Verhuis

Pas heb ik meegeholpen met een verhuis.
Een van de voorwerpen die gereed stonden om
weggegooid te worden was de volgende prent.

Die heb ik nog maar even mee naar huis genomen.
De achterkant is overigens ook leuk.
Daar staat namelijk op waar de prent vandaan komt.

Het is overigens een afbeelding van het Bredase Begijnhof.
Al voor 2 maart 1267 woonden er begijnen te Breda. In dat jaar gaf heer Hendrik van Breda de grond waarop ze woonden aan hen in volle eigendom. Ze kregen bovendien toestemming op die grond een kapel met kerkhof te stichten. De grond die de begijnen toen in eigendom kregen lag tussen het kasteel van de heer en de stad. Het hof lag net buiten de toenmalige stadsmuren. In een akte uit 1296 wordt gezegd dat het hof tegen Breda aanlag (xe2x80x98apud Bredaxe2x80x99) Of heer Hendrik of zijn voorganger Godfried de begijnen naar Breda heeft gehaald, is niet zo duidelijk. Bij deze schenking moet eerder aan Godfried IV gedacht worden dan aan zijn zoon Hendrik. De gift paste geheel in Godfrieds overdaad aan schenkingen, gedaan op zijn sterfbed in Schoten; een welwillendheid die zijn erfgenamen sterk zou verarmen. Verbrokkeling domeinDe royale schenking van grond aan de Caterstrate was in het licht van wat de gevolgen waren raadselachtig en amper in zijn welbegrepen eigenbelang. Hij dreef door die schenking immers een wig tussen het centrum van zijn domein en de bijbehorende bedrijfsruimten. Vermoedelijk, omdat hij niet in Breda resideerde, had hij wat minder oog voor de moeilijkheden, die een dergelijke verbrokkeling van het domein op die plaats met zich mee konden brengen. Zeker na de aanleg van een stadswal in diezelfde periode bleef hem slechts een smalle corridor als verbinding tussen zijn castellum en zijn agrarisch centrum, dat voortaan achter het begijnhof in de hovinge Valckenberge lag. Begijnen geven percelen in cijns uitOfschoon het geschonken land aan de Caterstrate lag, hebben de begijnen zich van die straat afgewend door een brede strook grond erlangs in erfcijns aan poorters uit te geven. Daarachter lieten ze de beghinengracht graven als afscheiding van hun hof.De opbrengst van die uitgifte was mede bestemd voor het onderhoud van de begijnen. Uit de cijnsregisters van het begijnhof uit 1400 en 1427 blijkt – in combinatie met de gegevens verkregen uit de vestbrieven – dan ook dat de begijnen cijnzen hieven van een aaneengesloten reeks percelen, gelegen ten zuiden van hun hof aan de Caterstrate en aan wat later heette het Kasteelplein. Waar het begijnhof ophield en het gebied van de heer begon, was herencijns verplicht. De scheiding tussen beide cijnsblokken was messcherp. BeghinenstrateDe uitgifte van percelen langs de Caterstrate had wel tot gevolg, dat de ingang van het begijnhof kwam te liggen aan de Beghinenstrate. Of zij die ‘zijstraat’ hebben aangelegd of dat daar al een weg liep naar de burcht, kan alleen door archeologisch onderzoek worden aangetoond. De straatnamen Beghinenstrate en Borchtstrate komen pas voor in bronnen uit de veertiende en vijftiende eeuw. Meer dan drie jaar later bevestigt de bisschop van Luik het recht van de begijnen om een kapel met kerkhof op te richten. Er is dan sprake van de xe2x80x98novella congregatio beginarumxe2x80x99 (nieuwe begijnencongregatie) wat er op wijst dat het hof nog niet lang bestond. De begijnen hebben het recht een eigen kapelaan te hebben. Voor de kapelaan en het kerkhof moeten wel de bestaande rechten van de parochiekerk gerespecteerd worden. De kapel moet spoedig zijn opgeleverd, want in 1291 is er al sprake van een kapel gewijd aan de heilige Catharina op het begijnhof. Vier jaar later jaar verleent het bidom Luik een aflaat van 40 dagen aan hen, die op verschillende kerkelijke feestdagen de kapel bezoeken. Een aflaat zorgde ervoor dat de persoon een bepaalde periode korter in het vagevuur zou moeten doorbrengen na zijn dood. Een aflaat zou het bezoek aan de kapel bevorderen en hiermee zorgen voor een regelmatige inkomstenstroom van giften van bezoekers. KetterijenKort daarna breekt er een moeilijke periode aan voor de begijnhoven in heel Europa. In 1311 worden de begijnen verdacht van ketterse sympathiexc3xabn en veroordeeld. De bisschop van Luik blijft de Bredase begijnen steunen. In 1326 verleent hij hen