Een leeshulp bij Elements of Hindu Iconography

Dit bericht is een vervolg op het bericht dat ik
nog niet zo lang geleden schreef
met als titel Shiva en Parvati.
Dat bericht ging over een bronzen beeld dat ik zag in Musée Guimet.
Toen ik het beeld nader onderzocht, stuitte ik op vragen
waarop ik geen antwoord kon vinden.

DSC08104 01 ParijsMuseeGuimetShivaEtParvatiTamilNadu13th-14thCentCEBronzeDonJPSchotsmansEnSouvenirDeJanineSchotsmans-WolfersMA6056
Musee Guimet, Shiva et Parvati, don J.-P. Schotsmans en souvenir de Janine Schotsmans-Wolfers. MA 6056.

Om een antwoord te krijgen op de vraag of het beeld
beter beschreven kan worden als ‘Shiva en Parvati’
of als ‘Umasahitamurti’,
ga ik gebruikmaken van Elements of Hindu Iconography van T. A. Gopinatha Rao.
Het boek verscheen in 1914 en 1916.

ShivaEtParvatiZaaltekst

Maar voordat ik in de inhoud duik, wil ik eerst een beeld krijgen
van hoe het boek in elkaar zit,
hoe het tot stand is gekomen
en hoe het gebruikt kan worden.

Waarom schreef Rao zijn boek?

Het voorwoord van Elements of Hindu Iconography uit 1914
maakt duidelijk vanuit welke vraag T. A. Gopinatha Rao
aan zijn grote studie begon.
Reizigers en onderzoekers konden in India
talloze tempelbeelden bewonderen en beschikten bovendien
over een rijke mythologische literatuur,
maar een systematische verklaring van de beelden zelf
ontbrak volgens hem grotendeels.
De meeste bestaande boeken behandelden
de hindoeïstische goden en hun afbeeldingen
aan de hand van de Purāṇa’s en andere verhalende bronnen.
Daarmee kon men veel leren over de mythen, maar veel minder
over de beeldtaal waarmee deze godheden
in tempels en sculpturen werden voorgesteld.

Rao vertelt dat hij aanvankelijk dacht de iconografie vooral te kunnen verklaren
aan de hand van de verhalende bronnen, zoals de Purāṇa’s.
Al snel liep hij echter vast op de grote verscheidenheid aan afbeeldingen
van één en dezelfde god.
Waarom heeft een bepaalde vorm van Shiva (Śiva) vier armen en een andere acht?
Waarom draagt dezelfde godheid in het ene beeld een hert
en in het andere een bijl?
Waarom verschijnt een bepaalde kroon, houding of handgebaar steeds opnieuw?
De mythologische teksten gaven daarop vaak geen afdoende antwoord.

Een keerpunt vormde daarom zijn kennismaking met teksten
zoals de Śilparatna en de Aṁśumadbhedāgama.
Dat waren geen mythologische verhalen, maar technische en rituele handboeken
uit de tradities van tempelbouwers, priesters en beeldmakers.
Terwijl de Purāṇa’s vooral beschreven wie de goden waren,
welke levensverhalen zij hadden
en hoe zij zich tot andere godheden verhielden,
legden deze teksten vast hoe de goden moesten worden afgebeeld:

  • hoeveel armen zij moesten hebben,
  • welke attributen zij droegen,
  • welke houdingen en gebaren voorgeschreven waren
  • en hoe beelden volgens vaste proporties moesten worden vervaardigd.

Voor Rao was dit een openbaring.
De sleutel tot de iconografie lag niet alleen in de verhalen over de goden,
maar ook in een omvangrijke vakliteratuur
die door eerdere westerse onderzoekers grotendeels over het hoofd was gezien.

Toch zag hij zijn eigen werk niet als een vervanging van deze oudere handboeken.
Integendeel, hij beschouwde ze als onmisbare bronnen.
Zijn ambitie lag elders.
De āgama’s (waarvan de Aṁśumadbhedāgama een voorbeeld is)
en de śilpa-teksten (zoals de Śilparatna) waren vaak moeilijk toegankelijk,
verspreid over verschillende manuscripten en bovendien ingebed
in uitgebreide verhandelingen over rituelen, tempelbouw en theologie.
Rao wilde de iconografische gegevens uit al deze bronnen bijeenbrengen,
onderling vergelijken en vervolgens toetsen aan de werkelijke sculpturen
die hij tijdens zijn reizen door India bestudeerde en fotografeerde.

Daarmee vervulde Elements of Hindu Iconography een nieuwe functie.
Het boek was niet bedoeld als een nieuwe āgama of een nieuwe Śilparatna,
maar als een brug tussen tekst en beeld.
De oude bronnen leverden de voorschriften;
de tempels en sculpturen leverden het zichtbare bewijsmateriaal.
Door beide met elkaar in verband te brengen kon Rao
een systematisch overzicht scheppen van de verschillende vormen
van de hindoeïstische godheden en hun iconografische kenmerken.

Juist daarin ligt de blijvende betekenis van zijn werk.
Waar eerdere auteurs vooral de goden beschreven, probeerde Rao
de beelden zelf te begrijpen.
Zijn studie vormt daardoor niet alleen een samenvatting van oudere teksten,
maar ook een synthese van manuscripten, veldonderzoek, fotografie
en vergelijkende analyse.
Wat hij zelf bescheiden omschreef als een eerste poging om het terrein te ontginnen,
groeide uit tot een van de invloedrijkste standaardwerken
op het gebied van de Indiase iconografie.

Wie waren de ‘voorgangers’ van Rao?

Rao noemt in zijn voorwoord een reeks Europese auteurs
die vóór hem over hindoeïstische goden, mythologie
en afbeeldingen hadden geschreven.
Onderstaand overzicht plaatst deze voorgangers in chronologische volgorde.

VoorgangersDieRaoNoemt

Deze auteurs schreven vooral over de goden, hun verhalen en hun onderlinge relaties.
Rao wilde een stap verder gaan door tevens te onderzoeken
hoe de goden in beelden werden voorgesteld
en welke voorschriften aan die voorstellingen ten grondslag lagen.

