Oude beroepen

Ik kreeg via, via een PowerPoint slide show met daarin
een aantal foto’s van oude beroepen.
Sommige beroepen kende ik alleen van horen zeggen.
Die laat ik niet zien.
Maar de beroepen die mij bekend voorkomen laat ik hier wel zien.
Mooie foto’s trouwens.
Ik weet niet wie de maker van de foto’s of de PowerPoint show is.


Hoorspelacteurs.

Tegenwoordig is weer meer vraag naar deze mensen.
Nu noemen we het luisterboeken of hoorcolleges.
Soms heb je dan 1 voorlezer maar onlangs heb ik nog
een soort hoorspel op CD beluisterd.
Erg leuk.
De populaire serie podcasts Bommel van de NPS is eigenlijk precies hetzelfde.
Alleen kan ik luisteren naar mijn iTunes wanneer ik wil.


Huisvrouw.


Letterzetter.


Melkboer.

De melkboer die bij ons langs kwam had geen handkar meer
maar een soort klein electrisch vrachtautootje.
Volgens mij zal dat snel weer heel modern zijn.


Luchtfoto's

Ik kwam op het web een site tegen met allemaal
foto’s die vanuit de lucht gemaakt zijn.
En dat levert een heel ander beeld op van vertrouwde plaatsen
dan je normaal gewend bent.
Hier een tweetal voorbeelden.
De foto’s zijn veel breder dan ze hoog zijn
en dat is een ongelukkig formaat voor een weblog.
Daarom steeds eerst de originele foto van de website
en dan een deel van de foto die meer van de details laat zien.

De Amerikaanse firma waar deze foto’s van zijn heeft de naam: GeoEye


Piramides van Gizeh.



Detail.



De Sphinx in Gizeh.



Detail.


Courtesy of GeoEye

Gevonden

Op het web vond ik de volgende foto’s van Jason Hawkes.
Door eenheid van vorm en kleur zijn dit erg sterke foto’s.


Jason Hawkes, Apartment blocks Hong Kong.






Jason Hawkes, Lines of crop, Prickwillow.


Rijen gewassen.





Jason Hawkes, Red vans awaiting shipment.


Rode auto’s die wachten op verzending.





Jason Hawkes, Yellow busses Nevada.






Jason Hawkes, Tomatoes dumped on the banks of the river Durance, France.


Tomaten gestort op de oevers van de rivier Durance in Frankrijk.





.


Wanneer de eenheid in vorm en kleur wegvalt
zijn z’n foto’s gelijk een stuk minder sterk.




Cleopatra, Mark Anthony

Nieuws over opgravingen in Egypte hebben in het verleden
tot zulke hypes geleid, dat veel mensen daar nog steeds
gebruik van willen maken.
Niet in de laatste plaats is het nieuws van Zahi Hawass
per definitie verdacht.

Aan Cleopatra toegeschreven portret.

De archeologische projecten in Egypte zijn vandaag de dag
altijd een combinatie van Egyptische interesse en buitenlands geld.
Ook nu weer.
Hawass, de man die bepaalt wie waar mag graven in Egypte
tegen welke kost, werkt hier samen met een archeologisch team
uit, hou je vast, de Dominicaanse Republiek.
Niets te na van de mensen die in dat team hard werken om
een opgraving te realiseren, maar dit is niet het land
met de meeste kennis, historie, evaring, expertise enz
op het gebied van archeologisch onderzoek in Egypte.


Bronzen munten met een afbeelding van Cleopatra.

Dan is al dit nieuws gebaseerd op een paar radarbeelden
en en paar vondsten die nog niet definitief geidentificeerd zijn.
De munten waarschijnlijk uitgezonderd.
Maar van het albasten portret hierboven wordt alleen door de
archeologen ter plaatse gezegd dat het om Cleopatra gaat.


Assumed funerary mask of Marc Antony.

De grote archeoloog Hawass spreekt in zijn verklaring
dan ook alleen maar over hoe knap Cleopatra toch wel niet moet zijn geweest.
Dit in tegenstelling tot recent wetenschappelijk onderzoek

Naar mijn mening lijkt de vrouw in albast helemaal niet
op de vrouw op de munt.
Ik vind dat net de Venus van Milo.
Maar het blijft een mooi verhaal.
Prachtige film ook met Elizabeth Taylor en Richard Burton.
Ik bekijk hem nog regelmatig.


Lees verder

Op vakantie in Bavel

In het boek: Breda, stad van borderlords en baronnen
van Leo Nierse, las ik een verhaal over het Begijnhof in Breda.
Het verhaal heet “Het eerste Begijnhof” en uit directe kring
kan ik een korte aanvulling op het verhaal geven.

Zo wilde de traditie.
Diezelfde traditie stond de begijnen toe te leven
zonder strenge kloosterregels;
ze vormden immers een vrij orde.
Eventuele bezittingen hoefden ze niet af te staan
ze bleven financieel onafhankelijk.
En ze mochten zich vrijelijk buiten hun hoven begeven,
zelfs voor langere tijd.
Een gelofte van zuiverheid (kuisheid) en gehoorzaamheid
aan hun meesteres (dus niet: “overste”) volstond.
Met eenvoudige textielarbeid voorzagen de niet-belastingplichtige zusters
in hun eigen onderhoud.
Ze verzorgden zieken, waakten bij de doden,
baden en zongen bij de altaren in de Grote- of Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Kortom, ze verrichtten “goede werken”.

Op Goede Vrijdag 13 mei 1990 overleed Cornelia Frijters,
de laatste Begijn van het Bredase begijnhof.
Vrijwel zeker bestond er in Breda al een begijnengemeenschap
toen Breda in 1252 zijn stadsrechten kreeg.

