Deze zoektocht begon met een afbeelding op Wikimedia Commons.
Ik vond de afbeelding toen ik op zoek was naar meer informatie
over een bronzen beeld in Musée Guimet.
Het museum noemde het beeld ‘Shiva en Parvati’ maar bij de afbeelding
op Wiki Commons werd als naam Umasahitamurti gebruikt.
Dat lijkt een meer nauwkeurige toeschrijving maar op basis waarvan
heeft de maker besloten die naam te gebruiken?
Ik ben gaan zoeken in Elements of Hindu Iconography van Rao.
Dat boek zal ik in het vervolg naar zijn auteur noemen: Rao.
In het boek zocht ik met de zoekterm ‘Uma’
en vond toen een hele reeks treffers en Umasahitamurti was er een van.
Umasahitamurti komt acht maal voor:
1. als een variant op Candraśekhara ‘de maandragende’.
Hier heeft Umasahitamurti een eigen korte tekst.
2. in genoemde korte tekst.
3. als onderdeel van een langere titel: SUKHASANAMURTI. UMASAHITAMURTI, SOMASKANDAMURTI AND UMAMAHESVARAMURTI.
4 en 5 zijn herhalingen van het woord in de inleiding van hetzelfde hoofdstuk
6 als onderdeel van een langere tekst in het hoofdstuk genoemd bij 3.
7 en 8 zijn terugverwijzingen.
In Vol II Part II komt Umāsahitamūrti ook nog een keer voor
als verwijzing vanuit het hoofdstuk Miscellaneous aspects of Shiva.
Dat is op pagina 369.
De tekst bij vermelding 3 lijkt de tekst te zijn die ik moet lezen.
De transcriptie van het hoofdstuk in Rao
en de bijbehorende Nederlandse vertaling vind je onderaan dit bericht.
Als ik de tekst lees dan ontstaat het volgende overzicht van eigenschappen
bij Sukhanamurti:
de voorstelling betreft een op zichzelf zittende man
één been is op de zetel gebogen
het andere been hangt naar beneden
de man heeft drie ogen
de man heeft vier armen
= rechts achter: bijl
= links achter: hert
= rechts voor: abhaya-mudra
= links voor: varada- of siṃhakarṇa-houding
Eventueel aanvullende kenmerken:
tijgervel
zijden kleding
hoofddeksel
sieraden
In de tekst worden nog meer eigenschappen genoemd.
Omdat een voorstelling echter niet noodzakelijk
aan alle kenmerken hoeft te voldoen
om met een bepaald beeldtype te kunnen worden geïdentificeerd,
laat ik die vooralsnog buiten beschouwing.
Het beeld Shiva en Parvati in Musée Guimet
voldoet niet aan de belangrijkste eigenschappen die hierboven zijn genoemd.
De voorstelling omvat immers twee personen,
terwijl de beschrijving van Sukhāsanamūrti juist uitgaat
van een alleen afgebeelde zittende man.
Als het beeld in Guimet correct als Umāsahitamūrti wordt aangeduid,
dan moeten we de verklaring waarschijnlijk zoeken
in een van de andere beeldtypen die Rao in hetzelfde hoofdstuk behandelt.
Bij Umāsahitamūrti lees ik de volgende eigenschappen:
de voorstelling omvat twee personen
de man en de vrouw zitten op dezelfde zetel
de vrouw bevindt zich links van de man
de vrouw is naar de man toegekeerd
de vrouw heeft twee armen
rechterhand: lotus (of utpala)
linkerhand: siṃhakarṇa-houding of rust op de zetel
het linkerbeen van de vrouw hangt naar beneden
het rechterbeen van de vrouw is gebogen en rust op de zetel
de vrouw draagt een hoofdtooi (karaṇḍa-makuṭa)
Eventueel aanvullende kenmerken:
de vrouw draagt sieraden
de vrouw draagt rode zijden kleding
de vrouw heeft een grasgroene huidskleur
de vrouw reikt ongeveer tot de schouder van Shiva
beide figuren bevinden zich onder dezelfde prabhāmaṇḍala
(stralenkrans of aureool)
Opvallend is dat Rao bij Umāsahitamūrti
nauwelijks nog eigenschappen van Śiva noemt.
Blijkbaar veronderstelt hij dat de lezer
de beschrijving van Sukhāsanamūrti nog kent.
De nieuwe beschrijving bouwt daarop voort door een tweede figuur,
Umā, aan de voorstelling toe te voegen.
Hierdoor ontstaat geleidelijk een reeks verwante beeldtypen
die steeds verder worden verbijzonderd.
Mijn eerste reactie is dat het beeld in Guimet
aan het merendeel van deze kenmerken voldoet.
Voor de compleetheid lees ik verder.
Uitgaande van de eigenschappen van Umāsahitamūrti zie ik nu ook:
tussen de man en de vrouw bevindt zich hun kind (Skanda)
Skanda heeft één gezicht
Skanda heeft twee ogen
Skanda heeft twee armen
Skanda kan:
staan
zitten op de zetel
op de schoot van de vrouw zitten
dansen
Indien Skanda staat
rechterhand: lotus
linkerhand: hangt naar beneden
of
beide handen houden een lotus vast
of
rechterhand: boek
linkerhand: varada- of siṃhakarṇa-houding
Indien Skanda danst
rechterhand: sūci-houding
linkerhand: vrucht
of
linkerhand uitgestrekt zonder vrucht
Eventueel aanvullende kenmerken
hoofddeksel (karaṇḍa-makuṭa)
oorhangers (nakra-kuṇḍala)
chhannavīra
gordel om het middel
armbanden
geen kleding
Mijn eerste reactie is dat het beeld dat ik in Musée Guimet zag
geen Somāskandamūrti is.
