Mafia



Wat een fantastische film.
Ik heb hem nu 1 keer gezien.
Ik weet zeker dat om hem helemaal te kunnen begrijpen.
ik hem nog een paar keer zal moeten zien.
Fantastische acteerprestaties, prachtig verhaal, heel spannend en mooi verteld.
Goede muziek.

Kunst terug naar Italie

Het Italiaans Ministerie van Cultuur
en het J. Paul Getty museum
bereiken overeenkomst

1 Augustus 2007

Het Italiaans Ministerie van Cultuur en het J. Paul Getty museum
hebben het volgende gezamenlijke bericht uit doen gaan:

De Italiaanse minister van Cultuur Francesco Rutelli,
en de directeur van het J. Paul Getty Museum, Dr. Michael Brand,
kondigen vandaag aan dat zij een overeenkomst hebben bereikt
over de claim van het ministerie op objecten
in de collectie klassieke antiquiteiten van het Getty Museum.

De belangrijkste afspraken van de overeenkomst zijn onder ander:

“Het Getty museum zal 40 objecten overdragen aan Italie,
inclusief het beeld “Cult Statue of a Goddess”.
Afgevaardigden van Italie en het Museum zullen een tijdspad ontwikkelen
voor de overdracht van de objecten over de komende maanden
met als uitzondering de overdracht van het beeld “Cult Statue of a Goddess”,
dit beeld zal tot 2010 te bezichtigen blijven in de Getty Villa;

“De partijen komen overeen verdere discussies
over het beeld `Statue of a Victorious Youth` op te schorten
totdat de uitkomt van juridische procedures in Pesaro (Italie) bekend zijn;

“Italie en het Getty museum komen een brede culturele samenwerking overeen
die het uitlenen van belangrijke kunstvoorwerpen,
gezamenlijke tentoonstellingen en conserveringsprojecten zullen omvatten.

Beide partijen zeggen blij te zijn met deze overeenkomst
omdat men na lange en complexe discussies een overeenstemming heeft bereikt
waardoor men nu kan beginnen te werken
aan een hernieuwde relatie gebaseerd op samenwerking.

Vertaling van Argusvlinder.

In totaal gaat het om 40 objecten die zullen worden overgedragen
aan de Italiaanse staat.

Een beetje cynisch is het bijschrift bij het beeld ‘Statue of a Victorious Youth’
in het J. Paul Getty museum:

Een naakte jongeling staat met zijn gewicht op zijn rechter been,
zichzelf kronend met een krans, waarschijnlijk van olijftaken.
De olijfkrans was de prijs voor een winnaar
van de klassieke Olympische Spelen
en identificeert deze jongeling als een succesvol atleet.
De ogen van het beeld waren origineel ingelegd met gekleurde steen of glaspasta
en de tepels waren ingelegd me koper
om zo een natuurlijk kleurcontrast te creeren.
Het beeld is gevonden in de zee voor de kust van Italie.
Dit beeld is een van de weinige levensgrote Griekse beelden die nog bestaan.
Vandaar dat het veel informatie geeft over de antieke techniek
van het bronsgrieten.
De oorsprong van het beeld is onbekend
maar het kan uit Olympia of uit de stad van de jongeling afkomstig zijn.
Waarschijnlijk hebben Romeinen het meegenomen van de originele locatie
in de eerste eeuw voor of na Christus.
In die tijd was het verzamelen van Griekse kunst door Romeinen
op zijn hoogtepunt.
Een Romeins schip vervoerde het beeld naar Italie terwijl het zonk voor de kust.
Op deze manier lag het beeld voor eeuwen op de zeebodem
en werd het geconserveerd.

Vertaling van Argusvlinder.

De pot verwijt de ketel, zou ik zo zeggen.
Bijzonder is ook dat het beeld niet voorzichtig van zijn sokkel is gehaald.
Het is bij zijn enkels afgebroken.
De Italianen zin er dus ook niet eerlijk aangekomen.

Het beeld wordt door sommige toegewezen aan de beeldhouwer Lysippos.

Het beeld is gevonden in 1964 voor de kust van Fano in de Adriatrische zee.
Het beeld werd in 1977 gekocht door het J. Paul Getty museum.

Eten uit de schelp

Mosselen.
Heerlijk.
De kwaliteit is prima.
Wel duur.

Vandaag met koriander bij de mosselen, maar die smaak
gaat door het koken verloren.
De verse koriander door de sla zorgt wel voor een oosterse smaak.

Even wassen.

Tafel dekken.

Aanvallen.

Liefkenshoektunnel

Gisteren was het zo ver.
Mijn eerste grote file in het traject Liefkenshoektunnel.
We zeggen altijd de Liefkenshoektunnel maar in werkelijkheid
is dat slechts een van de drie tunnels die er liggen door
het havengebied van Antwerpen.
Gisteren was er een ongeluk gebeurd in de Tijsmanstunnel.
De derde tunnel heet de Beverentunnel.
Ik “mocht” gisteren getuigen zijn van het ongeluk.
Dat leverde de volgende plaatjes op:



Voor mij begon het allemaal als een gewone file.



Het experimenteren met fotograferen kon gelijk beginnen.



We naderen het tolplein.





Nu de goede “laan” zien te vinden. Beetje chaos.



Selectief werden we doorgelaten. Er zijn 9 lanen in de richting van Nederland.
De tunnel heeft slechts 2 rijbanen.




Binnen in de Liefkenshoektunnel.



Hier stonden we ook een lange tijd stil.







Daar is hij dan, de Tijsmanstunnel is in aantocht.



In de tunnels was het erg warm.



De signalering.