Uit eigen informatie kan ik over de werkzaamheden
van de begijnen, het volgende toevoegen.

Mijn moeder vertelde me onlangs het volgende verhaal.
Toen ze nog een klein kind was (11 of 12 jaar)
mocht ze eens op vakantie bij een tante in Bavel.
Mijn oma kwam uit Bavel.
Haar zussen en broer woonden daar en hadden boerderijen.
Mijn oma woonden met haar gezin aan de rand van Breda
op de Blauwe Kei. Aan de Poolseweg.
Het zal dus in 1944 of 1945 geweest zijn.
De tante waar ze op bezoek ging had zelf geen kinderen
en mijn moeder speelde in Bavel dan ook met haar nichtjes
die vlakbij woonden.
De tante en oom waren wel in goeden doen.
Ze konden zich veroorloven om een maal in de veertien dagen
een begijntje te laten langskomen voor verstelwerk.
Er was altijd wel wat te doen aan de kleding
of het andere textiel dat in huis was.
Zo ook die vrijdag.
Het begijntje was ook die vrijdag bij tante aan de slag geweest
en zou aan het eind van de werkdag naar huis gaan.
Te voet.
Mijn moeder greep die kans met beide handen aan
want ze vond dat ze al te lang bij tante op visite was.
Samen met het begijntje liep ze die avond terug naar Breda.

Tim Krabbe: een tafel vol met vlinders

Idereen heeft altijd medelijden met de schrijvers van boekenweekgeschenken.
Onzin lijkt me.
Als je kunt schrijven is deze opdracht/dit verzoek, niet anders
dan een boek waartoe je zelf besloten hebt te schrijven.
Tim Krabbe heeft het probleem, althans wat mij betreft,
dat het resultaat te gekunsteld is.
Ik las eerder van hem De Grot.
Natuurlijk heeft ieder boek iets gekunsteld. Hier in de novelle
is de uitdaging dat het erg kort moet zijn.
Maar als je een boek van Krabbe leest is de structuur te duidelijk
in het verhaal aanwezig.

Het verhaal bestaat uit 4 stukken:

hoofdstuk 1: Het vijverspook
pagina 5 t/m 30:
“En ineens wist hij het: dit is het omslagpunt”;
pagina 30 t/m 46:
deel twee van het eerste hoofdstuk;

hoofdstuk 2: Het scherfjepagina 46 t/m 81:
“Met iedere trap wist ik: alles is veranderd.;
pagina 82 t/m 89: deel twee van het tweede hoofdstuk;

Tot aan pagina 30 de introductie en opbouw van de vader-zoon relatie.
Vervolgens tot aan pagina 46 de teruggang in die relatie.
Vervolgens tot aan pagina 82 de opbloei van de liefde.
Vanaf 82 het afscheid van de liefde en het leven.
Het ligt er zo dik bovenop.

Om te begrijpen wat de Maori met dit boek van doen hebben moet je het natuurlijk even lezen.

Dan zijn taalgebruik.
Ik heb het gevoel dat er minder alledaagse woorden en zinsconstructies gebruikt worden
om te laten zien dat Krabbe een geweldig schrijver is.
Bij mij roept dat tegenovergestelde gevoelens op:

Pagina 5:
“Tussen het gruis lagen stukken obsidiaan,
zwart en dof glanzend als de scherfranden van een zwart cocktailglas
dat hij eens kapot had laten vallen.”

Wikipedia:Obsidiaan is een natuurlijk voorkomend vulkanisch glas.

Pagina 6:
“De wind was hier snijdend.
Het was geen erg diepe krater;
langs de binnenwand voerde een paadje naar de bodem,
waar in het midden weer een zwart gruisbergje was.
Op de ringvormige vlakte daaromheen
hadden voorgangers namen gelegd met lichter gekleurde stenen,
sommige in het cyrillisch.”

Wikipedia:Het cyrillische alfabet is het alfabet dat in zes Slavische talen gebruikt wordt.

Pagina 38:
“Hij hield zijn duim omhoog naar de stroom onverschillige auto’s;
een jongen van negentien in een blauwe anorak,…”

Wikipedia:Een anorak is een zware jas met aangehechte capuchon,
veelal gewatteerd of met bont gevoerd.

Het gebruik van minder alledaagse woorden is op zich geen probleem.
Maar in het verhaal heeft het naar mijn gevoel geen functie.

Het leest erg snel uit.

Pagina 41:
“Het alleenstaan van het vijverspook was geen sterk alleenstaan geweest,
maar een zwak alleenstaan.”

Pagina 43:
“Fred vroeg zich af of hij de bespotting zag.
Hij had zijn rijbewijs gehaald om overal ter wereld te kunnen rijden;
nu gebruikte hij het om in Amsterdam pakjes uit de hele wereld rond te brengen.”

Pagina 46:
“Maar terwijl hij praatte kreeg hij het gevoel dat Bram,
zonder aan het woord te zijn,
was gaan zwijgen.”

Pagina 66:
“Nu moet ik zeker drie weken langer werken voor ik weg kan.
Nu kan ik zeker drie weken langer van Emma genieten voor ik wegga.”

Pagina 68:
“Ik zei dat ze geen Emma was maar een dilemma….”

Pagina 85:
“Wie laf is moet dapper zijn.”

Allemaal wat gekunstelde constructies.
Ze lijken misschien goedgevonden maar het ligt er allemaal zo dik bovenop.
Overigens kun je een prima samenvatting en een aantal recenties vinden
op de volgende website:
Scholieren.com/boekverslagen

Met dieren heeft het boek niets van doen,
dus ook niet met het thema van de boekenweek.
Slechts op een paar plaatsen komen de vlinders naar voor.
Nog het opvallendst op de kaft en op pagina 86:
“De rest van mijn leven is een tafel vol vlinders.
Iedere seconde vliegt er een weg.
Als de tafel leeg is ben ik dood.

