundel boven haar hoofd is een typisch voorbeeld van die sculpturale overdaad.


Nog een allerlaatste observatie:
bij reliëf 1 zie je een decoratieve band, helemaal onderaan.
Bij een boomnimf zou ik florale motieven verwachten:
ranken, bladeren, vruchten.
Maar dat zie je niet.

Wat zien ik?
De band is breed en horizontaal, direct onder de voeten van de figuur.

Hij bestaat uit herhalende geometrische motieven
— geen bladeren, bloemen of ranken.

De vormen lijken op gestileerde rozetten, vierpassen of rasterstructuren,
afhankelijk van de interpretatie.

Het geheel is strak gecomponeerd, met een ritmische herhaling
die eerder architecturaal dan organisch aanvoelt.

In Mathura‑kunst zie je dit vaker:
de onderrand is decoratief, maar niet verhalend
— hij draagt de figuur, zonder haar wereld te illustreren.

Afsluiting:

Geen bladeren of lotussen
Een geometrische band draagt haar voeten
Een vloer?
Eerder architectonisch dan organisch
haar natuurkracht ontvouwt zich pas boven deze drempel!


Waar de Yaksha’s Paard en Prins Optillen

– Over stille vluchten en het dempen van herkomstverhalen in museale context –

DSC05416 01 ZürichMuseumRietbergDie HeimlicheFluchtDasPrinzenSiddhartaPakistanGandharaGebiet3rd4tfCSchiefer

Zürich, Museum Rietberg, Die heimliche Flucht das Prinzen Siddharta, Pakistan, Gandhara-gebiet, 3rd or 4th century, schiefer.


In de stilte van de nacht verlaat prins Siddhartha het paleis
dat hem heeft gevormd en vastgehouden.
De yaksha’s tillen paard en prins van de grond,
zodat geen hoefslag de slapenden wekt;
het vertrek wordt een zwevende beweging,
een vlucht die alleen kan bestaan doordat anderen het geluid dragen en dempen.
In die gewichtloze beweging klinkt een echo van een andere stilte:
de passages in museale herkomstverhalen die niet luid willen klinken.
Dit reliëf nodigt uit om die twee stiltes naast elkaar te leggen
— de mythische en de museale — en te luisteren
naar wat er in beide wordt verzwegen.

DSC05416 02 ZürichMuseumRietbergDie HeimlicheFluchtDasPrinzenSiddhartaPakistanGandharaGebiet3rd4tfCSchiefer Chandaka

Toen ik dit reliëf zag in het museum was ik vooral
getroffen door de speelse details van het werk.
Het stokje van de begeleider dat door het kader
van de voorstelling steekt.

Nu weet ik dat de kans groot is dat dit Chandaka is.
De trouwe begeleider van Siddhartha die hem ook bij dit
avontuur weer ondersteunt.
Achter Chandaka staat de maan: een stille aanwijzing
dat we naar een nachtelijke gebeurtenis kijken.

De kleinere figuren op de grond lijken het paard
en prins op te tillen.
Dat Siddhartha al op het paard zit en zijn voeten
de grond niet raken, maakt dit gebaar
nog tederder – alsof de wereld hem voorzichtig laat gaan.

Bij nader inzien blijkt er een heel gelaagd verhaal
achter dit reliëf te zitten:
– het boeddhistische verhaal over de vlucht;
– de parallel naar andere godsdiensten die ook
vertrekverhalen kennen. De verhalen zijn niet
allemaal gelijk maar de overeenkomsten en verschillen
zijn opvallend genoeg om je aan het denken te zetten;
– en dan het herkomstverhaal van het object zelf.

Deze drie verhalen werk ik hieronder een voor een uit
in tekst en met afbeeldingen.

DSC05417ZürichMuseumRietbergDie HeimlicheFluchtDasPrinzenSiddhartaPakistanGandharaGebiet3rd4tfCSchiefer detail

De “geheime vlucht” van prins Siddhartha
– in het boeddhisme bekend als de Grote Vertrek of Great Renunciation –
is het moment waarop de jonge prins zijn luxueuze leven verlaat
om de weg naar verlichting te zoeken.
Het is een keerpunt in zijn levensverhaal en vormt het begin
van zijn spirituele zoektocht.

De beschermde jeugd van Siddhartha
Bij zijn geboorte voorspelden brahmanen dat Siddhartha
óf een wereldheerser, óf een groot spiritueel leraar zou worden.
Zijn vader, koning Śuddhodana, wilde dat hij een machtige heerser werd en
schermde hem daarom af van alle vormen van lijden:
ziekte, ouderdom, dood en armoede.
Siddhartha groeide op in extreme luxe, omringd door comfort en afleiding.

De Vier Ontmoetingen
Op 29‑jarige leeftijd verlaat Siddhartha toch het paleis en
ziet voor het eerst:
een oude man, een zieke, een dode en een rondtrekkende asceet.
Deze vier ontmoetingen confronteren hem met dukkha
– het onvermijdelijke lijden van het bestaan.

