Water terug in de stad.

Het eerste deel van de nieuwe haven is af.
De haven is weer open en vollop in gebruik.
Een aanwinst voor de stad.







Het water straks weer langs ‘de Trapkes’.







Hier bouwt men “Aan de kade”.







Markendaalseweg.
De auto komt uit de Barones-parkeergarage.






Rechts was vroeger het politiebureau,
midden voor de Sociale Verzekeringsbank.


Indian summer

Vorig weekend was het weer in Nederland prachtig.
Met de zon, blauwe lucht, de herfstbladeren in alle kleuren
leek het wel een ‘Indian summer’.

‘Indian Summer’ en het veelzijdige noordoosten van de Verenigde StatenEen typisch verschijnsel in het oosten van de Verenigde Staten is de xe2x80x98Indian Summerxe2x80x99. Na de eerste stevige nachtvorst in het najaar stuurt een enorme subtropische luchtstroom – die zich uitstrekt van het Grote Meren-gebied tot de Golf van Mexico – de koude poollucht tijdelijk terug naar het noorden.

Een echte Indian Summer duurt minimaal drie dagen, maar kan het ook wel eens twee weken volhouden. De temperaturen lopen op tot rond de 20 graden Celsius overdag en xe2x80x99s nachts blijft het minimaal boven het vriespunt. Behalve vanwege het heerlijke weer is de Indian Summer geliefd om de spectaculaire herfstkleuren. Die ontstaan doordat de eerste nachtvorst de bomen het sein geeft de voedseltoevoer naar hun bladeren te stoppen.


Tekst van de Djoser web site.




Foto uit Breda.

Rondvaart Breda

Tijdens de rondvaart afgelopen zaterdag heb ik naast het groen
en de bruggen ook ‘klassiek’ Breda gefotografeerd.
Ik bedoel daarmee een groot aantal herkenbare plaatsen en gebouwen.
Herkenbaar zeker voor de mensen die in Breda wonen of er
ooit eens geweest zijn.
Het begint met het zicht op de Grote Kerk en het Spanjaardsgat.
Door de werkzaamheden aan de haven zijn deze gebouwen
jaren niet te fotograferen geweest vanuit dit perspectief.
Vanaf de Nieuwe Prinsenkade ziet het er als volgt uit.


Het weer zat ons natuurlijk enorm mee.
Je moet er niet aan denken dat het zo’n regen was als vandaag.
Als ik nu naar buiten kijk is het grijs, het regent,
het is koud (nou fris dan toch).
Dat was gelukkig zaterdag wel anders


Onder de nieuwe Hoge Brug door komen de Spinola
en het Spanjaardsgat vol in beeld.



Langs het water zien we ook deze muurschildering.
Je ziet je moet het begrip ‘klassiek’ wat ik gebruik om deze foto’s
te omschrijven niet al te letterlijk nemen.


De Academiesingel vanaf het water.


Breda is een stad met een enorme militaire geschiedenis.
De kazernes besloegen grote delen van de stad en doen dat
vandaag de dag nog steeds.
Belangrijk daarbij is de KMA (Koninklijke Militaire Academie).
De studenten hebben onder andere een roeivereniging.


Zoals in iedere stad doen kunstwerken in de openbare ruimte
nogal eens stof opwaaien.
Dat geldt ook voor deze ‘vuurtoren’.


Blijkbaar heeft hier een jamfabriek gestaan die later
bekend is geworden als de Hero.
Maar ik kan deze bewering van onze gids niet bevestigd krijgen.
Ook de website van de Hero biedt geen uitkomst.
De gids wijst nog op de versiering aan de gevel.
Die vruchtvormen zouden duiden op de jam
en conserveringsoorsprong van het bedrijf.


De ‘Koepel’ komt in zicht.
Dit is de gevangenis.
De ‘Drie van Breda’ zaten hier bijvoorbeeld.
Er tegenover ligt het voormalige Sint Ignatiusziekenhuis.
Het ziekenhuis heeft al een aantal jaren andere huisvesting
en eigenlijk bestaat het niet meer.
Door fusies is het nu onderdeel van een groot ziekenhuiscomplex.


De Watertoren in het Wilhelminapark.


Op de plaats van een van de voormalige kazerne
is een moderne wijk opgetrokken.
Deze flat is daar een onderdeel van.
Onze boottocht begon pas na 1&:00 uur en de zon
verdween al snel.
Dat is op de foto’s goed te zien.

Het belastingkantoor verscholen tussen de bomen.


De kantine van het gerechtsgebouw.