Het gebrek aan dieren aak ik hier dan maar even goed.

De Argusvlinder.

Pagina 75:
“Staat dat daar echt? ‘Emma’ en ‘twijfel’,
die twee woorden zo dicht bij elkaar?
En nu komt er een nieuwe gedachte bij me op,
een gedachte die mij doet huiveren.
Maar eerst een regel wit.
Zie je Fred, ik volg je lessen.’
De regel wit is een krachtig uitdrukkingsmiddel.’
Evenals de alinea.

Recentie verschenen in Vrij Nederland:
Een tafel vol vlinders – Tim Krabbe, 14-03-2009
Door Jeroen Vullings

Het schrijven van het Boekenweekgeschenk is niet eenvoudig.
In de eerste plaats door de streng opgegeven omvang
– die van een novelle.
Echte schrijvers werken niet zo dat ze hun hele hebben en houden,
de uitstalkast van hun talent, ambitie, zeggingskracht en verbeelding
op commando kunnen posteren in ruim negentig pagina’s.
Ook is het een belemmerende gedachte
dat een jaarlijks aanzwellend massapubliek (nu: 968.000 exemplaren)
je pennenroersel gratis ontvangt bij de aankoop van andere boeken.
Bovendien mogen ze dankzij de vrucht van je inspanningen
ook nog eens een dagje gratis met de trein.
Zoveel gratis lijkt bij voorbaat een schaamlapje voor de abominabele kwaliteit.
Je moet als schrijver sterk in je schoenen staan,
wil je daar niet over gaan liggen tobben.
Nog erger is het als je, bezield van competitiedrift,
vervuld raakt van de gedachte:
ik ga die 968.000 lezers voorgoed voor me winnen.
De rest van hun leven – lange leven, want er zitten vast jonge lezertjes bij
– talen ze alleen nog maar naar de nieuwe Tim Krabbe.
Dan ga je je boekje daar misschien wel op afstemmen
en verwar je eenvoud van geest,
in een taal die voortijdige schoolverlaters kunnen behappen,
met de schone letteren.
Krabbe’s gratis psychologisch-realistische novelle Een tafel vol vlinders
opent met waarachtig aandoende problematiek
uit het alledaagse moderne leven.
De adolescent Fred ontmoet in zijn jonge jaren een vrouw met kind;
het jongetje heet Bram.
Brams vader Menno is kort na diens geboorte van het dak gesprongen.
Fred vindt het maar wat leuk, zo’n zoontje dat niet van hem is
en over wie hij toch mag vaderen.
Dus als moeder toch een degelijke tandarts verkiest
boven de studentikoos levende Fred, opteert Fred voor een co-ouderschap.
Daarbij projecteert hij zijn eigen ambitie
– Fred is reisverhalenschrijver voor bladen-
op het jongetje.
Bram, die is pas uitzonderlijk, die zal nooit ‘confectie’ zijn.
Bram moet ook schrijven – schrijver worden! – vindt Fred,
dus Bram gaat als pre-puber mee op reis,
maakt aantekeningen en dat wordt dan een heuse coproductie.
In Brams puberteit voelt Fred dat de jongen afstand tot hem neemt
en dat wordt er niet minder op als Bram tot leedwezen van het co-ouderstel
een wereldreis gaat maken en verliefd raakt
op een plat sprekende Amsterdamse telefoniste.
Tot zover is Krabbe’s boekje acceptabel.
Als het over verliefdheid gaat op jonge leeftijd en daarmee vanzelf
over spijt en gemiste kansen, is hij op dreef,
zoals in zijn laatste roman Marte Jacobs (2007).
Daar kan hij even naturel over schrijven als in zijn beste werk,
De renner (1978) en de novelle Col d’Uglas – alt 539 (2007):
in dat ‘wielrenproza’, vergeven van dat rare authentieke sporterstaaltje,
scores en tijdsvermeldingen, heeft hij geen last
van de neiging Literatuur te willen scheppen.
Maar in zijn niet-sportgerelateerde boeken
is zijn schrijfstijl kreukvrij en vaak karakterloos.
Met de opgeroepen gevoelens, grote gevoelens, is niks mis in Krabbe’s proza
– integendeel – maar wel met het drama dat hij daar via de intrige van wil maken.
Zo ook in Een tafel vol vlinders, dat fataal ontspoort
doordat hij uiteindelijk het vertelperspectief verlegt
naar de zich zo infantiel uitende en denkende Bram,
dat sprake is van een onwaarachtige karikatuur.
Daardoor laat de portee in dit emo-proza
voor alle gezindten en leeftijden ons onberoerd.
Tim Krabbe, Een tafel vol vlinders,
Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, 92 pagina’s
Tijdens de Boekenweek (11 t/m 21 maart) gratis
bij besteding van minimaal Euro 11,50 aan Nederlandstalige boeken
of als men lid wordt van een bibliotheek.

Matthäus-Passion

Muziek is al weer even niet op deze web log aan de beurt geweest.
Maar in deze tijd van het jaar, met een beginnende lente
en een vastentijd, is het het moment in het jaar om een log te besteden
aan de Matthäus-Passion.
Dit fantastische werk van Bach kent vele uitvoeringen in Nederland
in de Paastijd.
Hier een klein stukje over de achtergrond van het muziekstuk.
Het is een stuk tekst uit de ‘luisterhulp’ die Eduard van Hengel op het internet
ter beschikking stelt aan geinsteresseerden.
Een aanrader.

