34.11

Vanochtend was in in de Grote Kerk van Breda

en dat levert steeds weer mooie plaatjes op.

Nieuwe details, vertrouwde beelden,

een nieuw accent, …






Plafond.










Praalgraf Engelbrecht II.










Engelbrecht II en zijn vrouw Cimburga van Baden in de Prinsenkapel.










Wapen van Nassau.










Houtwerk van hek rond Prinsenkapel.






Deel plafond Prinsenkapel.






Deel plafond Prinsenkapel.






Plafond Prinsenkapel.






Plafond Prinsenkapel.
























Toegang grafkelder Nassau.






Onderdeel grafmonument Engelbrecht I.






Sluitsteen plafond boven hoogaltaar.






Plafond boven hoogaltaar.






Zicht vanaf hoofaltaar.






Detail plafondschildering.






Sluitsteen: Lam Gods.











Genootschap der gelovige zielen

Maar er is nog veel meer te zien in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge.
De kerk is dringend aan een renovatie toe en als ik me niet vergis
zijn de voorbereidingen daarvoor in volle gang.
Deze kerk is vol met toeristen maar ook nog gewoon volop in gebruik.
Ik zag daar dan ook de volgende ‘ledenadministratie’
van het ‘Genootschap der gelovige zielen’


Gedenkt de gevangen al of gij mede gevangen waart.


Hebreexc3xabn 13:3
Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld waart.

Statenvertaling, brief van Paulus.






Genootschap der gelovige zielen.





Constant Huijsmans: deel 3

Constant Huijsmans is de Bredase tekenleraar en kunstenaar die
een belangrijk deel van zijn carriere aan de KMA in Breda heeft gewerkt.





Afd IV, 31, blad 5 links, Bloemmotief, door mij digitaal ingekleurd.




Daarna ging hij aan de Hogere Burgerschool in Tilburg les geven.
Daar was hij voor korte tijd leraar van Vincent van Gogh.
In het stadsarchief van Breda is zijn nalatenschap.
Onderdeel daarvan zijn drie schetsboeken.
Twee daarvan zijn al aan de orde geweest op mijn weblog.
Vandaag wat meer over deel 3.
Dit boekje bevat nog het meest wat je zou kunnen noemen studies.
Ze zijn voor privegebruik gemaakt.
Er zijn maar een paar tekeningen die verder komen dan het niveau schets.
Die laat ik hier zien.





Afd IV, 31, blad 4, Schets van een man met pet.


Een wat hoekige schets van man met een pet.





Afd IV, 31, blad 6, Boerderij.


Deze schets is de schets die het meest voltooid is in het schetsboek.
De bomen zijn deels geel ingekleurd.





Afd. IV, 31, Blad 8, Koperen Ko.


Ik noem dit koperen Ko omdat dat een begrip is dat bij mij bekend is.
Of dat ook in de negentiende eeuw een bekend begrip was weet ik niet.
De schets is maar klein maar compleet en het is een onderwerp
dat ik verder nog niet bij Constant Huijsmans ben tegengekomen.

Volgens Wikipedia is het begrip Koperen Ko van later:

Koperen Ko was de bijnaam van de straatartiest Johannes Willem Leiendecker (geboren in Duitsland, 29 januari 1909 – Oosterhout, 18 april 1982).

Koperen Ko was een reizend muzikant, die op veel plaatsen optrad. Hij bespeelde tenminste drie instrumenten tegelijk: een accordeon, een trommel, en bekkens of cymbalen. Ook bewoog hij zijn punthoed met bellen.

Koperen Ko heeft 55 jaar op straat gemusiceerd, vanaf zijn 13e jaar. Na vele jaren te hebben rondgetrokken, vestigde hij zich met zijn vrouw Martha in Rotterdam. Gaandeweg ging het hem financieel steeds beter. Enkele malen trad hij op voor de televisie, en voor koningin Juliana.

Koperen Ko stond model voor de creatie Nikkelen Nelis van Wim Sonneveld. Het gelijknamige lied beviel hem helemaal niet: Ko meende dat de zin Zij kon het lonken niet laten sloeg op zijn vrouw Martha, die vanwege een oogziekte met haar ogen knipperde. Tekstschrijver Friso Wiegersma heeft dat ontkend: de tekst van het lied was al geschreven voordat Wim Sonneveld besloot zich uit te dossen als straatartiest.







Afd. IV, 31, blad 9, Een herberg.






Afd. IV, 31, blad 11, Ton, trog, tobbe, kruiwagen en paardenkar voor boerderij en hooimijt.


Helaas nog maar een heel vage schets.
Een paar van de voorwerpen zijn iets uitgewerkt.
Dat is te zien op de volgende afbeelding.





Afd. IV, 31, blad 11, Ton, trog, tobbe, kruiwagen en paardenkar, detail.


1. Trog
2. Ton
3. Tobbe
4. Kruiwagen
5. Paardenkar

Wie een betere term kent dan “paardekar” mag me dat laten weten.
Ik vind het zelf niet de juiste naam.
Maar een sjees is het niet want volgens mij is een sjees bedoeld
voor het vervoer van mensen.
Een kar voor het vervoeren van allerlei andere zaken
heeft vast een andere naam.





