Schetsen met verf

– over werken van Alberto Giacometti uit de collectie van Kunstmuseum Basel –

Vandaag zag ik twee delen van een Engelse kunstserie, Stories of Art
waarin twee heren de levensloop van Giacometti schetsten
en de drijfveren van Alberto analyseerden.
Zij beschouwen de sculpturen als zijn belangrijkste werk:
de werken van na 1945.
De werken die nu meer dan 100 miljoen opbrengen op veilingen.

Probleem is dat ze nauwelijks iets zeggen over het schilderwerk.
En het zijn de schilderijen van Giacometti die ik nu juist zo fascinerend vind.
Na de video’s heb ik wel meer anekdotes maar ik heb niet het gevoel
dichter bij de diepere beweegredenen te zijn gekomen.

Het museum heeft een hele uitgebreide collectie waarin ik een keuze maakte.
Die keuze is het onderwerp van dit bericht.

DSC05840 01 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiAnnetteStandingNude1957ÖlAufLainwandInvG2001-9
Bazel, Kunstmuseum Basel, Alberto Giacometti, Annette standing nude, 1957, öl auf leinwand. Inv G 2001.9.
DSC05840 02 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiAnnetteStandingNude1957ÖlAufLainwandInvG2001-9

Annette

In Kunstmuseum Basel bleef ik lang staan
bij Giacometti’s Annette, standing nude.
Annette, zijn vrouw, was een van zijn meest voorkomende modellen.
Hier is ze een staande figuur, opgebouwd uit dunne, aarzelende verfstreken,
alsof hij steeds opnieuw heeft geprobeerd haar vorm te vinden.

De achtergrond lijkt meerdere keren overgeschilderd.
Het fysieke doek lijkt voor Giacometti
niet het vanzelfsprekende kader waarop hij werkt:
binnen het linnen heeft hij nieuwe kaders geschilderd,
rechthoeken die aangeven waar hij op dat moment dacht
dat het beeld moest beginnen of eindigen.
Soms schuift dat kader naar binnen,
waardoor er meerdere randen over elkaar ontstaan
en de achtergrond telkens opnieuw wordt geverfd.
Op een meestal kleiner oppervlak, donkerder van kleur.
Zo ontstaat het grijze, onzekere vlak rond de figuur,
bijna alsof de figuur in een dikke mist staat.

Annette staat stram als een beeld,
waarbij de mist voorzichtig wordt weggeblazen.
In de ruimte staan meubelstukken of andere voorwerpen.
Ze zijn niet belangrijk want de details ontbreken,
ze lijken niet compleet en soms overgeschilderd.

Het is geen dramatisch schilderij, er is geen verhaal verteld.
Misschien kijken we niet zozeer naar Annette zelf
maar eerder naar dé mens zoals Giacometti hem zag en schilderde:
zonder opsmuk, zonder zekerheid.


DSC05842BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiCarolineII1962ÖlAufLeinwandInvG2019-2
Caroline II, 1962, öl auf leinwand. Inv G 2019.2.

Caroline

In Caroline II is het portret nog soberder opgebouwd dan bij Annette.
De achtergrond is leeg; sommige delen van het linnen zijn onbeschilderd.
Het schilderij hoeft niet volledig afgewerkt te zijn om te tonen wat hij zocht.

De figuur lijkt een opeenstapeling van zwarte en witte lijnen
die over elkaar heen buitelen.
Zwart wordt daardoor grijs, en bij wit herhaalt zich dat proces.

Caroline kijkt frontaal,
een houding die in de portrettraditie
sinds de zeventiende eeuw zelden meer werd gekozen.
Het lijkt erop dat niet alleen Giacometti kijkt: Caroline kijkt terug.
Dat terugkijken is een bewuste keuze van Giacometti.
Misschien niet meer dan een onderdeel van zijn manier van werken.
Of zou er meer achter kunnen zitten?

Verder is de kleding slechts globaal aangeduid
— alles lijkt ondergeschikt aan het zoeken naar een gezicht
dat nooit helemaal vast lijkt te liggen.