Er zijn immers twee figuren te zien, geen drie.
Uitgaande van de eigenschappen van Umāsahitamūrti zie ik nu ook:
de man en de vrouw omarmen elkaar
de rechterarm van de vrouw rust op de schouder van de man
een linkerarm van de man rust op de schouder van de vrouw
de vrouw houdt een spiegel vast
de voorstelling benadrukt de relatie tussen de man en de vrouw
Volgens de Vishṇudharmōttara
de man heeft twee armen
de rechterhand houdt een blauwe lotus (nīlotpala)
de linkerarm omarmt de vrouw
de man draagt een hoofdtooi met halve maan
de vrouw houdt een spiegel in haar linkerhand
Volgens de Rūpamaṇḍana
de man heeft vier armen
een rechterhand houdt een drietand (triśūla)
een rechterhand houdt een mātuliṅga-vrucht
een linkerarm rust op de schouder van de vrouw
een linkerhand houdt een slang
de man heeft een koraalrode kleur
naast het paar komen ook andere figuren voor:
Nandi, de stier van Shiva
Ganesha
Kumara (Skanda)
de dansende wijze Bhṛingi
Mijn eerste reactie is dat het beeld Shiva en Parvati in Musée Guimet
geen Umāmaheśvaramūrti is.
In de beschrijvingen die Rao ontleent aan de Vishṇudharmōttara
en de Rūpamaṇḍana staan Śhiva en Umā immers niet alleen naast elkaar,
maar omarmen zij elkaar ook.
Bij het beeld in Guimet zitten de twee figuren naast elkaar
zonder elkaar aan te raken.
Daarmee lijkt het beeld niet goed aan te sluiten
bij de beschrijving van Umāmaheśvaramūrti.
Tot nu toe heb ik de beschrijvingen gelezen die Rao
uit oudere teksten heeft overgenomen.
Na de beschrijving van Umāmaheśvaramūrti verandert de aanpak.
Rao gaat nu kijken naar bestaande beelden om na te gaan
in hoeverre de eigenschappen die in de literatuur worden genoemd
ook daadwerkelijk in de beeldhouwkunst voorkomen.
Graag had ik een moderne opname willen laten zien
van een van de foto’s in Rao.
Maar het lukte niet om op internet een recente opname te vinden
van de afbeelding die in het boek heet:
Fig1 Umā-sahita Sukhāsanamūrti Stone: Madeour
Wat zien we hier:
een centraal zittende Shiva;
een tweede figuur naast Shiva;
geen kind tussen beide figuren;
en geen zichtbare omhelzing.
De voorstelling lijkt daarmee goed aan te sluiten bij Umāsahitamūrti.
Iets anders wat opvalt, als je de tekst van Rao leest
en naar de laatste afbeelding kijkt,
is dat Rao het begrip Umāsahitamūrti soms anders schrjift:
Umā-sahita Sukhāsanamūrti.
Die schrijfwijze maakt duidelijk dat de naam een samenstelling is
van meerdere Sanskriet-woorden.
De naam Umāsahitamūrti is veel meer een beschrijving van een voorstelling
dan een naam.
Als je weet hoe je dergelijke begrippen moet lezen,
heb je een belangrijke sleutel in handen om de betekenis van een object
te begrijpen.
Het ontleden van de termen Sukhāsanamūrti, Umāsahitamūrti, Somāskandamūrti en Umāmaheśvaramūrti
maakte duidelijk dat deze namen meer zijn dan specialistisch jargon.
Het zijn Sanskrietbeschrijvingen van de voorstelling.
Bovendien sluit de beschrijving van Umāsahitamūrti aan
bij de kenmerken van het beeld in Guimet.
Daarmee lijkt Umāsahitamūrti de meest nauwkeurige benaming
voor deze voorstelling.
Met deze conclusie in het achterhoofd groeide het idee
om de leeshulp waar we eerder een aanzet toe gemaakt hebben
verder te gaan ontwikkelen.
Daar over gaat een volgend bericht.
Transcriptie
SUKHĀSANAMŪRTI, UMĀSAHITAMŪRTI, SŌMĀSKANDAMŪRTI AND UMĀMAHEŚVARAMŪRTI
The four varieties of the images of Śiva known as the Sukhāsanamūrti, the Umāsahitamūrti, the Sōmāskandamūrti and Umāmaheśvaramūrti are usually met with in all Śiva temples which lay claim to some importance in Southern India. Of these, the Sukhāsanamūrti is described as follows in the Śilparatna, which is practically the same as the description given in all other authorities.
The image of Sukhāsanamūrti is a seated figure with four arms, three eyes, a very handsome appearance suggestive of the rajo-guṇa and of coral red complexion. The image should be seated erectly upon a bhadra-pīṭha with its left leg bent and resting upon the seat and the right one hanging below it. It must be clad in the skin of the tiger and also in silk garments; in its back right hand is to be the paraśu, and in its back left hand the mṛga; the front right hand should be held in the abhaya pose, while the front left hand may be either in the varada or the siṁhakarṇa pose. In the right ear there should be either a makara-kuṇḍala or a siṁha-kuṇḍala and in the left ear, a patra-kuṇḍala; or there may be vṛtta-kuṇḍalas in both the ears. The head is adorned with a jaṭāmakuṭa, the fore-arms with kaṅkaṇas or bracelets shaped like serpents (sarpa-kaṅkaṇas) and the chest with yajñōpavīta; besides these, the image should be decorated with all other ornaments. It is imperative that neither Dēvī nor Skanda should be near the Sukhāsanamūrti. The Pūrva-Kāraṇāgama differs from the above description in one small detail, namely, it states that the right leg of the image should be bent and be resting upon the seat and the left one hanging.