nog eens een extra aflaat voor bezoekers aan hun kapel. Vier jaar later, in 1330, pleit de bisschop van Luik hen definitief vrij van ketterse sympathiexc3xabn na een grondig onderzoek. Een eigen kapelaan en begraafplaatsDe relatie tussen begijnhof en parochiekerk was bij de stichting niet duidelijk geregeld. De bisschop van Luik had in 1270 de begijnen het recht gegeven op een eigen kapelaan en een begraafplaats. Daarbij was duidelijk gezegd dat zij de rechten van de parochiekerk van Breda moesten respecteren. Pas in 1343 keurde het kapittel een reeds bestaande overeenkomst tussen begijnhof en pastoor goed. Deze regeling hield in dat het hof als vergoeding voor het laten begraven van begijnen en anderen op het hof aan de pastoor jaarlijks 9 groten betaalde. De begijnen kregen het recht zelf een kapelaan te kiezen voor hun geestelijke zorg. Al eerder, in 1301, had een Engelbrecht van den Einde een altaar gesticht in de kapel van de begijnhof. Met de inkomsten van dit altaar kon een kapelaan betaald worden. Het kapittel van Breda had het recht een kapelaan aan dit altaar te benoemen. Uit een latere bron weten we dat de inkomsten van het altaar 20 veertelen rogge bedroegen en 7 gulden. Huizen op oude hofIn het jaar 1480 bevatte het hof 16 huizen bewoond door 37 personen. Omstreeks 1500 breidde het begijnhof uit met een nieuwe poort en enige daaraangrenzende woningen. Ook de rekeningen bevatten vele posten die op grote bouwactiviteit wijzen in deze periode. Er werd onder andere een nieuwe kerk gebouwd.In 1526 telde het Begijnhof 22 huizen. Verplaatsing in 1527Graaf Hendrik III van Nassau (1504-1538) maakte grootse plannen om zijn kasteel uit te breiden en te maken tot een echt renaissancepaleis. Voor de uitvoering moest het begijnhof, dat voor tegen de burcht aan lag, verplaatst worden. Reeds in 1527 vonden er onderhandelingen plaats tussen de graaf en de begijnen. Er werd besloten het hof te verplaatsen naar het oostelijke deel van het Valkenberg, de plaats waar het zich nu nog bevindt. De stadsbrand van 1534 die grote delen van Breda verwoestte, heeft waarschijnlijk het nieuwe hof niet geraakt. Reeds in juli 1535 verhuisden de eerste begijnen. De bestaande Wendelinuskapel ging functioneren als eigen kerk. Graaf Hendrik van Nassau liet een muur bouwen van de gesloopte stadsmuren tot aan de Catharinastraat. Deze muur werd gebouwd met de stenen die waren vrijgekomen van de sloop van het ‘huys Valckenberg’.Het restant van dit materiaal mochten de begijnen gebruikenvoor de bouw van hun huizen. Voor de bouw van zeven huisjes stelde graaf Hendrik 300 Rijnse guldens beschikbaar. Het metselwerk duurde meer dan 15 weken. Er moesten voor 23 begijnen huizen gebouwd worden. In 1536 werd al begonnen met de aanleg van een tuin en een bleekveld.De begijnenhuisjes waren oorspronkelijk eenlaags. In elk huisje was plaats voo
r twee begijnen. Een huis bestond uit een woonkeuken met stookplaats, een kelder met tongewelf en een opkamer met stookplaats. Pas in de 18e eeuw zijn de huisjes met een verdieping verhoogd. Waarschijnlijk is dit perceelsgewijze gebeurd, wat de verticale bouwnaden in de voorgevels verklaart. De ingang van het Begijnhof lag aanvankelijk in het Valkenberg, daar waar nu de westmuur een sprong buitenwaarts maakt. Rechts van de poort sloot een noordzuidwaartse muur op de traptoren van de Wendelinuskapel aan. In 1544 lieten de meesteressen van het hof drie huisjes bouwen voor die Valkenbergse poort en tegenover de westgevel van de Wendelinuskapel, op een rijtje van noord naar zuid. In 1574 kwam de hoofdpoort aan de Catharinastraat te liggen. De oude poort werd een ondergeschikte zijpoort. Rechts van de nieuwe ingang kwam de pastorie te liggen. De hervormingDe Beeldenstorm (1566) en de eerste periode van de opstand (tot 1590) zijn de begijnen zonder veel schade doorgekomen. Bij de Spaanse furie van Haultepenne (1581) kon plundering tegen de kapitale som van 500 Rijnse guldens worden afgekocht. Eerst toen in 1590 Breda door middel van de list met het turfschip door prins Maurits was veroverd kwamen er moeilijkheden. De Wendelinuskapel kwam in protestante handen en werd omgedoopt tot Waalse kerk. Charles de Hxc3xa9raugixc3xa8re, de aanvoerder van de manschappen in het turfschip en door prins Maurits benoemd