DSC05844 01 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiCaroline1962ÖlAufLeinwandInvG1963-27
Caroline, 1962, öl auf leinwand. Inv G 1963.27.
DSC05844 02 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiCaroline1962ÖlAufLeinwandInvG1963-27
DSC05844 03 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiCaroline1962ÖlAufLeinwandInvG1963-27
DSC05844 04 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiCaroline1962ÖlAufLeinwandInvG1963-27

Caroline en het proces

In dit portret van Caroline laat Giacometti delen van zijn schilderproces zichtbaar.
Het linnen blijft op verschillende plaatsen onbeschilderd of slechts dun bedekt,
waardoor de structuur van het doek deel wordt van het beeld.
Soms loopt verf uit, maar Giacometti lijkt geen moeite te doen
dat tegen te gaan of onzichtbaar te maken.
Over bestaande donkere contouren heeft hij later witte hulplijnen gezet:
geen onder‑tekening,
maar dunne, nauwelijks zichtbare rasterlijnen in verf,
aangebracht na een eerdere fase.
Ze vormen een gedeeltelijk raster, niet systematisch of compleet,
en worden soms onderbroken door nieuwe verfstreken.

Je verwacht zulke dunne rasterlijnen vóór het schilderen,
maar hier liggen ze over eerdere verflagen heen
en suggereren dat het werk niet in één doorlopende sessie is ontstaan.
Het lijkt erop dat Giacometti het schilderij later opnieuw heeft opgepakt
en toen hulplijnen aanbracht om opnieuw te bepalen
waar vormen en verhoudingen zich op het doek bevinden
en mogelijk waar nieuwe vlakken en lijnen moeten komen.

Op het lichaam en op de kleding zie je een fel blauw;
dat kun je nog lezen als een vorm van schaduw.
Maar het rood volgt geen anatomische of stoffelijke logica.
Je ziet het bijvoorbeeld langs de randen van de korte mouwen,
waar het zichtbaar door de contour heen loopt.
Daardoor lijkt het rood niet ingezet om stof of anatomie weer te geven.
Waarom het rood wel voorkomt op delen buiten het hoofd,
maakt het schilderij niet duidelijk.
Het gezicht lijkt me het centrum van de voorstelling te blijven.

Aan de randen van het doek zet Giacometti een dun kader
binnen de bestaande begrenzing.
Het is geen omlijsting van de ruimte,
maar een aanwijzing van waar zijn blik zich op het doek concentreert.
Het portret toont zo niet alleen Caroline,
maar ook de zichtbare sporen van een proces
waarin het onafgewerkte niet wordt verborgen,
maar onderdeel wordt van het uiteindelijke beeld.


DSC05846BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiDiegoInAJacket1953BronzeInvGS50
Diego in a jacket, 1953, bronze. Inv G S50.
DSC05847BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiDiegoInAJacket1953BronzeInvGS50

Diego, rots in de branding

Rodin maakt nog glad afgewerkte beelden,
vol kreukels in de kleding, maar gepolijst en romantisch.
Hier zie je in het gegoten brons juist het onaffe gipsmodel:
de huid van het materiaal blijft zichtbaar,
met putjes, ribbels en afdrukken van het opbouwen van het beeld met gips.
Net als bij de schilderijen telt de mate van ‘af’ zijn niet.
De voorstelling onder het onaffe is blijkbaar belangrijker.

Diego — Giacometti’s broer en jarenlang zijn vaste model —
staat hier in een houding die tegelijk eenvoudig en onverzettelijk is.
De figuur lijkt uit het materiaal te groeien,
niet als een geïdealiseerde held,
maar als een aanwezigheid die blijft staan, hoe ruw het oppervlak ook is.

Ook hier is de verhouding opvallend:
een te dunne, in verhouding te kleine hals en een langgerekt hoofd.
Is dat dun en verticaal zoals bij de ‘Lopende man’,
of uit verhouding zoals bij de beelden uit de oorlogsjaren?
De vorm lijkt te balanceren tussen beide.