When seated alone as described in the previous paragraph, the image of Śiva is known as the Sukhāsanamūrti. If the figure of the Dēvī is also seated on the same seat by the side of the image of Śiva and faces the latter, the group is known as the Umāsahitamūrti.
The position of the Dēvī is to the left of Śiva. She should have only two arms; in her right hand she should keep a lotus flower, while she may hold her left hand either in the siṁhakarṇa pose or keep it straight resting on the seat. Her head is to be adorned with a karaṇḍa-makuṭa. The left leg of the Dēvī should be hanging down the seat, while the right one is to be bent and kept resting on the seat. The Śilparatna states that the right hand of the Dēvī should keep a utpala flower and the left hand held in the varada pose, or the left hand might rest on the pīṭha a little to the left of the left thigh of the Dēvī, and that the colour of the Dēvī should be grass-green. The Dēvī is required to be adorned with all ornaments, hāras and makuṭa and be clad in red silk garments. The Pūrva-Kāraṇāgama adds that the figure of the seated Dēvī should be as high as the shoulder of that of Śiva. The aspect of Śiva and Umā seated on the same seat and under the same prabhāmaṇḍala as described above is known as the Umāsahitamūrti.
In the case of the Sōmāskandamūrti, the same relative positions are maintained by the figures of Śiva and Ūmā, but between these, there is the additional figure of the child Skanda. The figure of Skanda may be standing, sitting on the seat or on the lap of Ūmādēvī, or dancing; it should have a single face with a pair of eyes and two arms; and be adorned with a karaṇḍa-makuṭa on the head, nakra-kuṇḍalas in the ears, and chhannavīra on the body. The child Skanda should have a waist zone and bracelets. The figure of Skanda if it is standing simply, may carry in its right hand a lotus flower and keep the left hand hanging; or the two hands may keep lotus flowers in them; or as the Śilparatna would have it, the left hand should be held in either the varada, or the simha-karṇa pose and the right hand carrying a book. There should be no clothing on the person of the child Skanda. If the figure of Skanda is represented as dancing, it should carry in its left hand a fruit and the right one should be kept in the sūchi pose; or the left hand might be kept stretched out and be without the fruit.
The height of the figure of Skanda, says the Uttara-Kāmikāgama, may vary from one-tenth to four-tenths of the height of that of Śiva; and according to the Kāraṇāgama one-eighth to a quarter of the height of Śiva. The Śilparatna states that it should be as high as the bent hand or the breasts of the Dēvī.
The Kāraṇāgama adds that the gods Brahmā and Vishṇu together with their respective consorts should be standing on either side of the Sōmāskandamūrti.
The Vishṇudharmōttara and the Rūpamaṇḍana give the description of the Umāmahēśvaramūrti. The former authority states that in this aspect, the image of Śiva should have the jaṭā-makuṭa on his head with the crescent moon stuck in it; he should have two arms, in the right one of which there should be a nīlotpala flower and the left one should be placed in embrace on the left shoulder of Umā. Umādēvī should have a handsome bust and hip; she should have her right hand thrown in embrace on the right shoulder of Śiva and should keep in her left hand a mirror. The figures of Śiva and Umā should be sculptured very beautifully.
The Rūpamaṇḍana informs us that Śiva should have four arms and that in one of the right hands there should be the triśūla and in the other a mātuliṅga fruit (a kind of citron); one of the left arms should be thrown on the shoulder of Umā and there should be a snake in the other left hand. The colour of Śiva should be red like the coral. The Dēvī should be as in the description of the Vishnudharmōttara given above. There should be in this group the Vṛishabha or the bull of Śiva, Gaṇeśa, Kumāra and a lean emaciated figure of the rishi Bhṛingi dancing, all arranged in an artistic composition.
Figs. 1 and 2, Pl. XXI, are to illustrate the aspects known as the Umā-sahita-mūrti, as also the Sukhāsana-mūrti.
If the Dēvī were absent in both the instances, the image of Śiva would have passed for the Sukhāsanamūrti; as they are, they are Umāsahita-mūrtis. In both the instances the back right hand keeps the paraśu and the back left hand, the mṛiga; whereas the front right hand is in the abhaya pose and the front left hand in the siṁhakarṇa pose. In the one case, the left hand of the Dēvī is kept resting on the seat, whereas in the other it is held in the siṁhakarṇa pose. The stone image is older than the bronze one.
Figs. 1 and 2, Pl. XXII are two splendid pieces of sculpture; the first belongs to the Śiva temple at Madeour and the second was recently discovered as a treasure trove in Nellore. Both of them are very good specimens of the Sōmāskanda-mūrti. The textual descriptions are carried out with scrupulous accuracy and the workmanship is superb. In the first piece, the left hand of the Dēvī rests on the pīṭha and in the second piece, it is held in the varada pose. In both, the child Skanda is in the dancing attitude, with both his hands held in the siṁhakarṇa pose. Attention may be drawn to the makara-kuṇḍala in the right ear and the patra or vṛitta-kuṇḍala in the left ear of Śiva in both the pieces of sculpture.