De nacht van het inzicht
Kort daarna wordt hij opnieuw geconfronteerd met de vergankelijkheid
wanneer hij ’s nachts zijn slapende hofdames ziet,
niet langer als symbolen van plezier maar als kwetsbare, sterfelijke wezens.
Dit moment versterkt zijn innerlijke onrust (saṃvega):
het besef dat zelfs het mooiste leven niet vrij is van lijden.

De geheime vlucht (De Grote Vertrek)
Omdat zijn vader hem nooit zou laten gaan,
besluit Siddhartha ’s nachts heimelijk te vertrekken.
Hij rijdt weg op zijn paard Kanthaka,
begeleid door zijn trouwe wagenmenner Chandaka.
Volgens latere tradities vallen de paleiswachten in een diepe slaap en
tillen natuurgeesten (yaksha’s) het paard op zodat zijn hoeven geen geluid maken.
Buiten de stad bereikt hij de rivier Anomiya,
waar hij zijn haar afsnijdt en zijn prinselijke kleding aflegt.
Hij stuurt Chandaka en Kanthaka terug en begint alleen aan zijn leven als asceet.

De volgende tabel vergelijkt vertrekverhalen bij 4 godsdiensten:

VierArchetypischeVertrekverhalen

De tabel noemt vier grote godsdiensten.
Eerlijk gezegd kwam de keuze voor deze vier
door toeval tot stand:
ik zag het reliëf,
moest denken aan het Bijbelverhaal van de vlucht naar Egypte,
Copilot noemde daarna de Hidjra en Exodus.

Hierna volgt een kort overzicht van nog een aantal godsdiensten.
Niet om compleet te zijn maar om stof aan te reiken
om verder na te denken over de frappante overeenkomsten en verschillen.

DSC05420ZürichMuseumRietbergDie HeimlicheFluchtDasPrinzenSiddhartaPakistanGandharaGebiet3rd4tfCSchiefer YakshasTillenHetPaardOp

Hindoeïsme
Rama’s ballingschap (Ramayana)
Onrechtmatige verbanning uit Ayodhya.
Nachtelijk vertrek met Sita en Lakshmana.
Kern van het epos: morele zuivering door een gedwongen overgang.

Krishna’s geheime overbrenging als baby
Weggedragen over de rivier om hem te beschermen tegen Kamsa.
Sterke parallellen met de Vlucht naar Egypte.

Jainisme
Mahavira’s Grote Verzaking
Verlaat in stilte zijn huis, familie en status.
Nachtelijke overgang naar ascese.
Een bijna zusterverhaal van Siddharta’s vertrek.

Sikhisme
Guru Nanak’s verdwijnen in de rivier
Drie dagen weg; terugkeer met een universele boodschap.
Geen vlucht, maar een symbolische dood en wedergeboorte.

Taoïsme
Laozi’s vertrek door de westelijke poort
Verlaat de beschaving omdat deze moreel is uitgeput.
Schrijft de Daodejing aan de grens.
Vrijwillige terugtrekking als begin van een leer.

Zoroastrisme
Zarathoestra’s vertrek na zijn visioen
Verlaat zijn gemeenschap na een goddelijke roeping.
Wordt bedreigd; moet vluchten.
Zijn leer verspreidt zich pas door deze breuk.

Inheemse tradities
Maori:
migratie uit Hawaiki — vertrek uit een onhoudbare situatie.

Navajo:
Emergence myth — verlaten van een instortende wereld.

DSC05418ZürichMuseumRietbergDie HeimlicheFluchtDasPrinzenSiddhartaPakistanGandharaGebiet3rd4tfCSchieferTxt

Het werk werd aan het Museum Rietberg geschonken
door de Zwitserse verzamelaar Berti Aschmann (1917–2005),
een van de belangrijkste verzamelaars van Himalaya‑kunst in Zwitserland.
De schenking gebeurde ter nagedachtenis aan Antoinette Koller,
over wie verder geen gegevens bekend zijn in de openbare bronnen.

De schenking van het reliëf door Berti Aschmann roept vragen op
over de herkomstgeschiedenis.
Hoewel Aschmann bekendstaat als een belangrijke verzamelaar
van Himalaya‑kunst, is over haar aankoopkanalen en netwerken
weinig gepubliceerd.
Ook over Antoinette Koller, aan wie de schenking is opgedragen,
ontbreken openbare gegevens.
Deze lacunes zijn niet ongebruikelijk in de kunsthandel van de 20e eeuw.

Over de herkomst van het vermogen waarmee Berti Aschmann
haar omvangrijke collectie kon opbouwen,
is in openbare bronnen geen informatie beschikbaar.
Deze lacune is opmerkelijk gezien de hoge kwaliteit en
omvang van de verzameling.
Het ontbreken van biografische gegevens onderstreept het belang
van verder provenance‑onderzoek naar zowel de objecten als de verzamelcontext.

DSC05419ZürichMuseumRietbergDie HeimlicheFluchtDasPrinzenSiddhartaPakistanGandharaGebiet3rd4tfCSchiefer YakshasTillenHetPaardOp

Wat begon met een foto van een reliëf
mondde uit in drie interessante verhalen:
Siddhartha gaat op de vlucht, vertrekverhalen blijken
ook bij andere godsdiensten terugkerende thema’s en
hoe dit beeldhouwwerk in de Zwitserse verzameling terechtkwam?