Het brons toont een figuur die uit zijn eigen massa lijkt te ontstaan
— alsof het lichaam nog half in het materiaal vastzit.
De textuur is ruw, bijna geologisch, en de overgang van romp naar hoofd is abrupt.
Daardoor lijkt het beeld als geheel niet gericht op anatomische juistheid.
Het resultaat is een onwerkelijk perspectief.
Wanneer je naar het beeld kijkt, zeggen je hersenen dat er iets niet klopt:
de verhoudingen corrigeren zichzelf niet,
de ruimte rond de figuur lijkt te schuiven,
en het lichaam lijkt tegelijk te staan én uit het materiaal te groeien.
Dat geeft het beeld een optische spanning die niet verdwijnt.
Het gezicht is relatief verder uitgewerkt dan de rest,
maar ook daar blijft de indruk schetsmatig:
contouren die niet helemaal sluiten en volumes die niet volledig zijn gemodelleerd.

Het gezicht blijft het centrum van de voorstelling.

Over onaf‑heid: Mexico versus Giacometti

Bij het Mexicaanse beeld van de man met een huidaandoening
– waarover ik eerder deze week schreef –
zagen we een glad basisoppervlak waarin bewust markeringen waren aangebracht:
patronen, krassen of noppen die de huid betekenis gaven.
De onaf‑heid was daar een keuze binnen een gecontroleerd oppervlak.

Bij Giacometti is dat anders.
De huid van het brons toont de sporen van het opbouwen van het beeld met gips:
ribbels, putjes en afdrukken van materiaal dat is toegevoegd en weer weggehaald.
Niet aangebracht om iets te betekenen,
maar zichtbaar overgebleven uit het werkproces.
De onaf‑heid is hier geen stijl of symboliek,
maar het resultaat van het modelleren zelf.


DSC05849 01 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiTheTable1950ÖlAufLeinwandInvH1950-2
The table, 1950, öl auf leinwand. Inv H 1950.2.
DSC05849 02 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiTheTable1950ÖlAufLeinwandInvH1950-2

De tafel

Bij een goede acteur zie je, ongeacht de rol, altijd dezelfde persoon terug:
Jack Nicholson met zijn ondeugende zelfvertrouwen,
Chaplin met zijn lichte melancholie,
Meryl Streep met haar precieze, bijna doorzichtige controle.

Bij een goede kunstenaar gebeurt iets vergelijkbaars.
De vorm, het medium, het gereedschap kan veranderen,
maar de kern blijft dezelfde. Dat zie je ook bij deze tafel.

De tafel heeft nauwelijks poten;
links is er bijna geen verschil tussen de tafelpoot en de hoek van de ruimte.
De contouren lossen op in de achtergrond,
alsof Giacometti niet de dingen schildert maar het zien zelf.
Er is over de lijst heen geschilderd,
de achtergrond bestaat uit lagen die elkaar gedeeltelijk bedekken,
en sommige vlakken lijken slechts tijdelijk aanwezig.
Het is alsof de ruimte voortdurend wordt herzien.

De vraag dringt zich op of hij zelf achter de tafel zat
— en of hij zichzelf heeft overschilderd.
Niet als een symbolisch gebaar,
maar als onderdeel van dat voortdurende zoeken naar vorm:
wat blijft zichtbaar, wat verdwijnt, wat wordt opnieuw geprobeerd.

De tafel wordt zo geen meubelstuk,
maar een plek waar de blik tastend rondgaat, net als bij al zijn werken.