Website van Eduard van Hengel

Laat je niet afschrikken door de omvang en duur van het werk.
Luister zo lang je wil en luister de volgende keer een ander deel.
Laat je niet afschrikken door al die termen die je niet of wel begrijpt
(Stille Week, lectietoon, celebrant, soliloquentes, sub-diaken,
Exordium, turbae, Conclusio, de Duitse taal, Lutherse kerk,
Gregoriaans, bijbelcitaten, …..)
Je hoeft tenslotte van moderen muziek ook niet perse het aantal
beats per minute te weten om de muziek mooi te vinden en er van te genieten.
Gewoon luisteren.

Geniet van de prachtige muziek, de meeslepende melodieen,
de emotionele zang.


JOHANN SEBASTIAN BACH(1685 – 1750)
Matthäus-Passion (BWV 244, 1727)
“Passio Domini nostri Jesu Christe secundum Evangelistam Matthaeum”

Geschiedenis

De passie is een heel oude kunstvorm.
Reeds in de vierde eeuw worden in de christelijke kerk
tijdens de Stille Week voorafgaande aan Pasen
de passieverhalen zingend voorgedragen,
op eenvoudige lectietoon, met kleine heffingen en dalingen.
Vanaf de negende eeuw komen stelselmatig alle vier de evangelisten,
Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes, aan bod
op respectievelijk Palmzondag, dinsdag, woensdag en Goede Vrijdag.
Vanaf de twaalfde eeuw doet een dramatiserende rolverdeling zijn intree:
de diaken zingt de woorden van de evangelist,
de celebrant vertolkt de Christus-woorden
en de sub-diaken neemt de uitspraken voor zijn rekening
van de soliloquentes (letterlijk ‘alleensprekenden’,
dramatische personages zoals Petrus, Pilatus e.a.)
en turbae (= menigten, zoals soldaten, discipelen en priesters).
Met de opkomende meerstemmigheid worden de turbae
eerst door alle drie de zangers gezamenlijk,
en later door een afzonderlijk koor vertolkt,
dat bovendien een meerstemmig Exordium (opschrift)
en een Conclusio (besluit) uitvoert.
Eind vijftiende eeuw ontstaan motet-passies (o.m. van Obrecht)
waarin het gehele verhaal voor meerstemmig koor is gezet.
Vanaf midden zestiende eeuw vervangt de lutherse kerk
eerst het Latijn door de volkstaal
(onder handhaving van de gregoriaanse lectietoon)
en vervolgens gaan daar de deuren wijd open
voor invloeden uit de Italiaanse opera:
het recitatief verhoogt de dramatische kracht van de evangelietekst,
er komt instrumentale begeleiding bij
en het evangelieverhaal wordt onderbroken door aria’s op vrije
d.w.z. niet aan het evangelie ontleende teksten,
en ter verhoging van de participatie van het publiek
zingt ook de gemeente nu en dan een eenstemmig koraal.
Wanneer deze koralen vervolgens meerstemmig gecomponeerd
en aan het koor toegewezen worden,
hebben we de oratorische passie
waarvan Bachs Johannes- en Matthäus-Passion voorbeelden zijn.
Tezelfdertijd echter komt ook het passie-oratorium op:
een eveneens meerdelig muziekstuk voor koor, solisten en orkest
maar op uitsluitend vrij gedichte teksten
en geselecteerde bijbelcitaten waarin de gedramatiseerde vertelling
van het evangelieverhaal plaats maakt
voor de subjectieve gevoelsuitingen (‘Empfindsamkeit’)
waar het opkomend pietisme om vroeg.
Daar doet Bach, in het orthodox-behoudende Leipzig, dus niet aan mee.
Zijn passies bieden daardoor een maximale varieteit qua tekst en muziek:
een belangrijk motief voor hun populariteit.
Tegelijk besluit Bach met zijn monumentaalste compositie,
qua bezetting en uitvoeringstijd, voorlopig een eeuwenlange traditie
die pas in de twintigste eeuw herleeft
met de Lukas Passion van Penderecki (1966)
en de Johannes Passion van Part (1981).

Wil je een stukje horen.
Dit is een van de aria’s.
Luister naar die prachtige melodische lijn.

Dit is een uitvoering onder leiding van de dirigent Georg Solti
Medewerkers zijn onder andere: Te Kanawa, von Otter, Rolf Johmson,
Krause, Chicago Symphony Orchestra and Chorus

Eduard van Hengel schrijft bij dit gedeelte:

hobo / strijkers
De dialoog tussen solist (I) en koor (II) wordt vervolgd,
met een barok contrast:
waken bij Jezus (tenor)
doet onze zonden inslapen (koor, een wiegelied als refrein).
In het hobothema eerst een levendig, schalmei-achtig signaal,
dan een wiegende melodie.
Zelfs de tenor lijkt knikkebollend in slaap te sukkelen.

Signatuur II

Zoals ik al eerder heb aangegeven, is de tentoonstelling Signatuur
zeer de moeite waard.
Het laat op een mooie manier de ontwikkeling en veelzijdigheid
van het kunstwereldje van Breda en omgeving zien.
Zoals de uitnodiging zegt:

Een keuze van ruim 140 werken van 80 verschillende kunstenaars
verbindt oude en hedendaagse kunst.


De tentoonstelling wordt zo een spannende wandeling door de tijd.
Zoals de uitnodiging zegt:

(de werken)….markeren een boeiende wandeling door een tijdperk
waarin Breda en omstreken langzaam maar zeker
aansluiting vonden op een grotere wereld.