De St. Annakerk. Haagweg.


Helaas is niet alles mooi in Breda.
Hoe iets dergelijks door een schoonheidscommissie
van onze gemeente komt is mij een raadsel.

Het Kapucijnenklooster ligt aan de singels.

De brandweerkazerne. Kruising Lunetstraat Tramsingel.

Tot in de jaren ’60 kwamen in dit deel van de singels nog
schepen hun lading lossen.
Er was hier een vestiging van de Boerenbond,
naast de fabriek van de Etna.
Nu liggen in dit deel van de singels woonboten.
En deze moderne woorboten worden steeds groter en luxer.

Dit is een restant van de aanlegsteigers
zoals die hier in de singels lagen.

In de verte de KMA en rechts De Prins.
Op de plaats van de Prins lagen vroeger de Gasfabriek en de Kwatta.

Het werd al langzaam donker en koud in de nieuwe haven van Breda.

Lees verder

Industrieel erfgoed ?

Het is nog geen industrieel erfgoed.
Maar dat kan het best snel worden.
De CSM, de suikerfabriek, ligt al stil.
Het gebied waar onder andere deze fabriek ligt,
hapt een heel groot stuk uit de stad Breda.
Je kunt je voorstellen dat de bouwondernemingen, projectontwikkelaars,
architecten en dergelijke, reikhalzend uitzien naar het moment waarop
ze dit kunnen gaan omzetten in een nieuwe stadswijk.
Maar nu staan de suikersilo’s er nog.
Vanaf het water kon ik ze mooi vastleggen.



Historische kilometer

Afgelopen zondag heb ik niet alleen foto’s gemaakt van roodharigen.
Ik heb mijn wandeltocht gebruikt om nog wat foto’s te maken van Breda.
Mijn eigen historische kilometer zullen we maar zeggen.



De Tramsingel (gezien vanaf de brug Haagdijk/Nieuwe Haagdijk, de ‘Simonse brug’)



De nieuwe haven van Breda.



De nieuwe Hoge Brug.



Het Kasteel van Breda, links van de oprijbrug.



Het Kasteel van Breda, de ingang.



Het Kasteel van Breda, rechts van de brug.



Het Kasteel van Breda met brug.



Smalle doorkijk met zicht op de Grote Toren vanuit de Cingelstraat.



Cingelstraat met rechts een deel van de KMA.



Cingelstraat, zij-ingang van de KMA.



Wachthuisje met daarachter de rechter toren van het Spanjaardsgat.



Cingelstraat, een van de best bewaarde geheimen van Breda.



Het Spanjaardsgat.



De Tramsingel vanaf de brug bij de Lunetstraat.
In het midden de voormalige St’Annakerk, links (onzichtbaar)
het Kapucijnenklooster.
Rechts (onzichtbaar) de voormalige Ijzergieterij Cozijn (is dat de juiste spelling?),
nu winkelcentrum de Lunet.

ANP

Op de website van het ANP kun je vele foto’s bekijken.
Ik heb er eens gezocht met als zoekterm “Breda”.
Naast heel veel andere foto’s kwam ik de volgende twee foto’s tegen
van rond 1930:



Paard met wagen en huif op de kade aan de haven in Breda, 1932.

Hoe dat nu precies zit met die kar en dat paard is mij niet helemaal duidelijk.
Daarvoor is de foto te onduidelijk.
Wel duidelijk is dat de foto genomen is ter hoogte van de nieuwe Hoge Brug.
Schuin tegenover daar waar nu restaurant Luden gevestigd is.



Houten handkar in de Karrestraat in Breda, 1931.

Het begijnhof in Breda

Gisteren heb ik wat foto’s gemaakt van onder andere het Begijnhof
in Breda.
De tekst die ik hierbij plaats komt van de web site
van het gemeente archief.
Ik heb de verwijzingen naar archiefstukken verwijderd.
Hier en daar een typefout aangepast.
De oude foto’s komen van de web site van het Breda’s museum.



Een foto van de begijnen gemaakt in 1966.

Het ontstaan van begijnhoven in de Nederlanden.
In de 12e eeuw ontstaat een beweging van religieuze vernieuwing,
die zich niet beperkt tot de geestelijkheid,
maar ook onder de leken een grote weerklank vindt.
Religieuze idealen als vrijwillige armoede en kuisheid
staan bij deze beweging centraal.
Nieuwe kloosterorden ontstaan.
In de 12e eeuw ontstaat bijvoorbeeld de orde van Premonstratenzers
ook wel genoemd Norbertijnen of Norbertinessen.