Afd. IV, 31, blad 13, Onleesbaar gedateerd, uitzicht op instorting en pomp met twee figuren.


Deze tekening is interessant.
Hij is gedateerd maar op de versie die het stadsarchief
op het internet heeft staan kan ik de datum niet lezen.
Ook het enkele woord van toelichting is onleesbaar.
Daarmee is wat er op de afbeelding staat een raadsel voor mij.
Aan de naam die ik aan de tekening geef moet dus niet te veel
waarde worden gehecht.
In dit schetsboek staan nog ten minste drie pagina’s
met handgeschreven tekst.
Ook die kan ik niet duiden.





Afd. IV, 31, blad 13, Uitkijkpost van stro.






Afd. IV, 31, blad 16, Ezel met tuig.


Van dat tuig is vast meer te zeggen dan ik kan.
Het lijkt me niet geschikt om de ezel te kunnen berijden.
Waar het dan wel voor dient is mij onbekend.




Het Turfschip van Breda IV (stripverhaal)

 

De verteller 

Dit stripverhaal bestaat uit een tekst die los gebaseerd is op het verhaal geschreven door Alphonse Timmermans.

Er is een beroemd verhaal: het paard van Troje. Het vertelt hoe door een list met een hol paard, de stad Troje werd overwonnen. De vergelijking met het Turfschip van Breda ligt nogal voor de hand.

Hier pakken we het verhaal weer op van de vorige editie. En dit maal is het voor het laatste deel.






Het Turfschip lag nog buiten het Kasteel.
De Italiaanse soldaten (die in Spaanse dienst waren)
sleepten het schip het Kasteel binnen.
Eenmaal in het Kasteel begon Van Bergen het schip te lossen.
Maar wilde natuurlijk daar niet te ver mee komen.
Dan zouden immers de Nederlandse soldaten ontdekt kunnen worden.
De knecht bleef maar pompen. Dat viel wel op.







Nu was het de vooravond van carnaval.
De stemming zat er al in dus stelde Van Bergen voor
een glas te gaan drinken in de stad.
Daar hadden de soldaten wel oren naar.







Willem van Bergen verliet inmiddels de stad om Prins Maurits
te vertellen dat het plan op schema lag.
De soldaten in het ruim waren onrustig en dat hoorde een van de wachters.







En weer was het Adriaen van Bergen die de missie redde.
Maar nu werd het toch echt tijd om in actie te komen.







Er worden schoten gelost, de Heraugiere raakt gewond.
De Spanjaarden delven het onderspit en slaan uiteindelijk op de vlucht.
De soldaten die in de stad waren zijn gealarmeerd
en schieten hun collega’s te hulp.
Hohenlo en Prins Maurits naderen de stad met versterkingen.







Met beperkte middelen werd zo een belangrijke slag geslagen.
De turfschippers speelden daarin een belangrijke rol.
Vandaar het standbeeld voor Adriaen van Bergen in Breda.





Ga maar eens kijken op het Stadserf.











Het verhaal van Troje inspireerde Gerrit de Morxc3xa9e tot ten minste deze twee illustraties.










De portretmedaillons in het Kasteel van Breda

Op de website Plaatsengids.nl staat de onder andere de volgende tekst
over de binnenplaats van het Kasteel van Breda:

De verbouwingen van 1826/28 zijn uit kunsthistorisch oogpunt bezien fataal geweest, omdat het paleis hierdoor voor een groot gedeelte zijn karakter heeft verloren. xe2x80x9cOp de binnenplaats van het Kasteel zijn nog wxc3xa9l 36 terracotta portretmedaillons met portretten en profil van beroemde Griekse en Romeinse figuren uit de Oudheid bewaard gebleven. De medaillons, in de boogzwikken van de zuilengalerij in de noord-, oost- en zuidvleugel, werden vermoedelijk ontworpen door de bouwmeester van het Kasteel ten tijde van Hendrik III van Nassau, Thomas Vincidor de Bologna. Uit het dagboek der verbouwing van 1827/28 blijkt duidelijk dat het behoud van deze en verdere xe2x80x98muursieradenxe2x80x99 aan het persoonlijk ingrijpen van koning Willem I is te danken.

Onlangs was in deze weblog nog een oude foto te zien
van een van deze portretmedaillons:

Foto: G. de Hoog, Medaillon Solon van Athene, binnenplein hoofdgebouw Kasteel Breda, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 28/08/1906.


En omdat ik gisteren wat foto’s kon maken in het Kasteel van Breda,
zie je vandaag hier ook een aantal foto’s van de medaillons.
Maar ook andere mooie plaatjes.

Aristides, Athene.

Aristides, bijgenaamd de Rechtvaardige,
was een Atheens staatsman ten tijde van de Perzische Oorlogen.


Solon, Athene.


Bloemmotief.

In de hoeken zit aan de ene kant dit bloemmotief terwijl
in de andere hoek van de binnenplaats een dubbelportret zit:


Dubbelportret.


Constantinus.


Pater et Fi.

Dit dubbelportret kan betrekking hebben op keizer Constantijn de Grote
(Flavius Valerius Aurelius Constantinus) en zijn zoon en opvolger.
Maar er kan ook best een ander verhaal achter zitten.
Hier moet ik nog verder naar op zoek.


