Don

Uit mijn eerdere berichten over het boek ‘Cervantes & Co’
zou je misschien kunnen opmaken dat ik het geen goed boek vind.
Maar dat is niet het geval. Integendeel.

Ik ben niet overtuigd van de argumenten die Van De Pol
gebruikt om geen voetnoten op te nemen in de Don Quichot.
In haar vertaling van de don Quichot.
Ik krijg het gevoel dat ze daar zelf ook niet van overtuigd is, maar
daarnaast zegt ze nog een heleboel andere dingen.
Vooral over het vak van vertaler.

BarbarVanDePolCervantis&CoInPlaatsVanVoetnotenRuit

Barbar van de Pol, Cervantes & Co. In plaats van voetnoten.


Zo maakt de een vergelijking tussen een vertaler en een uitvoerend
muzikant. Raak getroffen, eenvoudig, maar heel toepasselijk:

Een vertaler is, voorzover het gaat om een literaire vertaler gaat, een uitvoerend kunstenaar, en dan iets als een musicus en dirigent ineen (daar is de muziek weer). Deze functies zijn, doorgetrokken naar de vertaler, niet gescheiden. Hij voert de regie over zijn eigen vertolking. Anders dan bij een musicus verschilt zijn materiaal niet van het materiaal van de maker die hij vertegenwoordigt. Een musicus of zanger vertolkt met zijn instrument of stem de in tekens vervatte partij, de klank of stem in spe van de componist. Een vertaler vertolkt met andere taal de kant-en-klare taal van een schrijver. Vandaar verder verwarring. Wat is het probleem? Je vertaalt toch gewoon wat er staat? Het was er toch al? Het was toch al taal?

Pagina 11.

Het volgende citaat geeft een gedetailleerde inkijk in de keuken
van het vertalen:

‘Knokt’ iemand in 1600 of ‘gebruikt hij zijn vuisten’; is hij wel eens ‘in zijn sas’ of is dat te populair voor een Spaans klassiek werk en is hij in mijn vertaling dan ‘vergenoegd’? Het lijkt op wild speculeren of proberen, maar een vertaler overweegt altijd heel veel meer dan hij uiteindelijk toelaat. Bestond het woord ‘machine’ (máquina) of ‘product’ (producto) al, toen, in het Nederlands (in het Spaans dus wel) en maakt het hoe dan ook kans in mijn vertaling? Er komt in de Quijote zelfs een ‘fábrica’ voor maar ‘fabriek’ zal niemand accepteren.

Pagina 66 was dat.

BarbarVanDePolCervantis&CoInPlaatsVanVoetnotenRuit02

Deze afbeelding is de omslagillustratie. Dit is vast een fragment van een afbeelding gemaakt door Gustav Doré.


Nog een dilemma op pagina 68:

Bij het vertalen van de Quijote doet zich een mooi voorbeeld voor van een oplossing die niet kan omdat dat Nederlands schatplichtig is aan deze zelfde Spaanse tekst. Ik lees Piet Meeuses essay over de Quijote in De Jacht op Proteus (Bezige Bij, 1992) en zie hoe Meeuse zegt dat Sancho Panza op een gegeven moment net als zijn baas ‘een klap van de molen krijgt’. Hij bedoelt het figuurlijk, want Sancho Panza krijgt niet letterlijk een wiek tegen zijn hoofd. Ik zou ‘een klap van de molen’ graag in figuurlijke zin in mijn vertaling gebruiken, want ik moet steeds niet-modieuze synoniemen voor gek-zijn verzinnen. Maar zoals we weten krijgt de beroemdste scene uit de Quijote de titelheld in vermeend gevecht met reuzen echt een ‘klap van de molen’, een gebeurtenis die pas later zinnebeeldig is gaan staan voor gek-zijn. In kan die uitdrukking dus onmogelijk in figuurlijke zin gebruiken en huiver om dezelfde reden voor zinnebeeldig gebruik van ‘malende’ en ‘malen’ en zeker voor gebruik van de uitdrukking ‘tegen molens vechten’. Dat zou helemaal een kanjer van een anachronisme zijn.
Ik heb Meeuse benijd toen ik hem onbekommerd die ‘klap van de molen’ zag gebruiken. Hij kon los van de tekst over die tekst spreken met een woordgebruik dat deels aan die tekst was ontleend. Hij vermeldt in zijn essay niet of hij zich bewust was van de eigenaardigheid van het geval.