tot gouverneur van Breda, werd buurman van het begijnhof. Ondanks de bescherming van Maurits heeft hij de begijnen nogal wat last bezorgd. Tussen 1590 en 1625 werd op het Begijnhof wel nu en dan de mis gelezen. Waarschijnlijk gebeurde dit in de infirmerie (de ziekenzaal). Tijdens het Spaanse tussenbewind (1625-1637) werd de Wendelinuskapel weer begijnenkerk. Ook na de herovering door Frederik Hendrik bleef dit zo. Pas na de Vrede van Munster (1648), gevolgd door het plakkaat van 16 juni 1648, waarbij aan alle katholieke geestelijken het verblijf in Staats-Brabant werd verboden en alle katholieke kerken en kapellen gesloten werden verklaard, maakte een einde aan deze situatie. Op 13 juli werd de begijnenkerk gereformeerd. Op 3 januari 1649 vernieuwde prins Willem II de sauvegarde voor het Begijnhof. Hij bepaalde tevens dat de toegang van de Waalse kerk naar het Begijnhof moest worden dichtgemetseld en vervangen door een nieuwe ingang aan de straat voor de Waalse kerk. Dit betekende een definitieve scheiding tussen Wendelinuskapel en hof. De begijnen richtten daarom drie woningen die tegen de Wendelinuskapel aangebouwd waren zo goed mogelijk in als kapel. Een van deze woningen fungeerde voor deze tijd als infirmerie. Deze drie huizen werden van hoge ramen voorzien. In deze noodkerk werden tot 1838 de godsdienstoefeningen gehouden. Exc3xa9n van de zorgen in de 17e eeuw was het onderhoud van de pastoor. Voordien had het hof geen eigen op het hof wonende pastoor. De diensten werden toen verricht door de kapelaans van de beneficies, die echter vaak ‘pastoor’ genoemd werden. Doch de sauvegardes verleend door de heren van Nassau, waarbij alle bewoners waren inbegrepen, hadden tot het begrijpelijke gevolg dat de dienstdoende priester zich op het Begijnhof kwam vestigen om veiliger te zijn voor de maatregelen van het Staatse bewind. In de eerste tijd verzorgde de franciscaan Petrus Jeghers echter ook de geestelijke belangen van de katholieken in de stad. De meesteressen vonden dit blijkbaar ongewenst. Zij trachtten de inkomsten van de beneficies bijeen te voegen voor het onderhoud van een eigen begijnenpastoorEn met succes. Hun eerste afzonderlijke pastoor was Nicolaus van Milst (1674-1706), die ook als volksdichter van stichtelijke poxc3xabzie bekendheid heeft verworven. In de 18e eeuw werd een ernstige poging gedaan om het begijnhof te laten verdwijnen. Op 12 maart 1731 werd een plakkaat uitgevaardigd, waarbij o.a. werd bepaald dat er geen novicen mochten worden aangenomen. Een hernieuwing van dit verbod volgde nog in 1732. Pas in 1747, toen weer een Oranje als stadhouder was aangesteld, werden de pogingen om opheffing van het verbod te krijgen met succes bekroond. Franse periodeOnder het bestuur van de Republiek genoten de Bredase begijnen het voorrecht dat zij haar gebruikelijke kleding ongehinderd mochten blijven dragen. Doch toen na de omwenteling de Representanten van Bataafs Brabant het dragen van geestelijke ordeskleding verboden, verklaarde de municipaliteit dat dit verbod ook van toepassing moest worden geacht voor de begijnen. In 1798 gaf toen Adrianus Oomen, xc3xa9xc3xa9n der vicarissen van het bisdom Antwerpen, toestemming aan de begijnen zich buiten het begijnhof zodanig te kleden dat er geen verdere moeilijkheden met de burgerlijke overheid meer konden ontstaan. Deze toestemming werd in 1814 ingetrokken. 19e eeuwIn de 19e euw beleefde het Begijnhof een laatste opbloei. Een opvallend symptoom daarvan was de vernieuwde bouwactiviteit. Tussen 1836 en 1838 werd onder toezicht van de Rijkswaterstaat achter op het hof de St. Catharinakerk gebouwd. In 1850 volgde, daarnaast de huidige pastorie, die in 1886 en 1911 nog werd uitgebreid. Tussen 1860 en 1863 werd de laatste grote verandering aangebracht. Toen werd het zogenaamde ‘buitenhof’ gebouwd, bestaande uit negen nieuwe huisjes. 20e eeuwDe Bredase begijnengemeenschap is nu uitgestorven. Een laatste poging om nieuwe leden aan te trekken dateert van omstreeks 1930. De bedoeling was jonge meisjes aan te trekken die zich verdienstelijk zouden maken in de gezinszorg. Dit werd echter geen succes. Na de tweede wereldoorlog is besloten geen novicen meer aan te nemen. In 1966 waren er nog elf begijnen op het Bredase begijnhof. Stadsarchief Breda

Save