Dicht bij Breda is hier een voorbeeld van te vinden.
Zo kwam er in Antwerpen in 1124 het norbertijnenklooster Sint Michiels.
Dit was aanvankelijk een dubbelklooster voor zowel mannen als vrouwen.
Er zijn sterke aanwijzingen dat de vrouwentak in 1271 opging
in het door de heren van Breda gestichte Norbertinessenklooster Catharinadal.
Dit was eerst in Wouw gevestigd, later ging dit klooster naar Breda.

In de 13e eeuw kwamen de bedelorden van Dominicanen en Franciscanen op.



Vooral veel vrouwen voelden zich aangetrokken tot de nieuwe idealen.
Voor een deel konden deze vrouwen opgevangen worden
in de nieuwe kloosters, voor een ander deel bleven zij een gewoon leven leiden
in de wereld.
Zij kunnen namelijk niet allemaal opgenomen worden in de kloosters,
want de ene kloosterorde na de andere gaat zich verzetten
tegen opname van vrouwenkloosters in de orde.
Het stichten van vrouwenkloosters stagneert daardoor.
De vrouwen die geen onderdak in een klooster kunnen vinden,
of misschien zelfs niet eens willen, worden begijnen genoemd.
Zij leven individueel of in groepjes.
Een meer permanent karakter krijgt de begijnenbeweging
als er instellingen voor begijnen ontstaan,
de begijnhuizen en begijnhoven.
Deze instellingen worden in de Nederlanden voor het eerst vermeld
in het tweede kwart van de 13e eeuw.

De begijnhoven werden vaak gesticht door een landsheer,
een geestelijke of een rijke burger.
In 1240 stichtte een Gerardus de Werpa een hof te Antwerpen.
De begijnen die eerst in de omgeving van het hospitaal Klapdorp woonden,
kregen daarmee een definitieve huisvesting.
De begijnen van Brussel kregen in 1251 van de bisschop
toestemming op een hof te wonen.

Een centrale plaats binnen de nieuwe hoven
namen de hospitalen of ‘infirmeriexc3xabn’ in.
De infirmerie was bestemd voor de huisvesting van arme en zieke begijnen.
Later werden soms ook vrouwen van buiten toegelaten in de infirmerie.
Voor een bepaald bedrag konden deze opgenomen worden in de infirmerie.

Direct gekoppeld aan de infirmerie was een kapel.
De stichting van een beneficie of altaar in de kapel
werd gebruikt om een eigen priester te kunnen aanstellen.
In Gent werd in het jaar 1235 een kapelanie gesticht
op het begijnhof door Johanna van Constantinopel.
Reeds een jaar later werd er een priester benoemd.
Het hofje in Antwerpen kreeg in 1245 een eigen priester.

Breda past goed in het patroon van de andere hoven.
Het werd gesticht in 1267 door de heer van Breda.
In de stichtingsakte wordt een kapel met kerkhof nadrukkelijk genoemd.
Een infirmerie wordt in de stukken pas genoemd op 18 juli 1343.
Het is dus onduidelijk of er van het begin af aan
een infirmerie op het hof was.



Het Begijnhof wordt op dit moment gerenoveerd.

Stichting van het Bredase hofje
Al voor 2 maart 1267 woonden er begijnen te Breda.
In dat jaar gaf heer Hendrik van Breda de grond
waarop ze woonden aan hen in volle eigendom.
Ze kregen bovendien toestemming op die grond een kapel
met kerkhof te stichten.

De grond die de begijnen toen in eigendom kregen
lag tussen het kasteel van de heer en de stad.
Het hof lag net buiten de toenmalige stadsmuren.
In een akte uit 1296 wordt gezegd dat het hof tegen Breda aanlag (xe2x80x98apud Bredaxe2x80x99)
Of heer Hendrik of zijn voorganger Godfried
de begijnen naar Breda heeft gehaald, is niet zo duidelijk.
Bij deze schenking moet eerder aan Godfried IV
gedacht worden dan aan zijn zoon Hendrik.
De gift paste geheel in Godfrieds overdaad aan schenkingen,
gedaan op zijn sterfbed in Schoten;
een welwillendheid die zijn erfgenamen sterk zou verarmen.