Drie avonturen die aanzetten tot nadenken en
waarover het laatste woord nog niet gezegd is.

Het granieten Dvarapala‑beeld

– Van koloniale handel tot museale vitrine –

Provenance, restitutie, roofkunst,
het heeft vele gezichten.

Man steelt schilderij.
Dief hangt schilderij boven zijn bed.
Politie vindt schilderij na tip en
geeft schilderij terug aan eigenaar…

Nee, zo eenvoudig gaat dat vaak niet.

Als je kennis wilt maken met wat er kan spelen
rond provenance, restitutie en roofkunst,
dan zou je kunnen overwegen de volgende
drie podcasts te beluisteren.
De onderwerpen die deze series aansnijden
hebben direct of indirect te maken
met echtheid en eigenaarschap van kunst:

  1. Hier hing een schilderij
  2. Het verhaal van de schaal
  3. Zeg Paus, waar is mijn kunst?

Ik kan ze alle drie aanraden.

Het granieten beeld waar dit bericht over gaat
is voor mij een groot vraagteken:

  • wat stelt het voor, hoe werd het gebruikt?

Maar ook:

  • kun je gaan kijken naar een verzameling
    van een voormalige nazi-supporter? of
  • hoe kwam in de koloniale periode dit beeld
    in een westerse verzameling?
  • wat vind ik daar eigenlijk van?

De eerste vraag ‘Wat stelt het voor’
begint met het vaststellen
van wat ik zie.

DSC05403ZürichMuseumRietbergDvarapalaSouthIndiaTamilNaduCholaDynasty9th-10thCentGranit

Zürich, Museum Rietberg, Dvarapala, South India, Tamil Nadu, Chola dynasty, 9th – 10th century, granit.


Observatie

Het eerste wat me opvalt bij het Dvarapala-beeld
is het aureool met vlammen en lotusknoppen (mogelijk lotusknoppen?)
De wenkbrauwen in fronsende stand en
de open mond toont bewust de grote hoektanden.
Op het hoofd een hoge kroon.
In het linkeroor een groot oorsierraad.
Rond het rechteroor zijn beschadigingen.

Het maakt je direct behoedzaam.
Dat is ook precies de bedoeling van deze tempelwachter.
Het beschermen van de tempel door
het tonen van kracht.

Rond de hals sierraden.
Opvallend is een dunne ring op de rechterschouder.
Een heilig koord van drie strengen,
met bloemen versierd,
hangt als een guirlande over de torso.

Origineel had het beeld waarschijnlijk vier armen,
maar vandaag zien we twee bovenarmen.
Die zijn versierd.

De navel kijkt naar links.
De onderbenen zijn bijna helemaal weg.
Vermoedelijk rustte het rechterbeen,
links, op een voetsteun.
De houding van het bovenbeen hint daarnaar.

Er is een verbinding tussen een arm en het
opgeheven beeld.
De zichtbare verbinding zou een knots of
een zwaard kunnen zijn geweest
van deze tempelwachter.

DSC05404ZürichMuseumRietbergDivarapalaSouthIndaTamilNaduCholaDynasty9th-10thCentGranitDSC05405ZürichMuseumRietbergDvarapalaSouthIndiaTamilNaduCholaDynasty9th-10thCentGranitTxt

Geschenk Eduard von der Heydt

Hinduistische Tempel werden van dvarapalas, Angst einflössenden Wächterfiguren, bewacht. Sie stehen an der Eingangspforte zum Tempelinnern.

Hindoeïstische tempels werden bewaakt door dvarapalas, angstaanjagende wachtersfiguren. Zij staan bij de toegangspoort tot het binnenste van de tempel.


Over de rol van Eduard von der Heydt heb
ik al eens een bericht geschreven.
Blijft de vraag staan over hoe kunstvoorwerpen
in de koloniale tijd in westerse verzamelingen kwamen.
Het boek ‘Oog in oog met de goden‘ geschreven door
Alexander Reeuwijk, geeft een inkijk.

Zuid-India stond toen nog deels onder Franse controle.
In Tamil Nadu werden beelden ‘gekocht’ en uitgevoerd
naar West Europa en de Verenigde Staten.
Daar werd de kunst verkocht aan rijke verzamelaars en
grote musea.
Op Tzum wordt het avontuur van Alexander Reeuwijk
zo samengevat:

Een zoektocht naar handelaars in aziatica leidt hem naar Parijs, waar hij behoorlijk vasthoudend moest zijn om informatie te verkrijgen over de omstreden praktijken van de handelaars Gabriel Jouveau-Dubreuil en de Chinese C.T. Loo.
De ooit in tijden van gevaar begraven beelden worden nog dagelijks gevonden bij werkzaamheden.
Veel beelden zijn in de koloniale periode geroofd, de grenzen over gesmokkeld en verhandeld.

