Tim Krabbe: een tafel vol met vlinders

Idereen heeft altijd medelijden met de schrijvers van boekenweekgeschenken.
Onzin lijkt me.
Als je kunt schrijven is deze opdracht/dit verzoek, niet anders
dan een boek waartoe je zelf besloten hebt te schrijven.
Tim Krabbe heeft het probleem, althans wat mij betreft,
dat het resultaat te gekunsteld is.
Ik las eerder van hem De Grot.
Natuurlijk heeft ieder boek iets gekunsteld. Hier in de novelle
is de uitdaging dat het erg kort moet zijn.
Maar als je een boek van Krabbe leest is de structuur te duidelijk
in het verhaal aanwezig.

Het verhaal bestaat uit 4 stukken:

hoofdstuk 1: Het vijverspook
pagina 5 t/m 30:
“En ineens wist hij het: dit is het omslagpunt”;
pagina 30 t/m 46:
deel twee van het eerste hoofdstuk;

hoofdstuk 2: Het scherfjepagina 46 t/m 81:
“Met iedere trap wist ik: alles is veranderd.;
pagina 82 t/m 89: deel twee van het tweede hoofdstuk;

Tot aan pagina 30 de introductie en opbouw van de vader-zoon relatie.
Vervolgens tot aan pagina 46 de teruggang in die relatie.
Vervolgens tot aan pagina 82 de opbloei van de liefde.
Vanaf 82 het afscheid van de liefde en het leven.
Het ligt er zo dik bovenop.

Om te begrijpen wat de Maori met dit boek van doen hebben moet je het natuurlijk even lezen.

Dan zijn taalgebruik.
Ik heb het gevoel dat er minder alledaagse woorden en zinsconstructies gebruikt worden
om te laten zien dat Krabbe een geweldig schrijver is.
Bij mij roept dat tegenovergestelde gevoelens op:

Pagina 5:
“Tussen het gruis lagen stukken obsidiaan,
zwart en dof glanzend als de scherfranden van een zwart cocktailglas
dat hij eens kapot had laten vallen.”

Wikipedia:Obsidiaan is een natuurlijk voorkomend vulkanisch glas.

Pagina 6:
“De wind was hier snijdend.
Het was geen erg diepe krater;
langs de binnenwand voerde een paadje naar de bodem,
waar in het midden weer een zwart gruisbergje was.
Op de ringvormige vlakte daaromheen
hadden voorgangers namen gelegd met lichter gekleurde stenen,
sommige in het cyrillisch.”

Wikipedia:Het cyrillische alfabet is het alfabet dat in zes Slavische talen gebruikt wordt.

Pagina 38:
“Hij hield zijn duim omhoog naar de stroom onverschillige auto’s;
een jongen van negentien in een blauwe anorak,…”

Wikipedia:Een anorak is een zware jas met aangehechte capuchon,
veelal gewatteerd of met bont gevoerd.

Het gebruik van minder alledaagse woorden is op zich geen probleem.
Maar in het verhaal heeft het naar mijn gevoel geen functie.

Het leest erg snel uit.

Pagina 41:
“Het alleenstaan van het vijverspook was geen sterk alleenstaan geweest,
maar een zwak alleenstaan.”

Pagina 43:
“Fred vroeg zich af of hij de bespotting zag.
Hij had zijn rijbewijs gehaald om overal ter wereld te kunnen rijden;
nu gebruikte hij het om in Amsterdam pakjes uit de hele wereld rond te brengen.”

Pagina 46:
“Maar terwijl hij praatte kreeg hij het gevoel dat Bram,
zonder aan het woord te zijn,
was gaan zwijgen.”

Pagina 66:
“Nu moet ik zeker drie weken langer werken voor ik weg kan.
Nu kan ik zeker drie weken langer van Emma genieten voor ik wegga.”

Pagina 68:
“Ik zei dat ze geen Emma was maar een dilemma….”

Pagina 85:
“Wie laf is moet dapper zijn.”

Allemaal wat gekunstelde constructies.
Ze lijken misschien goedgevonden maar het ligt er allemaal zo dik bovenop.
Overigens kun je een prima samenvatting en een aantal recenties vinden
op de volgende website:
Scholieren.com/boekverslagen

Met dieren heeft het boek niets van doen,
dus ook niet met het thema van de boekenweek.
Slechts op een paar plaatsen komen de vlinders naar voor.
Nog het opvallendst op de kaft en op pagina 86:
“De rest van mijn leven is een tafel vol vlinders.
Iedere seconde vliegt er een weg.
Als de tafel leeg is ben ik dood.

Het gebrek aan dieren aak ik hier dan maar even goed.

De Argusvlinder.