Illustrations beginning from Pl. XXIII to XXIX represent Umāmahēśvaramūrti. Pl. XXIII is the reproduction of the image at Bagali in the Bellary District. In this, Umā is seated upon the left lap of Śiva and has her right hand taken round in embrace and resting upon the right side of the chest of Śiva, and carries in her left hand a mātuliṅga fruit. The front right hand of Śiva is held in the abhaya pose and the front left hand is placed on the left shoulder of Umā. In the back right and left hands are the triśūla and the ḍamaru respectively. The Dēvī wears on her head the hair done up in a fine side-knot. On the prabhāvali are sculptured minutely the figures of the aṣhṭa-dik-pālas or the guardians of the eight quarters. It should be noted that in this case the figures of Gaṇeśa, Kumāra, the rishi Bhṛingi and the bull are not sculptured.
Pl. XXIV is the photograph of a piece of sculpture to be found in Aihole. Here, Śiva is carrying in two hands snakes, and in one hand the triśūla; the remaining hand embraces Umā and rests on her shoulder. Umā keeps her right hand on the left thigh of Śiva; her other arm is broken. On the left side of the seat on which Śiva and Umā are seated, is the figure of the child Kumāra who seems to be holding in his left hand three lotus flowers by their stalks and keeping some fruit in the right one. Below the seat are two Apasmāra-Purushas and the rishi Bhṛingi. The figure of Gaṇeśa which ought to be on the right of Bhṛingi appears to be lost.
Pl. XXV is one of the very best pieces of ivory carving executed in the School of Arts at Trivandram. The delicacy of the workmanship, the beauty of the conception and execution, the grandeur of the effect it produces are beyond praise. Śiva is here represented as seated on a bhadrāsana under a tree and carries the paraśu and the mṛiga in his back hands; he holds his front right hand in the abhaya pose and embracing the Dēvī with his left arm, keeps that hand in the varada pose. Umā is embracing Śiva with her right hand and keeps in her left one a lotus flower. There is a profusion of snake ornaments on the crown, in the ear-lobes, on the arms, and round the chest, of Śiva.
On the right and left are the two children of Umā, the elder, Gaṇapati, having an underwear and the younger, Kumāra, standing naked. Gaṇeśa has four arms in which he keeps the ankuśa, the pāśa, the danta and the mōdaka and behind him is his vehicle, the mouse. Kumāra has two arms; in the left of which he holds the śakti and with his right arm he embraces the neck of his favourite vehicle, the peacock. In front of the seat of Śiva is the seated figure of Nandi, the bull vehicle of Śiva.
Fig. 1, Pl. XXVI, represents Umāmahēśvara as found in the temple at Haveri. In this also Umā is seated on the left lap of Śiva and embraces him with her right hand, which rests upon the right side of his body; she appears to have held a flower in her left hand, which is unfortunately broken. Śiva carries in three out of the four of his hands the śūla, the ḍamaru and an akshamālā and the remaining hand is thrown in embrace over the left shoulder of Umā. Around Śiva and Umā is a nicely carved prabhāvali with creeper ornament; in each of the circular loops of the creeper is carved a dik-pāla. At the right extremity of the bhadrāsana on which are seated Śiva and Umā is a tiny figure of a seated Gaṇeśa with four arms, carrying as usual the ankuśa, the pāśa, the danta and a mōdaka. In front of him sits Nandi, the bull of Śiva.
Corresponding to these, are to be seen on the left side of the seat the figures of Kumāra with six heads seated upon his peacock vehicle, and an alligator, the vehicle of Umā-Pārvati. The whole work is executed very skilfully and tastefully.
Fig. 2, Pl. XXVI is another group almost similar to the one described above. Śiva is, in this sculpture, seen carrying a lotus, the śūla, and a snake in three of his hands and the remaining one is embracing Umā about her chest. Both Umā and Śiva are wearing śankha-patra kuṇḍalas, that is, sections of conch-shells. Round the head of Śiva is a very well executed prabhā-maṇḍala while the hair of the head of Umā is fashioned into an artistic knot behind. The Dēvī keeps her right hand resting on the left foot of her lord and appears to have carried a flower in her left hand which is broken. On the top right hand corner of the panel is seated Brahmā in the yogāsana attitude and carrying in his hands the articles peculiar to him. The middle face of this deity has a peaked beard. Correspondingly on the left is the figure of Vishṇu who, in three of his hands carries the gadā, the chakra and the śaṅkha and keeps the remaining hand in the pose of praise. Both Brahmā and Vishṇu are seated each on a full blown lotus. There is a distinctly noticeable smile on the faces of Brahmā and Vishṇu. Below are the figures of Gaṇeśa and two others, who are unidentifiable, on the right; the rishi Bhṛingi, in a dancing attitude, in the middle; and Kumāra on the left. Both Gaṇeśa and Kumāra are represented as children and are nude. There is also the bull behind Bhṛingi. The grouping of the members in the composition of this piece of sculpture and its execution are indeed very good.
Pls. XXVII-XXIX are the characteristic pieces of sculpture of the cave-temples of the Bombay Presidency. A certain amount of family likeness could be noticed in these three pieces of elaborately carved panels. The Dēva and the Dēvī, the central figures are shaped rather larger than the others, seated in the middle; and around them a number of other deities attending upon them. In the lower section is the big bull of Śiva tended or rather overtended, by the most humourously carved impish gaṇas. The artists of these master-pieces have spared no pains to cover the panels with a profusion both of vigorous figure sculpture and minute ornamental designs. Nothing short of the highest praise is due to the long gone artists who executed these immortal pieces of art.
