– over twee sprekende achterkanten –
Wat de twee panelen in dit bericht onmiddellijk onderscheidt
van de meeste laatmiddeleeuwse schilderijen,
is niet wat er op de voorkant staat,
maar wat er op de achterkant te lezen is.
Je ziet er geen wijnranken, geen wapenschilden,
geen ornamenten die de drager verlevendigen, maar tekst.
In beide gevallen met een heel eigen functie.
Op het ene paneel staat een juridisch‑administratieve notitie,
een registratie die ooit deel uitmaakte van een formele handeling
en die de achterkant tot een document maakt.
Op het andere paneel staat een devotionele memorietekst,
een gebed voor een overledene dat de verso tot een plaats van herinnering maakt.
Daardoor vormen deze schilderijen samen een spaarzaam getoond duo.
Dat is jammer, want juist de verso‑kant draagt instrumentele informatie
om het werk te kunnen begrijpen.
Nieuwe ideeën en religieuze druk in de zestiende eeuw
In het midden van de zestiende eeuw stond Europa op scherp.
De Reformatie had de vanzelfsprekende autoriteit van de gevestigde kerk doorbroken,
en overal ontstonden nieuwe vormen van geloofsbeleving.
Sommige daarvan bleven dicht bij de leer van Luther of Zwingli,
andere gingen veel verder.
Tot die laatste groep behoorden de wederdopers:
gelovigen die meenden
dat alleen een bewuste, volwassen keuze tot de doop werkelijk telde.
Zij verwierpen de kinderdoop, benadrukten innerlijke bekering
en leefden vaak in hechte, zelfstandige gemeenschappen.
Voor veel overheden en kerkelijke autoriteiten waren deze groepen
ronduit bedreigend.
Niet alleen omdat hun geloofsopvattingen afweken,
maar ook omdat zij sociale en politieke structuren onder druk zetten.
De vervolging was hevig; leiders werden gezocht,
verbannen of ter dood gebracht.
In deze gespannen wereld bewoog zich David Joris,
een van de meest besproken figuren uit de dopers beweging
— niet vanwege geweld, maar vanwege de reikwijdte van zijn netwerk
en de profetische pretenties van zijn leer.
Waarom David Joris in de Nederlanden zo omstreden was
David Joris begon als glas‑schilder en sympathisant van de Reformatie,
maar sloot zich al vroeg aan bij de wederdopers.
Binnen die beweging ontwikkelde hij een eigen, mystiek‑getinte leer
waarin hij zichzelf presenteerde als een door God geïnspireerde vernieuwer.
Zijn autoriteit berustte op visioenen, openbaringen
en een sterk persoonlijke interpretatie van het geloof.
Zijn volgelingen vormden een groeiende, moeilijk te controleren gemeenschap
die zich grotendeels buiten de officiële kerkelijke structuren bewoog.
Zijn traktaten circuleerden clandestien,
zijn netwerk strekte zich uit over verschillende steden,
en zijn leer was niet te vangen binnen de bekende reformatorische kaders.
Voor de Nederlandse overheden — zowel katholiek als vroeg‑protestants —
was dat een gevaarlijke combinatie:
een charismatische leider, een autonome beweging
en een religieuze boodschap die zich aan elke vorm van toezicht onttrok.
Joris en Münster — een belangrijk onderscheid
Hoewel de herinnering aan het dopers bewind in Münster (1534–1535)
als een schrikbeeld door Europa ging,
stond David Joris daar volledig buiten.
Hij had geen rol in de gebeurtenissen
en verwierp het gewelddadige, apocalyptische optreden van de Münsteritische leiders.
Joris vertegenwoordigde een andere richting binnen het dopers denken:
geen revolutionaire omwenteling,
maar een innerlijke, spirituele vernieuwing.
Juist dat maakte hem voor de autoriteiten lastig te plaatsen.
Hij was geen oproerkraaier, maar wel een leider met een eigen leer,
een groeiend netwerk en profetische aanspraken
— en daarmee, in de ogen van de overheid,
alsnog een dissident die de religieuze orde ondermijnde.
David Joris in Bazel
David Joris was in 1544 als geloofsvluchteling, met een grote familie
en een omvangrijke gevolg, naar Bazel gekomen.