Hoe Eduard von der Heydt precies dit beeld
in zijn collectie kreeg, weet ik niet.
De catalogus van Museum Rietberg
Shiva Nataraja – Der kosmische Tänzer
toont op pagina 25 drie portretten:
Ching-Tsai Loo, Jouveau-Dubreuil en Eduard von der Heydt.

IMG_8110ShivaNatarajaDerKosmischeTänzerMuseumRietbergPag25

Museumcatalogus 2005/2006: Shiva Nataraja – Der kosmische Tänzer, Museum Rietberg, pagina 25.


Even verderop begint een nieuw hoofdstuk:

Kunstliebhaber und Händler

Nachdem Künstler und Intellektuelle die mytischen Qualitäten des Orients entdeckt hatten, began sich auch der Kunsthandel fÜr die südasiatische Kultur zu interessieren. In der Folge entstanden enige bedeutende Privatsammlungen indischer Kunst, in denen Shiva-Skulpturen eine zentrale Rolle einnahmen. De Mäzen und Kunstsammler Baron Eduard van der Heydt ist hierfür das beste Beispiel. Um 1930 erwarb van der Heydt beim Kunsthändler Ching-Tsai Loo in Paris die Bronzestatue eines tanzenden Shiva.

Vertaald naar het Nederlands:
Nadat kunstenaars en intellectuelen de mythische kwaliteiten van het Oosten hadden ontdekt, begon ook de kunsthandel zich voor de Zuid-Aziatische cultuur te interesseren. In de daaropvolgende periode ontstonden enkele belangrijke privécollecties van Indiase kunst, waarin Shiva‑sculpturen een centrale rol innamen. De mecenas en kunstverzamelaar baron Eduard van der Heydt is hiervan het beste voorbeeld. Rond 1930 verwierf Van der Heydt bij de kunsthandelaar Ching‑Tsai Loo in Parijs het bronzen standbeeld van een dansende Shiva.

Pagina 26 begin met twee foto’s van Mata Hari
die een dans uitvoert in museum Guimet.
Een museum met een bijzondere rol in de
kunsthandel van C.T.Loo.

IMG_8112ShivaNatarajaDerKosmischeTänzerMuseumRietbergPag26

Dass für van der Heydt die intellektuelle Auseinandersetzung vor der ästhetischen Wertschätzung kam, liefert auch den Schlüssel, und seine folgende Äusserung zu verstehen: ‘Die Indische Plastik darf nicht nach den Gesetzen der europäischen Kunst beurteilt werden. Sie ist rein religiös. Alle ihre Schöpfungen haben irgendwelchen Bezug auf die grossen Epen Ramayana und Mahabharata, auf die Puranas oder auf die buddhistischen Sutras aus allen Zeiten, also auf die heiligen Schriften der indischen Religionen. Man trifft aber neben den auch für unser Empfinden sakralen Darstellungen der Gottheiten – seien es Vishnu und Shiva mit ihrem Anhang oder seien es Jainas, Buddhas oder Bodhisattvas mit ihrem Gefolge- auch zierlich oder wollüstig bewegte oder tanzende Frauengestalten, von sinnlichem Leben sprühend, order man findet Menschenpaare in höchsten Glanze körperlicher Schönheit aneinandergeschmiegt oder eng umschlungen.’

Vertaald naar het Nederlands:
Dat voor Van der Heydt de intellectuele confrontatie vóór de esthetische waardering kwam, levert ook de sleutel om zijn volgende uitlating te begrijpen: “De Indische plastiek mag niet naar de wetten van de Europese kunst beoordeeld worden. Zij is puur religieus. Al haar scheppingen hebben enig verband met de grote epen Ramayana en Mahabharata, met de Puranas of met de boeddhistische soetra’s uit alle tijden, dus met de heilige geschriften van de Indische religies. Men treft echter naast de ook voor ons gevoel sacrale voorstellingen van de godheden – hetzij Vishnu en Shiva met hun aanhang, hetzij Jainas, Boeddha’s of Bodhisattva’s met hun gevolg – ook sierlijke of wellustig bewogen of dansende vrouwengestalten, sprankelend van zinnelijk leven, of men vindt mensenparen in hoogste glans van lichamelijke schoonheid tegen elkaar aangedrukt of innig omstrengeld.”

Voetnoot: Het Duitse woord Plastik (hier vertaald als “plastiek”) werd in de kunsthistorische context van de vroege 20e eeuw gebruikt als aanduiding voor beeldhouwkunst. In hedendaags Nederlands klinkt “plastiek” enigszins archaïsch, maar het behoud ervan weerspiegelt de historische toon van het citaat.

Kortom, Eduard von der Heydt is een voorbeeld van hoe,
kunstcollecties met focus op Azië, begin 20st eeuw, ontstonden.
Hij kocht via C.T. Loo de Shiva die in Museum Rietberg staat.
C.T. Loo verkocht ook een Shiva aan het Rijksmuseum.
De interesse van Von der Heydt beperkte zich duidelijk
niet tot Shiva.