De beschadeging aan de muur.
Bij het ongeluk is in ieder geval een vrachtwagen betrokken.
De heeft vast de linker zijkant van de tunnel geraakt.






Hier reden we al weer een beetje door.
Je kunt dan geen foto’s meer maken.




Daarom alleen deze vergroting van de laatste foto.
Wel wat bewogen maar de vrachtwagen die op zijn zij ligt is te zien.


Standbeeld Hadrianus in Sagalassos

Leuvense archeologen ontdekken standbeeld Hadrianus in Sagalassos



Een archeologisch team van de K.U.Leuven heeft gisteren
in Sagalassos (Turkije) fragmenten van een uitzonderlijk marmeren beeld
van de Romeinse keizer Hadrianus opgegraven.
De intact bewaarde kop van het standbeeld is meer dan 70 cm hoog.
Volgens opgravingsdirecteur Marc Waelkens gaat het
om xc3xa9xc3xa9n van de allermooiste portretten van keizer Hadrianus,
onder wie de bouw van het thermencomplex startte.



Begin juli startte een nieuwe opgravingscampagne in de antieke stad Sagalassos.
Sinds meer dan tien jaar wordt in Sagalassos onder meer
het Romeinse badgebouw (thermen) onderzocht.
Dit jaar concentreren de Leuvense archeologen
zich op de zuidoostelijke hoek van het complex.
Totaal onverwacht werden zondag de eerste fragmenten
van een meer dan levensgroot standbeeld ontdekt.



Het ging om een voet van 0.80 meter lengte,
met sandalen die de eigenaar als een keizer identificeerden,
het deel van een been van net boven de knie tot aan de enkel van 1.50 meter hoogte.
Gisteren kwam dan ook een schitterende, nagenoeg intacte kop
van 0.70 meter hoog aan het licht.
Het hele beeld moet tussen vier en vijf meter hoog geweest zijn
en dateert waarschijnlijk uit het begin van de regeerperiode van Hadrianus,
tijdens de tweede eeuw na Christus.



Onder de regering van Hadrianus werd gestart met de bouw
van het thermencomplex van Sagalassos.
Het gebouw werd echter pas decennia later volledig afgewerkt.
Keizer Hadrianus bekleedt een bijzondere plaats in de geschiedenis van Sagalassos.
Hij gaf de stad een bijzondere status.
Ten noorden van de Onderste Agora van de stad
werd tijdens zijn regeerperiode een prachtige pronkfontein opgericht,
het zogenaamde Hadrianisch nymfaeum.



De opgravingen in Sagalassos staan onder leiding
van de Belgische professor Marc Waelkens.
Hij was gisterochtend op de Vlaamse radio met dit nieuws.
Het opgravingsseizoen is net op 7 juli begonnen,
dit is dus veelbelovend.
Vanaf de jaren ’90 is er een hele stad blootgelegd.
Het gebied wordt ook wel het Turkse Pompei genoemd.
Het mosaic hierboven laat een van de vele vondsten zien


Het begijnhof in Breda

Gisteren heb ik wat foto’s gemaakt van onder andere het Begijnhof
in Breda.
De tekst die ik hierbij plaats komt van de web site
van het gemeente archief.
Ik heb de verwijzingen naar archiefstukken verwijderd.
Hier en daar een typefout aangepast.
De oude foto’s komen van de web site van het Breda’s museum.



Een foto van de begijnen gemaakt in 1966.

Het ontstaan van begijnhoven in de Nederlanden.
In de 12e eeuw ontstaat een beweging van religieuze vernieuwing,
die zich niet beperkt tot de geestelijkheid,
maar ook onder de leken een grote weerklank vindt.
Religieuze idealen als vrijwillige armoede en kuisheid
staan bij deze beweging centraal.
Nieuwe kloosterorden ontstaan.
In de 12e eeuw ontstaat bijvoorbeeld de orde van Premonstratenzers
ook wel genoemd Norbertijnen of Norbertinessen.

Dicht bij Breda is hier een voorbeeld van te vinden.
Zo kwam er in Antwerpen in 1124 het norbertijnenklooster Sint Michiels.
Dit was aanvankelijk een dubbelklooster voor zowel mannen als vrouwen.
Er zijn sterke aanwijzingen dat de vrouwentak in 1271 opging
in het door de heren van Breda gestichte Norbertinessenklooster Catharinadal.
Dit was eerst in Wouw gevestigd, later ging dit klooster naar Breda.

In de 13e eeuw kwamen de bedelorden van Dominicanen en Franciscanen op.



Vooral veel vrouwen voelden zich aangetrokken tot de nieuwe idealen.
Voor een deel konden deze vrouwen opgevangen worden
in de nieuwe kloosters, voor een ander deel bleven zij een gewoon leven leiden
in de wereld.
Zij kunnen namelijk niet allemaal opgenomen worden in de kloosters,
want de ene kloosterorde na de andere gaat zich verzetten
tegen opname van vrouwenkloosters in de orde.
Het stichten van vrouwenkloosters stagneert daardoor.
De vrouwen die geen onderdak in een klooster kunnen vinden,
of misschien zelfs niet eens willen, worden begijnen genoemd.
Zij leven individueel of in groepjes.
Een meer permanent karakter krijgt de begijnenbeweging
als er instellingen voor begijnen ontstaan,
de begijnhuizen en begijnhoven.
Deze instellingen worden in de Nederlanden voor het eerst vermeld
in het tweede kwart van de 13e eeuw.

