Kielegat: eerst over de Havermarkt

DSC02644TurfschipInHetKielegat

Onderweg naar de intocht van Prins Carnaval ging ik over de Havermarkt. Het was er nog rustig maar ik zag al wel veel geschiedenis. Zoals hier het Turfschip.


DSC02645NogRustigInHetKielegat

Nog rustig, maar het was ook maar net 13:00 uur.


DSC02646AdriaanVanBergenInHetKielegat

Adriaan van Bergen.


DSC02647Kielegat

Maar je ziet ook dingen die je als Kielegat eigenlijk niet wilt zien.


DSC02648GeslotenIVMCarnaval

Horeca die sluit met deze dagen wil je natuurlijk ook niet zien.


IMG_2584DitKanNatuurlijkNiet

Maar er waren al veel mensen goed in de schmink.


Het turfschip van Breda

Ik was de desktop van mijn PC aan het opruimen en kwam toen
onderstaand gedicht tegen over Breda.
Hoog tijd om het op mijn weblog te plaatsen.
1590
Breda ingenomen met de list van het turfschip
Uit: J. van Vloten, Nederlandsche geschiedzangen, II, 1864, 309-313.
Oorspronkelijke bron: Geuseliedtboeck

Gevonder: Engelstalige site van de Universiteit van Leiden

Een nyeu Liedeken vant innemen van Breeda,
Nae de wijse vanden lxviij. Psalm: Staet op Heer toont u onvertsaecht.
(Psalm 68)

