Een echt jongensboek

De afgelopen dagen las ik Winnetou, de nieuwe Nederlandse vertaling,
van een verhaal dat ik van vroeger kende.
Dus ben ik ook even mijn boekenkast ingedoken.
Daar vond ik nog een paar deeltjes van de pocket-serie die ik
waarschijnlijk ooit las.

IMG_5439KarlMayPocketsDrieVanDe50

Maar uit de nieuwe vertaling werd me niet duidelijk hoe de nieuwe vertaling zich verhield ten opzichte van de drie delen uit de Karl May-serie die ik nog heb: deel 3, 13 en 49.


IMG_5443HetSpectrum

De serie waarvan ik de deeltjes heb stammen uit de jaren ’60 – ’70. Dus van rond mijn tiende jaar of later.


IMG_5443UnterGeiern

Dit deel: ‘De zoon van de berejager’ is in het Duits verschenen onder de titel ‘Unter Geiern’ (tussen gieren). Redactie: dr. F. C. de Rooy, in een vertaling van H. A. Richel-van der Hoog.


IMG_5444KarlMayPocketsVoorZoonEnVader

Dit zijn de 50 titels in de pocket-serie ‘voor zoon en vader’. Blijkbaar is die nieuwe titel een eerste van drie nieuwe vertalingen van ‘Winnetou’, het boek van Karl May dat in 1893 verscheen. Het kwam uit in drie delen.


IMG_5440KarlMayDeZoonVanDeBerejager

Deel drie in de serie van 50 is dus ‘De zoon van de berejager’. Of ik die boeken vroeger ook daadwerkelijk gelezen heb weet ik niet. Naast de boeken waren er ook de populaire films met Lex Barker. Barker speelde de rol van ‘Old Shatterhand’ maar speelde ook de rol van ‘Tarzan’ in 5 films (!) en een rol in La dolce vita. Daarnaast waren westerns een populair genre op televisie. Denk aan Bonanza en Gunsmoke.


IMG_5441KarlMayDeBoodschapVanWinnetou

Dit is de achterkant van deel 13: De boodschap van Winnetou. Dat de serie boeken van Karl May ook boeken bevatten die zich afspelen in het Midden-Oosten (Hadji Halef Omar en Kara Ben Nemsi en het gebied waar hun verhalen zich afspelen wordt omschreven als het Turkse rijk) was me onbekend. Daar is in dit deel nog geen sprake van.


IMG_5442KarlMayHetTestamentVanDeInca

Mijn derde deeltje is deel 49 uit de serie: Het testament van de Inca.


IMG_5486KarlMayWinnetouVertalingJosephineRijnaartsEllySchippers

Dit is dan de nieuwe vertaling van Josephine Rijnaarts en Elly Schippers. Spannende verhalen over vroegwijze Old Shatterhand die veel bewondering heeft voor culturen die anders zijn dan de zijne en die niet automatisch in de bekeerstand schiet als de dingen anders lopen dan hij vanuit zijn christelijke achtergrond gewend is. Dat alleen al lijkt me opmerkelijk voor boeken uit de tweede helft van de 19e eeuw, begin 20ste. Opmerkelijk is dat dit deeltje uit de reeks door de boekhandel op de achterflap nog steeds beschreven wordt alsof het een verhaal is van Winnetou en Old Shatterhand.

De verhalen laten zich heerlijk lezen.
De schrijver toont je de denkwijze van de hoofdfiguren
en dat maakt het aan de ene kant zo aantrekkelijk omdat
je als lezer mogelijkheden aangereikt krijgt waar je misschien zelf
niet automatisch op zou komen. Maar al snel leer je die mogelijke
ontwikkelingen te voorspellen. Of dit dan ook leuk en
interessant blijft voor oudere lezers. Ik vrees van niet.
Maar ik heb genoten.
Voor uitgevers is het werk al heel lang een leuke
bijverdienste.