In Pl. XXVII Śiva has four arms, the left one of which is holding the right arm of Umā and another is seen resting upon the seat. What the two right hands carried cannot be guessed, as they are broken; evidently, the one resting upon the right thigh was left empty and the other perhaps carried a snake as in fig. 2, Pl. XXVI. Between the figures of Śiva and Umā stands Kumāra, who keeps both his hands crossed on the chest. Gaṇeśa is standing on the right of Śiva. There are two lady attendants, one carrying a chāmara and another a water-vessel (?) On either side of the panel are standing two divine figures, who cannot be identified as Vishṇu and Brahmā, because both of them have jaṭā-makuṭas on their head and because neither of them has four faces. They are in all probability two dvārapālakas. Pl. XXVIII is almost similar to the previous plate. Herein there are sculptured a number of Dēvas, shown as hovering in the air carrying different kinds of offerings in their hands. It is worthy of notice that to the left of Umā is seen standing a dwarfish woman servant. This dwarfish woman is a characteristic feature of the sculptures at Ellora. In the lower section of the panel is the bull in the centre. The dwarfish gaṇas are taking care of it; one peculiarity worth noticing is that these gaṇas are supporting the legs of the bull, an idea apparently borrowed from the Buddhist sculptures wherein the hoofs of the horse of Buddha are borne by dēvas lest they, treading on the earth, might produce noise and awaken the guards and stop Buddha from renouncing the world. The sculptors of all these panels are curiously agreed in representing one of the gaṇas as biting the tail of the bull, another as catching hold of its horns, others tumbling about and playing with each other.
In Pl. XXIX one is seen in the extreme left and behind the figure of a lady, widening his eyes with both his hands, thereby to frighten all others, while another in the extreme right over the figure of another lady is exposing his back in an obscene manner. Of the lady attendants in this panel one is fanning Śiva and another is taking hold of the hair of Umā and dressing it up. Śiva is herein holding in one of his left hands the upper part of the garment of his consort and keeps one of his right hands in the sūchi pose and the other appears to be carrying a book. He is evidently giving out to Umā one of the purāṇas, which are supposed to have been addressed by Śiva to Pārvatī.
Nederlandse vertaling
Sukhāsanamūrti, Umāsahitamūrti, Sōmāskandamūrti en Umāmaheśvaramūrti
De vier vormen van Śiva-beelden die bekendstaan als de Sukhāsanamūrti, de Umāsahitamūrti, de Sōmāskandamūrti en de Umāmaheśvaramūrti worden gewoonlijk aangetroffen in alle Śiva-tempels die enige betekenis pretenderen te hebben in Zuid-India.
Van deze wordt de Sukhāsanamūrti in de Śilparatna als volgt beschreven; deze beschrijving komt in wezen overeen met die van andere gezaghebbende bronnen.
Het beeld van de Sukhāsanamūrti is een zittende figuur met vier armen, drie ogen en een zeer fraaie verschijning die de rajo-guṇa weerspiegelt en een koraalrode huidskleur heeft.
Het beeld dient rechtop gezeten te zijn op een bhadra-pīṭha, waarbij het linkerbeen gebogen is en op de zetel rust, terwijl het rechterbeen naar beneden hangt.
Het moet gekleed zijn in een tijgervel en daarnaast in zijden gewaden. In de rechter achterhand dient zich de paraśu te bevinden en in de linker achterhand de mṛga. De rechter voorhand moet in de abhaya-houding worden gehouden, terwijl de linker voorhand zich óf in de varada-houding óf in de siṁhakarṇa-houding mag bevinden.
In het rechteroor dient zich een makara-kuṇḍala of een siṁha-kuṇḍala te bevinden en in het linkeroor een patra-kuṇḍala; ook mogen in beide oren vṛtta-kuṇḍala’s gedragen worden.
Het hoofd wordt gesierd door een jaṭā-makuṭa; de onderarmen door kaṅkaṇa’s of armbanden in de vorm van slangen (sarpa-kaṅkaṇa’s); en de borst door een yajñōpavīta. Daarnaast dient het beeld met alle overige sieraden te zijn versierd.
Het is noodzakelijk dat zich noch Dēvī noch Skanda in de nabijheid van de Sukhāsanamūrti bevinden.
De Pūrva-Kāraṇāgama wijkt slechts op één klein punt van deze beschrijving af. Volgens deze tekst dient het rechterbeen gebogen op de zetel te rusten, terwijl het linkerbeen naar beneden hangt.
Wanneer Śiva alleen gezeten is zoals hierboven beschreven, staat het beeld bekend als de Sukhāsanamūrti. Indien echter tevens de figuur van de Dēvī op dezelfde zetel naast het beeld van Śiva gezeten is en naar hem toe gericht zit, staat de groep bekend als de Umāsahitamūrti.
De plaats van de Dēvī behoort links van Śiva te zijn.
Zij dient slechts twee armen te hebben. In haar rechterhand houdt zij een lotusbloem, terwijl haar linkerhand óf in de siṁhakarṇa-houding gehouden kan worden, óf gestrekt op de zetel kan rusten.
Haar hoofd dient te zijn versierd met een karaṇḍa-makuṭa.
Het linkerbeen van de Dēvī behoort langs de zetel naar beneden te hangen, terwijl het rechterbeen gebogen op de zetel rust.
De Śilparatna vermeldt dat de Dēvī in haar rechterhand een utpala-bloem dient te houden en de linkerhand in de varada-houding behoort te houden. Een andere mogelijkheid is dat de linkerhand op de pīṭha rust, iets links van haar linkerbeen.
Verder vermeldt de Śilparatna dat de kleur van de Dēvī grasgroen behoort te zijn.