Julius Ceasar.

Maar ga je door onderstaande Henricus-poort (Graaf Hendrik III)
dan zie je ook nog andere mooie dingen:


Henricus-poort.


Ik heb een zwak voor deuren en poorten.


Binnenplaats met medaillons.


De poort van binnenuit.


De omgang.


Cadeau (?) onderofficieren KMA 1928.


Huldeblijk oud-cadetten, 1978.



Geen idee. Nu in 2021 wijst een lezer er op dat dit een afbeelding is van een dolfijn. Een vrije interpretatie.




Laatste stukje deur voor vandaag.


Het Kasteel van Breda / KMA

Tijdens de rondleiding over het KMA-terrein kon ik heel wat foto’s maken
van het Kasteel van Breda.
Op een kopergravure die afgebeeld staat in
“Beschyving der Stadt en Lande van Breda” van Thomas Ernst van Goor
uit 1744, wordt het kasteel als volgt afgebeeld:

Thomas Ernst van Goor, Beschyving der Stadt en Lande van Breda.

De titel bij de plaat is: “Het hof der Princen van Oranje te Breda”.


Zo zag het er vanochtend uit: 30/04/2009.



Het zal wel traditie zijn: namen in de poort van het kasteel.


Op de medaillons kom ik later nog terug.


Borstbeeld van Eisenhouwer.


Links.


Toren rechts.


Drie torens op rij.


Dit is de plaats waarvan de archeologen vermoeden dat het de plaats is waar het turfschip in 1590 het kasteel binnenkwam.

De vos bovenop het monument vertegenwoordigt de sluwheid.


Door Bergen’s loozen zin, en Heraugiere’s beleid, werd deze Nassau-veste, van het Spanse juk bevrijd.


Terug naar het renaissancepaleis van Mencia de Mendoza en Graaf Hendrik III.



Sporen van het renaissancepaleis in de muren.


Naast een kasteel ook groen en water en muren met torens.


Het Spanjaardsgat: de granaattoren.


De Nieuwe haven vanaf het Spanjaardsgat.


De Duiventoren en de Onze Lieve Vrouwe Kerk.


Een deel van het water op het KMA-terrein.


De Nieuwe haven .


De Hoge Brug.



Granaattoren.



Jeroen Henneman, Koning Willem I.


Nog meer paleis / kasteel.


De toegangspoort tot het kasteel.


De Stadhouderspoort met toegang tot het Kasteelplein.




 

Het Turfschip van Breda III (stripverhaal)

 

De verteller 

Dit stripverhaal bestaat uit een tekst die los gebaseerd is op het verhaal geschreven door Alphonse Timmermans.

Het boekje met deze tekst: “Turfschip van Breda” is onderdeel van een geschiedkundige reeks genaamd ‘Ons volk in leven en streven’. Het deeltje in mijn bezit is gepubliceerd in 1951 De illustraties die ik hier gebruik zijn uit dit boekje en zijn gemaakt door de Bredase kunstenaar/illustrator Gerrit de Morxc3xa9e.

Hier pakken we het verhaal weer op van de vorige editie.

Exc3xa9n dag nog.
De soldaten wordt door Prins Maurits gevraagd het nog xc3xa9xc3xa9n dag vol te houden.









De wind draait uiteindelijk.
Het was nog onvoldoende om het schip
met al de soldaten te laten vertrekken.
Daarom gingen de soldaten te voet verder.
Het lichtere schip kon dan vertrekken en hen verderop,
voorbij het speelhuys weer laten instappen.
Natuurlijk was dat niet zonder risico.
De wapenuitrusting van zeventig mannen maakt een hoop lawaai.
Er was dus een rexc3xable kans dat ze zouden worden ontdekt.









Op inmiddels zaterdag, kwam het schip aan bij het Reigersbos.
Daar was een soort grenspost.
De rivier was afgesloten met een slagboom.
De Spaanse bezetters lieten alleen schepen door die toestemming hadden.
Een Spaanse korporaal kwam aan boord voor controle.









Niemand hoestte, niemand kuchte.
De Spaanse inspectie werd veilig doorstaan.









Bij de sluis van het kasteel aangekomen,
was het weer wachten.
Nu op de vloed. Dan kon men via de sluis het kasteel binnen.
Helaas liep toen het schip op een zandbank en begon het water te maken.
De soldaten stonden al snel met hun voeten in het ijskoude water.









De Italiaanse soldaten in Spaanse dienst hadden het koud
en kwamen het schip op de oever tegemoet.
Men wilde turf hebben om zich te warmen.
Ze hadden geen boodschap aan het wachten op de vloed.
De schippers gooiden daarom een deel van het turf
dat op het dek lag op de oever.









Inmiddels stond het water al aan de kuiten van de soldaten in het ruim.
Matthijs Helt, een van die soldaten, was ziek.
Zijn hoesten werd een groot probleem.
Maar de schippers kwamen op het idee om het water uit het schip te pompen.
De pompgeluiden overstemden de geluiden uit de romp van het schip.





Deze illustraties zijn gemaakt door de Bredase kunstenaar/illustrator Gerrit de Morxc3xa9e.




