als een membraam, een trillend vlies

Wat is van ons, en wat niet?
Waar eindigen wij?
…wat ben ik en wat is de wereld buiten mij?
En in het bijzonder, welke onderhandelingen vinden plaats op deze grens, op dit punt waar de wereld naar ons toe komt en waar wij gaan om haar te ontmoeten?
 
In die zin kunnen we een tekening zien als een membraam, een trillend vlies.
Aan de ene kant nadert de wereld tot op het membraam.
Ik teken een boom.
De wereld komt met deze boom naar ons toe.
En tegelijkertijd projecteren wij op het membraam niet alleen alle bomen die we in ons hebben, maar ook alle associaties die het beeld van een boom oproept:
herinneringen aan specifieke bomen, de moerbeiboom in de tuin van mijn jeugd, de twee witte stinkhoutbomen die we er plantten, vol verwachting van de hangmat die er op een dag tussen zou hangen.
En andere, minder directe associaties: schaduw, gevallen bladeren, vreemd hangend fruit, drie bomen op een heuvel.

William Kentridge in Anatomie van het atelier, vertaald door Anna Helmers-Dieleman.