Verbrokkeling domein
De royale schenking van grond aan de Caterstrate was
in het licht van wat de gevolgen waren
raadselachtig en amper in zijn welbegrepen eigenbelang.
Hij dreef door die schenking immers een wig
tussen het centrum van zijn domein en de bijbehorende bedrijfsruimten.
Vermoedelijk, omdat hij niet in Breda resideerde,
had hij wat minder oog voor de moeilijkheden,
die een dergelijke verbrokkeling van het domein
op die plaats met zich mee konden brengen.
Zeker na de aanleg van een stadswal in diezelfde periode
bleef hem slechts een smalle corridor als verbinding
tussen zijn castellum en zijn agrarisch centrum,
dat voortaan achter het begijnhof in de hovinge Valckenberge lag.

Begijnen geven percelen in cijns uit
Ofschoon het geschonken land aan de Caterstrate lag,
hebben de begijnen zich van die straat afgewend
door een brede strook grond erlangs in erfcijns aan poorters uit te geven.
Daarachter lieten ze de beghinengracht graven als afscheiding van hun hof.
De opbrengst van die uitgifte was mede bestemd
voor het onderhoud van de begijnen.
Uit de cijnsregisters van het begijnhof uit 1400 en 1427 blijkt
– in combinatie met de gegevens verkregen uit de vestbrieven xe2x80x93
dan ook dat de begijnen cijnzen hieven van een aaneengesloten reeks percelen,
gelegen ten zuiden van hun hof aan de Caterstrate
en aan wat later heette het Kasteelplein.
Waar het begijnhof ophield en het gebied van de heer begon,
was herencijns verplicht.
De scheiding tussen beide cijnsblokken was messcherp.

Beghinenstrate
De uitgifte van percelen langs de Caterstrate
had wel tot gevolg, dat de ingang van het begijnhof
kwam te liggen aan de Beghinenstrate.
Of zij die ‘zijstraat’ hebben aangelegd of dat daar al een weg liep
naar de burcht, kan alleen door archeologisch onderzoek worden aangetoond.
De straatnamen Beghinenstrate en Borchtstrate komen pas voor
in bronnen uit de veertiende en vijftiende eeuw.

Meer dan drie jaar later bevestigt de bisschop van Luik
het recht van de begijnen om een kapel met kerkhof op te richten.
Er is dan sprake van de xe2x80x98novella congregatio beginarumxe2x80x99
(nieuwe begijnencongregatie) wat er op wijst
dat het hof nog niet lang bestond.
De begijnen hebben het recht een eigen kapelaan te hebben.
Voor de kapelaan en het kerkhof moeten wel de bestaande rechten
van de parochiekerk gerespecteerd worden.

De kapel moet spoedig zijn opgeleverd, want in 1291
is er al sprake van een kapel gewijd aan de heilige Catharina op het begijnhof.
Vier jaar later jaar verleent het bidom Luik een aflaat
van 40 dagen aan hen, die op verschillende kerkelijke feestdagen
de kapel bezoeken.
Een aflaat zorgde ervoor dat de persoon een bepaalde tijd
korter in het vagevuur zou moeten doorbrengen na zijn dood.
Een aflaat zou
het bezoek aan de kapel bevorderen
en hiermee zorgen voor een regelmatige inkomstenstroom van giften van bezoekers.

Ketterijen
Kort daarna breekt er een moeilijke periode aan voor de begijnhoven in heel Europa.
In 1311 worden de begijnen verdacht van ketterse sympathiexc3xabn en veroordeeld.
De bisschop van Luik blijft de Bredase begijnen steunen.
In 1326 verleent hij hen nog eens een extra aflaat
voor bezoekers aan hun kapel.
Vier jaar later, in 1330, pleit de bisschop van Luik
hen definitief vrij van ketterse sympathiexc3xabn na een grondig onderzoek.

Een eigen kapelaan en begraafplaats
De relatie tussen begijnhof en parochiekerk was bij de stichting
niet duidelijk geregeld.
De bisschop van Luik had in 1270 de begijnen het recht gegeven
op een eigen kapelaan en een begraafplaats.
Daarbij was duidelijk gezegd dat zij de rechten
van de parochiekerk van Breda moesten respecteren.
Pas in 1343 keurde het kapittel een reeds bestaande overeenkomst
tussen begijnhof en pastoor goed.
Deze regeling hield in dat het hof als vergoeding
voor het laten begraven van begijnen en anderen op het hof
aan de pastoor jaarlijks 9 groten betaalde.
De begijnen kregen het recht zelf een kapelaan te kiezen
voor hun geestelijke zorg.
Al eerder, in 1301, had een Engelbrecht van den Einde
een altaar gesticht in de kapel van de begijnhof.
Met de inkomsten van dit altaar kon een kapelaan betaald worden.
Het kapittel van Breda had het recht een kapelaan
aan dit altaar te benoemen.
Uit een latere bron weten we dat de inkomsten van het altaar
20 veertelen rogge bedroegen en 7 gulden.



