Kunstvaria



Chris Schwarz, Joods kerkhof in Czarny Dunajec.



Edward Hopper, Nighthawks, 1942.



Frans Hals, Dubbelportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laan, 1622.



Libia Posada, anoniem portret, 2007.



Richard Estes, Telefooncellen.



Stan Hunt, Pugwis masker met Kingfisher.



Steven Weinberg, Whale rock boat, 2002.

Midzomernachtdroom

Gisteravond ben ik samen met een aantal vrienden
gaan kijken naar de voorstelling ‘Midzomernachtdroom’
in het Amsterdamse Bos.
Dit stuk naar William Shakespeare speelt zich af
in een geheimzinnege droomwereld met kleurrijke figuren
en omvat een complex verhaal.
Ik heb daar een aantal foto’s gemaakt maar
het zijn er te veel om allemaal in 1 log te stoppen.

Daarom nu alleen de foto’s die ik gemaakt heb van het toneel,
voor aanvang van het stuk.



Op het podium stonden grote ‘spiegels’.
Houdt het gezelschap ons een spiegel voor vanavond ?
Dat is wel de eerste gedachte die bij me opkwam.
Maar de spiegels zijn geen echte spiegels.
Ze geven wel een heel vertekend beeld.
Zouden het misschien droombeelden uit een bos kunnen zijn ?






Hier op deze spiegel is de fotograaf zelf ook nog te zien.





In het kader van een bruiloft die het hele stuk omvat
werden hartjes uitgedeeld
door in wit gekleede mensen met grote trossen ballonnen.




Die ballonnen waren natuurlijk ook in de spiegels te zien.

Lynden

Gisteren was ik even in Amsterdam Osdorp.Ik had daar lang geleden al een vreemd gebouw gezien.Het ligt een beetje buiten de bebouwde kom.Herstel: het ligt nu nog een beetje buiten de bebouwde kom.Nu eerst wat foto’s.Een tuincentrum in de buurt met een bijzonder dak.Zoals in de aanvullende informatie te lezen is (met dank aan Wikipedia)gaat het om een gemaal.Speciaal aangelegd voor de drooglegging van het gebied rond 1850. Lees verder →

Gulag

De Telegraaf:
Groot kruis voor slachtoffers zuiveringen Stalin

BUTOVO
In Butovo vlakbij Moskou is woensdag een groot houten kruis
opgezet ter nagedachtenis van de slachtoffers
van de bolsjevistische Sovjet-dictator Stalin.

Dat gebeurde op een plek waar op 8 augustus 1937
duizenden vermeende ‘vijanden van het volk’
werden geexecuteerd.
Het kruis van hout uit Siberie is 12,5 meter hoog
en 7,6 meter breed.


Tijdens de ‘zuivering’ van ‘anticommunistische elementen’
werden in 1937/38 honderdduizenden Sovjetburgers gedood;
miljoenen mensen werden naar kampen gestuurd.
De massa-executies gingen ook na november 1938
op een lager pitje door, tot Stalins dood in 1953.

Mensenrechtenorganisaties hekelen
dat de miljoenen slachtoffers van Stalin
nooit een schadeloosstelling hebben gekregen.

Een aantal van de foto’s bij dit stukje
komen uit een boek dat ik onlangs kocht in Amsterdam.
Het boek heet Gulag.
Het is gemaakt door Tomasz Kizny.
Het is een enorm groot boek met prachtige, vaak dramatische foto’s.
Foto’s van hoe Rusland er nu (jaren ’80 en ’90 vorige eeuw)
en toen (archief opnames ed) uitzag.
Solovki (Solovetski), het Witte Zee Kanaal en Kolyma
zijn een paar van de bestemmingen.

Lees verder →

Gehoord

Niet alles wat je koopt en hoort is een succes.
Een voorbeeld is Hamel, Wouter Hamel.
De CD krijgt goede recencies in jazz-bladen.
Maar de werkelijkheid is dat het een saaie CD is.
Je realiseert je gelijk hoe goed George Michael eigenlijk is,
Of Sinatra, of Jammie Cullum.
De soul van George Michael,
de ongeevenaarde techniek van Frank Sinatra, zijn keuze voor
nummers, muziek en muzikanten,
de frisheid van Jammie Cullum
Ja zelfs de lef van Jasper Steverlinck.
Harry Connick Jr. klinkt meer naar Sinatra.

Dat alles mis je bij Wouter Hamel.
Helaas.



De recensie uit Jazzism van deze zomer zit er behoorlijk naast.
Het klinkt helemaal niet fris en fruitig.
Vergeleken met andere crooners klinkt dit belegen.
Technisch okay.
Arrangementen redelijk.
Maar de som der delen is hier niet dat meer dat muziek behoort te zijn.



Terug gevonden !

De Franse politie heeft bekend gemaakt dat ze drie werken
van Pablo Picasso, die begin dit jaar gestolen zijn
in het appartement van zijn dochter in Parijs,
terug gevonden hebben.