Van een aantal van deze werken kon ik gisteren een foto maken.
En die zie je natuurlijk terug op deze website.



De Geboorte van Christus
Petrus van Schendel
Olieverf op doek
1858

Dit monumentale doek is ruim twee jaar geleden herontdekt
in de H. Kruiskerk in de Brusselse deelgemeente Elsene.
Het was daar buiten gebruik en dientengevolge is het schilderij
nu als langdurig bruikleen terechtgekomen in de verzameling
van het museum.
In het najaar van 2008 is het doek hier in deze zaal gerestaureerd
en vervolgens in de vaste expositie opgenomen.
Het is het grootste schilderij dat van Van Schendel bewaard
is gebleven en waarschijnlijk ook het grootste dat hij ooit heeft gemaakt.
De kunstenaar maakte dit werk niet in opdracht,
maar voor eigen risico.
Na voltooiing heeft Van Schendel het op enkele plaatsen tentoongesteld
en er veel waardering voor gekregen.
Een keer heeft hij een bod op het werk afgeslagen.
Voor een schilder die zich specialiseerde in nachtelijke taferelen
en daarbij de historieschilderkunst als hoogste ambitie koesterde,
is de kerstvoorstelling natuurlijk de uitdaging bij uitstek.
En Van Schendel moet van voorbeelden
van de hand van meesters van vxc3xb3xc3xb3r zijn tijd op de hoogte zijn geweest,
al weten we nog niet hoe precies.
Zijn compositie en stoffering daarvan met figuren vertonen
duidelijke overeenkomsten met nachtelijke kerstvoorstellingen
van Guido Reni en Correggio.
De voorstelling is klassiek van compositie,
met de menselijke figuren in een driehoek gevat.
Links van de kribbe met het Christuskind Maria en Jozef.
De overige personen zijn de herders en herderinnen
die als eersten getuigen waren van de geboorte.
Zij hebben geschenken meegenomen, zoals een mand met duiven
en een brood en, op de achtergrond, een amfoor met drank.
De os en de ezel zijn links, respectievelijk rechts in de voorstelling te zien.
Als plaats heeft Van Schendel gekozen voor een klassieke ruxc3xafne
en niet voor een stal.
Hij heeft deze ruxc3xafne geschilderd naar een voorbeeld
uit de Romeinse stad Palmyra in Syrixc3xab,
waarvan in Van Schendels tijd prenten waren gepubliceerd.



Licht en diepte crexc3xabert Van Schendel met twee fakkels
terwijl de stralen van de ster van Bethlehem het geheel
in een zacht aanvullend licht brengen.
Om ruimtelijke redenen is de originele, monumentale lijst
van het schilderij niet in zijn geheel benut kunnen worden.
Nu is alleen de binnenlijst aangebracht.

Inv.nr. G 2503
Langdurig bruikleen Heilige Kruiskerk, Brussel



Bivak bij Gageldonk
Constant Huijsmans
Olieverf op doek
1832



In verband met de Belgische Opstand moest Huijsmans
zijn studie aan de academie in Antwerpen afbreken
en werd hij gedwongen terug te keren naar Breda.
Hij nam dienst bij de vrijwillige schutterij en trok als foerier door Brabant.
Hij vertoefde onder meer enige tijd op de hei bij Dongen
en maakte daar waarschijnlijk de schetsen voor schilderijen.
Dat zullen veelal details geweest zijn van het soldatenleven
die hij later verwerkte in een romantische landschappelijke omgeving.
In dit geval heeft hij het huis Gageldonk in de Haagse Beemden
bij Breda gebruikt als een fantasievolle stoffering in een heuvellandschap.
De kleurstelling met het morgen- of avondrood
doet denken aan de Duitse romantische landschapskunst uit zijn tijd.


Constant Huijsmans, Bivak bij Gageldonk, detail.

Inv.nr. S 5368
Bruikleen Stichting Stedelijk Museum Breda



Stilleven met sierkistje en anemonen
Jan Bogaerts
Olieverf op doek
1912
Inv.nr. G 30
Bruikleen Vereniging Vrienden van Bredaxe2x80x99s Museum






Umbrische vrouw
Akke Sins
Houtsnede
1966

Akke Sins (1928) is grafisch kunstenares.Ze is van Friese afkomst maar woont al vele jaren in Breda.
Naast vrije grafiek maakt ze veel gelegenheidsgrafiek,
geboorteaankondigingen, ex-libris, vignetten en dergelijke.
Ook monumentale opdrachten heeft ze uitgevoerd,
bijvoorbeeld glas in loodramen voor de Driesprongkerk in Breda.



Deze houtsneden uit de jaren zestig maakte Sins in een figuratieve stijl
die in de verte is afgeleid van het kubisme.
Vele kunstenaars met haar bezigden deze stijl die behalve in grafiek
ook veel werd toegepast in monumentale kunst
als wandschilderingen en glas in lood.

Inv.nr. G 750
Breda!s Museum



Zonder titel
Tom Claassen
Brons
1995

De beelden van de beeldhouwer Tom Claassen (Heerlen 1964)
zijn ooit getypeerd als ‘psychomorfisch’.
De vorm waarin hij zijn mens- en dierfiguren en ook dingen brengt,
roepen meteen een gevoel of een sensatie op.
Hij weet dat effect te bereiken door vormen sterk te vereenvoudigen
en door materiaalgebruik en overdrijving tegelijk ook een karakter
of een toestand uit te beelden.
Dit menselijke figuurtje (ondanks zijn formaat
ziet het er namelijk toch klein uit) wekt de indruk zojuist
heel hard op de grond neergestort te zijn.
Zo hard dat zijn vorm zich op een heel kunstmatige wijze
aan de gevolgen van die val heeft aangepast.
Zulke effecten kennen we van tekenfilms of strips
waarin figuren een harde klap krijgen of van grote hoogte
op de grond vallen en dan helemaal plat worden
of de vorm aannemen van datgene waarin ze terechtgekomen zijn.
Even later zijn ze meestal weer helemaal de oude.