Het boek

Het boek van Rao is ingewikkeld.
Niet alleen omdat de inhoud ingewikkeld is, maar ook door de manier
waarop het boek is verschenen en waarop ik het nu kan raadplegen.
Het boek is niet in de winkel te koop.
Ik werk met pdf-bestanden die via Internet Archive beschikbaar zijn gesteld.

VI 012 TAGRaoElementsOfHinduIconography Dedication

Waar ik tegenaan loop:

  • de tekst en foto’s zijn van elkaar gescheiden: de foto’s staan op afzonderlijke pagina’s;
  • de pagina’s met foto’s zijn ongenummerd;
  • de aanbevelingspagina en de lege pagina’s zijn eveneens ongenummerd;
  • het voorwoord, de inhoudsopgave, het overzicht van de platen (foto’s),
    de lijst van geraadpleegde werken en de errata
    zijn genummerd met Romeinse cijfers.

Het resultaat is dat de pagina waarop paginanummer 1 staat gedrukt
in de pdf op pagina 38 zit.

VII 001 TAGRaoElementsOfHinduIconographyCover

Het volledige werk is niet in één boekband verschenen.
Deel 1 en 2 van de eerste helft (Volume I) zijn twee fysieke boeken.
Dat is ook het geval met de tweede helft (Volume II).
Er staat een inhoudsopgave in deel 1 van Volume I en die heeft betrekking
op deel 1 en 2.
Dat is ook het geval met Volume II.
Zowel Volume I als Volume II hebben een Inleiding.

De delen vormen geen zelfstandige boeken met elk een eigen onderwerp,
maar samen één groot naslagwerk.

Als je daar eenmaal vertrouwd mee bent, werkt dat prima,
maar voor een lezer in 2026 is het even wennen.

Daarom heb ik voor mezelf de volgende leeshulp opgesteld.

Inleiding op Leeshulp

Rao ordent zijn naslagwerk niet volgens mythologische verhalen,
maar volgens godheden en hun verschillende verschijningsvormen.
Daarbij volgt hij niet de rangorde die een buitenstaander misschien zou verwachten.
Zo verschijnt Brahmā, die vaak tot de grote hindoeïstische goden wordt gerekend,
pas tegen het einde van het werk,
terwijl Vishnu, Shiva en de Godin daarvoor al honderden pagina’s in beslag nemen.
De indeling lijkt vooral bepaald door de rijkdom van de beeldtraditie
en het aantal iconografische varianten van iedere godheid.

Weet je welke god of godin is afgebeeld, dan kun je in de betreffende hoofdstukken
verder zoeken naar de precieze verschijningsvorm.

Leeshulp

Ganesha

  • Ganesha (Ganapati), de olifantsgod

Vishnu en zijn verschijningsvormen

  • Hoofdvormen van Vishnu
  • De tien avatāra’s
    • Matsya (vis)
    • Kūrma (schildpad)Varāha (everzwijn)
    • Narasiṃha (mens-leeuw)
    • Rāma
    • Krishna
    • enz.
  • De vierentwintig klassieke Vishnu-vormen
  • Minder bekende Vishnu-vormen
    • Hayagrīva
      Lakṣmī-
      Nārāyaṇa
      Jagannātha
      Vaikuṇṭha
      enz.
  • Garuḍa, Vishnu’s vogelvoertuig
  • Gepersonifieerde wapens van Vishnu

Gepersonifieerde wapens van Vishnu

Zon-, planeet- en hemelgoden

  • Sūrya (de zonnegod)
  • De twaalf Āditya’s
  • De negen Navagraha’s (planeetgoden)

De Grote Godin (Dēvī)

  • Durgā
  • Kālī
  • Lakṣmī
  • Sarasvatī
  • Pārvatī
  • Annapūrṇā
  • Saptamātṛkā’s
  • en tientallen andere verschijningsvormen van de godin

Shiva en zijn verschijningsvormen

  • De liṅga (Shiva in abstracte vorm)
  • Liṅgodbhava
  • Candraśekhara
  • Pāśupati
  • Dakṣiṇāmūrti
  • Naṭarāja
  • Bhikṣāṭana
  • Ardhanārīśvara
  • Harihara
  • Bhairava
  • Vīrabhadra
  • Sadāśiva
  • Mahāsadāśiva
  • Rudra’s
  • Vidyeśvara’s
  • en vele andere vormen van Shiva

Shiva’s familie, begeleiders en volgelingen

  • Subrahmaṇya (Skanda, Kārttikeya)
  • Nandikeśvara
  • Caṇḍeśvara
  • Bhakta’s en heilige vereerders
  • Kṣetrapāla

Andere belangrijke goden

  • Brahmā
  • Dikpālaka’s (windrichtingsgoden)
  • Aśvin-tweelingen

Hemelwezens, demonen en halfgoden

  • Nāga’s
  • Gandharva’s
  • Apsara’s
  • Asura’s
  • Ṛṣi’s
  • Pitṛ’s
  • Maruts
  • Vasu’s
  • en andere lagere goddelijke wezens

Technische bijlagen

  • Tempelindeling
    • Opstelling van godheden in een Vishnu-tempel
    • Plaats van de parivāradevatā’s (begeleidende godheden)
  • Beeldproporties
    • Canonieke maten voor het vervaardigen van beelden
    • Het uttama-daśa-tāla-systeem
  • Bronteksten
    • De Sanskrietteksten waarop Rao zijn beschrijvingen baseert

Deze leeshulp maakt meteen duidelijk dat Elements of Hindu Iconography
geen woordenboek van hindoeïstische mythologie is
en evenmin een determinatiesleutel waarmee een onbekend beeld
stap voor stap kan worden geïdentificeerd.
Rao gaat ervan uit dat de lezer al enig idee heeft welke godheid is afgebeeld.
Van daaruit helpt hij de verschillende verschijningsvormen te onderscheiden
en te begrijpen.
In een volgende bijdrage probeer ik deze werkwijze toe te passen
op het beeld van Shiva en Parvati uit Musée Guimet.
Niet om Rao samen te vatten,
maar om te laten zien hoe zijn naslagwerk in de praktijk kan worden gebruikt.