Erwin Olaf – Diego Velazquez

Erwin Olaf is een bekende Nederlandse fotograaf.
Zijn foto’s zetten je altijd net even op het verkeerde been.
Hij heeft prachtige fotoseries gemaakt die op zijn
web site te vinden zijn.
Hieronder een klein voorbeeld.
Op basis van schilderijen van oude meesters heeft hij
situaties in scene gezet en gefotografeerd.
Zijn keuze van kunstwerken en de manier van in scene zetten
en fotograferen maken het heel bijzonder.





Diego Velazquez, El Bufxc3xb3n Calabacillas, 1637 – 1639.


Dit portret van een nar aan een Spaans hof
heeft een beklemmende atmosfeer.
In een kleine ruimte, in een ongemakkelijke houding
zit een man die loenst.
Let op zijn handen.
Hij lacht maar is niet blij.





Erwin Olaf, El Bufxc3xb3n Calabacillas, 2008.





Cleopatra, Mark Anthony

Nieuws over opgravingen in Egypte hebben in het verleden
tot zulke hypes geleid, dat veel mensen daar nog steeds
gebruik van willen maken.
Niet in de laatste plaats is het nieuws van Zahi Hawass
per definitie verdacht.

Aan Cleopatra toegeschreven portret.

De archeologische projecten in Egypte zijn vandaag de dag
altijd een combinatie van Egyptische interesse en buitenlands geld.
Ook nu weer.
Hawass, de man die bepaalt wie waar mag graven in Egypte
tegen welke kost, werkt hier samen met een archeologisch team
uit, hou je vast, de Dominicaanse Republiek.
Niets te na van de mensen die in dat team hard werken om
een opgraving te realiseren, maar dit is niet het land
met de meeste kennis, historie, evaring, expertise enz
op het gebied van archeologisch onderzoek in Egypte.


Bronzen munten met een afbeelding van Cleopatra.

Dan is al dit nieuws gebaseerd op een paar radarbeelden
en en paar vondsten die nog niet definitief geidentificeerd zijn.
De munten waarschijnlijk uitgezonderd.
Maar van het albasten portret hierboven wordt alleen door de
archeologen ter plaatse gezegd dat het om Cleopatra gaat.


Assumed funerary mask of Marc Antony.

De grote archeoloog Hawass spreekt in zijn verklaring
dan ook alleen maar over hoe knap Cleopatra toch wel niet moet zijn geweest.
Dit in tegenstelling tot recent wetenschappelijk onderzoek

Naar mijn mening lijkt de vrouw in albast helemaal niet
op de vrouw op de munt.
Ik vind dat net de Venus van Milo.
Maar het blijft een mooi verhaal.
Prachtige film ook met Elizabeth Taylor en Richard Burton.
Ik bekijk hem nog regelmatig.


Lees verder

Op vakantie in Bavel

In het boek: Breda, stad van borderlords en baronnen
van Leo Nierse, las ik een verhaal over het Begijnhof in Breda.
Het verhaal heet “Het eerste Begijnhof” en uit directe kring
kan ik een korte aanvulling op het verhaal geven.

Zo wilde de traditie.
Diezelfde traditie stond de begijnen toe te leven
zonder strenge kloosterregels;
ze vormden immers een vrij orde.
Eventuele bezittingen hoefden ze niet af te staan
ze bleven financieel onafhankelijk.
En ze mochten zich vrijelijk buiten hun hoven begeven,
zelfs voor langere tijd.
Een gelofte van zuiverheid (kuisheid) en gehoorzaamheid
aan hun meesteres (dus niet: “overste”) volstond.
Met eenvoudige textielarbeid voorzagen de niet-belastingplichtige zusters
in hun eigen onderhoud.
Ze verzorgden zieken, waakten bij de doden,
baden en zongen bij de altaren in de Grote- of Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Kortom, ze verrichtten “goede werken”.

Op Goede Vrijdag 13 mei 1990 overleed Cornelia Frijters,
de laatste Begijn van het Bredase begijnhof.
Vrijwel zeker bestond er in Breda al een begijnengemeenschap
toen Breda in 1252 zijn stadsrechten kreeg.

Uit eigen informatie kan ik over de werkzaamheden
van de begijnen, het volgende toevoegen.

Mijn moeder vertelde me onlangs het volgende verhaal.
Toen ze nog een klein kind was (11 of 12 jaar)
mocht ze eens op vakantie bij een tante in Bavel.
Mijn oma kwam uit Bavel.
Haar zussen en broer woonden daar en hadden boerderijen.
Mijn oma woonden met haar gezin aan de rand van Breda
op de Blauwe Kei. Aan de Poolseweg.
Het zal dus in 1944 of 1945 geweest zijn.
De tante waar ze op bezoek ging had zelf geen kinderen
en mijn moeder speelde in Bavel dan ook met haar nichtjes
die vlakbij woonden.
De tante en oom waren wel in goeden doen.
Ze konden zich veroorloven om een maal in de veertien dagen
een begijntje te laten langskomen voor verstelwerk.
Er was altijd wel wat te doen aan de kleding
of het andere textiel dat in huis was.
Zo ook die vrijdag.
Het begijntje was ook die vrijdag bij tante aan de slag geweest
en zou aan het eind van de werkdag naar huis gaan.
Te voet.
Mijn moeder greep die kans met beide handen aan
want ze vond dat ze al te lang bij tante op visite was.
Samen met het begijntje liep ze die avond terug naar Breda.