Paying the land – Terug aan het land

Vertalen van teksten is in de stripwereld nog iets waar
wel iets aan te verbeteren valt.
Afgelopen weken las ik het stripverhaal/graphic novel
van Joe Sacco.

Joe Sacco heeft een journalistieke stripstijl.
Zijn verhalen zijn vaak geen verzonnen verhaaltjes maar een verslag
van een journalistieke zoektocht.
In dit geval naar de omstandigheden van de oorspronkelijke bewoners
van Noordwest-Canada.

IMG_5359JoeSaccoTerugAanHetLand2020

De titel ‘Terug aan het land’ benadrukt het aspect van teruggeven aan het land wat je van het land gaat afnemen. In het licht van de geschiedenis een beetje een ‘zweverig eco aftreksel’ van het verhaal. ‘Paying the land’ heeft meer aspecten in zich: het moeten betalen voor land dat van jou is, überhaupt betalen voor land en dan de mogelijke weg naar de toekomst; zou die liggen voor de oorspronkelijke bewoners bij het meer respectvol omgaan met de ‘aarde’. Lees het verhaal er maar eens op na.


Terwijl ik dit boek lees (bijna 250 pagina’s) lees ik ook een
nieuwe vertaling van ‘Winnetou’. Oorspronkelijk geschreven door
Karl May in 1893, nu in een moderne vertaling van Josephine Rijnaarts
en Elly Schippers.

De boeken van Karl May zijn belangrijk geweest voor onze beeldvorming
van de oorspronkelijke bewoners. Natuurlijk naast films en allerlei
andere culturele uitingen.
De vertaling gaat ook over de rol van ‘Winnetou’ op dat beeld.
Hoe ver die beeldvorming gaat realiseerde ik me vandaag toen ik me
wilde aankleden om naar mijn werkplaats te gaan.
Op mijn stoel lag mijn broek. Een spijkerbroek. Kijk eens naar het logo.

IMG_5360KarlMayWinnetou18932021JosephineRijnaertsEllySchippers

Wikipedia over spijkerbroek: Een spijkerbroek, ook wel jeans, is een broek die meestal van een blauwe, sterke, gekeperde katoenen stof (denim oftewel spijkerstof) wordt gemaakt. De broeken zijn voorzien van een soort kleine klinknagels die de zakken verstevigen, vandaar de naam spijkerbroek. Jacob Davis en Levi Strauss kregen op 20 mei 1873 octrooi op deze bevestigingswijze. Oorspronkelijk was dit type broek bedoeld voor goudzoekers en mijnwerkers en later als werkkleding. In de tweede helft van de 20e eeuw zou de spijkerbroek uitgroeien tot een algemeen geaccepteerd mode-artikel.


De impact van de verhalen over de oorspronkelijke bewoners
van Noord-Amerika en de manier waarop die of werden afgeslacht of
bijeengedreven werden en van hun land werden verdreven, gaat ver.

In de inleiding (veel verder ben ik nog niet) lees ik het volgende:

Inderdaad, het rode volk ligt op sterven!
Van Vuurland tot ver voorbij de Noord-Amerikaanse meren ligt de reusachtige patient languit op de grond, geveld door een onverbiddelijk lot, dat geen mededogen kent.
Hij heeft zich er uit alle macht tegen verzet, maar tevergeefs, zijn krachten taanden zienderogen, er resten hem nog een paar ademtochten, en de stuiptrekkingen die van tijd tot tijd zijn naakte lichaam doen trillen zijn convulsies die de dood aankondigen.
Is dit vroegtijdige einde zijn eigen schuld?
Heeft hij het verdiend?

Pagina 14, inleiding door Karl May op Winnetou.
Uit 1893 in een 2021 vertaling van Josephine Rijnaerts en Elly Schippers.

De eerste regel zegt het meteen: geen tekst van 2021.
Maar de vragen aan het einde zijn eigenlijk ook het onderwerp
van de bezoeken die Joe Sacco brengt aan Canada.
Helaas is het beeld van Karl May maar ten dele waar.
De oorspronkelijke bewoners zijn niet verdwenen.
Ze zijn door de overheid ontworteld. Dat is veel erger.
Sacco vat dat bijvoorbeeld samen in de volgende plaat.