De Dēvī dient versierd te zijn met alle sieraden, halskettingen (hāra’s) en een kroon (makuṭa), en gekleed te zijn in rode zijden gewaden.
De Pūrva-Kāraṇāgama voegt hieraan toe dat de zittende Dēvī ongeveer tot aan de schouder van Śiva dient te reiken.
De afbeelding van Śiva en Umā, gezeten op dezelfde zetel en onder hetzelfde prabhāmaṇḍala, wordt de Umāsahitamūrti genoemd.
Bij de Sōmāskandamūrti blijven Śiva en Umā in dezelfde onderlinge positie geplaatst, maar tussen hen bevindt zich bovendien de figuur van het kind Skanda.
De figuur van Skanda kan staand zijn afgebeeld, gezeten op de zetel, gezeten op de schoot van Umādēvī of dansend.
Hij dient één gezicht, twee ogen en twee armen te hebben. Zijn hoofd behoort te zijn versierd met een karaṇḍa-makuṭa, zijn oren met nakra-kuṇḍala’s en zijn lichaam met een chhannavīra.
Het kind Skanda behoort bovendien een gordel en armbanden te dragen.
Wanneer Skanda staand wordt afgebeeld, kan hij eenvoudigweg in de rechterhand een lotusbloem houden terwijl de linkerhand naar beneden hangt; of beide handen kunnen lotusbloemen dragen.
Volgens de Śilparatna behoort de linkerhand echter in de varada- of siṁha-karṇa-houding gehouden te worden, terwijl de rechterhand een boek draagt.
Er behoort geen kleding op het lichaam van het kind Skanda aanwezig te zijn.
Wanneer Skanda dansend wordt afgebeeld, dient hij in de linkerhand een vrucht te houden en de rechterhand in de sūchi-houding te houden; ook mag de linkerarm uitgestrekt zijn zonder vrucht.
Wanneer Skanda eenvoudig staand wordt afgebeeld, kan hij in zijn rechterhand een lotusbloem houden terwijl de linkerhand naar beneden hangt; ook kunnen in beide handen lotusbloemen worden gehouden. Volgens de Śilparatna dient echter de linkerhand in de varada- of siṁha-karṇa-houding te worden gehouden, terwijl de rechterhand een boek draagt.
Het lichaam van het kind Skanda behoort onbedekt te zijn.
Wanneer Skanda dansend wordt voorgesteld, dient hij in de linkerhand een vrucht te dragen, terwijl de rechterhand in de sūchi-houding gehouden wordt. De linkerarm kan ook uitgestrekt worden afgebeeld zonder vrucht.
Volgens de Uttara-Kāmikāgama mag de hoogte van Skanda variëren van een tiende tot vier tienden van de hoogte van Śiva. Volgens de Kāraṇāgama moet zijn hoogte tussen een achtste en een kwart van die van Śiva bedragen. De Śilparatna stelt dat hij zo hoog behoort te zijn als de gebogen arm of de borsten van de Dēvī.
De Kāraṇāgama voegt daaraan toe dat de goden Brahmā en Viṣṇu, samen met hun respectieve gemalinnen, aan weerszijden van de Sōmāskandamūrti behoren te staan.
De Viṣṇudharmottara en de Rūpamaṇḍana geven een beschrijving van de Umāmaheśvaramūrti.
De eerstgenoemde bron vermeldt dat in deze gedaante het beeld van Śiva en Umā gezeten moeten zijn op een zetel, elkaar omhelzend.
Śiva behoort een jaṭā-makuṭa te dragen, waarin de wassende maan is aangebracht. Hij dient twee armen te hebben. In zijn rechterhand houdt hij een nīlotpala-bloem, terwijl zijn linkerarm om de linkerschouder van Umā heen geslagen is.
Umādēvī dient een fraai gevormde boezem en heupen te hebben. Haar rechterarm behoort om de rechterschouder van Śiva geslagen te zijn, terwijl zij in haar linkerhand een spiegel houdt.
De beelden van Śiva en Umā dienen met grote schoonheid te worden uitgevoerd.
De Rūpamaṇḍana vermeldt daarentegen dat Śiva vier armen behoort te hebben. In één van zijn rechterhanden bevindt zich een triśūla en in de andere een mātuliṅga-vrucht (een soort citroen). Eén van de linkerarmen rust op de schouder van Umā en in de andere linkerhand bevindt zich een slang.
De kleur van Śiva behoort rood te zijn als koraal.
De Dēvī moet worden weergegeven zoals beschreven in de hierboven aangehaalde Viṣṇudharmottara.
Tot deze groep behoren verder Vṛṣabha, de stier van Śiva, Gaṇeśa, Kumāra en een magere, uitgeteerde en dansende figuur van de rishi Bhṛṅgi, alles samengebracht in een kunstzinnige compositie.
De afbeeldingen 1 en 2 van plaat XXI tonen de vormen die bekendstaan als de Umā-sahita-mūrti en tevens als de Sukhāsana-mūrti.
Indien de Dēvī in beide gevallen afwezig zou zijn, zouden de beelden eenvoudig als Sukhāsanamūrti’s kunnen worden beschouwd; zoals zij nu zijn, zijn het Umāsahita-mūrti’s.
In beide gevallen houdt de rechter achterhand de paraśu en de linker achterhand de mṛga. De rechter voorhand bevindt zich in de abhaya-houding en de linker voorhand in de siṁhakarṇa-houding.
In het ene voorbeeld rust de linkerhand van de Dēvī op de zetel, terwijl zij in het andere voorbeeld in de siṁhakarṇa-houding wordt gehouden.
Het stenen beeld is ouder dan het bronzen.