Datum van de foto is bij mij onbekend.

Huizen op oude hof
In het jaar 1480 bevatte het hof 16 huizen
bewoond door 37 personen.
Omstreeks 1500 breidde het begijnhof uit met een nieuwe poort
en enige daaraan grenzende woningen.
Ook de rekeningen bevatten vele posten die
op grote bouwactiviteit wijzen in deze periode.
Er werd onder andere een nieuwe kerk gebouwd.
In 1526 telde het Begijnhof 22 huizen.

Verplaatsing in 1527
Graaf Hendrik III van Nassau (1504-1538) maakte grootse plannen
om zijn kasteel uit te breiden en te maken tot een echt renaissancepaleis.
Voor de uitvoering moest het begijnhof, dat voor tegen de burcht aan lag,
verplaatst worden.
Reeds in 1527 vonden er onderhandelingen plaats tussen de graaf en de begijnen.
Er werd besloten het hof te verplaatsen naar het oostelijke deel
van het Valkenberg, de plaats waar het zich nu nog bevindt.
De stadsbrand van 1534 die grote delen van Breda verwoestte,
heeft waarschijnlijk het nieuwe hof niet geraakt.
Reeds in juli 1535 verhuisden de eerste begijnen.
De bestaande Wendelinuskapel ging functioneren als eigen kerk.
Graaf Hendrik van Nassau liet een muur bouwen van de gesloopte stadsmuren
tot aan de Catharinastraat.
Deze muur werd gebouwd met de stenen die waren vrijgekomen
van de sloop van het ‘huys Valckenberg’.
Het restant van dit materiaal mochten de begijnen gebruiken
voor de bouw van hun huizen.
Voor de bouw van zeven huisjes stelde graaf Hendrik 300 Rijnse guldens beschikbaar.
Het metselwerk duurde meer dan 15 weken.
Er moesten voor 23 begijnen huizen gebouwd worden.
In 1536 werd al begonnen met de aanleg van een tuin
en een bleekveld.
De begijnenhuisjes waren oorspronkelijk eenlaags.
In elk huisje was plaats voor twee begijnen.
Een huis bestond uit een woonkeuken met stookplaats,
een kelder met tongewelf en een opkamer met stookplaats.
Pas in de 18e eeuw zijn de huisjes met een verdieping verhoogd.
Waarschijnlijk is dit perceelsgewijze gebeurd,
wat de verticale bouwnaden in de voorgevels verklaart.

De ingang van het Begijnhof lag aanvankelijk in het Valkenberg,
daar waar nu de westmuur een sprong buitenwaarts maakt.
Rechts van de poort sloot een noordzuidwaartse muur
op de traptoren van de Wendelinuskapel aan.
In 1544 lieten de meesteressen van het hof drie huisjes bouwen
voor die Valkenbergse poort en tegenover de westgevel van de Wendelinuskapel,
op een rijtje van noord naar zuid.
In 1574 kwam de hoofdpoort aan de Catharinastraat te liggen.
De oude poort werd een ondergeschikte zijpoort.
Rechts van de nieuwe ingang kwam de pastorie te liggen.





Beeld van begijntjes in de kruidentuin.

De hervorming
De Beeldenstorm (1566) en de eerste periode van de opstand (tot 1590)
zijn de begijnen zonder veel schade doorgekomen.
Bij de Spaanse furie van Haultepenne (1581) kon plundering
tegen de kapitale som van 500 Rijnse guldens worden afgekocht.

Eerst toen in 1590 Breda door middel van de list met het turfschip
door prins Maurits was veroverd kwamen er moeilijkheden.
De Wendelinuskapel kwam in protestante handen
en werd omgedoopt tot Waalse kerk.
Charles de Hxc3xa9raugixc3xa8re, de aanvoerder van de manschappen in het turfschip
en door prins Maurits benoemd tot gouverneur van Breda,
werd buurman van het begijnhof .
Ondanks de bescherming van Maurits heeft hij de begijnen
nogal wat last bezorgd

Tussen 1590 en 1625 werd op het Begijnhof wel nu en dan de mis gelezen.
Waarschijnlijk gebeurde dit in de infirmerie (de ziekenzaal).
Tijdens het Spaanse tussenbewind (1625-1637) werd
de Wendelinuskapel weer begijnenkerk.
Ook na de herovering door Frederik Hendrik bleef dit zo.
Pas na de Vrede van Munster (1648),
gevolgd door het plakkaat van 16 juni 1648,
waarbij aan alle katholieke geestelijken het verblijf in Staats-Brabant werd verboden
en alle katholieke kerken en kapellen gesloten werden verklaard,
maakte een einde aan deze situatie.
Op 13 juli werd de begijnenkerk gereformeerd.
Op 3 januari 1649 vernieuwde prins Willem II de sauvegarde voor het Begijnhof.
Hij bepaalde tevens dat de toegang van de Waalse kerk
naar het Begijnhof moest worden dichtgemetseld en vervangen
door een nieuwe ingang aan de straat voor de Waalse kerk.