Hieronder volgen, voor wie Rao’s eigen verantwoording wil nalezen,
de Engelse transcripties en Nederlandse vertalingen van beide voorwoorden.

Transcriptie Preface Vol I

The tall spire of the Hindu temple is one of the first objects to arrest the attention of the observant foreigner and excite his curiosity as he travels through India. On going into the temple, he meets with a number of what may perhaps appear to him to be grim and meaningless images, in stone and bronze and other materials, some with two, others with four or more arms, holding a variety of weapons and other more or less curious articles in their hands. The man on the spot may tell him on enquiry that one of those images is the figure of Vishṇu, the god of protection, another that of Śiva, the god of destruction, and so on, about the innumerable gods and goddesses comprised within the tolerant and all-inclusive fold of the Hindu religion. Some such foreigner, more curious than others of his kind, is sometimes tempted to study these images somewhat carefully, find out their number and characteristics, and gather the legends relating to them from the Purāṇas and other sources, as also from the learned natives of the country well versed in their religious and mythological lore. Then at last he may come out with his volume on the Hindu gods, on Hindu mythology and other kindred subjects. Such in fact are most of the books that have been written hitherto by foreign authors on topics relating to Hindu Iconography.
It is exactly two hundred years since Ziegenbalg, the famous Danish missionary of Tranquebar, wrote his work on the “Genealogy of the South Indian Gods,” with the aid of the information he gathered from some people of the Tamil land. In the year 1785 the book known as “Sketches of the Mythology and Customs of the Hindus” was brought out by George Foster. Moore’s “Hindu Pantheon”, with illustrations, was first printed in 1810, and then reprinted by Messrs. Higginbotham & Co., of Madras, in 1864, with notes from the pen of the Rev. W.O. Simpson. “Ancient and Hindu Mythology”, a work written sympathetically and in defence of the views of the Hindus, with a large number of extracts from the Purāṇas and other Hindu scriptural sources, was thereafter brought out by Col. Vans Kennedy in 1831. Another work named “A Classical Dictionary of Hindu Mythology” was published by John Dowson in 1879.
The last among such works is W. J. Wilkins’ “Hindu Mythology”, illustrated with pictures, and explained with reference to the Purāṇas and other religious writings of the Hindus. It will thus be seen that books dealing with Hindu images and Hindu mythology are not altogether wanting. Nevertheless, Fergusson, who is an eminent authority on Eastern and Indian architecture, has justly remarked—“Whenever any one will seriously undertake to write the history of sculpture in India, he will find the materials abundant and the sequence by no means difficult to follow; but, with regard to mythology, the case is different. It cannot, however, be said that the materials are not abundant for this branch of the enquiry also; but they are of much less tangible or satisfactory nature, and have become so entangled, that it is extremely difficult to obtain any clear ideas regarding them; and it is to be feared they must remain so, until those who investigate the subject will condescend to study the architecture and sculpture of the country as well as its books. The latter contain a good deal, but they do not contain all the information available on the subject; and they require to be steadied and confirmed by what is built or carved, which alone can give precision and substance to what is written…..
“It is remarkable that, with all the present day activity in every branch of Sanskrit research, so very little has been done for the illustration of mythology, which is so intimately connected with the whole literature. It would be a legitimate part of the duty of the Archaeological Surveys to collect materials on a systematic plan for this object; and the production of illustrations has now become so easy and inexpensive that photographs from original materials of a satisfactory class might readily be published to supply this most pressing desideratum. The details of the emblems and symbols of the numerous divinities of the pantheon could also be collected, along with the delineations, by those familiar with such symbols. All this could easily be accomplished, and it is consequently hoped it may before long be attempted.”
It has to be said that the books by European authors referred to above do not contain the information which is available in indigenous Sanskrit works on Iconography; nor do they give pictorial representations of the sculptures that are actually found in this vast country. On the other hand, some of those authors have given what might be well understood to be their own version of Hindu mythology, and in their descriptions of Hindu images, with here and there a pungent remark about what they consider an uncouth representation or an immoral legend, they seem to have cared to study neither the symbolism underlying the mythical stories nor the meaning of the images illustrating them. A book on the model suggested by Fergusson has indeed been a great desideratum.
The first attempt to supply this want to some extent was made by that many-sided Bengali scholar and author, Mr. Nāgendranāth Vasu, in his interesting volume on the Archaeological Survey of Mayūrabhañja. Some years ago the idea occurred to me that I might try to bring out a book on the subject of Hindu Iconography to supply as far as I could, the desideratum noted by Fergusson. I was originally under the impression that it could be done without pressing much into service the information contained in original Sanskrit works of authority on the subject, even of the existence of which I was not then fully aware. Soon, the bewildering variety of images that were found in relation to one and the same god convinced me that to get at the details of their mythological meaning and moral aim without the help of the Sanskrit works bearing on them was almost an impossible task. Luckily, while touring in North Travancore, I had on one occasion the good fortune to get hold of a small manuscript work entitled Śilparatna; and on deciphering it with considerable difficulty, I found it to be a synopsis in Malayalam verse of a bigger treatise of the same name. Another small fragmentary manuscript, which came into my hands later on, was found to be, from the colophons at the end of the chapters, an āgama called Aṁśumadbhedāgama. Some years previously, I had purchased eight or nine works on Śaivāgama; but, owing to want of time, I had not even taken the trouble to know what they contained. About this time I began to look into them, and what a mine of wealth they revealed themselves to be! They contained chapter on chapter of minute descriptions relating to most Śaiva images and to some Vaishnava images as well. My search for more āgamas and tantras resulted in the collection of a large number of them, which in fact belong to all the various Hindu sects. From the materials thus acquired, I began first to pick up merely the descriptions of images, as they are given in them. The āgamas generally deal with many other topics than simple iconography. While engaged thus, I went on improving at the same time my collection of photographs of the sculptures and castings representing the various Hindu divinities.
In the middle of 1912, I actually began the task of writing out a systematic description of the images, and soon finished the description of a number of minor deities.
After having proceeded so far, it struck me that the chief difficulty in the way of the accomplishment of my undertaking was in securing the required financial aid for its publication. The work required photo-mechanical reproductions of a large number of images, the cost of which alone was quite enough to scare me away from the undertaking. As a matter of fact, I should really have been compelled, howsoever reluctantly, to abandon my cherished object, but for the opportune help and encouragement most generously offered by the enlightened Government of His Highness the Mahārāja of Travancore. The Dewan, Mr. Rājagōpālāchārya, readily perceived the value of the undertaking, and promised to sanction the amount required for the publication of the work. The sympathetic attitude of this highly cultured gentleman at the head of affairs in Travancore afforded a new stimulus and induced me to work with redoubled vigour and earnestness. The required Sanskrit texts were all quickly gathered, but the growth of the collection of the needed photographs did not proceed apace. I then approached the Dewan with the request that I should be permitted to go out on tour to places outside the State, in the Madras and the Bombay Presidencies and also in the Mysore State, to obtain the photographs. The tour was sanctioned; and my visit to these places not only enriched my photographic collection, but was also of a very highly educative value to me. It enabled me to study the various iconographic symbols and emblems directly from the sculptures themselves. Wherever photographing was impossible, there I indented upon my amateur knowledge of drawing and painting. I frequently took pen and ink sketches, and occasionally full-sized coloured drawings of mural paintings, although this latter work was extremely tedious.
I consider it a duty to refer here to the unstinted help which I received from my friend, the late Mr. M. K. Nārāyaṇasāmi Ayyar, Vakil of the Madras High Court, who secured for my work as many photographs as he could take during his visits to various outside stations in the Madras Presidency on professional and other kinds of business, and thereby facilitated my work very considerably. Mr. Nārāyaṇasāmi Ayyar was a well read scholar, critic and philosopher, and was to have contributed to this work a learned article on Dēvi-worship. Unfortunately, however, the hand of death deprived me all on a sudden of the further help to which I had been looking forward with high hope; and the result is that this work has had to lose the advantage of an erudite and complete account of Dēvi-worship from the pen of a profound scholar well versed in the Śākta and other religious schools known to the sacred literature of the Hindus.
I am only too well aware of the several defects which abound in this production of mine, but feel at the same time somehow confident that scholars will look upon them indulgently by taking into consideration the vastness of the material to be collected and digested, and also the fact that my official duties in Travancore have been so heavy as to leave little time for much extra work of this kind. Moreover, I have to state that this is in more than one respect the first attempt of its kind, and does not profess to be anything like a complete presentation of the subject. I shall certainly consider myself under the circumstances to be amply rewarded if this humble work of mine serves the purpose of simply breaking the ground and induces abler scholars to deal with the subject in a fuller and more satisfactory manner.
I take this opportunity of again expressing my deep gratitude to the liberal Government of H. H. the Mahārāja of Travancore for their having made the publication of this work possible; and personally I am highly indebted to Dewan Bahadur P. Rājagōpālāchārya, M.A., B.L., C.I.E., for the enlightened and encouraging interest he has all along taken in the production of this work. I cannot sufficiently thank Pandit V. Śrīnivāsa Śāstri, Smṛitivisārada, but for whose willing co-operation and unceasing industry it would indeed have been very difficult for me to bring out this work. My best thanks are due also to Pandit T. Gaṇapati Śāstri, Curator of the Sanskrit Manuscripts Library, Trivandram, for his readily helping me with all the manuscripts I applied for from time to time in connection with this work. Mr. D. R. Bhaṇḍārkar, M.A., Superintendent of Archaeology, Western Circle, showed me great kindness in lending me his copy of Rūpa-maṇḍana, which seems to be a comparatively late work on Hindu Iconography. I have, in conclusion, to say that I cannot sufficiently express my gratitude and indebtedness to my respected master, Rao Bahadur Prof. M. Raṅgāchārya, M.A., of the Presidency College, Madras, for the very great interest, which he has throughout evinced in the work and the parental care with which he has guided me at every stage of its progress. He was ever ready with his invaluable suggestions, and was to me a never-failing source of inspiration and encouragement. I therefore respectfully beg to tender to him here my most grateful thanks for all the trouble he has taken on my behalf.

