Gisteren zat ik ergens waar ik een half uur moest wachten.
Ik wist dat het een half uur zou duren en dus had ik een boek meegenomen:
Anatomie van het atelier van William Kentridge.
Aanvankelijk leek de tekst heel toegankelijk.
Kentridge gebruikt weinig academische termen en soms juist poëtische taal.
De titel suggereert dat het boek een analyse geeft
van hoe Kentridge werkt in zijn atelier.
Maar de tekst is veel minder richtinggevend dan ik verwachtte.
De tekst is opvallend open en gelaagd.
Met ‘open’ bedoel ik dat er veel ruimte is voor interpretatie.
Sterker nog: je wordt als lezer uitgedaagd jouw interpretatie
naast die van Kentridge te leggen.
Daarbij heb je voor de visie van Kentridge wel wat kennis nodig
van (kunst)filosofie en van zijn werk.
Tussen het lezen door keek ik ook naar buiten.
Ik zat op de begane grond, met gedeeltelijk zicht op een grote binnentuin.
Daar is ook een kinderdagopvang gevestigd.
Er kwamen vier mensen langs het raam lopen,
een juf en drie kleuters van de opvang.
In hun rechterhand hadden ze een fel gekleurde ring vast.
De ringen waren aan elkaar verbonden met een lang blauw plastic lint.
Voorop liepen twee kinderen, gevolgd door de juf
en daarna nog een laatste peuter.
De kinderen liepen nog een beetje onzeker, druk pratend met de juf
– soms geconcentreerd maar ook af en toe afgeleid.
In hun linkerhand droegen de kinderen een open, leeg kartonnen eierrekje.
Voor het raam hielden ze even in,
ze stonden stil en de juf vertelde denk ik iets.
Ik zag de juf naar het dichtstbijzijnde perk wijzen
en daarna haalde ze iets tussen de planten uit – voor ieder kind twee voorwerpen.
Waarschijnlijk waren het houtsnippers
die in onderhoudsvriendelijke tuinen wel vaker gebruikt worden.
De snippers liggen op de bodem tussen de planten
om het onkruid moeilijk te maken te groeien.
Even later liepen ze weer door en verdwenen uit mijn zicht.
Later zag ik nog een groepje langskomen.
Terwijl ik daar naar keek, dacht ik na over het bewustzijn van jonge kinderen.
In hoeverre zijn wij als jonge kinderen bewust van onszelf en onze omgeving?
Ik vroeg me dat af omdat ik net de volgende passage gelezen had
van Kentridge (pagina 51):
Bewustzijn komt voort uit emotie, verlangen of afkeer. Eerst een tekening en dan pas de vraag: ‘Wat vertelt deze tekening?’ Een impuls om te maken, die voorafgaat aan het ‘wat’ dat wordt gemaakt, aan wat het onderwerp is. De aantrekkingskracht van het atelier staat centraal, het ‘wat’ veel minder.
Kentridge legt uit hoe zijn werkproces in elkaar zit.
Blijkbaar begint hij aan zijn werk niet altijd met een uitgedokterd plan.
Sterker nog, vaak begint hij zelfs zonder plan;
zijn proces is veel intuïtiever.
Hij creëert in zijn atelier een omgeving waarin nieuw werk kan ontstaan
— door eerst materiaal en indrukken te verzamelen.
Hij creëert die sfeer door woorden en zinnen op te schrijven die hem eerder troffen.
Nog zonder te weten of en hoe hij die teksten ooit zal gebruiken.
Tekeningen zijn niet alleen eindresultaat, ze zijn ook vastlegging.
Mogelijke bron voor toekomstig werk.
Ze vormen daarmee ook een onderdeel van het atelier.
Hoewel de vertaalster het woord bewustzijn gebruikt,
lees ik Kentridge’s beschrijving eerder als een vorm van bewustworden:
een proces dat niet uit één moment bestaat, maar uit vele stappen.
Soms lineair, soms herhalend, soms zoekend.
Een ontwikkeling die ontstaat
door te doen,
door materiaal te verzamelen,
door te tekenen zonder vooraf te weten wat het zal worden.
In dat opzicht is zijn bewustzijn minder een toestand dan een beweging.
Maar het citaat begint niet met
‘Het bewustzijn van Kentridge komt voort uit emotie,
verlangen of afkeer.’
Het begint veel opener – als een bewering over iedereen.
Daarom vroeg ik me af hoe dat bij die peuters werkt.
En natuurlijk ook bij mezelf.