Tom Claassen laat met xc3xa9n rondom zijn sculpturen
een andere wereld ontstaan, waar we ons bevinden in een tekenfilm,
een strip of een kinderboekillustratie.
De fantasiexc3xabn uit die wereld worden ineens een tastbare realiteit,
vaak op een groter formaat dan we verwachten.
Het knappe is dat Claassen deze sensatie weet op te roepen
zonder te leunen op directe ontleningen uit bekende cartoons.
En of het nu voorstellingen zijn van dierlijke en menselijke figuren
of van voorwerpen, al zijn beelden dreigen elk moment
te kunnen gaan leven.
We hebben de neiging ze aan te raken, het materiaal
van hun huid te voelen.
Verleidelijke beelden maar ook een beetje beangstigend.
Een kinderdroom op de grens van het griezelige.

Inv.nr. G 4155
Breda!s Museum



Versteende beweging
Rini Hurkmans
Keramiek
1981

Rini Hurkmans (Deurne 1954) maakt beelden, installaties, foto!s en videofims.
Ze studeerde aan St. Joost maar woont reeds lang in Amsterdam
waar ze doceert aan de Rietveld academie.
Dit keramisch werk is afkomstig uit het stadhuis
van de voormalige gemeente Teteringen.
Bij het werk hingen foto!s waarop de losse delen
op een strand waren geplaatst en werden overspoeld door de opkomende vloed.
Dat is ook het proces die dit werk uitbeeldt:
de kleine golfbewegingen van opkomend water op het zand van een strand.



Inv.nr. G 4007
Breda!s Museum



Gestutte wolk
Sef Peeters
Polyester en beschilderd hout
1981/1983

Een wolk is niet blauw.
En een wolk zweeft uit zichzelf.
Met deze eenvoudige beeldtaal zet Sef Peeters ons even
op het verkeerde been.
Hij benadrukt het artificxc3xable van een kunstwerk.
En wat voor kunstwerk is het eigenlijk?
Een beeldhouwwerk? Een schilderij? Het is iets er tussenin.
Een schilderij dat in onderdelen uiteen is gehaald
en tot een sculptuur is omgevormd.
De vier stutten, zijn dat de vier latten van het spieraam of de lijst?
Het “doek! van het schilderij verwijst alleen door middel van zijn omtreksvorm
naar een wolk, maar bevat verder eigenlijk geen afbeelding.



Vluchtige ingevingen, een gedachte.
Sef Peeters probeert die zo direct mogelijk in zijn kunstwerken vorm te geven.
Woorden, begrippen zet hij om in een ruimtelijke gestalte.
Dat deed hij al in de jaren zeventig met performances en installaties.
En tegenwoordig vooral met taalkunst, het ruimtelijk in spanning brengen
van woorden zodat ze de beschouwer aanzetten tot zorgvuldig kijken en lezen.
En de waarde ervan goed tot zich kan laten doordringen.

Inv.nr. G 570
Breda!s Museum



Met deank aan de tekst:
Signatuur
Kunstenaars en collectie
1800 xe2x80x93 heden
Catalogus
Tekst: Jeroen Grosfeld

Legende van de kristallen schedels

Vervolg van het verhaal van Jane MacLaren Walsh.

Een derde generatie schedels dook op.
Kort voor 1834 kocht Sidney Burney,
een Londonse kunsthandelaar, van Tiffany,
een kristallen schedels van dezelfde grootte
als de schedel van het Brits Museum.
Er is verder geen informatie over hoe hij er precies aan kwam
maar de schedel is bijna dezelfde vorm als van de schedel
in het Brits Museum maar met beter vormgegeven ogen en tanden.
Verder zijn er meer details aan die ogen en tanden.
Daarnaast heeft het een losse onderkaak.
Daarmee is het enig in zijn soort.
In 1943 werd deze schedel door Sotheby’s verkocht aan
Frederick Arthur (Mike) Mitchell-Hedges
Een Engelsman in goede doen, diepzeevisser en
ontdekkingsreiziger.
Altijd goed voor een sterk verhaal.

Sinds de publicatie van Mitchell-Hedges’s memoires (Danger My Ally,
Gevaar mijn bondgenoot) is deze 20ste-eeuwse schedel plotseling
afkomstig van de Maya’s.
Zijn geadopteerde dochter, Anna Mitchell-Hedges
(onlangs op honderdjarige leeftijd overleden) stelde de schedel
soms, prive, tentoon.
De schedel is nu in het bezit van haar weduwnaar.
Verschillende neven en nichten hebben al
een claim op het voorwerp gelegd
De schedel staat bekend al de Schedel van de ondergang,
de Liefdesschedel of gewoon als de Mitchell-Hedges schedel.
Er wordt van verteld dat er blauw licht uit zijn ogen schijnt
en dat het regelmatig hard discs van computers laat crashen.

De Mitchell-Hedges schedel.

In 1936 verscheen er een serie artikelen geschreven door de curator
van het British Museum, Adrian Digby, en de antropoloog G.M. Morant.
In deze artikelen bespraken beide de mogelijkheid dat beide schedels
waren gebaseerd op dezelfde originele schedel.
Digby duidde die als de Middenamerikaanse ‘god van de dood’.

De schedel van het British Museum.