De begijnhoven werden vaak gesticht door een landsheer,
een geestelijke of een rijke burger.
In 1240 stichtte een Gerardus de Werpa een hof te Antwerpen.
De begijnen die eerst in de omgeving van het hospitaal Klapdorp woonden,
kregen daarmee een definitieve huisvesting.
De begijnen van Brussel kregen in 1251 van de bisschop
toestemming op een hof te wonen.

Een centrale plaats binnen de nieuwe hoven
namen de hospitalen of ‘infirmeriexc3xabn’ in.
De infirmerie was bestemd voor de huisvesting van arme en zieke begijnen.
Later werden soms ook vrouwen van buiten toegelaten in de infirmerie.
Voor een bepaald bedrag konden deze opgenomen worden in de infirmerie.

Direct gekoppeld aan de infirmerie was een kapel.
De stichting van een beneficie of altaar in de kapel
werd gebruikt om een eigen priester te kunnen aanstellen.
In Gent werd in het jaar 1235 een kapelanie gesticht
op het begijnhof door Johanna van Constantinopel.
Reeds een jaar later werd er een priester benoemd.
Het hofje in Antwerpen kreeg in 1245 een eigen priester.

Breda past goed in het patroon van de andere hoven.
Het werd gesticht in 1267 door de heer van Breda.
In de stichtingsakte wordt een kapel met kerkhof nadrukkelijk genoemd.
Een infirmerie wordt in de stukken pas genoemd op 18 juli 1343.
Het is dus onduidelijk of er van het begin af aan
een infirmerie op het hof was.



Het Begijnhof wordt op dit moment gerenoveerd.

Stichting van het Bredase hofje
Al voor 2 maart 1267 woonden er begijnen te Breda.
In dat jaar gaf heer Hendrik van Breda de grond
waarop ze woonden aan hen in volle eigendom.
Ze kregen bovendien toestemming op die grond een kapel
met kerkhof te stichten.

De grond die de begijnen toen in eigendom kregen
lag tussen het kasteel van de heer en de stad.
Het hof lag net buiten de toenmalige stadsmuren.
In een akte uit 1296 wordt gezegd dat het hof tegen Breda aanlag (xe2x80x98apud Bredaxe2x80x99)
Of heer Hendrik of zijn voorganger Godfried
de begijnen naar Breda heeft gehaald, is niet zo duidelijk.
Bij deze schenking moet eerder aan Godfried IV
gedacht worden dan aan zijn zoon Hendrik.
De gift paste geheel in Godfrieds overdaad aan schenkingen,
gedaan op zijn sterfbed in Schoten;
een welwillendheid die zijn erfgenamen sterk zou verarmen.

Verbrokkeling domein
De royale schenking van grond aan de Caterstrate was
in het licht van wat de gevolgen waren
raadselachtig en amper in zijn welbegrepen eigenbelang.
Hij dreef door die schenking immers een wig
tussen het centrum van zijn domein en de bijbehorende bedrijfsruimten.
Vermoedelijk, omdat hij niet in Breda resideerde,
had hij wat minder oog voor de moeilijkheden,
die een dergelijke verbrokkeling van het domein
op die plaats met zich mee konden brengen.
Zeker na de aanleg van een stadswal in diezelfde periode
bleef hem slechts een smalle corridor als verbinding
tussen zijn castellum en zijn agrarisch centrum,
dat voortaan achter het begijnhof in de hovinge Valckenberge lag.

Begijnen geven percelen in cijns uit
Ofschoon het geschonken land aan de Caterstrate lag,
hebben de begijnen zich van die straat afgewend
door een brede strook grond erlangs in erfcijns aan poorters uit te geven.
Daarachter lieten ze de beghinengracht graven als afscheiding van hun hof.
De opbrengst van die uitgifte was mede bestemd
voor het onderhoud van de begijnen.
Uit de cijnsregisters van het begijnhof uit 1400 en 1427 blijkt
– in combinatie met de gegevens verkregen uit de vestbrieven xe2x80x93
dan ook dat de begijnen cijnzen hieven van een aaneengesloten reeks percelen,
gelegen ten zuiden van hun hof aan de Caterstrate
en aan wat later heette het Kasteelplein.
Waar het begijnhof ophield en het gebied van de heer begon,
was herencijns verplicht.
De scheiding tussen beide cijnsblokken was messcherp.

Beghinenstrate
De uitgifte van percelen langs de Caterstrate
had wel tot gevolg, dat de ingang van het begijnhof
kwam te liggen aan de Beghinenstrate.
Of zij die ‘zijstraat’ hebben aangelegd of dat daar al een weg liep
naar de burcht, kan alleen door archeologisch onderzoek worden aangetoond.
De straatnamen Beghinenstrate en Borchtstrate komen pas voor
in bronnen uit de veertiende en vijftiende eeuw.

Meer dan drie jaar later bevestigt de bisschop van Luik
het recht van de begijnen om een kapel met kerkhof op te richten.
Er is dan sprake van de xe2x80x98novella congregatio beginarumxe2x80x99
(nieuwe begijnencongregatie) wat er op wijst
dat het hof nog niet lang bestond.
De begijnen hebben het recht een eigen kapelaan te hebben.
Voor de kapelaan en het kerkhof moeten wel de bestaande rechten
van de parochiekerk gerespecteerd worden.

De kapel moet spoedig zijn opgeleverd, want in 1291
is er al sprake van een kapel gewijd aan de heilige Catharina op het begijnhof.
Vier jaar later jaar verleent het bidom Luik een aflaat
van 40 dagen aan hen, die op verschillende kerkelijke feestdagen
de kapel bezoeken.
Een aflaat zorgde ervoor dat de persoon een bepaalde tijd
korter in het vagevuur zou moeten doorbrengen na zijn dood.
Een aflaat zou
het bezoek aan de kapel bevorderen
en hiermee zorgen voor een regelmatige inkomstenstroom van giften van bezoekers.