Dit betekende een definitieve scheiding tussen Wendelinuskapel en hof.
De begijnen richtten daarom drie woningen
die tegen de Wendelinuskapel aangebouwd waren
zo goed mogelijk in als kapel.
Een van deze woningen fungeerde voor deze tijd als infirmerie.
Deze drie huizen werden van hoge ramen voorzien.
In deze noodkerk werden tot 1838 de godsdienstoefeningen gehouden.



Schets van de noodkerk met hoge ramen.

Exc3xa9n van de zorgen in de 17e eeuw was het onderhoud van de pastoor.
Voordien had het hof geen eigen op het hof wonende pastoor.
De diensten werden toen verricht door de kapelaans van de beneficies,
die echter vaak ‘pastoor’ genoemd werden.
Doch de sauvegardes verleend door de heren van Nassau,
waarbij alle bewoners waren inbegrepen,
hadden tot het begrijpelijke gevolg dat de dienstdoende priester
zich op het Begijnhof kwam vestigen om veiliger te zijn
voor de maatregelen van het Staatse bewind.

In de eerste tijd verzorgde de Franciscaan Petrus Jeghers echter ook
de geestelijke belangen van de katholieken in de stad.
De meesteressen vonden dit blijkbaar ongewenst.
Zij trachtten de inkomsten van de beneficies bijeen te voegen
voor het onderhoud van een eigen begijnenpastoor.
En met succes.
Hun eerste afzonderlijke pastoor was Nicolaus van Milst (1674-1706),
die ook
als volksdichter van stichtelijke poxc3xabzie bekendheid heeft verworven.

In de 18e eeuw werd een ernstige poging gedaan
om het begijnhof te laten verdwijnen.
Op 12 maart 1731 werd een plakkaat uitgevaardigd,
waarbij o.a. werd bepaald dat er geen novicen mochten worden aangenomen.
Een hernieuwing van dit verbod volgde nog in 1732.
Pas in 1747, toen weer een Oranje als stadhouder was aangesteld,
werden de pogingen om opheffing van het verbod te krijgen
met succes bekroond.

Franse periode
Onder het bestuur van de Republiek genoten de Bredase begijnen
het voorrecht dat zij haar gebruikelijke kleding ongehinderd mochten blijven dragen.
Doch toen na de omwenteling de Representanten van Bataafs Brabant
het dragen van geestelijke ordeskleding verboden,
verklaarde de municipaliteit dat dit verbod ook van toepassing
moest worden geacht voor de begijnen.
In 1798 gaf toen Adrianus Oomen, xc3xa9xc3xa9n der vicarissen van het bisdom Antwerpen,
toestemming aan de begijnen zich buiten het begijnhof zodanig te kleden
dat er geen verdere moeilijkheden met de burgerlijke overheid
meer konden ontstaan.
Deze toestemming werd in 1814 ingetrokken.

19e eeuw
In de 19e euw beleefde het Begijnhof een laatste opbloei.
Een opvallend symptoom daarvan was de vernieuwde bouwactiviteit.
Tussen 1836 en 1838 werd onder toezicht van de Rijkswaterstaat
achter op het hof de St. Catharinakerk gebouwd.
In 1850 volgde, naast de huidige pastorie, die in 1886 en 1911 nog werd uitgebreid.
Tussen 1860 en 1863 werd de laatste grote verandering aangebracht.
Toen werd het zogenaamde ‘buitenhof’ gebouwd,
bestaande uit negen nieuwe huisjes.

20e eeuw
De Bredase begijnengemeenschap is nu uitgestorven.
Een laatste poging om nieuwe leden aan te trekken dateert van omstreeks 1930.
De bedoeling was jonge meisjes aan te trekken
die zich verdienstelijk zouden maken in de gezinszorg.
Dit werd echter geen succes.
Na de tweede wereldoorlog is besloten geen novicen meer aan te nemen.
In 1966 waren er nog elf begijnen op het Bredase begijnhof.
De laatste overste, A.M.A. Holtzer overleed in 1972.