IMG_5355JoeSaccoTerugAanHetLand2020

De overheid sleurde mensen de bush uit om hun kinderen de scholen in te krijgen, en die studeerden zich weg van onafhankelijkheid op het land en toe naar een geldeconomie zonder banen.


Het deel van het boek over de onderhandelingen over het land
tussen overheid en de oorspronkelijke bewoners vind ik ingewikkeld.
Moeilijk te volgen. Maar de boodschap is duidelijk.
Het is een heel goed boek.

Op ‘Winnetou’ kom ik zeker nog een keer terug maar
dan moet ik het eerst gelezen hebben.

Gelezen: Radetzkymars

 photo WP_20160417_001JosephRothRadetzkyMars.jpg

Joseph Roth, Radetzkymars, zestiende druk juli 2014. Vertaald door W. Wielek-Berg. Vertaling herzien door Elly Schippers.

En de luitenant ging langzaam zijn zware gang. Het was drie uur in de middag. De kleine kooplieden wachtten mistroostig en verkleumd voor hun winkels op de schaarse klanten. Uit de werkplaatsen van de handwerkers kwamen vertrouwde en vruchtbare geluiden. In de smidse werd vrolijk gehamerd, bij de blikslager dreunde het hol, uit de kelder van de schoenmaker kwam haastig geklop en bij de timmerman zoemden de zagen. Alle gezichten en alle geluiden van de werkplaatsen kende de luitenant. Hij reed er elke dag tweemaal langs. Vanuit het zadel kon hij over de oude blauw-witte uithangborden kijken, waar zijn hoofd boven uitstak. Elke ochtend keek hij in de huiskamers op de eerste verdieping, hij zag de bedden, de koffiekannen, de mannen in hun hemd, de vrouwen met loshangend haar, de bloempotten op de vensterbank, gedroogde vruchten en ingelegde augurken achter versierd rasterwerk.
Nu stond hij voor de villa van dokter Demant. Het hek knarste. Hij ging naar binnen. De oppasser deed open. De luitenant wachtte. Mevrouw Demant kwam. Hij beefde een beetje. Hij herinnerde zich het condoleancebezoek aan wachtmeester Slama. Hij voelde de zware. vochtige, koude, slappe hand van de wachtmeester. Hij zag de donkere gang en de roodachtige salon. Hij proefde de muffe nasmaak van de frambozenlimonade. Ze is dus niet in Wenen, dacht de luitenant pas op het moment dat hij de weduwe zag. Haar zwarte japon verraste hem. Het was alsof hij nu pas ontdekte dat mevrouw Demant de weduwe was van de regimentsarts. Ook de kamer waar hij naartoe werd gebracht was niet de kamer waar hij gezeten had toen zijn vriend nog leefde. Aan de muur hing, zwart omfloerst, het grote portret van de dode. Het schoof steeds verder weg, net als de keizer in het casino, alsof het niet dicht bij de ogen en grijpbaar voor de handen was, maar onbereikbaar ver achter de muur, als door een raam gezien. ‘Ik dank dat u gekomen bent!’ zei mevrouw Demant. ‘Ik kom afscheid nemen,’ antwoordde Trotta. Mevrouw Demant hief haar bleke gezicht op. De luitenant zag de mooie, grijze, stralende glans van haar grote ogen. Ze waren recht op zijn gezicht gericht, twee ronde lichten van glanzend ijs. In de winterse namiddagschemering van de kamer brandden alleen de ogen van de vrouw. De blik van de luitenant vluchtte naar haar smalle, witte voorhoofd en verder naar de muur, naar het verre portret van de dode man. De begroeting duurde veel te lang, het werd hoog tijd dat mevrouw Demant hem verzocht te gaan zitten. Maar ze zei niets. Intussen voelde hij hoe de duisternis van de naderende avond door het raam viel en hij was zo bang als een kind dat in dit huis nooit een licht aangestoken zou worden. Geen passend woord kwam de luitenant te hulp. Hij hoorde de zachte ademhaling van de vrouw. ‘wat staan we hier toch,’ zei ze eindelijk. ‘Laten we gaan zitten!’ Ze gingen tegenover elkaar aan tafel zitten. Daar zat Carl Joseph zoals ooit bij wachtmeester Slama, met de deur in zijn rug. En net als toen voelde hij de deur als een bedreiging. Van tijd tot tijd leek hij zomaar geruisloos open te gaan en even geruisloos weer dicht. Donkerder kleurde zich de schemering. De zwarte japon van mevrouw Eva Demant vloeide erin over. Nu was ze gekleed door de schemering zelf. Haar witte gezicht zweefde naakt, ontbloot op het donkere oppervlak van de avond. Verdwenen was het portret van de dode man aan de muur tegenover hem. ‘Mijn man,’ zei de stem van mevrouw Demant in de duisternis. De luitenant kon haar tanden zien blinken; ze waren witter dan haar gezicht. Allengs onderscheidde hij ook weer de stralende glans van haar ogen. ‘U was zijn enige vriend! Hij heeft het vaak gezegd! Hij had het zo vaak over u! Als u dat eens wist! ik kan niet begrijpen dat hij dood is. En’- ze fluisterde -‘dat ik daaraan schuldig ben!’
‘Ik draag de schuld!’ zei de luitenant. Zijn stem was zeer luid en hard en klonk hem zelf vreemd in de oren. Het was geen troost voor de weduwe Demant. ‘Ik draag de schuld!’ herhaalde hij. ‘Ik had u voorzichtiger naar huis moeten brengen. Niet langs het casino.’
De vrouw begon te snikken. Hij zag haar bleke gezicht, dat zich steeds dieper over de tafel boog, als een grote, witte, ovale, langzaam omlaagzakkende bloem. Plotseling verschenen links en rechts haar witte handen, ze namen het omlaagzakkende gezicht in ontvangst en vlijden het neer. En daarna was er een tijdlang, een minuut en nog een, niets anders te horen dan het gesnik van de vrouw. Een eeuwigheid voor de luitenant. Ik moet opstaan en haar laten huilen en weggaan, dacht hij. Hij stond inderdaad op. Meteen vielen haar handen op tafel. Met een rustige stem, die schijnbaar uit een andere keel kwam dan het gesnik, vroeg ze: ‘Waar gaat u heen?’
‘Het licht aansteken!’ zei Trotta.
Ze stond op, liep om de tafel, rakelings langs hem heen. Hij rook een zacht vleugje parfum, weg was het, opgelost. Het licht was fel; Trotta dwong zichzelf recht in de lampen te kijken. Mevrouw Demant hield haar hand voor haar ogen. ‘Doe het licht boven de console aan,’ beval ze. De luitenant gehoorzaamde. Ze wachtte bij de deur, met haar hand boven haar ogen. Toen het kleine lampje onder de zachte, goudgele kap brandde, knipte ze de plafondlamp uit. Ze nam haar hand van haar ogen zoals een vizier wordt afgenomen. Ze zag er weer resoluut uit in haar zwarte japon, met haar bleke gezicht, dat ze naar Trotta ophief. Vertoornd en dapper was ze. Op haar wangen zag hij de kleine sporen van opgedroogde tranen. Haar ogen straalden, zoals altijd.
