Het Musée Guimet identificeert dit bronzen beeld eenvoudigweg als Shiva.
Die sobere aanduiding past verrassend goed bij de voorstelling zelf.
De god staat rechtop en frontaal, met vier armen,
een hoge kroon en slechts enkele attributen die zijn identiteit verraden.
In de achterste handen zijn een bijl en een hert te herkennen,
terwijl de voorste rechterhand een beschermend gebaar maakt.
De linkerarm is gebogen zodat de hand tegen de heup rust.
De houding oogt rustig en evenwichtig.
Anders dan bij een dansende Nataraja ligt de nadruk hier niet op beweging,
maar op de statige aanwezigheid van de god.
Bij nadere beschouwing vallen steeds meer details op.
De oorhangers zijn groot en opengewerkt.
De kroon is opgebouwd uit meerdere zones en rijk versierd
met kleine ornamenten.
Achter het hoofd bevindt zich bovendien een opvallend rond,
eveneens opengewerkt element.
Op het eerste gezicht lijkt het op een wiel of rozet.
Een vergelijkbaar motief is ook op andere Zuid-Indiase bronzen te zien.
Hoewel het duidelijk deel uitmaakt van de iconografie,
bleek de precieze benaming moeilijk te achterhalen.
Zelfs in de klassieke iconografische handboeken waarnaar ik op zoek ging,
vond ik vandaag geen overtuigende verklaring.
Ook het voetstuk verdient aandacht.
Shiva staat op een ronde, gewelfde basis
die rust op een vierkante sokkel met opstaande hoekelementen.
De vorm roept associaties op met een lotusbasis,
maar afzonderlijke lotusbladeren zijn op dit beeld niet zichtbaar.
De functie van de opvallende vierkante onderbouw blijft daarmee
enigszins raadselachtig.
Juist dat maakt dit beeld interessant.
Het museum geeft slechts de naam van de god,
een datering aan het einde van de twaalfde of in de dertiende eeuw,
de herkomst uit Tamil Nadu en de vermelding
dat het werk in 1929 via Gabriel Jouveau-Dubreuil in de collectie terechtkwam.
De rest moet uit het beeld zelf worden afgeleid.
Hoe langer je kijkt, hoe meer details zichtbaar worden:
het hert, de bijl, de hand op de heup, de complexe kroon
en het mysterieuze ronde element achter het hoofd.
Sommige daarvan laten zich gemakkelijk verklaren,
andere blijven vooralsnog een open vraag.
Dat is misschien wel de grootste aantrekkingskracht van dit Chola-brons.
Het geeft niet al zijn geheimen onmiddellijk prijs.