De afbeeldingen 1 en 2 van plaat XXII zijn twee voortreffelijke sculpturen.
De eerste behoort tot de Śiva-tempel van Madeour, terwijl de tweede onlangs als een schatvondst in Nellore werd ontdekt.
Beide zijn uitstekende voorbeelden van de Sōmāskanda-mūrti.
De voorschriften uit de teksten zijn met nauwgezette precisie gevolgd en de uitvoering is voortreffelijk.
Bij het eerste beeld rust de linkerhand van de Dēvī op de pīṭha; bij het tweede wordt zij in de varada-houding gehouden.
In beide gevallen is het kind Skanda dansend weergegeven, terwijl beide handen in de siṁhakarṇa-houding worden gehouden.
Men kan tevens aandacht schenken aan de makara-kuṇḍala in het rechteroor en de patra-kuṇḍala of vṛtta-kuṇḍala in het linkeroor van Śiva, die in beide beelden voorkomen.
De afbeeldingen vanaf plaat XXIII tot en met XXIX …
De afbeeldingen tonen de Umāmaheśvaramūrti.
Plaat XXIII is een afbeelding van het beeld uit Bagali in het district Bellary.
Hier zit Umā op de linkerknie van Śiva. Haar rechterarm is om hem heen geslagen en rust tegen de rechterzijde van zijn borst. In haar linkerhand houdt zij een mātuliṅga-vrucht.
De rechter voorhand van Śiva bevindt zich in de abhaya-houding, terwijl de linker voorhand op de linkerschouder van Umā rust.
In de rechter- en linkerachterhand bevinden zich respectievelijk de triśūla en de ḍamaru.
De Dēvī draagt haar haar in een fraaie zijdelingse haarknot.
Op de prabhāvali zijn minutieus de figuren van de aṣṭa-dikpāla’s of hoeders van de acht windstreken afgebeeld.
Opmerkelijk is dat in dit geval de figuren van Gaṇeśa, Kumāra, de rishi Bhṛṅgi en de stier ontbreken.
Plaat XXIV toont een beeldhouwwerk uit Aihole.
Hier houdt Śiva in twee handen slangen en in een derde hand de triśūla; met de vierde arm omhelst hij Umā en laat zijn hand op haar schouder rusten.
Umā houdt haar rechterhand op de linker dij van Śiva. Haar andere arm is afgebroken.
Aan de linkerzijde van de zetel waarop Śiva en Umā gezeten zijn bevindt zich de figuur van het kind Kumāra. Deze lijkt in zijn linkerhand drie lotusbloemen bij de stelen vast te houden en in de rechterhand een vrucht.
Onder de zetel bevinden zich twee Apasmāra-Puruṣa’s en de rishi Bhṛṅgi.
De figuur van Gaṇeśa, die zich normaliter rechts van Bhṛṅgi zou moeten bevinden, lijkt verloren te zijn gegaan.
Plaat XXV is een van de mooiste voorbeelden van ivoorsnijwerk dat werd vervaardigd aan de School of Arts te Trivandrum.
De fijnheid van het vakmanschap, de schoonheid van het ontwerp en de uitvoering, en de grootse indruk die het werk maakt, zijn boven alle lof verheven.
Śiva is hier afgebeeld gezeten op een bhadrāsana onder een boom. In zijn achterhanden houdt hij de paraśu en de mṛga; zijn rechter voorhand bevindt zich in de abhaya-houding, terwijl hij met zijn linkerarm de Dēvī omhelst en die hand in de varada-houding houdt.
Umā omhelst Śiva met haar rechterarm en houdt in haar linkerhand een lotusbloem.
Op de kroon, in de oorlellen, op de armen en over de borst van Śiva bevindt zich een overvloed aan slangornamenten.
Links en rechts staan de twee kinderen van Umā. De oudste, Gaṇapati, draagt een lendendoek; de jongere, Kumāra, staat naakt afgebeeld.
Gaṇeśa heeft vier armen waarin hij de aṅkuśa, de pāśa, de danta en de mōdaka draagt. Achter hem bevindt zich zijn rijdier, de muis.
Kumāra heeft twee armen. In zijn linkerhand houdt hij de śakti en met zijn rechterarm omhelst hij de hals van zijn geliefde rijdier, de pauw.
Voor de troon van Śiva zit Nandi, de stier van Śiva.
Figuur 1 van plaat XXVI toont een Umāmaheśvara-groep uit de tempel van Haveri.
Ook hier zit Umā op de linkerknie van Śiva en omhelst zij hem met haar rechterarm, die rust tegen de rechterzijde van zijn lichaam. Zij lijkt een bloem in haar linkerhand te hebben gehouden, maar deze hand is helaas afgebroken.
Śiva draagt in drie van zijn vier handen de śūla, de ḍamaru en een akṣamālā. De vierde arm is om de linkerschouder van Umā geslagen.
Rond Śiva en Umā bevindt zich een fraai uitgewerkte prabhāvali met rankornamenten. In elk van de ronde lussen van de ranken is een dikpāla uitgebeeld.
Aan de rechterzijde van de bhadrāsana bevindt zich een klein zittend beeld van Gaṇeśa met vier armen, waarin hij zoals gebruikelijk de aṅkuśa, de pāśa, de danta en een mōdaka draagt.
Voor hem zit Nandi, de stier van Śiva.
Aan de linkerzijde van de zetel bevinden zich overeenkomstig de figuur van Kumāra met zes hoofden, gezeten op zijn pauw, en een alligator, het rijdier van Umā-Pārvatī.