Mooi werk, die schildering van Picasso bedoel ik.



Pablo Picasso, Maya en de pop, 1938.

CO2 compensatie

Binnenkort, als we definitief besloten hebben met wie we
de vakantie door Gujarat gaan maken,
moeten we de CO2 uitstoot van het vliegen compenseren.



Green Seat is de organisatie die dat onder andere doet.
Ze proberen vooral met grotere maatschappijen, bijvoorbeeld in het toerisme,
daar afspraken over te maken.
We hebben dat in het verleden al een paar maal gedaan,
onze vakantie gecompenseerd.



De web site is nog niet perfect.
Zo is het goedkoper om ineens van Amsterdam
naar Gujarat te vliegen.
Dat heeft qua kilometers natuurlijk mider uitstoot.
alleen kun je zo helemaal niet vliegen.
Nou ja, het is natuurlijk ook maar een CO2-compensatie bij benadering.



Wij gaan van Amsterdam naar Mumbai (Bombai) en vliegen de dag erna
door naar Gujarat (Ahmedabad of Rajkot).
Volgens Green Seat kost het 60 Euro voor een retour Mumbai en
nog eens 6 Euro voor een retour Rajkot.
Direct naar Rajkot kost 56 Euro.

We zien het wel, we hebben nog niet gekozen maar zijn al wel dicht bij.

Kunstvaria

Weer een hele oogst.
Kunst uit alle werelddelen, verschillende stijlen.
Allemaal mooi.



Zittende vrouwenfiguur, Fangvolk uit Gabon.



Een van de veertig voorwerpen die het Getty museum zal teruggeven
aan Italie: Askos in the shape of a siren, 480 – 450 voor Christus.
Askos is een wword dat staat voor vaasje, flacon.




Canaletto, Venetie: een bootrace op het Canal Grande.



David Ruben Piqtoukun, Sharing the good food, 1999.
Moderne kunst van een Inuit (eskimo) kunstenaar.




Francesco Guardi, Rialto-brug in Venetie.



Kathy Ruttenberg, She lost her footing.
Gewoon erg grappig.



Keith Haring, Untitled.



Peter Siegel, Time Square @ 2 miles high.



Vincent van Gogh, Ravijn, 1889.

Kunst terug naar Italie

Het Italiaans Ministerie van Cultuur
en het J. Paul Getty museum
bereiken overeenkomst

1 Augustus 2007

Het Italiaans Ministerie van Cultuur en het J. Paul Getty museum
hebben het volgende gezamenlijke bericht uit doen gaan:

De Italiaanse minister van Cultuur Francesco Rutelli,
en de directeur van het J. Paul Getty Museum, Dr. Michael Brand,
kondigen vandaag aan dat zij een overeenkomst hebben bereikt
over de claim van het ministerie op objecten
in de collectie klassieke antiquiteiten van het Getty Museum.

De belangrijkste afspraken van de overeenkomst zijn onder ander:

“Het Getty museum zal 40 objecten overdragen aan Italie,
inclusief het beeld “Cult Statue of a Goddess”.
Afgevaardigden van Italie en het Museum zullen een tijdspad ontwikkelen
voor de overdracht van de objecten over de komende maanden
met als uitzondering de overdracht van het beeld “Cult Statue of a Goddess”,
dit beeld zal tot 2010 te bezichtigen blijven in de Getty Villa;

“De partijen komen overeen verdere discussies
over het beeld `Statue of a Victorious Youth` op te schorten
totdat de uitkomt van juridische procedures in Pesaro (Italie) bekend zijn;

“Italie en het Getty museum komen een brede culturele samenwerking overeen
die het uitlenen van belangrijke kunstvoorwerpen,
gezamenlijke tentoonstellingen en conserveringsprojecten zullen omvatten.

Beide partijen zeggen blij te zijn met deze overeenkomst
omdat men na lange en complexe discussies een overeenstemming heeft bereikt
waardoor men nu kan beginnen te werken
aan een hernieuwde relatie gebaseerd op samenwerking.

Vertaling van Argusvlinder.

In totaal gaat het om 40 objecten die zullen worden overgedragen
aan de Italiaanse staat.

Een beetje cynisch is het bijschrift bij het beeld ‘Statue of a Victorious Youth’
in het J. Paul Getty museum:

Een naakte jongeling staat met zijn gewicht op zijn rechter been,
zichzelf kronend met een krans, waarschijnlijk van olijftaken.
De olijfkrans was de prijs voor een winnaar
van de klassieke Olympische Spelen
en identificeert deze jongeling als een succesvol atleet.
De ogen van het beeld waren origineel ingelegd met gekleurde steen of glaspasta
en de tepels waren ingelegd me koper
om zo een natuurlijk kleurcontrast te creeren.
Het beeld is gevonden in de zee voor de kust van Italie.
Dit beeld is een van de weinige levensgrote Griekse beelden die nog bestaan.
Vandaar dat het veel informatie geeft over de antieke techniek
van het bronsgrieten.
De oorsprong van het beeld is onbekend
maar het kan uit Olympia of uit de stad van de jongeling afkomstig zijn.
Waarschijnlijk hebben Romeinen het meegenomen van de originele locatie
in de eerste eeuw voor of na Christus.
In die tijd was het verzamelen van Griekse kunst door Romeinen
op zijn hoogtepunt.
Een Romeins schip vervoerde het beeld naar Italie terwijl het zonk voor de kust.
Op deze manier lag het beeld voor eeuwen op de zeebodem
en werd het geconserveerd.