T. A. G.
Triplicane, Madras,
September, 1914.

VOORWOORD (Copilot)

De hoge torenspits van de hindoeïstische tempel is een van de eerste zaken die de aandacht van de opmerkzame vreemdeling trekken en zijn nieuwsgierigheid prikkelen wanneer hij door India reist. Wanneer hij de tempel binnengaat, treft hij er een aantal beelden aan die hem misschien grimmig en betekenisloos voorkomen: beelden van steen, brons en andere materialen; sommige met twee armen, andere met vier of meer; in hun handen een verscheidenheid aan wapens en andere, meer of minder merkwaardige voorwerpen houdend. De plaatselijke gids kan hem desgevraagd vertellen dat een van die beelden de gedaante van Viṣṇu voorstelt, de god van bescherming, een ander die van Śiva, de god van vernietiging, enzovoort, behorend tot de ontelbare goden en godinnen die binnen de verdraagzame en allesomvattende kring van de hindoeïstische godsdienst worden vereerd.

Sommige van deze vreemdelingen, nieuwsgieriger dan de meeste van hun soortgenoten, voelen zich er soms toe aangetrokken deze beelden wat nauwkeuriger te bestuderen, hun aantal en kenmerken vast te stellen en de verhalen die ermee verbonden zijn bijeen te brengen uit de Purāṇa’s en andere bronnen, evenals van geleerde inwoners van het land die goed thuis zijn in hun religieuze en mythologische overleveringen. Uiteindelijk kan zo iemand dan een boek publiceren over de hindoeïstische goden, over hindoeïstische mythologie en verwante onderwerpen. In feite zijn de meeste boeken die tot dusver door buitenlandse auteurs over onderwerpen betreffende de hindoeïstische iconografie zijn geschreven op deze wijze tot stand gekomen.