Hermitage aan de Amstel

Het lijkt wel museum week bij De Argusvlinder.
Maar ik kan er ook niets aan doen.
Binnenkort opent het vernieuwde en uitgebreide museum
Hermitage aan de Amstel zijn deuren in Amterdam.
Deze enorme gouden greep heeft tot nog toe geleid
tot prachtige, kleine, heel behapbare tentoonstellingen
van een heel hoge kwaliteit.
Of men dat op een veel grotere schaal kan volhouden weet ik niet,
maar de aankondigingen over de eerste tentoonstelling zijn veelbelovend.
Hier een klein voorproefje.
Een willekeurige selectie van de werken die er vanaf eind juni 2009
te zien zullen zijn.

De kans dat je de werken die te zien waren en te zien zullen zijn
met eigen ogen kunt zien in de Russische musea is
gemiddels gesproken waarschijnlijk klein.
In Amsterdam kan dat!

Atelier K.E. von Hahn, St.-Petersburg, Troonrede van Nicolaas II, 1906.


De openingstentoonstelling heet: Aan het Russische Hof

In het Russische Bal staat een dag aan het Russische hof centraal:
een officiele ontvangst door de tsaar en zijn familie,
met bijbehorend ceremonieel.
De tentoonstelling wordt gesitueerd in de 19de eeuw
omdat het hofceremonieel toen op zijn hoogtepunt was.
De Russische tsaren en hun hof spraken toen zeer tot de verbeelding
van de andere Europese vorstenhuizen en adel.
De tentoonstelling wordt een ‘fontein’ van Russische,
West-Europese en exotische voorwerpen die samen
een dwarsdoorsnede geven van de rijke verzameling
van Staatsmuseum de Hermitage.

Atelier K.E. von Hahn, St.-Petersburg, Troonrede van Nicolaas II, 1906, detail.


Schoenen, in verschillende kleuren, van tsarina Maria Fjodorovna, op Franse hakken, 1880-1890.


Laurits Tuxen, Huwelijksvoltrekking tussen Nicolaas II en Alexandra Fjodorovna in de Grote Kerk van het Winterpaleis, 1895.



V.V. Vasiljev, Icoon van Sint-Alexander Nevski, Sint-Titus de wonderdoener en Sint-Policarpus de martelaar, 1879.

Firma P.A. Ovtsjinnikov, vervaardigd door V.V. Vasiljev


Hare Keizerlijke Hoogheid tsarina Alexandra Fjodorovna als tsarina Maria Iljinitsjna, 1904.

Expeditie voor de Vervaardiging van Staatspapieren,
bladen uit het Album van het gekostumeerd bal
in het Winterpaleis in februari 1903,
21 heliogravures en 174 fototypieen,
1904 Hare Keizerlijke Hoogheid tsarina Alexandra Fjodorovna
als tsarina Maria Iljinitsjna (17e eeuw).


Ivan Kramskoj, waaier uit bezit van Maria Fjodorovna, 1886.

Ivan Kramskoj, Waaier uit bezit van Maria Fjodorovna
met portretten van Alexander III en hun kinderen
Nikolaj, Georgi, Ksenia, Michail en Olga, 1886.


Ik ga er heen!

Indianen

Kunst en cultuur van indianen, we kennen het meestal alleen
van westerns. Dat wil zeggen erg beperkt.
De indianen worden dan afgeschilderd als minderwaardige wezens.
Kijk eens naar de schoonheid van de volgende voorwerpen.
Allen afkomsting van het Nelson-Atkins Museum in Kansas.
Helaas is er weinig positieve aandacht voor hen in de media.


Human head effigy jar, 1350 – 1550.


Alle voorwerpen in deze log zijn afkomstig van
Noord Amerikaanse indianen.

Pot met een afbeelding van een menselijk hoofd.

De inschatting van de leeftijd van het voorwerp is nogal ruim.
Maar daar is het niet minder mooi om.





New Mexico, Zia, Bow guard, Ketoh, ca. 1915.


Ketoh is de naam voor een schild (bow guard).





Shield, Arikara, ca1850.


De Arikara zijn een indianenvolk.





Tab bag, ca 1800.


Waar werd deze ‘zak’ voor gebruikt was mijn vraag.
‘…as containers for objects and materials associated with sacred power,
healing and ritual societies.’
Dit is een bewaarplaats voor voorwerpen en materialen die te maken hebben
met heilige kracht, genezing en rituele bijeenkomsten.




Het Nelson-Atkins

Nee het is geen dieet.
Het Nelson-Atkins museum is een groot museum
in de stad Kansas in de Verenigde Staten.
Ik kende het museum van naam maar ben er nog nooit geweest.
Wie weet?

Het museum heeft een enorme collectie
en vandaag wil ik wat voorbeelden laten zien
van de fotografie die men er heeft.
En dan met name de voorbeelden uit de tijd van de uitvinding
en ontwikkeling van de fotografie.
Met dank aan het Nelson-Atkins Museum of Art en Wikipedia.