BarbarVanDePolCervantes&Co

Het laatste fragment heeft minder met vertalen te maken
maar is te mooi om niet op te nemen:

De avonturen van Don Quichot zijn kolderiek genoeg, maar Cervantes presenteert ze op een manier die nog kolderieker is. Hij doet alsof een geschiedschrijver, niet hijzelf, een waargebeurd verhaal vertelt waarvan de rest ook nog eens wegraakt maar wordt teruggevonden op een markt. Vervolgens blijkt dat die rest in het Arabisch is gesteld, zodat er een vertaler aan te pas moet komen om er Spaans van te maken. Cervantes’ spelletjes met de zogenaamde historiciteit van zijn verhaal zijn je reinste slapstick, maar ze zijn functioneel. Ze maken de lezer aan het lachen vanwege het rare idee dat het inderdaad echt gebeurd zou zijn. Ze maken hem alert.
In deel II wordt het helemaal lachen want daar lopen de lezers van deel I en de boekhelden door elkaar heen en voeren gesprekken met elkaar, met alle metafysica, verwarring en hilariteit van dien. De literatuurlessen die terloops tussen de nonsens door tijdens discussies over de kwaliteit van deel I worden gespuid, zijn voortreffelijk. Alles wat over boeken en de waarde van boeken, en dan álle genres, gezegd kan worden, met argumenten voor en tegen, staat daar al, in spitse, actuele bewoordingen.

Wie wil dat nou niet lezen?

Don Quichot, ik kan beginnen

De laatste druk van Don Quichot is al weer een tijdje binnen.
Ik wil dit boek gaan lezen.
Het is een van die boeken die iedereen kent maar hoeveel mensen het boek
ook echt hebben gelezen?
Om me een beetje voor te bereiden, en omdat ik geïnteresseerd ben
in hoe mensen een vertaling maken, heb ik het volgende boek gekocht.
En gelezen dus.

BarbarVanDePolCervantis&CoInPlaatsVanVoetnoten

Barbar van de Pol, Cervantes & Co. In plaats van voetnoten. Tweede hands gekocht voor een hoog bedrag.


Laat ik beginnen met het eindoordeel:

ik denk dat Van de Pol beter kan vertalen dan schrijven.

Nu zit ik daar niet zo over in want de recensies zijn enthousiast.
Ik lees op dit moment ook een verhaal van Borges
dat ook door haar vertaald is. Lijkt me prima.

De argumenten die ze gebruikt om in Don Quichot geen voetnoten
op te nemen schieten hun doel voorbij.
Als het boek iets aantoont dan is het wel dat de vertaler een enorme
kennis van het boek in kwestie moet hebben, de literatuur van het
betreffende taalgebied moet kennen, dat de vertaler het boek moet kunnen plaatsen
in de traditie van het genre en kennis moet hebben van eerdere vertalingen,
mogelijk naar meerdere talen. Dat al die kennis bruikbaar kan zijn
bij het beter begrijpen door de lezer van het boek en dat de lezer
zelf wel kan uitmaken of hij gebruik wil maken van die kennis.
Door de opstelling van Van de Pol is de lezer niet in die positie.

De negen essays zijn wisselend van kwaliteit.
Zelf vond ik ‘Groteske als camouflage’ heel waardevol.

Op pagina 96 lees je bijvoorbeeld:

In Don Quichot wordt gespeeld en gespot met de wetten van de roman die pas later zullen ontstaan en voorschreven dat alles in een boek moet meewerken om een autonome wereld te creëren waarbij de lezer kan wegdromen, precies wat Don Quichot deed bij zijn ridderromans, en precies wat tv-kijkers nu doen bij hun soaps. In Don Quichot is geen sprake van zo’n illusie. Steeds wanneer je op een spoor zit of bijna opgaat in een romantisch verhaal, herinnert Cervantes je eraan dat het maar verzonnen is, dat het maaksel is. Dan stelt hij een schijnbaar onbelangrijk detail ter discussie, wat je uit je vers gesponnen cocon van identificatie haalt. Hij doet dat subtiel, zodat je lacht en je niet gebruuskeerd voelt.

Door het boek heb ik nog meer zin in Don Quichot gekregen.
Laat ik maar snel beginnen.