Het is precies tweehonderd jaar geleden dat Ziegenbalg, de beroemde Deense missionaris van Tranquebar, zijn werk over de Genealogy of the South Indian Gods schreef, met behulp van de informatie die hij verzamelde van bewoners van het Tamil-land. In 1785 verscheen het boek Sketches of the Mythology and Customs of the Hindus van George Foster. Moore’s Hindu Pantheon, voorzien van illustraties, werd voor het eerst gedrukt in 1810 en vervolgens in 1864 heruitgegeven door Messrs. Higginbotham & Co. te Madras, met aantekeningen van de eerwaarde W. O. Simpson. Daarna verscheen in 1831 Ancient and Hindu Mythology van kolonel Vans Kennedy, een werk dat met sympathie voor de opvattingen van de hindoes werd geschreven en dat een groot aantal uittreksels bevatte uit de Purāṇa’s en andere heilige hindoeïstische geschriften. Een ander werk, getiteld A Classical Dictionary of Hindu Mythology, werd in 1879 gepubliceerd door John Dowson.

De laatste in deze reeks werken is W. J. Wilkins’ Hindu Mythology, geïllustreerd met afbeeldingen en toegelicht aan de hand van de Purāṇa’s en andere religieuze geschriften van de hindoes.

Hieruit blijkt dat er geen volledig gebrek bestaat aan boeken die over hindoeïstische beelden en hindoeïstische mythologie handelen. Niettemin heeft Fergusson, een vooraanstaand autoriteit op het gebied van de oosterse en Indiase architectuur, terecht opgemerkt:

“Wanneer iemand zich ernstig ertoe zet een geschiedenis van de Indiase beeldhouwkunst te schrijven, zal hij overvloedig materiaal aantreffen en zal de opeenvolging van ontwikkelingen geenszins moeilijk te volgen zijn. Met betrekking tot de mythologie ligt de zaak echter anders. Men kan evenwel niet zeggen dat ook voor dat vakgebied het materiaal niet overvloedig aanwezig is; maar het bestaat uit gegevens van een veel minder tastbare en bevredigende aard, en deze zijn bovendien zodanig met elkaar verstrengeld geraakt dat het buitengewoon moeilijk is zich daarover een helder beeld te vormen. En het valt te vrezen dat dit zo zal blijven totdat degenen die zich met dit onderwerp bezighouden zich ertoe verwaardigen naast de boeken ook de architectuur en beeldhouwkunst van het land te bestuderen. Die boeken bevatten weliswaar veel informatie, maar niet alle beschikbare kennis over het onderwerp; bovendien moeten hun gegevens worden getoetst en bevestigd door hetgeen gebouwd of uitgehouwen is, want alleen dat kan aan het geschrevene nauwkeurigheid en werkelijkheid verlenen.”

Opmerkelijk is dat, ondanks alle huidige activiteit op elk terrein van het Sanskrit-onderzoek, zo weinig is gedaan om de mythologie te illustreren, terwijl deze zo innig met de gehele literatuur verbonden is. Het zou een volkomen legitiem onderdeel van de taak van de Archaeological Surveys zijn om voor dit doel op systematische wijze materiaal te verzamelen; en nu het vervaardigen van illustraties zo eenvoudig en goedkoop is geworden, zouden foto’s van oorspronkelijke monumenten en voorwerpen gemakkelijk gepubliceerd kunnen worden om in deze dringende behoefte te voorzien. De kenmerken en symbolen van de vele godheden van het pantheon zouden eveneens, samen met hun afbeeldingen, kunnen worden verzameld door personen die met dergelijke symbolen vertrouwd zijn. Dit alles zou zonder moeite verwezenlijkt kunnen worden, en daarom mag men hopen dat het niet lang meer zal duren voordat een dergelijk werk wordt ondernomen.

Men moet echter erkennen dat de hierboven genoemde boeken van Europese auteurs niet de informatie bevatten die beschikbaar is in inheemse Sanskrietwerken over iconografie. Evenmin geven zij afbeeldingen van de beeldhouwwerken die daadwerkelijk in dit uitgestrekte land worden aangetroffen. Anderzijds hebben sommige van deze auteurs iets gepresenteerd wat men gerust hun eigen versie van de hindoeïstische mythologie mag noemen; en in hun beschrijvingen van hindoeïstische beelden, waarin hier en daar een scherpe opmerking wordt gemaakt over wat zij een onbeholpen voorstelling of een immorele legende achten, lijken zij zich noch om de symboliek van de mythische verhalen, noch om de betekenis van de beelden die deze verhalen uitbeelden, werkelijk te hebben bekommerd.

Een boek volgens het model dat Fergusson voor ogen stond, is dan ook inderdaad lang zeer gewenst geweest.

De eerste poging om enigszins in deze behoefte te voorzien werd ondernomen door de veelzijdige Bengaalse geleerde en auteur Nāgendranāth Vasu in zijn interessante werk over de Archaeological Survey van Mayūrabhañja.

Enkele jaren geleden kwam bij mij het idee op om zelf een boek over hindoeïstische iconografie samen te stellen en zo, voor zover ik daartoe in staat was, tegemoet te komen aan het door Fergusson aangeduide gemis. Aanvankelijk verkeerde ik in de veronderstelling dat dit mogelijk zou zijn zonder veel gebruik te maken van de gegevens die besloten liggen in de oorspronkelijke Sanskrietwerken die gezag genieten op dit terrein; van het bestaan van veel van die werken was ik mij toen zelfs nog niet volledig bewust. Al spoedig overtuigde de verbijsterende verscheidenheid aan afbeeldingen die van één en dezelfde god bestonden mij ervan dat het vrijwel onmogelijk was de mythologische betekenis en morele bedoeling ervan te begrijpen zonder de hulp van de Sanskrietwerken die daarop betrekking hebben.