Het geheel is met veel vaardigheid en smaak uitgevoerd.
Figuur 2 van plaat XXVI vormt een groep die vrijwel gelijk is aan de zojuist beschreven voorstelling.
Śiva draagt hier een lotus, de śūla en een slang in drie van zijn handen. De vierde arm omhelst Umā ter hoogte van haar borst.
Beide figuren dragen śaṅkha-patra-kuṇḍala’s, dat wil zeggen oorhangers in de vorm van stukken schelp.
Rond het hoofd van Śiva bevindt zich een zeer fraai uitgewerkt prabhā-maṇḍala, terwijl het haar van Umā achter het hoofd in een kunstige knot is samengebracht.
De Dēvī laat haar rechterhand rusten op de linkervoet van haar heer en lijkt een bloem in haar linkerhand te hebben gedragen, maar deze hand is afgebroken.
In de rechterbovenhoek van het paneel zit Brahmā in yogāsana. Hij houdt de voorwerpen vast die gewoonlijk bij hem horen. Het middelste gezicht van deze godheid draagt een puntige baard.
Links bevindt zich overeenkomstig daarvan de figuur van Viṣṇu, die in drie handen de gadā, de cakra en de śaṅkha draagt en de vierde hand in een houding van verering houdt.
Brahmā en Viṣṇu zitten beiden op een volledig geopende lotusbloem.
Op de gezichten van Brahmā en Viṣṇu is een duidelijk waarneembare glimlach te zien.
Daaronder bevinden zich rechts Gaṇeśa en twee niet nader identificeerbare figuren, in het midden de dansende rishi Bhṛṅgi en links Kumāra.
Gaṇeśa en Kumāra zijn beide als kinderen weergegeven en naakt.
Achter Bhṛṅgi bevindt zich tevens de stier.
De compositie van deze sculptuur en de uitvoering ervan zijn werkelijk voortreffelijk.
De platen XXVII tot en met XXIX vormen karakteristieke voorbeelden van de grottempels van de Bombay Presidency.
Tussen deze drie rijk uitgewerkte panelen bestaat een zekere familiegelijkenis.
De Dēva en de Dēvī, de centrale figuren, zijn groter weergegeven dan de overige figuren en zitten centraal geplaatst. Rond hen bevinden zich talrijke godheden die hen bedienen.
In het onderste gedeelte bevindt zich de grote stier van Śiva, verzorgd, of beter gezegd overmatig verzorgd, door de bijzonder humoristisch weergegeven gaṇa’s.
De kunstenaars hebben geen moeite gespaard om de panelen te vullen met zowel krachtige figuursculptuur als uiterst verfijnde ornamentiek.
Niets minder dan de hoogste lof komt toe aan de inmiddels lang overleden kunstenaars die deze onsterfelijke kunstwerken hebben vervaardigd.
In plaat XXVII heeft Śiva vier armen. Met één linkerarm houdt hij de rechterarm van Umā vast; een andere linkerarm rust op de zetel.
Wat zich in de twee rechterhanden bevond kan niet meer worden vastgesteld, aangezien deze zijn afgebroken. Vermoedelijk was de hand die op de rechterdij rustte leeg, terwijl de andere mogelijk een slang droeg zoals in figuur 2 van plaat XXVI.
Tussen Śiva en Umā staat Kumāra met beide armen gekruist over de borst.
Gaṇeśa staat rechts van Śiva.
Twee vrouwelijke dienaren zijn aanwezig: één draagt een cāmara en een andere een waterkruik.
Aan weerszijden van het paneel staan twee goddelijke figuren die niet als Viṣṇu en Brahmā kunnen worden geïdentificeerd, aangezien beiden een jaṭā-makuṭa dragen en geen van beiden vier gezichten heeft.
Waarschijnlijk gaat het om twee dvārapālaka’s.
Plaat XXVIII lijkt sterk op de vorige.
Hier zijn talrijke godheden afgebeeld die zwevend in de lucht offers dragen.
Opmerkelijk is dat links van Umā een kleine vrouwelijke dwergdienares staat afgebeeld, een kenmerkend element van de sculpturen uit Ellora.
In het onderste gedeelte van het paneel bevindt zich centraal de stier. Dwergachtige gaṇa’s verzorgen hem.
Een bijzonder detail is dat deze gaṇa’s de poten van de stier ondersteunen. Volgens Rao is dit idee waarschijnlijk ontleend aan boeddhistische sculpturen waarop de hoeven van het paard van de Boeddha door goden worden gedragen om geluid te voorkomen en zo de bewakers niet te wekken wanneer de Boeddha de wereld verlaat.
In al deze panelen tonen de kunstenaars opvallend veel overeenstemming in de weergave van de gaṇa’s: één bijt in de staart van de stier, een andere grijpt zijn horens vast en weer andere rollen over elkaar heen of spelen met elkaar.
In plaat XXIX vergroot een van de gaṇa’s links achter een vrouwelijke figuur zijn ogen met beide handen om de anderen schrik aan te jagen. Een andere figuur rechts vertoont zich op obscene wijze.
Een van de vrouwelijke dienaren waaiert Śiva koelte toe, terwijl een andere het haar van Umā verzorgt en opmaakt.
Śiva houdt hier met een van zijn linkerhanden het bovenste deel van het gewaad van zijn gemalin vast. Eén van zijn rechterhanden bevindt zich in de sūchi-houding en de andere lijkt een boek te dragen.
Hij lijkt hier aan Umā een van de Purāṇa’s te onderwijzen, die volgens de traditie door Śiva aan Pārvatī werden meegedeeld.