Onbekende maker, The Daguerreotypist, ca. 1850.


Nelson-Atkins Museum of Art, daguerreotype, half plate.

Dit is het beeld dat we hebben van het ontstaan van de fotografie.
Mannen met zwarte kastjes, vaak met een zwarte doek eraan.
De fotoxe2x80x99s die toen werden gemaakt worden daguerreotype genoemd,
naar de uitvinder van dit procxc3xa9dxc3xa9 (Louis Daguerre).





Onbekende maker, Clown, ca. 1855.


Nelson-Atkins Museum of Art, daguerreotype, 1/6 plate.




Bij daguerreotypie wordt een gepolijste,
met een zoutoplossing voorbereide, zilveren plaat gebruikt.
Deze levert na blootstelling aan kwikdampen (ontwikkelen) positieve,
spiegelende beelden.
Deze beelden waren destijds gedetailleerder
dan de eerdere procedures.
Doordat er geen negatief wordt gebruikt,
zoals bij het procxc3xa9dxc3xa9 dat we tot kort geleden allemaal gebruikten het geval was,
was het niet mogelijk om meerdere afdrukken te maken.
Een daguerreotypie is daardoor uniek.


J. D. Edwards, Steamships at cotton wharf, New Orleans, ca. 1858.


Nelson-Atkins Museum of Art, Salt print, 5 1/4 x 7 7/8 inches.

Calotypie (van het Grieks ‘goed’ of ‘mooi’, en ‘afdruk’),
ook wel ‘Talbotypie’ genoemd, is een fotografische techniek
die in dezelfde tijd is uitgevonden als de verwante daguerreotypie.
Bij een calotype wordt door een chemisch proces
van een papieren negatief een positief beeld op papier afgedrukt.
In dit proces zorgt de vezelstructuur van het papieren negatief
voor een eigen esthetisch effect:
er zijn minder details dan bij een daguerreotype,
waardoor de contouren vervagen en er meer gespeeld kan worden
met de contrasten tussen licht en donker.
Het procedxc3xa9 laat toe meerdere afdrukken te maken
van eenzelfde negatief; van een daguerreotype is er maar xc3xa9xc3xa9n.
Er is bij de calotypie manipulatie mogelijk tijdens het afdrukproces.
Dit geeft meer vrijheid voor een creatief proces.
Terwijl de daguerreotype na 1865 niet meer gemaakt werd,
wist men de calotypie verder te ontwikkelen
in de richting van de moderne fotografie.
Ook tegenwoordig wordt de techniek soms nog gebruikt.

William Fox Talbot vond in 1839 de calotypie uit; in 1841 kreeg hij er patent op.

En wat een prachtig voorbeeld.
De volgende foto is een klein deel uit bovenstaande foto,
namelijk 1 van de stoomboten aan de werf in New Orleans.






J. D. Edwards, Steamships at cotton wharf, New Orleans, ca. 1858, detail.





De volgende foto is ook een heel mooie.
Het is een foto van de winkel van de fotograaf.
Erg bescheiden was hij niet.
Hij noemde zijn zaak:
Frederick’s fotografische tempel van de kunst.


Charles Fredericks, Frederick’s photographic temple of art, 1857.


Nelson-Atkins Museum of Art, Salt print 16 1/9 x 13 3/4 inches.

Ook van de vorige foto een detail.





Charles Fredericks, Frederick’s photographic temple of art, 1857, detail.







Albert Sands Southworth, Harriet Beecher Stowe, ca. 1843.


Nelson-Atkins Museum of Art, daguerreotype, 1/4 plate.

Harriet Beecher Stowe (Litchfield, Connecticut, Verenigde Staten,
14 juni 1811 xe2x80x93 1 juli 1896) was een Amerikaans abolitioniste en schrijfster.

Tijdens haar leven schreef zij meer dan 10 werken.
Het bekendste hiervan is De negerhut van Oom Tom,
een beschrijving van het leven van Amerikaanse slaven.

Beecher-Stowe werd geboren in Litchfield
en groeide voornamelijk op in Hartford.
In 1832 verhuisde haar familie naar Cincinnati,
een andere thuishaven van de abolitionistische beweging.
Aldaar deed ze eerstehands kennis op over slavernij
en de Underground Railroad en voelde ze zich geroepen
De Negerhut van Oom Tom te schrijven,
de eerste Amerikaanse roman met een neger in de hoofdrol.

Maar men heeft er niet alleen hele oude foto’s.
Ook dit samengesteld panorama is in het museum ondergebracht.
Het komt op mijn web log niet zo goed tot zijn recht
omdat het een hele brede maar lage foto is.
Bekijk hem eens op de museum site!





Mark Klett and Byron Wolfe, Panorama from Sentinel Dome.





Waalse Kerk door Constant Huijsmans

Constant Huijmans is een belangrijke persoon
voor het tekenonderwijs in Nederland.
In een van zijn schetsboeken maakte hij een tekening
van de Waalse Kerk in Breda.
Vandaag maar eens wat foto’s gaan maken
om de tekening te kunnen vergelijken met de realiteit.



Constant Huijsmans, Waalse Kerk, 1831.






Waalse Kerk Breda, 1 maart 2009.