Ketterijen
Kort daarna breekt er een moeilijke periode aan voor de begijnhoven in heel Europa.
In 1311 worden de begijnen verdacht van ketterse sympathiexc3xabn en veroordeeld.
De bisschop van Luik blijft de Bredase begijnen steunen.
In 1326 verleent hij hen nog eens een extra aflaat
voor bezoekers aan hun kapel.
Vier jaar later, in 1330, pleit de bisschop van Luik
hen definitief vrij van ketterse sympathiexc3xabn na een grondig onderzoek.

Een eigen kapelaan en begraafplaats
De relatie tussen begijnhof en parochiekerk was bij de stichting
niet duidelijk geregeld.
De bisschop van Luik had in 1270 de begijnen het recht gegeven
op een eigen kapelaan en een begraafplaats.
Daarbij was duidelijk gezegd dat zij de rechten
van de parochiekerk van Breda moesten respecteren.
Pas in 1343 keurde het kapittel een reeds bestaande overeenkomst
tussen begijnhof en pastoor goed.
Deze regeling hield in dat het hof als vergoeding
voor het laten begraven van begijnen en anderen op het hof
aan de pastoor jaarlijks 9 groten betaalde.
De begijnen kregen het recht zelf een kapelaan te kiezen
voor hun geestelijke zorg.
Al eerder, in 1301, had een Engelbrecht van den Einde
een altaar gesticht in de kapel van de begijnhof.
Met de inkomsten van dit altaar kon een kapelaan betaald worden.
Het kapittel van Breda had het recht een kapelaan
aan dit altaar te benoemen.
Uit een latere bron weten we dat de inkomsten van het altaar
20 veertelen rogge bedroegen en 7 gulden.



Datum van de foto is bij mij onbekend.

Huizen op oude hof
In het jaar 1480 bevatte het hof 16 huizen
bewoond door 37 personen.
Omstreeks 1500 breidde het begijnhof uit met een nieuwe poort
en enige daaraan grenzende woningen.
Ook de rekeningen bevatten vele posten die
op grote bouwactiviteit wijzen in deze periode.
Er werd onder andere een nieuwe kerk gebouwd.
In 1526 telde het Begijnhof 22 huizen.

Verplaatsing in 1527
Graaf Hendrik III van Nassau (1504-1538) maakte grootse plannen
om zijn kasteel uit te breiden en te maken tot een echt renaissancepaleis.
Voor de uitvoering moest het begijnhof, dat voor tegen de burcht aan lag,
verplaatst worden.
Reeds in 1527 vonden er onderhandelingen plaats tussen de graaf en de begijnen.
Er werd besloten het hof te verplaatsen naar het oostelijke deel
van het Valkenberg, de plaats waar het zich nu nog bevindt.
De stadsbrand van 1534 die grote delen van Breda verwoestte,
heeft waarschijnlijk het nieuwe hof niet geraakt.
Reeds in juli 1535 verhuisden de eerste begijnen.
De bestaande Wendelinuskapel ging functioneren als eigen kerk.
Graaf Hendrik van Nassau liet een muur bouwen van de gesloopte stadsmuren
tot aan de Catharinastraat.
Deze muur werd gebouwd met de stenen die waren vrijgekomen
van de sloop van het ‘huys Valckenberg’.
Het restant van dit materiaal mochten de begijnen gebruiken
voor de bouw van hun huizen.
Voor de bouw van zeven huisjes stelde graaf Hendrik 300 Rijnse guldens beschikbaar.
Het metselwerk duurde meer dan 15 weken.
Er moesten voor 23 begijnen huizen gebouwd worden.
In 1536 werd al begonnen met de aanleg van een tuin
en een bleekveld.
De begijnenhuisjes waren oorspronkelijk eenlaags.
In elk huisje was plaats voor twee begijnen.
Een huis bestond uit een woonkeuken met stookplaats,
een kelder met tongewelf en een opkamer met stookplaats.
Pas in de 18e eeuw zijn de huisjes met een verdieping verhoogd.
Waarschijnlijk is dit perceelsgewijze gebeurd,
wat de verticale bouwnaden in de voorgevels verklaart.

De ingang van het Begijnhof lag aanvankelijk in het Valkenberg,
daar waar nu de westmuur een sprong buitenwaarts maakt.
Rechts van de poort sloot een noordzuidwaartse muur
op de traptoren van de Wendelinuskapel aan.
In 1544 lieten de meesteressen van het hof drie huisjes bouwen
voor die Valkenbergse poort en tegenover de westgevel van de Wendelinuskapel,
op een rijtje van noord naar zuid.
In 1574 kwam de hoofdpoort aan de Catharinastraat te liggen.
De oude poort werd een ondergeschikte zijpoort.
Rechts van de nieuwe ingang kwam de pastorie te liggen.





Beeld van begijntjes in de kruidentuin.

De hervorming
De Beeldenstorm (1566) en de eerste periode van de opstand (tot 1590)
zijn de begijnen zonder veel schade doorgekomen.
Bij de Spaanse furie van Haultepenne (1581) kon plundering
tegen de kapitale som van 500 Rijnse guldens worden afgekocht.

