– over twee Tiroler panelen die samen een altaar droegen –
Terwijl ik terug liep naar de ingang,
fotografeerde ik nog een set van twee panelen.
Twee panelen die samen met andere werken ooit een altaar vormden.
Gemaakt door een groep ambachtsmannen waaronder een schilder:
Meister von St Sigmund im Pustertal.
Niet het laatste object uit Zwitserland maar wel het laatste van de tentoonstelling
Verso – Tales from the Other Side.
In de context van een altaar kreeg de verhouding
tussen bladgoud en verf
een diep symbolische betekenis.
Het bladgoud, vaak gestempeld met fijne patronen,
vertegenwoordigde het goddelijke licht
dat niet door pigment kon worden weergegeven:
een eeuwige, niet‑aardse glans die de heilige ruimte van het altaar omhulde.
De verf daarentegen
— beperkt tot de gezichten, handen en gewaden —
het aardse domein, het menselijke verhaal dat zich binnen dat licht afspeelt.
Door die verhouding bewust ongelijk te houden,
liet de schilder het goud overheersen als een hemelse sfeer
waarin de figuren slechts tijdelijk verschijnen.
Zo werd het altaar niet enkel een groep schilderijen,
maar een visuele overgang tussen aarde en hemel,
waarin de materie van verf en hout oplost in het licht van het goddelijke.
Terwijl Stefanus met zijn onbedekte hoofd en opvallend duidelijke tonsuur
als jonge diaken herkenbaar is,
wordt hij omringd door schriftgeleerden die allemaal een hoofddeksel dragen,
waaronder één figuur met een bijna fantastiek gevormde kaproen
die zijn geleerdheid én zijn afstand tot Stefanus markeert.
De schilder speelt dit contrast verder uit in de boeken:
de schriftgeleerden buigen zich over banden met pseudo‑Hebreeuwse tekens,
visuele symbolen van de Wet,
terwijl Stefanus een boek met gotische letters voor zich heeft
— de taal van de christelijke Schrift.
Zo ontstaat een stille maar scherp getekende tegenstelling
tussen traditie en openbaring,
tussen gevestigde autoriteit en geïnspireerde prediking,
die de scène tot een echt geleerd debat maakt.
De twee recto’s — De Aanbidding en De Dood van Maria —
vormen een prachtig visueel evenwicht
tussen begin en einde,
tussen geboorte en sterven.
In de Adoration of the Magi overheerst het bladgoud:
een glanzend, gestempeld veld dat de scène optilt uit de aardse werkelijkheid
en haar in een goddelijk licht plaatst.
In de Death of the Virgin daarentegen is het goud ingetogener,
ingebed in de aureolen en architectuur,
waardoor de verf en de menselijke gebaren meer ruimte krijgen.
De schilder laat zo zien hoe het hemelse licht zich terugtrekt
en plaatsmaakt voor de nabijheid van de mensen rond Maria.
Samen verbeelden de panelen de kringloop van het heilige leven
— van openbaring naar voltooiing —
waarin goud en verf niet alleen materialen zijn,
maar dragers van betekenis:
het ene straalt eeuwigheid, het andere menselijkheid.
De twee Stefanus‑verhalen vormen samen een krachtig tweeluik:
het begin van zijn getuigenis in het debat
en het einde ervan bij de steniging.
In het eerste paneel staat Stefanus als jonge diaken
midden tussen de schriftgeleerden;
het woord is daar nog mondeling, zichtbaar in de gebaren,
de boeken en de intensiteit van het gesprek.
In het tweede paneel, waar de eerste steen al geworpen is
en Stefanus aan het hoofd geraakt wordt,
krijgt zijn stem een andere vorm: een banderol die zijn laatste woorden draagt.
Zo laat de schilder zien hoe Stefanus’ getuigenis zich verplaatst
van menselijke discussie naar hemelse overgave
— van spreken tot toevertrouwen, van argument naar gebed.
Vandaag heb ik veel tijd besteed aan het ontcijferen van de tekst
op de banderol (de tekstballon) van het schilderij.
Het schrift is gotische paneelschrift:
gotisch van vorm, maar als geschilderd schoonschrift
net iets anders dan het geschreven gotisch uit handschriften.
Middeleeuws schrift was gebaseerd op het schrijven met een ganzeveer,
waardoor letters een blokkerige structuur hebben,
met duidelijke verschillen in lijndikte en scherpe hoeken.
Wanneer een schilder deze penlogica probeert na te bootsen met een penseel,
ontstaan er kleine verschillen:
de penseelstreek is breder, minder vloeiend,
en reageert anders op bochten en onderbrekingen.
Daarbij vervormen de letters
door de bochten en wisselende richtingen van de banderol,
waardoor letters of delen van letters
soms wel en soms niet optisch lijken te versmelten.
Daarom heb ik eerst de lettervormen afzonderlijk geanalyseerd.
Dat leidde tot mijn volgende interpretatie:
QUID – DRLCIUR – QUID – FARNIR.
Het eerste en het derde woord waren snel duidelijk.
Het tweede woord, DRLCIUR, is in onze moderne taal onmogelijk,
maar misschien wijst het op een geschilderde variant van dulcior (“zoeter”).
Het vierde lijkt een vorm van fateri (“belijden”).
Daaruit ontstaat de mogelijke zin
Quid dulcior quid fateri (“Wat is zoeter dan te belijden?”).
Deze zin sluit niet direct aan bij Stefanus’ bijbelse gebed
‘Heer, reken hun deze zonde niet aan’, dat eerder op de banderol staat.
Toch past de spreuk binnen de middeleeuwse preektraditie,
waarin Stefanus’ vergevingsgezindheid vaak wordt verbonden
met de zoetheid van het verkondigen van Gods woord (dulcedo confessionis).
Banderollen op 15e-eeuwse panelen geven immers niet altijd letterlijke citaten weer,
maar vaak devotionele commentaarzinnen
die de innerlijke betekenis van het martelaarschap verwoorden.
Zo kan de tekst, ondanks de vormproblemen en de niet‑letterlijke inhoud,
inhoudelijk passen binnen de laatmiddeleeuwse beeldtaal:
de schilder toont Stefanus’ lijden,
maar laat de banderol spreken over de zoetheid van zijn belijden.
Maar de tekst bleef aan me knagen; ik vond hem ingewikkeld.
Daarom besloot ik te kijken hoe het Kunstmuseum Basel de tekst leest.
Volgens hun collectie‑site luidt de interpretatie van de banderol:
“Domine, ne statuas illis hoc peccatam eum quia nesciunt quod faciunt.”
De schilder zou hierin het gebed van Stefanus:
“Heer, reken hun deze zonde niet aan” (Handelingen 7:60),
verbinden met de woorden van Christus aan het kruis,
“want zij weten niet wat zij doen” (Lucas 23:34),
om zo te benadrukken hoe Stefanus in zijn marteldood Christus volgt.
Wat het museum hiermee voor ons oplost, is de paleografische puzzel:
zij geven een diplomatische transcriptie van de inscriptie
— een zo nauwkeurig mogelijke weergave van wat er werkelijk op het paneel staat,
inclusief afkortingen en spellingvarianten.
Voor een moderne kijker is zo’n tekst vrijwel onmogelijk te ontcijferen,
maar door deze reconstructie wordt zichtbaar welke volledige zin
de schilder heeft bedoeld en hoe de banderol inhoudelijk moet worden begrepen:
‘Reken hen deze zonde niet aan want ze weten niet wat ze doen’.