DSC_6589DenHaagGemeentemuseumCharlesAveryHeadOfAleph2009StaalBetonGipsIjzerdraadPolystyreen
Den Haag, 2015, Gemeentemuseum, Charles Avery, Head of Aleph, 2009, staal, beton, gips, ijzerdraad, polystyreen.
DSC_6590DenHaagGemeentemuseumCharlesAveryHeadOfAleph2009StaalBetonGipsIjzerdraadPolystyreen
DSC05851BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiTheNose1947GipsBemaltMitSchnurAnEisengestängeAufHolzplatteInvGS32
Bazel, Kunstmuseum Basel, Alberto Giacometti, The nose, 1947, gips bemalt mit schnur an eisengestänge auf holzplatte. Inv GS 32.
DSC05853BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiTheNose1947GipsBemaltMitSchnurAnEisengestängeAufHolzplatteInvGS32

De neus

In 2015 zag ik in het Gemeentemuseum Den Haag Head of Aleph van Charles Avery:
een gigantisch hoofd waarvan één vorm zich losmaakt van de rest.
Een horizontale uitstulping, een enorme neus die de hele sculptuur uit balans trekt.
De huid eindigde onaf, opgebouwd uit betonijzer en afbrokkelend,
en mijn blik bleef steeds naar dat ene deel getrokken.
Het was alsof de rest van het hoofd zich terugtrok
en alleen die uitsteeksel nog overeind bleef.

Die ervaring kwam terug bij Giacometti’s De Neus.
Ook daar is er één onderdeel dat “te veel” is:
een neus die de ruimte doorboort, die zich losmaakt van het hoofd,
die het perspectief ontregelt.

Wanneer ik Head of Aleph en De Neus naast elkaar zie,
ontstaat een vermoeden van verwantschap.
Niet omdat de kunstenaars elkaar kennen,
maar omdat beide werken één element zo nadrukkelijk naar voren brengen
dat het de aandacht volledig naar zich toe trekt: de neus (om het een naam te geven).
De rest van het hoofd valt hierdoor bijna weg
— precies die beweging die in veel verhalen van Borges optreedt,
waar één detail de hele wereld overneemt.

Dat is geen historische link,
maar een verwantschap die pas zichtbaar wordt wanneer je beide werken hebt gezien. En die verwantschap roept een bredere vraag op:
waarom kunstenaars uit verschillende tijden en met verschillende achtergronden
toch lijken aan te sluiten op datzelfde Borges‑motief.

Voor zover bekend gaat De Neus niet terug op Borges;
in de literatuur wordt geen verband gelegd
tussen Giacometti en het verhaal van Borges: El Aleph.
De verwantschap ontstaat pas
wanneer je De Neus naast Avery’s Head of Aleph ziet
— een werk dat wél expliciet naar Borges verwijst —
en merkt hoe beide sculpturen één element zo nadrukkelijk naar voren brengen.

Voor dit bericht heb ik een paar van de verhalen van Borges speciaal gelezen
– in de vertaling van Barber van de Pol en Mariolein Sabarte Belacortu
uit 2016 voor De Bezige Bij.

Het eerste verhaal is ‘De Zahir’.
De zahir is een muntje dat niet echt bestaat maar dat staat
voor ieder voorwerp, belangrijk of niet.
In dit verhaal worden bijvoorbeeld de tijger en een bloem genoemd
als voorwerpen zoals de zahir.

De openingszin:

In Buenos Aires is de zahir een gangbare munt met een waarde van twintig centavos;

Vandaag is het 13 november; de zahir kwam 7 juni, in alle vroegte. in mijn bezit;

Ik bestelde een sinaasappelbrandewijn; bij het wisselgeld dat ik terugkreeg zat de zahir;

Vervolgens ontrolt zich het verhaal en las ik de volgende drie vergelijkingen
die iets kunnen zeggen over de werken van Giacometti en Avery:

…waar hij in een paleis de figuur van een tijger had geschilderd…..op de vloer, de muren en het gewelf (in barbaarse kleuren die door de tijd eerder werden verfijnd dan vervaagd) een soort oneindige tijger had afgebeeld. Die tijger was gemaakt van vele tijgers, op een duizelingwekkende manier: hij was doorkruist met tijgers, hij was gestreept met tijgers, hij bevatte zeeën en Himalaya’s en legers die weer andere tijgers leken.