Ondanks dat de kristallen schedels steeds opnieuw worden geidentificeerd
als Azteeks, Tolteeks, Mixteeks of af en toe als afkomstig van de Maya’s,
vertonen ze geen van allen de artistieke en stijlkenmerken van deze culturen.
De Azteken en Tolteken kenden wel doodshoofden maar maakten die
uit basalt, al dan niet bedekt met een stuclaag en beschilderd.
Meestal waren deze hoofden bevestigd aan een muur of aan een altaar.
Ook basreliefen van doodshoofden komen voor.
Soms komen doodshoofden voor als versiering aan een riem.
Vergeleken met de schedels die we hier bespreken waren ze
ruw uitgehakt maar tegelijkertijd natuurlijker.
Zeker in de manier waarop tanden worden afgebeeld.

Chichen Itza, Azteekse schedels op de muur van een platform.

Van de Mixteken zijn gouden schedels bekend maar dat
zijn nauwkeurige afbeeldingen van menselijke gezichten.
Met echte ogen, neus en mond.

Mixteek, gouden dodenmasker, Oaxacal, 1350-1521 na Christus.

De Mayas hakten ook doodshoofden uit maar in relief.
In kalkzandsteen bijvoorbeeld.
Vaak beelden deze schedels, uitgevoerd in profile,
de dagen van hun kalender uit.

A third generation of skulls appeared some time before 1934, when Sidney Burney, a London art dealer, purchased a crystal skull of proportions almost identical to the specimen the British Museum bought from Tiffany’s. There is no information about where he got it, but it is very nearly a replica of the British Museum skull–almost exactly the same shape, but with more detailed modeling of the eyes and the teeth. It also has a separate mandible, which puts it in a class by itself. In 1943, it was sold at Sotheby’s in London to Frederick Arthur (Mike) Mitchell-Hedges, a well-to-do English deep-sea fisherman, explorer, and yarn-spinner extraordinaire.Since the 1954 publication of Mitchell-Hedges’s memoir, Danger My Ally, this third-generation, twentieth-century skull has acquired a Maya origin, as well as a number of fantastic, Indiana Jones-like tall tales. His adopted daughter, Anna Mitchell-Hedges, who died last year at the age of 100, cared for it for 60 years, occasionally exhibiting the skull privately for a fee. It is currently in the possession of her widower, but 10 nieces and nephews have also laid claim to it. Known as the Skull of Doom, the Skull of Love, or simply the Mitchell-Hedges Skull, it is said to emit blue lights from its eyes, and has reputedly crashed computer hard drives. The Mitchell-Hedges skull, top, and the British Museum skull were the subject of a series of 1936 articles in which British Museum curator Adrian Digby and physical anthropologist G. M. Morant debated whether the two were based on the same original skull, which Digby posited was perhaps revered as a Mesoamerican “death god.” Although nearly all of the crystal skulls have at times been identified as Aztec, Toltec, Mixtec, or occasionally Maya, they do not reflect the artistic or stylistic characteristics of any of these cultures. The Aztec and Toltec versions of death heads were nearly always carved in basalt, occasionally were covered with stucco, and were probably all painted. They were usually either attached to walls or altars, or depicted in bas reliefs of deities as ornaments worn on belts. They are comparatively crudely carved, but are more naturalistic than the crystal skulls, particularly in the depiction of the teeth. The Mixtec occasionally fabricated skulls in gold, but these representations are more precisely described as skull-like faces with intact eyes, noses, and ears. The Maya also carved skulls, but in relief on limestone. Often these skulls, depicted in profile, represent days of their calendars.

Turkish Airlines TK 1951

Via mijn werk ken ik iemand die in het vliegtuig van Turkish Airlines zat
dat gisteren is neergestort in Amsterdam (TK1951).
Haar ervaringen zijn gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad.
Dat verhaal herhaal ik hier.



SCHIPHOL xe2x80x93 Een snelle duik naar beneden,
gevolgd door een klap en het gekraak van een in stukken brekend vliegtuig.
Een van de inzittenden van Turkish Airlines vlucht 1951
vertelt wat ze meemaakte bij de crash van het toestel,
vanmorgen bij Schiphol.
xe2x80x9eIk dacht: hoe komen we hier uit?
Links was rook te zien, dus ben ik met de collega naast me
snel aan de rechterkant van het vliegtuig naar buiten gestapt.
We konden uit het toestel komen via een scheur in de romp.
Direct zijn we op zoek gegaan naar mijn derde collega.
Die bleek met stoel en al uit het vliegtuig te zijn geslingerd.
Met zxe2x80x99n tweexc3xabn probeerden we hem uit de modder te trekken,
waarin zijn stoel vastzat.
We kregen zijn arm los, verder lukte niet.
De brandweer heeft uiteindelijk de stoel met hem er nog in losgekregen.”



Anderhalf uur na het ongeluk met de Boeing 737
staat ze nog te trillen op haar benen.
xe2x80x9eHet ging zo snel, we kregen van tevoren geen waarschuwing.
Het vliegtuig maakte tijdens de nadering van Schiphol
ineens een steile duikvlucht. Toen was er een enorme klap.”

De jonge vrouw, die met een aantal collegaxe2x80x99s terugkwam
van een zakenreis naar Istanbul,
is zelf lichtgewond aan haar hoofd en arm.

xe2x80x9eWe zijn ongeveer een uur na het ongeluk opgevangen
in de schuur van een boerderij.”

Rond het middaguur werden alle lichtgewonden daar samengebracht.

xe2x80x9eOm me heen zie ik enkele tientallen mensen.
Sommigen liggen en zijn gewond.
We worden straks allemaal nagekeken door een arts.”

