Het begijnhof in Breda

Gisteren heb ik wat foto’s gemaakt van onder andere het Begijnhof
in Breda.
De tekst die ik hierbij plaats komt van de web site
van het gemeente archief.
Ik heb de verwijzingen naar archiefstukken verwijderd.
Hier en daar een typefout aangepast.
De oude foto’s komen van de web site van het Breda’s museum.



Een foto van de begijnen gemaakt in 1966.

Het ontstaan van begijnhoven in de Nederlanden.
In de 12e eeuw ontstaat een beweging van religieuze vernieuwing,
die zich niet beperkt tot de geestelijkheid,
maar ook onder de leken een grote weerklank vindt.
Religieuze idealen als vrijwillige armoede en kuisheid
staan bij deze beweging centraal.
Nieuwe kloosterorden ontstaan.
In de 12e eeuw ontstaat bijvoorbeeld de orde van Premonstratenzers
ook wel genoemd Norbertijnen of Norbertinessen.

Dicht bij Breda is hier een voorbeeld van te vinden.
Zo kwam er in Antwerpen in 1124 het norbertijnenklooster Sint Michiels.
Dit was aanvankelijk een dubbelklooster voor zowel mannen als vrouwen.
Er zijn sterke aanwijzingen dat de vrouwentak in 1271 opging
in het door de heren van Breda gestichte Norbertinessenklooster Catharinadal.
Dit was eerst in Wouw gevestigd, later ging dit klooster naar Breda.

In de 13e eeuw kwamen de bedelorden van Dominicanen en Franciscanen op.



Vooral veel vrouwen voelden zich aangetrokken tot de nieuwe idealen.
Voor een deel konden deze vrouwen opgevangen worden
in de nieuwe kloosters, voor een ander deel bleven zij een gewoon leven leiden
in de wereld.
Zij kunnen namelijk niet allemaal opgenomen worden in de kloosters,
want de ene kloosterorde na de andere gaat zich verzetten
tegen opname van vrouwenkloosters in de orde.
Het stichten van vrouwenkloosters stagneert daardoor.
De vrouwen die geen onderdak in een klooster kunnen vinden,
of misschien zelfs niet eens willen, worden begijnen genoemd.
Zij leven individueel of in groepjes.
Een meer permanent karakter krijgt de begijnenbeweging
als er instellingen voor begijnen ontstaan,
de begijnhuizen en begijnhoven.
Deze instellingen worden in de Nederlanden voor het eerst vermeld
in het tweede kwart van de 13e eeuw.

De begijnhoven werden vaak gesticht door een landsheer,
een geestelijke of een rijke burger.
In 1240 stichtte een Gerardus de Werpa een hof te Antwerpen.
De begijnen die eerst in de omgeving van het hospitaal Klapdorp woonden,
kregen daarmee een definitieve huisvesting.
De begijnen van Brussel kregen in 1251 van de bisschop
toestemming op een hof te wonen.

Een centrale plaats binnen de nieuwe hoven
namen de hospitalen of ‘infirmeriexc3xabn’ in.
De infirmerie was bestemd voor de huisvesting van arme en zieke begijnen.
Later werden soms ook vrouwen van buiten toegelaten in de infirmerie.
Voor een bepaald bedrag konden deze opgenomen worden in de infirmerie.

Direct gekoppeld aan de infirmerie was een kapel.
De stichting van een beneficie of altaar in de kapel
werd gebruikt om een eigen priester te kunnen aanstellen.
In Gent werd in het jaar 1235 een kapelanie gesticht
op het begijnhof door Johanna van Constantinopel.
Reeds een jaar later werd er een priester benoemd.
Het hofje in Antwerpen kreeg in 1245 een eigen priester.

Breda past goed in het patroon van de andere hoven.
Het werd gesticht in 1267 door de heer van Breda.
In de stichtingsakte wordt een kapel met kerkhof nadrukkelijk genoemd.
Een infirmerie wordt in de stukken pas genoemd op 18 juli 1343.
Het is dus onduidelijk of er van het begin af aan
een infirmerie op het hof was.



Het Begijnhof wordt op dit moment gerenoveerd.

Stichting van het Bredase hofje
Al voor 2 maart 1267 woonden er begijnen te Breda.
In dat jaar gaf heer Hendrik van Breda de grond
waarop ze woonden aan hen in volle eigendom.
Ze kregen bovendien toestemming op die grond een kapel
met kerkhof te stichten.

De grond die de begijnen toen in eigendom kregen
lag tussen het kasteel van de heer en de stad.
Het hof lag net buiten de toenmalige stadsmuren.
In een akte uit 1296 wordt gezegd dat het hof tegen Breda aanlag (xe2x80x98apud Bredaxe2x80x99)
Of heer Hendrik of zijn voorganger Godfried
de begijnen naar Breda heeft gehaald, is niet zo duidelijk.
Bij deze schenking moet eerder aan Godfried IV
gedacht worden dan aan zijn zoon Hendrik.
De gift paste geheel in Godfrieds overdaad aan schenkingen,
gedaan op zijn sterfbed in Schoten;
een welwillendheid die zijn erfgenamen sterk zou verarmen.

Verbrokkeling domein
De royale schenking van grond aan de Caterstrate was
in het licht van wat de gevolgen waren
raadselachtig en amper in zijn welbegrepen eigenbelang.
Hij dreef door die schenking immers een wig
tussen het centrum van zijn domein en de bijbehorende bedrijfsruimten.
Vermoedelijk, omdat hij niet in Breda resideerde,
had hij wat minder oog voor de moeilijkheden,
die een dergelijke verbrokkeling van het domein
op die plaats met zich mee konden brengen.
Zeker na de aanleg van een stadswal in diezelfde periode
bleef hem slechts een smalle corridor als verbinding
tussen zijn castellum en zijn agrarisch centrum,
dat voortaan achter het begijnhof in de hovinge Valckenberge lag.

Begijnen geven percelen in cijns uit
Ofschoon het geschonken land aan de Caterstrate lag,
hebben de begijnen zich van die straat afgewend
door een brede strook grond erlangs in erfcijns aan poorters uit te geven.
Daarachter lieten ze de beghinengracht graven als afscheiding van hun hof.
De opbrengst van die uitgifte was mede bestemd
voor het onderhoud van de begijnen.
Uit de cijnsregisters van het begijnhof uit 1400 en 1427 blijkt
– in combinatie met de gegevens verkregen uit de vestbrieven xe2x80x93
dan ook dat de begijnen cijnzen hieven van een aaneengesloten reeks percelen,
gelegen ten zuiden van hun hof aan de Caterstrate
en aan wat later heette het Kasteelplein.
Waar het begijnhof ophield en het gebied van de heer begon,
was herencijns verplicht.
De scheiding tussen beide cijnsblokken was messcherp.

Beghinenstrate
De uitgifte van percelen langs de Caterstrate
had wel tot gevolg, dat de ingang van het begijnhof
kwam te liggen aan de Beghinenstrate.
Of zij die ‘zijstraat’ hebben aangelegd of dat daar al een weg liep
naar de burcht, kan alleen door archeologisch onderzoek worden aangetoond.
De straatnamen Beghinenstrate en Borchtstrate komen pas voor
in bronnen uit de veertiende en vijftiende eeuw.

Meer dan drie jaar later bevestigt de bisschop van Luik
het recht van de begijnen om een kapel met kerkhof op te richten.
Er is dan sprake van de xe2x80x98novella congregatio beginarumxe2x80x99
(nieuwe begijnencongregatie) wat er op wijst
dat het hof nog niet lang bestond.
De begijnen hebben het recht een eigen kapelaan te hebben.
Voor de kapelaan en het kerkhof moeten wel de bestaande rechten
van de parochiekerk gerespecteerd worden.

De kapel moet spoedig zijn opgeleverd, want in 1291
is er al sprake van een kapel gewijd aan de heilige Catharina op het begijnhof.
Vier jaar later jaar verleent het bidom Luik een aflaat
van 40 dagen aan hen, die op verschillende kerkelijke feestdagen
de kapel bezoeken.
Een aflaat zorgde ervoor dat de persoon een bepaalde tijd
korter in het vagevuur zou moeten doorbrengen na zijn dood.
Een aflaat zou
het bezoek aan de kapel bevorderen
en hiermee zorgen voor een regelmatige inkomstenstroom van giften van bezoekers.

Ketterijen
Kort daarna breekt er een moeilijke periode aan voor de begijnhoven in heel Europa.
In 1311 worden de begijnen verdacht van ketterse sympathiexc3xabn en veroordeeld.
De bisschop van Luik blijft de Bredase begijnen steunen.
In 1326 verleent hij hen nog eens een extra aflaat
voor bezoekers aan hun kapel.
Vier jaar later, in 1330, pleit de bisschop van Luik
hen definitief vrij van ketterse sympathiexc3xabn na een grondig onderzoek.

Een eigen kapelaan en begraafplaats
De relatie tussen begijnhof en parochiekerk was bij de stichting
niet duidelijk geregeld.
De bisschop van Luik had in 1270 de begijnen het recht gegeven
op een eigen kapelaan en een begraafplaats.
Daarbij was duidelijk gezegd dat zij de rechten
van de parochiekerk van Breda moesten respecteren.
Pas in 1343 keurde het kapittel een reeds bestaande overeenkomst
tussen begijnhof en pastoor goed.
Deze regeling hield in dat het hof als vergoeding
voor het laten begraven van begijnen en anderen op het hof
aan de pastoor jaarlijks 9 groten betaalde.
De begijnen kregen het recht zelf een kapelaan te kiezen
voor hun geestelijke zorg.
Al eerder, in 1301, had een Engelbrecht van den Einde
een altaar gesticht in de kapel van de begijnhof.
Met de inkomsten van dit altaar kon een kapelaan betaald worden.
Het kapittel van Breda had het recht een kapelaan
aan dit altaar te benoemen.
Uit een latere bron weten we dat de inkomsten van het altaar
20 veertelen rogge bedroegen en 7 gulden.



Datum van de foto is bij mij onbekend.

Huizen op oude hof
In het jaar 1480 bevatte het hof 16 huizen
bewoond door 37 personen.
Omstreeks 1500 breidde het begijnhof uit met een nieuwe poort
en enige daaraan grenzende woningen.
Ook de rekeningen bevatten vele posten die
op grote bouwactiviteit wijzen in deze periode.
Er werd onder andere een nieuwe kerk gebouwd.
In 1526 telde het Begijnhof 22 huizen.

Verplaatsing in 1527
Graaf Hendrik III van Nassau (1504-1538) maakte grootse plannen
om zijn kasteel uit te breiden en te maken tot een echt renaissancepaleis.
Voor de uitvoering moest het begijnhof, dat voor tegen de burcht aan lag,
verplaatst worden.
Reeds in 1527 vonden er onderhandelingen plaats tussen de graaf en de begijnen.
Er werd besloten het hof te verplaatsen naar het oostelijke deel
van het Valkenberg, de plaats waar het zich nu nog bevindt.
De stadsbrand van 1534 die grote delen van Breda verwoestte,
heeft waarschijnlijk het nieuwe hof niet geraakt.
Reeds in juli 1535 verhuisden de eerste begijnen.
De bestaande Wendelinuskapel ging functioneren als eigen kerk.
Graaf Hendrik van Nassau liet een muur bouwen van de gesloopte stadsmuren
tot aan de Catharinastraat.
Deze muur werd gebouwd met de stenen die waren vrijgekomen
van de sloop van het ‘huys Valckenberg’.
Het restant van dit materiaal mochten de begijnen gebruiken
voor de bouw van hun huizen.
Voor de bouw van zeven huisjes stelde graaf Hendrik 300 Rijnse guldens beschikbaar.
Het metselwerk duurde meer dan 15 weken.
Er moesten voor 23 begijnen huizen gebouwd worden.
In 1536 werd al begonnen met de aanleg van een tuin
en een bleekveld.
De begijnenhuisjes waren oorspronkelijk eenlaags.
In elk huisje was plaats voor twee begijnen.
Een huis bestond uit een woonkeuken met stookplaats,
een kelder met tongewelf en een opkamer met stookplaats.
Pas in de 18e eeuw zijn de huisjes met een verdieping verhoogd.
Waarschijnlijk is dit perceelsgewijze gebeurd,
wat de verticale bouwnaden in de voorgevels verklaart.

De ingang van het Begijnhof lag aanvankelijk in het Valkenberg,
daar waar nu de westmuur een sprong buitenwaarts maakt.
Rechts van de poort sloot een noordzuidwaartse muur
op de traptoren van de Wendelinuskapel aan.
In 1544 lieten de meesteressen van het hof drie huisjes bouwen
voor die Valkenbergse poort en tegenover de westgevel van de Wendelinuskapel,
op een rijtje van noord naar zuid.
In 1574 kwam de hoofdpoort aan de Catharinastraat te liggen.
De oude poort werd een ondergeschikte zijpoort.
Rechts van de nieuwe ingang kwam de pastorie te liggen.





Beeld van begijntjes in de kruidentuin.

De hervorming
De Beeldenstorm (1566) en de eerste periode van de opstand (tot 1590)
zijn de begijnen zonder veel schade doorgekomen.
Bij de Spaanse furie van Haultepenne (1581) kon plundering
tegen de kapitale som van 500 Rijnse guldens worden afgekocht.

Eerst toen in 1590 Breda door middel van de list met het turfschip
door prins Maurits was veroverd kwamen er moeilijkheden.
De Wendelinuskapel kwam in protestante handen
en werd omgedoopt tot Waalse kerk.
Charles de Hxc3xa9raugixc3xa8re, de aanvoerder van de manschappen in het turfschip
en door prins Maurits benoemd tot gouverneur van Breda,
werd buurman van het begijnhof .
Ondanks de bescherming van Maurits heeft hij de begijnen
nogal wat last bezorgd

Tussen 1590 en 1625 werd op het Begijnhof wel nu en dan de mis gelezen.
Waarschijnlijk gebeurde dit in de infirmerie (de ziekenzaal).
Tijdens het Spaanse tussenbewind (1625-1637) werd
de Wendelinuskapel weer begijnenkerk.
Ook na de herovering door Frederik Hendrik bleef dit zo.
Pas na de Vrede van Munster (1648),
gevolgd door het plakkaat van 16 juni 1648,
waarbij aan alle katholieke geestelijken het verblijf in Staats-Brabant werd verboden
en alle katholieke kerken en kapellen gesloten werden verklaard,
maakte een einde aan deze situatie.
Op 13 juli werd de begijnenkerk gereformeerd.
Op 3 januari 1649 vernieuwde prins Willem II de sauvegarde voor het Begijnhof.
Hij bepaalde tevens dat de toegang van de Waalse kerk
naar het Begijnhof moest worden dichtgemetseld en vervangen
door een nieuwe ingang aan de straat voor de Waalse kerk.

Dit betekende een definitieve scheiding tussen Wendelinuskapel en hof.
De begijnen richtten daarom drie woningen
die tegen de Wendelinuskapel aangebouwd waren
zo goed mogelijk in als kapel.
Een van deze woningen fungeerde voor deze tijd als infirmerie.
Deze drie huizen werden van hoge ramen voorzien.
In deze noodkerk werden tot 1838 de godsdienstoefeningen gehouden.



Schets van de noodkerk met hoge ramen.

Exc3xa9n van de zorgen in de 17e eeuw was het onderhoud van de pastoor.
Voordien had het hof geen eigen op het hof wonende pastoor.
De diensten werden toen verricht door de kapelaans van de beneficies,
die echter vaak ‘pastoor’ genoemd werden.
Doch de sauvegardes verleend door de heren van Nassau,
waarbij alle bewoners waren inbegrepen,
hadden tot het begrijpelijke gevolg dat de dienstdoende priester
zich op het Begijnhof kwam vestigen om veiliger te zijn
voor de maatregelen van het Staatse bewind.

In de eerste tijd verzorgde de Franciscaan Petrus Jeghers echter ook
de geestelijke belangen van de katholieken in de stad.
De meesteressen vonden dit blijkbaar ongewenst.
Zij trachtten de inkomsten van de beneficies bijeen te voegen
voor het onderhoud van een eigen begijnenpastoor.
En met succes.
Hun eerste afzonderlijke pastoor was Nicolaus van Milst (1674-1706),
die ook
als volksdichter van stichtelijke poxc3xabzie bekendheid heeft verworven.

In de 18e eeuw werd een ernstige poging gedaan
om het begijnhof te laten verdwijnen.
Op 12 maart 1731 werd een plakkaat uitgevaardigd,
waarbij o.a. werd bepaald dat er geen novicen mochten worden aangenomen.
Een hernieuwing van dit verbod volgde nog in 1732.
Pas in 1747, toen weer een Oranje als stadhouder was aangesteld,
werden de pogingen om opheffing van het verbod te krijgen
met succes bekroond.

Franse periode
Onder het bestuur van de Republiek genoten de Bredase begijnen
het voorrecht dat zij haar gebruikelijke kleding ongehinderd mochten blijven dragen.
Doch toen na de omwenteling de Representanten van Bataafs Brabant
het dragen van geestelijke ordeskleding verboden,
verklaarde de municipaliteit dat dit verbod ook van toepassing
moest worden geacht voor de begijnen.
In 1798 gaf toen Adrianus Oomen, xc3xa9xc3xa9n der vicarissen van het bisdom Antwerpen,
toestemming aan de begijnen zich buiten het begijnhof zodanig te kleden
dat er geen verdere moeilijkheden met de burgerlijke overheid
meer konden ontstaan.
Deze toestemming werd in 1814 ingetrokken.

19e eeuw
In de 19e euw beleefde het Begijnhof een laatste opbloei.
Een opvallend symptoom daarvan was de vernieuwde bouwactiviteit.
Tussen 1836 en 1838 werd onder toezicht van de Rijkswaterstaat
achter op het hof de St. Catharinakerk gebouwd.
In 1850 volgde, naast de huidige pastorie, die in 1886 en 1911 nog werd uitgebreid.
Tussen 1860 en 1863 werd de laatste grote verandering aangebracht.
Toen werd het zogenaamde ‘buitenhof’ gebouwd,
bestaande uit negen nieuwe huisjes.

20e eeuw
De Bredase begijnengemeenschap is nu uitgestorven.
Een laatste poging om nieuwe leden aan te trekken dateert van omstreeks 1930.
De bedoeling was jonge meisjes aan te trekken
die zich verdienstelijk zouden maken in de gezinszorg.
Dit werd echter geen succes.
Na de tweede wereldoorlog is besloten geen novicen meer aan te nemen.
In 1966 waren er nog elf begijnen op het Bredase begijnhof.
De laatste overste, A.M.A. Holtzer overleed in 1972.



Meesteressen
Het begijnhof stond rechtstreeks onder de bisschop.
De bisschop moest de statuten formeel goedkeuren,
kon een visitatiebezoek houden
en hij moest de keuze van de meesteres bevestigen.
In het begin van het ontstaan is er sprake van xc3xa9xc3xa9n meesteres.
Vanaf de 14e eeuw is er meestal sprake van twee meesteressen.
De meesteressen werden ieder jaar gekozen door de begijnen.
In de 17e eeuw werd het aantal weer teruggebracht naar xc3xa9xc3xa9n,
gekozen voor een periode van drie jaar.
In 1781 ging de verkiezing als volgt in zijn werk:
op 19 april verkondigde de pastoor van de begijnen
dat er de volgende dag om 10 uur een verkiezing zou plaats vinden.
Die dag kwamen de begijnen na de mis samen in de zaal, galerij genaamd.
De twee oudste zusters mochten eerst ieder twee stemmen uitbrengen.
Hierna maakte de bisschoppelijke afgevaardigde in de kerk bekend
dat zuster Catharina Turbiez gekozen was tot meesteres.



Foto uit 1920 met daarop een Meesteres of Moeder Overste: Maria Jansen.

De begijnen
Volgens de statuten opgesteld op 4 december 1516
moest een vrouw of meisje die begijn wilde worden
aan de volgende voorwaarden voldoen:

van de goede naam en ongehuwd
ze moest een jaarlijks inkomen hebben van minstens 16 lopen rogge
minimum leeftijd 13 jaar
De bewoonsters van het hof moesten,
behalve na opname in de infirmerie, zelf in hun inkomen voorzien.

Uit de literatuur zijn voor begijnen de volgende inkomstenbronnen bekend:
textielnijverheid, kosterstaken, ziekenzorg, onderwijs
en bidden voor de overledenen.
In Breda zijn aanwijzingen
voor deze verschillende inkomstenbronnen terug te vinden.
Textiel:
uit de statuten, opgesteld 3 april 1510,
blijkt dat de begijnen vroeger een inkomen hadden uit het noppen.
Noppen van laken is het herstellen van weeffoutjes
en het verwijderen van steentjes en strootjes.
In de tijd dat deze statuten opgesteld werden
was het noppen in onbruik geraakt (‘dwelc nu uter ghewoonten is’).
In 1510 was het maken van kussens populairder geworden als broodwinning.
In de statuten werd bepaald dat personen van buiten het hof
niet mochten assisteren bij dit werk.
Als argument wordt gegeven dat de omgang met wereldlijke personen
de begijnen maar op verkeerde gedachten zou brengen.
Het is echter ook bekend dat ambachtsgilden de activiteiten
op de hoven scherp in de gaten hielden.
Begjinen hoefden geen belasting te betalen
en vormden zo oneerlijke concurrentie.
Kosterstaken
Uit een rekening van het Bredase kapittel,
opgesteld in 1489, blijkt dat een ‘Janneken der baghyn’
alle kleden die bij het koor en het altaar van de Grote kerk hoorden
gewassen had.
Ze had dit gedaan tussen kerstmis en St. Jan (24 juni)
en ontving voor haar werk een vergoeding van 2 Rijnse gulden.
Het jaar daarop kreeg ze voor hetzelfde werk 30 stuivers.
Het jaar daarop werd dit waswerk overgenomen door Hilleke,
de zuster van de koster.
Ziekenzorg:
Een aantal punten in de statuten van 1516 wijst
in de richting van een actieve rol hierin.
In artikel 31 werd bepaald dat begijnen buiten het hof mochten slapen
om zieke mensen bij te staan.
Daar was dan wel toestemming van de meesteres voor nodig.
Werd die toestemming niet gevraagd dan kon een boete
van twee oude groten gegeven worden.
Onderwijs:
Weer volgens de statuten van 1516 was het begijnen toegestaan
aan kleine kinderen les te geven.
Hiervoor moest wel toestemming gevraagd worden aan de meesteres.
De inkomsten van deze schooltjes zouden toevallen aan de zusters
die in het begijnenconvent leefden (Statuten 1510).
Ook later bleven de begijnen onderwijs geven aan kleine kinderen.
Bidden voor overledenen:
Vanaf het eind van de 15e eeuw gingen de begijnen
de overledenen ieder jaar gedenken.
Deze verplichtingen werden in een jaargetijdenregister opgetekend.
Van de 189 jaargetijden werden er 91 afgewerkt in de kapel van het hof,
het andere deel in de nabijgelegen Grote kerk.
Daar werd meestal de grafzerk bezocht, een kleed op zerk gelegd,
kaarsen aangestoken en de boetpsalmen gezongen.
In de 16e eeuw leverde deze dienstverlening 44 Rijnse gulden per jaar op.



Ook aan de buitenkant van het begijnhof wordt op dit moment gewerkt.

Water terug in de stad

Op zondag was het ook nog feest.
Ik ben ’s middags door de stad gelopen.
Natuurlijk weer met een camera.
De resultaten:

Het was ook op zondag erg druk.
De winkels waren trouwens ook open.


En soms scheen de zon.




De Hoge brug.

Maar de wolken bleven niet weg.
Achteraf blijkt dat we erg veel geluk hebben gehad.
Het is bijna het hele weekend droog geweest.
En als het regende was het niet veel.
Dat was op andere plaatsen wel anders.




Maar net voor het optreden van Corrie en Vader Abraham
werd het weer even beter weer.






Daar bij dat kleine cafe aan de haven….

Vanaf volgende week gaan we genieten van de Haven
met een normale drukte.

Water terug in de stad

Foto’s van gisteravond.
Het was erg druk.
Tot heel laat.



We lopen in de richting van de Hoge brug.



Spinola met het Spanjaardsgat.



Deze panden zijn net opgeknapt en
vandaag in gebruik genomen als restaurant.

Druk.



De nieuwe Tolbrug.



Het podium vanaf de nieuwe Tolbrug. Het programma moet nog beginnen



Hier zit de sfeer er al goed in.



Bij de Huysluy ook.



En drukker.



Het programma is begonnen.
We zien en horen te weinig en vatten het plan op
om op de schermen te gaan kijken.




Scherm op de Havermarkt.



Scherm op de Grote Markt.





Met vuurwerk sluit het officiele deel af.

Eerste foto's Havenfeesten

Het weer zit niet mee.
Op het nieuws zagen we vanmiddag beelden uit Amsterdam.
Daar was het stralend weer.
Hier in Breda blijft het maar bewolkt.
Helaas geen zon te zien.
Toch was het al behoorlijk druk aan de nieuwe Haven.





Vreemd nautisch apparaat.







Water onder de Tolbrug. Hoe doen ze dat toch ?



Fase twee is nog in volle gang.



Zo doen ze dat dus.
Onder de Tolbrug is een klein waterreservoir gemaakt.
Daar wordt constant water ingepompt (zie slang die over houten wand hangt)
dat vervolgens vanzelf de nieuwe Haven in loopt.


Water terug in de stad

Via, via , via kwam ik op het Internet het volgende bericht tegen
over onderzoek dat blijkbaar in Breda
plaats vindt op de plaats van de tweede fase van de nieuwe Haven.


Verrassende vondsten aan de Nieuwe Weg
[Bron: Blik op Nieuws, 13 juni 2007]

Vrijdag 1 juni is aan de Nieuwe Weg in Breda op de plaats
van de voormalige Satxc3xa9hut, archeologisch onderzoek gestart.
Onder de betonnen vloer van het pand werden
een aantal interessante sporen gevonden.
Het opgravingsterrein ligt van oorsprong op de achtererven
van de huizen aan de Tolbrugstraat die aan de achterzijde
door de stadsmuur begrensd werden.
Na de sloop van de muur werd de Nieuwe Weg aangelegd
waar langzamerhand allerlei bebouwing langs kwam te staan,
vaak met een industrieel karakter.

Op het ogenblik worden er onder de vloeren en funderingen
van de gesloopte bebouwing al oudere sporen aangetroffen.
Een tweede punt dat het onderzoek interessant maakt
is dat diagonaal over het terrein misschien nog funderingen en vloerresten
aanwezig zijn van de voormalige schuilkerk
die in de 17e eeuw hier gevestigd werd in een nog veel oudere brouwerij.

Verder in het onderzoek bleek dat er onder een deel van het terrein
oudere bebouwing aanwezig is.
Zo werd er al een kelder en een oven uit de 17e of 18e eeuw blootgelegd.
Vooral de oven wordt op dit moment nauwkeurig onderzocht door een specialiste.
Het vermoeden bestaat dat het een zgn. brouwersoven is
waar de brouwketel op de juiste temperatuur werd gehouden.

Wellicht zijn de volgende foto’s van de genoemde plaats:





De Nieuwe Haven aan de vooravond van de opening.



Deze kant van de Nieuwe Prinsenkade is bijna twee jaar afgesloten geweest.
Een foto maken vanuit deze positie van het Spanjaardsgat
was dan ook lang onmogelijk.



De Spinola op zijn nieuwe ligplaats.



De nieuwe Hoge brug.



Het podium in voorbereiding van de festiviteiten van morgen.



De Spinola met rechts hun nieuwe kadeterras.



Het kadeterras in detail.



Een van de oudste gebouwen van Breda in restauratie: cafe het Klapkot.



Haven nummer 14.





Het Anker, Haven nummer 4.



De nieuwe Tolbrug.



Met gedicht:

Je ziet reeksen water komen, hoort de tongen samengaan.
Of ze geliefden zijn, zo praten zij, die alle taal verstaan.



De Trapkes.



Het Anker, Haven nummer 4. Zie de schoorsteen en het ijzerwerk.







Alle horeca is in rep en roer en zet het beste beentje voor.



Het stadhuis versierd.







Iedereen oefent nog even voor morgen.



Moderne kunst of is de aannemer nog iets vergeten ?



Ik denk dat deze stenen ook vergeten zijn.
Ik hoop dat die morgenochtend nog worden weggehaald.
Ze zijn het gevolg van het asfalteren, vandaag, van een kleine strook.





Deze staan al klaar om de weg af te zetten,
sinds carnaval zijn ze niet meer in actie geweest.



Water terug in de stad: ARCHIVARIA

…vervolg en laatste deel:

Gedeeltelijke dempingxe2x80xa6

De Haven boette meer en meer in op zijn betekenis voor de scheepsvaart.
In 1940 is het dan zover:
men begon in oorlogstijd een deel van rivier de Mark
binnen de singels te dempen, vanaf de Tolbrug richting Marksingel.
Hier verrees een jaar later de Markendaalseweg.
Hoe de Haven zou moeten veranderen, is vastgelegd in een maquette uit 1941.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden plannen
voor een vervolg van de demping.
Nu kwamen er wel protesten, onder meer van Bond Heemschut.
De burger was immers mondiger geworden.
Actie kwam er eveneens tegen een nieuw verkeersplan,
de zogenaamde City-ring, die onder andere
dwars door het Valkenberg zou lopen en historische panden
aan de Catharinastraat zou doen verdwijnen.
Er was een klimaat ontstaan voor maatschappelijk protest.
De Heemkundige Kring trok inderdaad fors aan de bel.
De voorzitter van een studiecommissie, J. van Hooydonk,
formuleerde in 1957 dat de historische Haven behouden diende te blijven,
omdat het verdwijnen ervan esthetisch een gevoelig verlies zou betekenen.
Het element xe2x80x9cwaterxe2x80x9d in het stadsbeeld was immers te waardevol.
Hij pleitte zelfs voor een gedeeltelijke reconstructie
van het reeds in 1940 gedempte tracxc3xa9 van de Mark.

Voortaan een Gedempte Havenxe2x80xa6

Het probleem van stilstaand water is, dat er stank ontstaat,
zo ook in de Haven.
Dit probleem kon echter opgelost worden
door de directe rioolverbinding Breda-Moerdijk.
Volgens Bond Heemschut raakte men immers steeds meer overtuigd
van de noodzaak om het groeiende verkeer om de oude stadskern te leiden
in plaats van er doorheen.
Ondanks een officieel bezwaarschrift van Bond Heemschut bij de regering,
in 1963, viel toch het doek voor de Haven.
Deze laatste Bredase stadsgracht verdween toen in maart 1964 gestart werd
met de feitelijke demping.
Het karwei zou ruim twee jaar duren.
Op de vrijgekomen grond kwamen een ondergrondse parkeergarage,
een benzinestation, een snackbar en een geasfalteerde autoweg.
Op het eind van de jaren zestig volgde nog de sloop van de kathedraal
aan de Prinsenkade, de Sint Barbarakerk.
Een braakliggend terrein was het resultaat,
dat pas twintig jaar later invulling vond.
Of er inderdaad een nieuwe rivier komt in Breda is een vraag
die nog niet beantwoord kan worden.
Nog voor de eeuwwisseling echter neemt de Bredase gemeenteraad
een principebesluit over de zogenaamde Oost-West-Flank,
waarin ook de rol van water in Breda is opgenomen.
Uiterlijk in 2002, of zoveel eerder als mogelijk is, zal er sprake zijn
van een eventuele terugkeer van water in het Bredase stadshart.

Naschrift:
Het is nu inmiddels 2007.
Morgen zal de haven officieel geopend worden.
Het karwei is nog niet af, maar de opening van dit eerste deel
mag er zijn.
Nu maar hopen dat het morgen wat beter weer is.
Dan wordt het vast een groot feest.



Water terug in de stad: ARCHIVARIA

…vervolg:

Grootse veranderingenxe2x80xa6

De negentiende eeuw bracht verandering op verandering.
Van immens belang voor Breda bleek de aanleg van het spoor
en de komst van een station.
In 1855 was de spoorlijn Breda-Roosendaal gereed
en in 1863 die naar Tilburg.
Twee jaar later viel het besluit om de vesting Breda
niet langer te laten voortbestaan gezien
de defensieve ontwikkelingen in Zuid-Nederland.
De stad hoefde niet langer bekneld te blijven door de vestingwerken.
De ontmanteling ervan duurde jaren, van 1869 tot 1881.
Alle stadspoorten verdwenen.
Het water van de Mark stroomde voortaan in Singels om de stad heen.
De demping van de Oude Vest volgde in 1863
en ook de demping van de Mosselkreek, de Donk en de Gampel
liet niet lang meer op zich wachten.
Passagiers reisden voortaan veelal per trein
en konden langs de Willemstraat en door het Valkenberg
op eenvoudige wijze de stad bereiken.
Het goederenvervoer verliep vanouds via de Haven.
Toen echter in 1877 de Nieuwe Prinsenkade werd aangelegd,
verplaatsten deze activiteiten zich geleidelijk
naar de nieuwe kadeplaats aan deze straat.
Ook aan de Markkade bij het suikerfabriek
en aan de Tramsingel meerde menig schip af.
Zowel aan de Haven als aan de Prinsenkade verschoof het accent
naar chique en duur wonen.
Voorzichtig signaleren we een kentering in de betekenis
van het vervoer over water in Breda.

Bouwen aan de toekomstxe2x80xa6

Vanaf 1920 neemt de invloed van de automobiel in Nederland langzaam toe.
Ook Breda en omgeving raakten in de ban van snelle,
gemotoriseerde vervoermiddelen.
Infrastructurele aanpassingen werden noodzakelijk:
al in 1934 maakte men het plan voor een nieuwe autoweg
van Moerdijk naar Antwerpen.
Koningin Wilhelmina opende op 12 december 1936 de autobrug
over het Hollands Diep bij Moerdijk.
En het tracxc3xa9 voor de huidige Zuidelijke Rondweg van Breda
zag het daglicht in 1937 als verbinding tussen Antwerpen enerzijds
en Tilburg en Utrecht anderzijds.
Toch had deze nieuwe mobiliteit voornamelijk betrekking op personen.
Het transport van goederen gebeurde nog hoofdzakelijk
per trein en per schip.
In de Belcrum was in 1923 een nieuwe haven aangelegd.
Plannen om de historische Haven en de Mark te dempen
werden voor het eerst verkondigd door burgemeester Van Slobbe
in het kader van een nieuw verkeersplan voor Breda,
de zogenaamde Noord-Zuid Doorbraak.
Dit plan dateert van 1937: het Spanjaardsgat zou nog
door water omgeven blijven, maar op een gedempte Haven
zou bijvoorbeeld markt gehouden kunnen worden.
Over verzet tegen deze plannen werd niet gerept.

…wordt vervolgd.

Water terug in de stad: ARCHIVARIA

…vervolg:

De aanleg van de Prinsenkadexe2x80xa6

Op 20 juli 1613 besloot het stadsbestuur dat de nieuwe kade
die op dat moment tegenover de Haven werd aangelegd,
voortaan de xe2x80x9cPrincenkaayxe2x80x9d zou heten.
Deze naam verwijst naar de eerstesteenlegging van de kademuur
door de toenmalige heer van Breda en prins van Oranje, Philip Willem,
de oudste zoon van Willem van Oranje.
De aanleg van de Prinsenkade stond niet op zichzelf,
maar maakte deel uit van een project om het onbebouwde,
maar binnen de wallen gelegen gebied rond de Haagdijk te ontsluiten
met een netwerk van nieuwe straten.
Helaas kwam er niet veel van het project terecht:
in 1621 kwam er een eind aan het Twaalfjarig Bestand
en begon de Tachtigjarige Oorlog opnieuw.

De Haven in de Gouden Eeuwxe2x80xa6

De Haven ontwikkelde zich in de loop van de zeventiende eeuw
tot een centrum van aan- en afvoer van zowel goederen als personen.
Beurtschippers uit Amsterdam, Zaandam, Gouda, Den Haag,
Rotterdam, Schiedam, Dordrecht, Gorinchem, Middelburg en Zierikzee
meerden af aan de Haven of de Prinsenkade.
Tot ver in de negentiende eeuw was dit het punt waar de reiziger
uit het noorden onze stad binnenkwam.
De directe omgeving groeide in deze ontwikkeling mee.
Het Kasteel was al eerder, in opdracht van Hendrik III van Nassau,
tot renaissancepaleis verbouwd.
Het Spanjaardsgat, een onderdeel van de versterking van het kasteel uit 1509,
was het aanzien waard.
De kades van de Haven en Prinsenkade waren beplant met bomen
en de huizen aan beide zijden moeten fraai geweest zijn.
Er stonden nogal wat bierbrouwerijen.
Verschillende van deze huizen bestaan nog,
zoals de voormalige bierbrouwerijen Het Anker aan Haven 4
en De Witte Leeuw aan Haven 20.



Breda, voordeur van De Haven nummer 4.

Op het eind van de zeventiende eeuw worden de vestingwerken
ingrijpend gemoderniseerd.
Ook het kasteel naderde zijn voltooiing.
Beide projecten waren een initiatief van stadhouder Willem III.
Maar, na de overgang naar de achttiende eeuw raakte het garnizoen in verval.
Breda werd een stille provincieplaats.
Door de verzanding van de Mark en Dintel
kwam ook nog eens de handel in de problemen.
Men maakte plannen om een kanaal te graven van Moerdijk naar Breda.
Ook moest er een steenweg van Breda naar Luik komen.
Beide plannen verzandden echter in het niets.

…wordt vervolgd.

Water terug in de stad: ARCHIVARIA

…vervolg.

Het ontstaan van een Havenxe2x80xa6

Breda was vanuit Holland bezien de toegangspoort tot het
noordwestelijk deel van het Hertogdom Brabant.
Stilaan ontwikkelde Breda zich tot een bescheiden handelsstad.
Scheepvaartverkeer kon de stad bereiken en aanleggen,
hoogstwaarschijnlijk op de plek van de latere Haven.
Zeker is, dat in 1552 begonnen werd met de bouw
van een gemetselde kade van blauwe Naamse steen.
Volgens de achttiende-eeuwse geschiedschrijver Thomas Ernst van Goor
was de Haven

xe2x80x9cvan eene aanmerkeleyke lengte en breedte,
aan beide zyden verciert zynde van eene schoone kade
met lindeboomen beplantxe2x80x9d


Slechts de stadszijde had een kademuur.
Aan de overzijde, de latere Prinsenkade,
lag een blekerij die aan het water grensde.
In 1644 wordt de Haven aangeduid als de Havenkant.
Het waren de Franse bestuurders die in 1812 straatnaambordjes
gingen ophangen en de naam xe2x80x9cHavenxe2x80x9dgebruikten,
sindsdien de officixc3xable straatnaam.

Twee bruggenxe2x80xa6

Waar water is en transport volgt, ontstaat de noodzaak
om over het water te komen.
Een brug is dan een oplossing.
Over de haven lagen twee bruggen: de Tolbrug en de Hoge Brug.



Tolbrug.

De eerste lag ter hoogte van de Haagdijk
en was in de middeleeuwen de enige verbinding over de Mark.
De naam xe2x80x9cTolbruggexe2x80x9dkomen we al tegen in een oorkonde uit 1384,
de brug zelf bestond reeds in 1354.
De meest recente vernieuwing van de Tolbrug dateert van het jaar 1922.
De opening van deze toen moderne brug is op film vastgelegd en bewaard.
De Tolbrug werd gesloopt toen men in 1941
een deel van rivier de Mark dempte.



Tolbrug met zicht op de Tolbrugstraat.

De Hoge brug, gelegen tussen de kruising Prinsenkade-Zoutstraat
en Vismarkt, vindt zijn oorsprong omstreeks 1550.
Een in 1615 gebouwde brug op deze plek werd in 1883 vervangen
door een ijzeren draaibrug.
Ook deze brug verdween bij de demping van de haven in 1964.



Tolbrug met zicht op de Haagdijk.

…wordt vervolgd.

Water terug in de stad: ARCHIVARIA

ARCHIVARIA, periodiek van het Stadsarchief Breda.

De haven, een beknopte levensschets.

In 1997 maakte stedenbouwkundige vormgever Eloi Koreman
schetsplannen voor de aanleg van een Nieuwe Rivier
in de Bredase binnenstad.
Door Breda opnieuw een haven te geven
zou een flinke impuls gegeven worden aan de economische
en cultuurhistorische waarden van Breda.
Centraal in de plannen staat het herstel van de Mark
als een stromende rivier.
Ook een reconstructie van de Markendaalseweg als een gracht
met kaden en bomen en het terugbrengen
van een van de drie eilandjes in dit gebied
maken deel uit van de genoemde plannen.
Een stromende rivier zou ook een bijdrage leveren
aan de ontwikkeling van natuur ten noorden en zuiden van de stad.
De Haven is volop in beeld.
Reden genoeg om samen met u een duik te nemen
in de historie van de Haven en naaste omgeving.


……wordt vervolgd.

Water terug in de stad: nog drie schotten.

Vandaag is weer een mijlpaal bereikt in de haven.
De laatste scheidingswand is bijna helemaal verwijderd.
De metalen platen liggen al op een wagen opgestapeld
om weggereden te worden.



Verder heb ik de eerste (?) boot al gesignaleerd in de haven.





De laatste drie of vier schotten die nog weggehaald moeten worden.
Morgen ceremonie ?







Water terug in de stad

Aan de haven is weer heel wat gebeurt.
Het was er druk vandaag met wandelaars en fietsers.
Iedereen wil het water in de haven zien.

















Wat hier nu weer is opgegraven weet ik niet.
Zullen we binnenkort wel iets over in de krant lezen.





Het gemeentelijk beleid ten aanzien fietsers en hun parkeergewoontes
wordt strenger, maar dit is overdreven.



Terecht maken omwonenden zich zorgen over alle bouwactiviteiten.
Of deze scheur iets te maken heeft
met de vernieuwde aanleg van de haven weet ik niet.





Voor het tweede deel van de nieuwe haven
wordt op sommige plaatsen wel erg diep gegraven.

Gelukkig kan het ook anders in Breda



Het enige wat ik hier op aan zou willen merken
is dat het jammer dat het schouwburggebouw niet wat vrijer staat
zodat de golvende vormen nog mooier uitkomen.

























De foto’s ogen wat somber want het was gisterochtend
niet zo’n geweldig weer.







Het lelijkste nieuwe gebouw van Breda

Nog een paar foto’s van dit foeilelijke gebouw:









Als je naar dit gebouw kijkt krijg je het gevoel alsof de architect
nog maar een eerste aanzet op papier heeft gezet.
Het is een eerste idee.
Het moet nog uitgewerkt worden en misschien moet het hele ontwerp
nog op de schop.
Toch is men begonnen met bouwen.

Industrieel erfgoed



De Etna, kachelfabriek.
Ik ben er erg vaak langs gelopen.
Van huis naar school heb ik jaren langs de Etna gelopen.
De fabriek lag aan de Tramsingel.
(Een deel van) Het gebouw had aan de voorkant witte stenen/tegels.
Wellicht geglazuurde stenen.
De sponningen van de ramen waren koper tot goudkleurig.
Dat ze ook landbouwgereedschap maakte wist ik niet.
Het was een ijzergieterij.

Het logo van de Etna was gewild.
Dat kwam als versiering op de producten.
Wij wilden als kind graag die mannetjes.
Het is mij nooit gelukt er een te bemachtigen.
We hebben het vaak genoeg gevraagd.



Hier heb ik nog een korte tijd (via een ander bedrijf) gewerkt.
Dit bedrijf bestaat nog steeds.





Onlangs heb ik van deze fabriek nog een foto op mijn web log geplaatst.
Ook hier liep ik zowat iedere dag langs.
Het bedrijf was schuin tegenover de Etna gevestigd.





Cafe de Beyerd schenkt vandaag de dag nog
een Drie Hoefijzers Klassiek uit eigen broueerij.