Vertaling van Argusvlinder.

De pot verwijt de ketel, zou ik zo zeggen.
Bijzonder is ook dat het beeld niet voorzichtig van zijn sokkel is gehaald.
Het is bij zijn enkels afgebroken.
De Italianen zin er dus ook niet eerlijk aangekomen.

Het beeld wordt door sommige toegewezen aan de beeldhouwer Lysippos.

Het beeld is gevonden in 1964 voor de kust van Fano in de Adriatrische zee.
Het beeld werd in 1977 gekocht door het J. Paul Getty museum.

Eten uit de schelp

Mosselen.
Heerlijk.
De kwaliteit is prima.
Wel duur.

Vandaag met koriander bij de mosselen, maar die smaak
gaat door het koken verloren.
De verse koriander door de sla zorgt wel voor een oosterse smaak.

Even wassen.

Tafel dekken.

Aanvallen.

Liefkenshoektunnel

Gisteren was het zo ver.
Mijn eerste grote file in het traject Liefkenshoektunnel.
We zeggen altijd de Liefkenshoektunnel maar in werkelijkheid
is dat slechts een van de drie tunnels die er liggen door
het havengebied van Antwerpen.
Gisteren was er een ongeluk gebeurd in de Tijsmanstunnel.
De derde tunnel heet de Beverentunnel.
Ik “mocht” gisteren getuigen zijn van het ongeluk.
Dat leverde de volgende plaatjes op:



Voor mij begon het allemaal als een gewone file.



Het experimenteren met fotograferen kon gelijk beginnen.



We naderen het tolplein.





Nu de goede “laan” zien te vinden. Beetje chaos.



Selectief werden we doorgelaten. Er zijn 9 lanen in de richting van Nederland.
De tunnel heeft slechts 2 rijbanen.




Binnen in de Liefkenshoektunnel.



Hier stonden we ook een lange tijd stil.







Daar is hij dan, de Tijsmanstunnel is in aantocht.



In de tunnels was het erg warm.



De signalering.



De beschadeging aan de muur.
Bij het ongeluk is in ieder geval een vrachtwagen betrokken.
De heeft vast de linker zijkant van de tunnel geraakt.






Hier reden we al weer een beetje door.
Je kunt dan geen foto’s meer maken.




Daarom alleen deze vergroting van de laatste foto.
Wel wat bewogen maar de vrachtwagen die op zijn zij ligt is te zien.


Standbeeld Hadrianus in Sagalassos

Leuvense archeologen ontdekken standbeeld Hadrianus in Sagalassos



Een archeologisch team van de K.U.Leuven heeft gisteren
in Sagalassos (Turkije) fragmenten van een uitzonderlijk marmeren beeld
van de Romeinse keizer Hadrianus opgegraven.
De intact bewaarde kop van het standbeeld is meer dan 70 cm hoog.
Volgens opgravingsdirecteur Marc Waelkens gaat het
om xc3xa9xc3xa9n van de allermooiste portretten van keizer Hadrianus,
onder wie de bouw van het thermencomplex startte.



Begin juli startte een nieuwe opgravingscampagne in de antieke stad Sagalassos.
Sinds meer dan tien jaar wordt in Sagalassos onder meer
het Romeinse badgebouw (thermen) onderzocht.
Dit jaar concentreren de Leuvense archeologen
zich op de zuidoostelijke hoek van het complex.
Totaal onverwacht werden zondag de eerste fragmenten
van een meer dan levensgroot standbeeld ontdekt.



Het ging om een voet van 0.80 meter lengte,
met sandalen die de eigenaar als een keizer identificeerden,
het deel van een been van net boven de knie tot aan de enkel van 1.50 meter hoogte.
Gisteren kwam dan ook een schitterende, nagenoeg intacte kop
van 0.70 meter hoog aan het licht.
Het hele beeld moet tussen vier en vijf meter hoog geweest zijn
en dateert waarschijnlijk uit het begin van de regeerperiode van Hadrianus,
tijdens de tweede eeuw na Christus.



Onder de regering van Hadrianus werd gestart met de bouw
van het thermencomplex van Sagalassos.
Het gebouw werd echter pas decennia later volledig afgewerkt.
Keizer Hadrianus bekleedt een bijzondere plaats in de geschiedenis van Sagalassos.
Hij gaf de stad een bijzondere status.
Ten noorden van de Onderste Agora van de stad
werd tijdens zijn regeerperiode een prachtige pronkfontein opgericht,
het zogenaamde Hadrianisch nymfaeum.