Alle slachtoffers in de schuur zijn door hulpverleners
voorzien van gele dekens.
De ooggetuige maakt zich grote zorgen over de collega
die met zijn stoel uit het vliegtuig werd geslingerd.

xe2x80x9eHij is ernstig gewond en raakte buiten kennis
toen we bij hem stonden.
Ik kon zien dat hij op veel plekken gewond was.
Ambulancepersoneel heeft hem afgevoerd,
maar ook zij maakten zich zorgen.
Hoe het nu met hem is weet ik niet.”

De vrouw heeft inmiddels contact gehad met haar familie.
xe2x80x9eZe zijn enorm geschrokken, net als ik.
Maar het is een groot wonder dat ik gespaard ben gebleven.
Als het vliegtuig iets later was neergekomen
waren we midden op de A9 geland.
Ik moet er niet aan denken wat er dan was gebeurd.”

Onvoorwaardelijke overgave

“Unconditional Surrender”
a 25-foot, 6,000 pound statue
by world-renowned artist J. Seward Johnson
commemorating a famous World War II photo
was unveiled Feb. 10 at Mole Park in San Diego.

“Onvoorwaardelijke overgave”

Een heel bekende foto gemaakt op 14 augustus 1945
door de beroemde fotograaf Alfred Eisenstaedt
is door een eigentijdse kunstenaar
verwerkt tot een beeld:

Alfred Eisenstaedt, de foto.


J. Seward Johnson, het beeld.


25 feet hoog = 7,62 meter
6 000 pound aan gewicht= 2.721,55422 kilogram

Deze informatie heb ik ontvangen van Jack Gravemaker
die me regelmatig foto’s aanreikt voor op mijn weblog.
Bedankt!

Soot from the funnel

Door mijn recente bezoeken aan en web logs over Lokaal01
ben ik in contact gekomen met de medewerkster verantwoordelijk voor
de publiciteit: Griet Menschaert.

Met haar heb ik een soort interview gehouden.
Ik heb via e-mail een paar vragen gesteld.
Vervolgens heb ik soms aan de vraagstelling wat gewijzigd
omdat mij bepaalde zaken vooraf niet duidelijk waren.
Als er dus een fout staat nu, dan is dat volledig mijn schuld.
De vragen en antwoorden volgen hier.

Hoe is de tentoonstelling tot stand gekomen?

Wij hebben hier voor het eerst en samen met Fieldgate Gallery
deze kunstenaars bijeen gebracht.
Felix Schramm, Christophe Terlinden, Simon Kentgens, Harald Hund & Paul Horn en Erwan Maheo exposeerden al eerder bij Lokaal 01
en zijn ook door ons aangebracht.
Alle anderen zijn via Richard Ducker van Fieldgate Gallery voorgesteld.
Het is een wederzijds proces en gezoek geweest,
niet zozeer vanuit een strenge (verhalende) inhoudelijk dogma,
maar veeleer vanuit een gezamenlijke liefde voor het beeld.
Fieldgate heeft deze tentoonstelling ook vermeld op haar website,
omdat zij hier een even grote bijdrage als wij aan geleverd hebben.
Maar het vindt dus in Breda voor het eerst plaats.

Kate MccGwire.

Als je kijkt naar de tentoonstelling Soot from the funnel,
Wat is dan je reactie op de tentoongestelde stukken.

Mijn excuses, maar de reacties laat ik liever aan het publiek over.
Het valt wel op dat de duivenveren en de Dropping Furniture
er bij de meesten het gemakkelijkst in gaan.


Harald Hund & Paul Horn.

Lokaal01, Antwerpen en Breda?

Lokaal 01_Antwerpen en Lokaal 01_Breda worden door hetzelfde personeel bevolkt.
Zij zijn in samenhang ontstaan.
Wij zijn dan ook een Belgisch-Nederlandse instelling met twee dependances,
al zijn onze kantoren in Breda.
Onze directeur woont in Antwerpen en wij gaan met zijn allen geregeld heen en weer.
Veel kunstenaars die in Antwerpen een werkperiode hebben doorgebracht
(steeds een drietal weken met aan het eind een presentatieweekend),
nodigen wij vaak (soms jaren) later nog eens uit om deel te nemen
aan een tentoonstelling in Breda.
De kunstenaars gaan dus tussen de beide landen en steden heen en weer
en hun netwerk verbreedt op die manier.
Wij merken bovendien dat door deze dynamiek
veel van onze kunstenaars opgepikt worden door
belangrijke hedendaagse kunstmusea.

Soot from the funnel, waarom deze titel??

De titel komt overigens van een bordje op de ferry
die van deze kant naar de andere kant van het Kanaal vaart
(de verbinding tussen Fieldgate Gallery Londen en wij).
In de bedoelde betekenis vond ik bijvoorbeeld in wikipedia:
“A number of alterations to the original design of the Diana II
has been made during the years.
Already during her first year of Viking Line service,
her decks were heavily polluted by *soot from the funnel*.
The funnel received extended smoke pipes but as the problem persisted,
the screen on the rear top of the funnel was removed.
After another extension of the smoke pipes,
the problem was eventually solved but
made the ship’s exterior appearance rather odd.”

Soot from the funnel betekent letterlijk: roet uit de tunnel
(en die staat op de ferry en dat roet kan dus
vieze vlekken nalaten op meubels en kleding).

Griet Menschaert, hartelijk bedankt!

Kerst gearriveerd

Dat mijn werkgever een Amerikaan is weet u misschien al wel.
Daar doen ze alles in het groot.
Ook de kerstdecoraties.
Maandag keek ik toch even op bij deze versiering:






Hier heb ik even geholpen, het is immers Rudolph the red nosed reindeer.