Meesteressen
Het begijnhof stond rechtstreeks onder de bisschop.
De bisschop moest de statuten formeel goedkeuren,
kon een visitatiebezoek houden
en hij moest de keuze van de meesteres bevestigen.
In het begin van het ontstaan is er sprake van xc3xa9xc3xa9n meesteres.
Vanaf de 14e eeuw is er meestal sprake van twee meesteressen.
De meesteressen werden ieder jaar gekozen door de begijnen.
In de 17e eeuw werd het aantal weer teruggebracht naar xc3xa9xc3xa9n,
gekozen voor een periode van drie jaar.
In 1781 ging de verkiezing als volgt in zijn werk:
op 19 april verkondigde de pastoor van de begijnen
dat er de volgende dag om 10 uur een verkiezing zou plaats vinden.
Die dag kwamen de begijnen na de mis samen in de zaal, galerij genaamd.
De twee oudste zusters mochten eerst ieder twee stemmen uitbrengen.
Hierna maakte de bisschoppelijke afgevaardigde in de kerk bekend
dat zuster Catharina Turbiez gekozen was tot meesteres.



Foto uit 1920 met daarop een Meesteres of Moeder Overste: Maria Jansen.

De begijnen
Volgens de statuten opgesteld op 4 december 1516
moest een vrouw of meisje die begijn wilde worden
aan de volgende voorwaarden voldoen:

van de goede naam en ongehuwd
ze moest een jaarlijks inkomen hebben van minstens 16 lopen rogge
minimum leeftijd 13 jaar
De bewoonsters van het hof moesten,
behalve na opname in de infirmerie, zelf in hun inkomen voorzien.

Uit de literatuur zijn voor begijnen de volgende inkomstenbronnen bekend:
textielnijverheid, kosterstaken, ziekenzorg, onderwijs
en bidden voor de overledenen.
In Breda zijn aanwijzingen
voor deze verschillende inkomstenbronnen terug te vinden.
Textiel:
uit de statuten, opgesteld 3 april 1510,
blijkt dat de begijnen vroeger een inkomen hadden uit het noppen.
Noppen van laken is het herstellen van weeffoutjes
en het verwijderen van steentjes en strootjes.
In de tijd dat deze statuten opgesteld werden
was het noppen in onbruik geraakt (‘dwelc nu uter ghewoonten is’).
In 1510 was het maken van kussens populairder geworden als broodwinning.
In de statuten werd bepaald dat personen van buiten het hof
niet mochten assisteren bij dit werk.
Als argument wordt gegeven dat de omgang met wereldlijke personen
de begijnen maar op verkeerde gedachten zou brengen.
Het is echter ook bekend dat ambachtsgilden de activiteiten
op de hoven scherp in de gaten hielden.
Begjinen hoefden geen belasting te betalen
en vormden zo oneerlijke concurrentie.
Kosterstaken
Uit een rekening van het Bredase kapittel,
opgesteld in 1489, blijkt dat een ‘Janneken der baghyn’
alle kleden die bij het koor en het altaar van de Grote kerk hoorden
gewassen had.
Ze had dit gedaan tussen kerstmis en St. Jan (24 juni)
en ontving voor haar werk een vergoeding van 2 Rijnse gulden.
Het jaar daarop kreeg ze voor hetzelfde werk 30 stuivers.
Het jaar daarop werd dit waswerk overgenomen door Hilleke,
de zuster van de koster.
Ziekenzorg:
Een aantal punten in de statuten van 1516 wijst
in de richting van een actieve rol hierin.
In artikel 31 werd bepaald dat begijnen buiten het hof mochten slapen
om zieke mensen bij te staan.
Daar was dan wel toestemming van de meesteres voor nodig.
Werd die toestemming niet gevraagd dan kon een boete
van twee oude groten gegeven worden.
Onderwijs:
Weer volgens de statuten van 1516 was het begijnen toegestaan
aan kleine kinderen les te geven.
Hiervoor moest wel toestemming gevraagd worden aan de meesteres.
De inkomsten van deze schooltjes zouden toevallen aan de zusters
die in het begijnenconvent leefden (Statuten 1510).
Ook later bleven de begijnen onderwijs geven aan kleine kinderen.
Bidden voor overledenen:
Vanaf het eind van de 15e eeuw gingen de begijnen
de overledenen ieder jaar gedenken.
Deze verplichtingen werden in een jaargetijdenregister opgetekend.
Van de 189 jaargetijden werden er 91 afgewerkt in de kapel van het hof,
het andere deel in de nabijgelegen Grote kerk.
Daar werd meestal de grafzerk bezocht, een kleed op zerk gelegd,
kaarsen aangestoken en de boetpsalmen gezongen.
In de 16e eeuw leverde deze dienstverlening 44 Rijnse gulden per jaar op.