Gelukkig had ik tijdens een reis door Noord-Travancore het geluk een klein handschrift te verkrijgen met de titel Śilparatna. Nadat ik het met aanzienlijke moeite had ontcijferd, ontdekte ik dat het een samenvatting in Maleisische verzen was van een omvangrijker verhandeling met dezelfde naam. Een ander klein en fragmentarisch handschrift dat later in mijn bezit kwam, bleek blijkens de colofons aan het einde van de hoofdstukken een āgama te zijn, genaamd Aṁśumadbhedāgama.

Enkele jaren eerder had ik acht of negen werken over de Śaiva-āgama’s aangeschaft, maar bij gebrek aan tijd had ik zelfs niet de moeite genomen te bekijken wat zij bevatten. Rond deze tijd begon ik ze te bestuderen, en wat een schatkamer aan kennis bleken zij te zijn! Hoofdstuk na hoofdstuk bevatten zij uiterst gedetailleerde beschrijvingen van de meeste Śaiva-afbeeldingen en ook van een aantal Vaiṣṇava-afbeeldingen.

Mijn zoektocht naar meer āgama’s en tantra’s leidde tot de verzameling van een groot aantal van dergelijke werken, afkomstig uit de verschillende hindoeïstische tradities. Op basis van dit materiaal begon ik allereerst de beschrijvingen van beelden bijeen te brengen zoals die daarin waren opgenomen. De āgama’s behandelen immers veel meer onderwerpen dan alleen iconografie. Terwijl ik hiermee bezig was, breidde ik tegelijkertijd mijn verzameling foto’s van beeldhouwwerken en afgietsels uit die de verschillende hindoeïstische godheden voorstellen.

Midden 1912 begon ik daadwerkelijk aan de taak een systematische beschrijving van de beelden uit te werken, en spoedig had ik de beschrijving van een aantal minder belangrijke godheden voltooid.

Toen ik zover gevorderd was, drong het tot mij door dat de voornaamste moeilijkheid bij de verwezenlijking van mijn onderneming lag in het verkrijgen van de financiële middelen die voor publicatie nodig waren. Het werk vereiste fotomechanische reproducties van een groot aantal afbeeldingen, en de kosten daarvan alleen waren al voldoende om mij van het hele plan af te brengen. In feite zou ik mij waarschijnlijk, hoe tegen mijn zin ook, genoodzaakt hebben gezien mijn gekoesterde voornemen op te geven, ware het niet voor de tijdige hulp en aanmoediging die op uiterst vrijgevige wijze werden geboden door de verlichte regering van Zijne Hoogheid de Mahārāja van Travancore.

De Dewan, de heer Rājagōpālāchārya, zag onmiddellijk de waarde van het project in en beloofde het voor de publicatie benodigde bedrag beschikbaar te stellen. De welwillende houding van deze hoogontwikkelde bestuurder, die aan het hoofd van de regering van Travancore stond, gaf mij nieuwe moed en bracht mij ertoe met hernieuwde kracht en toewijding aan het werk te gaan. De benodigde Sanskrietteksten werden snel verzameld, maar de uitbreiding van de verzameling noodzakelijke foto’s verliep minder voorspoedig. Daarom verzocht ik de Dewan mij toestemming te geven een studiereis te maken naar plaatsen buiten de staat, in de presidentschappen Madras en Bombay en tevens in de staat Mysore, teneinde de benodigde foto’s te verkrijgen.

Dit verzoek werd ingewilligd, en mijn bezoek aan deze gebieden verrijkte niet alleen mijn fotografische verzameling, maar bleek voor mij ook van grote educatieve waarde. Het stelde mij in staat de verschillende iconografische symbolen en attributen rechtstreeks aan de hand van de beeldhouwwerken zelf te bestuderen. Waar fotograferen onmogelijk was, moest ik terugvallen op mijn bescheiden kennis van tekenen en schilderen. Vaak maakte ik schetsen met pen en inkt en soms ook levensgrote gekleurde tekeningen van muurschilderingen, hoewel dit laatste werk buitengewoon tijdrovend was.

Ik beschouw het als een plicht hier melding te maken van de onbaatzuchtige hulp die ik ontving van mijn vriend, wijlen de heer M. K. Nārāyaṇasāmi Ayyar, advocaat bij het Hooggerechtshof van Madras. Tijdens zijn beroepsmatige en andere reizen naar verschillende plaatsen binnen het presidentschap Madras maakte hij voor mijn werk zoveel foto’s als hij maar kon, waardoor hij mijn arbeid aanzienlijk vergemakkelijkte. De heer Nārāyaṇasāmi Ayyar was een belezen geleerde, criticus en filosoof, en hij zou voor dit werk een geleerd artikel hebben bijgedragen over de verering van Dēvī.

Helaas beroofde de dood mij geheel onverwacht van de verdere hulp waarop ik met grote verwachtingen had gerekend. Het gevolg daarvan is dat dit werk de waardevolle aanvulling heeft moeten missen van een diepgaande en volledige uiteenzetting over de Dēvī-verering uit de pen van een geleerd man die grondig thuis was in de Śākta-traditie en de andere religieuze scholen die uit de heilige literatuur van de hindoes bekend zijn.

Ik ben mij maar al te zeer bewust van de vele tekortkomingen die dit werk van mij vertoont. Toch vertrouw ik erop dat geleerden deze met welwillendheid zullen beoordelen wanneer zij rekening houden met de enorme hoeveelheid materiaal die moest worden verzameld en verwerkt, en tevens met het feit dat mijn officiële werkzaamheden in Travancore zo omvangrijk zijn geweest dat zij mij weinig tijd lieten voor bijkomende arbeid van deze aard.

Bovendien moet ik erop wijzen dat dit in meer dan één opzicht de eerste poging van zijn soort is en niet pretendeert een volledige behandeling van het onderwerp te bieden. Onder deze omstandigheden zal ik mij ruimschoots beloond achten indien dit bescheiden werk ertoe bijdraagt het terrein te ontginnen en bekwamere geleerden ertoe aanzet het onderwerp later op een vollediger en bevredigender wijze te behandelen.