Dus ik ging kijken in Zürich naar de Shiva Nataraj en
bezoek graag het Rijksmuseum om daar een
vergelijkbaar beeld te bekijken.
Museum Guimet wil ik begin komend jaar bezoeken.
Dat die beelden in die musea staan
maken ze heel toegankelijk voor ons in het westen

maar hadden ze niet beter in India kunnen blijven staan?


De Buddha van Monte Verità

DossierRestitutieReflectief

De complexiteit van roofkunst en restitutie

De reden om naar Zürich te gaan was duidelijk: de Nataraj.
Het Hindoe-beeld van de dansende Shiva.
Gemaakt in Zuid India, 14e eeuw. Beweging gegoten in brons.

Maar onder de oppervlakte speelde ook iets anders:

IMG_8007KunstmuseumBaselUnansweredQuestionsProvenanceResearch

Informatieblad van Kunstmuseum Basel met als titel: ‘Unanswered questions – On the history of drawings from the Department of Prints and Drawings. The Julius SchottLänder and Julius Freund collections’


Er was de verwachting dat in Kunsthaus Zürich een tentoonstelling
was over hoe men om gaat met kunst waar
de lijn van eigenaarschap
doorkruist is met roof of afpersing door de nazi’s.
Over de methode die men daar hanteert schreef ik al eens.

In Basel zal ik werk zien van Käthe Kollwitz.

De prenten- en tekeningenafdeling van Kunstmuseum Basel bevat werken
uit de verzamelingen van Julius Schottländer en Julius Freund.

Schottländer was metaalhandelaar en verzamelde moderne kunst.
Tijdens de pogroms van november 1938 werd zijn verzameling geplunderd:
er werd binnengevallen, kunstwerken werden beschadigd.
Hij verkocht zijn bezittingen waarbij afpersing plaatsvond.
Hij vluchtte naar Zwitserland.
Vanaf 1940 had hij geen toegang meer tot zijn Duitse bankrekeningen
en moest hij werken uit zijn collectie verkopen, onder andere
aan Kunstmuseum Basel.

IMG_8008KunstmuseumBaselUnansweredQuestionsProvenanceResearchJuliusSchottländer


Freund, een textielproducent, verzamelde meer dan 700 schilderijen
en werken op papier.
Realisme en Duitse romantiek.
Honderden werken werden na 1933 ondergebracht bij Kunstmuseum Basel.
De familie vluchtte naar Londen en Parijs (1933, 1934 en 1939).
Nog later naar Buenos Aires.
Ze zijn gedwongen om kunst te verkopen om in hun onderhoud
te kunnen voorzien.
De werken van Käthe Kollwitz zijn onderdeel van dit verhaal.

IMG_8009KunstmuseumBaselUnansweredQuestionsProvenanceResearchJuliusFreund


Dan is er de rol van
Eduard Freiherr von der Heydt (1882–1964).
Hij is een van de oprichters van Museum Rietberg.

Tijdslijn van Eduard von der Heydt

1882
Geboren op 26 september in Elberfeld, Duitsland.
1902
Dient als eenjarig vrijwilliger bij het 3e Garde-Ulanen-Regiment in Potsdam.
1905
Promoveert tot Dr. rer. pol. (economische en bedrijfskundige richting) met een proefschrift over Duitse aandelenmaatschappijen.
1906–1907
Werkt bij August Belmont & Co. in New York, vertegenwoordiger van Rothschild.
1909
Richt E. von der Heydt & Co. op in Londen, een private bank voor internationale cliënten.
1914–1915
Dient als rittmeister (Commandant van een cavalerie-eenheid, vergelijkbaar met kapitein) in WOI in Frankrijk; raakt ernstig gewond.
1915–1918
Diplomatieke dienst in Den Haag; betrokken bij geheime onderhandelingen tussen Duitsland en Engeland.
1917
Zijn Londense bank wordt door de Britse staat geconfisqueerd als “vijandelijk bezit”.
1919
Huwelijk met Vera von Schwabach
1920
Richt Von der Heydt-Kersten’s Bank op in Amsterdam, vertegenwoordigt o.a. S. Bleichröder.
1927
Zijn Berlijnse bank komt in moeilijkheden; wordt overgenomen door de familie Thyssen en hernoemd tot August-Thyssen-Bank.
1933
Wordt lid van de NSDAP.
1937
Verkrijgt het Zwitserse staatsburgerschap.
1939
Verlaat de NSDAP.
1945
Schenkt zijn kunstcollectie aan de stad Zürich.
1946
Gearresteerd op verdenking van samenwerking met de Duitse Abwehr.
1948
Vrijgesproken van alle aanklachten.
1952
Museum Rietberg opent in Zürich met zijn collectie als basis.
1964
Overlijdt op 3 april in Ascona, Zwitserland.

Zijn levensloop doet denken aan een kruising tussen
Richard Branson (Virgin) en Larry Ellison (Oracle).
Internationaal actief in de wereld van het grote geld,
met interesse in cultuur, balancerend op
de randen het moreel toelaatbare.

BransonErrlison

Morele dilemma’s rond Von der Heydt:

NSDAP-verleden:
Zijn politieke keuzes blijven controversieel,
zeker in relatie tot zijn status als mecenas.