Pagina 75:
“Staat dat daar echt? ‘Emma’ en ‘twijfel’,
die twee woorden zo dicht bij elkaar?
En nu komt er een nieuwe gedachte bij me op,
een gedachte die mij doet huiveren.
Maar eerst een regel wit.
Zie je Fred, ik volg je lessen.’
De regel wit is een krachtig uitdrukkingsmiddel.’
Evenals de alinea.

Recentie verschenen in Vrij Nederland:
Een tafel vol vlinders – Tim Krabbe, 14-03-2009
Door Jeroen Vullings

Het schrijven van het Boekenweekgeschenk is niet eenvoudig.
In de eerste plaats door de streng opgegeven omvang
– die van een novelle.
Echte schrijvers werken niet zo dat ze hun hele hebben en houden,
de uitstalkast van hun talent, ambitie, zeggingskracht en verbeelding
op commando kunnen posteren in ruim negentig pagina’s.
Ook is het een belemmerende gedachte
dat een jaarlijks aanzwellend massapubliek (nu: 968.000 exemplaren)
je pennenroersel gratis ontvangt bij de aankoop van andere boeken.
Bovendien mogen ze dankzij de vrucht van je inspanningen
ook nog eens een dagje gratis met de trein.
Zoveel gratis lijkt bij voorbaat een schaamlapje voor de abominabele kwaliteit.
Je moet als schrijver sterk in je schoenen staan,
wil je daar niet over gaan liggen tobben.
Nog erger is het als je, bezield van competitiedrift,
vervuld raakt van de gedachte:
ik ga die 968.000 lezers voorgoed voor me winnen.
De rest van hun leven – lange leven, want er zitten vast jonge lezertjes bij
– talen ze alleen nog maar naar de nieuwe Tim Krabbe.
Dan ga je je boekje daar misschien wel op afstemmen
en verwar je eenvoud van geest,
in een taal die voortijdige schoolverlaters kunnen behappen,
met de schone letteren.
Krabbe’s gratis psychologisch-realistische novelle Een tafel vol vlinders
opent met waarachtig aandoende problematiek
uit het alledaagse moderne leven.
De adolescent Fred ontmoet in zijn jonge jaren een vrouw met kind;
het jongetje heet Bram.
Brams vader Menno is kort na diens geboorte van het dak gesprongen.
Fred vindt het maar wat leuk, zo’n zoontje dat niet van hem is
en over wie hij toch mag vaderen.
Dus als moeder toch een degelijke tandarts verkiest
boven de studentikoos levende Fred, opteert Fred voor een co-ouderschap.
Daarbij projecteert hij zijn eigen ambitie
– Fred is reisverhalenschrijver voor bladen-
op het jongetje.
Bram, die is pas uitzonderlijk, die zal nooit ‘confectie’ zijn.
Bram moet ook schrijven – schrijver worden! – vindt Fred,
dus Bram gaat als pre-puber mee op reis,
maakt aantekeningen en dat wordt dan een heuse coproductie.
In Brams puberteit voelt Fred dat de jongen afstand tot hem neemt
en dat wordt er niet minder op als Bram tot leedwezen van het co-ouderstel
een wereldreis gaat maken en verliefd raakt
op een plat sprekende Amsterdamse telefoniste.
Tot zover is Krabbe’s boekje acceptabel.
Als het over verliefdheid gaat op jonge leeftijd en daarmee vanzelf
over spijt en gemiste kansen, is hij op dreef,
zoals in zijn laatste roman Marte Jacobs (2007).
Daar kan hij even naturel over schrijven als in zijn beste werk,
De renner (1978) en de novelle Col d’Uglas – alt 539 (2007):
in dat ‘wielrenproza’, vergeven van dat rare authentieke sporterstaaltje,
scores en tijdsvermeldingen, heeft hij geen last
van de neiging Literatuur te willen scheppen.
Maar in zijn niet-sportgerelateerde boeken
is zijn schrijfstijl kreukvrij en vaak karakterloos.
Met de opgeroepen gevoelens, grote gevoelens, is niks mis in Krabbe’s proza
– integendeel – maar wel met het drama dat hij daar via de intrige van wil maken.
Zo ook in Een tafel vol vlinders, dat fataal ontspoort
doordat hij uiteindelijk het vertelperspectief verlegt
naar de zich zo infantiel uitende en denkende Bram,
dat sprake is van een onwaarachtige karikatuur.
Daardoor laat de portee in dit emo-proza
voor alle gezindten en leeftijden ons onberoerd.
Tim Krabbe, Een tafel vol vlinders,
Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, 92 pagina’s
Tijdens de Boekenweek (11 t/m 21 maart) gratis
bij besteding van minimaal Euro 11,50 aan Nederlandstalige boeken
of als men lid wordt van een bibliotheek.