‘Ga daar zitten, op de divan!’ beval mevrouw Demant. Carl Joseph ging zitten. De behaaglijke kussens gleden van alle kanten, van de leuning, uit de hoeken, arglistig en behoedzaam tegen de luitenant aan. Hij voelde dat het gevaarlijk was om hier te zitten, schoof resoluut naar de uiterste rand, legde zijn handen op de korf van zijn sabel, die hij tussen zijn benen had gezet, en zag mevrouw Eva komen. Ze leek de gevaarlijke bevelhebber van al die kussens en bekledingen. Aan de muur, rechts van de divan, hing het portret van zijn dode vriend. Mevrouw Eva ging zitten. Een zacht kussentje lag tussen hen in. Trotta verroerde zich niet. Zoals altijd wanneer hij geen uitweg zag uit een van de talrijke, pijnlijke situaties waarin hij verzeild placht te raken, stelde hij zich steeds voor dat hij wel in staat was om weg te gaan.
‘U wordt dus overgeplaatst?’ vroeg mevrouw Demant.
‘Ik laat me overplaatsen!’ zei hij, met zijn blik op het tapijt, zijn kin in zijn handen en zijn handen op de korf van de sabel.
‘Moet dat?’
‘Ja, dat moet!’
‘Dat spijt me! Dat spijt me zeer!’
Mevrouw Demant zat, net als hij, met haar ellebogen op haar knieën, haar kin in haar handen en haar blik op het tapijt gericht. Ze wachtte waarschijnlijk op een woord van troost, op een aalmoes. Hij zweeg. Hij genoot van het heerlijke gevoel de dood van zijn vriend door zijn wrede zwijgen op een verschrikkelijke manier te wreken. Er schoten hem verhalen te binnen over gevaarlijke, kleine, mooie vrouwen die mannen vermoordden, verhalen die in de gesprekken van zijn kameraden steeds terugkeerden. Zij behoorde hoogstwaarschijnlijk tot de gevaarlijke categorie van de zwakke moordenaressen. Hij moest proberen zich ogenblikkelijk aan haar macht te onttrekken. Hij maakte zich gereed om weg te gaan. Op dat moment veranderde mevrouw Demant van tactiek. Ze nam haar handen van haar kin. Haar linkerhand begon zacht en systematisch het zijden galon glad te strijken waarmee de divan was afgezet. Haar vingers volgden het smalle, glanzende pad dat van haar naar luitenant Trotta leidde, op en neer, regelmatig en langzaam. Ze slopen in zijn gezichtsveld, hij wou dat hij oogkleppen droeg. De witte vingers verwikkelden hem in een zwijgend gesprek, dat onmogelijk kon worden afgebroken. Een sigaret opsteken; een uitstekend idee! Hij haalde zijn sigarettenetui tevoorschijn, de lucifers. ‘Geef mij er een!’ zei mevrouw Demant. Hij moest haar aankijken toen hij haar vuur gaf. Hij vond het ongepast dat ze rookte, alsof nicotinegenot tijdens de rouw verboden was. En de manier waarop ze de eerste trek deed, waarop ze haar lippen rondde tot een kleine, rode kring waaruit de ijle, blauwe wolk kwam, was overmoedig en verdorven.
‘Hebt u een idee waarheen u wordt overgeplaatst?’
‘Nee,’ zei de luitenant, ‘maar ik zal mijn best doen om heel ver weg te gaan!’
‘Heel ver? Waarheen bijvoorbeeld?’
‘Misschien naar Bosnië.’
‘Denkt u dat u daar gelukkig kunt zijn?’
‘Ik denk niet dat ik ergens gelukkig kan zijn!’
‘Ik hoop dat u het wordt!’ zei ze snel, heel snel, naar het Trotta voorkwam.
Ze stond op, kwam terug met een asbak, zette hem op de grond tussen hen in en zei: ‘Wij zullen elkaar dus waarschijnlijk nooit meer zien!’
Nooit meer! Het woord, het gevreesde woord, de oeverloze, dode zee van de lege eeuwigheid! Nooit meer zou hij Katharina zien, dokter Demant, deze vrouw! Carl Joseph zei: ‘Waarschijnlijk niet! Helaas!’ Hij wilde eraan toevoegen: ook Max Demant zal ik nooit meer zien! Weduwen moeten verbrand worden! een van de vermetele uitspraken van Taittinger, schoot hem op hetzelfde moment door het hoofd.

Pagina 135 – 139.
Een lang fragment. Maar schitterend geschreven.
Hier zijn Joseph Roth en de vertaler op stoom.