Eerst toen in 1590 Breda door middel van de list met het turfschip
door prins Maurits was veroverd kwamen er moeilijkheden.
De Wendelinuskapel kwam in protestante handen
en werd omgedoopt tot Waalse kerk.
Charles de Hxc3xa9raugixc3xa8re, de aanvoerder van de manschappen in het turfschip
en door prins Maurits benoemd tot gouverneur van Breda,
werd buurman van het begijnhof .
Ondanks de bescherming van Maurits heeft hij de begijnen
nogal wat last bezorgd

Tussen 1590 en 1625 werd op het Begijnhof wel nu en dan de mis gelezen.
Waarschijnlijk gebeurde dit in de infirmerie (de ziekenzaal).
Tijdens het Spaanse tussenbewind (1625-1637) werd
de Wendelinuskapel weer begijnenkerk.
Ook na de herovering door Frederik Hendrik bleef dit zo.
Pas na de Vrede van Munster (1648),
gevolgd door het plakkaat van 16 juni 1648,
waarbij aan alle katholieke geestelijken het verblijf in Staats-Brabant werd verboden
en alle katholieke kerken en kapellen gesloten werden verklaard,
maakte een einde aan deze situatie.
Op 13 juli werd de begijnenkerk gereformeerd.
Op 3 januari 1649 vernieuwde prins Willem II de sauvegarde voor het Begijnhof.
Hij bepaalde tevens dat de toegang van de Waalse kerk
naar het Begijnhof moest worden dichtgemetseld en vervangen
door een nieuwe ingang aan de straat voor de Waalse kerk.

Dit betekende een definitieve scheiding tussen Wendelinuskapel en hof.
De begijnen richtten daarom drie woningen
die tegen de Wendelinuskapel aangebouwd waren
zo goed mogelijk in als kapel.
Een van deze woningen fungeerde voor deze tijd als infirmerie.
Deze drie huizen werden van hoge ramen voorzien.
In deze noodkerk werden tot 1838 de godsdienstoefeningen gehouden.



Schets van de noodkerk met hoge ramen.

Exc3xa9n van de zorgen in de 17e eeuw was het onderhoud van de pastoor.
Voordien had het hof geen eigen op het hof wonende pastoor.
De diensten werden toen verricht door de kapelaans van de beneficies,
die echter vaak ‘pastoor’ genoemd werden.
Doch de sauvegardes verleend door de heren van Nassau,
waarbij alle bewoners waren inbegrepen,
hadden tot het begrijpelijke gevolg dat de dienstdoende priester
zich op het Begijnhof kwam vestigen om veiliger te zijn
voor de maatregelen van het Staatse bewind.

In de eerste tijd verzorgde de Franciscaan Petrus Jeghers echter ook
de geestelijke belangen van de katholieken in de stad.
De meesteressen vonden dit blijkbaar ongewenst.
Zij trachtten de inkomsten van de beneficies bijeen te voegen
voor het onderhoud van een eigen begijnenpastoor.
En met succes.
Hun eerste afzonderlijke pastoor was Nicolaus van Milst (1674-1706),
die ook
als volksdichter van stichtelijke poxc3xabzie bekendheid heeft verworven.

In de 18e eeuw werd een ernstige poging gedaan
om het begijnhof te laten verdwijnen.
Op 12 maart 1731 werd een plakkaat uitgevaardigd,
waarbij o.a. werd bepaald dat er geen novicen mochten worden aangenomen.
Een hernieuwing van dit verbod volgde nog in 1732.
Pas in 1747, toen weer een Oranje als stadhouder was aangesteld,
werden de pogingen om opheffing van het verbod te krijgen
met succes bekroond.

Franse periode
Onder het bestuur van de Republiek genoten de Bredase begijnen
het voorrecht dat zij haar gebruikelijke kleding ongehinderd mochten blijven dragen.
Doch toen na de omwenteling de Representanten van Bataafs Brabant
het dragen van geestelijke ordeskleding verboden,
verklaarde de municipaliteit dat dit verbod ook van toepassing
moest worden geacht voor de begijnen.
In 1798 gaf toen Adrianus Oomen, xc3xa9xc3xa9n der vicarissen van het bisdom Antwerpen,
toestemming aan de begijnen zich buiten het begijnhof zodanig te kleden
dat er geen verdere moeilijkheden met de burgerlijke overheid
meer konden ontstaan.
Deze toestemming werd in 1814 ingetrokken.

19e eeuw
In de 19e euw beleefde het Begijnhof een laatste opbloei.
Een opvallend symptoom daarvan was de vernieuwde bouwactiviteit.
Tussen 1836 en 1838 werd onder toezicht van de Rijkswaterstaat
achter op het hof de St. Catharinakerk gebouwd.
In 1850 volgde, naast de huidige pastorie, die in 1886 en 1911 nog werd uitgebreid.
Tussen 1860 en 1863 werd de laatste grote verandering aangebracht.
Toen werd het zogenaamde ‘buitenhof’ gebouwd,
bestaande uit negen nieuwe huisjes.

20e eeuw
De Bredase begijnengemeenschap is nu uitgestorven.
Een laatste poging om nieuwe leden aan te trekken dateert van omstreeks 1930.
De bedoeling was jonge meisjes aan te trekken
die zich verdienstelijk zouden maken in de gezinszorg.
Dit werd echter geen succes.
Na de tweede wereldoorlog is besloten geen novicen meer aan te nemen.
In 1966 waren er nog elf begijnen op het Bredase begijnhof.
De laatste overste, A.M.A. Holtzer overleed in 1972.



