‘En u weet,’ zei ze, ‘dáárheen is niks!’

– over een essay dat me in verwarring achterliet –

IMG_8791Je mot naar 't Oostfront gaan

Ellen Krol, Uitgeverij Fragment, Je mot naar ’t Oostfront gaan, dan ken je dik op je donder krijgen.


Uitgeverij Fragment publiceerde onlangs in boekvorm het essay
‘Je mot naar ’t Oostfront gaan, dan ken je dik op je donder krijgen’
van Ellen Krol.
Het essay gaat over het boek ‘De oorlog in stukjes’, een keuze
uit de Kronkels van Simon Carmiggelt die over de oorlog gaan.

Het Parool publiceerde de stukjes van Carmiggelt, de Kronkels,
van januari 1945 tot aan zijn dood in 1987.
Ellen Krol geeft aan dat twee zaken missen in dat boek:
– ze mist annotaties en tekstkritiek
– er is geen verantwoording afgelegd over waarom deze stukjes
het tot in het boek gehaald hebben en anderen niet.
Voor mij betekent dit dat het boek niet de ambitie heeft
een wetenschappelijk werk te zijn, maar wil het een boek
voor het grote publiek zijn.
Niks mis mee, zeker bij Carmiggelt.
Maar ik verwachtte een essay dat een interpretatie bood,
maar kreeg vooral een thematische inventarisatie.

Dat mevrouw Krol meer wil bij ‘De oorlog in stukjes’
kan ik me goed voorstellen.
Daarom was/ben ik benieuwd naar het doel van haar essay.
Ze zegt daarover:

Vooraf dus de vraag welk beeld van eigen verzetsbetrokkenheid de ‘ik’ gaf in deze gebundelde Kronkels. Vooral gaat het mij verder om de vraag welk beeld Carmiggelt geeft van de Nederlanders onder Duitse bezetting, en meer specifiek van de relatie tussen vervolgden en niet-vervolgden.

Een paar regels verder voegt ze daar nog aan toe:

Mijn conclusies gelden alleen voor deze bundel van eenenvijftig Kronkels, …

en

Daarnaast zijn er typeringen van Duitsers op straat, Duitsers na de oorlog, toevallige helden, uitgesproken profiteurs, sappelaars voor de goede zaak en overgebleven stille betrokkenen.

Ellen Krol beschrijft haar onderzoeksvragen helder,
maar werkt deze in het essay niet uit tot conclusies.

In 2024 verscheen van haar hand het boek ‘Onbevrijd gevoel’
waarin ‘Ellen Krol werk van schrijvers over de Jodenvervolging (herleest) uit de periode 1957 tot 2019, zoals van Marga Minco, Ida Vos, Gerhard Durlacher, Hanny Michaelis, Clarissa Jacobi en Armando. Aangevuld met besprekingen van bloemlezingen over de oorlog wordt van een grote groep schrijvers als Simon Carmiggelt, Gerrit Kouwenaar, Bob den Uyl, Andreas Burnier, M. Vasalis, Jacov Lind, Sal Santen, F.B. Hotz, Jan Wolkers e.a. duidelijk hoe gedacht werd over de verhouding tussen de wel- en niet-vervolgde bevolkingsgroepen.’

Dit essay lijkt een vervolgopdracht.

Maar het essay laat me in verwarring achter omdat
Ellen Krol haar onderzoeksvragen helder beschrijft,
maar het essay vooral een inventarisatie blijft van de Kronkels
en ik de beloofde conclusies mis.

Mevrouw Krol schrijft eerst over het verschil tussen
‘gewone’ Nederlanders en Simon Carmiggelt.
Voor mij wordt niet duidelijk wat dit precies toevoegt
aan haar verhaal.

Dan volgt het hart van haar essay:
een inleiding gevolgd door een indeling per periode met een reeks citaten.
Die citaten zijn charmant — je hoort Carmiggelt bijna spreken —
maar ze worden niet ingebed in een analytisch betoog

Echte conclusies ontbreken. Dat lijkt me ook erg moeilijk
omdat het essay reageert op een boek dat een keuze in de Kronkels bevat.
Om goed conclusies te kunnen trekken zou een gedegen analyse
van alle Kronkels nodig zijn op het aspect oorlog.

Daarom is voor mij de opmerking op pagina 16 over het moment
waarop Carmiggelt schrijft over de Jodenvervolging niet
een echte conclusie:

‘Dat er in 1947 en 1958 Kronkels over deportaties in de krant stonden, is vroeg als je in aanmerking neemt dat de Jodenvervolging in de jaren ’50 bijna uit het collectieve geheugen gewist leek….’

Het essay verschijnt op de vertrouwde manier.
Een heel verzorgd uiterlijk, met een mooie omslag
die prettig in de hand ligt.

De titel van dit bericht is de laatste zin van het essay.
Wat mij betreft erg goed gekozen.
Het citaat van de Kronkel ‘Niks’ is typisch Carmiggelt.
Hij loopt op straat in Amsterdam en wordt dan aangesproken.
Een vrouw vertelt hem een verhaal en besluit met dat ze
nog steeds Duitsers de verkeerde kant op stuurt
als haar naar de weg gevraagd wordt.

Natuurlijk moest ik meteen denken aan de uitzending uit 1985
‘Gedane zaken gaan niet meer tekeer / Do ist der Bahnhof!’.
Waarin Gé en Arie Temmes filosoferen over de dodenherdenking
en vertellen hoe ze nog steeds Duitse vakantiegangers
in de verkeerde richting sturen voor het station.
Is daar een relatie?

Misschien is het precies deze mengeling van observatie en
gemis aan duiding die me achterlaat met het gevoel dat er
minder is dan ik had gehoopt.