De opgravingen in Sagalassos staan onder leiding
van de Belgische professor Marc Waelkens.
Hij was gisterochtend op de Vlaamse radio met dit nieuws.
Het opgravingsseizoen is net op 7 juli begonnen,
dit is dus veelbelovend.
Vanaf de jaren ’90 is er een hele stad blootgelegd.
Het gebied wordt ook wel het Turkse Pompei genoemd.
Het mosaic hierboven laat een van de vele vondsten zien


Het begijnhof in Breda

Gisteren heb ik wat foto’s gemaakt van onder andere het Begijnhof
in Breda.
De tekst die ik hierbij plaats komt van de web site
van het gemeente archief.
Ik heb de verwijzingen naar archiefstukken verwijderd.
Hier en daar een typefout aangepast.
De oude foto’s komen van de web site van het Breda’s museum.



Een foto van de begijnen gemaakt in 1966.

Het ontstaan van begijnhoven in de Nederlanden.
In de 12e eeuw ontstaat een beweging van religieuze vernieuwing,
die zich niet beperkt tot de geestelijkheid,
maar ook onder de leken een grote weerklank vindt.
Religieuze idealen als vrijwillige armoede en kuisheid
staan bij deze beweging centraal.
Nieuwe kloosterorden ontstaan.
In de 12e eeuw ontstaat bijvoorbeeld de orde van Premonstratenzers
ook wel genoemd Norbertijnen of Norbertinessen.

Dicht bij Breda is hier een voorbeeld van te vinden.
Zo kwam er in Antwerpen in 1124 het norbertijnenklooster Sint Michiels.
Dit was aanvankelijk een dubbelklooster voor zowel mannen als vrouwen.
Er zijn sterke aanwijzingen dat de vrouwentak in 1271 opging
in het door de heren van Breda gestichte Norbertinessenklooster Catharinadal.
Dit was eerst in Wouw gevestigd, later ging dit klooster naar Breda.

In de 13e eeuw kwamen de bedelorden van Dominicanen en Franciscanen op.



Vooral veel vrouwen voelden zich aangetrokken tot de nieuwe idealen.
Voor een deel konden deze vrouwen opgevangen worden
in de nieuwe kloosters, voor een ander deel bleven zij een gewoon leven leiden
in de wereld.
Zij kunnen namelijk niet allemaal opgenomen worden in de kloosters,
want de ene kloosterorde na de andere gaat zich verzetten
tegen opname van vrouwenkloosters in de orde.
Het stichten van vrouwenkloosters stagneert daardoor.
De vrouwen die geen onderdak in een klooster kunnen vinden,
of misschien zelfs niet eens willen, worden begijnen genoemd.
Zij leven individueel of in groepjes.
Een meer permanent karakter krijgt de begijnenbeweging
als er instellingen voor begijnen ontstaan,
de begijnhuizen en begijnhoven.
Deze instellingen worden in de Nederlanden voor het eerst vermeld
in het tweede kwart van de 13e eeuw.

De begijnhoven werden vaak gesticht door een landsheer,
een geestelijke of een rijke burger.
In 1240 stichtte een Gerardus de Werpa een hof te Antwerpen.
De begijnen die eerst in de omgeving van het hospitaal Klapdorp woonden,
kregen daarmee een definitieve huisvesting.
De begijnen van Brussel kregen in 1251 van de bisschop
toestemming op een hof te wonen.

Een centrale plaats binnen de nieuwe hoven
namen de hospitalen of ‘infirmeriexc3xabn’ in.
De infirmerie was bestemd voor de huisvesting van arme en zieke begijnen.
Later werden soms ook vrouwen van buiten toegelaten in de infirmerie.
Voor een bepaald bedrag konden deze opgenomen worden in de infirmerie.

Direct gekoppeld aan de infirmerie was een kapel.
De stichting van een beneficie of altaar in de kapel
werd gebruikt om een eigen priester te kunnen aanstellen.
In Gent werd in het jaar 1235 een kapelanie gesticht
op het begijnhof door Johanna van Constantinopel.
Reeds een jaar later werd er een priester benoemd.
Het hofje in Antwerpen kreeg in 1245 een eigen priester.

Breda past goed in het patroon van de andere hoven.
Het werd gesticht in 1267 door de heer van Breda.
In de stichtingsakte wordt een kapel met kerkhof nadrukkelijk genoemd.
Een infirmerie wordt in de stukken pas genoemd op 18 juli 1343.
Het is dus onduidelijk of er van het begin af aan
een infirmerie op het hof was.



Het Begijnhof wordt op dit moment gerenoveerd.

Stichting van het Bredase hofje
Al voor 2 maart 1267 woonden er begijnen te Breda.
In dat jaar gaf heer Hendrik van Breda de grond
waarop ze woonden aan hen in volle eigendom.
Ze kregen bovendien toestemming op die grond een kapel
met kerkhof te stichten.