De tijd die de herinneringen verzacht, verergert die aan de zahir. Eerst stelde ik me de voorkant voor en daarna de achterkant; nu zie ik ze allebei tegelijk. Dat komt niet doordat de zahir van glas zou zijn; want de ene kant ligt niet op de andere; het is eerder alsof wat ik zie bolvormig is en de zahir in het midden prijkt.

…als wij één enkele bloem konden begrijpen, wij zouden weten wie wij zijn en wat de wereld is. Misschien bedoelde hij dat er geen gebeurtenis is, hoe bescheiden ook, die niet de algemene geschiedenis bevat en haar oneindige aaneenrijging van gevolgen en oorzaken.

Mij viel bijvoorbeeld op

  • dat bij Avery op het uiteinde van de neus van het Hoofd van de Aleph
    een volgende Aleph zichtbaar is die zijn opgekrulde neus kan gaan uitrollen,
    zoals de tijger een soort oneindige tijger was.
  • dat bij Giacometti de doorboring van het vlak versterkt wordt
    door de spiraalvormige bruine beweging op de neus
    die kan samenvallen met haar oneindige aaneenrijging van gevolgen en oorzaken.

Ook in het verhaal ‘De Aleph’ verschijnt datzelfde motief:
één ding dat alles bevat.
De bol is een wereld‑in‑miniatuur,
zoals de neus bij Avery en Giacometti een vorm‑in‑miniatuur wordt
die de rest van het hoofd opslokt:

Onder aan de trap, naar rechts, zag ik een kleine van kleur verwisselende bol met een bijna ondraaglijke gloed. Aanvankelijk dacht ik dat hij draaide; later begreep ik dat die beweging een illusie was die werd veroorzaakt door de duizelingwekkende spektakels die hij bevatte. De doorsnede van de Aleph zal twee, drie centimeter zijn geweest, maar de kosmische ruimte zat erin, zonder vermindering van omvang. Elk ding (het spiegelglas bijvoorbeeld) was oneindig veel dingen, want ik zag het duidelijk vanuit alle punten van het heelal.

Dan volgt een opsomming van al die dingen die de ik-figuur ziet.
In die opsomming staat er een die ik je niet wol onthouden:

…..ik zag tegelijkertijd iedere letter van iedere pagina (als kind placht ik me erover te verbazen dat de letters van een gesloten boek niet door elkaar raakten en kwijtraakten in de loop van de nacht).


DSC05854 01 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiPortraitOfAnnetteWithYellowBlouse1964ÖlAufLeinwandInvGS74
Portrait of Annette with yellow blouse, 1964, öl auf leinwand. Inv GS 74.
DSC05854 02 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiPortraitOfAnnetteWithYellowBlouse1964ÖlAufLeinwandInvGS74
DSC05854 03 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiPortraitOfAnnetteWithYellowBlouse1964ÖlAufLeinwandInvGS74

Een vrouwelijke R2D2

In Portrait of Annette with Yellow Blouse ontstaat een merkwaardige spanning
tussen het levende en het geconstrueerde:
het gezicht wordt opgebouwd uit nerveuze, organische lijnen,
maar tegelijk doorkruist door strakke, witte driehoeken en vierkanten
die het bijna mechanisch ordenen.
Daardoor krijgt Annette een robotische uitstraling,
alsof haar gelaat tot stand komt doordat Giacometti kijkt, registreert en zoekt
— een vrouwelijke R2D2, half mens, half zoekinstrument.


DSC05856 01 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiPortraitOfAnnette1950ÖlAufLeinwandInvH1950-3
Portrait of Annette, 1950, öl auf leinwand. Inv H 1950.3,
DSC05856 02 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiPortraitOfAnnette1950ÖlAufLeinwandInvH1950-3

Opvallend onopvallend

In Giacometti’s portretten — geschilderd, getekend én gebeeldhouwd —
lijkt de nadruk zich te verplaatsen
van een zoeken naar de verhouding tussen mens en ruimte
naar een zoeken naar de verhouding tussen mens en blik.
Een verschuiving, geen breuk, want beide vragen blijven in al zijn werk aanwezig.