Meesteressen
Het begijnhof stond rechtstreeks onder de bisschop.
De bisschop moest de statuten formeel goedkeuren,
kon een visitatiebezoek houden
en hij moest de keuze van de meesteres bevestigen.
In het begin van het ontstaan is er sprake van xc3xa9xc3xa9n meesteres.
Vanaf de 14e eeuw is er meestal sprake van twee meesteressen.
De meesteressen werden ieder jaar gekozen door de begijnen.
In de 17e eeuw werd het aantal weer teruggebracht naar xc3xa9xc3xa9n,
gekozen voor een periode van drie jaar.
In 1781 ging de verkiezing als volgt in zijn werk:
op 19 april verkondigde de pastoor van de begijnen
dat er de volgende dag om 10 uur een verkiezing zou plaats vinden.
Die dag kwamen de begijnen na de mis samen in de zaal, galerij genaamd.
De twee oudste zusters mochten eerst ieder twee stemmen uitbrengen.
Hierna maakte de bisschoppelijke afgevaardigde in de kerk bekend
dat zuster Catharina Turbiez gekozen was tot meesteres.



Foto uit 1920 met daarop een Meesteres of Moeder Overste: Maria Jansen.

De begijnen
Volgens de statuten opgesteld op 4 december 1516
moest een vrouw of meisje die begijn wilde worden
aan de volgende voorwaarden voldoen:

van de goede naam en ongehuwd
ze moest een jaarlijks inkomen hebben van minstens 16 lopen rogge
minimum leeftijd 13 jaar
De bewoonsters van het hof moesten,
behalve na opname in de infirmerie, zelf in hun inkomen voorzien.

Uit de literatuur zijn voor begijnen de volgende inkomstenbronnen bekend:
textielnijverheid, kosterstaken, ziekenzorg, onderwijs
en bidden voor de overledenen.
In Breda zijn aanwijzingen
voor deze verschillende inkomstenbronnen terug te vinden.
Textiel:
uit de statuten, opgesteld 3 april 1510,
blijkt dat de begijnen vroeger een inkomen hadden uit het noppen.
Noppen van laken is het herstellen van weeffoutjes
en het verwijderen van steentjes en strootjes.
In de tijd dat deze statuten opgesteld werden
was het noppen in onbruik geraakt (‘dwelc nu uter ghewoonten is’).
In 1510 was het maken van kussens populairder geworden als broodwinning.
In de statuten werd bepaald dat personen van buiten het hof
niet mochten assisteren bij dit werk.
Als argument wordt gegeven dat de omgang met wereldlijke personen
de begijnen maar op verkeerde gedachten zou brengen.
Het is echter ook bekend dat ambachtsgilden de activiteiten
op de hoven scherp in de gaten hielden.
Begjinen hoefden geen belasting te betalen
en vormden zo oneerlijke concurrentie.
Kosterstaken
Uit een rekening van het Bredase kapittel,
opgesteld in 1489, blijkt dat een ‘Janneken der baghyn’
alle kleden die bij het koor en het altaar van de Grote kerk hoorden
gewassen had.
Ze had dit gedaan tussen kerstmis en St. Jan (24 juni)
en ontving voor haar werk een vergoeding van 2 Rijnse gulden.
Het jaar daarop kreeg ze voor hetzelfde werk 30 stuivers.
Het jaar daarop werd dit waswerk overgenomen door Hilleke,
de zuster van de koster.
Ziekenzorg:
Een aantal punten in de statuten van 1516 wijst
in de richting van een actieve rol hierin.
In artikel 31 werd bepaald dat begijnen buiten het hof mochten slapen
om zieke mensen bij te staan.
Daar was dan wel toestemming van de meesteres voor nodig.
Werd die toestemming niet gevraagd dan kon een boete
van twee oude groten gegeven worden.
Onderwijs:
Weer volgens de statuten van 1516 was het begijnen toegestaan
aan kleine kinderen les te geven.
Hiervoor moest wel toestemming gevraagd worden aan de meesteres.
De inkomsten van deze schooltjes zouden toevallen aan de zusters
die in het begijnenconvent leefden (Statuten 1510).
Ook later bleven de begijnen onderwijs geven aan kleine kinderen.
Bidden voor overledenen:
Vanaf het eind van de 15e eeuw gingen de begijnen
de overledenen ieder jaar gedenken.
Deze verplichtingen werden in een jaargetijdenregister opgetekend.
Van de 189 jaargetijden werden er 91 afgewerkt in de kapel van het hof,
het andere deel in de nabijgelegen Grote kerk.
Daar werd meestal de grafzerk bezocht, een kleed op zerk gelegd,
kaarsen aangestoken en de boetpsalmen gezongen.
In de 16e eeuw leverde deze dienstverlening 44 Rijnse gulden per jaar op.



Ook aan de buitenkant van het begijnhof wordt op dit moment gewerkt.

De Beyerd



Kort geleden was ik in Cafe de Beyerd en trof daar een folder aan,
nou zeg maar stencil, over het cultureel centrum de Beyerd.
Hierna volgt de tekst van dit document.
Ik heb inmiddels ook nog wat foto’s gemaakt.
Die zitten in deze log vervlochten.

Beierd – Beyaert – Hospitale de Breda – Gasthuys – Hospitium – Pesthuis –
Dolhuys – Oude Mannenhuis – Cultureel centrum `De Beyerd` –
De Beyerd, centrum voor beeldende kunst.



De Beyerd, centrum voor beeldende kunst is gehuisvest
in het vroegere oudemannenhuis aan de Boschstraat te Breda
en staat bekend als een van de oudste gebouwen van de stad.
Beyerd/Beyaert betekende volgens Verdam oorspronkelijk ziekenzaal,
gemeenschappelijke eetzaal in een gasthuis, passantenhuis.
De stam van het woord Beyaert zal wel verband houden met “baaierd”,
dat is “ordeloze massa, chaos”

“Verdam” verwijst naar J. Verdam. Hij en E. Verwijs waren de samenstellers
van het Middelnederlandsch woordenboek 1885 – 1952, 11 delen.


