Mijn bezoek aan het Musée Guimet was nog maar nauwelijks begonnen
toen de afdeling India mij al twee onverwachte voorwerpen voorschotelde.
Eerst stond daar een megalithische sarcofaag,
niet bepaald het eerste wat ik hier had verwacht.
Aan de andere kant van de gang lagen gouden sieraden
die bij dezelfde grafvondst bleken te horen.
Ook die verrasten mij,
niet alleen door hun aanwezigheid,
maar vooral door de verfijning van het goudsmidswerk.
De foto’s waren moeilijk te maken.
De gouden voorwerpen lagen achter spiegelend glas,
aan de andere kant van de gang waar ook de megalithische sarcofaag stond.
Pas later begreep ik dat beide bij elkaar hoorden.
Het waren grafgiften uit dezelfde megalithische grafkamer:
gouden oorbellen, armbanden, kralen en een uitzonderlijk fijne ketting
met lotusbloemen.
Een deel van deze sieraden was in een van de sarcofagen
bij de menselijke resten neergelegd;
andere lagen in een pot onder de stenen vloer van het graf.
Vooral de verfijning van het goudsmidswerk valt op.
De oorbellen zijn opgebouwd uit talloze kleine gouden kegeltjes.
Aan de lange, uiterst fijne ketting hangt onderaan een lotusvormige hanger.
Ook de twee andere uiteinden van de ketting
eindigen elk in een kleinere lotusbloem.
Zo keert het lotusmotief op drie plaatsen in het sieraad terug.
Misschien lagen er nog meer bijzondere voorwerpen in de vitrines,
maar tijdens mijn bezoek
was de samenhang met de sarcofaag mij volledig ontgaan.
Misschien is het vooral de combinatie van ouderdom en verfijning
die mij ontroert:
ruim tweeduizend jaar later is de aandacht
waarmee deze sieraden zijn gemaakt nog altijd zichtbaar.