De grond die de begijnen toen in eigendom kregen
lag tussen het kasteel van de heer en de stad.
Het hof lag net buiten de toenmalige stadsmuren.
In een akte uit 1296 wordt gezegd dat het hof tegen Breda aanlag (xe2x80x98apud Bredaxe2x80x99)
Of heer Hendrik of zijn voorganger Godfried
de begijnen naar Breda heeft gehaald, is niet zo duidelijk.
Bij deze schenking moet eerder aan Godfried IV
gedacht worden dan aan zijn zoon Hendrik.
De gift paste geheel in Godfrieds overdaad aan schenkingen,
gedaan op zijn sterfbed in Schoten;
een welwillendheid die zijn erfgenamen sterk zou verarmen.

Verbrokkeling domein
De royale schenking van grond aan de Caterstrate was
in het licht van wat de gevolgen waren
raadselachtig en amper in zijn welbegrepen eigenbelang.
Hij dreef door die schenking immers een wig
tussen het centrum van zijn domein en de bijbehorende bedrijfsruimten.
Vermoedelijk, omdat hij niet in Breda resideerde,
had hij wat minder oog voor de moeilijkheden,
die een dergelijke verbrokkeling van het domein
op die plaats met zich mee konden brengen.
Zeker na de aanleg van een stadswal in diezelfde periode
bleef hem slechts een smalle corridor als verbinding
tussen zijn castellum en zijn agrarisch centrum,
dat voortaan achter het begijnhof in de hovinge Valckenberge lag.

Begijnen geven percelen in cijns uit
Ofschoon het geschonken land aan de Caterstrate lag,
hebben de begijnen zich van die straat afgewend
door een brede strook grond erlangs in erfcijns aan poorters uit te geven.
Daarachter lieten ze de beghinengracht graven als afscheiding van hun hof.
De opbrengst van die uitgifte was mede bestemd
voor het onderhoud van de begijnen.
Uit de cijnsregisters van het begijnhof uit 1400 en 1427 blijkt
– in combinatie met de gegevens verkregen uit de vestbrieven xe2x80x93
dan ook dat de begijnen cijnzen hieven van een aaneengesloten reeks percelen,
gelegen ten zuiden van hun hof aan de Caterstrate
en aan wat later heette het Kasteelplein.
Waar het begijnhof ophield en het gebied van de heer begon,
was herencijns verplicht.
De scheiding tussen beide cijnsblokken was messcherp.

Beghinenstrate
De uitgifte van percelen langs de Caterstrate
had wel tot gevolg, dat de ingang van het begijnhof
kwam te liggen aan de Beghinenstrate.
Of zij die ‘zijstraat’ hebben aangelegd of dat daar al een weg liep
naar de burcht, kan alleen door archeologisch onderzoek worden aangetoond.
De straatnamen Beghinenstrate en Borchtstrate komen pas voor
in bronnen uit de veertiende en vijftiende eeuw.

Meer dan drie jaar later bevestigt de bisschop van Luik
het recht van de begijnen om een kapel met kerkhof op te richten.
Er is dan sprake van de xe2x80x98novella congregatio beginarumxe2x80x99
(nieuwe begijnencongregatie) wat er op wijst
dat het hof nog niet lang bestond.
De begijnen hebben het recht een eigen kapelaan te hebben.
Voor de kapelaan en het kerkhof moeten wel de bestaande rechten
van de parochiekerk gerespecteerd worden.

De kapel moet spoedig zijn opgeleverd, want in 1291
is er al sprake van een kapel gewijd aan de heilige Catharina op het begijnhof.
Vier jaar later jaar verleent het bidom Luik een aflaat
van 40 dagen aan hen, die op verschillende kerkelijke feestdagen
de kapel bezoeken.
Een aflaat zorgde ervoor dat de persoon een bepaalde tijd
korter in het vagevuur zou moeten doorbrengen na zijn dood.
Een aflaat zou
het bezoek aan de kapel bevorderen
en hiermee zorgen voor een regelmatige inkomstenstroom van giften van bezoekers.

Ketterijen
Kort daarna breekt er een moeilijke periode aan voor de begijnhoven in heel Europa.
In 1311 worden de begijnen verdacht van ketterse sympathiexc3xabn en veroordeeld.
De bisschop van Luik blijft de Bredase begijnen steunen.
In 1326 verleent hij hen nog eens een extra aflaat
voor bezoekers aan hun kapel.
Vier jaar later, in 1330, pleit de bisschop van Luik
hen definitief vrij van ketterse sympathiexc3xabn na een grondig onderzoek.

