In een moment van omvloeien

… liet mij aan boord roeien en kwam eerst in mijn hut weer bij.
Vreemd, dat ik van de aarde af moest zijn,
om mij weer zeker van mijzelf te voelen.

Mijzelf.
Ik ben nog niet oud, en heb al verleerd te leven.
Ik wilde mij eenzaam bewaren
en ben in aanraking gekomen met al het vuil dat de wereld opbrengt.

Ik voel mij grauw en klam,
ik kan die neerslag nooit meer van mij afspoelen.
Zal ik ooit weer van het leven kunnen drinken zonder weerzijn,
en een wind
– niet verpest door de walmen van rottend schip of mensenbarende stad –
uit zee, uit het zuivere,
als een streling langs mijn huid voelen gaan?
En lopen door een pijnboomwoud, alleen mijn schaduw bij mij.
Mij laten omvloeien door een koude beek,
mij laten voorlichten door de bloemen…

J. Slauerhoff, bezorgd door Hein Aalders en Menno Voskuil,
Het verboden rijk, pagina 117.