Ik maak tevens van deze gelegenheid gebruik om opnieuw mijn diepe dankbaarheid uit te spreken jegens de vrijgevige regering van Zijne Hoogheid de Mahārāja van Travancore, die de publicatie van dit werk mogelijk heeft gemaakt. In het bijzonder ben ik veel dank verschuldigd aan Dewan Bahadur P. Rājagōpālāchārya, M.A., B.L., C.I.E., vanwege de verlichte belangstelling en voortdurende steun die hij tijdens de gehele totstandkoming van dit werk heeft betoond.

Ik kan Pandit V. Śrīnivāsa Śāstri, Smṛtivisārada, onmogelijk voldoende danken. Zonder zijn bereidwillige medewerking en onvermoeibare inzet zou het voor mij uiterst moeilijk zijn geweest dit werk tot stand te brengen. Mijn hartelijke dank gaat eveneens uit naar Pandit T. Gaṇapati Śāstri, conservator van de Sanskrit Manuscripts Library te Trivandrum, die mij steeds behulpzaam was bij het ter beschikking stellen van de handschriften waarom ik in verband met dit werk van tijd tot tijd verzocht.

Ook ben ik de heer D. R. Bhaṇḍārkar, M.A., hoofd van de archeologische dienst van de Western Circle, zeer erkentelijk omdat hij mij zijn exemplaar van de Rūpa-maṇḍana heeft geleend, een werk dat waarschijnlijk van betrekkelijk late datum is binnen de hindoeïstische iconografische literatuur.

Ten slotte kan ik mijn dankbaarheid en verplichting jegens mijn geëerde leermeester, Rao Bahadur professor M. Raṅgāchārya, M.A., van het Presidency College te Madras, niet voldoende onder woorden brengen. Hij heeft gedurende het gehele verloop van dit werk de grootste belangstelling ervoor getoond en mij met bijna vaderlijke zorg begeleid. Steeds stond hij klaar met zijn waardevolle adviezen en vormde hij voor mij een onuitputtelijke bron van inspiratie en aanmoediging. Daarom acht ik het mijn plicht hem hier mijn oprechte en diepgevoelde dank te betuigen voor alle moeite die hij zich ten behoeve van mij heeft getroost.

T. A. G.

Triplicane, Madras
September 1914

Transcriptie Preface Vol II

In bringing out the Second Volume of the Elements of Hindu Iconography, the author earnestly trusts that it will meet with the same favourable reception that was uniformly accorded to the first volume both by savants and the Press, for which he begs to take this opportunity of tendering his heart-felt thanks. No pains have of course been spared to make the present publication as informing and interesting as is possible in the case of the abstruse subject of Iconography. Though the illustrations appearing in the present volume are by no means inadequate for the main purpose of the work, yet they are not so full and exhaustive as in the first, and a word of explanation in that connection may not be out of place. To the great regret of the author, the liberal pecuniary help offered for the preparation and publication of the first volume has been, owing to the somewhat straitened finances of the Travancore State at present, withheld from him on the present occasion and he has, in consequence, not been able to embody as many illustrations as he had intended personally to gather for the purpose from various parts of India with a view to present to the public a series representative of the varied sculpture of the different parts of this country. But the Travancore Durbar have, in gracious consideration of the trouble and labour involved in the preparation of the present volume, been pleased to permit its publication by the author himself, for which he begs to offer his respectful and grateful thanks to the Dewan, Mr. Dewan Bahadur M. Krishna Nair, B.A., B.L. Mention may here be made of a few points worthy of notice in the book. In the Introduction is given a collective description of all the peculiarities of the tenets and observances of some of the Śaiva sects of which the general public has hitherto been practically ignorant, and of certain other cults that have died out without a trace. The nature of Liṅga worship has been examined critically in the light of original texts gathered from such important sources as the Śaivāgamas, Śaiva philosophical treatises, Purāṇas and Itihāsas, and with reference to the extant sculpture of all ages of this symbol of worship, and the matter has been thoroughly discussed and, what the author ventures to claim to be, an impartial conclusion arrived at. In the body of the book, several matters, which will be seen to be quite new even to the informed Hindu, have been dealt with; to cite an instance, everybody knows that Śiva begged for food with the broken skull of Brahmā as an expiation for the sin of having cut off one of Brahmā’s heads, but it is doubtful if it is known why this curious sort of penance should have been resorted to by Śiva to get rid of His sin. Again, it has been found possible with the help of the knowledge derived from a close study of the bulk of the science of Nāṭya-Śāstra together with commentaries thereon to elaborate and treat fully the manifold dances of Śiva, though only eight or nine modes are described in the āgamic and other works. The reader will, it is hoped, come across many other instances of fresh information being furnished on matters that have remained more or less obscure hitherto.
The author cannot be too thankful to the Proprietors of the Law Printing House for the extraordinary care and trouble they have bestowed upon the printing and general get up of the books and for their readiness in coming forward and generously offering their timely help but for which the volume could not have been brought out. The author cannot also omit to express his sense of gratitude to Dr. A. K. Anandakumāraswāmi, M.A., D.Sc., for the ready and willing permission granted to him for reproducing the valuable article on the dance of Śiva, contributed some time ago to the Siddhānta-Dīpikā by the learned Doctor. He has also very great pleasure in recording here his high appreciation of the help cheerfully rendered by his Paṇḍit Mr. V. Śrīnivāsa Śāstri, Smritivisārada, but for whose untiring industry and intelligent collaboration this work could not have been brought to a successful completion so soon. Messrs. Longhurst, Stoney, Kay and Beardsell, have been so very kind as to assist the author with photographs of images in their respective collections and to accord their gracious permission to reproduce them: to these gentlemen, the author offers his grateful thanks.
For reasons which need not be explained here, it was not possible for the author personally to supervise the printing of the work throughout so as to ensure the presentation of an absolutely correct text; he had therefore to entrust the task to the printers themselves. In spite of the care and trouble ungrudgingly bestowed by them in the midst of their multifarious duties, a number of errors have unavoidably crept in. Though such of them as have been subsequently noticed are noted in the errata list, it is likely many more have escaped detection, for which the author craves the indulgence of his readers.
Madras,
January 1916. THE AUTHOR.