Hij gaf zich uit voor een Nederlandse edelman met de naam Johann von Bruck
en leidde, algemeen gerespecteerd, een comfortabel leven in welstand.
Pas twee jaar na zijn dood werd bekend
wie de vreemde jongeling werkelijk was geweest:
namelijk een in de Nederlanden al lange tijd gezochte “aarts‑ketter”.
Zijn vlucht en vestiging in Bazel waren door zijn volgelingen gefinancierd.
Ook vanuit Bazel leidde hij zijn beweging
en voorzag haar voortdurend van nieuwe traktaten over het dopersgeloof.
Het portret toont Joris als een rijke man van stand, voor een wijds landschap.
De opvallende aanwijzende handbeweging van zijn linkerhand
houdt vermoedelijk verband met de leer van de wederdopers,
evenals de kleine scènes met de barmhartige Samaritaan op de achtergrond.
Na de ontstellende postume onthullingen over het dubbelleven van de geportretteerde
werd het schilderij in 1559 door de raad van de stad Bazel in beslag genomen.
Destijds liet de regering, als hoogtepunt van een ketterproces,
zelfs het lichaam van David Joris opgraven en verbrandde het op de brandstapel,
samen met zijn boeken en een ander portret.
Over de gebeurtenissen van toen geeft een uitvoerige inscriptie in het Latijn
en het Duits op de achterkant van het paneel nadere informatie.
De lijst
De lijst rond het portret vormt een merkwaardige echo
van de status die Joris tijdens zijn leven wist te behouden.
De donkere rand met gouden sterren en ornamenten
verleent het werk een bijna verheven waardigheid,
alsof de geportretteerde deel uitmaakt van een hogere orde van kennis en inzicht.
Dat past bij de manier waarop Joris zichzelf zag:
niet als oproerkraaier,
maar als profeet en hervormer van het innerlijk geloof.
Tegelijk wringt die decoratieve pracht met zijn latere reputatie als “aartsketter”
— een man wiens lichaam na zijn dood werd opgegraven en verbrand.
De lijst lijkt zo het beeld te bewaren van de gerespecteerde heer die hij ooit was,
terwijl de geschiedenis hem tot symbool van religieuze vervolging maakte.
De teksten
Het Latijn:
Vera effigies Davidis Georgii, ketterleider uit Holland, uit Delft afkomstig, die in het jaar 1544 van de menswording des Heren onder het voorwendsel van het Evangelie met zijn gezin naar deze stad kwam. In het jaar 1556 stierf hij, en terwijl hij leefde liet hij dit portret van zichzelf maken. Maar in het jaar 1559 werd hier te Bazel zijn zaak door openbaar vonnis veroordeeld, en zijn lichaam, na de dood opgegraven, werd samen met zijn geschriften door vuur vernietigd.
Het Duits:
David Joris, de sekteleider uit Delft in Holland, was hierheen gevlucht en had zich onder het schijn van het heilige Evangelie in deze stad Bazel gevestigd. In het jaar 1556 stierf hij. In het jaar 1559 werd hij hier te Bazel in een openbaar rechtsproces veroordeeld; zijn lichaam werd uit het graf gehaald en samen met zijn boeken op de gewone executieplaats verbrand.
Opmerkelijk is dat in beide teksten
het verbranden van een portret met het dode lichaam en zijn boeken,
niet vermeld wordt.
De postume veroordeling van David Joris heeft iets huiveringwekkends
dat we vandaag alleen nog kennen
uit de omgang met de lichamen van grote oorlogsmisdadigers:
het ritueel uitwissen van een persoon door zijn lichaam te vernietigen.
Ook Joris werd, jaren na zijn dood, opgegraven, veroordeeld
en op de brandstapel gelegd, samen met zijn boeken en zelfs een tweede portret.
Het is een daad die niet alleen het individu straft,
maar zijn herinnering, zijn leer en zijn aanwezigheid in de wereld.
Juist daardoor krijgt het bewaard gebleven portret een bijna spookachtige intensiteit:
het is het enige beeld dat aan de vlammen ontsnapte,
een gezicht dat had moeten verdwijnen maar toch is blijven bestaan
— een stille getuige van een poging tot totale uitwissing.