Kunst uit koloniale contexten:
Veel werken in zijn collectie zijn afkomstig uit regio’s
waar koloniale machtsverhoudingen speelden.

Restitutie en transparantie:
Musea zoals Rietberg werken aan herkomstonderzoek,
maar volledige transparantie is nog niet bereikt.

Het woord ‘roofkunst’ zegt dat het draait om kunst die gestolen is.
Maar de voorbeelden hierboven laten zien dat ‘stelen’
niet altijd zo eenduidig is.
Het is iets anders dan de diamantenroof vorige week
in het Louvre.
Om te bepalen of restitutie nodig is,
is herkomstonderzoek essentieel.

Von der Heydt had als bijnaam ‘Buddha of Monte Verità’.
Monte Verità is een plek in Zwitserland, nabij Ascona,
waar Von der Heydt een tijdlang een hotel bezat.
De plaats was een toevluchtsoord voor vrijdenkers,
kunstenaars en spirituele zoekers.

Voor mij belichaamt de bijnaam zijn paradoxale positie:
Een man met diepe interesse in culturen van over de hele wereld,
die tegelijkertijd geloofde in een groter Duitsland.
Een mecenas van niet-westerse kunst,
maar ook lid van een partij die diezelfde culturen als inferieur beschouwde.
Het doet denken aan die vrouw in een filmpje
— altijd oppassen met internet —
die haar vlees bij de Turkse slager haalde omdat het goedkoop was,
maar stemde op een partij die tegen Turken ageert.

Von der Heydt ís het vleesgeworden dilemma.
Een culturele bruggenbouwer én een ideologische grensbewaker.
Een gordiaanse knoop — net als Dossier Restitutie.

IMG_8010KunstmuseumBaselUnansweredQuestionsProvenanceResearchJustAndFairSolution


Kunst met kleur gemarkeerd

DossierRestitutieDocumenterend

Herkomstonderzoek als archiefproces tussen restitutie en onzekerheid

Een van de tentoonstellingen die ik wilde zien in
Kunsthaus Zürich had als onderwerp ‘roofkunst’.
Mijn voorkennis vóór mijn reis naar Zwitserland was beperkt.
Maar het onderwerp Restitutie heeft me altijd al geïnteresseerd.
Of het nu ging om de discussies rond de Elgin Marbles,
de recente teruggave van Bild mit Häusern door
het Stedelijk Museum aan de erven Lewenstein (van de naaimachines),
of de Benin Bronzes—het onderwerp blijft me fascineren.

In het museum bleek dat er geen aparte tentoonstelling was
over dit onderwerp. In plaats daarvan geeft men bij
werken uit de eigen collectie (en die oud genoeg zijn)
met kleurindicaties aan wat bekend is over de herkomst (provenance),
en welke conclusies het museum daaraan verbindt.”

Dus lopend door het museum kwam ik een zaaltekst tegen waarop het
systeem wordt uitgelegd dat Kunsthaus Zürich hanteert.

DSC05314KunsthausZürichStateOfProvenance

De informatie maakt in korte tijd veel duidelijk:

= Het betreft een classificatiesysteem dat specifiek gericht is
op mogelijk door de nazi’s gestolen kunst.

= men toont in het museum werken met 4 categorieën:
groen= niet gestolen,
groen/geel= geen indicatie van diefstal,
geel/rood= aanwijzingen van diefstal
rood= het betreft een gestolen werk.

= de grondslag is niet bedacht in Zürich maar in Bern

Achteraf bleek dat er een reden was waarom Bern het systeem
heeft uitgedacht.

Website Kunstmuseum Bern

The acceptance of the Cornelius Gurlitt Estate in November 2014 marked a change of perspective. Based on the 1998 “Washington Principles on Nazi-Confiscated Art“, the 2009 “Terezín Declaration”, and the “ICOM – Code of Ethics”, the Kunstmuseum Bern accepted long-term responsibility for provenance research, as well as transparency in dealing with research-findings.

There is no question about the return of artworks and artifacts for which historical property-change constitutes Nazi-looted art. For less obvious cases, the Kunstmuseum Bern strives to find a fair and just solution for the claimants and the institution that takes ethical and moral sensibilities of both sides into account.

Samengevat:
Samengevat: in 2014 accepteerde het museum een kunstverzameling
— een nalatenschap – waarvan men wist dat sommige werken
via roof of afpersing waren verkregen.
Om daarmee om te gaan heeft men toen een systeem bedacht.

KunstmmuseumBernProvenanceCategories

Hoe ziet dat er in de praktijk uit:

DSC05312KunsthausZürichClaudeMonetLeParlementCoucherDeSoleil1904ÖlOnLeinwand

Kunsthaus Zürich, Claude Monet, Le Parlement coucher de soleil, 1904, öl auf leinwand.