In 1440 sticht Johanna van Polanen een Gothische kapel,
die wordt toegewijd aan de heilige Wendelinus, een pestheilige.

In 1550 wordt deze kapel geschonken aan de Begijnen.

Als Prins Maurits Breda verovert (1590) brengt dat
een groot aantal protestanten en Frans sprekende protestanten
in het katholieke Breda.
De kapel wordt dan van de Begijnen afgenomen en wordt Waalse Kerk.

Maar in 1625 wordt Breda door Spinola ingenomen
en wordt de kapel aan de Begijnen teruggegeven.
Echter niet voor lang: als Prins Frederik Breda verovert (1637)
wordt de kapel weer Waalse Kerk,
hetgeen in 1648, bij de Vrede van Munster, zijn bekrachtiging krijgt.

De Sint Wendelinuskapel of Waalse Kerk is een zeldzaam exemplaar
van een oorspronkelijk middeleeuwse stadskapel,
die veel elementen uit de oudste tijd heeft behouden.
Voorbeelden daarvan zijn de fraaie,
met in diverse kleuren beschilderde sluitstenen
versierde kruisgewelven en de spitsboogvensters.





Moeilijk hetzelfde stanpunt te krijgen als de maker van de schets.






Het is toch wel dezelfde kerk.




Legende van de kristallen schedels

Vervolg van het verhaal van Jane MacLaren Walsh.

Een derde generatie schedels dook op.
Kort voor 1834 kocht Sidney Burney,
een Londonse kunsthandelaar, van Tiffany,
een kristallen schedels van dezelfde grootte
als de schedel van het Brits Museum.
Er is verder geen informatie over hoe hij er precies aan kwam
maar de schedel is bijna dezelfde vorm als van de schedel
in het Brits Museum maar met beter vormgegeven ogen en tanden.
Verder zijn er meer details aan die ogen en tanden.
Daarnaast heeft het een losse onderkaak.
Daarmee is het enig in zijn soort.
In 1943 werd deze schedel door Sotheby’s verkocht aan
Frederick Arthur (Mike) Mitchell-Hedges
Een Engelsman in goede doen, diepzeevisser en
ontdekkingsreiziger.
Altijd goed voor een sterk verhaal.

Sinds de publicatie van Mitchell-Hedges’s memoires (Danger My Ally,
Gevaar mijn bondgenoot) is deze 20ste-eeuwse schedel plotseling
afkomstig van de Maya’s.
Zijn geadopteerde dochter, Anna Mitchell-Hedges
(onlangs op honderdjarige leeftijd overleden) stelde de schedel
soms, prive, tentoon.
De schedel is nu in het bezit van haar weduwnaar.
Verschillende neven en nichten hebben al
een claim op het voorwerp gelegd
De schedel staat bekend al de Schedel van de ondergang,
de Liefdesschedel of gewoon als de Mitchell-Hedges schedel.
Er wordt van verteld dat er blauw licht uit zijn ogen schijnt
en dat het regelmatig hard discs van computers laat crashen.

De Mitchell-Hedges schedel.

In 1936 verscheen er een serie artikelen geschreven door de curator
van het British Museum, Adrian Digby, en de antropoloog G.M. Morant.
In deze artikelen bespraken beide de mogelijkheid dat beide schedels
waren gebaseerd op dezelfde originele schedel.
Digby duidde die als de Middenamerikaanse ‘god van de dood’.

De schedel van het British Museum.

Ondanks dat de kristallen schedels steeds opnieuw worden geidentificeerd
als Azteeks, Tolteeks, Mixteeks of af en toe als afkomstig van de Maya’s,
vertonen ze geen van allen de artistieke en stijlkenmerken van deze culturen.
De Azteken en Tolteken kenden wel doodshoofden maar maakten die
uit basalt, al dan niet bedekt met een stuclaag en beschilderd.
Meestal waren deze hoofden bevestigd aan een muur of aan een altaar.
Ook basreliefen van doodshoofden komen voor.
Soms komen doodshoofden voor als versiering aan een riem.
Vergeleken met de schedels die we hier bespreken waren ze
ruw uitgehakt maar tegelijkertijd natuurlijker.
Zeker in de manier waarop tanden worden afgebeeld.

Chichen Itza, Azteekse schedels op de muur van een platform.

Van de Mixteken zijn gouden schedels bekend maar dat
zijn nauwkeurige afbeeldingen van menselijke gezichten.
Met echte ogen, neus en mond.

Mixteek, gouden dodenmasker, Oaxacal, 1350-1521 na Christus.

De Mayas hakten ook doodshoofden uit maar in relief.
In kalkzandsteen bijvoorbeeld.
Vaak beelden deze schedels, uitgevoerd in profile,
de dagen van hun kalender uit.