Een eigen kapelaan en begraafplaats
De relatie tussen begijnhof en parochiekerk was bij de stichting
niet duidelijk geregeld.
De bisschop van Luik had in 1270 de begijnen het recht gegeven
op een eigen kapelaan en een begraafplaats.
Daarbij was duidelijk gezegd dat zij de rechten
van de parochiekerk van Breda moesten respecteren.
Pas in 1343 keurde het kapittel een reeds bestaande overeenkomst
tussen begijnhof en pastoor goed.
Deze regeling hield in dat het hof als vergoeding
voor het laten begraven van begijnen en anderen op het hof
aan de pastoor jaarlijks 9 groten betaalde.
De begijnen kregen het recht zelf een kapelaan te kiezen
voor hun geestelijke zorg.
Al eerder, in 1301, had een Engelbrecht van den Einde
een altaar gesticht in de kapel van de begijnhof.
Met de inkomsten van dit altaar kon een kapelaan betaald worden.
Het kapittel van Breda had het recht een kapelaan
aan dit altaar te benoemen.
Uit een latere bron weten we dat de inkomsten van het altaar
20 veertelen rogge bedroegen en 7 gulden.



Datum van de foto is bij mij onbekend.

Huizen op oude hof
In het jaar 1480 bevatte het hof 16 huizen
bewoond door 37 personen.
Omstreeks 1500 breidde het begijnhof uit met een nieuwe poort
en enige daaraan grenzende woningen.
Ook de rekeningen bevatten vele posten die
op grote bouwactiviteit wijzen in deze periode.
Er werd onder andere een nieuwe kerk gebouwd.
In 1526 telde het Begijnhof 22 huizen.

Verplaatsing in 1527
Graaf Hendrik III van Nassau (1504-1538) maakte grootse plannen
om zijn kasteel uit te breiden en te maken tot een echt renaissancepaleis.
Voor de uitvoering moest het begijnhof, dat voor tegen de burcht aan lag,
verplaatst worden.
Reeds in 1527 vonden er onderhandelingen plaats tussen de graaf en de begijnen.
Er werd besloten het hof te verplaatsen naar het oostelijke deel
van het Valkenberg, de plaats waar het zich nu nog bevindt.
De stadsbrand van 1534 die grote delen van Breda verwoestte,
heeft waarschijnlijk het nieuwe hof niet geraakt.
Reeds in juli 1535 verhuisden de eerste begijnen.
De bestaande Wendelinuskapel ging functioneren als eigen kerk.
Graaf Hendrik van Nassau liet een muur bouwen van de gesloopte stadsmuren
tot aan de Catharinastraat.
Deze muur werd gebouwd met de stenen die waren vrijgekomen
van de sloop van het ‘huys Valckenberg’.
Het restant van dit materiaal mochten de begijnen gebruiken
voor de bouw van hun huizen.
Voor de bouw van zeven huisjes stelde graaf Hendrik 300 Rijnse guldens beschikbaar.
Het metselwerk duurde meer dan 15 weken.
Er moesten voor 23 begijnen huizen gebouwd worden.
In 1536 werd al begonnen met de aanleg van een tuin
en een bleekveld.
De begijnenhuisjes waren oorspronkelijk eenlaags.
In elk huisje was plaats voor twee begijnen.
Een huis bestond uit een woonkeuken met stookplaats,
een kelder met tongewelf en een opkamer met stookplaats.
Pas in de 18e eeuw zijn de huisjes met een verdieping verhoogd.
Waarschijnlijk is dit perceelsgewijze gebeurd,
wat de verticale bouwnaden in de voorgevels verklaart.

De ingang van het Begijnhof lag aanvankelijk in het Valkenberg,
daar waar nu de westmuur een sprong buitenwaarts maakt.
Rechts van de poort sloot een noordzuidwaartse muur
op de traptoren van de Wendelinuskapel aan.
In 1544 lieten de meesteressen van het hof drie huisjes bouwen
voor die Valkenbergse poort en tegenover de westgevel van de Wendelinuskapel,
op een rijtje van noord naar zuid.
In 1574 kwam de hoofdpoort aan de Catharinastraat te liggen.
De oude poort werd een ondergeschikte zijpoort.
Rechts van de nieuwe ingang kwam de pastorie te liggen.





Beeld van begijntjes in de kruidentuin.

De hervorming
De Beeldenstorm (1566) en de eerste periode van de opstand (tot 1590)
zijn de begijnen zonder veel schade doorgekomen.
Bij de Spaanse furie van Haultepenne (1581) kon plundering
tegen de kapitale som van 500 Rijnse guldens worden afgekocht.