DSC05313KunsthausZürichClaudeMonetLeParlementCoucherDeSoleil1904ÖlOnLeinwandZaaltekst

Natuurlijk heb ik de QR-code gevolgd.
Daar vond ik onder andere dit:

Provenienz:

1. Claude Monet (*1840 Paris, +1926 Giverny) (Künstler/-in)
2. 10.1905 – 12.1905, Paul Durand-Ruel (*1831 Paris, +1922 Paris) (Kunsthändler/in), Kauf
Wildenstein 1996 IV.714.1607.
3. 12.1905 – höchstens bis 1917, Charles Harrison Tweed (*1844, +1917) (Sammler/in), New York, Kauf
Wie oben Fussnote 2.
4. spätestens ab 1917 – mindestens bis 1960, Nachlass Charles Harrison Tweed, Nachlass
Wie oben Fussnote 2; Ausstellungsetikette auf der Werkrückseite; Auktion Parke-Bernet Galleries New York (16.03.1960), S. 76, Lot 79: Es kann davon ausgegangen werden, dass sich das Werk mindestens bis zum 16. März 1960 im Besitz der Familie Tweed befand. Dies Annahme basiert auf zwei Fakten: Zum einen findet sich auf der Werkrückseite eine Ausstellungsetikette aus dem Jahr 1945, auf welcher ein «Mr. Harrison Tweed» als Einlieferer genannt wird. Dies belegt, dass sich das Werk mindestens bis 1945 im Besitz der Familie Tweed befand. Weiter lässt sich die Annahme anhand dem Auktionskatalog Parke-Bernet Galleries New York (16.03.1960) untermauern, in welchem jeweils nach der Werkbeschreibung des Loses der/die damalige, aktuelle Besitzer/-in in Klammern angegeben wird: in diesem Fall steht bei Los 79 «(Tweed)».
5. 16.3.1960, Parke Bernet (Auktion), New York, Lot 79
Wie oben Fussnote 4.
6. [Verbleib unbekannt?]
7. spätestens ab 6.7.1971, Louis Sachar (Sammler/-in), London/New York
Auktion Christie, Manson & Woods London (06.07.1971), S. 8-9, Lot 7.
8. [Verbleib unbekannt?]
9. 6.7.1971, Christie’s London (Auktion), London, Lot 7
Wie oben Fussnote 2 und 7.
10. 6.7.1971 – 10.5.1989, Hal B. Wallis (*1898 Chicago, IL, +1986 Rancho Mirage, CA) (Sammler/in), USA, Kauf
Wie oben Fussnote 2.
11. 10.5.1989, Christie’s New York (Auktion), New York, Lot 5, Versteigerung Sammlung Hal Wallis
Wie oben Fussnote 2.
12. 10.5.1989 – 1995, Walter Haefner (*1910, +2012 Zürich) (Sammler/-in), Kauf
Wie oben Fussnote 2.
13. 16.8.1989 – 1995, Zürcher Kunstgesellschaft | Kunsthaus Zürich (Museum), Zürich, Leihgabe
ZKG/KHZ Werkdossier; Kunsthaus Zürich 2007 (Sammlungskatalog), S. 239.
14. ab 31.5.1995, Zürcher Kunstgesellschaft | Kunsthaus Zürich (Museum), Zürich, Geschenk, anlässlich des 50-jährigen Jubiläums der AMAG, Zürich
ZKG/KHZ Inventarbuch Slg.; ZKG/KHZ Werkdossier; Wildenstein 1996 IV.714.1607; Kunsthaus Zürich 2007 (Sammlungskatalog), wie oben Fussnote 13.

Provenienzstatus:
grün keine NS-Raubkunst

Provenienzstatus (BAK):
A – Die Provenienz zwischen 1933 und 1945 ist rekonstruierbar und unbedenklich. Es kann mit grosser Wahrscheinlichkeit ausgeschlossen werden, dass es sich beim Objekt um NS-Raubkunst handelt.

Literatur (Provenienz):
– Kunsthaus Zürich. Gesamtkatalog der Gemälde und Skulpturen, hrsg. von Zürcher Kunstgesellschaft et al., Sammlungskatalog, Ostfildern: Hatje Cantz, 2007, S. 239.
– Daniel Wildenstein: Monet. Catalogue raisonné. Werkverzeichnis, Bd. 4: Volume IV. Nos. 1596-1983 et les grandes décorations, Köln: Taschen, 1996., S. 714, Kat.-Nr. 1607.
– Impressionist and modern drawings, paintings and sculpture, Christie, Manson & Wood, London, 06. Juli 1971., S. 8-9, Lot 7.
– Modern Paintings. Sculptures. Drawings. Collected by the late Baroness Gourgaud and by Harris Masterson, Philip J. Savage and other owners, Parke-Bernet Galleries Inc., Parke- Bernet Galleries, New York, 16. März 1960, Lot 79., S. 76, Lot 79.