Reeds in het jaar 1246 wordt het gebouw gemeld:
Godfried van Schoten, Heer van Breda,
schenkt een bedrag van 31 Leuvense ponden aan het “Hospitale de Breda”,
de vroegere benaming van het gebouw.
Kort daarvoor schijnt het gebouw te zijn opgericht als “Gasthuys”.
Het was in verband met de ligging buiten de stad een herberg
voor vreemdelingen en armen.
Het Gasthuys lag dus oorspronkelijk buiten de oude stadskern,
die erg klein was en niet veel meer betekende dan centrum,
c.q. bolwerk van de Baronie.
In 1252 verkreeg Breda, ommuurd en omwald, haar stadsrechten
van Heer Hendrik van Breda.



De poort in de stadswal, die naar het Gasthuys voerde,
werd Gasthuyspoort genoemd,
gelijknamig aan de straat waarin het gebouw lag.
Later werd het Gasthuys door de urbanisatieplannen
van Graaf Hendrik III (circa 1540) binnen de stad getrokken.



Tot ongeveer 1325 heeft het Gasthuys of “Hospitium” tevens dienst gedaan
als verpleeghuis voor zieken.
Later werd De Beyerd als dependance van het hospitaal, vervolgens als Pesthuis
en tot slot als “Dolhuys” gebruikt.

Het Gasthuys werd spoedig een toevluchtsoord voor oude en gebrekkige lieden,
die eerst als Proveniers (dit zijn personen die een prove
of geregelde uitkering van spijs en drank genoten),
later ook als Broeders (vanwege de onderlinge band en verplichtingen
tussen de huisgenoten) werden aangeduid.
Vaak moesten deze proveniers en broeders een aanzienlijke som geld betalen
om opgenomen te worden in het Gasthuys,
vaak moesten zij ook hun bed en kleding meebrengen.
Voor zover het hun gezondheid toeliet moesten deze proveniers of broeders
door huishoudelijke en andere noodzakelijke arbeid in hun onderhoud voorzien.

Het Gasthuys had een eigen bakkerij, brouwerij en groentetuin.

In de zeventiende eeuw werden ook de zogenaamde buitenproveniers opgenomen,
personen die niet in het Gasthuys woonden, maar wel gekleed en gevoed werden
door de inwoners van het Gasthuys.

Voor deze mensen werden 16 kleine huisjes aan de Pasbaan gebouwd.
Na de verbouwing van deze woningen
werd de gevelsteen in 1883 opnieuw aangebracht.

De tekst op de steen luidt:

M.D.C.L.XXXIIII
TOT BORGERS GERIEF EN
GASTHUYS PROFYT
SOO HEEFT AL RENTMEESTER IN
SYN TYT
ADRIANUS VAN OVERVELT
DEZE HUYSINGEN GESTELT.

De voorgevel van De Beyerd werd pas in 1643 vernieuwd
door Meester Laureys Drijffhout,
Dordtenaar van geboorte, maar sinds lang in Breda wonend.



De twee figuren Thijs en Geert (boven de poort van Bentheimer steen’
zijn geliefd in Breda, wat blijkt uit het sprookje,
dat op de laatste dag van het jaar de twee mannen hun stok verwisselen
en dan een praatje maken waarbij de een tegen de ander zegt:
“Ja, ja, we worden oud en xc2xb4t staan in weer en wind
valt op den duur niet mee.
mijn broer, mxc2xb4n beste vrind”.







Het klokje van De Beyerd is genaamd “Maria”; het werd in 1502 gegoten
door de gebroeders Willem en Jasper.

“Willem en Jasper” staat er in de tekst.
Er staat geen achternaam bij.
Zou dit kunnen gaan om Willem en Jasper van Wou.
Zonen van Geert van Wou, de bekende gieter van klokken en kanonnen ?


Tot 1955 heeft het complex dienst gedaan als oudemannenhuis.
Toen bleek echter dat exploitatieniet langer mogelijk en nodig was,
dankzij de diverse sociale voorzieningen
en betere huisvestingsmogelijkheden voor bejaarden in de stad.
Het gebouw werd toen aangekocht door de gemeente Breda
en professor Eschauzier kreeg de opdracht het gebouw te verbouwen
tot cultureel centrum voor Breda en de regio,
het huidige centrum voor beeldende kunst.



Vanaf 1 april 2005 is de Beyerd gesloten.
In het voojaar van 2008 zal het heropenen
als Museum voor grafische vormgeving.





Beierd – Beyaert – Hospitale de Breda – Gasthuys – Hospitium – Pesthuis –
Dolhuys – Oude Mannenhuis – Cultureel centrum `De Beyerd` –
De Beyerd, centrum voor beeldende kunst.

De Beyerd museum voor grafische vormgeving

Het eiland Tholen

Gisteren, omdat het redelijk weer was, hebben we een bezoek gebracht
aan het Zeeuwse eiland Tholen (of is het een schiereiland?).
Dat leverde natuurlijk weer een aantal foto’s op.
Sommige vind ik zelfs erg mooi.

Martin Kers, eat your hart out!



Het stadhuis van de plaats Tholen.



Het wapen op het bordes.



Mooie straten in een erg rustige omgeving.



Overblijfselen van een molen.



De Grote of Onze Lieve Vrouwe kerk van Tholen.





Molen “De Hoop”, niet zo’n originele naam voor een molen.

We zagen een aantal molens gisteren.
Typisch vond ik dat ze zo heel smal waren.



De eerste steen van deze “ronde stenen bovenkruier met stelling”,
Walmolen De Hoop, is gelegd op 26/03/1736.