Eerst toen in 1590 Breda door middel van de list met het turfschip
door prins Maurits was veroverd kwamen er moeilijkheden.
De Wendelinuskapel kwam in protestante handen
en werd omgedoopt tot Waalse kerk.
Charles de Hxc3xa9raugixc3xa8re, de aanvoerder van de manschappen in het turfschip
en door prins Maurits benoemd tot gouverneur van Breda,
werd buurman van het begijnhof .
Ondanks de bescherming van Maurits heeft hij de begijnen
nogal wat last bezorgd

Tussen 1590 en 1625 werd op het Begijnhof wel nu en dan de mis gelezen.
Waarschijnlijk gebeurde dit in de infirmerie (de ziekenzaal).
Tijdens het Spaanse tussenbewind (1625-1637) werd
de Wendelinuskapel weer begijnenkerk.
Ook na de herovering door Frederik Hendrik bleef dit zo.
Pas na de Vrede van Munster (1648),
gevolgd door het plakkaat van 16 juni 1648,
waarbij aan alle katholieke geestelijken het verblijf in Staats-Brabant werd verboden
en alle katholieke kerken en kapellen gesloten werden verklaard,
maakte een einde aan deze situatie.
Op 13 juli werd de begijnenkerk gereformeerd.
Op 3 januari 1649 vernieuwde prins Willem II de sauvegarde voor het Begijnhof.
Hij bepaalde tevens dat de toegang van de Waalse kerk
naar het Begijnhof moest worden dichtgemetseld en vervangen
door een nieuwe ingang aan de straat voor de Waalse kerk.

Dit betekende een definitieve scheiding tussen Wendelinuskapel en hof.
De begijnen richtten daarom drie woningen
die tegen de Wendelinuskapel aangebouwd waren
zo goed mogelijk in als kapel.
Een van deze woningen fungeerde voor deze tijd als infirmerie.
Deze drie huizen werden van hoge ramen voorzien.
In deze noodkerk werden tot 1838 de godsdienstoefeningen gehouden.



Schets van de noodkerk met hoge ramen.

Exc3xa9n van de zorgen in de 17e eeuw was het onderhoud van de pastoor.
Voordien had het hof geen eigen op het hof wonende pastoor.
De diensten werden toen verricht door de kapelaans van de beneficies,
die echter vaak ‘pastoor’ genoemd werden.
Doch de sauvegardes verleend door de heren van Nassau,
waarbij alle bewoners waren inbegrepen,
hadden tot het begrijpelijke gevolg dat de dienstdoende priester
zich op het Begijnhof kwam vestigen om veiliger te zijn
voor de maatregelen van het Staatse bewind.

In de eerste tijd verzorgde de Franciscaan Petrus Jeghers echter ook
de geestelijke belangen van de katholieken in de stad.
De meesteressen vonden dit blijkbaar ongewenst.
Zij trachtten de inkomsten van de beneficies bijeen te voegen
voor het onderhoud van een eigen begijnenpastoor.
En met succes.
Hun eerste afzonderlijke pastoor was Nicolaus van Milst (1674-1706),
die ook
als volksdichter van stichtelijke poxc3xabzie bekendheid heeft verworven.

In de 18e eeuw werd een ernstige poging gedaan
om het begijnhof te laten verdwijnen.
Op 12 maart 1731 werd een plakkaat uitgevaardigd,
waarbij o.a. werd bepaald dat er geen novicen mochten worden aangenomen.
Een hernieuwing van dit verbod volgde nog in 1732.
Pas in 1747, toen weer een Oranje als stadhouder was aangesteld,
werden de pogingen om opheffing van het verbod te krijgen
met succes bekroond.

Franse periode
Onder het bestuur van de Republiek genoten de Bredase begijnen
het voorrecht dat zij haar gebruikelijke kleding ongehinderd mochten blijven dragen.
Doch toen na de omwenteling de Representanten van Bataafs Brabant
het dragen van geestelijke ordeskleding verboden,
verklaarde de municipaliteit dat dit verbod ook van toepassing
moest worden geacht voor de begijnen.
In 1798 gaf toen Adrianus Oomen, xc3xa9xc3xa9n der vicarissen van het bisdom Antwerpen,
toestemming aan de begijnen zich buiten het begijnhof zodanig te kleden
dat er geen verdere moeilijkheden met de burgerlijke overheid
meer konden ontstaan.
Deze toestemming werd in 1814 ingetrokken.

19e eeuw
In de 19e euw beleefde het Begijnhof een laatste opbloei.
Een opvallend symptoom daarvan was de vernieuwde bouwactiviteit.
Tussen 1836 en 1838 werd onder toezicht van de Rijkswaterstaat
achter op het hof de St. Catharinakerk gebouwd.
In 1850 volgde, naast de huidige pastorie, die in 1886 en 1911 nog werd uitgebreid.
Tussen 1860 en 1863 werd de laatste grote verandering aangebracht.
Toen werd het zogenaamde ‘buitenhof’ gebouwd,
bestaande uit negen nieuwe huisjes.

20e eeuw
De Bredase begijnengemeenschap is nu uitgestorven.
Een laatste poging om nieuwe leden aan te trekken dateert van omstreeks 1930.
De bedoeling was jonge meisjes aan te trekken
die zich verdienstelijk zouden maken in de gezinszorg.
Dit werd echter geen succes.
Na de tweede wereldoorlog is besloten geen novicen meer aan te nemen.
In 1966 waren er nog elf begijnen op het Bredase begijnhof.
De laatste overste, A.M.A. Holtzer overleed in 1972.