Zur Provenienz:
Von 1905 bis 1960 befand sich dieses Gemälde von Claude Monet durchgängig im Besitz der in Bankkreisen angesehenen Familie Tweed in New York. Der Bankier Charles Harrison Tweed kaufte das Bild 1905 vom französischen Kunsthändler Durand-Ruel in Paris, welcher es zuvor direkt von Monet erworben hatte. Auf der Werkrückseite findet sich ein Ausstellungsetikett aus dem Jahr 1945, welches auf «Mr. Harrison Tweed» als Leihgeber verweist. Da Charles Harrison Tweed bereits 1917gestorben war, handelt es sich hierbei um dessen gleichnamigen Sohn. Bei einer Auktion 1960 in den Parke-Bernet Galleries in New York wurde das Gemälde, noch immer als Eigentum der Tweeds gekennzeichnet, versteigert und gelangte daraufhin in den Kunsthandel. 1989 erwarb der Schweizer Unternehmer und Sammler Walter Haefner den Monet auf einer Auktion in New York und übergab ihn dem Kunsthaus vorerst als Leihgabe und 1995 schlussendlich in Form einer Schenkung. Ein NS-verfolgungsbedingter Entzug kann ausgeschlossen werden.

Recherchestand 30.06.2023

Haben Sie Fragen, Kritik, Anregungen, weiterführende Informationen? Bitte richten Sie eine Nachricht an provenienzforschung(at)kunsthaus.ch.


Wat mij hier vooral trof was de ondoorzichtigheid van de
herkomstinformatie. Meer een academisch systeem dan
gericht op het grote publiek.
Daarnaast zie je de vele onzekerheden die er ook na onderzoek
nog steeds in de herkomstgeschiedenis laten zien.
Die kun je haast niet voorkomen.
De tekst was uitsluitend in het Duits, een keuze die de
toegankelijkheid beperkt en het academisch karakter versterkt.

DSC05315KunsthausZürichClaudeMonetWaterlooBridgeÖlOnLeinwand

Claude Monet, Waterloo Bridge, 1902, öl auf leinwand.

DSC05316KunsthausZürichClaudeMonetWaterlooBridgeÖlOnLeinwandZaaltekst2DSC05316KunsthausZürichClaudeMonetWaterlooBridgeÖlOnLeinwandZaaltekst1


DSC05363KunsthausZürichRembrandtHarmenszoonVanRijnApostleSimon1661ölAufLeinwand

Rembrandt Harmenszoon van Rijn, Apostle Simon, 1661, öl auf leinwand,

DSC05364KunsthausZürichRembrandtHarmenszoonVanRijnApostleSimon1661ölAufLeinwandZaaltekstDSC05365KunsthausZürichRembrandtHarmenszoonVanRijnApostleSimon1661ölAufLeinwandZaaltekst


DSC05366KunsthausZürichPhilipsWouwermanHaltZweierReiterUm1642ÖlAufEichenholz

Philips Wouwerman, Halt zweier reiter, um 1642, öl auf eichenholz.

DSC05367KunsthausZürichPhilipsWouwermanHaltZweierReiterUm1642ÖlAufEichenholzZaaltekst2DSC05367KunsthausZürichPhilipsWouwermanHaltZweierReiterUm1642ÖlAufEichenholzZaaltekst1


DSC05369KunsthausZürichFransHasBildnisEinesälterenDunkelhaarigenMannesUm1657ÖlAufEichenholz

Frans Hals, Bildnis eines älteren dunkelhaarigen mannes, um 1657, öl auf eichenholz.

DSC05368KunsthausZürichFransHasBildnisEinesälterenDunkelhaarigenMannesUm1657ÖlAufEichenholzZaaltekst2DSC05368KunsthausZürichFransHasBildnisEinesälterenDunkelhaarigenMannesUm1657ÖlAufEichenholzZaaltekst1


DSC05370KunsthausZürichJohanesCorneliszVespronckBildnisEierJungenFrau1647ÖlOnLeinwand

JohanesCornelisz Vespronck, Bildnis eier jungen frau, 1647, öl auf leinwand.

DSC05372KunsthausZürichJohanesCorneliszVespronckBildnisEierJungenFrau1647ÖlOnLeinwandZaaltekst1

De afbeelding is correct maar de tekst kon je eerder al lezen.

DSC05371KunsthausZürichJohanesCorneliszVespronckBildnisEierJungenFrau1647ÖlOnLeinwandDetailDSC05372KunsthausZürichJohanesCorneliszVespronckBildnisEierJungenFrau1647ÖlOnLeinwandZaaltekst2


Wat voor dit bericht resteert,
is niet alleen een kleurcode of een QR-link,
maar een veld vol ethische rafels.
Want zelfs bij groen blijft de vraag:
wie bepaalt de criteria,
wie draagt de last van bewijs, en
wie mag spreken?

Herkomstonderzoek is geen archief van afgeronde dossiers,
maar een proces van reconstructie, stiltes en
institutionele keuzes.
Taal, toegankelijkheid en de bereidheid tot restitutie
zijn geen neutrale parameters.

Juist daarom verdient dit systeem niet alleen verdere onderbouwing,
maar ook uitbreiding—naar andere tijdvakken, andere culturen,
andere vormen van onteigening.
Want wat vandaag als transparant wordt ervaren,
kan morgen als onvolledig worden gelezen.
En wat nu als uitzondering verschijnt, zou een universele afspraak
van verantwoording kunnen worden.