In het portret van Annette uit 1950 is die vroegere nadruk nog duidelijk zichtbaar:
haar figuur staat niet los van de kamer maar lijkt eruit voort te komen,
opgebouwd uit dezelfde lijnen die de ruimte definiëren.
Het gezicht is hier geen brandpunt van intensiteit, maar opvallend onopvallend
— een aanwezigheid die nog volledig in verhouding tot de ruimte wordt gedacht,
voordat Giacometti zijn aandacht steeds sterker op de blik zou richten.


DSC05858 01 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiTheGardenInStampa1954ÖlAufLeinwandInvG1994-7
The garden in Stampa, 1954, öl auf leinwand. Inv G 1994.7.
DSC05858 02 BazelKunstmuseumBaselAlbertoGiacomettiTheGardenInStampa1954ÖlAufLeinwandInvG1994-7

De huiselijke Alberto

Even geen mensen, even geen gezicht.
Kijk naar buiten, registreer wat je ziet.


DSC05860BazelKunstmuseumBaselTheGiacomettiFamilyTxt

Afronding

Samen vormen deze werken een kleine geschiedenis
van Giacometti’s manier van kijken:
telkens dezelfde zoekende lijnen,
telkens dezelfde poging om aanwezigheid te vangen,
maar steeds met een andere intensiteit.

Soms is de mens nog ingebed in de ruimte,
soms wordt het gezicht het brandpunt,
soms lijkt de wereld zelf het portret.

In deze reeks zie je hoe mens, ruimte en blik voortdurend van plaats wisselen
— geen ontwikkeling in rechte lijn, maar een voortdurende verschuiving
binnen één en dezelfde obsessie.
Een stille rondgang door Giacometti’s wereld, vooral geschetst in verf.


Don

Er is maar 1 Don.
Don Quichot, de man van La Mancha.
Ik ga aan de vertaling van Barber van de Pol beginnen
maar het laat me maar niet los dat er in de vertaling
geen gebruik is gemaakt van noten om de lezer bewust te maken
van de keuzes en onderliggende kennis die bij het vertalen
van dit boek kwam kijken.

IMG_0657Miguel de Cervantes Saavedra De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha vertaald door Barber van de Pol 15e druk 2018

Miguel de Cervantes Saavedra, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, vertaald door Barber van de Pol. 15e Druk, 2018.


Dus nog een keer:

Barber van de Pol heeft als compensatie het boek “Cervantes & Co” uitgebracht.
De ondertitel van het boek is: “In plaats van voetnoten”.

Het boek is zogezegd uitgegeven in plaats van voetnoten.
Die voetnoten ontbreken volledig in de vertaling die Van de Pol maakte van Don Quichot.
Persoonlijk vind ik dat erg onhandig en haar argumentatie rammelt,
naar mijn gevoel, aan alle kanten.

Een paar voorbeelden uit “Cervantes & Co”:

Pagina 50:

“Er mochten geen noten of toelichtingen in mijn vertaling komen, want die stonden er bij Cervantes ook niet bij en al stonden ze er in nieuwe Spaanse edities meestal wel bij en in vertalingen ook bijna altijd, ik voegde me willens en wetens bij de kleine schare die het boek voor zichzelf wilde laten spreken, omdat het als een boek van alle tijden en eeuwig modern die weelde kan dragen.”

Miguel de Cervantes Saavedra leefde van 29 september 1547 – 22 april 1616.
Ik wil de Don Quichot 400 jaar later lezen.
Ik spreek of lees geen Spaans, anders had ik het boek wel in de originele taal gelezen.
Maar daarnaast heb ik geen kennis van de Spaanse cultuur van 400 jaar geleden.
Ik weet niet welke ridderromans er in Spanje verschenen, hoe de schelmenstroming
in de Spaanse literatuur er uit zag.
Wat mensen aten, wat de Spaanse omgangsvormen waren, enz.
Dat is de reden dat er in nieuwe Spaanse uitgaves en in vertalingen
voetnoten worden opgenomen om de lezer te helpen het boek te begrijpen.
Door de lezer niet te helpen maak je het boek ontoegankelijk en stom (niet sprekend).