Opmerkelijk is bovendien het spanningsveld tussen de oude toeschrijving
en de huidige presentatie:
op de etiketten wordt Jan van Scorel nog genoemd als maker,
terwijl de tentoonstelling het werk voorzichtig classificeert als Niederländischer Meister.
Dat verschil laat zien hoe onzeker de herkomst van het portret is,
en hoe terughoudend men tegenwoordig omgaat met toeschrijvingen.
Even opvallend is het idee dat een Nederlandse schilder
een vluchteling in Zwitserland zou hebben geportretteerd
— op het eerste gezicht onwaarschijnlijk, maar in het internationale,
door migratie en geloofsconflicten gevormde Bazel van de zestiende eeuw
zeker niet onmogelijk.
Juist zulke details maken duidelijk hoezeer de achterkant van het schilderij
het verhaal van de voorkant nuanceert en verdiept.
Heilige Barbara
Volgens haar middeleeuwse legende werd Barbara
door haar vader opgesloten in een toren om haar van de buitenwereld af te sluiten
en haar geloof te breken
— precies de toren die we hier achter haar zien,
met de drie vensters die zij tegen zijn wil liet aanbrengen
als teken van haar geloof in de Drie‑eenheid.
In die afzondering bleef zij standvastig,
en toen zij uiteindelijk ter dood werd veroordeeld, gebeurde het wonder
dat haar tot patrones van de goede dood maakte:
omdat er geen priester aanwezig was om haar de sacramenten toe te dienen,
ontving zij op miraculeuze wijze de heilige communie uit de hemel.
Een engel bracht haar de kelk en de hostie
— dezelfde kelk met de zwevende hostie die in dit paneel naast haar staat.
Het boek dat Barbara leest verwijst naar haar innerlijke devotie, haar geleerdheid
en haar bewuste keuze voor het christelijk geloof.
Zo worden haar geloofsdaad (de toren met drie vensters),
haar hemelse beloning (de wonderbaarlijke communie)
en haar geestelijke voeding (het lezen als metafoor voor studie en contemplatie)
in één beeld verenigd.
Het schilderij vormt zo een stille meditatie over geloof, sacrament en verlossing.
Verso
Op de achterkant van het paneel staat in goudkleurige gotische letters
een eenvoudige memorietekst:
Anno 1509 uff den vier tag des Meigen do ist verschieden Barbel Jungermann, der Gott genedig und baermherzig sig.
De tekst lijkt op het eerste gezicht authentiek zestiende‑eeuws,
maar is waarschijnlijk later overgeschreven om een verloren inscriptie te bewaren.
Dat blijkt uit de manier waarop de letters zijn nageschilderd:
de basislijn loopt licht golvend, de lettervormen kantelen soms naar links of rechts,
en de gotische krullen zijn met zichtbaar moeite geïmiteerd.
Toch behoudt de inscriptie haar functie:
een naam en een gebed verbinden zich met het beeld van Barbara op de voorzijde.
Daar belichaamt de heilige de hoop op een goede dood
en op verlossing door het sacrament;
hier, op de achterkant, klinkt het persoonlijke gebed dat die hoop verwoordt.
Samen vormen beeld en tekst één devotioneel geheel
— een schilderij dat zowel de leer van het geloof
als de herinnering aan een mens bewaart.
Afsluitend
Wanneer je beide schilderijen naast elkaar bekijkt,
wordt duidelijk hoe de teksten op de achterkant het zicht op de voorkant verdiepen.
De juridische registratie achter het portret van David Joris
onthult de wereld van toezicht, vervolging
en postume rechtspraak waarin zijn leven eindigde.
De memorietekst achter Barbara bewaart het gebed voor Barbel Jungermann,
wier hoop op een goede dood aan de heilige werd toevertrouwd.
Zo spiegelen de twee panelen elkaar:
hier een man wiens herinnering door de autoriteiten werd uitgewist,
daar een vrouw wier nagedachtenis juist werd vastgelegd en bewaard.
Samen laten ze zien hoe een schilderij pas volledig spreekt
wanneer ook de achterkant wordt gelezen.