Ook aan de buitenkant van het begijnhof wordt op dit moment gewerkt.

Water terug in de stad

Op zondag was het ook nog feest.
Ik ben ’s middags door de stad gelopen.
Natuurlijk weer met een camera.
De resultaten:

Het was ook op zondag erg druk.
De winkels waren trouwens ook open.


En soms scheen de zon.




De Hoge brug.

Maar de wolken bleven niet weg.
Achteraf blijkt dat we erg veel geluk hebben gehad.
Het is bijna het hele weekend droog geweest.
En als het regende was het niet veel.
Dat was op andere plaatsen wel anders.




Maar net voor het optreden van Corrie en Vader Abraham
werd het weer even beter weer.






Daar bij dat kleine cafe aan de haven….

Vanaf volgende week gaan we genieten van de Haven
met een normale drukte.

Water terug in de stad

Foto’s van gisteravond.
Het was erg druk.
Tot heel laat.



We lopen in de richting van de Hoge brug.



Spinola met het Spanjaardsgat.



Deze panden zijn net opgeknapt en
vandaag in gebruik genomen als restaurant.

Druk.



De nieuwe Tolbrug.



Het podium vanaf de nieuwe Tolbrug. Het programma moet nog beginnen



Hier zit de sfeer er al goed in.



Bij de Huysluy ook.



En drukker.



Het programma is begonnen.
We zien en horen te weinig en vatten het plan op
om op de schermen te gaan kijken.




Scherm op de Havermarkt.



Scherm op de Grote Markt.





Met vuurwerk sluit het officiele deel af.

Eerste foto's Havenfeesten

Het weer zit niet mee.
Op het nieuws zagen we vanmiddag beelden uit Amsterdam.
Daar was het stralend weer.
Hier in Breda blijft het maar bewolkt.
Helaas geen zon te zien.
Toch was het al behoorlijk druk aan de nieuwe Haven.





Vreemd nautisch apparaat.







Water onder de Tolbrug. Hoe doen ze dat toch ?



Fase twee is nog in volle gang.



Zo doen ze dat dus.
Onder de Tolbrug is een klein waterreservoir gemaakt.
Daar wordt constant water ingepompt (zie slang die over houten wand hangt)
dat vervolgens vanzelf de nieuwe Haven in loopt.


Water terug in de stad

Via, via , via kwam ik op het Internet het volgende bericht tegen
over onderzoek dat blijkbaar in Breda
plaats vindt op de plaats van de tweede fase van de nieuwe Haven.


Verrassende vondsten aan de Nieuwe Weg
[Bron: Blik op Nieuws, 13 juni 2007]

Vrijdag 1 juni is aan de Nieuwe Weg in Breda op de plaats
van de voormalige Satxc3xa9hut, archeologisch onderzoek gestart.
Onder de betonnen vloer van het pand werden
een aantal interessante sporen gevonden.
Het opgravingsterrein ligt van oorsprong op de achtererven
van de huizen aan de Tolbrugstraat die aan de achterzijde
door de stadsmuur begrensd werden.
Na de sloop van de muur werd de Nieuwe Weg aangelegd
waar langzamerhand allerlei bebouwing langs kwam te staan,
vaak met een industrieel karakter.

Op het ogenblik worden er onder de vloeren en funderingen
van de gesloopte bebouwing al oudere sporen aangetroffen.
Een tweede punt dat het onderzoek interessant maakt
is dat diagonaal over het terrein misschien nog funderingen en vloerresten
aanwezig zijn van de voormalige schuilkerk
die in de 17e eeuw hier gevestigd werd in een nog veel oudere brouwerij.

Verder in het onderzoek bleek dat er onder een deel van het terrein
oudere bebouwing aanwezig is.
Zo werd er al een kelder en een oven uit de 17e of 18e eeuw blootgelegd.
Vooral de oven wordt op dit moment nauwkeurig onderzocht door een specialiste.
Het vermoeden bestaat dat het een zgn. brouwersoven is
waar de brouwketel op de juiste temperatuur werd gehouden.

Wellicht zijn de volgende foto’s van de genoemde plaats: