– over samenhang in de dansvoorstelling Rosas danst Rosas –
Waarschijnlijk is het 40 jaar geleden dat ik voor het laatst een dans- of balletvoorstelling heb gezien.
Als ik in die tijd al ballet zag was het waarschijnlijk in Le nozze de Figaro.
Een kenner ben ik dus niet.
Maar in het Chassé Theater ben ik veel vaker geweest.
Op het moment dat ik binnen kwam stond er één voorstelling op het punt te beginnen.
Daardoor was het niet te druk in het gebouw en kon ik nog eens foto’s maken
van de ruimte tussen de zalen aan de linkerkant
en de Kloosterkazerne aan de rechterkant.
Het ‘bos met pilaren’ en de loopbruggen ontvouwen zich.
Wat zag ik gisteravond in het Chassé Theater:
een dansvoorstelling in 4 delen:
- een soort van introductie, nadruk op adem en simultane beweging, vooral op de vloer
- het tweede deel met de stoelen
- als derde: meer ruimtelijk, vaker duo’s en trio’s
- een heel intensief vierde deel, vooral ruimtelijk
De dansers (moet je danseressen zeggen?) kwamen één voor één op
en vormen een lijn. Op mijn foto is dat nog staand.
Er is dan muziek. Maar kort.
Maar al snel zet de beweging zich voort aan de vloer: liggend, zittend.
De dansers bewegen gelijktijdig.
Leggen de nadruk op adem, niet hun adem, niet de adem die ze op dat moment
nodig hebben voor de dans, maar op luid aangezette adem.
Als om een punt te maken.
Zo ondersteunen ze met geluid ook de neerkomende bewegingen.
De bewegingen verlopen vooral in korte acties:
De danser draait zich om, slaat op de grond
om duidelijk te maken dat de beweging af is.
De ademhaling wordt benadrukt door een beweging die je kunt omschrijven
als ‘je opblazen’ en vervolgens ‘leeg laten lopen’.
Afwisselend actie en rust.
Een van de dansers splitst zich af.
Dat loopt als een rode draad door de voorstelling:
dansen met vier personen als één, maar afgewisseld met fragmenten
van 1 en 3, 2 en 2, 3 en 1 en weer 4 dansers.
Dan plaatst een van de dansers stoelen op de vloer: een rij van drie,
nog een rij van drie, een derde van drie en een van twee stoelen.
De dansers nemen plaats en doen schoeisel aan.
De dans zet zich voort zittend (en één voor één liggend) op de stoelen.
De bewegingen worden diverser.
Als de stoelen opzij gezet worden is de vloer weer helemaal leeg.
Het samenspel in groepen komt dan volledig tot zijn recht.
Mooi is te zien hoe steeds weer alle dansers op één lijn komen.
Lag in deel een vooral de nadruk op beweging surplace,
nu wordt de volledige ruimte benut.
In het laatste deel gaat het tempo omhoog.
De dans begint weer vanaf de ‘achterlijn’
De belichting gaat samenwerken met de dansers.
Licht vormt banen op het podium die werken als een prive-ruimte
voor de danser die daarin beweegt.
De banen veranderen het toneel haast in een schaakbord.
Iedere danser krijgt een solo.
Op de achterlijn gaat de dans gewoon door.
De muziek wordt ook hier weer ingezet.
Die heeft wat weg van minimal music, misschien opzienbarend in 1983
toen de voorstelling voor het eerst werd gedanst,
maar dat effect is nu wel weg.
Dit zijn waarschijnlijk, in alfabetische volgorde, Jasmine Achtari, Eva Galmel, Nina Godderis en Momiji Kuromaru.
Afronding
Er is in Rosas danst Rosas een beweging die zich steeds opnieuw voltrekt:
vier lichamen die uiteen vallen, zich herschikken,
in duo’s en trio’s bewegen, en dan — bijna vanzelf — weer terugvloeien naar één lijn.
Niet als pose, maar als een soort fysieke noodzaak,
alsof er in die vier lichamen een magnetisch midden zit
dat hen telkens naar elkaar toe trekt.
Het deed me denken aan kwik:
een materiaal dat uiteen kan spatten in druppels,
maar nooit ophoudt de weg terug te zoeken naar eenheid.
Een vorm die zichzelf verliest om hem daarna weer te hervinden,
alsof samenhang geen keuze is maar een eigenschap.
Zo werkten de dansers ook: autonoom, afzonderlijk, soms botsend,
maar steeds weer terugkerend naar die ene lijn, die grondvorm waarin alles klopt.
Zoals kwik dat doet wanneer je het even met rust laat.