Weest nu verheught ende verblijdt,
Looft Godt met vreucht gebenedijt,
Prijst zijnen naem verheven,
Die in ’t jaer tnegentigh, ziet,
Tot Breda wonderlijck geschiet,
Victory heeft gegeven;
tIs niet geschiet in menigh jaer,
Sulcken aenslagh seer wonderbaer,
Sonder veel bloets vergieten,
’t Huys van Nassau, het edel bloet,
Ons seer getrou met lijf en goet,
Liet hem sulcks niet verdrieten.
Graef Maurits met een kloeck verstant,
Een jonge vorst vroom en vaillant,
Heeft dit feyt wel beghonnen,
Door goeden raet, hem aenghedient
Van een turfschipper als goet vrient,
Van Willem Jacobsz. versonnen,
Die ’t vaderlandt was toeghedaen,
Soo ghy sult hooren door ’t vermaen,
Hoe hy dit heeft besteken;
’t Was de turfschipper vant casteel,
Binnen Breda, dat schoon juweel,
Wiert een Romeyn gheleken.
Dit schip was lustich toebereyt,
Den turf daer looslick opgheleyt,
Onder vol trou soldaten,
Ontrent tseventich mannen stout,
Die, met perijckel menichfout,
Vijf nachten int schip saten;
Den derden Meert, twas saterdach,
Voor noen, dat hy noch buyten lach,
Corts nae middagh, wilt hooren,
Quam tschip int casteel binnen, siet,
Verwachten blijdschap of verdriet,
Van beyts quam hun te voren.
Van Heusden, Worcum, Loevesteyn,
En oock van Sevenberghen reyn,
Was dit crijchsvolck ghenomen,
Om te volbrenghen den aenslagh,
Nu in den Meert den derden dach,
Grootlijcx tot onser vromen;
Den turf wert van het schip ghehaelt,
Den aenslach was bynae ghefaelt;
Den schipper, seer vaillandich,
Sprack tot den ghenen die hem droech:
t’Avont hebben sy turf ghenoech;
tWas een jongman verstandich.
De draghers waren half ghestoort,
Want sy wouden noch draghen voort,
Zy sochten ghelt om drincken,
Om dat by Vastelavont was,
Langde den schipper wt zijn tas
Drinckgelt om hen te schencken.
Capiteyn Argier met verstant,
Capiteyn Lambrecht seer vaillant,
Noch een vaendrich vercoren,
Twee luitenants hielden mee an;
Dees vijf waren daer hoofden van,
Om ’t crychsvolck te gaen voren.
Door hoesten ende niesen zwaer,
Wiert men haerlixebn bycans ghewaer,
Conden haer niet bestieren,
Den jongsten schipper, een vroom helt,
Heeft hem doen aent pompen ghestelt,
Om niet te hooren tieren;
De schiltwacht die riep, half verbaest:
Is daar volck by u dat soo raest?
-Zy hadden sulck propoosten,
Den jongman sprack, sonder vertreck:
Ick moet pompen, het schip is leck,
Hy hiet Adriaen Joosten.
Die vant casteel, seer wel bedocht,
Hadden nochtans het schip besocht,
Maer ten scheen niet te deghen,
Zy waren op het schip, tis waer,
Want die van binnen saghen haer,
Die doen wel stille zweghen;
tGhinck daer ghelijckt met Troye dee,
Die ’t griecksche peert in haerlixebn stee
Haelden, en zijn bedroghen,
Soo hebben oock die vant casteel,
Grootlicx tot haren achterdeel,
Dit schip selfs inghetoghen.
Tot tweemael in den selven nacht,
Baden sy tot God met aendacht,
Eer sy dit feyt aenvinghen,
Ten elf uren of korts daeraen,
Begonden zy wt tschip te gaen,
Om haer werck te volbringhen;
Twintich wasser wt ’t schip ghegaen,
Doe quam daer een Italiaen,
Men seyt om turf te stelen;
Die grepen sy al by den hals,
Sy dwonghen hem bescheet van als,
Maer ’t secreet kond’ hy helen.
Doe sy hem hadden by der keel,
Moest hy hun daer segghen, hoeveel
Volcx dat sy daer sterck waeren,
Hy seyd’ tweehondert twintich man;
Maer dese reys loogh hy daeran,
Meende hun te vervaren,
Zy vraechden hem daer voorder van,
Hy seyde hondert twintich man;
tVolck croop vast wt den schepe,
Zy dooden dien Italiaen,
Doen zijnse stoutlick voortghegaen,
Zy haddent wel begrepen.
Doen sy nu tsaem waren by een,
En hielden sy niet langh ghemeen,
Maer zijn stracx voortgheloopen,
Ses corps-de-garden waren daer,
De twee, die maeckten sy eerst claer,
Toghen doe in twee hoopen,
Met schieten, steken, houwen, slaen,
Soo zijnse voorts te werck gegaen,
Haer vyanden doorboorden;
Maer binnen thuys, opt selve pas,
Daer des gouverneurs soon op was,
Creghen sy met accoorden.
Als sy ’t casteel tot haren wil
Hadden, was in stadt groot gheschil,
Want sy d’een brugh afbranden;
Graef Maurits wert dees maer vertelt,
Die quam flucx aen met zijn ghewelt,
Den vyant vlood met schanden;
Doe wert van graef Hoxebnlo ghehoort,
Teghen de borghers een accoort,
Men soud’ hen niet pillieren,
Noch oock belasten met rantsoen,
Maer moesten zijn soldaten koen
Twee maenden sold fineeren.
Oorlof, ghy borghers altesaem,
Looft ende bidt des Heeren naem,
Dat hy doch wil bewaren
Den graef van Nassou, ’t edel bloet,
Oock al dees lants regeerders goet,
Dat sy moghen voortvaren
Met haerlixebn wel begonnen werck;
Al is de vyant noch soo sterck,
Godt sal victory gheven,
So wy hem dienen t’ alder tijt,
Eeren en beminnen met vlijt,
En naer zijn woort wel leven.

Een aantal woorden zijn voor mij moeilijk.
Als ik de tekst vaker lees komen er nog meer bij.
Een aantal heb ik geprobeerd op te zoeken:
gebenedijt = gezegend (Looft Godt met vreucht gebenedijt)
vaillant = dapper (Een jonge vorst vroom en vaillant)
lustich = enthousiast (Dit schip was lustich toebereyt)
looslick = ? (Den turf daer looslick opgheleyt)
intuitief zou ik zeggen iets als ‘losjes’ maar ik ben
op het internet geen betekenis tegen gekomen.
perijckel = gevaar (Die, met perijckel menichfout)
vercoren = verkozen (Noch een vaendrich vercoren)
haerlixebn = hun (Wiert men haerlixebn bycans ghewaer)
Volgens DBNL zijn de volgende woorden normale aanduidingen
wijlien voor wij,
onslien voor ons,
ghylien voor gij,
ulien voor u,
sylien en henlien voor hen
en haerlien voor hen.
propoosten = voorstellingen, uitvluchten.
Het is ook soms niet meer dan:
gesprek (Zy hadden sulck propoosten)bescheet = ?
(Sy dwonghen hem bescheet van als)
reys = keer (Maer dese reys loogh hy daeran)