Tijdens het lezen van Het leven op aarde (1)

Eerst las ik ‘Het verboden rijk’ en nu lees ik de
tweede roman van Slauerhoff over China:
Het leven op aarde (1934).

Tijdens het lezen kom ik soms passages tegen die mij opvallen.
Die wil ik graag delen met de bezoekers van mijn blog.

Vandaag een eerste aantekening.


Bij de eerste zin, de eerste alinea
zet Slauerhoff meteen de toon,
zijn toon:

Een oude zomerdag aan de Chinese kust die al zoveel eeuwen zijn grauwe gesteenten en klippen en bruine oevers door de golven van de stille Zuidzee heeft laten bespoelen en uithollen. Maar de kustlijn is bijna niet teruggeweken. Er is behalve de trage deining weinig beweging, om vooruitspringende rotsen kolkt het water, de vissersvloten bewegen zich in stille zwermen langs de kust, eenzame vrachtjonken gaan traag als in zichzelve gekeerd van haven tot haven. De stoomschepen der Europeanen gaan gehaast in en uit, maar worden bijna niet opgemerkt. Evengoed blijft alles hetzelfde.

J. Slauerhoff, bezorgd door Hein Aalders en Menno Voskuil,
Het leven op aarde, pagina 155.


Zijn taal is zichtbaar in elkaar gezet,
niet gekunsteld, wel af en toe gedateerd,
vooral goed bedacht.

‘een oude zomerdag’
waarom oud?

de gedeeltelijke herhaling: grauwe gesteenten, klippen en bruine oevers

‘stille Zuidzee’
kleine letter ‘s’ en hoofdletter ‘Z’ zijn geen toeval

Het gebruik van schijnbare tegenstellingen die toch samen een zin of gedachte vormen:

  • ‘teruggeweken’ en ‘vooruitspringende’
  • ‘bespoelen’ (een goed maar opvallend woord) en ‘uithollen’
  • ‘trage deining’ en ‘kolkt het water’
  • ‘vooruitspringende rotsen’, mooie actieve vondst in een situatie van ‘weinig beweging’
  • ’vissersvloten’ en ‘eenzame jonken’; ’in stille zwermen’ en ‘in zichzelve gekeerd’
  • ‘traag van haven tot haven’ en ‘gehaast in en uit’

Om dan af te sluiten met ‘Evengoed blijft alles hetzelfde.’

Wat ik daarnaast opvallend vind, als ik er nog eens over nadenk,
is hoe zorgvuldig de alinea als geheel is opgebouwd.

De openingszin is niet eens een volledige zin,
maar eerder een beeld dat voor de lezer wordt neergezet:
een oude zomerdag aan een kust
die al eeuwenlang door de zee wordt bespoeld en uitgehold.

Daarbij krijgt die kust bijna iets menselijks;
zij ondergaat niet alleen de werking van het water,
maar heeft die als het ware eeuwenlang laten gebeuren.

Vervolgens verschuift Slauerhoff voortdurend van schaal.
Hij begint bij eeuwen en een kustlandschap,
kijkt daarna naar de beweging van water, vissersvloten, jonken en stoomschepen,
om aan het slot weer uit te zoomen naar een algemene conclusie.
Die beweging is echter merkwaardig cirkelvormig.
Overal is activiteit zichtbaar:
het water kolkt, schepen varen langs de kust,
stoomschepen gaan gehaast in en uit.
Toch leidt geen van die bewegingen tot werkelijke verandering.
Zelfs de moderne Europese stoomschepen
blijken uiteindelijk van ondergeschikt belang, want zij worden „bijna niet opgemerkt”.
Daardoor krijgt het slotwoord „Evengoed” extra gewicht:
het erkent alle voorafgaande beweging en bedrijvigheid,
maar verklaart die tegelijk onbelangrijk
tegenover de grote continuïteit van landschap en tijd.
De alinea eindigt daardoor precies waar zij begon:
in een wereld die lijkt te bewegen, maar die in wezen altijd dezelfde blijft.