VOORWOORD (Copilot)

Bij het uitbrengen van het tweede deel van de Elements of Hindu Iconography koestert de auteur de oprechte hoop dat het dezelfde gunstige ontvangst zal krijgen als het eerste deel, dat zowel door geleerden als door de pers zo welwillend werd ontvangen. Hij maakt graag van deze gelegenheid gebruik om daarvoor zijn hartelijke dank uit te spreken.

Uiteraard is geen moeite gespaard om deze uitgave zo informatief en boeiend mogelijk te maken, voor zover dat mogelijk is bij het tamelijk moeilijk toegankelijke onderwerp van de iconografie. Hoewel de afbeeldingen in dit deel geenszins ontoereikend zijn voor het hoofddoel van het werk, zijn zij niet zo talrijk en zo volledig als die in het eerste deel. Een korte toelichting hierover lijkt daarom niet misplaatst.

Tot zijn grote spijt heeft de auteur ditmaal niet kunnen beschikken over de ruime financiële steun die voor de voorbereiding en publicatie van het eerste deel werd verleend. Vanwege de huidige financiële beperkingen van de staat Travancore werd deze steun niet opnieuw beschikbaar gesteld. Daardoor was hij niet in staat zoveel illustraties op te nemen als hij oorspronkelijk had gepland. Het was zijn bedoeling geweest die persoonlijk in verschillende delen van India te verzamelen, om het publiek een representatieve reeks voor te leggen van de uiteenlopende beeldhouwkunst uit de verschillende regio’s van het land.

De Durbar van Travancore heeft echter, uit waardering voor de moeite en arbeid die met de voorbereiding van dit deel gemoeid waren, toestemming verleend om het werk op kosten van de auteur zelf te publiceren. Hiervoor betuigt hij zijn eerbiedige en oprechte dank aan de Dewan, de heer Dewan Bahadur M. Krishna Nair, B.A., B.L.

Hier mogen enkele bijzonderheden van het boek worden vermeld die de aandacht verdienen. In de inleiding wordt een gezamenlijk overzicht gegeven van de karakteristieke opvattingen en gebruiken van enkele Śaiva-sekten waarmee het grote publiek tot dusver vrijwel onbekend is geweest, evenals van bepaalde andere culten die spoorloos zijn verdwenen.

De aard van de liṅga-verering is kritisch onderzocht aan de hand van oorspronkelijke teksten uit belangrijke bronnen zoals de Śaivāgama’s, Śaivistische filosofische verhandelingen, Purāṇa’s en Itihāsa’s. Daarnaast is rekening gehouden met bewaard gebleven sculpturen uit alle perioden waarin dit vereringssymbool voorkomt. Het onderwerp is uitvoerig besproken en heeft geleid tot wat de auteur waagt te beschouwen als een onbevooroordeelde conclusie.

In de hoofdstukken van het boek worden bovendien verschillende onderwerpen behandeld die zelfs voor goed geïnformeerde hindoes nieuw zullen blijken te zijn. Om één voorbeeld te noemen: iedereen weet dat Śiva met de gebroken schedel van Brahmā om voedsel bedelde als boetedoening voor de zonde dat hij een van Brahmā’s hoofden had afgeslagen. Maar het is twijfelachtig of algemeen bekend is waarom juist deze merkwaardige vorm van boetedoening door Śiva werd gekozen om van zijn schuld verlost te worden.

Eveneens is het dankzij een grondige bestudering van het grootste deel van de wetenschap van de Nāṭya-Śāstra, samen met de daarop geschreven commentaren, mogelijk gebleken de vele dansvormen van Śiva uitvoerig te behandelen. In de āgama’s en andere werken worden immers slechts acht of negen van deze vormen beschreven.

De auteur hoopt dat de lezer nog veel meer voorbeelden zal aantreffen van nieuwe informatie over onderwerpen die tot dusver min of meer in het duister zijn gebleven.

De auteur kan de eigenaars van de Law Printing House niet genoeg danken voor de buitengewone zorg en inspanning die zij aan het drukken en de algemene uitvoering van het boek hebben besteed, evenals voor hun bereidwilligheid om op het juiste moment hun hulp aan te bieden. Zonder hun steun zou dit deel niet hebben kunnen verschijnen.

Evenmin mag de auteur nalaten zijn dankbaarheid uit te spreken jegens dr. A. K. Anandakumāraswāmi, M.A., D.Sc., die hem bereidwillig toestemming verleende om het waardevolle artikel over de dans van Śiva over te nemen dat enige tijd geleden door deze geleerde werd gepubliceerd in de Siddhānta-Dīpikā.

Ook vermeldt hij met groot genoegen zijn waardering voor de hulp die zijn pandit, de heer V. Śrīnivāsa Śāstri, Smritivisārada, bereidwillig heeft verleend. Zonder diens onvermoeibare inzet en intelligente samenwerking zou dit werk niet zo spoedig tot een succesvolle voltooiing zijn gebracht.

Verder zijn de heren Longhurst, Stoney, Kay en Beardsell zo vriendelijk geweest de auteur foto’s ter beschikking te stellen van beelden uit hun respectieve verzamelingen en hem toestemming te geven deze te reproduceren. De auteur betuigt ook hun zijn oprechte dank.

Om redenen die hier niet nader hoeven te worden uiteengezet, was het voor de auteur niet mogelijk het drukproces van begin tot einde persoonlijk te begeleiden om zo een volkomen foutloze tekst te waarborgen. Hij moest deze taak daarom aan de drukkers overlaten.

Ondanks de zorg en toewijding die zij, te midden van hun vele andere werkzaamheden, aan het boek hebben besteed, zijn onvermijdelijk een aantal fouten in de tekst geslopen. Hoewel de fouten die later werden ontdekt in de erratalijst zijn opgenomen, is het waarschijnlijk dat er nog meer aan de aandacht zijn ontsnapt. Hiervoor vraagt de auteur om de welwillende toegeeflijkheid van zijn lezers.

Madras, januari 1916
De auteur