Na de plaats Tholen zijn we naar Stavenisse gegaan.
Deze plaats ligt op het uiterste westelijke puntje van Tholen.
Vanaf de dijk keek je vroeger dus richting zee.




Nu kijk je naar de Zeelandbrug.



De polder vanaf de dijk.



De dijk.



En nogmaals de dijk.



Daarna gingen we naar St. Annaland.
De afstanden zijn klein. Ook hier een wandeling over/langs de dijk.






Basaltblokken met mos.







De polder achter de dijk.







Er waren zeker niet veel toeristen.
Het is een slecht jaar voor Zeeland.
Maar met dit weer kan het ook haast niet anders.
Tholen is de moeite waard om eens te bezoeken.
Het is er heerlijk rustig, goed te befietsen, aangenaam vertoeven.


Laptiep

Ze beginnen zeldzaam te worden, de voorgangers van de laptop.
Je hebt ze in verschillende soorten en maten.
Of liever gezegd: je had ze in verschillende soorten en maten.
Soms zie je er nog wel eens een.
Gisteren zag ik in Tholen er een achter het raam staan.
Zomaar als sierraad in de vensterbank.

Zo’n laptiep noemden we vroeger een typemachine.
Dat was nog eens echt tekstverwerken, met type-ex,
dicteren, correctielint en carbonpapier.



Gezien

A Tale of two cities.
Misschien niet het bekendste werk van Charles Dickens.
Maar wat ik er van zie hier in deze prachtige BBC-bewerking,
is een mooi geconstrueerd verhaal.
Jammer dat de plots net onvoldoende worden uitgediept.
Daardoor blijft de film iets te veel aan de oppervlakte.
Eigenlijk had deze serie nog eens 100 minuten langer moeten duren.
Helaas.
Opnieuw bewijst de BBC dat Charles Dickens zeer goed te verfilmen is,
dat er grote thema’s mee aan de orde kunnen worden gesteld,
zonder het sentimenteel te maken.



De openingszin en de slotzin zijn beroemde regels in de Engelse literatuur.
“It was the best of times, it was the worst of times. . .”
“It is a far, far better thing that I do. . .”

Binnenkort in dit theater.



Binnenkort ga ik naar deze voorstelling.
Hij ‘loopt’ al dus u kunt er ook al naar toe.
Het is altijd een geweldige ervaring, zo’n theaterstuk in de open lucht.
In Nederland valt dat niet mee.
Ook dit jaar helpt de zomer weer niet echt.

Puck:
Wees op uw hoede,
als u straks uw weg naar huis
probeert te vinden
in het aardedonkere bos
en fantomen van verbeelding
achter elke struik en stam
u proberen te verlokken.
Als u zich aan hun verleiding overgeeft,
zeg dan niet dat Puck
u niet gewaarschuwd heeft.

Kunstvaria

Vandaag weer een hele mooie verzameling kunst.Weer uit alle tijden en streken.Een bijzondere techniek die aan de orde komt heet ‘papieren negatief’,een oude techniek met een beschrijving en een voorbeeld.Pablo Picasso, Portret van Dora Maar, 1941.Mark Rothko, White center, yellow, pink and lavender on rose.Mark Rothko verrast altijd.Op het eerste gezicht zijn het maar wat kleurvlakken op een doek.Maar het werkt altijd.Je blijft er naar kijken.Pierre-Auguste Renoir, Le pont de Chatou, 1875.Ik moet voorzichtig zijn.Ik vond het blauw zo mooi.Maar ik weet hoe bedriegelijk foto’s qua kleur kunnen zijn.Keith Haring, Tree of life, 1985.Zeer herkenbaar.Ogenschijnlijk eenvoudig maar het intrigeert.Karna slays Kaikeya, Prince Vishoka, Battle Against Dhrstadyumna and Satanika,India, 1598.Peter Paul Rubens, Boerderij in Laken, 1617-1618.Rubens kan zo overdadig zijn.De techniek is prachtig maar als het zo overdadig is hoeft het van mij niet.Dit is bijna geen Rubens en daarom vind ik hem mooi.Philip Trager, John J. Kelly, 1988.Ik heb nog even wat andere foto’s van deze fotograaf bekeken op het internet.Dit is misschien nog de minst vervremende foto.Ken Hamilton, 09/11/2001.Jane Martha St John, het Collosseum, 1856.Een foto van het Collosseum.Op zich niet zo bijzonder.Maar kijk eens naar het jaartal: 1856.De fotografie bestaat dan maar amper.Dit is een voorbeeld van de ‘papieren negatief’-techniek.George Bellows, The hold-up (de overval), 1921. Lees verder →

Wonen bij water.

Wij wonen in de buurt van water.
Als gevolg hiervan kunnen we de ruiten aan de buitenkant
van ons huis zelf niet wassen.
Dat heeft weer als gevolg dat we altijd wel gasten hebben.



Deze foto is met flits genomen.



En deze duidelijk zonder.

Gisteren is de glazenwasser geweest.
De spin moet dus op z’n minst opnieuw beginnen.

Zap Mama

Ik kende deze groep van horen zeggen.
Had er al eens een nummer van gehoord.
Afgelopen zaterdag hoorde ik een nummer op de radio.
Ik vond het zo mooi, ik ben in de auto blijven zitten wachten
tot het nummer afgelopen was en er verteld werd wie de makers waren.
Gauw op iTunes een album gedownload: Ancestry In Progress uit 2004.

Het is een geweldig album.
Wat een stemmen.
Zo’n leuke muziek. Heel zomers !
“Bandy, Bandy” met Erykah Badu is geweldig.
Het kunstwerk met de stem lijkt in de verte op Jill Scott.