Van de Pol trekt volgens mij dezelfde conclusies als ik:

Pagina 58:

“Je kunt met het begrip kwaliteit erg sollen, vooral als het om iets nagenoeg onzichtbaars als vertalen gaat.
Een vertaler heeft minder inbreng dan sommigen het willen doen voorkomen, maar als ik dit vaststel impliceert dat geen pleidooi voor onverschilligheid.
Voor een gemeenschap is het belang van adequaat overgebracht vreemd cultuurgoed onmiskenbaar en voor een individu is nauwkeurig lezen dat.”

Pagina 67:

“Ik besefte die ochtend van het gesprek bij Havekate (Argusvlinder: taalkundige Henk Havekate) eens temeer wat een unieke bevindingen je als vertaler doet door gestage closereading.”

Even verder op pagina 67:

“Er komt aan het doen van vertaalkeuzes bij een klassiek boek vaak secundaire literatuur te pas, die deels handig is voorgesorteerd in het notenapparaat bij allerhande al bestaande uitgaven.
Pas als ik op basis van specialistische literatuur of noten, en na gesprekken met deskundigen, meen te weten wat bijvoorbeeld het al genoemde ‘Vuestra Mereed’ (Van Dam en Werumeus Bunning hebben steeds ‘UEd.’) destijds waard was naast het ‘tú’ of ‘vos’ van toen, kan ik in het Nederlands naar eigen inzicht per geval, en met alle andere gevallen in mijn achterhoofd een knoop doorhakken.
‘Gij’ is voor Noord-Nederlanders gauw een beetje raar, ‘jij’ is wel eens te vlotjes, ‘u’ is niet zelden tuttig en heeft eveneens een tijdsgebonden smaak, en zo wik en weeg ik.”

Daarom zou een toelichting op het werk (meer dan een verantwoording en nawoord)
op zijn plaats zijn geweest.

Hertaling

Okay een hertaling is iets heel anders dan een vertaling,
maar deze dingen houden we al weer een aantal weken bezig.
Eerst de vertaling van Don Quichot van Cervantes en het boek ‘Cervantes & Co’
van Barber van de Pol over haar werk aan deze Nederlandse vertaling.
Dan de prachtige uitgave van Het snoer der ontferming, een boek van Couperus.
Niet hertaalt maar uitgebreid voorzien van context en toelichting.
Dan de vertaling ‘Onze gemeenschappelijke vriend’ (Our mutual friend)
van Charles Dickens. Geweldig boek, geen toelichting van vertaler.

Afgelopen zaterdag stond in de Volkskrant de column
van Sylvia Witteman: Een kleine furie in haar serie
‘Witteman heeft iets gelezen’.
Ik zie wel eens twitterberichten van haar langskomen
en meestal wordt ik van de toon niet zo blij.
Het artikel van zaterdag is heel geslaagd naar mijn gevoel.

SylviaWittemanWittemanHeeftIetsGelezenEenKleineFurieVolkskrant20190209

Sylvia Witteman: ‘Een kleine furie’ in haar serie ‘Witteman heeft iets gelezen’ uit de Volkskrant van zaterdag 9 februari.


De ‘hertaling’ van Couperus: alsof Dick Bruna de Sixtijnse kapel beschilderd heeft

In de serie ‘Tragische literaire misstanden’ vandaag: de zogeheten ‘hertaling’ van Couperus.
Ach, Louis Couperus! Wat houd ik toch veel van die geparfumeerde ouwe crypto-nicht, met zijn heerlijke, tierelantijnige poederdons-proza!
Zoveel houd ik van Louis Couperus, dat ik mijn jongste zoon naar hem heb genoemd.

 

Diezelfde jongste zoon, zo wil de ironie van het noodlot, leest geen boeken (tenzij men hem dwingt met behulp van een vlammenwerper en harpoen) en zéker niet van Couperus.