A third generation of skulls appeared some time before 1934, when Sidney Burney, a London art dealer, purchased a crystal skull of proportions almost identical to the specimen the British Museum bought from Tiffany’s. There is no information about where he got it, but it is very nearly a replica of the British Museum skull–almost exactly the same shape, but with more detailed modeling of the eyes and the teeth. It also has a separate mandible, which puts it in a class by itself. In 1943, it was sold at Sotheby’s in London to Frederick Arthur (Mike) Mitchell-Hedges, a well-to-do English deep-sea fisherman, explorer, and yarn-spinner extraordinaire.Since the 1954 publication of Mitchell-Hedges’s memoir, Danger My Ally, this third-generation, twentieth-century skull has acquired a Maya origin, as well as a number of fantastic, Indiana Jones-like tall tales. His adopted daughter, Anna Mitchell-Hedges, who died last year at the age of 100, cared for it for 60 years, occasionally exhibiting the skull privately for a fee. It is currently in the possession of her widower, but 10 nieces and nephews have also laid claim to it. Known as the Skull of Doom, the Skull of Love, or simply the Mitchell-Hedges Skull, it is said to emit blue lights from its eyes, and has reputedly crashed computer hard drives. The Mitchell-Hedges skull, top, and the British Museum skull were the subject of a series of 1936 articles in which British Museum curator Adrian Digby and physical anthropologist G. M. Morant debated whether the two were based on the same original skull, which Digby posited was perhaps revered as a Mesoamerican “death god.” Although nearly all of the crystal skulls have at times been identified as Aztec, Toltec, Mixtec, or occasionally Maya, they do not reflect the artistic or stylistic characteristics of any of these cultures. The Aztec and Toltec versions of death heads were nearly always carved in basalt, occasionally were covered with stucco, and were probably all painted. They were usually either attached to walls or altars, or depicted in bas reliefs of deities as ornaments worn on belts. They are comparatively crudely carved, but are more naturalistic than the crystal skulls, particularly in the depiction of the teeth. The Mixtec occasionally fabricated skulls in gold, but these representations are more precisely described as skull-like faces with intact eyes, noses, and ears. The Maya also carved skulls, but in relief on limestone. Often these skulls, depicted in profile, represent days of their calendars.

Grote of Onze Lieve Vrouwe Kerk Breda

Dat we bijna werden tegengehouden door de bobo’s was lastig.
Het is vreemd dat je een dergelijke bijeenkomst niet eerder aankondigd.
Op zaterdagmiddag nog wel.
Maar goed, we hebben ons niet laten storen.
Voor mij was het de kerk zelf die vanmiddag
wederom de show stal.

Stemmige kerk.


Epithaaf.


Detail.


van Renesse.


Frederik van Renesse.


Jan van Dendermonde.

Detail.


Praalgraf Engelbert II van Nassau.

Praalgraf Engelbert II van Nassau: Julius Ceasar.


Grafmonument Engelbert I van Nassau.


 

Korte films

Ik had nog wat tijd voor het optreden in Lokaal01.
Dus mijn laatste halte ook nog even bezocht.
De bioscoop MustSee liet een aantal korte films zien.
Veel animatiefilms, soms een soort collage van film
en animatie en een heel enkele keer een korte speelfilm.
Erg leuk. Vooral de heel korte films van Evelien Lohbeck
Ik weet niet of alle films gemaakt zijn door (ex-)studenten van St Joost.
Maar een aantal wel.
In de bioscoop vond ik de aankondiging van het
Internationaal Film festival Breda.
Ja,ja, we gaan mee in de vaart der volkeren.



Een van de films die te zien was, is Notebook van Evelien Lohbeck:



De Grote Toren in de nacht

Het volgende bezoek was de Grote Toren.
Dat bezoek had heel wat voeten in de aarde.
Het was namelijk nogal druk.
Ik had begrepen dat er iedere tien minuten een groep naar boven kon.
Nu dat had helemaal niet gegaan.
Het bleek dat er ieder uur, om kwart over, een groep naar boven kon.
Ongeveer 25 mensen tegelijk.
Ik ging in de rij staan voor een kaartje (hoe het bezoek aan de toren
geregeld was moest je zien te achterhalen bij mensen voor je in de rij).
Het was 10 over half negen.
Even later hoorde ik van de mensen voor me dat ik in de rij stond
voor het bezoek van kwart over 10.
Na het bemachtigen van een kaartje heb ik
de Evangelisch Lutherse Kerk en de bibliotheek bezocht en heb ik
de videoshow in de Grote Kerk nog twee maal gezien.
Maar toen was het zover.


Poppenspel van Irene Laros.


Het is even goed zoeken tussen de balken.
Onder de grote klok in de Grote Toren werden de torenbeklimmers
verrast met een stukje poppentheater van Irene Laros.
Heel geconcentreerd werd daar Queen of the night gespeeld.
Het begon dus met de Mozart aria Koningin van de nacht en
vervolgens kwamen er nog allerlei andere koninginnen langs.
Tot en met de Queen of soul.





Queen of the night.
























De Beiaardiers.


Nog een aantal trappen op en dan kom je bij het carillon.
Op marktdagen, dinsdag en vrijdag, speelt de beijaardier zelf
maar op ieder kwartier laar het carillon een deuntje horen.





Zo zijn de namen meer leesbaar.






Het Carillon.








Dan nog een paar treden en dan het uitzicht.
Het waaide vrijdagavond nogal.
Dat maakte het maken van foto’s nog moeilijker.
Hier de Grote Markt en de Anthoniuskerk.





De toren zelf stond wel stil.












Verlichte panden aan de nieuwe haven.






De afdaling is al weer begonnen: de klok.






Met het wapen van Breda.












De weg terug.