Meesteressen
Het begijnhof stond rechtstreeks onder de bisschop.
De bisschop moest de statuten formeel goedkeuren,
kon een visitatiebezoek houden
en hij moest de keuze van de meesteres bevestigen.
In het begin van het ontstaan is er sprake van xc3xa9xc3xa9n meesteres.
Vanaf de 14e eeuw is er meestal sprake van twee meesteressen.
De meesteressen werden ieder jaar gekozen door de begijnen.
In de 17e eeuw werd het aantal weer teruggebracht naar xc3xa9xc3xa9n,
gekozen voor een periode van drie jaar.
In 1781 ging de verkiezing als volgt in zijn werk:
op 19 april verkondigde de pastoor van de begijnen
dat er de volgende dag om 10 uur een verkiezing zou plaats vinden.
Die dag kwamen de begijnen na de mis samen in de zaal, galerij genaamd.
De twee oudste zusters mochten eerst ieder twee stemmen uitbrengen.
Hierna maakte de bisschoppelijke afgevaardigde in de kerk bekend
dat zuster Catharina Turbiez gekozen was tot meesteres.



Foto uit 1920 met daarop een Meesteres of Moeder Overste: Maria Jansen.

De begijnen
Volgens de statuten opgesteld op 4 december 1516
moest een vrouw of meisje die begijn wilde worden
aan de volgende voorwaarden voldoen:

van de goede naam en ongehuwd
ze moest een jaarlijks inkomen hebben van minstens 16 lopen rogge
minimum leeftijd 13 jaar
De bewoonsters van het hof moesten,
behalve na opname in de infirmerie, zelf in hun inkomen voorzien.

Uit de literatuur zijn voor begijnen de volgende inkomstenbronnen bekend:
textielnijverheid, kosterstaken, ziekenzorg, onderwijs
en bidden voor de overledenen.
In Breda zijn aanwijzingen
voor deze verschillende inkomstenbronnen terug te vinden.
Textiel:
uit de statuten, opgesteld 3 april 1510,
blijkt dat de begijnen vroeger een inkomen hadden uit het noppen.
Noppen van laken is het herstellen van weeffoutjes
en het verwijderen van steentjes en strootjes.
In de tijd dat deze statuten opgesteld werden
was het noppen in onbruik geraakt (‘dwelc nu uter ghewoonten is’).
In 1510 was het maken van kussens populairder geworden als broodwinning.
In de statuten werd bepaald dat personen van buiten het hof
niet mochten assisteren bij dit werk.
Als argument wordt gegeven dat de omgang met wereldlijke personen
de begijnen maar op verkeerde gedachten zou brengen.
Het is echter ook bekend dat ambachtsgilden de activiteiten
op de hoven scherp in de gaten hielden.
Begjinen hoefden geen belasting te betalen
en vormden zo oneerlijke concurrentie.
Kosterstaken
Uit een rekening van het Bredase kapittel,
opgesteld in 1489, blijkt dat een ‘Janneken der baghyn’
alle kleden die bij het koor en het altaar van de Grote kerk hoorden
gewassen had.
Ze had dit gedaan tussen kerstmis en St. Jan (24 juni)
en ontving voor haar werk een vergoeding van 2 Rijnse gulden.
Het jaar daarop kreeg ze voor hetzelfde werk 30 stuivers.
Het jaar daarop werd dit waswerk overgenomen door Hilleke,
de zuster van de koster.
Ziekenzorg:
Een aantal punten in de statuten van 1516 wijst
in de richting van een actieve rol hierin.
In artikel 31 werd bepaald dat begijnen buiten het hof mochten slapen
om zieke mensen bij te staan.
Daar was dan wel toestemming van de meesteres voor nodig.
Werd die toestemming niet gevraagd dan kon een boete
van twee oude groten gegeven worden.
Onderwijs:
Weer volgens de statuten van 1516 was het begijnen toegestaan
aan kleine kinderen les te geven.
Hiervoor moest wel toestemming gevraagd worden aan de meesteres.
De inkomsten van deze schooltjes zouden toevallen aan de zusters
die in het begijnenconvent leefden (Statuten 1510).
Ook later bleven de begijnen onderwijs geven aan kleine kinderen.
Bidden voor overledenen:
Vanaf het eind van de 15e eeuw gingen de begijnen
de overledenen ieder jaar gedenken.
Deze verplichtingen werden in een jaargetijdenregister opgetekend.
Van de 189 jaargetijden werden er 91 afgewerkt in de kapel van het hof,
het andere deel in de nabijgelegen Grote kerk.
Daar werd meestal de grafzerk bezocht, een kleed op zerk gelegd,
kaarsen aangestoken en de boetpsalmen gezongen.
In de 16e eeuw leverde deze dienstverlening 44 Rijnse gulden per jaar op.



Ook aan de buitenkant van het begijnhof wordt op dit moment gewerkt.