Hertaalster Michelle van Dijk weet hoe dat komt: Couperus is ‘veel te bloemrijk voor deze moderne tijd, met zijn herhalingen, de neologismen, de gallicismen, de puntjes… de uitroeptekens!!
Maar wat nog het meest afwijkt van onze taal nu, is de zinsvolgorde, (lengte ook, ja).
En geloof me, dat is dus iets waar een jonge lezer over struikelt.’

 

Hm. Ooit was ik zo’n jonge lezer, een jaar of 15, toen ik Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan in handen kreeg.
Alles aan dat boek was mij vreemd.
Het taalgebruik, de familieverhoudingen, de Indische achtergronden, de zeden en gebruiken van het fin de siècle; maar ik werd betoverd door het proza, júist die lange zinnen, gallicismen, neologismen, puntjes en uitroeptekens.
Het was (bijna) dezelfde coup de foudre die ik later kreeg bij het lezen van A.F.Th. van der Heijdens De tandeloze tijd, ook bloemrijk, ook lange zinnen, en ook heel veel puntjes… zouden jonge mensen dát nog lezen,trouwens?
Misschien wordt het anders tijd om daar ook een hertaling van te maken, meteen flink inkorten ook, want wie zit er nog op vuistdikke tetralogieën te wachten?
Alles wat meer tijd kost dan Tim Krabbé’s Het gouden ei laat ons nageslacht immers links liggen, ten faveure van Netflix en games.

 

Met de dood in het hart begon ik de hertaling te lezen van Van oude mensen.
Op de eerste bladzijde ging het al mis.
In het origineel zegt Lot, de zoon, tegen zijn moeder: ‘Steyn is toch je man… Je moest niet altijd zoo met hem kibbelen, en zulke dingen zeggen, of denken.
Je bent weêr net een kleine furie geweest.
Dat geeft rimpels, zoo boos te zijn.’
Van Dijk ‘hertaalt’ dit fragment als volgt: ‘Steyn is je man, jullie moeten niet steeds ruzie zoeken en onaardige dingen zeggen of denken.
Je ging net als een wraakgodin tekeer!
Daar krijg je alleen maar rimpels van, van zo boos zijn.’

 

Lelijk hè?
Trouwens, zijn ‘furie’ en ‘kibbelen’ moeilijker woorden dan ‘wraakgodin’ en ‘ruzie’?
En waarom heeft Van Dijk, die uitroeptekens toch ‘te bloemrijk’ vindt, er zélf een toegevoegd, op een plek waar dat volstrekt niet logisch is?

 

Ook met het liquideren van die gewraakte gallicismen gaat het mis. Couperus strooit inderdaad nogal met woorden als ‘boudeeren’ of ‘porte-brisée’. Het aardige is dat je bijna altijd uit de context begrijpt wat ze betekenen, en daardoor terloops nog wat Frans leert. Van Dijk vindt van niet, en vertaalt bijvoorbeeld ‘bottines’ met ‘laarzen’. En dat terwijl de zachte, ijdele Lot helemaal geen type is voor laarzen. Hij draagt bottines, laarsjés dus. Noem ze dan laarsjes, enkellaarzen, of desnoods booties. Of beter nog: laat gewoon ‘bottines’ staan.

 

Ik las nog even verder. Het was alsof de Sixtijnse kapel was beschilderd door Dick Bruna, ­Erbarme dich gezongen door ­Sieneke, James Bond gespeeld door Gerard Joling.

 

Nee, met deze ‘hertaling’ valt niemand te winnen voor Couperus.
Alle curieuze charme van diens proza is eruit verdwenen.
Met de uitholling van Couperus, hoe goed bedoeld ook, neemt Van Dijk bovendien een groot ­risico. Het is immers volstrekt niet denkbeeldig dat de lezers ontgoocheld zullen denken: ‘Is dít nu een beroemde schrijver? Laat verder maar zitten dan.’