St. Martinus Princenhage: Kerkschatten


Begeleidende tekst van de tentoonstelling.


Motief van een van de kerkelijke gewaden.


Acherzijde van een kasuifel: het Lam Gods.



Ik ken de verschillende soorten kasuifels en diakenkleding. Ik heb ze alleen nooit gefotografeerd toen ik ze regelmatig klaarlegde. Ook de kleuren spreken nog steeds aan. Deze goudkleurige zijn voor feestdagen.


Het zwart is voor uitvaarten.


Het paars is voor de vastentijd. Ik miste de groene gewaden.


Voorkant.


Achterkant met de lijdende Christus.



Op de tentoonstelling is een Antependium te zien. Dat zijn kleden die aan het altaar werden bevestigd. Hier zie je een van de meest klassieke symbolen uit de Rooms Katholieke kerk: de pelikaan pikt zich in de borst om met zijn eigen bloed zijn jongen te voeden. De pelikaan is het symbool voor Christus.


Linkerdeel van het antependium.


‘Quae sub his figures’ dat is de latijnse tekst op dit antependium. Het is een zin uit een gedicht dat wordt toegeschreven aan Thomas van Aquino. Het gedicht heet: ‘Adoro te devote’ (Ik aanbid u met eerbied). De zesde strofe van het gedicht begint met de tekst: “Pie pelicane, Jesu Domine” (Pelikaan vol goedheid, Jezus onze heer). In dit gedicht komt de volgende zin voor: “Quae sub his figures vere latilas”(die hier onder tekens….). Deze zin die ook op het antependium staat verwijst naar het belangrijkste moment in de mis: het tonen en delen van het brood en wijn, de centrale tekens in het Christelijk geloof.


Nu volgen een aantal voorwerpen die in mijn tijd al niet meer zo vaak werden gebruikt: het passiekruis. Dit kruis toont niet het lichaam van Christus maar de lijdenswerktuigen: de hamer, de nagels (spijkers), de hysopstengel met spons, de lans, de ladder, de doornenkroon, de geselroede (zweep), de lijkwade, dobbelstenen en de doek van Veronica.


In detail.


Processieparasol.


Baldakijn, hier uitgestald over een paar banken. Deze baldakijn werd gebruikt in de Sacramentsprocessie. Vier mannen droegen hem terwijl de priester met monstrans onder de baldakijn liep.


Missaal met zilverbeslag uit 1730. Op het beslag is een afbeelding te zien van Martinus die een deel van zijn kleed aan een arme geeft.


Engelen die ooit deel uitmaakte van de preekstoel.


Wierrookvaten en scheepjes (de kleine voorwerpen in het midden). De vaten aan de beide buitenkanten, bevatten een gloeiend kooltje. Door daar wierrook op te leggen vanuit de wierrookscheepjes, ontwikkelden zich rook met de typische geur van wierrook.



Doopschotel uit 1600. Het pronkstuk wat mij betreft. Afgebeeld zijn Jozua en Kaleb. Ze zijn 2 van de twaalf verspieders die Mozes het Beloofde Land in stuurt. Tien verspieders komen terug en denken dat dit land nooit hun land zal worden. Jozua en Kaleb hebben er wel vertrouwen in. De 12 nemen vruchten mee van het land. Dat is denk ik het moment dat hier op de schaal is afgebeeld. Als gevolg van het ongeloof van de tien en het feit dat het Joodse volk hun kant kiest, zal men nog 40 jaar door de woestijn zwerven (in ballingschap blijven). Alleen Kaleb zal uiteindelijk als enige van de verspieders het Beloofde Land bereiken. Door doop wordt je lid van de gemeenschap van gelovigen, sluit je je aan bij Kaleb. Een heel mooi symbool.


Reliekkastje.


Communiebank.


Detail van de communiebank: Mozes.